06. GoFlo Oudeweg 196 met bijlagen
Tekst van het document
Voor de mate van geurhinder geeft de Omgevingswet geen waarden of bandbreedten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden. De gemeente moet bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (artikel 5.92 lid 1 Bkl). Dit werkt twee kanten op: Enerzijds bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen, en Anderzijds bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van reeds bestaande geur veroorzakende bedrijven. De gemeente moet overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit of voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit wordt verder ook geborgd in artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet. Onderhavig initiatief betreft het nieuwbouwen van een stal ten behoeve van het uitbreiden van het beschikbare stalvloeroppervlakte per dier. Bij de besluitvorming omtrent de ontwikkeling dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vraag of er ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten een minimaal aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Dit borgt de belangen van deze objecten.
Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, bevindt het meest nabijgelegen geurgevoelige object zich op een afstand van 137 meter tot onderhavige ontwikkeling. Dit betreft de woning aan het adres Oudeweg 194. De regelgeving omtrent geur afkomstig van veehouderijen is opgenomen in paragraaf
23
22.3.6.2 van het “Omgevingsplan gemeente Midden-Groningen”, alsmede in paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In artikel 22.98 van de Bruidsschat worden de emissiewaarden voor geur op een geurgevoelig object door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor vastgesteld. Hieruit blijkt dat, voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied, er een maximale geurwaarde van 8,0 ouE/m3 is toegestaan en voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied is 2,0 ouE/m3 toegestaan. Dit blijkt ook uit artikel 5.109 Bkl. In artikel 22.99 lid 1 van de Bruidsschat (artikel 5.106, Bkl) is opgenomen dat als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de toegestane emissiewaarde, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen (sublid a), en de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet mag toenemen (sublid b). Om de individuele geurbelasting op een geurgevoelig object, gemeten vanuit het geur producerende object, vast te stellen, is er een berekening opgesteld met het rekenprogramma V-stacks vergunning conform de Handleiding VStacks Vergunningen.
In de vergunde situatie is bij 2 geurgevoelige gebouwen; Oudeweg 194 en Oudeweg 192, sprake van een hogere geurbelasting dan 8,0 ouE/m3. In bijlage 3 is de berekening van de vergunde situatie opgenomen. Om te toetsen of de geurbelasting niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie is een berekening van de beoogde situatie opgesteld, zie bijlage 3 en Tabel 1. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van een nieuwe stal met een overdekte uitloop. Bij een goed functionerende ventilatie vindt er geen significante additionele emissie plaats door de overdekte uitloop. Om aan te tonen dat er ook toename plaatsvindt geen geuroverlast wordt veroorzaakt bij een slecht of minder goed functionerend ventilatiesysteem, is de geurbelasting ‘enig gewicht uitloop’ toegevoegd opgesteld (zie bijlage 4) en aan de geurtabel (Tabel 1) toegevoegd. Tabel 1. Berekende geurbelasting voor vergunde situatie
Geurnorm
Vergunde geurbelasting
Geurbelasting met gewicht
Oudeweg 194
8,0
10,6
13,5
Oudeweg 192
8,0
9,1
11,2
Oudeweg 190
8,0
7,6
9,2
Oudeweg 188
8,0
5,1
6,2
Oudeweg 186
8,0
4,1
4,9
Oudeweg 184
8,0
3,5
4,1
Oudeweg 168
2,0
0,7
0,7
Oudeweg 115
8,0
0,5
0,6
Wilderhofsterweg 2
8,0
0,9
1,0
Wilderhofsterweg 4
8,0
0,8
0,9
Geur gevoelig object
24
Geurnorm
Vergunde geurbelasting
Geurbelasting met gewicht
Oudeweg 160
8,0
0,8
0,9
Oostwoldjerweg 10
8,0
0,6
0,7
Rotmerweg 2
8,0
0,5
0,6
Oostwoldjerweg 19a
8,0
0,9
0,9
Oostwoldjerweg 12a
8,0
0,9
1,0
Oostwoldjerweg 14
8,0
0,7
0,8
Zwaagweg 1
8,0
0,4
0,4
Stolderijweg 2
2,0
0,9
0,9
Hoofdweg 200
8,0
0,2
0,2
Geurnorm
Berekende geurbelasting
Geurbelasting met gewicht
Oudeweg 194
10,6*
7,9
10,1
Oudeweg 192
9,1*
6,8
8,4
Oudeweg 190
8,0
6,1
7,1
Oudeweg 188
8,0
4,4
5,0
Oudeweg 186
8,0
3,7
4,2
Oudeweg 184
8,0
3,3
3,7
Oudeweg 168
2,0
0,7
0,8
Oudeweg 115
8,0
0,9
1,0
Wilderhofsterweg 2
8,0
0,8
0,9
Wilderhofsterweg 4
8,0
0,9
0,9
Oudeweg 160
8,0
0,6
0,6
Oostwoldjerweg 10
8,0
0,6
0,7
Rotmerweg 2
8,0
0,5
0,5
Oostwoldjerweg 19a
8,0
0,8
0,8
Oostwoldjerweg 12a
8,0
0,9
0,9
Oostwoldjerweg 14
8,0
0,7
0,7
Zwaagweg 1
8,0
0,4
0,4
Stolderijweg 2
2,0
0,9
0,9
Hoofdweg 200
8,0
0,2
0,2
Geur gevoelig object
Tabel 2. Geurbelasting beoogde situatie
Geur gevoelig object
Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel 1 wordt de geurnorm in de vergunde situatie bij twee geurgevoelige objecten overschreden. Conform artikel 22.99 in het omgevingsplan geldt echter dat de vergunde geurnorm indien de geur op een geurgevoelig gebouw niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Hierdoor geldt voor de
25
beoogde situatie voor Oudeweg 194 en Oudeweg 192 de vergunde geurbelasting, respectievelijk 10,6 ouE/m3 en 9,1 ouE/m3, als norm. In de beoogde situatie worden de geurnormen niet overschreden, zelfs niet met gewicht-toekenning aan de uitloop. Er kan hiermee worden geconcludeerd dat er met het beoogde initiatief aan artikel 22.98 en 22.99, lid 1, van de Bruidsschat wordt voldaan. Uit de resultaten blijkt dat er geen toename plaatsvindt ten opzichte van de vergunde situatie en er derhalve voldaan wordt aan artikel 22.99, lid 1. Naast de geurnomen is het echter ook relevant om de afstand tussen het geur-producerende gebouw en het meest dichtstbijzijnde geurgevoelige object te bepalen. Artikel 22.103 van de Bruidsschat en artikel 5.112 Bkl gaan in op de afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van een dierenverblijf voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Volgens tabel 22.3.13 van het Omgevingsplan en tabel 5.112.2 van het Bkl dient de afstand tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom minimaal 25 meter te bedragen. De kortste afstand tussen dichtstbijzijnde gevel van een dierenverblijf en de gevel van de meest dichtstbijzijnde woning, gelegen aan de Oudeweg 194, bedraagt ca. 42 meter. De afstand tussen de gevel van de nieuw te realiseren stal en de Oudeweg 194 bedraagt 137 meter.
Er wordt daarmee voldaan aan de afstandseis van 25 meter. Er kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Het aspect geur vormt op basis van geurberekeningen en de aan te houden afstanden geen belemmering voor onderhavig initiatief. GELUID Langs rijks-, provinciale- en gemeentewegen en langs waterschapswegen, lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen geldt een standaardwaarde voor geluid. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl). Slechts onder voorwaarden kan het geluid hoger zijn dan deze waarde. Hiervoor moet aangetoond worden dat er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen, dat de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde (artikel 5.78u Bkl). Geluidbeperkende maatregelen hoeven alleen in aanmerking te worden genomen als die financieel doelmatig zijn en als daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.
Als een projectlocatie nabij een weg ligt, kan het zijn dat deze in het geluidaandachtsgebied van die weg ligt. Het geluid in dat gebied kan hoger zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het geluid op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.78s Bkl). Langs rijks- en provinciale wegen kan sprake zijn van een geluidproductieplafond. Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan Buitengebied ligt het projectgebied binnen ‘geluidzone – industrie’. Artikel 47.2 van het bestemmingsplan Buitengebied:
26
47.2 geluidzone - industrie a. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen in afwijking van Hoofdstuk 2 geen nieuwe woningen worden gebouwd, geluidsgevoelige ruimtes worden ingericht of gronden in gebruik worden genomen waardoor die aangemerkt kunnen worden als een geluidsgevoelig object, tenzij: 1. de geluidsgevoelige ruimten binnen de contouren van een bestaand woongebouw of hoofdgebouw of de contouren van bestaande geluidsgevoelige ruimten in een ander geluidsgevoelig object worden gerealiseerd of; 2. zodanig dat de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein op de gevels van de woning of de geluidsgevoelige ruimte niet hoger zal zijn dan geldende voorkeursgrenswaarde of vastgestelde hogere grenswaarde; b. Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in geluidzone - industrie sub a ten behoeve van de bouw of uitbreiding van een woning of ander geluidsgevoelig object, met inachtneming van het volgende: 1. de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten zal niet hoger worden dan een verkregen hogere grenswaarde. Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen van stal. De stal wordt niet aangemerkt als geluidgevoelig object in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiermee is de geluidzone niet belemmerend voor het initiatief.
Gezien de afstand tussen de te realiseren stal en de omliggende gevoelige objecten, alsmede de positionering ten opzichte van de reeds bestaande stallen, kan bovendien in redelijkheid worden verwacht dat het initiatief geen onevenredig effect heeft op de geluidbelasting op de omgeving. Concluderend vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan. KWALITEIT VAN DE BUITENLUCHT De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) afdeling 2.2. De luchtkwaliteit wordt hier aan de hand van verscheidene omgevingswaarden uiteengezet. Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk worden gemaakt dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld, waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in plannen die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De artikelen 5.53 en 5.54 van het Bkl gaan in op de NIBM-bijdrage van activiteiten.
Als sprake is van een beperkte toename van luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM) hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
27
De NIBM-regeling geldt niet altijd voor veehouderijen. Enkele locaties zijn uitgezonderd van de NIBM-regeling. Dit zijn locaties met een hoge fijnstofconcentratie (PM10). Het gaat om locaties in de gemeenten Asten, Barneveld, Deurne, Ede, Nederweert, Renswoude en Scherpenzeel. De begrenzing van de locaties staat in de omgevingsregeling. Onderhavige locatie is niet binnen deze begrenzing gelegen waardoor de NIBM-regeling onverminderd van toepassing is. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de voorwaarden voor NIBM opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor streefwaarden kan er worden gekeken naar de omgevingswaarden voor NO2 en PM10, zoals bedoeld in Bkl artikel 2.4, eerste lid, onder b, respectievelijk Bkl artikel 2.5, eerste lid. De omgevingswaarden zijn: Voor stikstof (NO2): 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor fijnstof (PM10): 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde.
5.4.1
Stikstof (NO2)
Op basis van de stikstofconcentratiekaart kan er worden beoordeeld of er ter plaatste van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In Figuur 5-1 is de stikstofdioxideconcentratie gevisualiseerd en hieruit is op te merken dat ter plaatse van de locatie, Oudeweg 196, de stikstofconcentratie <8 μg N2/m3 bedraagt. Hiermee wordt er ruimschoots onder de grenswaarde van 40 N2/m3 per jaar gebleven.
Figuur 5-1. NO2 concentratie (bron: Atlas van de Regio); O = projectgebied
Hiernaast moet er worden bepaald of er sprake is van een NIBM-toename van stikstofdioxiden (NO2) door onderhavig initiatief. Zoals reeds benoemd is er geen uitbreiding van de dieraantallen gemoeid met de uitbreiding van het stalvloeroppervlak. Voor fijnstof is een ISL3a-berekening uitgevoerd omdat het houden van pluimvee gepaard gaat met een relatief grote fijnstofemissie, en een uitbreiding van het oppervlak zou daarmee effecten kunnen hebben op de omgeving. Dit aspect wordt dan ook in de navolgende paragraaf uiteengezet. De bijdrage van pluimvee met betrekking tot NO2 is echter relatief gering 2, en de NO2-concentratie ter plaatse is al laag, daarom wordt een aanvullend NO2-onderzoek niet relevant geacht voor onderhavig initiatief.
2 https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-stikstof/stikstofemissies-naar-lucht
28
5.4.2
Fijnstof (PM10)
Onderhavig initiatief betreft het uitbreiden van het stalvloeroppervlak zonder het uitbreiden van de dieraantallen, derhalve zal er geen toename van emissies plaatsvinden. In bijlage 5 is desalniettemin een ISL3a-fijnstofberekening opgenomen, waar de PM10-concentraties per toetspunt inzichtelijk zijn gemaakt. De fijnstofberekening is opgenomen in bijlage 5 van deze GoFlo. In de navolgende Tabel 2 zijn de rekenresultaten per toetspunt opgenomen. Gevoelig object
Concentratie totaal [microgram/m3]
Bijdrage bron [microgram/m3]
Overschrijding [dagen]
Oudeweg 194
13,01
1,02
6,20
Oudeweg 192
12,87
0,88
6,30
Oudeweg 190
12,69
0,70
6,00
Oudeweg 188
12,47
0,48
6,00
Oudeweg 186
12,38
0,39
6,00
Oudeweg 184
12,33
0,34
6,00
Oudeweg 168
12,12
0,07
6,00
Oudeweg 160
12,11
0,06
6,00
Oudeweg 115
12,14
0,09
6,00
Wilderhofsterweg 2
12,13
0,08
6,00
Wilderhofsterweg 4
11,83
0,09
6,00
Oostwoldjerweg 10
12,11
0,06
6,00
Rotmerweg 2
11,85
0,06
6,00
Oostwoldjerweg 19a
11,77
0,09
6,00
Oostwoldjerweg 12a
11,77
0,09
6,00
Oostwoldjerweg 14
11,75
0,07
6,00
Zwaagweg 1
11,66
0,04
6,00
Stolderijweg 2
12,43
0,10
6,00
Hoofdweg 200
12,17
0,02
6,00
(v) Oudeweg 178
12,17
0,12
6,00
Uit de tabel blijkt dat er geen overschrijding is van de toegestane fijnstofconcentraties of van het aantal toegestane overschrijdingsdagen (maximaal 35 keer per jaar). Hiermee is zijn de aspecten luchtkwaliteit en fijnstof geen belemmering voor onderhavig initiatief. BODEMKWALITEIT In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op een bodemgevoelig gebouw.
29
Een bodemgevoelig gebouw wordt in artikel 5.89g van het Bkl beschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Aangezien de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op de realisatie van een stal kan er worden gesteld dat geen er sprake is van een bodemgevoelig gebouw. Omdat er met de ontwikkeling geen sprake is van een realiseren van een bodemgevoelig gebouw of een bodemgevoelige locatie vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor onderhavig initiatief. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. KABELS EN LEIDINGEN In verband met onder andere graafschade moet er bij bouwprojecten worden vastgesteld of de aanwezigheid van kabels en / of (buis)leidingen risico’s met zich meebrengen. Ook zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels voor het hoog- en middenspanningsnet langs het spoor aangewezen (artikel 9.20 Bal). Om te bepalen of er sprake is van enige belemmering voor onderhavig initiatief, door de aanwezigheid van kabels en leidingen, moet de afstand tot de dichtstbijzijnde kabels en leidingen worden bepaald. In navolgende Figuur 5-2 zijn deze kabels en leidingen ten opzichte van de Oudeweg 196 gevisualiseerd. Er liggen geen kabels in de buurt van het projectgebied.
De meest dichtstbijzijnde buisleiding ligt op 22 meter Figuur 5-2. Nabijgelegen kabels en leidingen (bron: afstand in oostelijke richting. De buisleiding ligt op atlasleefomgeving.nl); O = projectgebied redelijke afstand van onderhavig initiatief, de kabels zullen daarom niet in de weg liggen van grondwerkzaamheden en zullen daarom geen belemmering zijn voor het initiatief. EXTERNE VEILIGHEID Eén van de centrale doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de fysieke leefomgeving, waar het gaat om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het Rijk gebruikt verschillende beleidsinstrumenten om omgevingsveiligheid te borgen, zo staan de algemene Rijksregels omtrent externe veiligheid in het Bal als het gaat om regels voor burgers en bedrijven en het Bkl als het gaat om instructie- en beoordelingsregels voor overheden. Dit volgt onder meer uit artikel 2.28 in juncto artikel 2.24 van de Wet. Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de regels voor externe veiligheid. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises.
Voor het plaatsgebonden risico van een activiteit geldt een grenswaarde van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 Bkl). Hier wordt, conform artikel 5.8 eerste lid Bkl, aan voldaan door het in acht nemen van de afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij
30
aangegeven onderdelen van bijlage VII van het Bkl. Hiervoor moet eerst worden bepaald welke omliggende activiteiten relevant zijn voor het plaatsgebonden risico aan de Oudeweg 196 te Siddeburen. De facetten voor externe veiligheid zijn gevisualiseerd in de onderstaande Figuur 5-3. Onderhavig bedrijf is rood omcirkeld.
Figuur 5-3. Externe veiligheid (bron: atlasleefomgeving.nl); O = projectgebied
Onderhavige locatie ligt in de aandachtsgebieden ‘Gifwolkaandachtsgebied’ en ‘Brandaandachtsgebied’. Ook ligt een gebied voor persoonsgebonden risico 10-6 (één op de miljoen per jaar) om de buisleiding ten oosten van het projectgebied. Ook ligt een gebied PR 10-8 (één op de 100 miljoen per jaar) rondom de weg ten zuiden van het projectgebied. Met onderhavig project worden geen kwetsbare of anders beschermde gebouwen of locaties gerealiseerd. Ook worden er geen gevaarlijke stoffen of objecten toegevoegd die PR- of aandachtsgebieden hebben. In de Omgevingsverordening Provincie Groningen is het projectgebied verder gelegen in Veiligheidszone 4. Op basis van artikel 3.155 dient er in te worden gegaan op de volgende aspecten: a. de inventarisatie van de bestaande en de mogelijke, kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties; b. de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit; c. de optimalisering van de vluchtmogelijkheden, waarbij het zowel de ontvluchtingsmogelijkheden van de locatie en ook de vluchtmogelijkheden van de risicobron af betreft. Voorgaand is reeds ingegaan op leden a en b. In het bouwplan, separaat van onderhavige ruimtelijke procedure, worden de vluchtmogelijkheden van de locatie opgenomen.
Derhalve is het aspect externe veiligheid niet belemmerend voor de ontwikkeling.
31
NATUURBESCHERMING De natuurbescherming bestaat uit twee onderdelen. Namelijk de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Onder de Omgevingswet is sprake van een vergunningplicht voor de ‘Natura 2000-activiteit’ (een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en een ‘Flora- & Fauna activiteit’ (een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten). 5.8.1
Gebiedsbescherming
Voor het aspect gebiedsbescherming is het relevant om uit te werken of de ruimtelijke ontwikkeling uitvoerbaar is in relatie tot de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Procedurele wijziging onder de Omgevingswet Inhoudelijk gezien zijn er weinig wijzigingen ten opzichte van het oude recht. Procedureel is er wel een wijziging doorgevoerd, er is geen sprake meer van onlosmakelijke samenhang tussen verschillende vergunningplichtige activiteiten. Dit blijkt onder meer uit de toelichting bij de Wet (p. 162): “[…] het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wabo [is] niet overgenomen in de Omgevingswet. Procedureel wordt hiermee een aanzienlijke vereenvoudiging bewerkstelligd, waarbij een procedurele faseringsvariant geheel overbodig is. Het vervallen van het vereiste heeft geen ongewenste gevolgen. Een handeling is namelijk verboden zolang niet voor alle activiteiten die daar onlosmakelijk deel van uitmaken, een vergunning is verleend. Om bij overtreding te kunnen handhaven, is het vereiste van onlosmakelijke samenhang dus niet nodig. Een aanvrager is er zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen.” …alsmede uit de Nota van Toelichting Aanvullingsbesluit Natuur (p.
460): “In de Omgevingswet is de eis voor één aanvraag voor onlosmakelijk samenhangende activiteiten losgelaten […] Onder de Omgevingswet is de aanvrager er dus zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. Bovendien rust op grond van artikel 3:19 van de Awb op het bevoegd gezag de inspanningsverplichting om een aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen besluiten die ook nodig zijn met het oog op de activiteiten die hij wil verrichten”. Voor de BOPA moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en hiervoor moet o.a. zijn voldaan aan Rijks- en provinciale instructieregels (art. 8.0a, lid 2 en 8.0be Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). In hoofdstuk 5 van het Bkl staan geen instructieregels over natuur en in de Omgevingsverordening zijn deze ook niet opgenomen. Derhalve is het niet noodzakelijk om in de BOPA uit te werken of aan de voorwaarden voor een eventuele vergunning ‘Natura 2000-activiteit’ of Flora- & Fauna activiteit’ wordt voldaan, dit dient namelijk expliciet beoordeeld te worden bij de desbetreffende separate aanvraag. Het is dus ook niet noodzakelijk dat de vergunning Natura 2000-activiteit of Flora- & Fauna activiteit verleend is voordat de vergunning afwijken regels omgevingsplan verleend kan worden.
In het kader van de vergunning afwijken regels
32
omgevingsplan (BOPA-procedure) is het echter wel noodzakelijk om in te gaan op de uitvoerbaarheid. Uitvoerbaarheid De Afdeling (ECLI:NL:RVS:2024:3034, r.o 21.2 en ECLI:NL:RVS:2024:2225 r.o 8.1) stelt voorop dat de vraag of voor het project een natuurvergunningplicht bestaat in beginsel pas aan de orde komt in een procedure op grond van de Wnb. Los daarvan mag het college geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat het gebiedsbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond. Hieruit blijkt dat de BOPA-vergunning enkel geweigerd kan worden wanneer een activiteit op voorhand onuitvoerbaar is. Op basis van de uitspraak van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o 22) dient bij een wijziging van een bestaand project waardoor niet langer sprake is van de voortzetting van één-en-hetzelfde project een voortoets uitgevoerd te worden. Deze voortoets is dus niet noodzakelijk wanneer sprake is van één-en-hetzelfde project. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er een nieuwe stal gebouwd met een overdekte uitloop. Hierdoor wijzigen de emissiepunten en moet er dus een voortoets gedaan worden. Hieruit zal blijken dat er een intern wordt gesaldeerd. Echter kan de vergunde situatie mee worden genomen als mitigerende maatregel.
Uit deze berekening blijkt dat geen verhoging is van de stikstofdepositie. Indien er nog meer mitigerende maatregelen benodigd zijn, zal er extern worden gesaldeerd. Op basis hiervan dient geconcludeerd te worden dat de gewenste ontwikkeling in het kader van de Natura-2000 activiteit uitvoerbaar is en dat de BOPA-procedure voor het aspect natuurbescherming vergunbaar is. Conclusie Op basis van de uitspraak en een separate natuuraanvraag conform het stroomschema van de Raad van State is er namelijk wel zicht op het (uiteindelijk) kunnen verkrijgen van een natuurvergunning. Derhalve dient geconcludeerd te worden dat de gewenste ontwikkeling in het kader van de Natura2000 activiteit niet op voorhand onuitvoerbaar is en dat de vergunning afwijken regels omgevingsplan voor het aspect gebiedsbescherming uitvoerbaar en dus vergunbaar is. 5.8.2
Soortenbescherming
Artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet bepaalt dat het verboden is een flora- en faunaactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder een flora- en fauna-activiteit wordt verstaan: “een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten” (bijlage bij artikel 1.1. Ow). Een ecologisch onderzoek moet uitwijzen of er sprake is van gevolgen voor dieren of planten. Als er negatieve gevolgen zijn, dan houdt dat in dat er sprake is van een floraen fauna-activiteit. Een omgevingsvergunning mag dan alleen worden verleend als het voldoet aan de beoordelingsregels van artikel 8.74 lid j van het Bkl. Aangezien met voorliggend project een nieuw gebouw wordt gerealiseerd en er verharding wordt aangelegd is er sprake van een flora- en fauna-activiteit. Ten behoeve van de ontwikkeling is er zodoende een Quickscan flora en fauna uitgezet bij Fopma NatuurAdvies. Het rapport ‘QuickScan
33
en voortoets voor de locatie Oudeweg 196 te Siddeburen; Rapport FNA 2025-029’ is bijgevoegd in bijlage 6 en de belangrijkste resultaten worden onderstaand overgenomen: “Beoordeling Omgevingswet (Soortenbescherming) Effectenbeoordeling Er zijn geen effecten op soorten met jaarrond beschermde nesten en op soorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied te verwachten. Effecten op jaarrond beschermde soorten (Cat. 1 t/m 5) zijn uitgesloten. Door de bouwwerkzaamheden (met name het bouwrijp maken) kan er wel sprake zijn van verstoring van broedvogels in de omliggende kavels. Om deze reden wordt geadviseerd om het voorzorgbeginsel te hanteren. Periode werkzaamheden (voorzorgsbeginsel) Omdat geen vergunningen worden verleend voor het verstoren van vogels en/of het vernielen van nesten wordt geadviseerd om het bouwrijp maken en het leggen van de fundering voor het broedseizoen (globale richtlijn2 15 maart - 15 juli) uit te voeren of te beginnen na 15 juli. Op deze wijze zijn effecten op vogels met zekerheid uitgesloten. Conclusie Flora- en fauna-activiteit (Omgevingswet) Voor de conclusies aangaande soorten verwijzen wij naar onderstaande tabel [zie bijlage 6, p. 17]. Voor de activiteit is geen Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig mits men rekening houdt met het broedseizoen (zie paragraaf 5.1).
Wij adviseren wel om deze conclusie (het rapport) door het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning (Gemeente Midden Groningen) te laten bevestigen. Eventueel kunt u het ook nog ter beoordeling aan de provincie voorleggen.” Op basis van bijlage 6 en de bijbehorende conclusies kan er worden geconcludeerd dat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief en dat er geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is benodigd. Er wordt rekening gehouden met het broedseizoen. NATUUR NETWERK NEDERLAND (NNN) De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen. De EHS wordt gedefinieerd als ‘het samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen’. Uit deze definitie wordt duidelijk welk doel de EHS moet dienen, namelijk: het duurzaam behouden van ecosystemen die in nationaal of zelfs internationaal opzicht belangrijk zijn. Het middel om dat doel te bereiken is het tot stand brengen van een samenhangend netwerk van natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingen. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur.
34
NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNN het ‘nee, tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNN. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNN vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied – waardoor migratie niet langer mogelijk is – kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden.
Figuur 5-4. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlasleefomgeving)
In de omgeving van het bedrijf zijn enkele natuurgebieden gelegen (zie Figuur 5-6). De planlocatie maakt geen deel uit van het Natuur Netwerk Nederland. Ook wordt het samenhangende netwerk van de NNN-gebieden niet versnipperd. De ligging van het projectgebied en de aard van de werkzaamheden sluiten negatieve effecten op het NNN uit. ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 5.10.1
Archeologie
De Erfgoedwet uit 2016 bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor het behoud en het beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau, zoals die in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt:
35
de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het laatstgenoemde gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Gemeentelijke kaders De bedrijfslocatie is volgende het tijdelijk deel van het omgevingsplan Buitengebied gelegen binnen het gebied ‘Waarde – Archeologie 4’. Volgens artikel 39.2.1. geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m2, waarbij de bodem dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld wordt geroerd, door de aanvrager een archeologisch rapport opgesteld moet worden alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend. Met onderhavig initiatief wordt een bedrijfsgebouw van 2.970 m2 gerealiseerd, met een afmeting van 30,8 bij 96,4 meter. Hoewel de oppervlakte van het bedrijfsgebouw de 200 m2 overschrijdt, zal de grondroering enkel dieper dan 40 centimeter in de grond reiken bij de poeren. Elke 5 meter zal een poer van 1 m2 worden geplaatst. Zodoende worden er maximaal 51 poeren geplaatst, waarmee de grond in de praktijk met slechts 51 m2 wordt geroerd op 45 cm -mv. Hiermee wordt ruimschoots onder de 200 m2 gebleven.
Op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid is er derhalve geen archeologisch onderzoeksrapport benodigd. 5.10.2
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen, en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan monumenten, stads- en dorpsgezichten of cultuurlandschappen. Gemeenten en overige overheidsinstanties zijn via artikel 7 van het Verdrag van Granada verplicht om maatregelen te nemen om de kwaliteit van openbare ruimte rond beschermde monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten en om beschermde cultuurlandschappen te verbeteren. Gemeenten of het Rijk kunnen beschermde stads- en dorpsgezichten aanwijzen. Gemeenten mogen tot het einde van de overgangsfase omgevingsplan gemeentelijke monumenten aanwijzen op basis van de erfgoedverordening. Provincies kunnen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en stads- en dorpsgezichten aanwijzen – door regels in de omgevingsverordening werken deze vervolgens door naar omgevingsplannen. Navolgend wordt er ingegaan op het cultuurhistorisch relevante beleid. Provinciaal cultuurbeleid De Geconsolideerde Omgevingsvisie november 2023 van provincie Groningen heeft, zoals benoemd in paragraaf 4.2.1, het projectgebied gekenmerkt als gelegen in het landschap Centrale Woldgebied en Duurswold. De projectlocatie ligt in het Duurswold, wat het gebied ten zuiden van het Eemskanaal betreft.
Duurswold heeft een grootschalig open landschap met daarin lintdorpen (groene linten) op flauwe zandruggen. Het landschapstype betreft hier een wegdorpenlandschap op een overgang van zand/veen.
36
In het deelgebiedsplan voor Duurswold van de provincie wordt aangegeven dat de landbouw de belangrijkste economische drager voor het gebied is, alsmede de vormgever van het landschap en haar diversiteit. Het gebied is een vruchtbaar gebied met een heldere indeling met goede verkaveling, wat het een aantrekkelijke landbouwlocatie maakt. De landbouw is en blijft in de toekomst de hoofdfunctie in het gebied door maatwerk in het invullen van de opgaven. Daarbij is en blijft het belangrijk voor het behouden van het plattelandskarakter en de uitstraling van het gebied – zo geeft de landbouw in het landelijk gebied een aanzicht van de seizoenen, met bloeiende en groeiende voedselgewassen, die naast een verdienende toekomst voor de agrosectoren, een (bio)divers beeld opleveren en aantrekkelijk zijn voor een verbinding met de bewoners en bezoekers, gezondheid en ruimte.
In dit deelgebied dient volgens de provinciale visie in het bijzonder rekening te worden gehouden met: de grootschalige openheid; de reeksen boerderijen, deels op huiswierden en/of inversieruggen; de Meedenverkaveling in de vorm van sloten en medenlanen in het Centrale Woldgebied; de flauwe glaciale zandruggen met wegdorpen (groene linten) overgaand in grootschalig open landschap in Duurswold; de wegdorpen met boerderij(erv)en (slingertuinen) en soms zware wegbeplanting in Duurswold; de klooster- en kerkterreinen, molens en een borg met landgoedbossen. De Oudeweg langs het projectgebied wordt gekenmerkt door zware wegbeplanting en ten zuiden van de locatie ligt het Grootschalig open landschap. Het groene lint gaat hier over in het grootschalig open landschap. Met onderhavig initiatief wordt de beleving vanaf de Oudeweg zeer miniem aangetast, aangezien de bebouwing in het verlengde van de cluster wordt gerealiseerd en er vanaf de weg al sprake is van afschermende groene elementen. De landschappelijke waarde van de locatie wordt daarbij versterkt op basis van de cultuurhistorische kenmerken van de omgeving, zie het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 2 van deze GoFlo.
Erfgoedverordening gemeente Midden-Groningen Midden-Groningen heeft op basis van de Erfgoedverordening twee beschermde dorpsgezichten aangewezen, het gebied in het centrum van Slochteren rond de Fraeylemaborg en het lintdorp KielWindeweer. Het projectgebied ligt buiten deze beschermde dorpsgezichten. Verder heeft de gemeente een lijst met gemeentelijke monumenten opgenomen 3. Het meest nabijgelegen monument is het object Gereformeerde kerk (architect Buitenkamp en Luxema), nummer 108, aan de Oudeweg 170. Met onderhavig initiatief worden geen monumenten aangetast. De gemeente heeft in het document Lijsten karakteristieke objecten gemeente Midden-Groningen een lijst met karakteristieke agrarische bebouwing (geactualiseerd 2017) opgenomen. Hier is de Oudeweg 196 als volgt opgenomen:
3 https://www.midden-groningen.nl/sites/default/files/2024-
02/Lijst%20gemeentelijke%20monumenten%20Midden-Groningen%20februari%202024.pdf
37
Figuur 5-5: uitsnede karakteristieke waardering Oudeweg 196
In het tijdelijk deel van het omgevingsplan, Buitengebied, is de bestaande bebouwingscluster voorzien van de functieaanduiding Waarde – Cultuurhistorie – Karakteristiek. Op basis van artikel 40.2 is het dan ook verboden om hier de bebouwing te wijzigen. De beoogde stal wordt buiten deze aanduiding gerealiseerd, echter zal er wel worden aangesloten bij de cultuurhistorisch relevante bebouwingskenmerken, onder meer verwijzend naar de karakteristieke kleurstelling, bouwvorm en materialen. Conclusie Op basis van het provinciaal en gemeentelijk aangewezen erfgoed en de bijbehorende kenmerken kan worden geconcludeerd dat met onderhavig initiatief wordt aangesloten bij de relevante cultuurhistorische kenmerken en dat deze in zekere mate worden versterkt. Concluderend is het aspect cultuurhistorie niet belemmerend voor onderhavig project. WATER Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, dit heeft ook invloed gehad op de waterwetgeving. De weging van het waterbelang (eerst: watertoets) is als instructieregel voor overheden vastgelegd in het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) en luidt: “in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en daarbij worden de opvattingen van de waterbeheerder betrokken”.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. In hoofdstuk 4.2 van deze onderbouwing is reeds het waterbeleid op Rijksniveau besproken. Navolgend zal er in worden gegaan op de resultaten van de weging van het waterbelang en de regels van de Waterschapsverordening Hunze en Aa’s. 5.11.1
Weging van het waterbelang
Door het doorlopen van de weging van het waterbelang wordt er een wateradvies van het waterschap gegeven. Het wateradvies helpt om aan de hand van de locatie van een ruimtelijk initiatief en een
38
aantal vragen te toetsen of de belangen van het waterschap worden geraakt. Indien dit het geval is krijgt de initiatiefnemer tekst en uitleg over het vervolgproces. Op 3 september 2025 is de weging van het waterbelang doorlopen, het wateradvies is opgenomen in bijlage 7. Uit de wateradvies blijkt dat de normale procedure van toepassing is op onderhavig project, zo blijkt uit de volgende tekstsnede: “Via de digitale watertoets is het Waterschap op de hoogte gesteld van dit plan. De aanmelding heeft ertoe geleid dat er eigendommen van het waterschap en/of belangen in het watersysteem zijn geraakt. De normale procedure wordt doorlopen. Dit houdt in dat het waterschap een maatwerk wateradvies levert, in de vorm van de uitgangspuntennotitie.” Ten behoeve van onderhavige ruimtelijke procedure heeft een weging van het waterbelang plaatsgevonden in de vorm van een wateradvies in de Uitgangspuntennotitie Watertoets, zie bijlage 8. Het wateradvies wordt gebruikt voor het opstellen van onderhavige waterparagraaf. Tot de vaststelling van het ruimtelijk initiatief wordt de waterbeheerder betrokken bij het proces. Hiermee worden de belangen van de waterbeheerder geborgd. 5.11.2
Waterschapsverordening Hunze en Aa’s
De Waterschapsverordening wijst beperkingengebieden aan waarbinnen vergunningplichten kunnen gelden voor bepaalde activiteiten. Aan de te realiseren stal grenst een beperkingengebied schouwsloot (buiten het beperkingengebied waterkering) en een beperkingengebied waterstaatswerk met uitzondering van overige oppervlaktewaterlichamen (buiten een primaire waterkering). De stal valt net buiten deze beperkingengebieden, zie figuur 5-6, waardoor artikel 2.43 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) niet van toepassing is.
Figuur 5-6: beperkingengebied oppervlaktewater ten opzichte van het beoogde bedrijfsgebouw
Artikel 2.44 betreft de algemene regels voor het lozen van hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak. Wanneer het aanbrengen van verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer brengt op een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam met uitzondering
39
van overige oppervlaktewaterlichamen wordt voldaan aan de artikelen 2.45 tot en met 2.47 als een voorziening met bergend vermogen wordt aangelegd en in verbinding wordt gebracht met het watersysteem én als er meer dan 1.500 m2 verhard oppervlak in overig gebied wordt aangelegd (artikel 2.44, eerste lid, sublid a). Uit artikel 2.47, eerste lid, blijkt dat er aan de waterbergingsopgave wordt voldaan in het watertoetsadvies die door het waterschap is berekend en is opgenomen in het omgevingsplan of projectbesluit van de gemeente. Als geen waterbergingsopgave is berekend in een watertoetsadvies, dan wordt per m2 toename van verhard oppervlak een voorziening met bergend vermogen aangebracht van 80 liter. Ten behoeve van de watercompensatie wordt het watersysteem gewijzigd. Hiervoor wordt separaat van onderhavige ruimtelijke procedure een watervergunning aangevraagd. 5.11.3
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Oppervlaktewater systeem Het projectgebied ligt binnen het peilgebied waar een zomer- en winterpeil gehanteerd wordt van NAP -3,10 meter en NAP -3,60 meter. Langs de oostzijde van het plangebied loopt een schouwsloot die in noordelijke richting afwatert, de ‘overige’ sloot aan de zuidzijde van het plangebied watert af via deze schouwsloot. Ook de schouwsloot ten westen van het plangebied watert af in noordelijke richting. De schouwsloot langs de oostzijde van het plangebied is in het verleden bij uitbreiding van de stallen met uitlopen gedempt. Deze sloot dient één op één teruggebracht worden zodat de afwatering en het waterbergend vermogen hersteld wordt. Dit wordt vergunningtechnisch in de separate waterprocedure geregeld. Wel wordt dit oppervlak meegenomen in de verdere uitwerking in onderhavige waterparagraaf. Compenserende waterberging Wanneer sprake is van een toename van verhard oppervlak (>1.500 m2 in het buitengebied), is compenserende waterberging en/of vertraagde afvoer en/of infiltratie benodigd. Hiermee wordt gecompenseerd dat hemelwater versneld tot afstroming komt. De te realiseren stal F beslaat samen met de bijbehorende bouwwerken een verhard oppervlak van 3.147 m2. Daarbij wordt ten zuiden van de stal een verhardingsstrook aangelegd met een oppervlak van va. 437 m2.
Hiermee is de totale toename van verhard oppervlak door middel van onderhavig project 3.584 m2. Daarnaast zijn er eerder uitlopen gerealiseerd met een totale oppervlakte van 1.025 m2. Totaal wordt er dus gekeken naar een toename van verharding van 4.609 m2. Het voornemen van initiatiefnemer is om dit te realiseren door de schouwsloot aan de westzijde van het bedrijf te verbreden. Figuur 5-7 betreft een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan betreffend het compenserend wateroppervlak:
40
Figuur 5-7: watercompensatie (bron: LIP)
De totale verhardingstoename voor het project bedraagt, samen met de nog te compenseren overdekte uitlopen, 4.609 m2. Op basis van de nieuwste klimaatscenario’s van het KNMI in een maatgevende situatie (100mm neerslag in 12 uur) wordt een noodzakelijke 3 waterbergingscompensatie van 421 m bepaald. Vervolgens mag het water vertraagd weer tot afvoer komen met een volume van 1,5 liter/seconde/hectare. Voor de waterbergingscompensatie is er, rekening houdend met de laag gelegen gebieden binnen het peilgebied, een schijf beschikbaar van 0,90 meter ten opzichte van het winterpeil. In toevoeging tot het voorgaande moet ook nog 132 meter aan slootlengte één op één worden gecompenseerd. Dit leidt tot de volgende formule:
540 ÷ (480 × 0,90) ≈ 1,25 𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚𝑚
Derhalve wordt de bestaande schouwsloot aan de westzijde met 1,25 meter verbreed. Hiermee wordt voldaan aan de waterbergingsopgave en wordt de oude demping gecompenseerd. 5.11.4
Waterveiligheid en waterkwaliteit
Het projectgebied ligt in een overstromingsgevoelig gebied. In deze gebieden worden gebouwen bij voorkeur op hogere locaties gebouwd. Voor onderhavige locatie kan op basis van de AHN4hoogtekaart worden afgelezen dat er sprake is van een zeer flauwe opwaartse helling richting het noorden. De beoogde stal wordt op de hoogst mogelijke locatie gebouwd.
41
Verder is er in het bedrijf sprake van een hoge biosecurity en erfhygiëne – er worden geen vervuilende of bodem- of waterverstorende stoffen uitgelopen op het erf omdat er ander schoeisel in de stallen wordt gebruikt. Daarbij is uitloging van materialen niet te verwachten omdat er gebruik wordt gemaakt van CE-gecertificeerde bouwmaterialen. Hierdoor wordt vervuiling van het oppervlaktewater zoveel mogelijk voorkomen. 5.11.5
Aanvullende belangen waterschap
Het beheergebied van het waterschap Hunze en Aa's wordt gekenmerkt door drie verschillende vormen van bodemdaling, namelijk; door gaswinning, door zoutwinning en door veenoxidatie. Bodemdaling door gaswinning heeft lokaal geen grote invloed op het functioneren van het watersysteem, maar regionaal dient het watersysteem hierop wel maatregelen te treffen. Bodemdaling door zoutwinning en veenoxidatie kunnen wel tot lokale maatregelen leiden in het watersysteem. De Oudeweg 196 ligt in een gebied waar sprake is van bodemdaling door gaswinning. Het verbreden van de schouwsloot aan de westzijde van het perceel draagt bij aan een robuuster watersysteem en helpt bij het beperken van bodemdaling. Door de grotere capaciteit van het watersysteem kan meer water worden vastgehouden in natte perioden, waardoor het grondwaterpeil in de omliggende percelen stabieler blijft. Dit vermindert bovendien de kans op veenoxidatie. Daarnaast zorgt de extra ruimte voor een betere afvoer bij piekbuien, waardoor peilen minder extreem hoeven te worden verlaagd en het watersysteem flexibeler kan inspelen op droogte en neerslag. Het aanplanten van een bomenrij langs de schouwsloot (zie bijlage 2) draagt verder bij aan een betere bodemstructuur en waterinfiltratie. Door het wortelstelsel wordt de bodem losser en ontstaan meer poriën, waardoor regenwater beter infiltreert en piekafvoer wordt beperkt.
Dit helpt om grondwater aan te vullen en droogte te mitigeren. Daarnaast biedt een bomenrij ecologische meerwaarde – het creëert schaduw, vermindert verdamping, en vormt daarbij een leefgebied voor vogels, insecten en andere fauna. Zo versterkt deze maatregel zowel de waterhuishouding als de biodiversiteit in het agrarisch landschap. Conclusie waterparagraaf Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de weging van het waterbelang. Onderhavige waterparagraaf borgt in combinatie met de separate watervergunningprocedure de belangen van de waterbeheerder. MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (MER) In deze paragraaf komt aan de orde of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. De merplicht kan worden afgeleid uit paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Uit artikel 11.6 Ob volgt dat de aanwijzing van mer-(beoordelings)plichtige projecten in Bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt beschreven. Kolom 1 van Bijlage V Ob geeft de omschrijving van het project, bij A1 is dat 'Installaties voor intensieve veehouderij'. Worden de drempels genoemd in kolom 2 overschreden, dan geldt een directe mer-plicht. Valt het project onder de genoemde drempels in kolom 2, dan gelden de vereisten in kolom 3 en moet er een mer-beoordeling worden opgesteld.
42
In kolom 4 van categorie A1 staat het besluit waar de mer-verplichtingen voor gelden, zijnde 'de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit'. Dat wil zeggen dat bij deze vergunning de mer-verplichtingen uit kolom 2 en/of 3 van toepassing zijn, bij andere te nemen besluiten dus niet. Onderhavige GOFLO is onderdeel van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) dit is geen omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. De BOPA staat bij categorie A1 niet in kolom 4 en derhalve hoeft er voor de BOPA geen mer(beoordeling) te worden opgesteld. De mer-verplichting geldt enkel voor de vergunning voor de milieubelastende activiteit.
43
UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De gronden waarop de gewenste ontwikkelingen plaatsvinden, zijn in eigendom van initiatiefnemer. De realisatie vindt plaats voor rekening en risico van initiatiefnemer en kent derhalve geen financiële consequenties voor de gemeente. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. De kosten welke verbonden zijn aan het doorlopen van de noodzakelijke procedures worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Mogelijke nadeelcompensatie is eveneens voor rekening van initiatiefnemer. Overigens is het niet de verwachting dat er sprake is van nadeelcompensatie. De (ruimtelijke) uitbreiding van het bedrijf aan de Oudeweg 196 te Siddeburen zorgt namelijk niet voor een beperking van de activiteiten uitgevoerd door (agrarische) bedrijven en burgerwoningen in de omgeving. Bovendien is het aantal omwonenden beperkt. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1
Participatie
De raad van de gemeente Midden-Groningen heeft in oktober 2025 een leidraad participatie MiddenGroningen opgesteld en een Beleidskader verplichte participatie vastgesteld. Hieruit blijkt dat de er voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een verplichte participatie geldt. De gemeente Midden-Groningen heeft vier niveaus voor participatie opgesteld: meeweten, meedenken, meedoen en meebeslissen. Uit het Beleidskader verplichte participatie blijkt dat onderhavig initiatief valt onder meedenken. Op dit niveau is het de bedoeling dat belanghebbenden mee worden genomen in het proces waarbij ze kunnen raadplegen en adviseren. Ten behoeve van de participatie zijn belanghebbenden dan ook vroeg in de ruimtelijke procedure meegenomen. Initiatiefnemer heeft met omwonenden de beoogde plannen besproken en heeft hen de kans gegeven om mee te denken over het initiatief. Hierbij heeft initiatiefnemer de situatietekening (bijlage 1) en landschappelijke inpassing (bijlage 2) inzichtelijk gemaakt. Hierdoor konden de omwonenden een goed beeld krijgen bij de nieuwbouw. Initiatiefnemer heeft een korte uitleg gegeven over waarom hij zijn bedrijf verder wilt ontwikkelen en over het Beter Leven ster 1 keurmerk. De reactie van de omwonenden was begripvol en positief. In bijlage 9 hebben de betrokkenen een handtekening gezet. 6.2.2
Normale vooroverleg met provincie en waterschap
Voorliggend plan wordt in het kader van het wettelijke vooroverleg voorgelegd aan het Waterschap Hunze en Aa’s, provincie Groningen en de Omgevingsdienst. 6.2.3
Procedure
Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) geldt doorgaans de reguliere procedure. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Omgevingswet dat bij de verlening van omgevingsvergunningen zoveel mogelijk de reguliere procedure wordt gevolgd. De
44
beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is er bezwaar en beroep mogelijk.
45
CONCLUSIE Op basis van de voorgaande toetsing aan het beleid op verschillende schaalniveaus, alsmede aan de verscheidene aspecten van de fysieke leefomgeving, kan er worden geconcludeerd dat er met onderhavig initiatief sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal).
46
BIJLAGE 1: SITUATIETEKENING
47
SITUATIE kadastrale gemeente:
Slochteren
sectie:
T
362
schaal:
1 : 2000
nr:
perceel bouwvlak ontwerp bestemmingsplan 2021-04-22
1.14
ha
gebouw bestaand gebouw nieuw bedrijfswoning omliggende bebouwing
erfverharding erfverharding nieuw
F
E
C
B 194
A 196
192
TEKENING NIET GESCHIKT VOOR UITVOERING Situatie Oudeweg 196 te Siddeburen
Mts. Hammenga Oudeweg 196
Con
9628 CJ Siddeburen projectno.
rweg
188
Postbus 396
Eelshuize
190
186
D
6710 BJ Ede
002766-01
adviseur
BD
getekend
AW
datum
7 mei 2025 RH
wijz. a
3 september 2025 RH
cepb t c schaal
1 : 2000
formaat
A3
bladnr.
Si-1
Tel. 0318 - 675 400 E. info@agra-matic.nl 20250903_002766-01_Hammenga_Si-01.vwx
© 2025 alle rechten voorbehouden
BIJLAGE 2: LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
48
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125
(print op A3)
LIGGING Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Siddeburen. Zie de markeringen in de uitsnede van de topografische kaart hieronder en de luchtfoto rechts.
plangebied
plangebied Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
1
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125 lange slagen in de veenontginning
HISTORIE - 1908
(print op A3) grillige verkavelingen
In 1908 werd een hoeve en een boomgaard aan de zuidkant van het plangebied gekarteerd. De ten noorden hiervan gelegen delen van het plangebied waren in gebruik als grasland. Het plangebied maakte deel uit van een door langgerekte verkaveling gekenmerkte ontginningslandschap. Ten oosten hiervan bevond zich een door grillige verkavelingen gekenmerkte oudere ontginning. Ten westen van het plangebied bevonden zich in 1908 al clusters van bebouwde erven. karakteristiek De landschappelijke context is te kenschetsen als een oudere ontginning op de overgang van zand naar veen. Kenmerkend voor dit gebied is een hoge mate van openheid. Bebouwde erven worden van oudsher aangetroffen op inversieruggen of oeverwallen. Kenmerkende elementen voor de omzoming van bebouwde erven zijn; a) hagen, boomgaardjes, bomengroepen of solitaire bomen nabij de hoeve, b) de openheid met restbosjes, overgebleven solitaire bomen of bomenrijen in het veld. Zie de uitsnedes van de topkaart uit 1908 hieronder en de projectie in de luchtfoto rechts.
uitsnede topkaart 1908
Topkaart 1908; boomgaard, hoeve, grasland Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
2
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125
(print op A3)
HISTORISCHE ONTWIKKELING Tot in de zestiger jaren verandert er relatief weinig in het plangebied en zijn context. Het plangebied zelf wordt in 1962 als grasland benut, omliggende gronden zijn grotendeels als akkerland in gebruik. In de loop van de zeventiger jaren wordt een ruilverkaveling doorgevoerd en wordt een aardgaswinning ten noorden van het plangebied gerealiseerd. Bij de aardgaswinning wordt een bosje aangeplant, ten zuidoosten van het plangebied wordt een strook bos aangeplant. In 1982 wordt het plangebied als akkerland benut. Zie karteringen uit 1962 en 1982 rechtsboven. In de loop van de negentiger jaren wordt een pluimveestal ten noorden van de hoeve gerealiseerd. In de loop van de 21ste eeuw wordt een 2e stal gebouwd. In de navolgende jaren worden de stallen van overdekte uitlopen voorzien. Zie de uitsnedes van de topografische kaarten uit 1995 en 2015 rechtsonder. 1962 weinig verandering
1982 gaswinning en bosje, ruilverkaveling, bos
1995 pluimveestal
2015 tweede pluimveestal
conclusie Tot in de periode na de Tweede Wereldoorlog veranderde relatief weinig. In de loop van de zeventiger jaren werd het gaswinningsstation gerealiseerd. Bij het station werd een bosje aangeplant, ten zuidoosten van het plangebied werd een strook bos aangeplant. In de omgeving van het gasstation werd een ruilverkaveling doorgevoerd. Het plangebied werd als akkerland benut. Rond de eeuwwisseling werden pluimveestallen gebouwd en vervolgens voorzien van overdekte uitlopen. Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
3
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125
(print op A3)
WEGDORPENLANDSCHAP In de kwaliteitsgids van de provincie Groningen wordt de context van het plangebied gerangschikt in de zone centrale Wolden Duurswold. Meer specifiek is de context te kenschetsen als het wegdorpenlandschap. Betreffende de voor dit gebied aangereikte kernkarakteristieken zijn met name de navolgende zaken te benoemen; inversiewelvingen, het harde contrast tussen de groene linten en de grootschalige openheid, rationeel ingerichte agrarische gebieden.
kernkarakteristieken
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
4
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125 a) bebouwing en beplanting op buurerven
HUIDIG RUIMTELIJK KADER
(print op A3)
b) gasstation
Het plangebied is gelegen in een door openheid gekenmerkt agrarisch landschap. Het ruimtelijk kader wordt gevormd door navolgende elementen; a) de bebouwing en beplanting op de westen, zuiden en oosten gelegen bebouwde erven, b) installaties op het terrein van het gasstation, c) de bomenrijen langs de Oudeweg en de Oostwoldjerweg, d) ten westen, noorden en zuidoosten gelegen groensingels en bosjes. Zie de markeringen in de luchtfoto rechts.
c) bomenrijen
d) groensingels en bosjes
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
5
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125
(print op A3)
b) Wilderhofsterweg en Stolderrijweg
BELEVING Betreffende de ruimtelijke beleving is een onderscheid te maken in de beleving; a) in de benadering en tijdens de passage over de Oudeweg zelf, b) over grotere tot grote afstand vanaf de ten westen gelegen Wilderhofsterweg en in een doorkijk vanaf de ten oosten gelegen Stolderrijweg, c) over grotere afstand vanaf de ten zuidoosten gelegen Eelshuizerweg en de ten zuiden gelegen Oostwoldjerweg. Zie de markeringen in de luchtfoto rechts en de fotos op de navolgende pagina.
a) Oudeweg
c) Oostwoldjer weg en Eelshuizerweg
Ir Guido W.F.M. Paumen, Tuin- & landschapsarchitect Bnt Haarenerstrasse 38, 52525 Waldfeucht Duitsland T +31-475-430684 M +31-6-51852937 +49-2455-398401 www.guidopaumen.com guido@guidopaumen.com
6
Landschappelijke inpassing ‘OUDEWEG 196' Oudeweg 196, 9628 CJ Siddeburen - PNR 9628CJ-111125
(print op A3)
3D NABIJ EN TER HOOGTE VAN 1,2) Komend uit het westen is naarmate men het plangebied nadert een zicht op de oude hoeve mogelijk. Nabij het plangebied toont zich en huisweitje en de achterliggende bedrijfsgebouwen. 3,4) Komend uit het oosten is in de benadering gedurende langere tijd een zicht op de oostkant mogelijk. De oude hoeve met de kenmerkende dakbedekking is beeldbepalend, de stallen tonen zich ondergeschikt door kleurstelling, maat- en schaal. Zie de foto’s rechts en de markeringen in de luchtfoto hieronder.