CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

11. MER bijlagen met voorbladen totaal

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied30.248 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

VOORBLAD

BIJLAGEN PLANMER

1. Toetsingsadvies commissie MER 2. Aanvullende notitie Landschap 3. Aanvullende notitie Stikstof

Toelichting 1. Toetsingsadvies Commissie voor de Milieueffectrapportage Het bestemmingsplan en de planMER zijn voor een toetsingsadvies voorgelegd aan de commissie MER. In haar toetsingsadvies signaleert de commissie bij toetsing aan van het MER nog een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang. Het gaat dan met name over de uitvoerbaarheid van de in het plan opgenomen stikstofregeling, de effecten op het landschap en de mogelijke effecten op de kwaliteit van het oppervlaktewater. 2., 3. Aanvullende notities Landschap en Stikstof Naar aanleiding van het advies is de planMER is er een oplegnotitie geschreven waarin de onderdelen met tekortkomingen aanvullend zijn beschreven. De oplegnotitie bestaat uit twee losse notities: Eén daarvan heeft betrekking op de effecten van het landschap, de andere notitie gaat nader in de op de uitvoerbaarheid van de stikstofregeling.

1. Toetsingsadvies commissie MER

Bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 3 juni 2021 / projectnummer: 3504

Advies over het MER in het kort De in 2018 gevormde gemeente Midden-Groningen wil een nieuw bestemmingsplan voor haar buitengebied opstellen. Met dit bestemmingsplan harmoniseert en actualiseert de gemeente de regels voor het buitengebied. Voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat blijkt uit het MER? In het MER zijn de effecten van een ‘realistische worstcase’ alternatief onderzocht. Daaruit blijkt dat de ontwikkelruimte die het bestemmingsplan geeft aan agrarische bedrijven leidt tot onacceptabele effecten op de natuur door stikstofuitstoot en tot aantasting van het landschap. Daarom zijn maatregelen opgenomen in het bestemmingsplan, zoals een stikstofregeling. Het MER concludeert dat de stikstofregeling ervoor zorgt dat uitbreiding van agrarische bedrijven, paardenbakken en mestopslagen geen extra stikstofdepositie op natuurgebieden veroorzaakt.

Wat is het advies van de Commissie? Het MER besteedt veel aandacht aan de keuze en beoordeling van alternatieven en de methode van onderzoek. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER nog een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan buitengebied MiddenGroningen door de gemeenteraad. •

De beschrijving van de referentiesituatie is onvolledig. Zo mist er informatie over het aantal en soort agrarische bedrijven en of ze beschikken over emissiebeperkende maatregelen, de ontwikkeling van de natuur, de kwaliteit van het oppervlaktewater, bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen en het landschap. Deze informatie is nodig om de effecten van het plan te kunnen bepalen.

•

De maximale mogelijkheden voor uitbreiding die het bestemmingsplan biedt voor agrarische bedrijven, paarden houden en mestopslag zijn niet duidelijk. Als deze informatie ontbreekt kunnen de effecten van het plan niet goed in beeld komen. Ook de effecten van de mogelijkheden voor omzetting van diersoorten, bijvoorbeeld van melkveehouderij naar varkens of pluimvee, zijn niet beschreven.

•

Uitstoot van stikstof door agrarische bedrijven is onduidelijk doordat: o

Nieuwe berekeningen van de stikstofbelasting door agrarische bedrijven met de meest recente versie van Aerius ontbreken.

o

De uitvoerbaarheid van de stikstofregeling. Uit het MER blijkt niet of de stikstofregeling in het bestemmingsplan voor het bieden van ontwikkelruimte aan individuele agrarische bedrijven en voor mestopslag uitvoerbaar is.

o

Paarden houden. Het is niet duidelijk of de stikstofregels van toepassing zijn op het houden van paarden.

•

De mogelijke effecten van meer productie of import van mest op de kwaliteit van het oppervlaktewater ontbreken, net als de maatregelen die deze effecten kunnen voorkomen.

-1-

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan Midden-Groningen. De informatie over de uitvoerbaarheid van de stikstofregeling en de natuur kan in deze aanvulling worden opgenomen, in een alsnog op te stellen Passende beoordeling. Naast deze essentiële informatie constateert de Commissie dat het MER op een aantal punten verbeterd kan worden. Het gaat om de volgende punten: •

De Commissie geeft in overweging om ‘ontwikkelruimte voor agrarische bedrijven’, ‘beheer en ontwikkeling van natuur en landschap’ en ‘energie en klimaat’ als doelen te benoemen als de gemeente deze doelen wil bereiken. Ga dan in het MER na hoe deze doelen met het bestemmingsplan bereikt worden.

•

Maak duidelijk, aan de hand van de beschrijving van de effecten, waarom in het ene geval beleidsregels uit de beleidsnotities bij het bestemmingsplan wel en in het ander geval niet zijn vertaald in de planregels van het bestemmingsplan.

•

Maak de milieueffecten van mestopslag en installaties voor mestvergisting duidelijk en geef aan of en, zo ja, hoe deze gemitigeerd kunnen worden.

•

Voeg het visuele beeld toe van veranderingen in de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten, die ook in het plangebied voorkomen.

•

Voeg een beschouwing toe over de ontwikkeling van het landschap tot energielandschap en de gevolgen daarvan, de invloed van mestopslag op veldkavels op het landschap en het risico van verrommeling door benutting van daken van leegstaande kassen voor zonnepanelen.

Figuur 1 Plangebied bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen (Bron: conceptontwerp bestemmingsplan)

In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.

-2-

Aanleiding MER De gemeente1 wil een nieuw bestemmingsplan voor haar buitengebied vaststellen. Hiermee harmoniseert de nieuwe gemeente Midden-Groningen het ruimtelijk-planologisch kader voor haar buitengebied. De gemeente Midden-Groningen is een samenvoeging van drie ‘oude’ gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde. De drie gemeenten hadden ieder een eigen bestemmingsplan voor het buitengebied binnen hun gemeente. De bestaande bestemmingsplannen voor het buitengebied van de drie voormalige gemeenten dateren uit verschillende jaren. Het plan van Hoogezand-Sappemeer is vastgesteld in 2010, die van Slochteren en Menterwolde in respectievelijk 2012 en 2013. Daarnaast is er in 2013 nog een reparatieplan voor een deel van het buitengebied van Hoogezand-Sappemeer vastgesteld, en een beheerverordening om de bepalingen over de waterkering te repareren. Deze plannen zijn dus in verschillende perioden gemaakt, kennen een andere werkwijze en maken verschillende dingen (on)mogelijk. Ook is voor het buitengebied de Provinciale Omgevingsverordening (POV) herzien en is de landelijke wetgeving sterk in beweging op essentiële beleidsterreinen. Met het nieuwe bestemmingsplan wordt aangesloten op de nieuwe POV en is het buitengebied voorzien van een actuele regeling die aansluit op het actuele beleid. Er is gekozen voor het opstellen van een traditioneel bestemmingsplan2.

Het bestemmingsplan biedt een kader voor de uitbreiding van agrarische bedrijven (categorie C14/D14, de wijziging van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren). Dit betekent dat voor het besluit over het bestemmingsplan een plan-MER opgesteld moet worden. Daarnaast zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten en is een passende beoordeling nodig3. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad Midden-Groningen - besluit over het bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3504 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeente Midden-Groningen. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

1

De gemeente Midden-Groningen is in 2018 gevormd uit de samengevoegde gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde.

2

Hiermee wordt bedoeld een bestemmingsplan volgens de huidige wet- en regelgeving; er wordt geen omgevingsplan opgesteld volgens de toekomstige Omgevingswet.

3

Volgens dit advies van de Commissie.

-3-

Doelen Conserveren of ontwikkelen agrarische sector Het MER geeft aan dat het bestemmingsplan in beginsel niet is bedoeld om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken4. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Het hoofddoel van het bestemmingsplan is tweeledig: actualiseren en harmoniseren, ofwel: de basis op orde, zo staat in het MER5. Het MER geeft echter ook aan dat het nieuwe bestemmingsplan beoogt ontwikkelruimte te bieden aan de agrarische sector, door bouw- en gebruiksbepalingen te versoepelen6. Voor deze sector kiest het plan voor de maximale ontwikkelingsmogelijkheden uit de provinciale Omgevingsvisie7 en het Rijksbeleid. Van de drie oude bestemmingsplannen worden de meest ruimtegevende regels overgenomen. En de gemeente sorteert op de nieuwe Omgevingswet voor door het principe ‘ja mits’ te hanteren ter vervanging van ‘nee tenzij’. De Commissie constateert dat het bieden van ontwikkelruimte aan agrarische bedrijven verder gaat dan, en zelfs strijdig kan zijn met, consolideren, actualiseren en harmoniseren.

Natuur en landschap behouden en ontwikkelen In het plangebied, en daarbuiten bevinden zich (beschermde) natuurgebieden met sterk voor vermesting en verzuring gevoelige habitats en plant- en diersoorten. Deze gebieden zijn in de huidige situatie overbelast. Het bestemmingsplan en het MER geven aan dat het beleid erop is gericht de natuurgebieden in stand te houden. De Commissie constateert dat behoud en ontwikkeling van natuur en landschap niet als doel van het bestemmingsplan zijn benoemd. Uit het bestemmingsplan en het MER blijkt niet hoe de gemeente gaat zorgen voor het gewenste behoud van natuur en welke keuzes daarvoor nodig zijn. Zo is niet duidelijk of eventuele stikstofreductie, door minder dieren, minder bedrijven of betere technieken, ingezet wordt voor uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven of voor behoud en ontwikkeling van de natuur. Het MER concludeert dat de inzet van betere technieken zou kunnen leiden tot een milieuverbetering, maar dat deze milieuwinst waarschijnlijk wordt opgevuld door de ontwikkeling van nieuwe stallen8. Daarnaast heeft de gemeente in 2019 een duurzaamheidsvisie opgesteld9. Deze visie gaat in op vergroening van de landbouw, door het natuurinclusief maken ervan10.

De gemeente geeft aan dat het bestemmingsplan aansluit bij de duurzaamheidsvisie, maar dat deze visie door haar brede karakter geen concrete uitgangspunten biedt voor het bestemmingsplan11. Het MER maakt niet duidelijk hoe de ambitie voor het vergroenen en natuurinclusief maken van de landbouw zich verhoudt tot de ontwikkelruimte die het bestemmingsplan biedt aan agrarische bedrijven.

4

Zie pagina 8 van het plan-MER en paragraaf 1.2 publieksvriendelijke samenvatting plan-MER.

5

Zie pagina 5 van het plan-MER.

6

Zie pagina 5 van het plan-MER.

7

Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020.

8

Zie pagina 157 van het plan-MER.

9

Duurzaamheidsvisie Midden-Groningen 2019-2022, juli 2019.

10

Zie pagina 23 van de Duurzaamheidsvisie Midden-Groningen.

11

Zie paragraaf 2.4.4.1. van Toelichting ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen en pagina 22 van het plan-MER.

-4-

Energie en klimaat een plek geven De gemeentelijke duurzaamheidsvisie bevat ook doelstellingen voor de energievoorziening12, klimaat13 en circulaire economie14. De Commissie mist de vertaling van die doelstellingen in het bestemmingsplan. Het is nu niet duidelijk welke ongewenste ontwikkelingen uit de visie de gemeente in het buitengebied wil tegengaan en wat wel gewenste ontwikkelingen zijn. Het thema duurzaamheid en energietransitie is vastgesteld als uitgangspunt voor het bestemmingsplan15, maar dit is summier uitgewerkt. Zo ontbreekt in het MER een paragraaf waarin de maatregelen worden toegelicht voor klimaatmitigatie en klimaatadaptatie. De RES-regio Groningen 1.0 is de energiestrategie van de Groninger gemeenten, waterschappen en de provincie Groningen. De Groningse bijdrage aan de landelijke doelstelling bedraagt 5,7 TWh16. Daarvan is het aandeel voor de gemeente MiddenGroningen gesteld op 0,95 TWh17. Ongeveer twee derde van dat gemeentelijk aandeel bestaat al, zoals Windpark N3318 en bestaande zonneweides in het plangebied. Een derde van de gemeentelijke bijdrage is nog in te vullen. Het bestemmingsplan buitengebied geeft ruimte voor kleinschalige opstellingen voor zonneweides en kleine windmolens. Eventuele nieuwe grote zonneweides worden niet via het bestemmingsplan geregeld en zijn alleen mogelijk via een afzonderlijke procedure19.

Het is de Commissie niet duidelijk hoe de ambities uit de RES stroken met de doelen van het bestemmingsplan.

Aanbeveling doelen De Commissie geeft in overweging het verruimen van ontwikkelmogelijkheden van agrarische bedrijven, als de gemeente dit inderdaad beoogt, expliciet in het MER als doel te benoemen. Ditzelfde geldt voor de doelen ‘beheer en ontwikkeling van natuur en landschap’ en ‘energie en klimaat’. Ga dan in het MER na hoe deze doelen met het bestemmingsplan bereikt worden.

Referentiesituatie niet duidelijk De referentiesituatie20 wordt in het MER vooral op hoofdlijnen beschreven, ook voor die thema’s waar een kwantitatieve benadering mogelijk en gewenst is. Het MER maakt niet duidelijk of er sprake is van niet-benutte ruimte in de bestaande stallen, vergunningen en bouwblokken en wat de omvang hiervan is. Hierdoor is de huidige feitelijke situatie niet gekwantificeerd en is niet inzichtelijk of hier bij de effectbepaling van het plan rekening mee is gehouden. Ook is niet duidelijk of bestaande agrarische bedrijven mogelijkheden hebben

12

55% minder CO2-uitstoot in 2030, 25% duurzame energie in 2030 en 1,5% energiebesparing.

13

Klimaatbestendig, meer biodiversiteit en goede inpassing van hernieuwbare energie in het landschap.

14

50% minder CO2-uitstoot bij bedrijven in 2030, minder gebruik van grond- en hulpstoffen in de land- en tuinbouw en meer hergebruiken en recycling.

15

Aangepaste Nota van Uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied, gemeenteraad Midden-Groningen, 2019.

16

De landelijke doelstelling bedraagt 35 TWh. Het Groningse aandeel is 5,7 TWh (‘reële bod’) en bestaat uit 6,4 TWh verminderd met een onzekerheidsmarge van 0,7 TWh. RES-regio Groningen 1.0, 2021.

17

Het aandeel van Midden-Groningen van 0.95 TWh is opgebouwd uit 0,35 TWh bestaand wind, 0,26 TWh bestaand zon en 0,34 TWh nog in te vullen. RES-regio Groningen 1.0, 2021.

18

Windpark N33 bestaat uit 27 turbines, ligt in de gemeenten Midden-Groningen, Oldambt en Veendam en is één van de drie Groningse concentratiegebieden voor windmolens.

19

Grote zonneweides zijn alleen mogelijk met een uitgebreide omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan, waarbij ook de tijdelijkheid (maximaal 30 jaar) wordt geregeld.

20

Het MER moet de milieueffecten van het plan en andere alternatieven in beeld brengen ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie, aangevuld met de autonome ontwikkelingen in het gebied.

-5-

de emissie te beperken. Dit kan voor veehouderijen onder andere door toepassing van emissie-arme staltechnieken. Om te bepalen in hoeverre agrarische bedrijven de ontwikkelruimte21 van het plan kunnen gebruiken en het plan dus in de praktijk uitvoerbaar is, is het nodig inzicht te bieden in: •

de legale, feitelijke huidige situatie voor het aantal vergunde en gerealiseerde bedrijven, aantallen dieren en diersoorten, type melkveehouderij (met of zonder beweiding), de hoeveelheid ruimte die de bedrijven nu in beslag nemen22, het aandeel agrarische bestemmingen dat operationeel is en hoeveel bedrijven inmiddels zijn beëindigd23;

•

bestaande stalsystemen en de beschikbare emissiebeperkende technieken per diercategorie;

Hiermee kan op inrichtingsniveau onderbouwd worden of de extra bouwblokruimte die het plan mogelijk maakt, benut kan worden zonder extra stikstofemissies. Andere onderwerpen waarvoor de referentiesituatie onvoldoende in beeld is zijn: •

Natuur: het MER geeft weliswaar inzicht in de huidige staat van de natuur in de gemeente, maar geeft weinig informatie over hoe de natuurwaarden zich de afgelopen periode hebben ontwikkeld. Dit is relevante informatie omdat daarmee duidelijk wordt wat eventuele knelpunten zijn bij het behoud van natuurwaarden 24.

•

Oppervlaktewaterkwaliteit: een beschrijving van de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt gemist in het MER en of er knelpunten in het kader van de KRW zijn. Gezien de aard van het gebied is de ontwikkeling van aquatische biotopen sterk afhankelijk van de oppervlaktewaterkwaliteit.

•

Bodemdaling: het MER gaat niet in op de vraag hoe het is gesteld met de bodemdaling in de veengebieden van de Gemeente. In welke mate is sprake van bodemdaling onder invloed van het landgebruik en wat draagt dat bij aan de emissies van broeikasgassen koolzuur en methaan25.

•

Landschap: er ontbreekt een beschrijving van de ontwikkeling van het landschap als gevolg van gerealiseerde en vastgestelde energieprojecten en gaswinningslocaties.

De Commissie adviseert, voorafgaand aan de besluitvorming, de referentiesituatie in het MER aan te vullen met beschrijvingen van: •

kwantitatief: de vergunde en operationele agrarische bedrijven in de huidige situatie, hun ontwikkeling in de afgelopen 5 jaren en de beschikbare emissiebeperkende maatregelen;

•

de ontwikkeling van (beschermde) natuurgebieden in de afgelopen vijf jaren;

•

de kwaliteit van het oppervlaktewater en eventuele knelpunten uit de KRW;

•

de bodemdaling in veengronden onder invloed van het landgebruik en de gevolgen daarvan voor de broeikasgassen koolzuur en methaan;

•

de feitelijke ontwikkeling van het landschap als gevolg van de energieprojecten en gaswinningslocaties.

21

Het ontwerpbestemmingsplan maakt het mogelijk het bouwvlak te vergroten naar 1 hectare en in een aantal gebieden naar 1,5 hectare (binnenplans) en met een wijzigingsbevoegdheid naar 2 hectare.

22

Het plan-MER geeft in hoofdstuk 6.2.1. summier inzicht in aantallen dieren die binnen de gemeente of het plangebied worden gehouden. In het ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied Midden Groningen ontbreekt eveneens een overzicht van bestaande vergunningen en stalsystemen, waardoor de definitie van de bestaande situatie niet helder vastligt.

23

Deze informatie is te achterhalen door een inventarisatie of door een benadering met behulp van CBS-meitellingsgegevens.

24

Een evaluatie van het doelbereik van de natuurdoelen uit de drie oude bestemmingsplannen kan hier inzicht in geven.

25

Zie paragraaf 2.1.1., pagina 24, Provinciale Omgevingsvisie 2016-2020.

-6-

Alternatieven en de maximale mogelijkheden van het plan Alternatieven Het MER beoogt met drie alternatieven inzicht te bieden in de bandbreedte aan effecten en maatregelen van de voorgenomen ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan26. De Commissie constateert dat in de keuze van alternatieven in het MER het verschil tussen de referentiesituatie en het minimumalternatief gering en weinig onderscheidend is27.

Maximumalternatief niet goed beschreven Het maximumalternatief beschrijft een ‘realistische worstcase’ voor onder andere agrarische bedrijven, mini-campings en windmolens. De Commissie merkt op dat het MER niet duidelijk maakt of en in hoeverre dit gelijk of ongelijk is aan wat het bestemmingsplan maximaal toelaat. Ook is niet helder of datgene wat het bestemmingsplan maximaal toelaat in de planregels gelijk of ongelijk is aan wat de beleidsregels uit de bij het bestemmingsplan gevoegde beleidsnota’s maximaal toelaten. De Commissie adviseert, voorafgaand aan de besluitvorming, in het MER duidelijk te maken wat de maximale ruimte is die het bestemmingsplan toelaat. Vergroting van het staloppervlak voor intensieve veehouderij is niet mogelijk, tenzij het gaat om het verbeteren van dierenwelzijn. Ook is er geen ruimte voor nieuwe vestigingen voor intensieve veehouderij. Niet duidelijk is in hoeverre omzetting van diersoorten mogelijk is, bijvoorbeeld van een melkveehouderij naar een varkenshouderij of een geitenhouderij. Omzetting kan weliswaar stikstofneutraal, maar kan aanzienlijke gevolgen hebben voor andere emissies en gezondheid, met name fijnstof en geur.

De Commissie adviseert, voorafgaand aan de besluitvorming, het MER aan te vullen met de effecten van de mogelijke omzetting van diersoorten voor geur, lucht en gezondheid en, indien gewenst, in het bestemmingsplan hier een planregel voor op te nemen.

Maatregelenalternatief Desgevraagd28 blijkt dat het voornemen van de gemeente gelijk is aan het maatregelenalternatief. De Commissie beveelt aan dit te verduidelijken. De maatregelen uit het maatregelenalternatief zijn afkomstig uit bestaande beleidsnotities die bij het bestemmingsplan zijn gevoegd. In een aantal gevallen zijn de beleidsregels uit de beleidsnotities vertaald in planregels, zoals de maximumhoogte van kleine windturbines (15

26

Het minimumalternatief in het MER beschouwt de situatie waarin de tot op heden onbenutte ruimte alsnog wordt gebruikt (de theoretische ruimte van de huidige drie bestemmingsplannen). Het maximumalternatief beschouwt de realistische worst-case situatie van de ontwikkelmogelijkheden van het bestemmingsplan buitengebied. Het maatregelenalternatief beschouwt de maatregelen die nodig zijn om de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling (de knelpunten) te beperken. Memo beantwoording vragen startgesprek commissie m.e.r. bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen, gemeente Midden-Groningen, 23 april 2021.

27

Het verschil is de (niet binnenkort te vergunnen) onbenutte ruimte: die maakt geen onderdeel uit van de referentiesituatie en zit wel in de minimumvariant.

28

Memo beantwoording vragen startgesprek commissie m.e.r. bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen, gemeente Midden-Groningen, 23 april 2021.

-7-

meter)29, het maximumaantal mobiele kampeermiddelen op een minicamping (25)30 en de maximum bouwhoogte van mestsilo’s (2,5 meter)31. Andere beleidsregels en maatregelen uit de beleidsnotities zijn niet vertaald in planregels, zoals het maximumaantal mini-campings (30)32, bedoeld om wildgroei te voorkomen en maatvoering en bufferzones mestopslag (200, 100 en 20 meter) 33. Beleidsnotities kunnen door de gemeente veranderd worden en zijn daardoor niet gedurende de hele planperiode onlosmakelijk verbonden met het voornemen. De Commissie beveelt aan om, aan de hand van de beschrijving van de effecten, duidelijk te maken waarom in het ene geval beleidsregels wel en in het ander geval niet zijn vertaald in de planregels van het bestemmingsplan.

Effecten op de natuur Binnen het plangebied bevindt zich een deel van het beschermde Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer en op 3,5 kilometer vanaf de westelijke gemeentegrens ligt het Natura 2000-gebied Drentsche Aa, met sterk voor vermesting en verzuring gevoelige habitats en plant- en diersoorten. Deze gebieden zijn in de huidige situatie sterk overbelast.

Stikstofberekeningen In het MER is onderzoek gedaan naar de stikstofbelasting van de agrarische bedrijven in het plangebied op Natura 2000, waarbij gebruik is gemaakt van het verspreidingsmodel Aerius Calculator. Daarbij is niet de actuele versie van Aerius gebruikt en zijn de berekeningen niet conform de nieuwste wet- en regelgeving uitgevoerd. De Commissie adviseert, voorafgaand aan de besluitvorming, de berekeningen van de stikstofbelasting door agrarische bedrijven te actualiseren met de meest recente versie van Aerius en na te gaan of er daadwerkelijk ruimte is voor uitbreiding.

Uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan Trends in natuur, stikstof en agrarische bedrijven Het bestemmingsplan geeft in algemene termen aan dat de afgelopen jaren het aantal landbouwbedrijven is afgenomen34. Uit informatie van de gemeente35 blijkt dat in het plangebied een trend gaande is dat met name agrarische bedrijven stoppen, omdat er geen bedrijfsopvolger is. Een aantal intensieve veehouderijen is gestopt. Deze ontwikkelingen zouden kunnen wijzen op minder uitstoot van ammoniak.

29

Beleidsnotitie kleinschalige windturbines, gemeente Midden-Groningen, 2020.

30

Beleidsnotitie kamperen, gemeente Midden-Groningen, 2020.

31

Gebiedsvisie mestopslag, gemeente Midden-Groningen, 2020.

32

Beleidsnotitie kamperen, gemeente Midden-Groningen, 2020.

33

Gebiedsvisie mestopslag, gemeente Midden-Groningen, 2020.

34

Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen, toelichting, paragaaf 3.3.1. Landbouw, huidige situatie, ontwikkelingen.

35

Memo beantwoording vragen startgesprek commissie m.e.r. bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen, gemeente Midden-Groningen, 23 april 2021.

-8-

Volgens informatie van het RIVM is de uitstoot van ammoniak door veeteelt tussen 2015 en 2019 echter sterk toegenomen36. Deze toename leidt tot verdere vermesting en verzuring van gevoelige habitats, plant- en diersoorten in de Natura 2000-gebieden in en rond de gemeente Midden-Groningen. In de huidige situatie is de overschrijding van de kritische depositiewaarde aanzienlijk. Het behalen van de vastgestelde instandhoudingsdoelen staat onder druk. Een toename van stikstofdepositie in deze natuurgebieden zal leiden tot verdere aantasting van de natuurlijke kenmerken. Het MER gaat niet in op deze trends en ontwikkelingen en biedt geen inzicht of de stijging van ammoniakuitstoot voor een deel is veroorzaakt door ontwikkelingen in het plangebied of juist niet.

Uitvoerbaarheid stikstofregeling van het bestemmingsplan Vanwege de overbelasting van de natuur met stikstof, is uitgangspunt van het bestemmingsplan dat de stikstofuitstoot door agrarische bedrijven niet mag toenemen. In het bestemmingplan een stikstofregeling37 opgenomen die erop neerkomt dat uitbreiding of toename van een bouwvlak alleen mogelijk is als er geen toename van depositie is in Natura 2000-gebieden. Het uitgangspunt dat geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt, biedt echter niet de door de Wet natuurbescherming vereiste zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast op het moment dat het plan wordt vastgesteld. Of geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied plaatsvindt, is namelijk ter beoordeling aan een ander bevoegd gezag. Het MER gaat terecht uit van het uitsluiten van een toename van stikstofemissie om een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het MER en het bestemmingsplan sluiten op dat punt niet op elkaar aan. In het MER wordt toegelicht dat de stikstofregeling drie mogelijkheden biedt voor uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven: •

het realiseren van opslag en andere bebouwing waar geen sprake is van een toename in stikstofuitstoot;

•

het verbeteren van stalsystemen ten behoeve van dierwelzijn;

•

salderen: het realiseren van stalsystemen met best beschikbare technieken (BBT), ook op bestaande stallen, waardoor ruimte ontstaat om per saldo zonder stikstofuitstoot meer dieren te houden.

De Commissie merkt op dat deze uitleg van hoe de stikstofregeling werkt niet duidelijk is opgenomen in de Toelichting. Uit het MER blijkt niet of het bestemmingsplan voor wat betreft de stikstofregeling uitvoerbaar is volgens de Wet natuurbescherming. Het MER biedt geen inzicht in de betekenis van de stikstofregel voor de agrarische bedrijven in het plangebied. Sommige bedrijven zullen emissiebeperkende technieken kunnen toepassen en daardoor de extra bouwblokruimte die het bestemmingsplan biedt geheel of gedeeltelijk kunnen invullen op basis van ‘interne saldering’. Voor andere bedrijven zal op grond van de stikstofregel geen uitbreiding van activiteiten mogelijk zijn (voor zover deze tot een toename van stikstofuitstoot leiden). Verder is het niet duidelijk hoe andere stikstofbronnen de stikstofruimte, die ontstaat met de toepassing van beste staltechnieken, kunnen verkleinen, en wie daar het overzicht van bijhoudt. Evenmin is helder hoe de overschrijding van kritische 36

Zie: https://man.rivm.nl/gebied/drentse_aa .

37

Ontwerpbestemmingsplan Midden-Groningen, Regels, Algemene Gebruiksregels, artikel 46 lid 1, onder h. en Toelichting, paragraaf 5.1., Agrarische sector, onder Stikstofregeling.

-9-

depositiewaarden wordt meegewogen en meegeteld bij het verlenen van een vergunning. Voor de betreffende bedrijven én voor de omgeving is het van belang dat het MER hierover duidelijkheid biedt.

Omzetting en beweiden Naast deze opmerkingen over de stikstofregeling zelf, merkt de Commissie op dat het plan voorziet in een aantal mogelijkheden, die leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze zijn noch in het MER noch in het bestemmingsplan gekoppeld aan de stikstofregeling. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om akkerbouw om te zetten in veeteelt38 en voorziet het plan in een mogelijke toename van beweiding.

Paarden houden Het bestemmingsplan bevat regels voor het hobbymatig houden van paarden (maximaal 5), het realiseren van paardenbakken en het bedrijfsmatig opzetten van paardenhouderijen. Hiervoor is een beleidsnotitie toegevoegd aan het bestemmingsplan39. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in het omzetten van functies naar een paardenhouderij40. Het MER merkt terecht op dat geen emissiebeperkende stalsystemen beschikbaar zijn voor paarden. Dat betekent dat uitbreiding van een paardenhouderij via intern salderen niet mogelijk is. De Commissie geeft aan dat toename van stikstofuitstoot door uitbreiden van het houden van paarden gesaldeerd moet worden, bijvoorbeeld met andere veehouderijsectoren. De Commissie wijst erop dat de stikstofuitstoot van paarden aanzienlijk is41. Het MER stelt dat de stikstofregeling uit het bestemmingsplan van toepassing is op het hobbymatig houden van paarden en paardenbakken42. De Commissie constateert echter dat noch in de regels of de toelichting van het bestemmingsplan, noch in de beleidsnotitie paardenhouderijen, is opgenomen dat de stikstofregeling van toepassing is op het houden van paarden, nog ongeacht of dit bedrijfsmatig of hobbymatig is. Het plan leidt daardoor tot meer stikstofuitstoot dan waar het MER van uitgaat.

Mestopslag en -vergisting Het bestemmingsplan maakt de aanleg van solitaire mestopslag, die geen onderdeel is van een inrichting, op landbouwgrond mogelijk, waarbij als voorwaarde geldt dat voldaan moet worden aan de stikstofregeling43. De Commissie wijst erop dat de ammoniakuitstoot van mestopslag aanzienlijk is44. Elke nieuwe mestopslag op een veldkavel zal daarom in conflict komen met de stikstofregeling. Daarnaast is op grond van het bestemmingsplan meer mestopslag binnen het bouwvlak zonder meer toegestaan, eventueel te combineren met de mogelijkheid om het bouwvlak te vergroten45. Tot slot kent het bestemmingsplan een

38

Zie artikel 4.5.1 van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Midden Groningen.

39

Beleidsnotitie Paardenhouderijen Midden-Groningen, 2019.

40

Zie bijvoorbeeld artikel 4.5.1 van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Midden Groningen, voor het omzetten van ‘Agrarisch-cultuurgrond’ naar een paardenhouderij of manege.

41

Richtsnoer: 1 paard betekent erbij betekent 5 kg ammoniak emissietoename per jaar.

42

Zie pagina 32, 54, 58 en 60 van het plan-MER.

43

Zie artikelen 3.3.3 en 46.1.i van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Midden Groningen.

44

Richtsnoer: 1 m2 mestopslag erbij betekent 1 kg ammoniak emissietoename per jaar. Een uitbreiding mestopslag van 750 m2 betekent dus uitstoot van 750 kg ammoniak per jaar. Emissies van ammoniak en geur uit mestsilo’s en de vermindering van emissie door afdekking, Instituut voor Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen, ir. M.J.C. de Bode, 1989.

45

Zie artikelen 3.2.4 en 3.6.1 van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Midden Groningen.

-10-

afwijkingsbevoegdheid voor mestvergistingsinstallaties46. Het MER geeft aan dat er geen effecten van mestopslag en -vergisting te verwachten zijn, maar dit wordt niet onderbouwd. De Commissie beveelt aan om de milieueffecten van mestopslag en installaties voor mestvergisting in het MER nader te onderzoeken, en aan te geven of en, zo ja, hoe deze gemitigeerd kunnen worden.

Passende beoordeling Als op grond van een ‘voortoets’ niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het plan afzonderlijk dan wel in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, geldt dat een Passende beoordeling moet worden opgesteld. Pas daarin mogen mitigerende maatregelen worden meegenomen. Een ‘voortoets’ of Passende beoordeling ontbreekt, omdat het MER stelt dat effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten door de regels die in het bestemmingsplan worden opgenomen. De Commissie vindt deze stelling onvoldoende onderbouwd. In de eerste plaats vanwege bovengenoemd punt, dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze regeling ook uitvoerbaar is voor de bedrijven in het gebied. In de tweede plaats omdat mitigerende maatregelen zoals een planregel niet in de fase van de voortoets mogen worden meegenomen. De Commissie adviseert in aanvulling op het MER, in een alsnog op te stellen Passende beoordeling, voorafgaand aan de besluitvorming, aan te geven en te motiveren: •

welke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de huidige, feitelijke situatie wordt veroorzaakt door bedrijven in het plangebied;

•

tot welke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden het plan leidt, als de ruimte die het ontwerpbestemmingsplan biedt maximaal wordt benut47, zonder dat rekening wordt gehouden met de ‘stikstofregel’;

•

in hoeverre deze depositie kan worden voorkomen met behulp van (bewezen) emissiebeperkende technieken of andere maatregelen, door per bedrijf te bepalen welke technieken of maatregelen zij kunnen toepassen.

•

of en hoe met deze maatregelen de uitbreidingsmogelijkheden daadwerkelijk uitvoerbaar zijn.

De Commissie adviseert, voor het houden van paarden, de passages over de stikstofregeling in het bestemmingsplan, de beleidsnotitie paardenhouderijen en het MER met elkaar in overeenstemming te brengen

Effecten op kwaliteit oppervlaktewater Het niet halen van de KRW doelen is een probleem dat in het land in belangrijke mate samenhangt met de intensivering van de landbouw. In veengronden speelt ook het chemischecologisch proces van alkalisering een rol bij de vermesting van oppervlaktewater. Het nieuwe plan maakt een toename van de productie of import van mest mogelijk. Het MER beschrijft de effecten die dat kan hebben op de aquatische natuurwaarden in het studiegebied niet. 46

Zie artikelen 3.3.3 en 3.5.1 van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Midden Groningen.

47

Dat wil o.a. zeggen dat alle ruimte binnen de huidige bouwvlakken maximaal wordt ingevuld en uitbreiding mestopslag.

-11-

De Commissie adviseert, voorafgaand aan de besluitvorming, het MER aan te vullen met de mogelijke effecten van een toename van de productie of import van mest op de kwaliteit van het oppervlaktewater en met welke maatregelen de negatieve effecten kunnen worden voorkomen.

Effecten op landschap Landschapstypen De gemeente Midden-Groningen heeft bijzondere landschapskwaliteiten, vanwege de grote verschillen in geologie en ontginningsgeschiedenis. De landschappelijke waarden, zoals vastgelegd in provinciale Omgevingsverordening 2016, zijn als uitgangspunt genomen voor de landschapskaart (bijlage 1 van de Planregels). De gemeente heeft in haar archeologische beleidskaart48 enkele gebieden opgenomen met een historisch verkavelingspatroon. Gelet op de grote verschillen die er zijn tussen kleinschalige agrarische bedrijven (deels in de bebouwingslinten) en grootschalige bedrijven in open landschappen, hangen cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten samen. Daarom is het belangrijk om de effecten van kavelvergroting en mestopslag niet enkel op te hangen aan de landschapstypen, maar ook aan dit onderscheid tussen de open gebieden met grote bedrijfskavels en de delen van het landschap waar de boerderijen van minder dan 1 hectare bedrijfskavel zijn gesitueerd. De bovenaanzichten waarmee de effecten van het voornemen zijn gevisualiseerd hebben louter betrekking op de open landschappen. De Commissie raadt aan het visuele beeld toe te voegen van de veranderingen in de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten, die ook in het plangebied voorkomen.

Energielandschap Het MER stelt dat de autonome ontwikkelingen in de referentiesituatie geen invloed hebben op het landschap. De Commissie plaatst hier vraagtekens bij. Het landschap krijgt in toenemende mate het karakter van een energielandschap, waarin windmolens te zien zijn, zonnepanelen, uitbreiding van het transformatorstation in Meeden en de stikstoffabriek in Zuidbroek, naast de oude structuren en elementen van de aardgaswinning. Er is een nieuwe laag aan het bestaande landschap toegevoegd. De ontwikkelingen in de RES 1.0 zullen dit nog versterken. Dit plaatst de inpassingsopgave in een ander daglicht. Het is de vraag of het nodig is om de kleine energievoorzieningen op en naast de bedrijfskavel overal aan het oog te onttrekken, of dat in sommige delen een energielandschap moet worden vormgegeven. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan agrarische ondernemingen om zonnepanelen te plaatsen op de bedrijfskavel. Dit kan een reden voor kavelvergroting zijn, omdat dit de boer voordeel kan opleveren. Het aanzicht van het boerenlandschap kan hierdoor sterk wijzigen, Ook kan het leiden tot ongewenste versnippering van de RES-opgave. Het MER geeft op dit vlak geen analyse of beschouwing. De Commissie beveelt aan om in een aanvulling op het MER een beschouwing toe te voegen over de ontwikkeling van het landschap tot energielandschap en de gevolgen daarvan.

48

https://www.midden-groningen.nl/sites/default/files/2020-12/Archeologische%20verwachtingskaart%20MiddenGroningen.pdf .

-12-

Mestopslag De effecten van mestopslag op veldkavels op het landschap lijken door het MER te worden onderschat. Dit wordt teruggebracht tot het ruimtebeslag van 750 m2 in een groot open landschap, maar daarmee wordt voorbijgegaan aan het verstorend effect van een nieuw besloten element in een open landschap en aan het belevingseffect ervan bij bewoners en recreanten. De Commissie raadt aan om hierover in een aanvulling op het MER een beschouwing op te nemen.

Glastuinbouw De ontwikkelruimte voor glastuinbouw in het tuinbouwgebied Sappemeer-Noord is verkleind ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Het meest oostelijke deel binnen dit gebied wordt gewijzigd in een agrarische bestemming (zonder bouwvlak). Nieuwvestiging van (glas)tuinbouwbedrijven is niet toegestaan. Bestaande (glas)tuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen reeds bestemde maar onbebouwde ontwikkelruimte. Uit het MER blijkt dat de inperking van het gebied leidt tot minder verstoring van het landschap, maar dat de uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande glastuinbouw licht negatieve effecten heeft voor het landschap49. De Commissie wijst op de trend dat de daken van leegstaande kassen worden benut voor zonnepanelen en op het risico van verrommeling van het landschap dat dat tot gevolg kan hebben en beveelt aan om hier in een aanvulling op het MER aandacht aan te besteden.

49

Zie pagina 86 van het plan-MER.

-13-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie hebben enkele werkgroepleden individueel op eigen gelegenheid het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden; een lokatiebezoek van de gehele werkgroep was vanwege de coronapandemie niet mogelijk. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Sjoerd Bokma ir. Annemie Burger (voorzitter) dr. Roeland During dr. Henk Everts drs. Lourens Loeven (secretaris) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen 2021. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn.

De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit C/D14, “uitbreiding veehouderijen”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit De gemeenteraad van Midden-Groningen. Initiatiefnemer besluit College van Burgemeester en Wethouders van Midden-Groningen. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3504 in te vullen in het zoekvak.

2. Aanvullende notitie Landschap

No titie Opdrachtgever: Witteveen+Bos - Gemeente Midden-Groningen Onderwerp:

Landschappelijke aanvulling Plan MER

Datum:

13-10-2021

projectnummer: P000017

Aanl ei d i ng De in 2018 gevormde gemeente Midden-Groningen wil een nieuw bestemmingsplan voor haar buitengebied opstellen. Met dit bestemmingsplan harmoniseert en actualiseert de gemeente de regels voor het buitengebied. Voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De g emeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd te adviseren over het MER. De Commissie heeft zich in een advies uitgesproken over de juistheid en de volledigheid van het MER. De Commissie heeft bij de toetsing van het een aantal verbeterpunten aangegeven. In deze notitie wordt ingegaan op de verbeterpunten met betrekking tot de effecten op landschap (paragraaf 5.3 PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen). Deze informatie wordt als een aanvulling op het MER opgenomen. T oel i ch ti n g op h et ad v i es C om m i s s i e ME R De Commissie heeft op een aantal punten aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren. Bij de beschrijving van de effecten op het landschap paragraaf 5.3 ontbreekt volgens de Commissie het visuele beeld en de bijbehorende effecten van de veranderingen in de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten, die ook in het pla ngebied voorkomen.

Gelet op de grote verschillen die er zijn tussen kleinschalige agrarische bedrijven (deels in de bebouwingslinten) en grootschalige bedrijven in open landschappen, hangen cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten samen. Daarom is het belangrijk om de effecten van kave lvergroting en mestopslag niet enkel op te hangen aan de landschapstypen, maar ook aan dit o nderscheid tussen de open gebieden met grote bedrijfskavels en de delen van het landschap waar de kleinschalige kavels zijn gesitueerd. Ook ontbreekt een beschouwing in deze paragraaf over de ontwikkeling van het landschap tot energielandschap en de gevolgen daarvan, zoals het risico van verrommeling door benutting van daken van leegstaande kassen voor zonnepanelen. Het landschap krijgt in toenemende mate het karakter van een energielandschap, waarin windm olens te zien zijn, zonnepanelen, uitbreiding van het transformatorstation in Meeden en de stikstoffabriek in Zuidbroek, naast de oude structuren en elementen van de aardgaswinning. Er is een nieuwe

laag aan het bestaande landschap toegevoegd. De ontwikkelingen in de RES 1.0 zullen dit nog ve rsterken. Dit plaatst de inpassingsopgave in een ander daglicht. Het is de vraag of het nodig is om de kleine energievoorzieningen op en naast de bedrijfskavel overal aan het oog te onttrekken, of dat in sommige delen een energielandschap moet worden vormgegeven. Het bestemmingsplan biedt ruimte aan agrarische ondernemingen om zonnepanelen te plaatsen op de bedrijfskavel. Dit kan een reden voor kavelvergroting zijn, omdat dit de boer voordeel kan oplev eren. Het aanzicht van het boerenlandschap kan hierdoor sterk wijz igen, Ook kan het leiden tot ongewenste versnippering van de RES-opgave. Het MER geeft op dit vlak geen analyse of beschouwing. Samengevat is het advies: • Voeg het visuele beeld toe van veranderingen in de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten, die ook in het plangebied voorkomen. • Voeg een beschouwing toe over de ontwikkeling van het landschap tot energielandschapen de g evolgen daarvan, de invloed van mestopslag op veldkavels op het landschap en het risico van ve rrommeling door benutting van daken van leegstaande kassen voor zonnepanelen. pagina 2 advies commissie Deze notitie bevat twee onderdelen om bovenstaand advies te ondervangen: A.

Visuele beelden met beknopte toelichting van de effecten op het landschap van agrarische bedrijven gesitueerd in de besloten kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten. B. Beschouwing op energielandschap

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

2

A. E f f ecte n i n d e b es l oten , kl ei n s ch al i g e l an d s ch ap p en en d e b eb o u wi ngsl i nten Zowel het landschap van het Centrale Woldgebied en Duurswold, de Veenkoloniën als het Oldambt worden gekenmerkt door het contrast tussen de grootschalige openheid en kleinschalige besloten wegdorpen en bebouwingslinten. In het zuiden van het Centrale Woldgebied en Duurswold vormen de wegdorpen 'groene linten' die zich uitstrekken van Harkstede in het westen tot aan Siddeburen in het oosten. In de Veenkoloniën zijn dit rechte linten tussen afgemeten percelen. In het Oldambt li ggen bebouwingslinten op de hogere zandruggen als tweezijdige lintbebouwing. Het zijn overwegend groene besloten linten in het landschap die het weidse open landschap doorsnijden. Het landschap in deze linten is kleinschaliger en gevarieerder van karakter. Ze zijn kenmerkend voor de ontstaansgeschiedenis van het landschap en bieden een rijke beleving van de cultuurhistorie. Ook zijn er vaak meerdere functies aanwezig langs het lint zoals wonen, natuur, recreatie en maatschappelijk. Een nieuwe ontwikkeling raakt hierdoor eerdere andere ruimtelijke belangen dan in de grootschalige open landschappen binnen de gemeente Midden-Groningen.

Hieronder worden de effecten op het landschap beschreven bij een uitbreiding van het bedrijf, plaatsen van windturbines en realiseren van mestopslag voor het maximum alternatief en het maatregelenalternatief voor de kleinschalige besloten landschappen en bebouwingslinten. De effecten op het grootschalig open gebied wordt hier buiten beschouwing gelaten. Paragraaf 5.3 en 5.4 in het PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen richt zich op het beschrijven van de effecten op het grootschalig open gebied. Ook worden de glastuinbouw en mini-campings buiten deze beschouwing gehouden, omdat dit niet anders geregeld is dan de beschreven voorbeelden in par agraaf 5.3.2 en 5.3.3 van PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen.

Het maximumalternatief Hieronder wordt beschreven wat het voornemen betekent voor landschap in de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten. De resultaten zijn vooral gebaseerd op een kwalitatief deskundigenoordeel. De volgende uitgangspunten worden verder uitgewerkt: 1. De agrarische bouwvlakken van agrarische bedrijven worden vergroot bij wijziging tot 2 hectare; 2. 30 % van de agrarische bestemmingen plaatst een kleinschalige windturbine binnen het bouwvlak. Dit leidt tot 62 kleinschalige windturbines; 3. Alle agrarische bestemmingen realiseren een mestopslag op hun bouw- of veldkavel.

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

3

Landschap Binnen het Centrale Woldgebied en Duurswold, de Veenkoloniën en het Oldambt liggen in de bebouwingslinten van het buitengebied verspreid enkele solitaire agrarische bedrijven. Een vergroting van bouwvlak van agrarische bedrijven tot maximaal 2 hectare en de bouw van stallen of schuren zullen een ruimtelijke impact hebben op het kleinschalige en grillige karakter van het lint. Als bij een boerderij het bouwvlak wordt vergroot, zijn de effecten hiervan redelijk groot. Omdat de grotere omvang van het agrarische bedrijf afbreuk doet aan de kleinschaligheid van het landschap. Het contrast wordt groter, zoals zichtbaar is op figuur 1. Het is te verwachten dat de effecten ook op straatniveau (vanuit het bebouwingslint) als vanuit de omgeving (zicht op het bebouwingslint) bij een maximale uitbreiding afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteiten van de groene linten.

Figuur 1 Uitbreiding van bouwvlakken tot 2 ha zonder erfinpassing

De aanleg van 62 kleinschalige windturbines kan verstorend werken voor zowel het open landschap als de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten in zowel Duurswold als Oldambt en de Veenkoloniën. Naast de verstoring van open doorkijkjes, kunnen windturbines vanwege hun hoogte (15 m) ook de dorpssilhouetten aantasten die door het open landschap vanuit een groot g ebied zichtbaar is. Dit heeft een verstorend effect op de beleefde kwaliteit van het landschap. Figuur 2 laat een voorbeeld zien van drie kleinschalige windturbines bij een agrarische bestemming. Voor

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

4

woonpercelen is dit effect vergelijkbaar: een kleinschalige windturbine verstoort het landschap en de dorpssilhouetten.

Figuur 2 Kleinschalige windturbines ‘willekeurig’ op het agrarisch perceel geplaatst zonder voorwaarden

Het aanleggen van mestopslag op het bouw- of veldkavel van het agrarisch landschap heeft een aanzienlijke ruimtelijke impact in de kleinschalige besloten landschappen en bebouwingslinten. De mestopslag kan als ‘los’ element in de hoek van het bouwkavel gesitueerd worden. Hierdoor heeft het effect op de beleefde kwaliteiten van het landschap. Het draagt bij aan versnippering en verrommeling van het landschap rondom het bebouwingslint, de mestopslag is niet landschappelijk ingepast. Dit is zichtbaar in figuur 3.

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

5

Figuur 3 Mestopslag zonder voorwaarden in het landschap geplaatst

Het maatregelenalternatief In deze paragraaf wordt beschreven wat het voornemen betekent voor landschap in de kleinschalige besloten landschappen en bebouwingslinten. De resultaten zijn vooral gebaseerd op een kwalitatief deskundigenoordeel. De volgende uitgangspunten worden verder uitgewerkt: 1. De agrarische bouwvlakken van agrarische bedrijven worden vergroot tot 1 hectare, met de mogelijkheid voor verdere vergroting tot 2 hectare. Hiervoor gelden de voorwaarde dat een erfinrichtingsplan gemaakt dient te worden. Wanneer een initiatiefnemer zijn bouwvlak wil vergroten, moet worden voldaan aan de voorwaarden die aan de betreffende vergroting gekoppeld zijn: a. Het vergroten van bouwvlakken tot 1,5 hectare is enkel mogelijk voor agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan daarvoor expliciet zijn aangewezen. Toetsing hiervan gebeurt middels een maatwerkmethode in een erfinrichtingsplan die de initiatiefnemer moet overle ggen aan de gemeente. In dit erfinrichtingsplan moet worden aangetoond dat voldoende rekening wordt gehouden met het landschap;

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

6

b. De toetsing van vergroting van bouwvlakken tot 2 hectare gebeurt middels een wijziging sbevoegdheid, waarbij de uitvoerbaarheid van het voornemen wordt getoetst en beoordeeld aan de hand van verschillende (milieu)aspecten; 2. Op agrarische percelen mogen drie kleinschalige windturbines geplaatst worden, mits ze voldoen aan inpassingsmaatregelen. Op woonpercelen mag één kleinschalige windturbine geplaatst worden. De kleine windturbine mag maximaal 15 m hoog zijn en een rotordiameter van 2 m hebben. Hij moet tenminste 3 keer de rotordiameter van andere windturbines af staan en maximaal 100 m van bebouwing van de ondernemer verwijderd staan. Daarnaast geldt dat de kleinschalige windturbine op een afstand van minimaal 4 maal de ashoogte (60 m) van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming moet staan; 3. Buiten het bouwvlak mag een mestopslag van maximaal 750 m² aangelegd worden. Deze moet tenminste 5 m van de sloten afliggen en buiten bufferzones liggen die in het beleid zijn opgenomen. Landschap Voor de vergroting van een agrarische bouwvlak van agrarische bedrijven >1 hectare zijn procedures van toepassing waardoor de landschappelijke inpassing wordt geborgd. Wanneer een initiatiefnemer zijn bouwvlak wil vergroten, moet worden voldaan aan de voorwaarden die aan de betreffende vergroting gekoppeld zijn: 1.

Het vergroten van bouwvlakken tot 1,5 hectare is enkel mogelijk voor agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan daarvoor expliciet zijn aangewezen. Toetsing hiervan gebeurt middels een erfinrichtingsplan die de initiatiefnemer moet overleggen aan de gemeente bij aanvraag van de o mgevingsvergunning afwijken. Dit erfinrichtingsplan is een voorwaarde die in het bestemmingsplan, waarvoor voorliggend MER wordt opgesteld, is opgenomen; 2. De toetsing van vergroting van bouwvlakken tot 2 hectare gebeurt middels een wijzigingsbevoegdheid, waarbij de uitvoerbaarheid van het voornemen wordt getoetst en beoordeeld aan de hand van verschillende (milieu)aspecten. Binnen het Centrale Woldgebied en Duurswold en Oldambt liggen in het buitengebied verspreid enkele solitaire agrarische bedrijven. Een vergroting van bouwvlak van agrarische bedrijven tot maximaal 2 hectare en de bouw van stallen of schuren hebben een behoorlijke ruimtelijke impact op het kleinschalige landschap van de groene linten. Daarom wordt de voorwaarde gesteld om een erfi npassingsplan te laten opstellen bij vergroting van het bouwvlak. Hierin staan ruimtelijke voorwaarden om de ingreep in te passen op landschappelijk, straat- en erfniveau. Alvorens een vergunning verleend kan worden moet een goede landschappelijke inpassing aangetoond zijn.

De ontwikkeling kan aangewend worden om de kavels van goede groenstructuren te voorzien, waardoor de beleving van de groene linten in het landschap steviger wordt ervaren en de biodiversiteit in de bebouwingslinten

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

7

vergroot wordt. Ook kunnen met de landschappelijke inpassing de mogelijkheden onderzocht worden om cultuurhistorische aspecten te herstellen. Dit heeft een positief effect op de beleefde kwaliteit van het landschap. Door lokale inpassing van de ingreep in het landschap zijn de mogelijke effecten op bestaande boe rderijreeksen, verkavelingsstructuur en doorzichten gemitigeerd. Figuur 4 laat een voorbeeld zien van de realisatie van schuren aansluitend bij de bestaande bebouwing en het verkavelingspatroon en de omheining door bomen.

Figuur 4 Uitbreiding van bouwvlakken tot 2 ha met erfinpassing

De aanleg van kleinschalige windturbines kan verstorend werken voor zowel het open landschap als de besloten, kleinschalige landschappen en de bebouwingslinten in Duurswold als Oldambt en de Veenkoloniën. Naast de verstoring van open doorkijkjes, kunnen windturbines vanwege hun hoogte ook de dorpssilhouetten aantasten die door het open landschap vanuit een groot gebied zichtbaar zijn. Dit heeft effecten op de beleefde kwaliteit van het landschap. Door deze kleinschalige windturbines te laten voldoen aan enkele voorwaarden kunnen de effecten verminderd worden: - maximale rotordiameter 2 m; - maximale hoogte op maaiveld 15 m; - minimale 3x rotordiameter van andere windturbines af; - maximale 100 meter van bebouwing af;

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

8

- minimale 60 meter van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming; - plaatsing op bouwvlak. Deze en verdere maatregelen zijn verder uitgewerkt in ‘Toetsingskader kleinschalige windturbines bestemmingsplan Buitengebied’. Figuur 5 illustreert de inpassing van drie kleinschalige windturbines op een agrarische bestemming onder voorwaarden. De windturbines worden hierbij op verantwoorde wijze in het landschap ingepast om overlast en milieueffecten te voorkomen.

Figuur 5 Kleinschalige windturbines ingepast in het landschap

Het aanleggen van mestopslag op een bouw- of veldkavel bij het bebouwingslint heeft aanzienlijke ruimtelijke impact in de kleinschalige besloten landschappen en bebouwingslinten. Om mestopslag zo goed mogelijk in het landschap in te passen zijn in ‘Gebiedsvisie mestopslag’ maatregelen opg enomen waar de aanleg van een mestopslagplaats aan moet voldoen. Hierin staat onder andere dat mestopslag enkel buiten bufferzones rond bebouwd gebied aangelegd mag worden, met een maximale grootte van 750 m². Dit is visueel gemaakt in figuur 6. Met deze maatregelen wordt overlast en milieueffecten voorkomen. Doordat de mestopslag in het grootschalige open landschap wordt ges itueerd in plaats van dicht tegen het bebouwingslint behoudt het lint haar oorspronkelijke karakter. Er is geen tot nauwelijks effect op de landschappelijke beleving vanaf straatniveau te verwachten.

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

9

Figuur 6 Mestopslag onder voorwaarden ingepast in het landschap

Het maximumalternatief: samenvatting landschappelijke effecten - agrarisch bouwvlak: negatief (--). Voor bouwvlakken geldt dat het effect voor bouwvlakken >1 hectare vooral optreedt door de erfinrichting. Als agrarische bedrijven uitbreiden met stallen in een andere richting of opstelling leidt dat tot negatieve effecten op bestaande boerderijreeksen, verkaveling sstructuur en doorzichten. Ook de maat en schaal van de uitbreiding is niet passend bij het kleinschalige karakter van het landschap; - kleinschalige windturbines: negatief (-). Realisatie kleinschalige windturbines binnen het bouwvlak (zowel agrarische- als niet-agrarische bestemmingen), zonder aanvullende voorwaarden. Hierdoor zijn negatieve effecten op de openheid van het landschap en de dorpsilhouetten niet uitgesloten; - mestopslag: negatief (--). Vrije bouw van mestopslag mogelijk, met negatieve effecten op de beleving van het landschap tot gevolg. Er treedt verrommeling van het landschap op en er is grotere kans dat er andere ruimtelijke belangen geschaad worden.

datum 14-10-2021

projectnummer P000017

10

Het maatregelenalternatief: samenvatting landschappelijke effecten - agrarisch bouwvlak: licht positief (0/+). Op het niveau van het landschap kunnen de effecten worden beperkt en verbeterd door het compact en op passende wijze intekenen van het bouwvlak en bebouwing en het eisen stellen aan de erfinrichting. Daarmee worden de negatieve effecten beperkt vertaald naar licht positieve effecten. Licht positief, omdat dit afhankelijk is van uitvoering en handhaving; - kleinschalige windturbines: licht negatief (0/-). Realisatie kleinschalige windturbines binnen het agrarisch bouwvlak met voorwaarden aan afstanden en aantallen. Hierdoor worden windturbines beter landschappelijk ingepast met enkel licht negatieve effecten op het silhouet van het bebouwingslint tot gevolg; - mestopslag: licht negatief (0/-). Bouw van mestopslagplaats mogelijk onder voorwaarden aan de landschappelijke inpassing (o.a. afstanden en oppervlakten). De mestopslag komt op afstand van het bebouwingslint te liggen, waardoor het onderdeel wordt van het grootschalige open landschap. De effecten op de openheid van het landschap zijn licht negatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12803964/1