05. Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1
Aanmeldnotitie m.e.r.- beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Inhoud 1.
M.E.R.-BEOORDELING ................................................................................................... 3
2.
INITIATIEF .................................................................................................................... 6 2.1 2.2 2.3 2.4
3.
KENMERKEN VAN HET PROJECT .................................................................................... 7 3.1 3.2 3.3
4.
AARD EN OMVANG ................................................................................................................................. 7 VERGUNDE SITUATIE .............................................................................................................................. 7 BEOOGDE SITUATIE ................................................................................................................................ 7
PLAATS VAN HET PROJECT ............................................................................................ 9 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
5.
INITIATIEFNEMER ................................................................................................................................... 6 ACTIVITEIT ............................................................................................................................................. 6 PLAN ...................................................................................................................................................... 6 TE NEMEN BESLUIT................................................................................................................................. 6
PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING............................................................................................... 9 BESTEMMINGSPLAN ............................................................................................................................... 9 WOONOMGEVING ................................................................................................................................. 11 WAV-GEBIEDEN ................................................................................................................................... 12 NATURA 2000-GEBIEDEN ..................................................................................................................... 13 GRONDWATERBESCHERMINGS- EN WATERWINGEBIEDEN..................................................................... 14
EFFECTEN OP HET MILIEU ........................................................................................... 15 5.1 LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................ 15 5.1.1 Geur ................................................................................................................................................ 16 5.1.2 Fijnstof ............................................................................................................................................ 17 5.2 AMMONIAK .......................................................................................................................................... 18 5.2.1 Directe ammoniakschade ................................................................................................................ 18 5.2.2 Stikstofdepositie / Natura 2000 ....................................................................................................... 18 5.3 VOLKSGEZONDHEID ............................................................................................................................. 19 5.4 GELUID EN VERKEER ............................................................................................................................
20 5.5 FLORA EN FAUNA ................................................................................................................................. 20 5.6 BODEM ................................................................................................................................................. 20 5.5.1 Mest ................................................................................................................................................. 20 5.5.2 Afvalwater ....................................................................................................................................... 20 5.7 ENERGIE ............................................................................................................................................... 20 5.8 NATUURLIJKE HULPBRONNEN .............................................................................................................. 21 5.9 BIJZONDERE RISICO’S ........................................................................................................................... 21 5.10 CUMULATIE VAN EFFECTEN.................................................................................................................. 21
6.
KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT ............................................................... 22 6.1
CONCLUSIE........................................................................................................................................... 22
BIJLAGEN............................................................................................................................ 24
Hoeve Advies
2
leefoppervlak krijgen. Het aantal vleeskuikens neemt niet toe; hij houdt ze in een lagere bezetting en de dieren krijgen de beschikking over een overdekte scharrelruimte (wintergarten). Naast het houden van 60.000 st. vleeskuikens wil ook de mogelijkheid hebben om 38.000 st. (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok, jonger dan 19 weken, te huisvesten, maar niet gelijktijdig (wisselvergunning).
Beoordeling Het verlengen van beide stallen en de aanbouw van overdekte scharrelruimte en het wijzigen van de Rav-diercategorieën wordt het gezien als het oprichten/wijzigen/uitbreiden van twee (nieuwe) installaties (stallen) voor 60.000 st. vleeskuikens dan wel 38.000 st. opfokvleeskuikenouderdieren. Dat zijn meer dan 40.000 st. vleeshoenders en daarmee valt het initiatief onder de m.e.r.beoordeling en dient een Aanmeldnotitie te worden voorgelegd. De drempelwaarde van 85.000 st. wordt niet overschreden. Een m.e.r.-plicht is daarom niet aan de orde. Voordat de omgevingsvergunning voor milieu en bouw wordt ingediend dient het college van B&W van de gemeente Midden Groningen een afweging te maken of er aanleiding is een milieueffectrapport op te laten stellen, voordat de aanvraag kan worden ingediend. De toets op de m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. nodig; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapport worden opgesteld dan wel een m.e.r. worden doorlopen. Diepgang van de m.e.r.-beoordeling Welke diepgang moet een m.e.r.-beoordeling hebben? Dit is een cruciale, maar niet in algemene zin te beantwoorden vraag.
De benodigde diepgang hangt af van: de aard van de voorgenomen activiteit; de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; de mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden. Voor de m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud: Een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit. Wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies, verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? Wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? Zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? Waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de m.e.r.-beoordeling 'ontaardt' in een uitgebreid onderzoek naar mogelijke milieugevolgen! Een algemene aanbeveling is dan ook: hou het zo kort en bondig als verantwoord is!
Hoeve Advies
4
Inhoud van de m.e.r.-beoordeling Met betrekking tot de inhoud ('wat moet er in de m.e.r.-beoordeling worden onderzocht?') moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Deze richtlijn gaat uit van een beschrijving t.a.v. de 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect Besluit-m.e.r. en Plan-m.e.r. De aanmeldnotitie wordt ingediend in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning bouw en milieu. Het college dient een besluit te nemen dat er al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld voordat de omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting kan worden ingediend. Een beoordeling t.b.v. de Plan-m.e.r. is niet aan de orde. Het initiatief past binnen de planregels van het bestemmingsplan en de stallen worden opgericht binnen het bouwvlak. Er is geen bestemmingsplanwijziging nodig waartoe een Plan-m.e.r. toets zou moeten plaatsvinden.
Hoeve Advies
5
4.
Plaats van het project
4.1
Provinciale omgevingsverordening
In art. 2.29.6 is aangegeven dat het vanaf 1 januari 2019 verboden is om een hoofd- of neventak intensieve veehouderij te starten. Ook is het verboden om de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij uit te breiden. Dit is niet van toepassing op het verlenen en gebruik maken van een omgevingsvergunning voor het oprichten van nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen of het aanwenden van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van bestaande gebouwen die leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan de bestaande stalvloeroppervlakte, indien deze omgevingsvergunning: a. noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu; b. ertoe strekt om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten; mits het aantal te houden dieren zoals is vergund niet toeneemt. Het verlengen van de stallen en de aanbouw van overdekte scharrelruimte, wat door de provincie ook als uitbreiding van stalvloeroppervlak wordt gezien, leidt niet tot een toename van dieren en is bedoeld voor vrijwillige leefruimtevergroting en is daarmee vanuit het POV gezien vergunbaar.
4.2
Bestemmingsplan
Het perceel Noorderstraat 25 in Noordbroek maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Dorpen Menterwolde, vastgesteld 30 november 2017. De bestemming is ‘Agrarisch’ met een dubbelbestemming Waarde Landschap en cultuurhistorie en de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De boerderij is aangeduid als karakteristiek. Het gebruik van de kavel blijft overeenkomstig de huidige bestemming. Het verlengen van de stallen vindt plaats binnen het bouwvlak. Het bestemmingsplan schrijft voor dat intensieve veehouderijbedrijven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', niet meer stalvloeroppervlakte mogen hebben dan in het bestemmingplan is vastgelegd (art. 4.1 onder c). Voor Noorderstraat 25 is qua maatvoering een oppervlakte van 2.870 m2 vastgelegd. Bij omgevingsvergunning kan men hiervan afwijken (art. 4.4 onder a). Het stalvloeroppervlakte van een bestaand volwaardig intensief veehouderijbedrijf mag met maximaal 15% toenemen, uitsluitend indien dit noodzakelijk is om daarmee tegemoet te komen aan aangescherpte eisen op het gebied van milieu of wanneer het bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben, mits het aantal dieren, zoals vergund op het moment van de vaststelling van dit bestemmingsplan, niet toeneemt.
De Omgevingsverordening hanteert een bedrijfsomvang van 45.000 vleeskuikens of meer als volwaardig.
Hoeve Advies
9
De gewenste uitbreiding van stalvloeroppervlak overschrijdt de maximaal toegestane 15%. Het aantal kuikens neemt echter niet toe, de uitbreiding van het vloeroppervlak door middel van de aanbouw (wintergartens) en vervangende stalruimte (nieuwe stal) leidt niet tot meer productieoppervlak maar is nodig voor vrijwillige leefruimtevergroting.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Het gebruik van gronden, gebouwen en/of overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten en/of andere stalsystemen vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden is strijdig met het bestemmingsplan (art. 4.5 onder a). Gelet op de afname van ammoniakemissie is er geen strijdig gebruik.
Hoeve Advies
10
De geurbelasting neemt overwegend af en blijft ruim binnen de normen zoals die in de Wet Geurhinder en Veehouderij zijn vastgesteld. Daarmee is de situatie vergunbaar.
5.1.2 Fijnstof De te verlengen stallen moeten vanwege het Besluit huisvesting voldoen aan de max. e.w. voor fijnstof van 16 gram PM10 p.d.p.j. voor zowel vleeskuikens als opfokvleeskuikenouderdieren. Er wordt gebruik gemaakt van warmtewisselaars t.b.v. warmteterugwinning; in de beoogde situatie worden ze structureel gebruikt, niet alleen gedurende de periode dat de stallen worden bijverwarmd maar de hele productieperiode. Daarmee reduceren ze 31% aan fijnstof (E 7.6 BWL2011.02.V6).
NIBM De fijnstofemissie vanuit de inrichting daalt van 1.320,00 kg PM10 naar 910,80 kg PM10 per jaar in geval van vleeskuikens en naar 603,06 kg PM10 in geval van opfokvleeskuikenouderdieren. Omdat er geen toename is leidt verandering niet tot een verslechtering en is de verandering NIBM. NIBM staat voor Niet In Betekenende Mate. Als een project NIBM bijdraagt aan de achtergrondconcentratie, dan is verdere berekening van de concentratie niet nodig. ISL3a De bijdrage vanuit het bedrijf t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. In de worst-case situatie met vleeskuikens is de hoogste fijnstofconcentratie bij de omliggende woningen 14,36 µg/m3. Na aftrek van de 2 µg/m3 aan zeezoutcorrectie geeft dit een netto concentratie van 12,36 µg/m3. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m3 wat is toegestaan. Zonder rekening te houden met de zeezoutcorrectie blijkt het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 ten opzichte van de omliggende woningen dan maximaal 6,1 dagen te zijn. Na aftrek van de 2 correctiedagen is de netto overschrijding 4,1 dagen t.o.v. het meest gevoelig te beschermen object. Dat is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is een fractie van 14,36 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waardes zelf.
Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale waarde van 25,0 µg/m3 blijft, en voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit.
Cumulatie In bepaalde gevallen is het verplicht om bij de toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. De ISL3a-berekening gaat hetzelfde als bij het berekenen van een enkele veehouderij. Het verschil is dat bij de invoer van bronnen niet alleen de bronnen van de te beoordelen veehouderij worden ingevoerd, maar van alle veehouderijen met een relevante emissie binnen 500 meter. Deze uitgebreide berekening is alleen verplicht bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale emissie van fijn stof van meer dan: 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3, of 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie.
Hoeve Advies
17
De relevante omliggende veehouderijen die ingevoerd moeten worden zijn beperkt tot de veehouderijen met een emissie fijn stof van: minimaal 500 kg/jaar in het geval de aanvrager ligt in een gebied met achtergrondconcentratie hoger dan 27 µg/m3 minimaal 800 kg/jaar in alle andere gevallen. In het voornemen is sprake van een bedrijf met een emissie van meer dan 800 kg fijnstof en een achtergrondconcentratie van minder dan 27 µg/m3. Er liggen geen andere bedrijven in een straal van 500 m die in de berekening mee genomen kunnen worden; er is geen sprake van cumulatie.
5.2
Ammoniak
Ammoniak kan directe schade opleveren aan specifieke planten in de nabije omgeving van het bedrijf (bijvoorbeeld coniferen), maar kan door middel van depositie ook bijdragen aan indirecte schade op een verder weg gelegen kwetsbaar gebied.
5.2.1 Directe ammoniakschade In de directe omgeving van het bedrijf worden geen gevoelige planten of gewassen geteeld, zoals bedoeld in het Rapport Stallucht en Planten (1981).
5.2.2 Stikstofdepositie / Natura 2000 Het dichtstbijzijnde natuurgebied, het Leekstermeergebied, ligt op ca. 11 km van de inrichting. Het daaropvolgende gebied, de Waddenzee, op 15 km. Gelet op de afstand ligt een directe invloed niet voor de hand maar er is wel sprake van een indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie. Op 29 mei 2018 is door Provincie Groningen een pré-PAS vergunning verleend in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet). De verleende vergunning is onherroepelijk en nog steeds van kracht. De Nb-wetvergunde emissie uit 2018 op basis van de actuele emissiefactoren voor ammoniak is 4.080,00 kg NH3. De in december 2019 gepubliceerde nieuwe beleidsregels intern en extern salderen stellen dat de gerealiseerde stalcapaciteit maatgevend is; beide stallen zijn vergund en in gebruik; er is geen latente ruimte; wel wordt in de beleidsregels de emissie t.b.v. de referentie teruggezet op de max. e.w. van het Besluit huisvesting. Met inachtneming van de beleidsregels daalt de ammoniakemissie in de beoogde situatie naar ten hoogste 2.926,00 kg NH3 (bij opfokvleeskuikenouderdieren) en zal de emissie in geval van vleeskuikens niet hoger zijn dan 1.260,00 kg NH3 per jaar. Het plan wat nu voor ligt leidt tot een afname van minimaal 1.154,00 kg NH3 per jaar en leidt tot een lagere ammoniakemissie. Uit de Aerius verschilberekening (zie bijlage) t.o.v.
de Wnb-vergunde referentiesituatie op grond van de nieuwe beleidsregels blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie is (provinciaal beleidskader); er ontstaat geen depositietoename dus geen verslechtering. Vooruitlopend op de omgevingsvergunning zal separaat een wijziging op de Nb-wetvergunning van 29 mei 2018 worden gevraagd, zodat de gemeente is vrijgesteld van een VVGB in het kader van de Wet Natuurbescherming.
Hoeve Advies
18
5.3
Volksgezondheid
Bio-aerosolen als endotoxine en zoönosen vormen mogelijk een risico voor de gezondheid. Endotoxinen zijn kleine onderdelen van micro-organismen die luchtwegirritatie en ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Zoönosen zijn ziektekiemen die overdraagbaar zijn van dier op mens. Op dit moment is er wettelijk gezien geen verplichting risicoreducerende maatregelen te treffen. Daarvoor is eerst meer inzicht nodig aan de hand van aanvullende onderzoeken. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Uit de resultaten van het VGO-onderzoek concludeert GGD GHOR Nederland dat emissiereductie van fijnstof als drager van bio-aerosolen gezondheidsschade kan beperken, in ieder geval bij pluimveebedrijven. De maatregelen die neemt om risico’s op aantasting van de volksgezondheid te voorkomen, hebben betrekking op de keuze van het stalsysteem, het gebruik van fijnstofreducerende techniek en het nemen van preventieve maatregelen.
Stalsysteem Alle stallen zijn voorzien van emissiearme huisvesting E 5.11 BWL 2010.13.V7. Door het gebruik van warmtewisselaars en circulatieventilatoren is de ammoniakemissie heel laag. Fijnstofreducerende maatregelen De wisselaars voldoen bij structureel gebruik ook aan de criteria van E 7.6 BWL2011.02.V6 waardoor de emissie met 31% wordt gereduceerd wat resulteert in een uitstoot van 15,2 gram PM10 per vleeskuiken of 15,9 gram PM10 per opfokvleeskuikenouderdier per jaar. Preventieve maatregelen Om het risico op insleep van ziekten zoveel mogelijk te voorkomen is het bedrijf zo opgezet en uitgevoerd dat geen vreemden van buiten in de stallen hoeven en kunnen komen. Voor degenen die wel in de stallen gaan, gelden strikte hygiëneregels. Algemene hygiëne-maatregelen ter preventie van dierziekten: Geen toegang voor onbevoegden Deuren op slot als pluimveehouder niet in de stal is Hygiënesluis/omkleedruimte per stal bij binnenkomst t.b.v.
het aantrekken van bedrijfskleding en –schoeisel, wasbak beschikbaar om handen te wassen Douche beschikbaar voor dierenartsen en erfbetreders die ook met andere pluimveebedrijven in aanraking komen Inzet van geënte jonge kuikens (weerstand) Ongediertebestrijding (om overdracht van ziektekiemen te voorkomen) Gekoelde opslag van kadavers Nadat de dieren zijn afgeleverd wordt de stal (nat) gereinigd en ontsmet Algemene bedrijfsmaatregelen met het oog op goede gezondheidsstatus: Deelname IKB (tracking en tracing t.a.v. veevoer, diermateriaal, medicijngebruik, hygiëne, diertransport) Dierenarts ziet toe op gezondheidsstatus Dagelijkse controle van dieren in de stal Stalklimaat middels klimaatcomputer aangestuurd
Hoeve Advies
19
Uitgebalanceerde diervoeding in overleg met voerleverancier Goed leefklimaat voor de dieren in de stal (mechanische ventilatie, klimaatcomputer, geïsoleerde stallen)
De redelijke afstand van de locatie tot omwonenden, tot andere veehouderijbedrijven en andere (intensieve) veehouderijen, het feit dat er alleen vleeskuikens worden gehouden dus niet in combinatie met varkens en de strikte hygiëne en preventieve voorzorgsmaatregelen die genomen worden, maken dat de getroffen maatregelen voldoende zijn om een uitbraak van een (pluim)veeziekte zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee het risico op een negatief effect op de volksgezondheid van omwonenden tegen te gaan.
5.4
Geluid en verkeer
Het pluimveebedrijf ligt in een landelijk gebied met veel agrarische activiteiten. De stallen staan op redelijke afstand van omliggende woningen. Het verlengen van de stallen vindt plaats achterop de kavel. Het aantal dieren neemt niet toe en het aantal verkeersbewegingen neemt af omdat er minder ronden per jaar worden ingezet (langere aanhoudingsduur dan reguliere kuikens). De ventilatoren zijn voornamelijk achter op de nok van de stallen geplaatst, zo ver mogelijk van de naastgelegen woning af. Er is o.i. geen aanleiding voor een akoestisch onderzoek. Zo nodig zal die bij de milieuaanvraag alsnog worden aangeleverd.
5.5
Flora en Fauna
Het verlengen van de stallen en de aanbouw van de overdekte uitloop vind plaats op het bestaande erf aansluitend aan de bestaande stallen. Er hoeven geen gebouwen te worden gesloopt. Wij verwachten dat de verandering geen storende invloed op flora of fauna heeft van de directe omgeving.
5.6
Bodem
5.5.1 Mest De strooiselmest uit de stallen wordt, zodra de vleeskuikens of opfokvleeskuikenouderdieren afgeleverd zijn, achter de stallen op de mestdichte erfverharding verzameld en met vrachtwagens afgevoerd.
5.5.2 Afvalwater Het spoelwater dat ontstaat bij het (nat) schoonmaken van de stallen wordt opgevangen in spoelwaterputten en vandaaruit periodiek door een loonwerker over het land uitgereden. Het hemelwater komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en is schoon en vrij van bedrijfsafvalwater en voerresten.
5.7
Energie
Bij het inrichten van de nieuwe stallen wordt zoveel mogelijk ‘energiezuinige techniek’ gebruikt om de exploitatiekosten te drukken. Het energieverbruik voor vleeskuikens in de beoogde situatie wordt geschat op 1,1 kW p.d.p.j. dat is ca. 66.000 kWh aan elektra.
Hoeve Advies
20
Een normaal aardgasverbruik bij vleeskuikens is ca. 0,7 m3 p.d.p.j. en met gebruik van warmtewisselaars ca. 0,5 m3 p.d.p.j. De stallen worden met gasgestookte heaters verwarmd. De stallen worden de eerste 3 weken van de ronde verwarmd waarbij vooral in het begin wordt gestookt om de stal op de gewenste temperatuur te brengen. Het gasverbruik wordt ingeschat op ca. 30.000 m3 per jaar. Het waterverbruik voor vleeskuikens is ca. 8,5 l per dier per ronde inclusief reiniging ofwel ca. 3.315 m3 per jaar (leidingwater). Het uiteindelijke energie-, gas- en waterverbruik in geval van opfok-vleeskuikenouderdieren zal hier niet veel van afwijken.
5.8
Natuurlijke hulpbronnen
De bedrijfsvoering heeft geen belastende impact op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem, land, water en biodiversiteit. De locatie ligt op meer dan 13 km afstand van een grondwaterbeschermingsgebied (inclusief waterwingebied).
5.9
Bijzondere risico’s
Bij een normale bedrijfsvoering hoeft niet te worden gevreesd voor extra risico op milieubelasting door ongevallen. I.v.m. het risico op stroomuitval is de elektrische installatie aangesloten op een automatisch startend noodstroomaggregaat. Dit wordt maandelijks getest. Om brand te voorkomen wordt uitsluitend met goedgekeurde installaties gewerkt en zijn de stallen conform het Bouwbesluit gebouwd. Op verschillende plekken in de inrichting zijn brandblussers en nooduitgangen aanwezig. Bij het onverhoopt uitbreken van een veewetziekte zoals bijvoorbeeld vogelpest of MKZ wordt het bedrijf van rechtswege tijdelijk afgesloten. Gedurende die periode mogen er geen dieren het bedrijf verlaten en kan de mest langdurig worden opgeslagen op het land.
5.10 Cumulatie van effecten In de omgeving zijn enkele veehouderijen meer gevestigd, verspreid in het landschap. Deze hebben allemaal hun eigen effect op de omgeving. Ze leveren gelet op de afstand echter geen grote bijdrage aan de achtergrondbelasting van de woningen die voor de toets op het plan van belang is. Er zijn ons geen initiatieven bekend van uitbreiding of bedrijfsontwikkeling in de naaste omgeving die in combinatie met de verandering tot cumulatie van effecten leiden. Doordat het bedrijf van de initiatiefnemer in ruime mate voldoet aan de wettelijke individuele eisen t.a.v. de voorgrondbelasting wordt er voldoende rekening gehouden met het woon- en werkklimaat voor woningen in de directe omgeving.
Hoeve Advies
21
6.
Kenmerken van het potentiële effect
Het verlengen van de stallen en de aanbouw van de overdekte scharrelruimtes voor het houden van 60.000 st. vleeskuikens dan wel 38.000 st. opfokvleeskuikenouderdieren past binnen de wettelijke randvoorwaarden voor milieu en (met afwijking binnen) de regels van het bestemmingsplan. Op grond van zwaarwegende risico’s ten aanzien van het milieu kan het bevoegd gezag een milieueffectrapportage (m.e.r.) vragen. Maar is daar aanleiding toe? De gewenste verandering past binnen de regels van het bestemmingsplan en vindt plaats binnen het bestaande bouwblok. Het aantal dieren neemt niet toe en de geurbelasting blijft hoegenaamd gelijk. In het geval van vleeskuikens daalt de geurbelasting overwegend en neemt de fijnstofemissie en ammoniakemissie af en is de stikstofdepositie beduidend lager dan Nb-wetvergund. In het geval van opfokvleeskuikenouderdieren daalt de geurbelasting aanzienlijk en nemen de fijnstofemissie en de ammoniakemissie af en neemt de stikstofdepositie met in achtneming van de nieuwe provinciale beleidsregels intern en extern salderen niet toe t.o.v. de referentie op basis van de voorliggende Nb-wetvergunning. Er worden fijnstofreducerende maatregelen getroffen en er wordt gebruik gemaakt van emissiearme techniek. De nieuwe stallen krijgen BBT-inrichting en voldoen aan de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting.
De afstand tot omwonenden en beschermde Wav- en Natura 2000-gebieden is ruim voldoende. Er is zicht op een Wnb-vergunning omdat de stikstofdepositie per saldo niet toeneemt. De aspecten van de verandering passen binnen het bestaande gebruik van dit agrarisch buitengebied. Het opstellen van een milieueffectrapport brengt hierin geen verandering en is o.i. dan ook niet nodig.
6.1
Conclusie
Het bevoegd gezag dient op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling een afweging te maken of er wel of geen m.e.r. nodig is. Dit gebeurt op grond van kenmerken van de activiteit, de plaats, de samenhang met andere activiteiten en de milieueffecten. Een project-m.e.r. (milieu) is niet verplicht omdat het niet de drempelwaarde van de C-lijst te boven gaat. De ondernemer weet wat hij wil dus hoeft hij voor zichzelf ook geen verkenning uit te voeren naar diverse scenario’s, waar een m.e.r. ook voor gebruikt zou kunnen worden. Er is voor wat milieu betreft geen bijzonder of storend effect vanuit de inrichting op de naaste omgeving te verwachten. Gelet op de omgeving (agrarisch gebied zonder bijzondere natuurwaarde) en de activiteit die binnen de inrichting plaatsvindt (waarbij is gekozen voor de best beschikbare technieken en op onderdelen beter dan dat) en de acceptabele effecten op de omgeving is er naar onze mening geen dringende reden een m.e.r. te doorlopen. De
Hoeve Advies
22
best beschikbare technieken worden toegepast en de juiste voorzorg wordt genomen om het milieu zo min mogelijk te belasten. Er is op grond van de kenmerken van het project, de plaats en het potentiële effect van de verandering (milieubelasting) geen aanleiding een m.e.r. te verplichten. Gezien de impact op het milieu en de omgeving is er geen dringende of zwaarwegende reden een milieueffectrapport op te stellen en kan de omgevingsvergunning voor bouw en milieu worden aangevraagd.
Hoeve Advies
23
Bijlagen 1. Overzicht geur ammoniak fijnstof 2. Toelichting ammoniak i.r.t. provinciaal beleidskader intern salderen Wnb 3. Stalbeschrijving E 5.11 BWL2010.13.V7 4. Stalbeschrijving E 7.6 BWL2011.02.V6 5. V-Stacks geurbelasting vergunde situatie 6. Gebouw- en ventilatiekenmerken vergund 7. V-Stacks geurbelasting beoogde situatie vleeskuikens 8. V-Stacks geurbelasting beoogde situatie opfokvleeskuikenouderdieren 9. Gebouw- en ventilatiekenmerken beoogd 10. Overzicht XY-coördinaten EP bronnen bedrijf 11. XY-coördinaten en EP-hoogte bronnen bedrijf 12. Schets XY-coördinaten EP bronnen bedrijf 13. Schets XY-coördinaten GGO’s en TBO’s 14. ISL3a-berekening fijnstof vleeskuikens 15. ISL3a-berekening fijnstof opfokvleeskuikenouderdieren 16. Milieutekening beoogde situatie 17. Principebesluit Gem. Midden Groningen 6-6-2018 18. Beschikking Nb-wetvergunning 29-5-2018 19. Aerius verschilberekening op basis van referentie Wnb vs. beoogd vleeskuikens 20. Aerius verschilberekening op basis van referentie Wnb vs. beoogd opfok-vlod
Hoeve Advies
24
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1a
Toelichting op de Aanmeldnotitie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Met 31.500 st. opfokvleeskuikenouderdieren is er geen toename van geur of fijnstof en voldoet de situatie ook aan de max. e.w. van het Besluit huisvesting door toepassing van E 3.7 BWL2011.13.V5 i.c.m. E 7.6 BWL2011.02.V6 waardoor zowel de NH3-emissie alsook de PM10-emissie lager is dan maximaal is toegestaan. Het aantal dieren en de milieubelasting vallen binnen de kaders van het m.e.r.-besluit dat zegt dat er voor de verandering geen milieueffectrapportage nodig is, behalve dat de ammoniakemissie als geheel toeneemt. De gezamenlijke NH3-emissie in de beoogde situatie is ten hoogste 4.063,50 kg NH3 (variant 2) wat lager dan wat op dit moment vergund is (4.080,00 kg NH3) en leidt niet tot hogere N-depositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Voorzover dit een toetsingsgrond is toont de bijgesloten Aerius-berekening aan dat de N-depositie niet toeneemt, hetgeen door de Provincie Groningen middels de VVGB i.k.v. de Wnb zal worden bevestigd met de mededeling dat er voor de verandering geen nieuwe vergunning nodig is. In de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021 (EDLI:NL:RVS:2021:71) heeft de Raad van State vastgesteld dat intern salderen niet langer vergunningplichtig is op grond van de Wnb.
Van intern salderen is sprake als de stikstofeffecten van de nieuwe situatie niet groter zijn dan de stikstofeffecten van de referentiesituatie, dat is de Wnb-vergunning van 29 mei 2018 voor 60.000 st. vleeskuikens met een gezamenlijke emissie van 4.080,00 kg NH3. Besluit huisvesting Het Besluit emissiearme huisvesting hanteert voor vleeskuikens in nieuw te bouwen stallen vanaf 1 januari 2020 een maximale emissiewaarde van 0,024 kg NH3 en 16 gram PM10 per dierplaats per jaar. Voor bestaande stallen opgericht voor 1 juli 2015 geldt enkel een maximale emissiewaarde van 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar. Voor opfokvleeskuikenouderdieren geldt voor nieuw te bouwen stallen vanaf 1 januari 2020 een maximale emissie van 0,183 kg NH3 en 16 gram PM10 per dierplaats per jaar. • •
Als er vleeskuikens worden gehouden (variant 1) wordt gebruik gemaakt van E 5.11 BWL2010.13.V7 circulatie van stallucht i.c.m. warmtewisselaar. Dit leidt tot een emissie van 0,021 kg NH3 p.d.p.j. Als er opfokvleeskuikenouderdieren worden gehouden (variant 2) zal gebruik gemaakt worden van E 3.7 BWL2011.13.V5 warmteheaters en ventilatoren. Dit leidt tot een emissie van 0,129 kg NH3 p.d.p.j.
Beide stallen maken gebruik van een warmtewisselaar die voldoet aan de kenmerken van BWL2011.02.V6 waarmee de uitstoot van fijnstof met ca. 31% wordt gereduceerd. • Bij vleeskuikens leidt het tot een emissie van 15,18 gram PM10 p.d.p.j. • Bij opfokvleeskuikenouderdieren leidt het tot een emissie van 15,87 gram PM10 p.d.p.j. Het plan voldoet aan de maximale emissiewaarden van het Besluit emissiearme huisvesting. IPPC beleidslijn De IPPC beleidslijn van het Ministerie van VROM is per 25 mei 2007 geïntroduceerd, bedoeld om gemeenten een meer eenduidige richtlijn te verstrekken bij de individuele toets in het kader van IPPC bij een uitbreiding in dieren. Het aantal dieren neemt niet toe; de IPPC-beleidslijn is daarom geen toetsingsgrond.
Hoeve Advies
3
Geurbelasting De locatie en de dichtstbijzijnde woning bevinden zich aan de rand van het dorp, in het buitengebied. De bebouwde kom van Noordbroek begint op ca. 440 m van de inrichting. De gemeente Midden Groningen heeft geen eigen geurverordening, zodat de maximale geurbelasting van de Wgv geldt: • 2,0 OUE/m3 t.o.v. objecten binnen de bebouwde kom • 8,0 OUE/m3 t.o.v. objecten buiten de bebouwde kom Daarnaast geldt voor deze diercategorie een minimale afstand van gevel tot gevel t.o.v. geurgevoelige objecten. Deze afstanden worden gemeten tussen de gevel van het dierverblijf en het geurgevoelig object. De minimale afstanden zijn: • 50 meter gevel-tot-gevel tot objecten binnen de bebouwde kom • 25 meter gevel-tot-gevel tot objecten buiten de bebouwde kom De pluimveestallen zijn voorzien van ventilatoren in de eindgevel; deze vormen een centraal emissiepunt. De uitblaasventilatoren van de naast de stal opgestelde warmtewisselaars vormen ook een emissiepunt. De noodventilator in de voorgevel is bedoeld om in geval van een calamiteit handgeschakeld aan te kunnen zetten en maakt geen structureel onderdeel uit van de ventilatie.
Minimale afstand
De afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en de dichtstbijzijnde woning van derden is ca. 130 meter (Noorderstraat 23). De gevel-tot-gevel-afstand is ca. 95 m. Hieruit blijkt dat aan de minimaal te hanteren afstand wordt voldaan.
Maximale geurbelasting
Voor vleeskuikens en opfokvleeskuikenouderdieren zijn geuremissiefactoren vastgesteld. De geuremissie van vleeskuikens (E 5.11) is 0,33 OUE/d/s en van opfokvleeskuikenouderdieren (E 3.7) is die 0,18 OUE/d/s. Ten opzichte van de milieuvergunde situatie wijzigen de emissiepunten en EP-hoogtes door wijzigingen in de ventilatiemethodiek. • Stal 1 wordt geventileerd via ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar. Hiervoor geldt een uittreesnelheid van 0,4 m/s. • Stal 2 wordt geventileerd via ventilatoren in de eindgevel en een warmtewisselaar. Hiervoor geldt een uittreesnelheid van 0,4 m/s. De XY-coördinaat van het emissiepunt en de emissiepunthoogte per stal is berekend aan de hand van het aantal ventilatoren per ventilatiezone (geometrisch gemiddeld EP). De meest bepalende woningen/geurgevoelige objecten zijn: • Buitengebied max. 8,0 OUE/m3 : Noorderstraat 23 • Bebouwde kom max. 2,0 OUE/m3 : Noorderstraat 1 De geurbelasting is berekend m.b.v. het (inmiddels) voorgeschreven model V-Stacks vergunning 2020. In de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling is gebruik gemaakt van (het toen voorgeschreven model) V-Stacks vergunning 2010. De waarden in onderstaande tabel kunnen daarom iets afwijken van die in de aanmeldnotitie.
Hoeve Advies
4
Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is een fractie van 14,81 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waardes zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale waarde van 25,0 µg/m3 blijft, en voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit.
Cumulatie
In bepaalde gevallen is het verplicht om bij de toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. De ISL3a-berekening gaat op dezelfde manier als bij het berekenen van een enkele veehouderij. Het verschil is dat bij de invoer van bronnen niet alleen de bronnen van de te beoordelen veehouderij worden ingevoerd, maar van alle veehouderijen met een relevante emissie binnen 500 meter. Deze uitgebreide berekening is alleen verplicht bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale emissie van fijn stof van meer dan: • 500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3, of • 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. De relevante omliggende veehouderijen die ingevoerd moeten worden zijn beperkt tot de veehouderijen met een emissie fijn stof van: • minimaal 500 kg/jaar in het geval de aanvrager ligt in een gebied met achtergrondconcentratie hoger dan 27 µg/m3 • minimaal 800 kg/jaar in alle andere gevallen In het voornemen is sprake van een bedrijf met een emissie van meer dan 800 kg fijnstof en een achtergrondconcentratie van minder dan 27 µg/m3. Er liggen geen andere bedrijven in een straal van 500 m die in de berekening mee genomen kunnen worden; er is geen sprake van cumulatie.
Geluid en verkeer Het pluimveebedrijf ligt in een landelijk gebied met agrarische activiteiten. De stallen staan op redelijke afstand van de omliggende woningen. Het aantal dieren neemt niet toe. De stallen worden verlengd waardoor de ventilatoren nog verder van de omwonenden af komen te staan. Er is o.i. geen aanleiding voor een akoestisch onderzoek. Energie Bij het inrichten van de nieuwe stallen wordt zoveel mogelijk ‘energiezuinige techniek’ gebruikt om de exploitatiekosten te drukken. Het energieverbruik voor vleeskuikens in de beoogde situatie wordt geschat op 1,1 kW p.d.p.j. dat is ca. 66.000 kWh aan elektra. Het verbruik bij het houden van opfokvleeskuiken- ouderdieren zal hier niet veel van afwijken. Het totale energieverbruik is ca. 135.000 kWh per jaar; hiervan wordt ca. 110.000 kWh opgewekt door de eigen zonnepanelen. Een normaal aardgasverbruik is ca. 0,7 m3 p.d.p.j. en met gebruik van warmtewisselaars ca. 0,5 m3 p.d.p.j. De stallen worden door gasgestookte heaters verwarmd. Het verbruik op jaarbasis is slechts ca. 18.000 m3 per jaar dat is ca. 0,3 m3 p.d.p. Het verbruik bij het houden van opfokvleeskuikenouderdieren met slechts ca. 2,6 ronde per jaar (in plaats van 6,5 ronde bij vleeskuikens) zal nog lager zijn omdat de stookperiode korter is.
Hoeve Advies
6
Water Het waterverbruik voor vleeskuikens is ca. 8,5 l per dier per ronde inclusief reiniging ofwel ca. 5.100 m3 per jaar (leidingwater). Het verbruik bij het houden van opfokvleeskuikenouderdieren zal hier niet veel van afwijken. Strooiselmest De kuikens mesten gedurende de ronde in de stal op volledig strooiselvloer. De stallen zijn voorzien van een mestdichte betonvloer. Na elke ronde wordt de mest met een trekker uit de stal verzameld op de mestdichte erfverharding voor de stal. De mest wordt binnen enkele dagen na het afleveren van de kuikens in vrachtwagens afgevoerd. De afzet vindt plaats middels erkende transporteurs. De mestproductie is circa 11 kg per dierplaats per jaar, ongeveer 660 ton per jaar. Afvalwater Het spoelwater dat ontstaat bij het (nat) schoonmaken van de stallen wordt opgevangen in spoelwaterputten en vandaaruit periodiek door een loonwerker over het land uitgereden. Het hemelwater komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en is schoon en vrij van bedrijfsafvalwater en voerresten. Natura 2000 Het dichtstbijzijnde natuurgebied, het Zuidlaardermeergebied, ligt op ca. 11 km van de inrichting. Het daaropvolgende gebied, de Waddenzee, op 15 km. Gelet op de afstand ligt een directe invloed niet voor de hand.Wel is er sprake van een indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie.
Op 29 mei 2018 is door Provincie Groningen een pré-PAS Wnb-vergunning verleend voor het houden van 60.000 st. vleeskuikens met een emissie van 4.080,00 kg NH3. De ammoniakemissie daalt in de beoogde situatie naar ten hoogste 4.063,50 kg NH3 (bij opfokvleeskuikenouderdieren) of 1.260,00 kg NH3 per jaar (bij vleeskuikens). Uit de Aerius verschilberekening t.o.v. de Wnb referentie blijkt dat er geen depositietoename is; dus geen verslechtering. Bij de aanvraag voor het veranderen van de omgevingsvergunning wordt de Provincie Groningen gevraagd een VVGB (verklaring van geen bezwaar) op te stellen in het kader van de Wet Natuurbescherming en deze bij de omgevingsvergunning te voegen. HOEVE ADVIES BV
Hoeve Advies
7
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
AERIUS berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Resultaten
Contact
Rechtspersoon
nr cht ngs ocat e
Noorderstraat 25, 9635 TE Noordbroek
Activiteit
Omschr v ng
AER US kenmerk
Wijzigen veehouderij
RejYMbakw2p4
Datum bereken ng
Reken aar
Rekenconf gurat e
23 maart 2021, 15:01
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
S tuat e 1
S tuat e 2
Versch
NOx
19,54 kg/j
24,54 kg/j
5,00 kg/j
NH3
4.080,15 kg/j
4.063,66 kg/j
16,50 kg/j
Resultaten
Natuurgeb ed
Versch
Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)
Drentsche Aa gebied
0,00
Toelichting
Resu taten
Versch bereken ng referent e be e dsrege s ntern en extern sa deren op bas s van Wnb-vergund 2018 vs beoogde s tuat e ngeva van (groot-)ouderd eren van v eesku kens n opfok onger dan 19 weken
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 2/23
Resultaten
Emissie (per bron)
Stal 1 Locat e (X Y) 253909, 580970 U tstoothoogte 2,7 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,2 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 2.040,00 kg/j Naam
REF Wnb vergund 2018
D er
RAV code
Omschr v ng
E 5.100
overige huisvestingssystemen (Kippen; vleeskuikens) (Overig)
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
30.000 NH3
0,068
2.040,00 kg/j
Stal 2 Locat e (X Y) 253901, 580994 U tstoothoogte 1,2 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,8 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 2.040,00 kg/j Naam
D er
Resu taten
RAV code
Omschr v ng
E 5.100
overige huisvestingssystemen (Kippen; vleeskuikens) (Overig)
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
30.000 NH3
0,068
2.040,00 kg/j
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 17/23
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.919,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
201,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Resu taten
Aan- en afvoer 254165, 581333 1,33 kg/j < 1 kg/j
Aan- en afvoer 254252, 580815 1,29 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.919,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
201,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 18/23
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Voertu g
Resu taten
Brandstof verbru k ( / )
Stat ona r bedr f (uren/ )
C nder Stof nhoud ( )
Em ss e
STAGE IV, 130 < Noodstroomaggreg kW < 300, bouwjaar aat 2014 (Diesel)
144
12
10,5 NOx NH3
1,57 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Tractor ( 3 st.)
828
12
5,0 NOx NH3
3,09 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIb, 37 < kW < 56, bouwjaar 2013 (Diesel)
Tractor (2 st.)
414
12
2,3 NOx NH3
5,47 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Verreiker
1.500
12
5,0 NOx NH3
5,16 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Loonwerker
360
12
5,0 NOx NH3
1,64 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Omschr v ng
Mobiele werktuigen 254013, 581003 16,93 kg/j < 1 kg/j
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 19/23
Resultaten
Emissie (per bron)
Stal 1 Locat e (X Y) 253884, 580959 U tstoothoogte 1,8 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,9 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 2.031,75 kg/j Naam
Beoogd
D er
RAV code
Omschr v ng
E 3.7
stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (Kippen; (groot )ouderdieren van vleeskuikens in opfok; jonger dan 19 weken) (BWL 2011.13)
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
15.750 NH3
0,129
2.031,75 kg/j
Stal 2 Locat e (X Y) 253879, 580983 U tstoothoogte 1,8 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,9 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 2.031,75 kg/j Naam
D er
Resu taten
RAV code
Omschr v ng
E 3.7
stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (Kippen; (groot )ouderdieren van vleeskuikens in opfok; jonger dan 19 weken) (BWL 2011.13)
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
15.750 NH3
0,129
2.031,75 kg/j
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 20/23
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.903,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
191,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Resu taten
Aan- en afvoer 254166, 581332 1,28 kg/j < 1 kg/j
Aan- en afvoer 254255, 580812 1,24 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.903,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
191,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 21/23
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Voertu g
Resu taten
Brandstof verbru k ( / )
Stat ona r bedr f (uren/ )
C nder Stof nhoud ( )
Em ss e
STAGE IV, 130 < Noodstroomaggreg kW < 300, bouwjaar aat 2014 (Diesel)
144
12
10,5 NOx NH3
1,57 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Tractor (3 st.)
828
12
5,0 NOx NH3
3,09 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIb, 37 < kW < 56, bouwjaar 2013 (Diesel)
Tractor (2 st.)
654
12
2,3 NOx NH3
8,49 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Verreiker
2.172
12
5,0 NOx NH3
7,23 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Loonwerker
360
12
5,0 NOx NH3
1,64 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Omschr v ng
Mobiele werktuigen 254000, 581000 22,03 kg/j < 1 kg/j
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 22/23
Resultaten
Disclaimer
Hoewe verstrekte gegevens kunnen d enen ter onderbouw ng van een vergunn ngaanvraag kunnen er geen rechten aan worden ont eend De e genaar van AER US aanvaardt geen aansprake khe d voor de nhoud van de door de gebru ker aangeboden nformat e Bovenstaande gegevens z n enke bru kbaar tot er een n euwe vers e van AER US besch kbaar s AER US s een gereg streerd hande smerk n Europa A e rechten d e n et exp c et worden ver eend z n voorbehouden
Rekenbasis
Deze bereken ng s tot stand gekomen op bas s van AER US vers e 2020_20210209_2f032ce1a2 Database vers e 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer nformat e over de gebru kte method ek en data z e https //www aer us n /n /factsheets/re ease/aer us-ca cu ator-2020
Resu taten
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Re YMbakw2p4 (23 maart 2021) pag na 23/23
Resultaten
Contact
Rechtspersoon
nr cht ngs ocat e
Noorderstraat 25, 9635 TE Noordbroek
Activiteit
Omschr v ng
AER US kenmerk
Wijzigen veehouderij
RURrSnYDwWP7
Datum bereken ng
Reken aar
Rekenconf gurat e
23 maart 2021, 15:15
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
S tuat e 1
S tuat e 2
Versch
NOx
19,54 kg/j
24,54 kg/j
5,00 kg/j
NH3
4.080,15 kg/j
1.260,16 kg/j
2.820,00 kg/j
Resultaten
Natuurgeb ed
Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)
Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Toelichting
Resu taten
Versch bereken ng referent e be e dsrege s ntern en extern sa deren op bas s van Wnb-vergund 2018 vs beoogde s tuat e ngeva van v eesku kens
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 2/28
Resultaten
Emissie (per bron)
Stal 1 Locat e (X Y) 253909, 580970 U tstoothoogte 2,7 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,2 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 2.040,00 kg/j Naam
REF Wnb vergund 2018
D er
RAV code
Omschr v ng
E 5.100
overige huisvestingssystemen (Kippen; vleeskuikens) (Overig)
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
30.000 NH3
0,068
2.040,00 kg/j
Stal 2 Locat e (X Y) 253901, 580994 U tstoothoogte 1,2 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,8 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 2.040,00 kg/j Naam
D er
Resu taten
RAV code
Omschr v ng
E 5.100
overige huisvestingssystemen (Kippen; vleeskuikens) (Overig)
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
30.000 NH3
0,068
2.040,00 kg/j
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 22/28
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.919,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
201,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Resu taten
Aan- en afvoer 254165, 581333 1,33 kg/j < 1 kg/j
Aan- en afvoer 254252, 580815 1,29 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.919,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
201,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 23/28
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Voertu g
Resu taten
Brandstof verbru k ( / )
Stat ona r bedr f (uren/ )
C nder Stof nhoud ( )
Em ss e
STAGE IV, 130 < Noodstroomaggreg kW < 300, bouwjaar aat 2014 (Diesel)
144
12
10,5 NOx NH3
1,57 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Tractor ( 3 st.)
828
12
5,0 NOx NH3
3,09 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIb, 37 < kW < 56, bouwjaar 2013 (Diesel)
Tractor (2 st.)
414
12
2,3 NOx NH3
5,47 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Verreiker
1.500
12
5,0 NOx NH3
5,16 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Loonwerker
360
12
5,0 NOx NH3
1,64 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Omschr v ng
Mobiele werktuigen 254013, 581003 16,93 kg/j < 1 kg/j
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 24/28
Resultaten
Emissie (per bron)
Stal 1 Locat e (X Y) 253884, 580959 U tstoothoogte 1,8 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,9 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 630,00 kg/j Naam
Beoogd
D er
RAV code
Omschr v ng
E 5.11
stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (Kippen; vleeskuikens) (BWL 2010.13)
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
30.000 NH3
0,021
630,00 kg/j
Stal 2 Locat e (X Y) 253879, 580983 U tstoothoogte 1,8 m emperatuur em ss e 11,85 °C U ttreedd ameter 3,9 m U ttreedr cht ng Horizontaal geforceerd U ttreedsne he d 0,4 m/s NH3 630,00 kg/j Naam
D er
Resu taten
RAV code
Omschr v ng
E 5.11
stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (Kippen; vleeskuikens) (BWL 2010.13)
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Aanta Stof d eren
Em ss efactor (kg/d er/ )
Em ss e
30.000 NH3
0,021
630,00 kg/j
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 25/28
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.903,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
191,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Resu taten
Aan- en afvoer 254166, 581332 1,28 kg/j < 1 kg/j
Aan- en afvoer 254255, 580812 1,24 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertu g
Aanta voertu gen Stof
Em ss e
Standaard
Licht verkeer
1.903,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
191,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 26/28
Resultaten
Naam Locat e (X Y) NOx NH3
Voertu g
Resu taten
Brandstof verbru k ( / )
Stat ona r bedr f (uren/ )
C nder Stof nhoud ( )
Em ss e
STAGE IV, 130 < Noodstroomaggreg kW < 300, bouwjaar aat 2014 (Diesel)
144
12
10,5 NOx NH3
1,57 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Tractor (3 st.)
828
12
5,0 NOx NH3
3,09 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIb, 37 < kW < 56, bouwjaar 2013 (Diesel)
Tractor (2 st.)
654
12
2,3 NOx NH3
8,49 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Verreiker
2.172
12
5,0 NOx NH3
7,23 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 < kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Loonwerker
360
12
5,0 NOx NH3
1,64 kg/j < 1 kg/j
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
Omschr v ng
Mobiele werktuigen 254000, 581000 22,03 kg/j < 1 kg/j
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 27/28
Resultaten
Disclaimer
Hoewe verstrekte gegevens kunnen d enen ter onderbouw ng van een vergunn ngaanvraag kunnen er geen rechten aan worden ont eend De e genaar van AER US aanvaardt geen aansprake khe d voor de nhoud van de door de gebru ker aangeboden nformat e Bovenstaande gegevens z n enke bru kbaar tot er een n euwe vers e van AER US besch kbaar s AER US s een gereg streerd hande smerk n Europa A e rechten d e n et exp c et worden ver eend z n voorbehouden
Rekenbasis
Deze bereken ng s tot stand gekomen op bas s van AER US vers e 2020_20210209_2f032ce1a2 Database vers e 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer nformat e over de gebru kte method ek en data z e https //www aer us n /n /factsheets/re ease/aer us-ca cu ator-2020
Resu taten
REF Wnb-vergund 2018 Beoogd
RURrSnYDwWP7 (23 maart 2021) pag na 28/28
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Laagland Archeologie Rapport 640
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek – verkennende-karterende fase
Noorderstraat 25, Noordbroek, gemeente Midden-Groningen (GR).
maart 2022 Versie 2 (definitief)
In opdracht van: BJZ.nu
v3
Colofon Laagland Archeologie Rapport 640
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek – verkennendekarterende fase Noorderstraat 25 te Noordbroek, gemeente MiddenGroningen (GR) Auteur:
In opdracht van: BJZ.nu
Foto’s en tekeningen: Laagland Archeologie
Status rapport: definitief
Controle: Autorisatie:
ISSN 2468-4759 Laagland Archeologie BV Virulyweg 21F-G 7602 RG Almelo
E-mail: info@laaglandarcheologie.nl KvK-Nummer: 60294418
©ets Laagland BV, Almelo, maart 2022 Ni uit deze Archeologie uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Laagland Archeologie BV aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Samenvatting Laagland Archeologie heeft in april 2021 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek – verkennende-karterende fase uitgevoerd aan de Noorderstraat 25 te Noordbroek. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande uitbreiding van de huidige stallen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Op basis van de geraadpleegde bronnen wordt een dekzandopduiking in het plangebied verwacht. In de nabijheid zijn resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd bekend en nabij het plangebied liep vanaf in ieder geval ongeveer 1550 een dijk. In het plangebied kunnen resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd worden verwacht, samenhangend met de veenontginningen uit die periode, de oude dijk en de ontginningsas die is uitgegroeid tot het huidige Noordbroek. Voor deze periode geldt een hoge verwachting. Oudere resten kunnen eveneens aanwezig zijn, specifiek uit de periode LaatPaleolithicum tot en met Midden-/Laat-Neolithicum.
Vanaf die periode ontstond veengroei en was het gebied tot aan de laatmiddeleeuwse veenontginningen ongeschikt voor bewoning. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Het karterend booronderzoek heeft tot doel archeologische vindplaatsen op te sporen. Hiertoe zijn verspreid in het toegankelijke deel van het plangebied karterende boringen gezet. Relevante lagen van de boorkernen zijn gezeefd op archeologische indicatoren. In dit stadium is karterend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. In het plangebied is geen sprake van een dagzomende dekzandopduiking. Het aanwezige dekzand is afgedekt met een laag Dollardklei van circa 70 cm dik. De top van het dekzand toont tekenen van verspoeling. Dat impliceert dat de oorspronkelijke dekzandtop hier is verdwenen. Elders is een Bh-horizont gezien, die onder zeer vochtige omstandigheden is ontstaan.
Het gebied was daarmee waarschijnlijk weinig aantrekkelijk als vestigingslocatie en voor zover er bewoning was, dan zijn de resten hiervan waarschijnlijk verdwenen/ verspoelt. De karterende boringen hebben geen indicatoren opgeleverd voor wat betreft steentijdbewoning. Voor wat betreft resten uit de steentijd wordt de verwachting daarom bijgesteld naar ‘laag’. Hoewel resten uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd niet uitgesloten worden, zal men waarschijnlijk de voorkeur hebben gehad aan de hogere delen van de zandopduiking, waar het dekzand aan het maaiveld dagzoomt, of dichter langs de oude dijk. Ook hier hebben de karterende boringen geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Het verwachtingsmodel voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd dient daarom eveneens te worden bijgesteld naar ‘laag’.
Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente MiddenGroningen. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, Steunpunt Libau. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).
Samenvatting __________________________________________________ 3 1 Inleiding ____________________________________________________ 6 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Aanleiding onderzoek________________________________________________6 Afbakening plan- en onderzoeksgebied __________________________________6 Administratieve gegevens ____________________________________________7 Huidige situatie en toekomstig gebruik __________________________________9 Gemeentelijk beleid ________________________________________________10 Onderzoeksdoel ___________________________________________________10
2 Inventarisatie________________________________________________ 11 2.1 2.2 2.3
Inleiding _________________________________________________________11 Landschappelijke ontwikkeling________________________________________11 Archeologie ______________________________________________________13
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.4
Bekende archeologische waarden ___________________________________13 Gemeentelijke verwachtingskaart ___________________________________14 Eerder archeologisch onderzoek ____________________________________14