10. PlanMER inclusief publiekssamenvatting
Tekst van het document
Gezien het feit dat het maximumalternatief, met uitzondering van het glastuinbouwgebied, alleen uitbreidingen van bestaande bedrijven toestaat, worden de effecten van het vergroten van de verstoringszone - vergeleken met de grootte van het plangebied - als gering ingeschat (0/-). Conclusie effecten door fysieke aantasting Een effect op de gunstige staat van instandhouding als gevolg van het plan kan niet op voorhand uitgesloten worden. Al met al veroorzaakt het maximumalternatief een sterk negatief (--) effect op fysieke aantasting. Mechanische effecten (kleine windturbines) Kleine windturbines hebben mogelijk een effect op vogels en vleermuizen doordat dieren een klap van de wieken krijgen. Het aantal aanvaringsslachtoffers zal zo toenemen ten opzichte van de referentiesituatie (inclusief windpark N33). Het risico op aanvaringsslachtoffers door kleine windturbines is in tegenstelling tot de effecten van grote windturbines beperkt onderzocht, met name door de groep Minderman et. al. in Engeland. Hun onderzoek heeft betrekking op kleine windmolens met wieken. Minderman et al. berekenden op basis van gevonden slachtoffers bij kleine windturbines een aantal vogelslachtoffers van 0,079 – 0,278 exemplaren/turbine/jaar (2017) en van 0,008 – 0,169 exemplaren/turbine/jaar (2015). Voor één windturbine is de kans op een aanvaringsslachtoffer dus verwaarloosbaar klein.
Het voornemen maakt in potentie echter plaatsing van een groot aantal kleine windturbines mogelijk. Het maximumalternatief gaat uit van de plaatsing van 62 kleine windturbines, zodat maximaal circa 17 vogelslachtoffers en circa 10 vleermuisslachtoffers per jaar te verwachten zijn. De turbines mogen alleen binnen het bouwvlak worden geplaatst waar vooral algemene vogel- en vleermuissoorten voorkomen. Daarom worden hooguit enkele slachtoffers per jaar van een paar algemene soorten verwacht. Daarom zal naar verwachting sprake zijn van een licht negatief effect (0/-). Effectbeschrijving maatregelenalternatief Verzuring en vermesting door stikstofdepositie In het maximumalternatief is sprake van significant negatieve effecten door stikstofdepositie op beschermde soorten. In het maatregelalternatief is een stikstofregeling opgenomen die in bij de effectbeschrijving van Natura 2000-gebieden nader is toegelicht. De regeling zorgt ervoor dat bij uitbreiding van agrarische bedrijven en de realisatie van mestopslagen geen sprake mag zijn van een toename van de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden. Dit leidt wel tot uitbreidingsmogelijkheden, door gebruik te maken van uitstoot beperkende technieken (best beschikbare technieken BBT), zonder dat dit leidt tot negatieve effecten op
57 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
beschermde soorten door vermesting en verzuring. Het effect van stikstofdepositie in het maatregelalternatief wordt daarom als neutraal (0) beoordeeld. Verstoring door licht In het maatregelalternatief wordt nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven niet mogelijk gemaakt, maar kunnen uitsluitend bestaande bedrijven uitbreiden. Overige agrarische bedrijven mogen hun bouwvlak flink uitbreiden. Echter is een regeling opgenomen (conform landelijke wetgeving, zie hoofdstuk 10 Licht) die de mogelijkheden voor de verlichting van nieuwe kassen en stallen sterk beperkt. Hierdoor leidt het bestemmingsplan niet tot een sterke toename van lichthinder in de omgeving. Daarom zijn als gevolg van het bestemmingsplan hooguit licht negatieve effecten op beschermde vogels en vleermuizen aan de orde als gevolg van verstoring door kunstlicht (0/-). Fysieke aantasting en mechanische effecten Omdat sprake is van mogelijk sterk negatieve effecten door fysieke aantasting (--) in het maximumalternatief, zijn maatregelen voorzien. Het gaat om voorzorgsmaatregelen tijdens de uitvoering die de effecten op beschermde soorten verminderen en die tevens effecten door de plaatsing van kleine windturbines kunnen verminderen. Deze maatregelen zijn als voorwaarden in de door de gemeente opgestelde beleidsnotitie (behorend tot het bestemmingsplan) opgenomen.
Om effecten te beperken, dient voorafgaand aan de herinrichting en vergroting van een bouwvlak of de plaatsing van kleine windturbines een ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd (zoals gebruikelijk ook wordt voorgeschreven voor een vergunning (bijvoorbeeld een sloop- of kapvergunning). Op basis van de resultaten van het ecologisch onderzoek kunnen negatieve effecten op beschermde soorten worden voorkomen of gemitigeerd. Hierbij kan gedacht worden aan het werken buiten kwetsbare periodes, het aanbrengen van vervangende nest- en verblijfplaatsen en het kiezen van een optimale inrichting en inpassing van het plangebied. Indien bij nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt op deze manier gewerkt wordt zullen negatieve effecten door fysieke aantasting en mechanische effecten sterk beperkt worden. In dat geval is hooguit sprake van licht negatieve effecten (0/-) op beschermde soorten.
4.3.3
Effectbeschrijving Overige beschermde gebieden
De effectbeschrijving Overige beschermde soorten wordt gepresenteerd middels een beschrijving per effect. De alternatieven kennen (zo goed als) dezelfde effecten, waarmee een beschrijving per alternatief hier irrelevant is. Verzuring en vermesting door stikstofdepositie Het effect van stikstofverbindingen op verzuring en vermesting wordt in paragraaf 6.3 toegelicht. In deze paragraaf zijn ook de effecten op beschermde Natura 2000-gebieden beschreven. Echter, ook de overige natuurgebieden en natuurwaarden, zowel binnen als buiten het NNN, kunnen schade ondervinden van vermesting en verzuring afkomstig uit de landbouw. De ecologische effecten van verzuring en vermesting zijn met name groot in gebieden die van nature arm zijn aan nutriënten. Voor de flora en fauna geldt dat negatieve effecten met name optreden bij soorten die zijn aangewezen op voedselarme bodems en/of niet te zure grond. Veel habitats en soorten die zijn aangewezen op voedselarme en/of niet te zure bodems staan in Nederland al sterk onder druk, doordat in de huidige situatie al sprake is van hoge niveaus van stikstofdepositie. Intensieve veehouderijen kunnen alleen in stalruimte uitbreiden als dat noodzakelijk is voor het welzijn van de dieren en de uitbreiding niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Nieuwvestiging wordt door het bestemmingsplan niet toegestaan. Dit betekent dat de ammoniakemissie van de veehouderijen niet of nauwelijks kan toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. Doordat de regeling is toegespitst op Natura 2000-gebieden, kan echter niet op voorhand uitgesloten worden dat het plan leidt tot effecten op het NNN, ‘natuur buiten het NNN’ en akkervogelleefgebied.
58 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
In het plangebied liggen diverse gebieden die zijn aangewezen als NNN. Een deel van de hier aanwezige beheertypes, zoals zwak gebufferde vennen en vochtige heide zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Enkele gebieden van ‘natuur buiten het NNN’’ bestaan uit grasland, bossen, rietruigte en rietkragen. Deze gebieden zijn over het algemeen minder gevoelig voor stikstofdepositie. Daarnaast zijn grote delen van het plangebied aangewezen als akkervogelleefgebied, die bestaan uit voedselrijke akkergebieden die niet of nauwelijks gevoelig zijn voor stikstofdepositie en regelmatig bemest worden. In het minimumalternatief is sprake van een volledige en verspreide invulling van het glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord. Dit zal naar verwachting leiden tot een geringe toename van stikstofdepositie in het NNN. Op basis hiervan wordt het effect als negatief (-) beoordeeld. In het maximumalternatief is sprake van volledige ontwikkeling van het nieuw bestemde en ingeperkte glastuinbouwgebied en bovendien van uitbreiding van de agrarische bouwvlakken in het plangebied tot 2 hectare. Een dergelijke grootschalige ontwikkeling zal leiden tot een sterke toename van de uitstoot van stikstof, waardoor sprake zal zijn van grootschalige effecten in het NNN, zodat sterk negatieve effecten door stikstofdepositie in het NNN te verwachten zijn (--).
In het maatregelalternatief is een maatregel opgenomen om negatieve effecten door stikstofdepositie te voorkomen. In het maatregelalternatief is alleen uitbreiding mogelijk als de stikstofemissie niet toeneemt om effecten op Natura 2000-gebieden te voorkomen. Dit geldt voor de uitbreiding van bouwvlakken. Doordat de regeling is toegespitst op Natura 2000-gebieden, kan echter niet op voorhand uitgesloten worden dat het plan leidt tot effecten op het NNN, ‘natuur buiten het NNN’ en akkervogelleefgebied. Daarom zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Verdroging Diepe grondbewerking ten behoeve van de landbouw, zoals diepploegen, het wijzigen van het greppel- en slotenpatroon en het aanleggen van diepe drainage, kunnen een verdrogend effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. Afhankelijk van de situatie ter plaatse, bodemopbouw, peilbeheer in polders en dergelijke kunnen normaal gesproken effecten optreden over een afstand van circa 1.000 meter. Met name de in het plangebied voorkomende beheertypen Moeras, Zwakgebufferd ven, Vochtige heide en Rivier- en moeraslandschap zijn gevoelig voor verdroging.
Verdroging van natuurgebieden kan rechtstreeks leiden tot het verdwijnen van beschermde aan natte omstandigheden gebonden dier- of plantensoorten in NNN-gebieden en kan leiden tot verruiging van deze gebieden, waardoor de groeicondities van beschermde planten en het biotoop van beschermde dieren indirect bedreigd worden. Echter geldt voor de natuurgebieden dat de waterhuishouding in en rond de gebieden over het algemeen is geregeld via een eigen peilbeheer dat afwijkt van de intensief gebruikte landbouwgebieden, waardoor beïnvloeding vanuit de omliggende agrarische percelen als gevolg van diepe grondbewerking klein is, zodat het effect hooguit licht negatief is voor het minimum-, maximum en maatregelenalternatief. Hieruit volgt een licht negatieve (0/-) beoordeling. Voor ‘natuur buiten het NNN’ en akkervogelleefgebied geldt eveneens dat de effecten van verdroging hooguit licht negatief zijn bij alle alternatieven. De gronden (in de omgeving) van de ontwikkellocaties worden in de huidige situatie al intensief gebruikt, zodat diepe grondbewerking anders dan bestaand gebruik slechts op zeer beperkte schaal op zal treden.
Verstoring door licht Het minimum-, maximum- en maatregelalternatief maken alleen vestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven mogelijk als de lichtsterkte daarbinnen minder dan 150 lux bedraagt, tenzij de lichtuitstraling met voorzieningen voor ten minste 90% wordt gereduceerd. Kassen kunnen lichtuitstraling richting natuurgebieden veroorzaken. Ten noorden van Sappemeer zijn in de huidige situatie een kassencomplexen aanwezig die onder deze voorwaarde mogen uitbreiden. Deze liggen op zeer ruime afstand van het NNN. Gelet op de beperkingen aan de lichtuitstraling van kassen in alle alternatieven, is geen effect op de natuur door de geringe toegestane toename van lichtuitstraling.
59 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Fysieke aantasting De ontwikkelingen vinden bij alle alternatieven plaats buiten NNN-gebieden, zodat fysieke aantasting van het NNN niet aan de orde is, al liggen een aantal gebieden op korte afstand van de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt (binnen 50 meter). Doordat het NNN in de provincie Groningen geen externe werking heeft zijn geen negatieve effecten als gevolg van fysieke aantasting op het NNN te verwachten. Het glastuinbouwgebied van Sappemeer-Noord waar in het minimum en maximumalternatief uitbreiding van bedrijven mogelijk is, ligt buiten akkervogel- en ganzenfoerageergebieden, zodat geen effecten op deze gebieden aan de orde zijn als gevolg van de bouw van kassen. Het maximum- en maatregelalternatief maken verder uitsluitend bij bestaande agrarische bedrijven uitbreiding mogelijk in aansluiting op het huidige bouwvlak. Hoewel er als gevolg van de ligging van circa 40 agrarische bedrijven in of nabij akkervogelleefgebied verlies van leefgebied mogelijk is, gaat het uitsluitend om ontwikkelingen nabij de bestaande bebouwing. Door het gebrek aan openheid, zijn dit geen hoogwaardige akkervogelgebieden. Een effect blijft daarom vooral beperkt tot een kleine vergroting van de verstoringszone om de bebouwing. Omdat effecten hiermee niet volledig zijn uit te sluiten, leidt dit tot licht negatieve (0/-) effecten.
Ook voor ganzenfoerageergebieden geldt dat de bouwvlakken in de huidige situatie al niet of nauwelijks geschikt zijn voor foeragerende ganzen, zodat hooguit sprake is van een kleine vergroting van de verstoringszone om de bebouwing. Daarom zijn hooguit licht negatieve effecten op akkervogelleefgebieden en ganzenfoerageergebieden te verwachten (0/-). Al met al wordt het effect fysieke aantasting voor alle alternatieven als licht negatief (0/-) beoordeeld.
4.4
Effectbeoordeling
Natura 2000 Samenvattend kan worden gesteld dat er neutrale tot hooguit licht negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de alternatieven optreden (0/-) door mechanische effecten en verstorende factoren, zoals geluid, licht en optische verstoring. Uitsluitend stikstofdepositie leidt in het minimum- en maximumalternatief tot respectievelijk een negatief en sterk negatief effect. Door de stikstofregeling in het maatregelalternatief is geen sprake van een schadelijk effect door stikstofdepositie. Stikstofdepositie wordt met deze regeling namelijk uitgesloten. Daarmee zijn significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Beschermde soorten en overige beschermde gebieden Ook voor effecten op beschermde soorten en provinciaal beschermde natuurgebieden geldt dat de meeste effecten neutraal tot licht negatief (0/-), namelijk bij de effecten door fysieke aantasting, verdroging, aanvaringsslachtoffers door kleinschalige windturbines en verstoring door verlichting. Bij zowel de beschermde soorten als de provinciale natuurgebieden kan daarnaast sprake zijn van negatieve tot sterk negatieve effecten door verzuring en vermesting door stikstofdepositie bij het minimum- en maximumalternatief. Ook hier geldt dat de stikstofregeling in het maatregelenalternatief zorgt voor het uitsluiten van enige stikstofdepositie.
Door toepassing van maatregelen (ecologisch onderzoek en beperking van werkzaamheden in kwetsbare perioden) wordt het sterk negatieve (--) effect van het maximumalternatief op beschermde soorten door fysieke aantasting weggenomen. Tabel 4.12 geeft een overzicht van de effectbeoordelingen van de drie alternatieven op het thema natuur.
60 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Tabel 4.12 Overzicht effectbeoordelingen thema natuur Criterium
Effect
Minimumalternatief
Maximumalternatief
Maatregelenalternatief
effecten op instandhoudings -doelstellingen Natura 2000gebieden
verzuring en vermesting
-
--
0
geluid
0/-
0/-
0/-
optische verstoring, mechanische effecten en verlichting
0
0/-
0/-
overige effecten
0
0
0
verzuring en vermesting
-
--
0
verdroging en verlichting
0/-
0/-
0/-
fysieke aantasting
0/-
--
0/-
mechanische effecten
0
0/-
0/-
overige effecten
0
0
0
verzuring en vermesting
-
--
0/-
verdroging en fysieke aantasting
0/-
0/-
0/-
overige effecten
0
0
0
effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming
effecten op NNN en akkervogelgebieden
61 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
5 LANDSCHAP, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE Dit hoofdstuk presenteert de analyse van het milieuaspect Landschap, cultuurhistorie en archeologie (LCA). Paragraaf 5.1 beschrijft de gehanteerde aanpak van dit onderzoek. Paragraaf 5.2 beschrijft de referentiesituatie waarna paragraaf 5.3 de effectbeschrijvingen presenteert. Tot slot zijn de hieruit volgende effectbeoordelingen zijn opgenomen in paragraaf 5.4.
5.1
Onderzoeksaanpak
Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor het milieuaspect Landschap, cultuurhistorie en archeologie (LCA).
5.1.1
Wetgeving en beleid milieuaspect LCA
Europees Verdrag van Malta/ Conventie van Valletta, Raad van Europa Het Verdrag van Malta, ook wel de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Belangrijk in dit verdrag is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek gedaan moet worden naar de aanwezigheid van archeologische waarden. Daar moet bij de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. Nationaal Erfgoedwet, Rijk, 2016 De Erfgoedwet gaat over de bescherming van ons cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft, hoe Nederland daar toezicht op houdt. Ook de bescherming van het maritiem archeologisch erfgoed onder water is binnen de Erfgoedwet beter beschermd. Bepaalde onderdelen van de wettelijke bescherming van het cultureel erfgoed verhuizen naar de nieuwe Omgevingswet. De vuistregel hierbij is: duiding van erfgoed in de Erfgoedwet, omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Het beschermingsregime voor archeologische rijksmonumenten wordt in de toekomst opgenomen in de Omgevingswet. Op dit moment geldt hiervoor nog de oude Monumentenwet via het overgangsrecht.
Provinciaal Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 Aan de hand van onder meer kernkarakteristieken is de provincie Groningen onderverdeeld in 11 gebieden met elk eigen landschapstypen en karakteristieken. De in het plangebied aanwezige kernkarakteristieken, die een zekere bescherming genieten, betreffen: karakteristieke waterlopen, kanalen en wijken, groene linten,
62 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
karakteristieke laagten, glaciale ruggen, diepe waterplassen, dekzandruggen, reliëfinversie, grootschalige open landschap. Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 In de Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 (hierna Omgevingsverordening genoemd) heeft de provincie regels opgenomen om de doelstellingen zoals aangegeven in de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsverordening bevat dan ook regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. In deze provinciale omgevingsverordening zijn voor natuurlijke-, landschappelijke-, en cultuurhistorische waarden per gebied landschappelijke karakteristieken, abiotische kenmerken en waarden opgenomen. Gemeentelijk Voor het grondgebied van Midden-Groningen is een eenduidig archeologiebeleid opgesteld. Het bestaand en verschillend beleid van de voormalige gemeenten is hierin geharmoniseerd en geactualiseerd. De gemeenteraad heeft op 23 april 2020 het nieuwe Archeologiebeleid vastgesteld. In het nieuwe beleid is geformuleerd hoe de gemeente om wil gaan met de geïnventariseerde waarden. In het beleid worden de algemene uitgangspunten geformuleerd van het beleid dat de gemeente voorstaat op het gebied van archeologie. Het beleid is vertaald in een Archeologische beleidskaart en concrete beschermingscategorieën.
De Archeologische beleidskaart en beschermingscategorieën zijn in voorliggend planMER vertaald op de verbeelding en in bijbehorende beschermde regels. Erfgoedbeleid gemeente Midden-Groningen Erfgoed is de verzamelnaam voor rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke en beeldbepalende panden en objecten. Erfgoed geeft de verschillende dorpen een unieke identiteit en vormt grotendeels het karakter van de gemeente. Waardevolle panden mogen niet verloren gaan of beschadigd raken in de versterkings- en herstelopgave vanwege de gevolgen van de gaswinning. De gemeente Midden-Groningen heeft daarom haar erfgoedbeleid vastgelegd in een facetbestemmingsplan Karakteristieke panden. Gemeente Midden-Groningen onderscheidt in haar erfgoedbeleid de volgende categorieën: - rijksmonument; - gemeentelijke monumenten; - beschermde stads- en dorpsgezichten; - karakteristieke panden en objecten; - archeologie.
5.1.2
Ingreep-effectrelaties
Tabel 5.1 geeft een overzicht van de ingreep-effectrelaties voor het milieuaspect LCA. Een ingreep-effectrelatie laat zien welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn.
63 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Tabel 5.1 Ingreep-effectrelaties milieuaspect LCA Ingreep
Gevolg
Effect
Criterium
vergroting bouwvlak
uitbreiding of verplaatsing van stallen en/of schuren
ruimtelijke impact op grootschalig open landschap
landschapstype en structuur en ruimtelijkvisuele kenmerken
uitbreiding glastuinbouw
uitbreiding kassencomplexen
ruimtelijke impact op grootschalig open landschap en beleefbaarheid van het gebied
landschapstype en structuur en ruimtelijkvisuele kenmerken
realisatie minicamping
aanwezigheid van een camping met bijbehorende facetten (caravans, e.d.) in het landschap
aantasting grootschalige openheid en verkavelingspatronen
landschapstype en structuur en ruimtelijkvisuele kenmerken
uitbreiding schuren, stallen en kassen
bodemberoering en bouwen sloopwerkzaamheden
kans op aantasting archeologie en cultuurhistorie
archeologie en aardkunde en Historische Bouwkunde, Rijksmonumenten
aanleg windturbines
aanwezigheid van windturbines in het landschap
ruimtelijke impact op grootschalig open landschap
landschapstype en structuur en ruimtelijkvisuele kenmerken
realisatie mestopslag op veldkavels
aanwezigheid van mestopslag in het landschap
ruimtelijke impact op grootschalig open landschap
landschapstype en structuur en ruimtelijkvisuele kenmerken
5.1.3
Beoordelingskader en -criteria
Tabel 5.2 bevat het beoordelingskader voor de aspecten landschap, cultuurhistorie en archeologie. De kansrijke alternatieven worden elk op dezelfde criteria beschreven en beoordeeld. Effecten zijn verschillend, maar door steeds dezelfde criteria toe te passen zijn de resultaten objectief te vergelijken. Tabel 5.2 Het beoordelingskader voor de thema’s landschap, cultuurhistorie en archeologie Aspect
Beoordelingscriteria
Fase
Methode
landschap
landschapstype en -structuur en ruimtelijk-visuele kenmerken
gebruik
kwalitatief door middel van bureaustudie en GIS-analyse
cultuurhistorie
historische bouwkunde, Rijksmonumenten
gebruik
kwalitatief door middel van bureaustudie en GIS-analyse
archeologie
archeologie en aardkunde
gebruik en aanleg
kwalitatief door middel van bureaustudie en GIS-analyse
5.1.4
Aanpak en beoordelingsmethodiek
De drie aspecten (landschap, cultuurhistorie en archeologie) worden beoordeeld middels dezelfde beoordelingsschaal, zie tabel 5.3.
64 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Tabel 5.3 Beoordelingsmethodiek milieuaspect Landschap, cultuurhistorie en archeologie Score
Betekenis
Wanneer toegekend
--
sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
geheel van beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit in het plangebied neemt sterk af
-
negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
twee van de beleefde en/of fysieke en/of inhoudelijke kwaliteiten in het plangebied nemen af
0/-
licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
één van de beleefde en/of fysieke en/of inhoudelijke kwaliteiten in het plangebied neemt af
0
geen effect ten opzichte van de referentiesituatie
neutraal, geen effect t.o.v. de referentiesituatie
0/+
licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
één van de beleefde en/of fysieke en/of inhoudelijke kwaliteiten in het plangebied neemt toe
+
positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
twee van de beleefde en/of fysieke en/of inhoudelijke kwaliteiten in het plangebied nemen toe
++
sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
geheel van de beleefde, fysieke en inhoudelijke kwaliteit in het plangebied neemt sterk toe
5.1.5
Uitgangspunten alternatieven
De verschillende alternatieven kennen verschillende uitgangspunten die voor het thema LCA relevant zijn. Hierbij geldt dat het minimumalternatief uitgaat van de referentiesituatie, het maximumalternatief de realistische worst-case situatie beschouwt en het maatregelenalternatief (waar nodig) de maatregelen in beeld brengt die nodig zijn om de effecten te beperken. Dit omvat de regels en voorwaarden zoals opgenomen in de reeds door de gemeente opgestelde beleidsnotities. Maatregelen zoals een erfrichtingsplan komen hier in terug. Tabel 5.4 laat de uitgangspunten zien.
Tabel 5.4 Activiteiten in het kader van versoepeling van bouwregels en gebruiksmogelijkheden activiteit
minimumalternatief
maximumalternatief
maatregelalternatief
vergroting bouwvlak agrarische percelen
geen aanpassing bouwvlakken
ieder agrarisch bouwperceel krijgt ontwikkelruimte van 2 ha, waarop door iedere boer een grote schuur gebouwd wordt.
ieder agrarisch bouwperceel krijgt ontwikkelruimte van 1 ha. Aan de uitbreidingsmogelijkheid worden vanuit landschapsstrategie voorwaarden gesteld. Voor vergroting tot 1,5 ha is dit een erfinrichtingsplan en tot 2 ha aangevuld met een landschapsontwerp.
beperkte ontwikkelmogelijkhed en glastuinbouw
geen aanpassing ontwikkelruimte glastuinbouw. Verspreide nieuwe glastuinbouwcomplexen doordat er meer ontwikkelruimte is dan dat economische behoefte is.
ontwikkelruimte voor uitbreiding bestaande glastuinbouw in beperkt gebied (afbeelding 5.1) Geen ontwikkelruimte nieuwe glastuinbouw
gelijk aan het maximumalternatief
verbreding (niet-) agrarische functies
geen aanpassing (niet-) agrarische functies (enkel toegestaan als afwijking)
op 5% van de bestemmingen komt binnen het bouwvlak een minicamping. Dit betekent 47 minicampings, tegenover 4 in de huidige situatie.
realisatie minicampings volgens de voorwaarden* zoals opgenomen in de beleidsnota Kamperen.
65 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
activiteit
minimumalternatief
maximumalternatief
maatregelalternatief
realisatie kleinschalige windturbines
geen windturbine toegestaan (enkel als afwijking)
30% van de agrarische bestemmingen plaatst een kleinschalige windturbine op het bouwvlak. Dit leidt tot 62 kleinschalige windturbines. Voor woonbestemmingen wordt uitgegaan van een maximum van 10 turbines.
realisatie kleinschalige windturbines volgens de voorwaarden* zoals opgenomen in het Toetsingskader kleinschalige windturbines in het buitengebied.
realisatie mestopslag
geen mestopslag toegestaan (enkel als afwijking)
alle agrarische bedrijven bouwen een mestopslag op hun bouw- of veldkavel.
realisatie mestopslagen volgens de voorwaarden* zoals opgenomen in de Gebiedsvisie mestopslag.
* zie paragraaf 5.3.3 voor de uitwerking van deze voorwaarden.
Toelichting vergroting bouwvlak agrarische percelen Een groot aantal van de agrarische bouwpercelen heeft al een oppervlakte van meer dan 1 ha. Onderstaande tabel 5.4 laat zien hoeveel bouwvlakken welke oppervlakte hebben. Hieruit volgt onder andere dat voor 99 adressen het standaard bouwvlak vergroot wordt naar 1 ha.
Tabel 5.4 grootte bouwpercelen agrarische bestemmingen in de huidige situatie Voormalige gemeente
Aantal agrarische bedrijven
Oppervlakte 1 ha
Oppervlakte 1,5 ha
Oppervlakte 2 ha
Slochteren
+/- 150
Meeste bedrijven
Binnenplans ongeveer 25 % van de bedrijven mogelijk
Minder dan 10 groter dan 1,5 ha
Menterwolde
+/- 65
Meeste bedrijven
Ongeveer 6 bedrijven
Ongeveer 4 bedrijven
Hoogezand
+/- 30
Meeste bedrijven
Niet aan de orde
Ongeveer 10 % bedrijven
In relatie tot de bouwvlakken maakt het bestemmingsplan ook grotere uitbreiding van bouwvlakken mogelijk: - in een deel van het buitengebied kunnen bouwvlakken middels een binnenplanse afwijking worden vergroot tot 1,5 ha; - met een wijzigingsbevoegdheid kan een bouwvlak onder voorwaarden worden vergroot tot 2 ha. Toelichting glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord De ontwikkelruimte voor glastuinbouw wordt beperkt. Nieuwe glastuinbouw is niet meer toegestaan en bestaande glastuinbouwbedrijven mogen enkel uitbreiden binnen het daarvoor bestemde gebied zoals met een groene aanduiding is aangegeven in afbeelding 5.1. Dat terrein is nu ook voor het grootste deel in gebruik als glastuinbouwgebied.
66 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.1 Groen = het nieuwe glastuinbouwgebied (maximumalternatief), rood+groen = gebied voorheen bestemd voor glastuinbouw (minimumalternatief).
5.2
Referentiesituatie
5.2.1
Huidige situatie
Landschap Het landschap in gemeente Midden-Groningen kan worden opgedeeld in drie verschillende landschapstypen, volgend uit de Kwaliteitsgids Groningen. Dit zijn het Centrale Woldgebied en Duurswold, de Veenkoloniën en Oldambt. Het Centrale Woldgebied en Duurswold kenmerken zich door een weids, open landschap dat slechts wordt onderbroken door enkele bewoningsreeksen, met verschillende dorpstypen als komdorpen, streekdorpen en wegdorpen. In het zuiden vormen de wegdorpen 'groene linten' die zich uitstrekken van Harkstede in het westen tot aan Siddeburen in het oosten met als hoogtepunt de Fraeylemaborg in Slochteren. Karakteristiek voor Centrale Woldgebied en Duurswold is: - grootschalige openheid; - reeksen boerderijen, deels op huiswierden en/of inversieruggen; - meedenverkaveling (sloten/medenlanen); - flauwe glaciale zandruggen met wegdorpen (groene linten) overgaand in grootschalig open landschap; - de overgangen zijn hard, waardoor duidelijke dorpssilhouetten ontstaan; - wegdorpen met boerderij(erv)en (slingertuinen) en soms zware wegbeplanting; - in de wegdorpen liggen klooster- en kerkterreinen, molens en een borg met landgoedbossen.
67 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.2 Kaart Landschap (Provinciale Verordening (2016) ten Noorden van Hoogezand-Sappemeer het Centrale Woldgebied en Duurswold en ten zuiden de Veenkoloniën.
Het landschap van de Veenkoloniën is ontstaan als gevolg van vervening. Karakteristiek is de langgerektheid van de bebouwingslinten en het ontginningssysteem van kanalen en wijken. Veenkoloniale lintbebouwing staat vaak strak in lijn op gelijke afstand van de weg en met de nokrichting evenwijdig aan de wijken die haaks of in een hoek liggen met het hoofdkanaal. Karakteristiek voor de Veenkoloniën is: - grootschalige openheid, rationele verkaveling, rechte wegen en kanalen; - contrast tussen het kleinschalige lint en het grootschalige open landschap; - koppeling tussen langgerekte, enkelvoudige bebouwingslinten en kanalen en wijken met planmatige opzet; - herkenningspunten in linten: bruggen, sluizen, fabrieken en watertorens; - enkele doorkijken in linten; - verdichtingen in het lint bij bruggen, sluizen en fabrieken. Afbeelding 5.3 laat een voorbeeld zien van een typisch landschap van de Veenkoloniën.
68 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.3 Typisch landschap van de Veenkoloniën (bron: Kwaliteitsgids Groningen)
Het landschap van het Oldambt wordt gekenmerkt door een groot contrast tussen de groene bebouwingslinten op de hoger gelegen zandruggen en de grootschalige open Dollardpolders. Karakteristiek voor het Oldambt is: - groot contrast tussen de groene bebouwingslinten op de hoger gelegen zandruggen en de grootschalige open Dollardpolder; - groene bebouwingslinten vormen harde overgang van de open polders naar de meer besloten hogere zandruggen; - grootschalig openheid tussen parallelle dijken; - verspreid liggende bebouwing langs ontsluitingswegen in de polders; - eenzijdige bebouwing langs dijken; - langgerekte tweezijdige bebouwingslinten overgaand in dichte bebouwingslinten; - Oldambsterboerderijen, slingertuinen, arbeiderswoningen, dijkcoupures, schotbalkenhuisjes en kolken. Cultuurhistorie Het Centrale Woldgebied en Duurswold is ontstaan eind 9e en begin 10e eeuw vanuit veenontginningen met de karakteristieke opstrekkende verkaveling tot gevolg1. In Duurswold vormt het vrijwel volledig aaneengesloten dorpslint van Harkstede naar Siddeburen een duidelijke lijn in het landschap. De bebouwing van de deze en andere dorpslinten is afwisselend met rentenierswoningen, landarbeidershuizen, (voormalige) winkeltjes, ambachtelijke werkplaatsen en enkele kerken.
De dorpen worden vaak gekenmerkt door zware wegbeplanting en verspreid in het lint liggen monumentale boerderijen van het Oldambtster type2, veelal met slingertuinen, grachten en zware erfbeplanting. Afbeelding 5.4 laat hier een voorbeeld van zien.
1 Panoramalandschap - De Wolden https://rce.webgispublisher.nl/user/uploads/pdfs/panoramalandschap/56_De_Wolden.pdf; 2 Libau, 2019, Toekomst Oldambster boerderijen bijlagenrapport;
69 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.4 Boerderij van Oldambster type in Duurswold
Vergroting van de boerderijen vindt niet plaats door verlenging van de schuur, zoals in het Oldambt, maar door verdubbeling van de kap. In extreme gevallen is een zeer brede zeskapsschuur het gevolg. Beeldbepalend zijn ook de los op het erf geplaatste forse, open kapschuren voorzien van rode pannen.1 Fraeylemaborg Het cultuurhistorische hoogtepunt van de regio is de Fraeylemaborg (zie afbeelding 5.5). De geschiedenis van deze borg, versterkte boerderij bij een herenhuis, gaat terug tot in de 13 e eeuw. Door de jaren heen hebben vele adellijke families in de borg gewoond. Het grote bijbehorende landgoed is voornamelijk in de 19e eeuw aangelegd. Dit is te herkennen aan het romantische parkbos in Engelse landschapsstijl.
1 Kwaliteitsgids Groningen - Het Centrale Woldgebied en Duurswold - Erfgoed https://www.kwaliteitsgidsgroningen.nl/centrale-
woldgebied-duurswold/erfgoed?regio=76.
70 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.5 De Fraeylemaborg in Slochteren (foto: De Erfgoedstem/Dagblad van het Noorden)
In de Veenkoloniën is het ontginningssysteem met de planmatige opzet van kanalen en wijken karakteristiek voor het landschap. Deze grootschalige veenontginningen ontstaan vanaf de 16e eeuw als gevolg van turfwinning.1 Bebouwing ligt in een recht lint tussen de perfect afgemeten percelen. Rond bruggen, sluizen, fabrieken en watertorens verdicht het bebouwingslint zich iets meer. Oude fabrieken en watertorens vormen herkenningspunten in het lange lint, doordat ze verder naar achteren geplaatst zijn en door hun grotere schaal. Hetzelfde geldt voor de kerken.2 Naast het Oldambtster boerderijtype komt een ouder, specifiek Veenkoloniale variant voor, waarbij het voorhuis aan een of beide zijden is voorzien van een krimp. Het zijraam in de krimp zorgt voor goed zicht over het kanaal. Enkele boerderijen zijn beschermd als rijksmonument, deze liggen voornamelijk in het dorpslint Kiel-Windeweer. In het Oldambt3 liggen bebouwingslinten in dorpen op de hogere ruggen als tweezijdige lintbebouwing. Langs dijken manifesteert de bebouwing zich veelal eenzijdig aan de landzijde van de dijk zoals bijvoorbeeld in Nieuw Beerta. Langs ontsluitingswegen in de Dollardpolders komt verspreid liggende bebouwing voor. Vanuit de linten zijn doorzichten mogelijk waardoor een sterke visuele verwevenheid met het open landschap bestaat.
Arbeiderswoningen en grote monumentale Oldambtster boerderijen met slingertuinen wisselen elkaar af en vormen de beeldbepalende ankerpunten in de ruimtelijke opbouw van de linten. Deze bebouwing weerspiegelt bovendien de sociale contrasten uit het verleden. Het gebied heeft haar naam gegeven aan een boerderijtype dat zich uiteindelijk over de hele provincie heeft verspreid. Hoofdkenmerk van de Oldambtster boerderij is dat schuur en voorhuis van de boerderij onder een doorlopende noklijn zijn ondergebracht, waarbij de schuur via zogeheten krimpen overgaat in het voorhuis. Een sprekend voorbeeld is de boerderij aan de Huningaweg te Oostwold (Boerderij Zijlker, zie afbeelding 5.6), die sinds de aanleg van het Oldambtmeer uitkijkt over het water. 1 Panoramalandschap - Veenkoloniën en Westerwolde
https://rce.webgispublisher.nl/user/uploads/pdfs/panoramalandschap/06_Veenkolonien_en_Westerwolde.pdf
2 Kwaliteitsgids Groningen - De Veenkoloniën - Erfgoed https://www.kwaliteitsgidsgroningen.nl/veenkolonien/erfgoed?regio=78 3 Kwaliteitsgids Groningen - Het Oldambt - Erfgoed https://www.kwaliteitsgidsgroningen.nl/oldambt/erfgoed?regio=77
71 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.6 Boerderij Zijlker aan de Huningaweg te Oostwold (bron: Rijksmonumenten)
De Oldambtster hoofdvorm is, sterk verkleind, herkenbaar in de kleine en eenvoudige landarbeiderswoningen. De krimpenhuizen tegenover de Ennemaborg in Midwolda vormen gaaf bewaard gebleven voorbeelden van dit voorheen veel voorkomende type. Naast de agrarische bebouwing komt historische woonbebouwing voor in de vorm van dwarshuizen of villa’s. Vooral in en rond Winschoten en Nieuweschans vestigde zich ook industrie die landbouwproducten verwerkte. Het industriële erfgoed De Toekomst bij Scheemda getuigt van de bloeiende strokartonfabricage rond 1900. Archeologie Bekende archeologische waarden In de gemeente liggen verspreid bekende archeologische waarden. Deze worden als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan en om die reden hier niet verder uitgewerkt. Verwachte archeologische waarden In het Centrale Woldgebied en Duurswold liggen gebieden met lage-, middelhoge- en hoge archeologische verwachtingswaarde. In de Veenkoloniën zijn nauwelijks gebieden met lage archeologische verwachtingswaarde, het overgrote deel van dit landschapstype kent een middelhoge verwachtingswaarde. Voor de archeologische verwachtingswaarde blijft de geldende wetgeving in stand. Ook voor archeologische verwachtingswaarden geldt dat het als dubbelbestemming in het bestemmingsplan is opgenomen, met uitzondering van lage archeologische verwachtingswaarde.
Afbeelding 5.7 laat de kaart met archeologische waarden in de gemeente Midden-Groningen zien.
72 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.7 Bekende archeologische waarden (donkeroranje) en archeologische verwachtingswaarde (lichtoranje)
5.2.2
Autonome ontwikkelingen
De autonome ontwikkelingen in de gemeente hebben op gebied van landschap, cultuurhistorie en archeologie geen aanvullende effecten op de referentiesituatie.
73 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
5.3
Effectbeschrijving
Deze paragraaf beschrijft de effecten van de verschillende alternatieven op het landschap, de cultuurhistorie en de archeologie in het Centrale Woldgebied en Duurswold, de Veenkoloniën en Oldambt. Bewerkte afbeeldingen De afbeeldingen in de effectbeschrijving zijn bewerkte luchtfoto’s. Deze dienen enkel om een indruk van de ingreep te geven. De afgebeelde ingrepen zijn fictief en berusten niet op werkelijke plannen. De toegevoegde objecten zijn op de luchtfoto’s extra uitgelicht.
5.3.1
Het minimumalternatief
In deze paragraaf leest u welke effecten een consoliderend bestemmingsplan heeft op landschap, cultuurhistorie en archeologie. Landschap De uitbreiding van bouwvlakken heeft nauwelijks effect op verstoring van de openheid. Omdat tot 1 ha uitbreiding op dit moment al is toegestaan, levert dit geen nieuwe effecten op. De effecten vinden niet plaats op landschapsniveau, maar op straat- of erfniveau. Dit omdat de uitbreiding van bouwvlakken naar 1 ha geen afbreuk doet aan de landschappelijk openheid op gebiedsniveau. Op straat- en erfniveau kunnen omwonenden of voorbijgangers de landschappelijke openheid echter wel als minder ervaren. Deze beleving is echter op de schaal van het plangebied verwaarloosbaar, mede door de het landelijk en open karakter van het gebied. Afbeelding 5.8 laat een voorbeeld zien van de uitbreiding van een bouwvlak naar 1 ha.
Afbeelding 5.8 Uitbreiding van bouwvlakken tot 1 ha
Het open gebied ten noorden van Hoogezand maakt deel uit van het Centrale Woldgebied en Duurswold. Afbeelding 5.9 laat zien dat de door deze uitbreiding de kenmerkende openheid van het centrale Woldengebied en Duurswold wordt verstoord door het verspreid uitbreiden van bestaande glastuinbouw.
74 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.9 Het glastuinbouw gebied met uitbreiding verspreid door het huidige bestemde gebied
Omdat in het minimumalternatief geen mini-campings worden toegestaan op agrarische en niet-agrarische bestemming treden er geen effecten op het landschap op. Het minimumalternatief biedt geen vrije ontwikkelruimte voor kleinschalige windturbines en mestopslag, waarmee effecten op landschap niet van toepassing zijn. Cultuurhistorie In het minimumalternatief treden geen effecten op historische geografie of historisch bouwkundige objecten op, doordat de ingrepen niet raken met deze waarden. Archeologie In het minimumalternatief kunnen door bodemroering als gevolg van de bouw van schuren, kassen, winturbines et cetera effecten op archeologie optreden. In gebieden waar de archeologische verwachting hoog of middelhoog is dient nader onderzoek gedaan te worden om deze effecten te duiden. Archeologie is als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan. Van gemeentewege moeten archeologische waarden beschermd worden. Werkzaamheden zijn daarom nooit zondermeer mogelijk als dit plaatsvindt ter plaatse van aanwezige waarden. Door middel van dit gemeentelijk beleid worden de waarden beschermd en treden als het goed is geen effecten op. Deze bescherming gaat buiten het planvoornemen om. Ook als het plan niet wordt vastgesteld blijft dit van kracht.
5.3.2
Het maximumalternatief
In deze paragraaf wordt beschreven wat het voornemen betekent voor landschap, cultuurhistorie en archeologie. De resultaten zijn vooral gebaseerd op een kwalitatief deskundigenoordeel. De volgende uitgangspunten worden verder uitgewerkt: 1 de agrarische bouwvlakken van agrarische bedrijven worden vergroot bij wijziging tot 2 ha; 2 glastuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen het bestemde glastuinbouwgebied (zie het groen gemarkeerde gebied op afbeelding 5.1); 3 op 5 % van de bestemmingen (zowel wonen als agrarisch) wordt binnen het bouwvlak een minicamping gerealiseerd. Dit leidt tot 47 minicampings in het plangebied; 4 30 % van de agrarische bestemmingen plaatst een kleinschalige windturbine binnen het bouwvlak. Dit leidt tot 62 kleinschalige windturbines; 5 alle agrarische bestemmingen realiseren een mestopslag op hun bouw- of veldkavel.
75 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Landschap Binnen het Centrale Woldgebied en Duurswold, de Veenkoloniën en het Oldambt liggen in het buitengebied verspreid enkele solitaire agrarische bedrijven. Een vergroting van bouwvlak van agrarische bedrijven tot maximaal 2 ha en de bouw van stallen of schuren zullen een minieme ruimtelijke impact hebben op het grootschalige open landschap. Als bij een boerderij het bouwvlak wordt vergroot, zijn de effecten hiervan op het landschap beperkt. Omdat de visuele effecten in het niet vallen bij beleefde kwaliteiten van het landschap. Ook het geringe aantal agrarische bedrijven zorgt ervoor dat de openheid niet aangetast wordt op landschapsniveau, maar mogelijk wel op straat- of erfniveau. Deze effecten op de beleefde kwaliteiten van het landschap treden dus zeer lokaal op, zoals zichtbaar is op afbeelding 5.10.
Afbeelding 5.10 Uitbreiding van bouwvlakken tot 2 ha zonder erfinpassing
Wanneer de ontwikkelruimte voor glastuinbouw beperkt wordt en enkel bestaande glastuinbouw mag uitbreiden in het daarvoor bestemde gebied, treden er relatief minder effecten op voor de openheid van het landschap in het Duurswold dan in het minimumalternatief. Wel vindt fysiek ruimtelijk beslag plaats op de grootschalige openheid van het gebied en dit heeft tevens effecten op de beleefde kwaliteit van het landschap in dit gebied. De effecten van dit alternatief zijn echter gebundeld, waardoor slechts een kleiner deel (ten opzichte van het minimumalternatief) van het landschap deze effecten ondervindt. Het grootste gedeelte van het landschap blijft in dit gebied haar huidige openheid behouden, zoals zichtbaar in afbeelding 5.11. Bovendien is het glastuinbouw gebied geconcentreerd aan de noordzijde van Sappemeer. Dit gebied sluit aan bij bestaande bebouwing van de aanwezige lintbebouwing. Door dit ingesloten karakter, leidt uitbreiding van de bestaande bedrijven niet tot grote effecten op de grootschalige openheid van het gebied. Op straatniveau kan de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven wel de vrije doorzichten belemmeren. Daarmee heeft de uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in het maximumalternatief met name negatieve effecten op straatniveau.
76 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.11 Beperkt glastuinbouwgebied met gebundelde uitbreiding van bestaande glastuinbouw
Het toestaan van mini-campings bij agrarische bedrijven en woningen kan zowel in Duurswold, Oldambt als in de Veenkoloniën doorzichten belemmeren. Wanneer mini-campings slecht ingepast worden, leidt dit op straat en erfniveau tot verrommeling van het beleefde landschap en mogelijke aantasting van verkavelingsstructuren. De visuele effecten tasten de grootschalige openheid niet aan op landschapsniveau, maar mogelijk wel op straat- of erfniveau. De bestaande boerderijreeksen kunnen worden aangetast indien een mini-camping wordt gerealiseerd naast het boerderij-erf. Afbeelding 5.12 laat een voorbeeld zien van een mini-camping achter een boerderij-erf, met aantasting van de verkavelingsstructuren tot gevolg.
Afbeelding 5.12 Mini-camping ingepast zonder voorwaarden
77 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
De aanleg van 62 kleinschalige windturbines kan verstorend werken voor het open landschap in zowel Duurswold als Oldambt en de Veenkoloniën. Naast de verstoring van open doorkijkjes, kunnen windturbines vanwege hun hoogte (15 m) ook de dorpssilhouetten aantasten die door het open landschap vanuit een groot gebied zichtbaar is. Dit heeft een verstorend effect op de beleefde kwaliteit van het landschap. Afbeelding 5.13 laat een voorbeeld zien van drie kleinschalige windturbines bij een agrarische bestemming. Voor woonpercelen is dit effect vergelijkbaar: een kleinschalige windturbine verstoort het landschap en de dorpssilhouetten.
Afbeelding 5.13 Kleinschalige windturbines willekeurig op het agrarisch perceel geplaatst zonder voorwaarden
Het aanleggen van mestopslag in agrarisch landschap heeft effecten op het landschap in de vorm van ruimtebeslag op het open landschap. Dit is zichtbaar in afbeelding 5.14. Hierdoor heeft het effect op de beleefde kwaliteiten van het landschap.
78 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.14 Mestopslag zonder voorwaarden in het landschap geplaatst
Cultuurhistorie In het maximumalternatief treden geen effecten op historische geografie of historische bouwkunde op. De historisch waardevolle objecten en Rijksmonumenten worden door de ontwikkelingen niet geraakt. Bij eventuele sloopwerkzaamheden van oude schuren, dient uiteraard vooraf te worden getoetst of dit geen historisch waardevolle bouwkunde betreft. Archeologie In het maximumalternatief kunnen door bodemroering als gevolg van de bouw van schuren, kassen, winturbines et cetera negatieve effecten op archeologie optreden. In gebieden waar de archeologische verwachting hoog of middelhoog is dient nader onderzoek gedaan te worden om deze effecten te duiden. Archeologie is als dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan. Van gemeentewege moeten archeologische waarden beschermd worden. Werkzaamheden zijn daarom nooit zondermeer mogelijk als dit plaatsvindt ter plaatse van aanwezige waarden. Door middel van dit gemeentelijk beleid worden de waarden beschermd en treden als het goed is geen effecten op. Deze bescherming gaat buiten het planvoornemen om. Ook als het plan niet wordt vastgesteld blijft dit van kracht.
5.3.3
Het maatregelenalternatief
In deze paragraaf wordt beschreven wat het voornemen betekent voor landschap, cultuurhistorie en archeologie. De resultaten zijn vooral gebaseerd op een kwalitatief deskundigenoordeel. De volgende uitgangspunten worden verder uitgewerkt: 1 de agrarische bouwvlakken van agrarische bedrijven worden vergroot tot 1 ha, met de mogelijkheid voor verdere vergroting tot 2 ha. Hiervoor gelden de voorwaarde dat een erfinrichtingsplan gemaakt dient te worden. Wanneer een initiatiefnemer zijn bouwvlak wil vergroten, moet worden voldaan aan de voorwaarden die aan de betreffende vergroting gekoppeld zijn: a. Hht vergroten van bouwvlakken tot 1,5 ha is enkel mogelijk voor agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan daarvoor expliciet zijn aangewezen. Toetsing hiervan gebeurt middels een maatwerkmethode in een erfinrichtingsplan die de initiatiefnemer moet overleggen aan de
79 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
2
3
4
gemeente. In dit erfinrichtingsplan moet worden aangetoond dat voldoende rekening wordt gehouden met het landschap; b. de toetsing van vergroting van bouwvlakken tot 2 hectare gebeurt middels een wijzigingsbevoegdheid, waarbij de uitvoerbaarheid van het voornemen wordt getoetst en beoordeeld aan de hand van verschillende (milieu)aspecten; mini-campings zijn toegestaan bij agrarische bedrijven, voormalige agrarische bedrijfspercelen of grote woonpercelen. Voorwaarde hierbij is een landschappelijke inpassing. Landschappelijke inpassing omvat maatregelen zoals een maximum van 25 kampeerplaatsen, een minimale oppervlakte van 0,5 ha van het betreffende perceel, een maximale afstand van 200 m tussen de kampeermiddelen en de (woon)bebouwing van de ondernemer, een minimale afstand van 50 m tussen kampeermiddelen en gevels van derden, een toegevoegd sanitairgebouw mag maximaal 30 m2 zijn en rondom de kampeerplaats dient een groene afschermde beplantingsrand aangelegd worden; op agrarische percelen mogen drie kleinschalige windturbines geplaatst worden, mits ze voldoen aan inpassingsmaatregelen. Op woonpercelen mag één kleinschalige windturbine geplaatst wordt. De kleine windturbine mag maximaal 15 m hoog zijn en een rotordiameter van 2 m hebben.
Hij moet tenminste 3 keer de rotordiameter van andere windturbines af staan en maximaal 100 m van bebouwing van de ondernemer verwijderd staan. Daarnaast geldt dat de kleinschalige windturbine op een afstand van minimaal 4 maal de ashoogte (60 m) van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming moet staan; buiten het bouwvlak mag een mestopslag van maximaal 750 m2 aangelegd worden. Deze moet tenminste 5 m van de sloten afliggen en buiten bufferzones liggen die in het beleid zijn opgenomen.
Landschap Voor de vergroting van een agrarische bouwvlak van agrarische bedrijven >1 ha zijn procedures van toepassing waardoor de landschappelijke inpassing wordt geborgd. Wanneer een initiatiefnemer zijn bouwvlak wil vergroten, moet worden voldaan aan de voorwaarden die aan de betreffende vergroting gekoppeld zijn: 1 het vergroten van bouwvlakken tot 1,5 ha is enkel mogelijk voor agrarische bedrijven die in het bestemmingsplan daarvoor expliciet zijn aangewezen. Toetsing hiervan gebeurt middels een erfinrichtingsplan die de initiatiefnemer moet overleggen aan de gemeente bij aanvraag van de omgevingsvergunning afwijken. Dit erfinrichtingsplan is een voorwaarde die in het bestemmingsplan, waarvoor voorliggend MER wordt opgesteld, is opgenomen; 2 de toetsing van vergroting van bouwvlakken tot 2 ha gebeurt middels een wijzigingsbevoegdheid, waarbij de uitvoerbaarheid van het voornemen wordt getoetst en beoordeeld aan de hand van verschillende (milieu)aspecten. Binnen het Centrale Woldgebied en Duurswold en Oldambt liggen in het buitengebied verspreid enkele solitaire agrarische bedrijven. Een vergroting van bouwvlak van agrarische bedrijven tot maximaal 2 ha en de bouw van stallen of schuren kunnen beperkt een ruimtelijke impact hebben op het grootschalige open landschap. Deze effecten op de beleefde kwaliteiten van het landschap treden zeer lokaal op.
Daarom wordt de voorwaarde gesteld om een erfinpassingsplan te laten opstellen bij vergroting van het bouwvlak. Hierin staan ruimtelijke voorwaarden om de ingreep in te passen op straat- en erfniveau. Alvorens een vergunning verleend kan worden moet een goede landschappelijke inpassing aangetoond zijn. Effecten treden dan ook niet op. In de Veenkoloniën liggen agrarische bedrijven aan de bebouwingslinten in het buitengebied. Grote bedrijfsgebouwen kunnen de kenmerkende doorkijken vanaf deze linten verstoren. Een vergroting van bouwvlak van agrarische bedrijven tot maximaal 2 ha en de bouw van stallen of schuren kunnen een ruimtelijke impact hebben op het grootschalige open landschap. Deze effecten op de beleefde kwaliteiten van het landschap treden zeer lokaal op. Bij vergroting van het bouwvlak wordt daarom de voorwaarde gesteld om een erfinpassingsplan op te stellen. Landschappelijke effecten worden hiermee uitgesloten. Bovenstaand geldt ook voor Oldambt. Een vergroting van bouwvlak van agrarische bedrijven tot maximaal 2 ha en de bouw van stallen of schuren kunnen hier een ruimtelijke impact hebben op het grootschalige open landschap. Deze effecten op de beleefde kwaliteiten van het landschap treden zeer lokaal op. Daarom wordt de voorwaarde gesteld om een erfinpassingsplan te laten opstellen bij vergroting van het bouwvlak. Effecten zijn hiermee uitgesloten.
80 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Door lokale inpassing van de ingreep in het landschap zijn de mogelijke effecten op bestaande boerderijreeksen, verkavelingsstructuur en doorzichten gemitigeerd. Afbeelding 5.15 laat een voorbeeld zien van de realisatie van schuren aansluitend bij de bestaande bebouwing en het verkavelingspatroon en de omheining door bomen.
Afbeelding 5.15 Uitbreiding van bouwvlakken tot 2 ha met erfinpassing
Het toestaan van mini-campings bij agrarische bedrijven en woningen kan zowel in Duurswold, Oldambt als in de Veenkoloniën een verrommelend effect hebben op doorzichten richting het open landschap. De effecten die de mini-campings hebben op het landschap kunnen worden gemitigeerd door het toetsingskader aan te houden waarin onder andere een maximaal aantal kampeerplaatsen en minimale oppervlakte van het terrein in staan. Daarnaast wordt een afschermende groenzone voorgeschreven. Door lokale inpassing van de ingreep in het landschap zijn de mogelijke effecten op bestaande boerderijreeksen, verkavelingsstructuur en doorzichten gemitigeerd. Dit is zichtbaar op afbeelding 5.16.
81 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.16 Mini-campings in het landschap ingepast volgens voorwaarden
De aanleg van kleinschalige windturbines kan verstorend werken voor het open landschap in zowel Duurswold als Oldambt en de Veenkoloniën. Naast de verstoring van open doorkijkjes, kunnen windturbines vanwege hun hoogte ook de dorpssilhouetten aantasten die door het open landschap vanuit een groot gebied zichtbaar zijn. Dit heeft effecten op de beleefde kwaliteit van het landschap. Door deze kleinschalige windturbines te laten voldoen aan enkele maatregelen kunnen de effecten beperkt worden: - maximale rotordiameter 2 m; - maximale hoogte op maaiveld 15 m; - minimale 3x rotordiameter van andere windturbines af; - maximale 100 meter van bebouwing af; - minimale 60 meter van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming; - plaatsing op bouwvlak. Deze en verdere maatregelen zijn verder uitgewerkt in ‘Toetsingskader kleinschalige windturbines bestemmingsplan Buitengebied’. Afbeelding 5.17 illustreert de inpassing van drie kleinschalige windturbines op een agrarische bestemming onder voorwaarden. De windturbines worden hierbij op verantwoorde wijze in het landschap ingepast om overlast en milieueffecten te voorkomen.
82 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 5.17 Kleinschalige windturbines ingepast in het landschap
De mogelijkheden voor de realisatie van kleinschalige windturbines op woonpercelen (niet-agrarische bestemmingen) worden met de genoemde afstandscriteria beperkt. Dit vanwege de volgende redenen: - woonpercelen en bijbehorende bouwvlakken zijn beperkter in omvang dan agrarische percelen. Hierdoor is de beschikbare ruimte waarop een kleinschalige windturbine geplaatst kan worden beperkt; - niet-agrarische woonpercelen in het plangebied zijn veelal terug te vinden in lintbebouwing. Door de minimale afstand van 60 m tot gevoelige bestemmingen (zoals woningen), is de beschikbare ruimte beperkt; - op niet-agrarische woonpercelen bevinden zich in de meeste gevallen geen schuren, waardoor de maximale afstand van 100 m tot bebouwing van de ondernemer veelal betrekking heeft op de woning zelf. Met bovenstaande drie factoren in beschouwing genomen, volgt dat de beschikbare ruimte voor de realisatie van kleinschalige windturbines bij niet-agrarische woonpercelen beperkt is. Onderstaande afbeelding 5.18 illustreert dit: links een situatie met meer geclusterde bebouwing, rechts een situatie met meer uiteen gelegen bebouwing. In beide gevallen is te zien dat de beschikbare ruimte (in groen) bij niet-agrarische woonpercelen beperkt is.
83 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02