CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

10. PlanMER inclusief publiekssamenvatting

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied33.134 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

38 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Overige broedvogels In het buitengebied worden, naast algemene vogels van dorpen, tuinen en parken (o.a. eksters, houtduif en merel) ook broedvogels verwacht in de akker- en graslanden (o.a. scholekster, kievit, grutto, veldleeuwerik, gele kwikstaart) en de water- en moerasgebieden (o.a. wilde eend, meerkoet, rietgors en kleine karekiet). In het plangebied zijn ook enkele zeldzame soorten zoals de nachtegaal, de buidelmees en de kwak bekend (Dillerop 2017). Dit zijn soorten die niet in het open agrarisch gebied voorkomen. De nesten van al deze soorten zijn alleen tijdens het broedseizoen beschermd. Zoogdieren Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en daardoor strikt beschermd. Uit de gegevens van de NDFF komen verschillende vleermuissoorten naar voren (zie bijlage I). Het gaat om baard-/brandt’s vleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Deze soorten worden ook genoemd door Dillerop (2017) met uitzondering van de tweekleurige vleermuis. Daarnaast noemt Dillerop ook nog de franjestaart. Door de openheid van het plangebied zijn, met uitzondering van de erven en de natuurgebieden, nauwelijks potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig in het plangebied.

Op de erven zijn met name de gewone dwergvleermuis en laatvlieger te verwachten die in open gebieden in het plangebied kunnen foerageren. De overige soorten zijn vooral in de bosrijke gebieden of waterrijke gebieden te verwachten. Grondgebonden zoogdieren Uit het plangebied zijn 23 beschermde grondgebonden zoogdieren bekend (NDFF). Voor een aantal van deze soorten geldt in de provincie Groningen een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit het plangebied zijn twee strikt beschermde (habitatrichtlijn) grondgebonden zoogdiersoorten bekend waarvoor geen vrijstelling geldt, te weten de bever en de otter. Daarnaast komen er nationaal beschermde soorten voor die niet-vrijgesteld zijn;, namelijk de steenmarter, boommarter, das, eekhoorn en waterspitsmuis. De eekhoorn is vooral bekend uit de omgeving Hoogezand-Sappemeer (Drevenbos). Het betreft een kleine, geïsoleerde populatie (Dillerop, 2017). Daarnaast geeft de NDFF waarnemingen aan bij Park Meerwijck. De das is hier ook bekend. Mogelijk bevindt zich in natuurgebied Adriaans Tripbos van Staatsbosbeheer ook een dassenburcht (Dillerop, 2017). Dassen foerageren vaak in graslanden en mais-akkers in de buurt van hun burcht. De otter en de bever hebben hun verspreidingsgebied voornamelijk in het Zuidlaardermeergebied (bever en otter), Foxholstermeer (bever) en Westerbroek (otter).

De waterspitsmuis komt voor rondom schone, niet te voedselrijke wateren met ruig begroeide oevers en in de meeste gevallen een goed ontwikkelde watervegetatie. Waarnemingen komen vooral uit het noordelijk deel van de gemeente. Voor deze soort is geschikt leefgebied aanwezig in rietkragen en rietruigtes langs watergangen. Dit geldt met name voor de oeverzone langs bredere vaarten en kanalen of in natuurgebieden. Ook langs smalle watergangen in het agrarisch gebied kan de soort hier en daar voorkomen. Deze watergangen bieden de waterspitsmuis echter in de meeste gevallen geen optimaal leefgebied, doordat oevers regelmatig en/of grootschalig gemaaid en de watergangen regelmatig geschoond worden. Amfibieën en reptielen Uit de gegevens van de NDFF komen een aantal algemeen voorkomende amfibieënsoorten naar voren, te weten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (zie bijlage I). Deze soorten zijn geplaatst op de vrijstellingslijst van de provincie Groningen in het geval van ruimtelijke

39 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

ontwikkelingen1. Voor deze algemene soorten is in ruime mate geschikt voortplantingsbiotoop binnen het buitengebied aanwezig in poldersloten en plassen. In de gemeente zijn de laatste 5 jaar de nationaal beschermde alpenwatersalamander, hazelworm en de strikt beschermde heikikker en poelkikker waargenomen (NDFF en verspreidingsatlas). Van de hazelworm en alpenwatersalamander is slechts één waarneming bekend, van de poelkikker maar vier. De soorten zijn te verwachten in natuurgebieden. Dillerop (2017) geeft de heikikker als voorkomend aan in het Zuidlaardermeergebied en in natuurreservaat Westerbroek. Beschermde reptielen zoals de hazelworm komen volgens Dillerop (2017) niet voor in Midden-Groningen. Vissen In het plangebied is de grote modderkruiper de enige beschermde vissoort die regelmatig voorkomt in watergangen in agrarisch beheerde gebieden. Uit de NDFF is deze soort niet bekend. Dillerop (2017) noemt echter wel het voorkomen van de grote modderkruiper in het Zuidlaardermeergebied en in de rondom gelegen poldersloten. Ongewervelden Uit de NDFF komen de habitatrichtlijnsoorten zeggekorfslak, gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel en groene glazenmaker en de nationaal beschermde grote vos naar voren.

De gevlekte en sierlijke witsnuitlibel komen voor in laagveengebieden of vennen op de hoge zandgronden en zijn aangewezen op voedselarme tot matig voedselrijke, schone wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie. De gevlekte witsnuitlibel heeft één populatie ten westen van Westerbroek in het natuurgebied van Natuurmonumenten (Dillerop, 2017). De zeggekorfslak is een zeldzame slakkensoort die in Groningen op meerdere plaatsen nabij het Leekstermeer is aangetroffen. De soort wordt vooral aangetroffen in Beekdal-Elzenbroek-associaties. Beide gebieden liggen buiten het plangebied. De libellensoort groene glazenmaker is een soort die in open poldergebieden onder voedselrijke omstandigheden en bij matig intensief beheer kan overleven. De soort is gebonden aan krabbenscheervegetaties waar de larven tussen de krabbenscheerplanten leven. De groene glazenmaker is waargenomen in Midden-Groningen in het natuurgebied nabij Woudbloem en komt voor nabij de Scharmer Ae en bij het Nieuwe Rijpmakanaal (Dillerop 2017) Grote vos is vrijwel zeker alleen zwervend te verwachten. Populaties van deze soort worden niet in Midden-Groningen verwacht. Conclusie Samenvattend kan worden gesteld dat het buitengebied van belang is voor vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten die te vinden zijn in en rond agrarische bebouwing.

Hierbij gaat het voornamelijk om de gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger en vogels als huismus, gierzwaluw en kerkuil. Ook kan het buitengebied van belang zijn als foerageergebied voor een aantal vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (buizerd, roek, ransuil) alsmede boombewonende vleermuizen, waterspitsmuis en grote modderkruiper. Ook zijn hier broedvogels aanwezig waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, waaronder akker- en weidevogels en water- en moerasvogels.

Overige beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland

1 Zie Verordening natuurbescherming provincie Groningen via: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6952.html.

40 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Delen van gronden van het plangebied zijn aangewezen als natuurnetwerk Nederland (afbeelding 4.3). Het gaat hier om een brede strook NNN vanaf het Schildmeer naar Kolham en delen van het Foxholstermeer en Zuidlaardermeer, met oevers, bos en water. Het gaat hierbij onder andere over de beheertypen Rivier- en moeraslandschap, Kruiden- en faunarijk grasland, Dennen-, eiken- en beukenbos, Droog bos met productie, Haagbeuken- en essenbos, Rivier- en beekbegeleidend bos, Moeras en Zwakgebufferd ven en Vochtige heide. Daarnaast zijn ook stukken aangewezen als ‘Bos- en natuurgebieden buiten het NNN’, zoals het Adriaan Tripbos en Drevenbos in Hoogezand. Afbeelding 4.3 laat de ligging van de NNN-gebieden zien.

Afbeelding 4.3 Ligging van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, groen) ten opzichte van het plangebied (zwarte lijn) en de bouwvlakken (zwarte vlakken).

Akkervogelleefgebied Een aantal delen van het buitengebied is aangewezen als leefgebied akkervogels, zie afbeelding 4.3. Het gaat hierbij globaal om de volgende gebieden:

41 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

1 2 3 4

ten noorden van de N387 tussen Kolham en Siddeburen; tussen Schildwolde, Noordbroek en Nieuws Scheemda; ten zuiden van Hoogezand; ten zuiden van Zuidbroek.

Afbeelding 4.4 Leefgebied akkervogels (bruin) en leefgebied weidevogels (groen) ten opzichte van het plangebied (zwarte lijn) en de bouwvlakken (zwarte vlakken)

Ganzenfoerageergebieden

42 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Rond het Schildmeer en Zuidlaardermeer zijn ganzenfoerageergebieden aangewezen, zie afbeelding 4.5 (Zuidlaardermeer) en afbeelding 4.6 (Schildmeer) (bron: aanwijzing provinciaal blad1). Buiten de winterrustperiode mogen de ganzen worden verjaagd en mag er op ze geschoten worden (met ontheffing), echter niet in de foerageergebieden.

Afbeelding 4.5 Ganzenfoerageergebied Zuidlaardermeer Groningen (grijs)

1 Provincie Groningen (2018) Aanwijzen foerageergebied Zuidlaardermeer. Provinicaal blad nummer 8606.

Provincie Groningen (2015) Vaststellen begrenzing ganzenfoerageergebieden Elektronisch Provincieblad 30 september 2015.

43 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Afbeelding 4.6 Ontwerp ganzenfoerageergebieden Schildmeer

4.2.2

Autonome ontwikkelingen

Natuurgebieden - natuurbeheerplan In de bestaande NNN-gebieden wordt, op basis van de beheer- en ambitietypen, zoals die zijn vastgelegd in het provinciaal Natuurbeheerplan, een beheer gevoerd die recht doet aan de wezenlijke kenmerken en waarden. Ook voor de Natura 2000-gebieden zijn beheerplannen opgesteld, waarin is aangegeven hoe het gebied beheerd moet worden. Het beleid voor deze bestaande natuurgebieden is erop gericht om de bestaande waarden te behouden en de natuurwaarden te versterken. Maatregelen hiervoor zijn onder andere het verhogen van de grondwaterstand, het herstellen van kwelstromen, het behouden van

44 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

foerageer- en broedgebieden voor vogels, het ontwikkelen van (riet)moerasgebieden en het plaatselijk verschralen van gronden. Op basis hiervan wordt verwacht dat in de onderzoeksperiode de natuurwaarden in de bestaande natuurgebieden worden versterkt. Waterkwaliteit De wet- en regelgeving en het beleid van het Rijk, de provincie en het waterschap is erop gericht om het vrijkomen van milieubelastende stoffen in het oppervlakte- en grondwater te voorkomen. Op basis hiervan wordt verwacht dat in de onderzoeksperiode onder andere de meststoffen in het oppervlaktewater afnemen. Deze ontwikkelingen zullen in nog onbekende mate een positief effect op de natuurwaarden hebben. Landbouw In het buitengebied wijzigt het gebruik van gebouwen en gronden, mede als gevolg van veranderingen in de landbouw. Het aantal agrarische bedrijven neemt al jaren af. Aan de andere kant groeien de overgebleven agrarische bedrijven of ontplooien de bedrijven nevenactiviteiten, bijvoorbeeld op recreatief gebied. Door deze ontwikkelingen is het mogelijk meer ruimte te creëren voor natuurlijk beheer van gronden en het omvormen van agrarisch naar natuurfuncties. Tot dusver levert deze ontwikkeling, landelijk gezien, echter nog onvoldoende tegenwicht voor de processen van de intensivering en schaalvergroting van de landbouw.

Op basis hiervan wordt verwacht dat in de onderzoeksperiode de natuurwaarden in de akkerbouw- en veeteeltpercelen licht afnemen. Tot slot wordt de autonome ontwikkeling in de landbouw gevormd uit (het gedeelte van) de vergunningen voor veehouderijen in het plangebied die nog niet ingevuld zijn maar die op korte termijn wel worden benut. Dergelijke situaties komen in de gemeente echter niet voor. Windpark N33 Een andere autonome ontwikkeling die relevent is voor de beoordeling van de effecten op de natuurwaarden is de ontwikkeling van windpark N33. Het gaat om de realisatie van een windpark van in totaal 120 MW langs de N33. Het park is momenteel in aanbouw. Dit windpark zal na realisatie zorgen voor aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen. Deze effecten zijn onderzocht en beoordeeld in de bijbehorende doorlopen procedures (inpassingsplan en m.e.r.).

4.3

Effectbeschrijving

Door nieuwe ontwikkelingen kunnen natuurwaarden worden verstoord of zelfs verloren gaan. Daarnaast is het mogelijk dat door nieuwe ontwikkelingen de bestaande waarden worden versterkt. Belangrijk hierbij is vooral wat de mogelijke consequenties zijn voor de beschermde natuurgebieden en de beschermde soorten. Het voornemen is wat betreft natuur op basis van de volgende kenmerken beoordeeld: - milieueffecten op Natura 2000-gebieden; - milieueffecten op beschermde soorten; - milieueffecten op overige beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, natuur buiten het NNN, akkervogelleefgebieden).

Leeswijzing effectbeschrijving thema natuur De effectbeschrijving wordt voor dit thema gepresenteerd per criterium waarbinnen de effecten voor het betreffende criterium per alternatief beschreven zijn. De indeling van deze paragraaf laat zich hiermee als volgt specificeren: - selectie relevante effecten; - 4.3.1 effectbeschrijving Natura 2000-gebieden, met daarbinnen de beschrijving per alternatief; - 4.3.2 effectbeschrijving Beschermde soorten, met daarbinnen de beschrijving per alternatief; - 4.3.3 effectbeschrijving Overige beschermde soorten, met daarbinnen de beschrijving per effect. Dit omdat de alternatieven zich op dit criterium nauwelijks onderscheiden.

45 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Selectie relevante effecten Voor de het verkennen van de mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de ‘effectenindicator Natura 2000-gebieden’ van het Ministerie van Economische Zaken1. Hierin worden 19 zogenoemde storingsfactoren onderscheiden. In tabel 4.11 is een overzicht van deze storingsfactoren opgenomen. Niet alle storingsfactoren zijn van toepassing op het plangebied en de aard van de voorgenomen ontwikkeling. Daarom zijn sommige storingsfactoren (effecten) op voorhand uitgesloten. De uitgesloten storingsfactoren zijn in tabel 4.11 grijs gemarkeerd. De effecten (storingsfactoren) voor de Natura 2000-gebieden zijn tevens van toepassing op de andere twee criteria. Deze effecten geven namelijk een voldoende breed beeld van mogelijke effecten op de beschermde soorten en overige beschermde gebieden. De enige toevoeging hierop is het effect ‘fysieke aantasting’. Dit gaat om fysieke aantasting van het leefgebied door bijvoorbeeld sloop- en graafwerkzaamheden. Onder de tabel wordt toegelicht waarom de storingsfactoren wel of niet van toepassing zijn op dit onderzoek.

Tabel 4.11 Overzicht van de in de ‘effectenindicator Natura 2000-gebieden’ opgenomen storingsfactoren (bron: ‘effectenindicator Natura 2000-gebieden’). Grijs gemarkeerde cellen zijn niet van toepassing op dit onderzoek.

#

effect (storingsfactor)

#

effect (storingsfactor)

1

oppervlakteverlies

11

verandering overstromingsfrequentie

2

versnippering

12

verandering dynamiek substraat

3

verzuring door stikstof uit de lucht

13

verstoring door geluid

4

vermesting door stikstof uit de lucht

14

verstoring door licht

5

verzoeting

15

verstoring door trilling

6

verzilting

16

optische verstoring

7

verontreiniging

17

verstoring door mechanische effecten

8

verdroging

18

verandering in populatiedynamiek

9

vernatting

19

bewuste verandering soortensamenstelling

10

verandering stroomsnelheid

Toelichting niet van toepassing zijnde storingsfactoren (effecten) Een aantal van deze effecten zijn gezien de ligging van het plangebied en de aard van de voorgenomen plannen op voorhand uitgesloten. Op basis hiervan wordt een eerste selectie gemaakt van de te behandelen storingsfactoren. Een aantal van deze effecten speelt vrijwel alleen bij natuurontwikkelingsprojecten, te weten vernatting, verandering stroomsnelheid (beken en kleine rivieren), verandering overstromingsfrequentie en verandering dynamiek substraat (bijvoorbeeld zandverstuiving in de duinen). Gezien de aard van de plannen kunnen deze effecten op voorhand uitgesloten worden. De noordzijde van het plangebied is weliswaar een gebied dat gevoelig is voor verzilting, maar deze verzilting wordt voor het overgrote deel bepaald door zoute kwel door de nabijheid van de Waddenzee. Landbouwactiviteiten kunnen weliswaar ook van invloed zijn op verzilting, maar dit geldt met name voor van nature zoutarme gebieden in zuid- en oost-Nederland (Wageningen UR Livestock Research, 2011). Daarom wordt het effect van verzilting niet meegenomen in de effectbeoordeling.

1 De ‘effectenindicator Natura 2000-gebieden’ is een hulpmiddel voor het verkennen van effecten op Natura 2000-gebieden. Het

biedt algemene informatie over hoe gevoelig deze gebieden zijn voor de onderscheiden storingsfactoren. Omdat de

effectenindicator algemene informatie biedt is het altijd nodig om aanvullende onderzoeken uit te voeren om te bepalen of er sprake is van een negatief effect vanwege de activiteiten.

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=2

46 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Verzoeting treedt in Nederland op door vernatting of het afsluiten van voormalige zeearmen. Aangezien de plannen dergelijke activiteiten niet mogelijk maken, zijn ook effecten door verzoeting op voorhand uitgesloten. De plannen beogen geen veranderingen in de populatiedynamiek of introductie van dier- of plantensoorten. Effecten naar aanleiding van deze factoren op de instandhoudingsdoelstellingen van soorten of habitats zijn op voor hand uitgesloten. Verdere selectie op basis van effectafstanden en activiteiten uit het bestemmingsplan Een tweede selectie vindt plaats op basis van afstanden waarover effecten op kunnen treden afgezet tegen de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Een aantal effecten, zoals oppervlakteverlies, kunnen alleen optreden bij ontwikkelingen in of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Andere effecten, zoals verzuring door stikstof uit de lucht kunnen in potentie (dus zonder maatregelen) echter over bijzonder grote afstanden negatieve effecten op Natura 2000-gebieden veroorzaken. Hieronder wordt aangegeven over welke afstanden effecten als gevolg van de overgebleven storingsfactoren mogelijk zijn. Op basis daarvan wordt bepaald welke storingsfactoren potentieel op kunnen treden als gevolg van de plannen.

Oppervlakteverlies, versnippering Er is sprake van oppervlakteverlies en/of versnippering als ingrepen in een Natura 2000-gebied of in de directe nabijheid daarvan plaatsvinden, waardoor oppervlakte van aangewezen habitats of soorten verloren gaat of geïsoleerd raakt. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt in het Natura 2000-gebied, zodat geen sprake zal zijn van oppervlakteverlies of versnippering. Trillingen Activiteiten die trillingen veroorzaken, zoals heiwerkzaamheden, veroorzaken ook geluid. De ecologische effecten van trillingen reiken veel minder ver dan geluidseffecten van dezelfde activiteit (Van der Vegte et al. 2011)1, waardoor de ecologische effectafstand van trillingen in het niet valt bij die van geluidstrillingen. Het effecten van trillingen wordt daarom niet verder onderzocht. Toelichting storingsfactoren (effecten) die worden onderzocht In de nadere effectbeschrijving worden op basis van de bovenstaande selectie uitsluitend de effecten van verstoring door optische verstoring, mechanische effecten van kleine windturbines, geluid, kunstlicht, verdroging en verontreiniging, verzuring en vermesting door stikstofdepositie nader behandeld. Optische verstoring Zowel de aanwezigheid van mensen, vrachtverkeer, werktuigen als de bewegingen hiervan kunnen, naast geluid, voor een verstoring zorgen van de fauna.

De verstoringsafstand voor dieren is soort specifiek, maar bedragen over het algemeen enkele honderden meters. Gezien de kleine afstand tussen een aantal bouwvlakken en het Natura 2000-gebied, wordt het effect van optische verstoring nader getoetst. Mechanische effecten Ook door mechanische activiteiten kan schade aan soorten of habitats ontstaan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om negatieve effecten door golfslag, bodemverdichting of luchtwervelingen. In voorliggende situatie zijn uitsluitend mechanische effecten door de kleine windturbines mogelijk. Deze kunnen in potentie aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen veroorzaken. Dit effect wordt daarom nader getoetst. Geluid Geluid kan de volgende negatieve effecten hebben op aangewezen diersoorten (Van der Vegte et al. 2011): - verminderde akoestische waarneming van andere individuen of predatoren (vooral bij continue geluidbelasting); - schrik- of vluchtreacties (vooral bij piekgeluiden); - veranderingen in fysiologie van dieren door stress (continue geluiden en piekgeluiden); 1 Van der Vegte, F.G., R. Bruins Slot, D. Lagas, M. Poos, 2011. Onderbouwing effectafstanden bestaande handelingen Natura 2000

gebieden in Overijssel. Arcadis Nederland BV.

47 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

-

tijdelijke of permanente vermindering of verlies van horend vermogen (continue geluiden en piekgeluiden).

Bij de bepaling van het effect van geluid op beschermde diersoorten wordt meestal gerekend met geluidniveaus waarboven negatieve effecten niet uit te sluiten zijn. Voor broedvogels van open gebieden wordt hierbij vaak een grens van 42 dB(A) aangehouden, terwijl voor broedvogels van meer besloten bosgebieden een hogere verstoringsgrens van 47 dB(A) wordt aangehouden. Voor foeragerende vogels in open gebieden worden drempelwaarden gehanteerd van 51 d(B)A (Wintermans, 1991). De hardste geluiden die als gevolg van de plannen op kunnen treden zijn piekgeluiden bij heiwerkzaamheden. Indien uitgegaan wordt van een veilige grens van 42 dB(A) reiken de piekgeluiden van heiwerkzaamheden tot circa 1900 meter van de geluidsbron (Koolstra & Van Steenwijk-Bolle 2014).1 Gezien de geringe afstand tussen een aantal bouwvlakken en het Natura 2000-gebied, wordt verstoring door geluid nader getoetst. Verstoring door verlichting De verstoringsafstand als gevolg van (kunst)verlichting is sterk afhankelijk van de sterkte van de lichtbron. De effectafstand voor glastuinbouwbedrijven zonder afscherming is circa 3.500 m, terwijl voor afgeschermde kassen en agrarische bedrijven met uitstralende nachtverlichting wordt gerekend met een effectafstand van 500 m (Van der Vegte et al. 2011).

Op basis van de regels van het bestemmingsplan mag alleen worden voorzien in de bouw van een ligboxenstal of een kas als de lichtsterkte daarbinnen minder dan 150 lux bedraagt, tenzij de lichtuitstraling met voorzieningen voor ten minste 90 % wordt gereduceerd. Dit betekent dat in dit geval wordt gerekend met een maximale effectafstand van 500 m. Door de korte afstand tussen het Natura 2000-gebied en een aantal bouwvlakken, wordt dit effect nader getoetst. Verdroging en verontreiniging Verdroging en verontreiniging kunnen in theorie over grote afstanden optreden. Wanneer als gevolg van activiteiten het (grond)waterpeil wordt beïnvloed en stoffen worden geloosd, kunnen effecten - afhankelijk van de hydrologische situatie - over grote afstanden optreden. Voor deze storingsfactoren wordt een maximale effectafstand van 10 kilometer gehanteerd. In de praktijk hebben verdroging en verontreiniging echter meestal een veel kleine verstoringszone tot gevolg. Gezien de afstand van de bouwvlakken tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, worden deze effecten nader beoordeeld. Verzuring en vermesting Verzuring en vermesting door stikstofdepositie kunnen over zeer grote afstanden negatieve effecten op Natura 2000-gebieden veroorzaken. Dit kan zelfs Natura 2000-gebieden betreffen die ver buiten het plangebied liggen.

Gezien de grote potentiële effectafstand, worden de effecten van verzuring en vermesting nader beoordeeld.

4.3.1

Effectbeschrijving Natura 2000-gebieden

Effectbeschrijving minimumalternatief Optische verstoring Optische verstoring als gevolg van het plan kan optreden bij kwalificerende vogels uit het Zuidlaardermeer die buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied foerageren. Dit betreft een aantal ganzensoorten en de eendensoort smient die graag in graslanden en/of akkers foerageren en in het Natura 2000-gebied rusten en overnachten.

1 Koolstra, B.J.H. & C.M. van Steenwijk – Bolle, 2014. Wijziging van de spoorbrug over de A1 bij Muiderberg – aanvulling Passende

Beoordeling TB Schiphol – Amsterdam – Almere. Arcadis Nederland BV.

48 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Het minimumalternatief gaat uit van de bestaande bouwvlakken, zodat geen sprake is van een toename van optische verstoring door vergroting van de bouwvlakken. Wel gaat het minimumalternatief uit van een gedeeltelijke en verspreide invulling van het reeds bestemde glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord. Het gaat hierbij om een gebied waar in de huidige situatie al veel optische verstoring is door bestaande kassen en overige bebouwing. Met de gedeeltelijke invulling van het glastuinbouwgebied zal dan ook geen sprake zijn van een toename van optische verstoring die van invloed is op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer. De effectbeoordeling is daarmee neutraal (0). Verdroging Als gevolg van landbouwactiviteiten kunnen in potentie verdrogingseffecten optreden, bijvoorbeeld door het wijzigen van het slotenpatroon en/of het aanbrengen van drainage. Dit geldt ook voor landbouwactiviteiten buiten Natura 2000-gebieden. Zo kan de aanleg van drainage in een landbouwperceel leiden tot ongewenste verlaging van de (grond)waterstand in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Het minimumalternatief gaat uit van de bestaande bouwvlakken volgens de huidige situatie, zodat als gevolg hiervan geen verdroging optreedt. Wel gaat het minimumalternatief uit van een volledige en verspreide invulling van het reeds bestemde glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord.

De grasland- en akkerbouwgebieden waar deze ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, worden ook in de huidige situatie al intensief beheerd. Daarom zullen als gevolg van het bestemmingsplan geen grootschalige ingrepen in het slotenpatroon en drainage nodig zijn. Bovendien kennen de poldergebieden in het plangebied een eigen peilbeheer, waardoor zelfs bij ingrepen in het slotenpatroon en drainage geen effecten te verwachten zijn op de hydrologische situatie in Natura 2000-gebieden als het Zuidlaardermeer. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verdroging treden dan ook niet op. De effectbeoordeling is daarmee neutraal (0). Verontreiniging Bij verontreiniging komen hogere concentraties van stoffen in de atmosfeer, bodem of water terecht. Het minimumalternatief gaat uit van de bestaande bouwvlakken en een gedeeltelijke en verspreide invulling van het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord. Verontreiniging via de lucht kan bij deze bedrijven plaatsvinden via stikstofemissie, waaronder ammoniak. De effecten van stikstofemissie worden hieronder separaat behandeld. De agrarische bedrijven, waaronder de glastuinbouwbedrijven, zijn ten aanzien van het gebruik van verontreinigende stoffen gebonden aan strenge milieuregels en kunnen het gebruik of de lozing van verontreinigende stoffen in bodem of oppervlaktewater niet intensiveren.

Daarom is geen toename van verontreiniging te verwachten. De effectbeoordeling is daarmee neutraal (0). Mechanische effecten Het minimumalternatief gaat ten aanzien van de plaatsing van kleine windturbines uit van de referentiesituatie. Een negatief effect door mechanische effecten door aanvaringsslachtoffers bij windturbines treedt niet op ten opzichte van de referentiesituatie. De effectbeoordeling is daarmee neutraal (0). Geluid Een toename van geluid in de gebruiksfase zal hooguit zeer gering zijn, doordat bij het minimumalternatief alleen een verspreide en gedeeltelijke invulling plaatsvindt van het glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord. Deze bedrijven produceren geen hoge geluidsniveaus die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Tijdens de aanleg bij een uitbreiding binnen het bouwvlak kunnen bij heiwerkzaamheden echter wel tijdelijk piekgeluiden optreden die binnen maximaal 1900 meter voor verstoring van kwalificerende vogels van Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer kunnen zorgen. Hierbij gaat het om een veel meer incidentele verstoring die tijdelijk is en die niet overal tegelijk zal plaatsvinden.

Voor de nabij de bouwvlakken te verwachten ganzen- en eendensoorten geldt dat, mede gelet op de tijdelijkheid van deze verstoring, het belang van de akkers voor de soorten en de huidige aantallen, voldoende foerageergebied beschikbaar is om de instandhoudingsdoelen van deze kwalificerende vogelsoorten te kunnen behalen. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld.

49 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Verstoring door verlichting Voor verlichting is belangrijk dat de bestaande glastuinbouwbedrijven uitsluitend mogen uitbreiden als de lichtsterkte in de kas minder dan 150 lux bedraagt, dan wel wanneer de lichtuitstraling met voorzieningen voor ten minste 90 % wordt gereduceerd. De betroffen glastuinbouwbedrijven bij Sappemeer-Noord liggen op grote afstand van Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer, zodat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op kunnen treden met deze regeling. De effectbeoordeling is daarom neutraal (0). Verzuring en vermesting door stikstofdepositie Verzuring ontstaat als gevolg van een verhoogde uitstoot van de gassen zwaveldioxide, ammoniak en stikstofoxiden. Deze gassen reageren met elkaar en worden omgezet in onder andere salpeterzuur en zwavelzuur. Deze stoffen kunnen leiden tot verzuring van bodem en water en kunnen leiden tot negatieve effecten op planten en materialen. Hierbij verschillen plantensoorten in gevoeligheid voor verzuring. Verzuring kan er daardoor voor zorgen dat de vegetatiesamenstelling wijzigt, wat weer gevolgen heeft voor de fauna die op de vegetatie is aangewezen. Landbouw, verkeer en industrie zijn de belangrijkste bronnen van verzurende stoffen. De groei en intensivering van de landbouwsector heeft geleid tot een verhoogde toevoer van stikstof en fosfaat (vermesting).

Hierdoor nam de voedselrijkdom van het ondiepe grondwater en het oppervlaktewater sterk toe. Vermesting speelt niet alleen via uit- en afspoeling, maar ook via depositie van ammoniak1. Hierdoor kunnen deze vermestende en verzurende stoffen over grote afstanden door de lucht verspreid worden. Door effecten om verzuring te verminderen zijn de ecologische effecten van vermesting door stikstof belangrijker geworden dan de verzurende effecten van zwavel en stikstof. Dit betekent dat de bijdrage van de landbouw aan de milieueffecten momenteel het grootst is. Dit geldt met name voor de intensieve veehouderij, die een grote bijdrage leveren aan de ammoniakdepositie. Ook de uitbreidingen in de melkveehouderij kunnen een forse bijdrage leveren aan de ammoniakdepositie. Het minimumalternatief biedt weinig mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen en maakt bijvoorbeeld geen uitbreiding van veehouderijen mogelijk. Wel is er in dit alternatief sprake van een verspreide en volledige invulling van het glastuinbouwgebied van Sappemeer Noord. Hierdoor kan sprake zijn van een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Gelet op de hoge stikstofbelasting in veel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, waaronder het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Drentsche Aa-gebied, zal dit leiden tot een negatief effect.

Bij dit alternatief zal door de zeer beperkte ontwikkelingsmogelijkheden en de afstand van het glastuinbouwgebied tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden naar verwachting een negatief effect hebben op verzuring en vermesting in Natura 2000-gebieden. De effectbeoordeling is daarom negatief (-). Effectbeschrijving maximumalternatief Optische verstoring Optische verstoring als gevolg van het plan kan optreden bij kwalificerende vogels uit het Zuidlaardermeer die buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied foerageren. Dit betreft een aantal ganzensoorten en de eendensoort smient die graag in graslanden en/of akkers foerageren en in het Natura 2000-gebied rusten en overnachten. Het maximumalternatief gaat uit van een vergroting van alle agrarische bouwvlakken tot 2 hectare en volledige invulling van het nieuw bestemde, ingeperkte, glastuinbouwgebied. Hierdoor neemt de optische verstoring van zowel de bebouwing als van de machines en mensen binnen het bouwvlak toe voor deze soorten. Voor smient geldt dat deze soort vooral foerageert in de polders ten westen van het Zuidlaardermeer (Beheerplan Natura 2000), buiten het plangebied. Dit heeft ermee te maken dat de soort voornamelijk in graslanden foerageert die vooral zijn gesitueerd buiten het plangebied.

Ook de kwalificerende ganzensoorten en kleine zwaan foerageren graag in graslanden, maar deze zijn minder aangewezen op grasland en kunnen ook meer in het plangebied foerageren. Ganzen en kleine zwaan kennen een grote actieradius om hun slaapplaatsen, waardoor er zeer veel potentieel foerageergebied aanwezig is om het Zuidlaardermeer. Bovendien liggen de aantallen van kolgans, brandgans en 1 Ammoniak (NH ) is een verbinding van stikstof (N) en waterstof (H). 3

50 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

toendrarietgans ver boven de instandhoudingsdoelen. De aantallen van kleine zwaan zijn de laatste jaren weliswaar laag, maar het instandhoudingsdoel van deze soort bedraagt ook slechts 4 exemplaren. Voor al deze soorten blijft, ondanks de toename van optische verstoring die de uitbreidingen van de bouwvlakken met zich meebrengen, voldoende foerageergebied behouden om de instandhoudingsdoelen van deze kwalificerende vogelsoorten te kunnen behalen. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Verdroging Als gevolg van landbouwactiviteiten kunnen in potentie verdrogingseffecten optreden, bijvoorbeeld door het wijzigen van het slotenpatroon en/of het aanbrengen van drainage. Dit geldt ook voor landbouwactiviteiten buiten Natura 2000-gebieden. Zo kan de aanleg van drainage in een landbouwperceel leiden tot ongewenste verlaging van de (grond)waterstand in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De grasland- en akkerbouwgebieden waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, worden ook in de huidige situatie al intensief beheerd. Daarom zullen als gevolg van het maximumalternatief geen grootschalige ingrepen in het slotenpatroon en drainage nodig zijn, ondanks de ruime ontwikkelingsmogelijkheden die dit alternatief biedt.

Bovendien kennen de poldergebieden in het plangebied een eigen peilbeheer, waardoor zelfs bij ingrepen in het slotenpatroon en drainage geen effecten te verwachten zijn op de hydrologische situatie in Natura 2000-gebieden als het Zuidlaardermeer. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verdroging treden dan ook niet op. De effectbeoordeling is daarom neutraal (0). Verontreiniging Het maximumalternatief maakt uitbreiding van akkerbouw-, glastuinbouw- en veehouderijbedrijven mogelijk. Verontreiniging via de lucht kan bij deze bedrijven plaatsvinden via stikstofemissie, waaronder ammoniak. De effecten van stikstofemissie worden hieronder separaat behandeld. De agrarische bedrijven die nu al in het plangebied aanwezig zijn, zijn ten aanzien van het gebruik van verontreinigende stoffen gebonden aan strenge milieuregels en kunnen het gebruik of de lozing van verontreinigende stoffen in bodem of oppervlaktewater niet intensiveren. Hetzelfde geldt voor glastuinbouwbedrijven die willen uitbreiden of zich willen vestigen in het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord. Daarom geen toename van verontreiniging te verwachten, ondanks de ruime ontwikkelingsmogelijkheden die het maximumalternatief biedt. De effectbeoordeling is daarom neutraal (0).

Mechanische effecten Het maximumalternatief gaat uit van de plaatsing van kleine windturbines met een maximale hoogte van 15 m bij 30 % van de bouwvlakken met agrarische bestemmingen. Het gaat hierbij om 62 kleine windturbines. Windturbines kunnen leiden tot aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen en vogels. In theorie zou de plaatsing van de windturbines kunnen leiden tot negatieve effecten op vogels doordat deze aanvaringsslachtoffers veroorzaken. De kwalificerende vogelsoorten van het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer die regelmatig buiten het Natura 2000-gebied komen om te foerageren (de ganzen en eenden) zijn echter aangewezen op open gebieden. De windturbines zijn laag en mogen alleen binnen de bouwvlakken worden geplaatst, waar door de huidige verstoring van de gebouwen en opgaande beplanting al niet of nauwelijks geschikt leefgebied aanwezig is voor de kwalificerende soorten. Daarom worden hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers van de kwalificerende vogelsoorten verwacht. Ook in cumulatie met het windpark langs de N33 zal een incidenteel slachtoffer niet leiden tot significant negatieve effecten op een instandhoudingsdoel van Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld.

Geluid Een toename van geluid in de gebruiksfase zal hooguit gering zijn, doordat met uitzondering van het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord alleen bestaande bedrijven mogen uitbreiden. Het gaat bij de ontwikkelingsmogelijkheden bovendien om veehouderij- en glastuinbouwbedrijven die niet zorgen voor een hoge geluidsbelasting. Dit zal niet leiden tot een toename van verstoring die leidt tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.

51 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Tijdens de aanleg bij een uitbreiding binnen het bouwvlak kunnen bij heiwerkzaamheden echter wel tijdelijk piekgeluiden optreden die binnen maximaal 1.900 meter voor verstoring van kwalificerende vogels van Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer kunnen zorgen. Hierbij gaat het om een veel meer incidentele verstoring die tijdelijk is en die niet overal tegelijk zal plaatsvinden. Voor de nabij de bouwvlakken te verwachten ganzen- en eendensoorten geldt dat, mede gelet op de tijdelijkheid van deze verstoring, het belang van de akkers voor de soorten en de huidige aantallen, voldoende foerageergebied beschikbaar is om de instandhoudingsdoelen van deze kwalificerende vogelsoorten te kunnen behalen. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Verstoring door verlichting Voor verlichting is belangrijk dat de glastuinbouw- en veehouderijbedrijven uitsluitend mogen uitbreiden als de lichtsterkte in de stal of kas minder dan 150 lux bedraagt, dan wel wanneer de lichtuitstraling met voorzieningen voor ten minste 90% wordt gereduceerd (conform landelijke wetgeving, zie ook hoofdstuk 10 Licht). De betroffen glastuinbouwbedrijven bij Sappemeer-Noord liggen op grote afstand van Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer, zodat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op kunnen treden met deze regeling.

Voor de dichter bij het Natura 2000-gebied gelegen veehouderijen geldt de regel van verlichting echter ook, waardoor een toename van lichtverstoring hooguit zeer beperkt mogelijk is. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Verzuring en vermesting door stikstofdepositie Bij het maximumalternatief zullen alle agrarische bouwvlakken worden vergroot tot 2 hectare en wordt het herziene en ingeperkte glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord volledig ingevuld. Ook bestaat de mogelijkheid om een nieuwe mestopslag te realiseren. Gelet op de hoge stikstofbelasting in veel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, waaronder het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Drentsche Aagebied, zal dit leiden tot een sterk negatief effect (--) op de instandhoudingsdoelen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden. Hoofdstuk 6 bevat een kwantitatieve onderbouwing op de uitvoerbaarheid van het plan. Effectbeschrijving maatregelalternatief Het maatregelenalternatief is enkel van toepassing op het effect verzuring en vermesting. De overige effecten zijn neutraal dan wel licht negatief, waardoor maatregelen hiervoor niet van toepassing zijn.

Door het negatieve (minimumalternatief) tot sterk negatieve (maximumalternatief) effect door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is het nodig om een maatregel te nemen die de uitstoot van ammoniak- en stikstofoxiden als gevolg van het plan dusdanig beperkt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Zoals bij het minimum- en maximumalternatief aangegeven is, is in de referentiesituatie reeds sprake van een overbelasting van stikstof in veel stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. Ook een geringe toename van iets meer dan 0,00 mol N/ha/jaar zal daarom al tot een negatief of sterk negatief effect leiden. Daarom is in het maatregelalternatief gekozen voor een stikstofregeling. Toename stikstofdepositie van het voornemen uitgesloten Omdat in het nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied Drentsche Aa-gebied sterk voor verzuringsgevoelige habitattypen zijn gelegen, kan uitbreiding van de veehouderij binnen de gemeente al snel leiden tot significant negatieve effecten. Voor het bestemmingsplan is daarom het uitgangspunt dat de depositie toename ten gevolge van uitbreiding van de veehouderij op een Natura 2000 gebied, per bedrijf 0,00 mol stikstof/ha/jaar moet blijven.

Door toepassing van de stikstofregeling zijn de effecten van verzuring en vermesting door stikstofdepositie dus niet (sterk) negatief. Om de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofbelasting van de agrarische bedrijven in het plangebied, waarin de mogelijkheden zijn berekend wanneer gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technieken (BBT) (zie voor meer informatie hoofdstuk 6 Ammoniak en Geur). Hierbij is gebruikgemaakt van het verspreidingsmodel AERIUS Calculator. Deze berekening is opgenomen in bijlage II. Uit de berekening blijkt dat er bij het inzetten van de best

52 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

beschikbare technieken nog wel ruimte is voor uitbreiding zonder dat dit leidt tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De stikstofregeling in dit maatregelenalternatief is ook van toepassing op de ontwikkelingsmogelijkheden voor mestopslagen. Daarmee is de stikstofdepositie van deze ontwikkelingsmogelijkheden gedurende de gebruiksfase beperkt tot 0,00 mol/ha/jaar. Tezamen met de maatregelen zoals opgenomen in de gebiedsvisie Mestopslag (voorwaarden aan minimale afstand tot natuurgebieden, inclusief uitsluitingsgebieden), zijn de effecten van deze ontwikkelingsmogelijkheden op Natura 2000-gebieden uitgesloten.

4.3.2

Effectbeschrijving Beschermde soorten

Effectbeschrijving minimumalternatief Verzuring en vermesting door stikstofdepositie Als gevolg van stikstofdepositie zijn ook negatieve effecten op dier- en plantensoorten mogelijk. Het gaat daarbij veelal om een indirect effect, waarbij een afname van geschikt leefgebied voor een beschermde soort door stikstofdepositie leidt tot een afname van de soort zelf. Voor de in het plangebied voorkomende beschermde soorten geldt dit met name voor het voortplantingsbiotoop van amfibieën en weidevogels en het foerageergebied van met name zoogdieren, vleermuizen en vogels. Vermesting en verzuring kunnen leiden tot een afname van de biodiversiteit, doordat veel soorten zijn aangewezen op meer voedselarme omstandigheden. Hierdoor kan ook het voedselaanbod van (weide)vogels, vleermuizen en zoogdieren afnemen, wat de geschiktheid van het buitengebied en de omgeving daarvan voor beschermde soorten negatief beïnvloedt. Een toename van stikstof heeft indirect negatieve effecten op de waterkwaliteit (onder andere door eutrofiëring). Effecten kunnen onder andere betrekking hebben op vertroebeling van het water (algengroei) en een overmatige plantengroei. Hierdoor neemt de kwaliteit van het leefgebied af voor de voorkomende amfibieën.

Gelet op de geringe ontwikkelingsmogelijkheden van het minimumalternatief, waarbij de bestaande bouwvlakken van agrarische bedrijven hetzelfde blijven als de referentiesituatie en waarbij slechts een verspreide en gedeeltelijke ontwikkeling van het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord is voorzien in een gebied wat nu al in intensief agrarisch gebruik is, zal in het minimumalternatief hooguit sprake zijn van een licht negatief effect op enkele beschermde soorten, zoals een aantal weidevogelsoorten. Het minimumalternatief wordt ten aanzien van verzuring en vermesting daarom als licht negatief (0/-) beoordeeld. Verdroging De beschermde soorten in het agrarisch gebied op en nabij de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, leven ook in de huidige situatie al in landbouwgebied met intensief tot zeer intensief beheer. Hierdoor is ook in de huidige situatie al geen sprake van een (semi-)natuurlijk peilbeheer. De situatie voor beschermde soorten verandert dan ook niet wezenlijk ten opzichte van de referentiesituatie. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Verstoring door licht Lichtuitstraling kan ook negatieve effecten op vogels en vleermuizen veroorzaken. Van de vleermuizen zijn vooral gewone grootoorvleermuis, water- en meervleermuis gevoelig voor licht.

Bij vogels zijn de meeste soorten in meer of mindere mate gevoelig voor kunstlicht. Rond de bestaande kassencomplexen zijn lichtgevoelige soorten niet of nauwelijks te verwachten. In het minimumalternatief wordt nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven voorzien, waarbij het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord volledig wordt ingevuld. Hierbij is relevant dat in het vigerende bestemmingsplan een regeling is opgenomen die de mogelijkheden voor de verlichting van nieuwe kassen (en stallen) sterk beperkt, zodat het

53 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

minimumalternatief niet zal leiden tot een sterke toename van lichthinder in de omgeving. Daarom zijn als gevolg van het minimumalternatief hooguit licht negatieve effecten op beschermde vogels en vleermuizen aan de orde als gevolg van verstoring door kunstlicht. De effectbeoordeling is daarom licht negatief (0/-). Fysieke aantasting Fysieke aantasting kan effecten hebben op beschermde dier- en plantensoorten. Voor de realisatie of uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf is herinrichting nodig. De werkzaamheden die hierbij een milieueffect op beschermde dier- en plantensoorten kunnen hebben zijn: - de sloop van bestaande gebouwen. De sloop van de bestaande gebouwen is nodig om ruimte te maken voor een voor het bedrijf, goede inrichting van het denkbeeldig vlak en de bouw van nieuwe kassen; - het verwijderen van bestaande bomen en struiken. Bij de herinrichting van een gebied staan de bestaande bomen en struiken vaak niet op de juiste plaats. Voor de realisatie kan dan ook het verwijderen van de bestaande bomen en struiken nodig zijn; - het dempen van bestaande watergangen. Ook de bestaande watergangen kunnen bij realisatie van een kassencomplex worden gedempt of verlegd. Om een goede waterhuishoudkundige situatie te waarborgen is vaak ook de aanleg van nieuwe watergangen nodig; - het vergroten van het bebouwd oppervlak.

Hierdoor kan de verstoringzone rondom het bedrijf toenemen. Navolgende teksten geven een toelichting op de effecten van deze werkzaamheden. Sloop van gebouwen Bij de sloop van gebouwen kunnen nest- en verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels vernietigd worden. Gezien de inrichting van het plangebied en de ontwikkellocaties is de kans op nest- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, huismus, gierzwaluw en kerkuil is het grootste. Bij het minimumalternatief wordt in volledige en verspreide ontwikkeling van glastuinbouwgebied Sappemeer Noord voorzien. Hierdoor is op zeer beperkte schaal de sloop van gebouwen te verwachten. Daarom zijn, mede gelet op de algemeenheid van de te verwachten gebouwbewonende vogels- en vleermuissoorten, licht negatieve effecten (0/-) aan de orde. Verwijderen van bomen en struiken Bij het verwijderen van bestaande bomen en struiken kunnen eveneens nest- en verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen worden vernietigd of verstoord. Daarnaast kunnen verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden vernietigd. Doordat de locaties waar ontwikkeling van het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord mogelijk worden gemaakt zijn gelegen in open agrarisch gebied, worden op de mogelijke ontwikkellocaties zijn op voorhand weinig effecten op beschermde soorten die van opgaande beplanting afhankelijk zijn te verwachten.

Bovendien zijn hier met name minder verstoringsgevoelige en algemene soorten van de soortgroepen vogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Bovendien is bij het minimumalternatief sprake van een gedeeltelijke en verspreide invulling van het glastuinbouwgebied. Vanwege de algemeenheid van de soorten, de inrichting van het plangebied en de voorziene ontwikkelingen in het minimumalternatief, worden licht negatieve effecten (0/-) op beschermde soorten verwacht door de kap van opgaande beplanting. Dempen van watergangen Het dempen van watergangen kan effecten hebben op beschermde soorten. In de watergangen in het akker- en graslandgebied is de beschermde vissensoort grote modderkruiper te verwachten. De uitbreiding van agrarische bouwvlakken is op dusdanig kleine schaal in verhouding tot het plangebied, dat dit geen effect heeft op deze soort. Grootschalige uitbreiding van het glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord leidt echter tot zeer intensief gebruik, waardoor de grote modderkruiper hier slechts plaatselijk en in lage aantallen worden verwacht. Daarnaast kunnen algemene water- en rietvogels als wilde eend, meerkoet en kleine karekiet tot broeden komen in en langs te dempen watergangen. Het is echter niet toegestaan om bezette nesten te vernietigen in het broedseizoen, zodat een effect in de praktijk niet verwacht wordt.

De - in verhouding tot het volledige plangebied - beperkte grootte van het glastuinbouwgebied in overweging nemende, alsmede het vrijwel ontbreken van zeldzame of bedreigde soorten, zal geen niet of nauwelijks sprake zijn van een negatief effect op beschermde soorten door het dempen van watergangen wanneer

54 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

buiten het broedseizoen wordt gewerkt (0/-). Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Toename van verstoringszone Als gevolg van het uitbreiden van het glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord kan door de bouw van kassen de verstoringszone om de bebouwing groter worden. Hierdoor kan in potentie sprake zijn van verstoring van beschermde soorten. Het glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord ligt in intensief beheerd agrarisch gebied, waardoor relatief weinig beschermde soorten aanwezig zijn. Bovendien gaat ook in de huidige situatie al veel verstoring uit van de bestaande bedrijven, zodat in de nabijheid van het de ontwikkellocaties weinig verstoringsgevoelige soorten voor zullen komen. Daarmee zal de toename van de verstoringszone als gevolg van de uitbreiding van dit glastuinbouw gering zijn. Daarnaast biedt het minimumalternatief beperkte mogelijkheden voor de uitbreiding van agrarische bedrijven, met name op de schaal van het plangebied. Hierdoor worden de effecten van het vergroten van de verstoringszone op verblijfplaatsen van beschermde soorten als gering ingeschat (0/-). De afname van foerageergebied voor vogels en vleermuizen vanwege van het vergroten van de agrarische vlakken wordt als te verwaarlozen geacht. Al met al is het effect fysieke aantasting als licht negatief (0/-) beoordeeld.

Mechanische effecten Het minimumalternatief gaat ten aanzien van de plaatsing van kleine windturbines uit van de referentiesituatie. Een negatief effect door mechanische effecten door aanvaringsslachtoffers bij windturbines treedt niet op ten opzichte van de referentiesituatie. De effectbeoordeling is daarmee neutraal (0). Effectbeschrijving maximumalternatief Verzuring en vermesting door stikstofdepositie Als gevolg van stikstofdepositie zijn ook negatieve effecten op dier- en plantensoorten mogelijk. Het gaat daarbij veelal om een indirect effect, waarbij een afname van geschikt leefgebied voor een beschermde soort door stikstofdepositie leidt tot een afname van de soort zelf. Voor de in het plangebied voorkomende beschermde soorten geldt dit met name voor het voortplantingsbiotoop van amfibieën en weidevogels en het foerageergebied van met name zoogdieren, vleermuizen en vogels. Vermesting en verzuring kunnen leiden tot een afname van de biodiversiteit, doordat veel soorten zijn aangewezen op meer voedselarme omstandigheden. Hierdoor kan ook het voedselaanbod van (weide)vogels, vleermuizen en zoogdieren afnemen, wat de geschiktheid van het buitengebied en de omgeving daarvan voor beschermde soorten negatief beïnvloedt. Een toename van stikstof heeft indirect negatieve effecten op de waterkwaliteit (onder andere door eutrofiëring).

Effecten kunnen onder andere betrekking hebben op vertroebeling van het water (algengroei) en een overmatige plantengroei. Hierdoor neemt de kwaliteit van het leefgebied af voor de voorkomende amfibieën. Het maximumalternatief maakt een vergroting van alle bouwvlakken mogelijk tot 2 ha, de realisatie van nieuwe mestopslagen en een volledige invulling van het ingeperkte (ten opzichte van het minimumalternatief) glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord. Dit kan in potentie leiden tot een forse toename van stikstofdepositie in het plangebied en in de omgeving. In dat geval zijn negatieve effecten te verwachten op alle beschermde soorten die afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden die in het plangebied en de omgeving daarvan voorkomen. Aangezien deze soorten door de hoge stikstofdepositie veelal sterk onder druk staan, kan het maximumalternatief leiden tot sterk negatieve effecten (--) op beschermde soorten. Verdroging De beschermde soorten in het agrarisch gebied op en nabij de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, leven ook in de huidige situatie al in landbouwgebied met intensief tot zeer intensief beheer. Hierdoor is ook in de huidige situatie al geen sprake van een (semi-)natuurlijk peilbeheer. De situatie voor beschermde soorten verandert dan ook niet wezenlijk ten opzichte van de referentiesituatie.

Als gevolg van het plan is een licht negatief effect aan de orde (0/-).

55 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Verstoring door licht Lichtuitstraling kan ook negatieve effecten op vogels en vleermuizen veroorzaken. Van de vleermuizen zijn vooral gewone grootoorvleermuis, water- en meervleermuis gevoelig voor licht. Bij vogels zijn de meeste soorten in meer of mindere mate gevoelig voor kunstlicht. In het maximumalternatief is sprake van de volledige inrichting van het glastuinbouwgebied Sappemeer Noord. Hierdoor kan de lichtuitstraling toenemen. Echter zijn rond de bestaande kassencomplexen lichtgevoelige soorten niet of nauwelijks te verwachten. Ook kan bij uitbreiding van de bouwvlakken van agrarische bedrijven tot 2 hectare sprake zijn van meer verlichting. Voor beide gevallen geldt dat door landelijke wetgeving de mogelijkheden voor de verlichting van nieuwe kassen en stallen sterk beperkt worden (zie ook hoofdstuk 10 Licht). Het maximumalternatief zal dan ook niet leiden tot een sterke toename van lichthinder in de omgeving. Daarom zijn als gevolg van het bestemmingsplan hooguit licht negatieve effecten op beschermde vogels en vleermuizen aan de orde als gevolg van verstoring door kunstlicht. Omdat effecten niet volledig zijn uit te sluiten, zijn de effecten als licht negatief (0/-) beoordeeld. Fysieke aantasting Fysieke aantasting kan effecten hebben op beschermde dier- en plantensoorten.

Voor de uitbreiding van een veehouderij of akkerbouwbedrijf is herinrichting van het erf nodig. De werkzaamheden die hierbij een milieueffect op beschermde dier- en plantensoorten kunnen hebben zijn: - de sloop van bestaande (stal)gebouwen. De sloop van de bestaande stalgebouwen is nodig om ruimte te maken voor een voor het bedrijf, goede inrichting van het denkbeeldig vlak en de bouw van nieuwe stalgebouwen; - het verwijderen van bestaande bomen en struiken. Bij de herinrichting van het bouwvlak staan de bestaande bomen en struiken die gebruikt werden voor de landschappelijke inpassing vaak niet op de juiste plaats. Voor de goede inrichting van het vlak kan dan ook het verwijderen van de bestaande bomen en struiken nodig zijn. Om de goede landschappelijke inpassing van het nieuwe bedrijf te waarborgen is ook het aanbrengen van nieuwe bomen en struiken nodig; - het dempen van bestaande watergangen. Ook de bestaande watergangen om een agrarisch bedrijf liggen bij de herinrichting van het denkbeeldig vlak vaak niet op de juiste plaats. Het dempen van deze watergangen is dan ook nodig voor de goede inrichting van het vlak. Om een goede waterhuishoudkundige situatie te waarborgen is ook de aanleg van nieuwe watergangen om het vergrote denkbeeldig vlak nodig; - het vergroten van het bouwvlak. Hierdoor kan de verstoringzone rondom het bedrijf toenemen.

Navolgende teksten geven een toelichting op de effecten van deze werkzaamheden. Sloop van gebouwen Bij de sloop van gebouwen kunnen nest- en verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels vernietigd worden. Gezien de inrichting van het plangebied en de ontwikkellocaties is de kans op nest- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, huismus, gierzwaluw en kerkuil het grootste. Gelet op de grootschalige ontwikkelingsmogelijkheden die het maximumalternatief in grote delen van het plangebied mogelijk maakt, is hierdoor een sterk negatief (--) effect op de populaties van deze gebouwbewonende soorten mogelijk. Verwijderen van bomen en struiken Bij het verwijderen van bestaande bomen en struiken kunnen eveneens nest- en verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen worden vernietigd of verstoord. Daarnaast kunnen verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden vernietigd. Doordat de locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt zijn gelegen in open agrarisch gebied, worden op de ontwikkellocaties met name minder verstoringsgevoelige en algemene soorten van de soortgroepen vogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwacht. Voor de algemene zoogdieren en amfibieën geldt dat voor deze soorten in de provincie Groningen een vrijstelling geldt van de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Wanneer het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, worden met name effecten op deze vrijgestelde soorten verwacht. Wel kan het verwijderen van bomen en struiken een sterk negatief (--) effect hebben op verblijfplaatsen van vleermuizen en van vogels met jaarrond beschermde nesten. Door de ontwikkelingsmogelijkheden die het maximumalternatief biedt, zijn sterk negatieve effecten (--) op deze soorten niet uit te sluiten.

56 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Dempen van watergangen Ook het dempen van watergangen kan effecten hebben op beschermde soorten. In de watergangen om de veehouderijen in het akker- en graslandgebied is de beschermde vissensoort grote modderkruiper te verwachten. Verder zullen in de watergangen populaties van meer algemene amfibieën en zoogdiersoorten aanwezig zijn en zijn water- en rietvogels broedend te verwachten. Gelet op de grootschalige ontwikkelingsmogelijkheden die het maximumalternatief in grote delen van het plangebied mogelijk maakt, een sterk negatief (--) effect op de populaties van grote modderkruiper en andere van water afhankelijke soorten mogelijk. Toename van verstoringszone Als gevolg van het vergroten van een bouwvlak, kan eveneens de verstoringszone om de bebouwing groter worden. Hierdoor kan in potentie sprake zijn van verstoring van beschermde soorten. De agrarische bedrijven waar ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt liggen in intensief beheerd agrarisch gebied, waardoor relatief weinig beschermde soorten aanwezig zijn. Bovendien gaat ook in de huidige situatie al veel verstoring uit van de bestaande bedrijven, zodat in de nabijheid van het de ontwikkellocaties weinig verstoringsgevoelige soorten voor zullen komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12803959/1