107 1 Ontwerp Omgevingsvisie Midden-Groningen 6 juni 2023
Tekst van het document
37
Ik heb een plan of idee. Hoe voer ik het gesprek met belanghebbenden? Praat in een vroeg stadium met je buren, de mensen in de straat of in jouw wijk. Kijk voor wie jouw plan gevolgen heeft. Vertel wat je wilt. Vraag wat zij ervan vinden en waarom. Ga na of je bij de uitwerking van je plan rekening kunt houden met hun wensen of belangen. Voor wie heeft jouw plan gevolgen? Dat kan van alles zijn. Voorbeelden zijn:
Verandering van uitzicht vanuit de woning; Schaduw; Meer geluid, trillingen of licht; Meer verkeer en geparkeerde auto’s; Dat terreinen rond het plan minder goed bereikbaar zijn.
Hoe betrek ik de gemeente bij het gesprek? We willen graag weten hoe het gesprek met belanghebbenden gaat. Neem vooraf contact op met ons. In sommige gevallen willen wij bij het gesprek aanwezig zijn. Dit willen wij graag om goed te kunnen luisteren wat de belanghebbenden van het plan vinden. Bij de beoordeling van het plan kijken we of:
belanghebbenden vroegtijdig zijn betrokken bij de ideeën en planvorming; belanghebbenden opmerkingen hebben over het plan; er goed naar belanghebbenden is geluisterd; de belanghebbenden redelijke vragen hebben gesteld; of er geprobeerd is om rekening te houden met de vragen en opmerkingen van de belanghebbenden er bij de belanghebbenden draagvlak is voor de plannen.
Hoe voer ik het gesprek? Voer al vroeg het gesprek. Vertel wat je plan is. Geef de belanghebbenden de kans om een reactie te geven. Kijk of er mogelijkheden zijn om het plan aan te passen. Misschien kan je de gevolgen van het plan wegnemen. Of kan je samen een oplossing bedenken die het plan voor iedereen beter maakt. Maak als het nodig is een tweede afspraak. Hierin kan je het aangepaste plan opnieuw bespreken. Vertel de aanpassingen aan het plan ook aan mensen die niet op de bijeenkomst konden komen. Wat als we het niet eens worden? Het kan natuurlijk zo zijn dat je het niet eens wordt met de belanghebbenden. Of dat een gesprek om een of andere reden niet mogelijk is. Vraag in dat geval advies aan ons. Misschien zijn er wel ideeën waar je zelf nog niet aan hebt gedacht. Als aanpassing van het plan niet mogelijk is? Overleg dan met ons of het plan toch kans van slagen heeft. Dan maakt de gemeente een keuze.
38
8.3 Hoe wegen we plannen af die niet in het omgevingsplan passen? Heb je een plan om iets in je omgeving te veranderen? Zoals een bouwplan of een plan om een bestaand perceel of gebied een andere functie te geven? Kijk dan eerst of er een vergunning nodig is. Plannen die veel voorkomen en geen grote veranderingen opleveren zijn vaak al mogelijk. Of omdat er geen vergunning voor nodig is. Of omdat ze in het omgevingsplan passen6. Is voor een plan een vergunning nodig? En is binnen het omgevingsplan geen mogelijkheid om die vergunning te verlenen? Dan is de omgevingsvisie belangrijk. In de omgevingsvisie staat immers het beleid op hoofdlijnen. We wegen dit soort plannen7 af aan de hand van zes punten: 1. Meervoudig ruimtegebruik: Speelt het plan in op meerdere maatschappelijke opgaven (wonen, bedrijvigheid/bedrijven, landbouw, natuur/bos, recreatie, waterberging/opvang, besparing van energie en opwekking van duurzame energie)? 2. Ruimtelijke kwaliteit: Speelt het plan in op de waardenkaart (zie bijlage)? Sluit het aan op de cultuurhistorie en het karakter van landschap en de kernen (speerpunt 2)? 3. Inclusie: Gaat het plan uit van een sociale en inclusieve samenleving (speerpunt 1/8)? 4. Duurzaamheid: Sluit het plan aan op onze doelen vanuit energie, klimaat en biodiversiteit (speerpunten 6/7)? 5. Veilig en gezond: Is het plan veilig en gezond (speerpunt 1/8)? 6.
Doelen, wetten en regels: Past het plan bij de doelen uit onze speerpunten en voldoet het plan aan wetten en regels van Rijk, provincie en waterschap? Het afwegingskader in een omgevingsvisie is anders dan in een omgevingsplan. Het omgevingsplan is voor iedereen bindend. In dit plan staan juridische regels. Veelal zijn de mogelijkheden voor plannen zoals het uitbreiden van je woning of het bouwen van een bijgebouw in het omgevingsplan scherp begrensd. De omgevingsvisie is een visie in hoofdlijnen. Deze visie moet de mogelijkheid bieden voor maatwerk. Dat maatwerk is vaak nodig bij plannen die wat groter of anders zijn dan veel voorkomende kleinere aanvragen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een bedrijf dat zijn functie verliest en verandert in een woonzorgcentrum. Of om een agrarisch bedrijf dat wil uitbreiden met een kaasmakerij. Bij de afweging van dat soort plannen aan de hand van de omgevingsvisie past dat je vooral kijkt naar de doelen en kernprincipes die belangrijk zijn. We hebben deze samengenomen in de zes punten die hiervoor zijn genoemd. We zien dat deze terugverwijzen naar het kernprincipe meervoudig ruimtegebruik en de verschillende speerpunten. Ook zien we dat we in het zesde punt verwijzen naar wetten en regels vanuit Rijk, provincie en waterschap.
6
Omdat het definitieve omgevingsplan er pas in 2023 is, gaan we onder paragraaf 8.4 in op kleine afwijkingen van het tijdelijke omgevingsplan tussen 1 januari 2024 en 1 januari 2030
7
Er is één uitzondering voor het afwegen van een initiatief; voor een zonneveld geldt het zonneveldenbeleid
39
Plannen moeten op alle zes genoemde punten een voldoende scoren. Daarnaast willen we dat een plan op één of meerdere punten meerwaarde biedt. Een initiatief dient niet alleen de initiatiefnemer, maar heeft altijd op een bepaalde manier ook een meerwaarde voor de samenleving. Meervoudig ruimtegebruik is een kernprincipe waarvan altijd sprake moet zijn. En aan wetten en regels moet je altijd voldoen. Daarom gelden “voldoende” en “meerwaarde” voor de punten 2 tot en met 5. In de navolgende afbeelding Afwegingskader is dit weergegeven. We lichten toe wanneer sprake is van meervoudig ruimtegebruik. Ook geven we aan wat ‘voldoende’ en wat ‘meerwaarde’ is bij de verschillende punten waar op gescoord kan worden.
Figuur 4. Afwegingskader
Meervoudig ruimtegebruik Wanneer is bij een plan voldoende ingestoken op meervoudig ruimtegebruik? Hoe groter de invloed van een plan op de omgeving hoe groter het belang van meervoudig ruimtegebruik. Als grond in het buitengebied een nieuwe functie en inrichting krijgt heeft dat vaak grote invloed op het landschap. Zeker als daarbij nieuwe gebouwen zijn betrokken of als het om een functie gaat die niet gericht is op het onderhoud van het buitengebied zelf. Ook binnen de bebouwde kom kunnen veranderingen meer of minder invloed hebben op de omgeving. Nieuwe functies die veel publiek of verkeer aantrekken hebben veel invloed op de omgeving. Dat geldt ook voor ontwikkelingen waarbij meerdere woningen komen of waarbij hoger wordt gebouwd dan in de omgeving gebruikelijk is. Voorbeelden van meervoudig ruimtegebruik Als bij een plan nieuwe gebouwen horen kan dat bijvoorbeeld zijn dat het dak mede gebruikt wordt voor energieopwekking of als vegetatiedak. Bij grotere gebouwen in een meer stedelijke omgeving kan dit ook medegebruik van het dak ook bestaan uit een speelplek, ontmoetingsplek of plek voor parkeren. Hebben we het over een plan in het buitengebied dan kan landschappelijke inpassing bijvoorbeeld zo robuust worden ingevuld dat deze ook een duidelijke meerwaarde heeft voor de biodiversiteit.
Dit kan bijvoorbeeld door geleidelijke overgangen te maken van bomen, naar struiken en kruiden. Of geleidelijke overgangen van land naar water. Wordt een natuurgebied van omvang aangelegd? Dan is de aanleg van een of meer wandelpaden een voorbeeld van meervoudig gebruik. 40
Heeft een dorp een plan voor een zonneveld voor opwekking van de eigen energie? Dan is het mooi als panelen worden gecombineerd met landbouw, of met een rijke rand van kruiden en wandelmogelijkheden. Of dat panelen zo ver van elkaar worden gezet dat bodem, water en natuur overal kansen krijgen. Het gaat voor een voldoende op meervoudig ruimtegebruik om net iets meer dan wettelijk al wordt voorgeschreven. Zoals de wettelijk verplichte watertoets die toeziet op voldoende waterberging op een perceel waarop een nieuwe ontwikkeling plaatsvindt. Ruimtelijke kwaliteit Op het punt ruimtelijke kwaliteit scoort een plan voldoende: Als het plan geen belangrijke cultuurhistorische waarden schaadt. Als de ontwikkeling zich voegt naar de kwaliteiten van de verschillende landschappen en qua schaal in het landschap past. Als de ontwikkeling past bij de opzet van een kern en de manier van bouwen en schaal niet storend afwijkt van de omringende bebouwing. Als het plan inspeelt op de waarden van de Waardenkaart (zie bijlage) die aan de orde zijn op of in de directe omgeving van het initiatief. Op het punt ruimtelijke kwaliteit scoort een plan meerwaarde (op één of meerdere van de navolgende punten, of een inspanning die gelijkwaardig is ten opzichte van één van de navolgende punten): Als cultuurhistorie zichtbaar en merkbaar als bron van inspiratie is gebruikt.
Als, behalve voldoende landschappelijke inpassing, extra maatregelen zijn genomen om het landschap te versterken. Als een plan de stedenbouwkundige structuur versterkt en/of nieuwe kwaliteit toevoegt op het gebied van de opzet van de kern of door het gebouw. Inclusie Op het punt inclusie scoort een plan voldoende: Als het plan geen negatieve invloed heeft op de bereikbaarheid en toegankelijkheid van publieke gebouwen, publieke ruimte of publieke vervoersdiensten. Als in de participatie over het plan geen mensen worden buitengesloten die wel gevolgen van het plan ondervinden. Op het punt inclusie scoort een plan meerwaarde (op één of meerdere van de navolgende punten, of een inspanning die gelijkwaardig is ten opzichte van één van de navolgende punten): Als de bereikbaarheid, toegankelijkheid en oriëntatiemogelijkheden verbeteren en toekomstbestendig wordt gebouwd, bijvoorbeeld voor meerdere generaties of voor mensen met een beperking. Als in het plan extra aandacht is besteed aan ontmoeten en zorg voor elkaar. Als het plan gericht is op het vergroten van kansen op bijvoorbeeld huisvesting of werk voor kansarme doelgroepen.
41
Duurzaam Op het punt duurzaam scoort een plan voldoende: Energie: als het plan voldoet aan algemeen wettelijke eisen en normen voor energie en CO2. Klimaatadaptatie: als het plan, gebaseerd op inzet van de watertoets, voldoet aan de eisen die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Natuur/biodiversiteit: als het plan aangeeft dat het de natuur zo min mogelijk belast en aangeeft welke maatregelen er zijn getroffen om mogelijke schade aan de natuur te compenseren of verzachten. Op het punt duurzaam scoort een plan meerwaarde (op één of meerdere van de navolgende punten of een inspanning die gelijkwaardig is ten opzichte van één van de navolgende punten): Energie: als het plan ertoe leidt dat er meer energie wordt bespaard, duurzame energie wordt opgewekt, of aardgas in woningen wordt bespaard, boven geldende wet- en regelgeving of is opgenomen als doelen in Midden-Groningen beleid. Klimaatadaptatie: als in het plan, aanvullend op de eisen vanuit de waterbeheerder op basis van de watertoets, maatregelen zijn opgenomen om hittestress, droogte en wateroverlast te voorkomen of verminderen (zoals aanleggen van meer water, opvang van regenwater, aanplant van bomen, zorgen voor zonwering aan de buitenzijde van gebouwen).
Natuur/biodiversiteit: als het plan een positieve bijdrage levert aan de biodiversiteit en/of aantoonbaar bijdraagt aan een positieve natuurontwikkeling (bijvoorbeeld door natuurinclusief bouwen, door aanleg van in het gebied passende beplantingen, door het bieden van variatie in natte/droge milieus en type en soort beplanting). Als het plan bijdraagt aan doelen gesteld in onze duurzaamheidsvisie anders dan de drie hierboven genoemde punten. Veilig en gezond Op het punt veilig en gezond scoort een plan voldoende: Als het plan voldoet aan algemeen geldende eisen en normen op het gebied van veiligheid en gezondheid. Op het punt veilig en gezond scoort een plan meerwaarde (op één of meerdere van de navolgende punten, of een inspanning die gelijkwaardig is ten opzichte van één van de navolgende punten): Als er boven geldende wet en regelgeving extra maatregelen zijn genomen met het oog op veiligheid/gezondheid; Als het plan uitnodigt tot gezond gedrag ontmoeten, bewegen, spelen en/of sporten.
8.4 Hoe gaan we om met kleine plannen die afwijken van het tijdelijke omgevingsplan (overgangsperiode 2024-2030) Ons streven is om in het omgevingsplan alle veel voorkomende veranderingen die niet veel invloed hebben op de omgeving op te vangen. Vanaf 1 januari 2024 hebben we een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zal nog niet alles wat we willen regelen al geregeld zijn. Uiterlijk 1 januari 2030 is dit omgezet in ons definitieve omgevingsplan. Voor kleinere plannen en plannen met een beperkte invloed op de omgeving hoeft geen sprake te zijn van een duidelijke meerwaarde. Het is bij deze plannen genoeg
42
als op de punten ruimtelijke kwaliteit, veilig en gezond, inclusie, duurzaamheid en wetten en regels een voldoende wordt gehaald.
8.5 Hoe houden we rekening met het milieu? Als het om milieu gaat heeft Nederland in de Europese Unie afspraken gemaakt die altijd en voor alle gemeenten gelden. Dit zijn afspraken over de manier waarop we zorgen voor ons milieu. De afspraken worden ook wel de vier milieubeginselen genoemd. Deze beginselen gelden dus ook voor deze omgevingsvisie. De vier milieubeginselen zijn: 1. Het voorzorgsbeginsel. Dit betekent dat we activiteiten voorkomen waarvan we verwachten dat ze slecht zijn voor het milieu. 2. Het beginsel van preventief handelen. Dit betekent dat we vervuiling van het milieu zoveel mogelijk voorkomen. We nemen vooraf maatregelen om iets wat slecht is voor het milieu te voorkomen. Denk aan de inzet van de beste technieken zodat er geen luchtvervuiling ontstaat. 3. Het beginsel van bestrijding aan de bron. Dit betekent dat we als er een slechte invloed is op het milieu eerst kijken of er iets bij of in de directe omgeving van de activiteit zelf kan worden veranderd. Dit om de slechte invloed te voorkomen. Bijvoorbeeld door vuile lucht af te vangen of door geluiddempende maatregelen bij het bedrijf zelf toe te passen. 4. Het beginsel de vervuiler betaalt. Dit betekent dat degene die de activiteit uitvoert ook moet betalen voor het voorkomen of opruimen van de negatieve gevolgen. Dat zijn bijvoorbeeld maatregelen bij de ontvanger, of het opruimen van vervuiling.
De gemeente kiest ervoor om een omgevingsvisie op te stellen zonder plan-m.e.r.-procedure. De Omgevingsvisie Midden-Groningen is een omgevingsvisie 1.0. Een visie die globaal is; te globaal om een goede milieutoets op uit te voeren. Voor zover er na deze omgevingsvisie plannen in lijn met de visie worden uitgevoerd zal een zelfstandige onderbouwing worden gemaakt die ook ingaat op de locatiekeuze. In deze vervolgprocedures wordt vanzelfsprekend ook zorgvuldig naar alle milieuaspecten gekeken. In latere versies van de omgevingsvisie kan het zijn dat er wel aanleiding en basis is voor het opstellen van een planMER. Het milieu is bij het afwegen van plannen in deze omgevingsvisie ook opgenomen vanwege het afwegingskader. In dit kader kijken we immers ook naar de wetten en regels van ons Rijk, onze provincie en het betrokken waterschap.
8.6 Wat betekent de omgevingsvisie voor het omgevingsplan en omgevingsprogramma’s? De voorliggende omgevingsvisie omvat: ambities (brede welvaart en ambities voor de plek in de wijdere omgeving); doelen (zoals opgenomen bij de speerpunten); opgaven; gebiedsgericht beleid, en kernprincipes.
43
Deze vormen de achtergrond voor het op te stellen omgevingsplan. Bij het speerpunt 7 ‘Voorbereid op klimaatverandering’ staan twee specifieke aanwijzingen voor de inrichting van het toekomstige omgevingsplan waar we inhoud aan willen geven: We verplichten om bij nieuwe bedrijfspanden daken te gebruiken voor duurzame doelen (als dak met zonnepanelen, met wateropvang en/of als vegetatiedak). We maken regels voor wateropvang en vertraagde afvoer van water op eigen terrein. Onder de Omgevingswet heeft de gemeente de mogelijkheid om regels voor een aantal onderwerpen strakker of juist minder strak in te stellen. Dit kan voor de gemeente als geheel of voor specifieke gebieden. Onderwerpen waarvoor dit geldt zijn bijvoorbeeld de normen voor geluid, trilling en geur. Bij het opstellen van de omgevingsvisie 1.0 zijn geen aanleidingen gevonden om van deze mogelijkheid gebruik te maken, uitgezonderd de hiervoor aangegeven concrete voorstellen. Voor toekomstige versies van de omgevingsvisie blijft het mogelijk om wel gebruik te maken van deze mogelijkheid. De omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen. De Omgevingswet heeft voor de meer op uitvoering gerichte uitwerking van de omgevingsvisie het instrument omgevingsprogramma opgenomen. Het omgevingsprogramma gaat dieper in op een onderwerp en laat vooral zien hoe bepaalde doelen concreet worden waargemaakt.
Als in een gemeente bepaalde wettelijke normen overschreden worden dan kan het opstellen van zo’n programma verplicht zijn. Dit geldt bijvoorbeeld als er sprake is van een zo slechte luchtkwaliteit dat landelijke geldende normen worden overschreden. Verwacht wordt dat in Midden-Groningen geen sprake is van een verplicht programma. De gemeente kan daarnaast vrijwillige omgevingsprogramma’s opzetten. Zo’n programma maakt doelen concreet, zet daar acties bij en zet deze acties ook op tijd. Het uitvoeren van een programma ligt bij het gemeentebestuur. Daarbij houdt een gemeente in de gaten wat de resultaten zijn. Dit kan bijvoorbeeld in de gebruikelijke jaarlijkse ronde van planning en controle door de gemeenteraad. Vooralsnog heeft de gemeente geen plannen om omgevingsprogramma’s te maken.
8.7 Hoe vaak en wanneer passen we de omgevingsvisie aan? Met de voorliggende omgevingsvisie is een eerste stap genomen in het beleid op hoofdlijnen onder de Omgevingswet. Het is de omgevingsvisie 1.0. Met vaststelling van deze omgevingsvisie zijn ambities, waarden, opgaven, speerpunten en kansen gemarkeerd. Ook is aangegeven hoe de waarden, opgaven, speerpunten en kernprincipes doorwerken in de afweging van initiatieven. Een aantal bestaande beleidsnota’s zijn kortgeleden opgesteld. Zij zijn ook interactief tot stand gekomen. In deze nota’s is tevens aandacht besteed aan de relatie met andere beleidsvelden. Ze zijn daardoor onderdeel van deze omgevingsvisie. Het betreft: Visie vrijetijdseconomie, vastgesteld december 2022 De koers uit de Woonvisie, vastgesteld februari 2019 De Woondeal NOVEX-Regio Groningen-Assen (RGA), ondertekend februari 2023 Duurzaamheidsvisie, vastgesteld juli 2019 Visie laadinfra Midden-Groningen, vastgesteld februari 2022 Transitievisie warmte, vastgesteld november 2021 Ruimtelijk economisch perspectief, vastgesteld oktober 2022 Detailhandelvisie, vastgesteld december 2019 Mocht er strijdigheid blijken te zijn tussen de omgevingsvisie en de beleidsdocumenten, dan gaat de omgevingsvisie voor. 44
Er zit geen einddatum aan onze omgevingsvisie. Wij houden onze omgevingsvisie actueel en compleet. Dit gebeurt aan de hand van de monitoring op brede welvaart en aan de hand van de diverse speerpunten in deze omgevingsvisie. Bij de speerpunten is aangegeven wat de gemeente de komende tijd gaat doen. Iedere 4 jaar wordt voor alle speerpunten bekeken hoe ver de gemeente gekomen is en wat er is bereikt. Dit kan leiden tot aanpassing van de visie. Na een jaar of 10 kan het zijn dat een algehele vernieuwing van de omgevingsvisie nodig blijkt.
8.8 Hoe gaan wij om met kosten bij ontwikkelingen en financiële bijdragen De gemeente is verplicht om kosten voor werkzaamheden of maatregelen waar initiatiefnemers voordeel van hebben bij die initiatiefnemers in rekening te brengen. Dit geldt onder de Wet ruimtelijke ordening maar ook onder de Omgevingswet die 1 januari 2024 in werking treedt. Als de gemeente eigenaar is van grond waarop wordt gebouwd is dat makkelijk. De gemeente berekent de gemaakte kosten door in de verkoopprijs van de kavels. Als de gemeente geen eigenaar is van de grond kan zij vooraf een overeenkomst met de eigenaar sluiten. In deze overeenkomst staat welke kosten in rekening worden gebracht. Als het niet mogelijk is om vooraf afspraken te maken moet de gemeente op een andere manier kosten verhalen. Dit kan in het omgevingsplan (de vervanger van het bestemmingsplan) of in een omgevingsvergunning. Financiële bijdrage aan ontwikkelingen van een gebied Naast het hiervoor genoemde verplicht verhalen van kosten zijn er in de Omgevingswet ook mogelijkheden om een financiële bijdrage te vragen bij ontwikkelingen in een gebied dat niet het te ontwikkelen gebied zelf is (artikel 13.22 van de Omgevingswet). Het gaat hier om bijdragen aan bijvoorbeeld de aanleg van een park of een weg, waar toekomstige gebruikers van het te ontwikkelen gebied ook voordeel van hebben.
Het vragen van een financiële bijdrage kan via een vooraf af te sluiten contract. Onder de Wet ruimtelijke ordening werd dit een bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen genoemd. Het vragen van een financiële bijdrage is mogelijk als er een functionele samenhang is tussen de activiteit en het doel waarvoor een financiële bijdrage wordt gevraagd. Bijkomende voorwaarde is dat de financiële bijdrage is geregeld in een omgevingsvisie of een programma onder de Omgevingswet. De gemeente heeft de intentie om de bestaande regelingen voor het leveren van financiële bijdragen onder de Omgevingswet te continueren. In een volgende versie van deze omgevingsvisie zal dit geconcretiseerd worden voor het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.
8.9 Waar is de omgevingsvisie in te zien? Ons doel is om de omgevingsvisie voor 1 januari 2024 voor te leggen aan de gemeenteraad voor vaststelling. Een omgevingsvisie die voor 1 januari 2024 wordt vastgesteld, wordt nog vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening. We publiceren de omgevingsvisie dan op www.ruimtelijkeplannen.nl. Na 1 januari 2024 moet de omgevingsvisie op een nieuwe digitale manier bekend worden gemaakt. Het nieuwe digitale systeem heet het DSO. Voor omgevingsvisies die vastgesteld zijn voor 1 januari 2024 geldt dat deze naar alle waarschijnlijkheid uiterlijk op 1 januari 2025 in het DSO moeten staan. Als de gemeente de omgevingsvisie na 1 januari 2024 gedeeltelijk wil wijzigen dan moet dat ook in het DSO.
45
In het DSO is de inhoud van de algemene delen van de omgevingsvisie gekoppeld aan de gemeentegrens. Dit geldt bijvoorbeeld voor de hoofdstukken over wat een omgevingsvisie is, over de stip op de horizon en over de speerpunten. Uitgangspunten die gelden voor één specifiek gebied dat precies begrensd is, koppelen we aan dat gebied. Een voorbeeld waarbij dat kan is de Waardenkaart (zie bijlage). De kaart moet daarvoor zo worden gemaakt dat de ligging precies klopt met andere geografische kaarten. Als de omgevingsvisie in het DSO staat kan je op adres zoeken wat voor beleid in jouw omgeving belangrijk is. Vooralsnog publiceert de gemeente de omgevingsvisie op www.ruimtelijkeplannen.nl.
46
Bijlage
47
Figuur 5. Bestaande waardenkaart