04. Ruimtelijke onderbouwing Noorderstraat 25, Noordbroek April 2022
Tekst van het document
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloer met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsten 70 m plaats
80 m
90 m
100 m
120 m
140 m
160 m
Totale emissie in g/jr
387.000
473.000
581.000
817.000
1.075.000
1.376.000
324.000
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Voorliggende ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval is door Hoeve Advies BV een luchtkwaliteitsonderzoek (ISL3a) uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1. In deze paragraaf wordt ingegaan op de bevindingen. 4.3.2.1 Fijnstof De te verlengen stallen moeten vanwege het Besluit Huisvesting voldoen aan de maximale emissiewaarden voor fijnstof van 16 gram PM10 per dag per jaar voor zowel vleeskuikens als opfokvleeskuikenouderdieren. In de gewenste situatie wordt gebruik gemaakt van emissie reducerende technieken in de vorm van warmtewisselaars t.b.v. warmteterugwinning (E 7.6 BWL2011.02.V6). Deze worden structureel gebruikt: niet alleen gedurende de periode dat de stallen worden bijverwarmd, maar de hele productieperiode. Daarmee reduceren ze 31% aan fijnstof.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing Met de emissie reducerende technieken daalt de fijnstofemissie vanuit de inrichting van 1.320,00 kg PM 10 naar 910,80 kg PM10 per jaar in geval van vleeskuikens. In geval van opfokvleeskuikenouderdieren daalt de fijnstofemissie vanuit de inrichting naar 499,51 kg PM10. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een afname van de fijnstofemissie, waarmee de voorliggende ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de achtergrondconcentratie. Een verdere berekening van de concentratie is dan ook niet nodig. 4.3.2.2 ISL3a De bijdrage vanuit het bedrijf t.o.v. de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. In de worst-case situatie met vleeskuikens is de hoogste fijnstofconcentratie bij de omliggende woningen 14,64 µg/m³ . Na aftrek van de 2 µg/m³ aan zeezoutcorrectie geeft dit een netto concentratie van 12,64 µg/m³. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m³ wat is toegestaan. Zonder rekening te houden met de zeezoutcorrectie blijkt het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m³ ten opzichte van de omliggende woningen maximaal 6,1 dagen te zijn. Na aftrek van de 2 correctiedagen is de netto overschrijding 4,1 dagen t.o.v. het meest gevoelig te beschermen object. Dat is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan.
Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM 2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is een fractie van 12,64 µg/m³ en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m³ blijft, waarmee ook op dit punt voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. 4.3.2.3 Cumulatie In bepaalde gevallen is het verplicht om bij de toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. De ISL3aberekening gaat hetzelfde als bij het berekenen van een enkele veehouderij. Het verschil is dat bij de invoer van bronnen niet alleen de bronnen van de te beoordelen veehouderij worden ingevoerd, maar van alle veehouderijen met een relevante emissie binnen 500 meter. Deze uitgebreide berekening is alleen verplicht bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale emissie van fijnstof van meer dan: ▪ ▪
500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m³, of; 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie.
De relevante omliggende veehouderijen die ingevoerd moeten worden zijn beperkt tot de veehouderijen met een emissie fijnstof van: ▪ ▪
minimaal 500 kg/jaar in het geval de aanvrager ligt in een gebied met achtergrondconcentratie hoger dan 27 µg/m³; minimaal 800 kg/jaar in alle andere gevallen.
In het voornemen is sprake van een bedrijf met een emissie van meer dan 800 kg fijnstof en een achtergrondconcentratie van minder dan 27 µg/m³. Er liggen echter geen andere bedrijven in een straal van 500 meter die in de berekening meegenomen kunnen worden. Er is geen sprake van cumulatie. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied); Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie projectgebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het projectgebied is hierin indicatief met de rode ster aangegeven.
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: ▪
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder hert Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing ▪ ▪ ▪ ▪
zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een LPG-tankstation.
Daarnaast wordt opgemerkt dat met de voorliggende ontwikkeling geen nieuwe risicobron mogelijk wordt gemaakt, aangezien de ontwikkeling uitsluitend voorziet in een uitbreiding van de bestaande stallen. De uitbreiding is benodigd voor een verruiming van de leefruimte van de te houden dieren en niet voor bijvoorbeeld de opslag van gevaarlijke stoffen. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds’. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ ▪
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden of zijn gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden, te weten 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Het buitengebied
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) is, evenals een stiltegebied of een natuurgebied, een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied bevindt zich in het noordelijk deel van de lintbebouwing van het dorp Noordbroek, net buiten het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen. In de omgeving bevinden zich woningen, agrarische bedrijvigheid en horecafuncties. Een dergelijke omgeving kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Onderstaande tabel toont de richtafstanden voor beide omgevingstypes, waarin in voorliggende ontwikkeling de richtafstanden tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’ dienen te worden aangehouden.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: a. b.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Binnen het projectgebied bevindt zich een pluimveehouderij waar vleeskuikens of opfokvleeskuikenouderdieren worden gefokt en gehouden. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geldt voor dit gebruik de milieucategorie 4.1. Hierbij wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Voor de externe werking van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitsluitend getoetst aan de richtafstanden van de overige milieuaspecten. Daarbij wordt opgemerkt dat er geen sprake is van de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij, maar van een uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij.
Om die reden wordt bij de toetsing aan de richtafstanden gemeten vanaf de beoogde uitbreidingslocatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing Wanneer het aspect ‘geur’ buiten beschouwing wordt gelaten, geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid in het ‘gemengd gebied’. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object betreft de (bedrijfs)woning aan de Noorderstraat 23. De afstand tussen de voorgenomen uitbreiding van de pluimveestallen tot de (bedrijfs)woning bedraagt circa 60 meter. Hiermee wordt er van uitgegaan dat de voorgenomen ontwikkeling (ten aanzien van de aspecten geluid, stof en gevaar) geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich diverse vormen van bedrijvigheid. Het uitbreiden van een intensieve veehouderij wordt echter niet aangemerkt als een ontwikkeling waarbij een milieugevoelig object wordt gerealiseerd, waardoor van het ondervinden van hinder van bestaande milieubelastende functies in de omgeving geen sprake is. Omgekeerd worden de omliggende bedrijven daardoor niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een maximaal toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 4.6.1.2 Situatie projectgebied De voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een bestaande pluimveehouderij. Dit betreft een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor een vaste geuremissie is vastgesteld. Hierom is het voldoen aan vast afstanden zoals omschreven in paragraaf 4.5 niet voldoende, maar dient middels een geuronderzoek te worden aangetoond dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten niet meer dan 3 odeur units/m³ (binnen de bebouwde kom) respectievelijk 14 odeur units/m³ (buiten de bebouwde kom) bedraagt. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing In voorliggend geval is daarom door Hoeve Advies BV een geuronderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In deze paragraaf wordt ingegaan op de bevindingen. De pluimveestallen zijn voorzien van ventilatoren in de eindgevel; deze vormen een centraal emissiepunt. De uitblaasventilatoren van de naast de stal opgestelde warmtewisselaars vormen ook een emissiepunt. De noodventilator in de voorgevel is bedoeld om in geval van een calamiteit handgeschakeld aan te kunnen zetten en maakt geen structureel onderdeel uit van de ventilatie. De afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt en de dichtstbijzijnde woning van derden, Noorderstraat 23, is ca. 130 meter. De gevel-tot-gevel-afstand is ca. 95 meter. Hieruit blijkt dat aan de minimaal te hanteren afstand zoals omschreven in voorgaande paragraaf wordt voldaan. Maximale geurbelasting De gemeente Midden-Groningen heeft geen eigen geurverordening, zodat de maximale geurbelasting van de Wgv hanteert de landelijke normen t.a.v. geurbelasting (Wgv): ▪ ▪
2,0 OUE/m3 t.o.v. de geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom; 8,0 OUE/m3 t.o.v. de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.
Voor vleeskuikens en opfokvleeskuikenouderdieren zijn geuremissiefactoren vastgesteld. De geuremissie van vleeskuikens is 0,33 OUE/d/s en van opfokvleeskuikenouderdieren bedraagt deze 0,18 OU E/d/s. Ten opzichte van de milieuvergunde situatie wijzigen de emissiepunten en EP-hoogtes door wijzigingen in de ventilatiemethodiek. De meest bepalende woningen/geurgevoelige objecten zijn: ▪ ▪
Bebouwde kom max. 2,0 OUE/m3 : Noorderstraat 1; Buitengebied max. 8,0 OUE/m3 : Noorderstraat 23.
Door de toepassing van de emissie reducerende technieken verandert de geurbelasting op bovenstaande geurgevoelige objecten. Onderstaande tabel toont de geurbelasting in de beoogde situatie. Norm geurbelasting Woningen norm 8,0 OUE/m3 Woningen norm 2,0 OUE/m3
Vergunde situatie 2004 7,0
Beoogde situatie – vleeskuikens 6,3
Beoogde situatie – opfokvleeskuikenouderdieren 1,8
Verschil -0,7 / -5,2
1,1
1,6
0,5
+0,5 / -0,6
In de beoogde situatie neemt de geurbelasting af van 7,0 OUE/m3 naar 6,3 OUE/m3 op Noorderstraat 23 en neemt deze toe van 1,1 OUE/m3 naar 1,6 OUE/m3 op Noorderstraat 1. In beide gevallen is de geurbelasting lager dan wat wettelijk is toegestaan. Met opfokvleeskuikenouderdieren neemt de geurbelasting af van 7,0 OUE/m3 naar 1,8 OUE/m3 op Noorderstraat 23 en van 1,1 OUE/m3 naar 0,5 OUE/m3 op Noorderstraat 1. Ook dan voldoet de belasting aan de daartoe gestelde norm. Daarmee kan worden aangenomen dat de voorliggende ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige vorm van geurhinder voor omwonenden. 4.6.2
Conclusie
De geurbelasting in de beoogde situatie blijft binnen de normen zoals die in de Wet Geurhinder en Veehouderij zijn vastgesteld. Daarmee is de situatie vergunbaar. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het voornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden In voorliggend geval is het projectgebied gelegen op circa 11 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Zuidlaardermeergebied’. Het daaropvolgende gebied betreft ‘De Waddenzee’, welke op een afstand van circa 15 kilometer ligt. In afbeelding 4.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van deze twee gebieden weergegeven.
Afbeelding 4.2
Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Hoeve Advies)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing Gelet op de afstand ligt een directe invloed niet voor de hand maar er is mogelijk wel sprake van een indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie. De inrichting heeft een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet). Het betreft hier een pré-PAS vergunning welke op 29 mei 2018 door de provincie Groningen is verleend. De verleende vergunning is onherroepelijk en nog steeds van kracht. ▪ ▪
De Nb-wetvergunde emissie uit 2018 op basis van de actuele emissiefactoren voor ammoniak is 4.080,00 kg NH3; De ammoniakemissie is in de beoogde situatie ten hoogste 4.063,50 kg NH3 (bij opfokvleeskuikenouderdieren) en zal in geval van vleeskuikens niet hoger zijn dan 1.260,00 NH3 per jaar;
Voorliggende ontwikkeling voorziet in een afname van ammoniakemissie. In het kader van voorliggende ontwikkeling is tevens een AERIUS verschilberekening ten opzichte van de Wnbvergunde referentiesituatie uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in bijlage 2. Hieruit blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie is. Daarmee is er geen sprake van significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Tegelijk met de omgevingsvergunning fase 1 is op 14-10-2020 een wijziging op de Nb-wetvergunning van 29 mei 2018 aangevraagd, middels een verklaring van geen bezwaar (VVGB) welke door de provincie wordt beoordeeld. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 5,6 kilometer afstand van het projectgebied.
Gezien het feit dat het projectgebied niet of in de directe nabijheid van het NNN is gelegen, kan worden gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van voorliggende ontwikkeling. 4.7.3
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval worden de twee aanwezige stallen aan de achterzijde verlengd en worden wintergartens aan de stallen gebouwd. In afbeelding 4.3 is middels een aantal afbeeldingen weergegeven waar deze worden geplaatst.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.3
Huidige situatie pluimveestallen (Bron: Hoeve Advies)
De stallen zijn niet gebouwd met stootvoegen en de uit damwand bestaande gevel en dakbedekking heeft weinig isolerend waarde, door de warmtegeleidende capaciteit van het metaal zal het in de winter te koud en in de zomer te warm worden voor vleermuissoorten en vogels die in de dakgoot of in de nok van het dak hun nest vestigen. De opslag van bouwmaterialen tussen de stallen dient tijdig te worden verwijderd, in verband met het feit dat deze in het broedseizoen een waardevolle opwarmplek voor amfibieën en reptielen kunnen vormen. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht dient te worden aangehouden, waarbij geen dier (opzettelijk) gedood mag worden. Op basis van de foto’s wordt aangenomen dat de stallen niet in gebruik zijn door beschermde gebouwbewonende soorten, waarmee QuickScan ecologie achterwege kan blijven. 4.7.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen negatieve effecten op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en het NNN worden verwacht. Tevens worden er geen negatieve effect op beschermde soorten verwacht.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing 4.8.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Midden-Groningen beschikt over een archeologische verwachtingskaart. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart te zien. Het projectgebied is hierin aangegeven met de groene contour. Op basis van deze kaart bevindt het projectgebied zich in deels in een gebied dat is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Een deel van het projectgebied ligt in een zone dat is aangewezen als WR-a4, wat aangeeft dat dit een zone is met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In een dergelijk gebied geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte van 200 m2 of meer en een diepte van meer dan 40 centimeter.
Afbeelding 4.4
Uitsnede archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Midden-Groningen)
Binnen de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande pluimveestallen verlengd met 25 meter. Deze uitbouw vindt volledig plaats op het deel van het perceel wat van een hoge archeologische verwachtingswaarde is voorzien. De oppervlakte van de gewenste uitbouw overschrijdt de grens van 200 m 2 ruimschoots, waardoor een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.8.1.3 Archeologisch vooronderzoek Laagland Archeologie heeft in april 2021 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek – verkennende-karterende fase uitgevoerd. In deze paragraaf wordt ingegaan op de conclusies en de verwachtingen op basis van het onderzoek. De volledige rapportage is in bijlage 3 bijgevoegd. In het projectgebied is geen sprake een dagzomende dekzandopduiking. Het dekzand is hier afgedekt met een laag Dollardklei van circa 70 centimeter dik. De top van het dekzand toont tekenen van verspoeling. Dat impliceert dat de oorspronkelijke dekzandtop hier is verdwenen. Elders is een Bh-horizont gezien, die onder zeer vochtige omstandigheden is ontstaan. Het gebied was daarmee waarschijnlijk weinig aantrekkelijk als vestigingslocatie en voor zover eer bewoning was, dan zijn de resten hiervan waarschijnlijk verdwenen/verspoeld. De karterende boringen hebben geen indicatoren opgeleverd voor wat betreft steentijdbewoning.
Voor wat betreft resten uit de steentijd wordt de verwachting daarom bijgesteld naar ‘laag’. Hoewel resten uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd niet uitgesloten worden, zal men waarschijnlijk de voorkeur hebben gehad aan de hogere delen van de zandopduiking, waar het dekzand aan het maaiveld dagzoomt, of dichter langs de oude dijk. Ook hier hebben de karterende boringen geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Het verwachtingsmodel voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd dient daarom eveneens te worden bijgesteld naar ‘laag’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het projectgebied vrij te geven. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie projectgebied De gemeente Midden-Groningen beschikt over een lijst met gemeentelijke monumenten die aanwezig zijn in het grondgebied van de gemeente. Op basis van deze lijst bevinden zich in de nabijheid van het projectgebied geen gemeentelijke monumenten die negatieve effecten zouden kunnen ondervinden in verband met voorliggende ontwikkeling. Hetzelfde kan worden gesteld voor rijksmonumenten of andere cultuurhistorische waarden. De bedrijfswoning binnen het projectgebied is aangewezen als karakteristiek pand. Deze wordt echter niet aangetast als gevolg van de uitbreiding van de intensieve veehouderij. Het projectgebied is daarnaast voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Landschap en cultuurhistorie’ en ‘Waarde – Grootschalig open landschap’.
De uitbreiding vindt voornamelijk plaats binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Grootschalig open landschap’. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de landschappelijke openheid. De gronden maken echter al onderdeel uit van het bestaande agrarische erf en zijn als zodanig ingericht. De landschappelijke openheid is hier niet aanwezig. Met het planvoornemen worden de landschappelijke waarden, die in de omgeving wel aanwezig zijn, niet aangetast. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.9
Besluit milieueffectrapportage
4.9.1
Algemeen
4.9.1.1 M.e.r.-beoordeling Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn alle toestemmingen waarmee een afwijking van een bestemmingsplan kan worden geregeld in de Wro vervallen. Deze zijn overgegaan naar de Wabo als een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing De omgevingsvergunning die in het kader van de milieueffectrapportage relevant is, is de omgevingsvergunning waarmee met toepassing van art. 2.12 lid 1 onder a onder 3o Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor bepaalde activiteiten kan bij plannen en/of besluiten op verschillende gronden ontstaan: ▪ ▪ ▪
M.e.r.-plicht en artikel 7.2a Wm; M.e.r.-plicht en plannen kolom 3 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage; M.e.r.-(beoordelings)plicht en besluiten kolom 4 onderdelen C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage.
De eerste twee gronden kunnen voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan niet tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden. Ad 1. Op basis van art. 7.2a Wm geldt een m.e.r.-plicht voor wettelijke of bestuursrechtelijke plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is. De omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan is geen wettelijk of bestuursrechtelijk plan. Ad 2. Een m.e.r.-plicht kan ontstaan voor plannen in kolom 3 ter realisatie van activiteiten uit kolom 1 met de bijhorende gevallen in kolom 2 in de onderdelen C en D. Een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan wordt in het Besluit milieueffectrapportage niet gezien als een plan (dit wordt nergens genoemd in kolom 3 van de onderdelen C en D). Ook wordt in onderdeel A van de Bijlage de omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan voor wat betreft kolom 3 niet gelijk gesteld met een bestemmingsplan. Voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan kan alleen de laatste grond tot een m.e.r.(beoordelings)plicht leiden. 4.9.1.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit M.e.r. moet aandacht besteden aan de m.e.r. beoordeling. ▪ ▪ ▪
Voor initiatieven < drempelwaarde D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde D-lijst en < drempelwaarde C-lijst geldt een formele m.e.r.beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde C-lijst geldt een m.e.r.-plicht.
Afbeelding 4.5
4.9.2
Drempelwaarden m.e.r.-beoordeling (Bron: infomil.nl: De vormvrije m.e.r.-beoordeling: vereisten)
Situatie projectgebied
In het voorliggende geval is sprake van activiteiten die genoemd worden in de C en D lijst. De opgenomen activiteiten zijn namelijk; C14: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens” en D14: ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. Vleeskuikens vallen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) tot de categorie E (3 of 4 of 5). Aangezien de ontwikkelingen in de C/D lijst staat dient het voornemen te
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing worden getoetst op de drempelwaarden. Pas als deze overschreden worden is er sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Voor pluimvee is de drempelwaarde D-lijst 40.000 stuks en de drempelwaarde C-lijst 60.000 stuks leghoenders of 85.000 stuks vleeshoenders. In voorliggende ontwikkeling worden de huidige pluimveestallen verlengd met 25 meter en uitgebreid met een aanbouw waarmee de kuikens meer leefoppervlak krijgen. Het verlengen en uitbreiden van beide stallen voorziet niet in een uitbreiding van het aantal vleeskuikens. Het aantal vleeskuikens/vleeshoenders blijft daarmee gelijk ten opzichte van bestaande situatie, te weten 60.000 stuks. Dit aantal is groter dan de drempelwaarde D-lijst en kleiner dan de drempelwaarde C-lijst. Daarmee valt het initiatief onder de m.e.r.-beoordeling en dient een Aanmeldnotitie te worden voorgelegd. De drempelwaarde C-lijst van 85.000 stuks wordt niet overschreden. Een m.e.r.-plicht is daarom niet aan de orde. Conclusie Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling De aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling is voor voorliggende ontwikkeling door Hoeve Advies BV opgesteld. Deze is als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.
Op grond van de kernmerken van de activiteit, de plaats, de samenhang met andere activiteiten en de milieueffecten is door het bevoegd gezag een afweging gemaakt of er wel of geen m.e.r. benodigd is. Het verlengen van de stallen en het wijzigen van de diercategorieën wordt gezien als een wijziging/uitbreiding en het oprichten van een nieuwe installatie in het kader van de m.e.r.-beoordeling. Middels de Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling dient te worden vastgesteld of er vooruitlopend op de in te dienen aanvraag voor het veranderen van de omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Op 23 juni 2020 heeft de het college van B&W van de gemeente Midden Groningen op advies van Omgevingsdienst Groningen besloten dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, aangezien er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven voor het uitvoeren van een milieueffectrapportage. De aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling ging uit van een wisselvergunning voor het houden van 60.000 st. vleeskuikens of 36.000 st. (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok; jonger dan 19 weken. Bij nader inzien wordt het aantal dieren in de variant van opfokvleeskuikenouderdieren naar beneden toe bijgesteld naar 31.500 stuks. Met 31.500 st.
opfokvleeskuikenouderdieren is er geen toename van geur of fijnstof en voldoet de situatie ook aan de maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting door toepassing van E 3.7 BWL2011.13.V5 i.c.m. E 7.6 BWL2011.02.V6 waardoor zowel de NH 3-emissie alsook de PM10-emissie lager is dan maximaal is toegestaan. Het aantal dieren en de milieubelasting vallen binnen de kaders van het m.e.r.-besluit dat zegt dat er voor de verandering geen milieueffectrapportage nodig is, behalve dat de ammoniakemissie als geheel toeneemt. De gezamenlijke NH3-emissie in de beoogde situatie is ten hoogste 4.063,50 kg NH3 (variant 2) wat lager dan wat op dit moment vergund is (4.080,00 kg NH3) en leidt niet tot hogere N-depositie op omliggende Natura 2000gebieden. In de Logtsebaan-uitspraak van 20 januari 2021 (EDLI:NL:RVS:2021:71) heeft de Raad van State vastgesteld dat intern salderen niet langer vergunningplichtig is op grond van de Wnb. Van intern salderen is sprake als de stikstofeffecten van de nieuwe situatie niet groter zijn dan de stikstofeffecten van de referentiesituatie, dat is de Wnb-vergunning van 29 mei 2018 voor 60.000 st. vleeskuikens met een gezamenlijke emissie van 4.080,00 kg NH3. 4.9.3
Conclusie
Uit de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de voorliggende ontwikkeling niet gepaard gaat met significant negatieve milieueffecten. Daarmee wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5 5.1
WATERASPECTEN
Inleiding
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Beleidskaders
5.2.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.2.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.2.3
Omgevingsvisie provincie Groningen
In de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie komt in de plaats van het Provinciaal Omgevingsplan (POP). Vanuit waterveiligheid ligt de opgave in het op een zo natuurlijk mogelijke manier laten meegroeien van de kust met de zeespiegelstijging. De kustverdediging wordt aangepakt en met het Rijk (en Duitsland) werkt de provincie aan een gezondere Eems-Dollard. Daarnaast veroorzaakt klimaatverandering ook wateroverlast in de winter en droogte in de zomer. Om wateroverlast te bestrijden en watertekorten te beperken moeten verdere maatregelen worden genomen. 5.2.4
Waterschap Hunze en Aa’s
Het beleid van het Waterschap Hunze en Aa's staat beschreven in het beheerprogramma 2016-2021. In het beheerprogramma staat met welke ambities en maatregelen het waterschap de ontwikkelingen en opgaven
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing op het gebied van veiligheid, voldoende en schoon water oppakken. Het waterschap speelt onder andere in op klimaatverandering en Europese normen voor schoon en gezond water.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Hunze en Aa’s. 5.3.2
Watertoetsproces
Het Waterschap Hunze en Aa’s is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Uit de watertoets volgt dat voor voorliggende ontwikkeling de ‘normale procedure’ van toepassing is. Dit houdt in dat het waterschap een advies uitgangspuntennotitie levert. De volledige uitgangspuntennotitie is te vinden in bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uitgangspunten Waterschap Hunze en Aa’s Het projectgebied watert, zoals te zien is in afbeelding 5.1, via de aan de noordkant gelegen schouwsloot in westelijke richting af op het peilgebied GPG-O-17750 “Rommelskerken” met zomerpeil NAP -2,85m en winterpeil NAP -3,45m. Dit peilgebied maakt onderdeel uit van het bemalingsgebied KGM-O-11730 “De Dellen” met een maximale afvoercapaciteit van 1,41 l/s/ha.
Afbeelding 5.1
Ligging projectgebied nabij schouwsloot (Bron: Waterschap Hunze en Aa’s)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing Omdat het verhard oppervlak door dit initiatief toeneemt, is het creëren van compenserende waterberging nodig. Voor dit specifieke gebied geldt dat door de toename van 1.850 m² verhard oppervlak, er 144 m³ aanvullende waterberging gecreëerd moet worden. Hierbij mag de maximale gebiedsafvoer van 1,41 l/s/ha niet worden overschreden. Compenserende waterberging Door de toename verhard oppervlak dient er compensatie in het watersysteem te worden gerealiseerd. Compenserende maatregelen kunnen op meerdere manieren en in combinatie met elkaar worden gerealiseerd. Naast uitbreiding van het bestaande oppervlaktewater (ruimte)kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vertraagde afvoer in/op het bouwoppervlak via een groen dak, een waterdak en opvang hemelwater voor hergebruik. Indien de locatie hiervoor geschikt is kan infiltratie overwogen worden, zoals; een grindkoffer, infiltratiekratten, een infiltratieriool en/of een zaksloot. Indien infiltratie wordt overwogen, is in de meeste gevallen aanvullend onderzoek nodig over de toepasbaarheid en eventuele effecten naar de omgeving. Het waterschap heeft in het vooroverleg aangegeven dat beschreven moet worden hoe in voorliggend geval invulling wordt gegeven aan de compenserende waterberging van 144 m³.
Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie is, in overleg met het waterschap Hunze en Aa’s, ervoor gekozen om de schouwsloot met 1,5 meter te verbreden. In afbeelding 5.2 is te zien dat hier circa 110 meter voor beschikbaar is. Hiermee wordt voorzien in de benodigde compenserende waterberging van 144 m³. Het waterschap Hunze en Aa’s gaat akkoord met deze maatregel en geeft een positief wateradvies.
Afbeelding 5.2
5.4
Te verbreden sloot ten behoeve van watercompensatie (Bron: PDOK)
Conclusie
De te nemen compenserende maatregelen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zijn besproken met het waterschap Hunze en Aa’s. Het waterschap is akkoord met de voorgestelde maatregelen en geeft een positief wateradvies. Het aspect ‘water’ vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7 7.1
VOOROVERLEG
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2
Provincie Groningen
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is in het kader van vooroverleg toegezonden naar de provincie Groningen. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie is de toetsing aan het provinciale beleid in hoofdstuk 3 geactualiseerd en aangevuld. De complete reactie van de provincie Groningen is opgenomen in bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing.
7.3
Veiligheidsregio Groningen
In het kader van het vooroverleg is de Veiligheidsregio Groningen geïnformeerd over de plannen. Naar aanleiding van de reactie vanuit het vooroverleg is in maart 2022 een onderzoek uitgevoerd naar de brandveiligheid van de uitbreiding. Met dit onderzoek is aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Op de planontwikkeling zijn verder geen externe veiligheidsrisico’s van toepassing. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4. De gehele reactie van de Veiligheidsregio is opgenomen in bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing.
7.4
Waterschap Hunze en Aa’s
Het waterschap Hunze en Aa’s is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Hierna is contact opgenomen met het Waterschap over het proces en de maatregelen. Uit de uitgangspuntennotitie in bijlage 4 blijkt dat het voornemen de waterkwantiteit beïnvloed. Daarom dienen compenserende maatregelen te worden genomen. Ten tijde van het vooroverleg heeft het waterschap aangegeven dat in deze onderbouwing dient te worden opgenomen hoe invulling wordt gegeven aan de compenserende waterberging, zie hiervoor bijlage 5. Op basis hiervan zijn de te nemen maatregelen bepaald. Deze maatregelen zijn in overleg met het waterschap bepaald. Het waterschap heeft mondeling aangegeven akkoord te gaan met de in deze onderbouwing genoemde maatregelen. Verwezen wordt naar paragraaf 5.3 van deze ruimtelijke onderbouwing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 8
CONCLUSIE
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of de uitbreiding van het vleeskuikenbedrijf aan de Noorderstraat 25 te Noordbroek in de gemeente Midden-Groningen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief is beoordeeld in relatie tot de relevante beleidsuitgangspunten uit het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. De uitkomst van deze analyse is dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de relevante beleidsuitgangspunten. Tevens in de ontwikkeling getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten die in een goede ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Hierbij is ingegaan op hoe de ontwikkeling past binnen het vigerende beleid en wetgeving ten aanzien van de betreffende milieu- en omgevingsaspecten. Hierin is in beeld gebracht welke effecten de ontwikkeling heeft op het projectgebied en de directe omgeving en omgekeerd: welke effecten de directe omgeving heeft op de voorgenomen ontwikkeling. De uitbreiding van het vleeskuikenbedrijf leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Er wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van het vleeskuikenbedrijf aan de Noorderstraat 25 te Noordbroek in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1
Aanmeldnotitie m.e.r.- beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1a
Toelichting op de Aanmeldnotitie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
AERIUS berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4
Uitgangspuntennotitie waterschap
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Omgevingsvergunning Noorderstraat 25, Noordbroek Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 5
Vooroverlegreacties
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49