04. Kolham - Hoofdstraat 42-42a - motivering
Tekst van het document
Kolham- Hoofdweg 42-42a Motivering Datum: 7 november 2024
Pagina 1 van 37
1 Inleiding 1.1 Aanleiding In het kader van het Scholenprogramma zijn veel basisscholen verhuisd naar nieuwgebouwde kindcentra. Veel oude schoolgebouwen zijn daardoor leeg komen te staan. In het kader van het Programma vrijkomende (school)locaties worden deze gebouwen veelal gesloopt en wordt aan deze percelen een nieuwe functie toegekend. Gelet op de grote woningbouwopgave die de gemeente Midden-Groningen heeft voor de komende jaren zal aan deze percelen veelal een woonbestemming worden toegekend. Zo ook het perceel van de voormalige basisschool in Kolham. Op het perceel aan de Hoofdweg 42-42a wordt met het voornemen de bouw van 3 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Met dit wijzigingsbesluit wordt het tijdelijk deel van het omgevingsplan Midden-Groningen gewijzigd. De wijziging heeft betrekking op het wijzigen van de functie ''Maatschappelijk-Onderwijs'' naar de functie ''Wonen''. Deze motivering gaat in op de achtergronden van dit wijzigingsbesluit en de relatie met het wettelijk kader. Naast de motivering is er een toelichting op het omgevingsplan. Deze gaat in op de technische kenmerken van het plan en bevat ook de juridische plantoelichting. Die toelichting is in het wijzigingsbesluit te vinden.
1.2 Het wijzigingsbesluit Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet zorgt voor veranderingen in de wet- en regelgeving rondom ruimtelijke ordening, bouwen, milieu en andere thema’s die samenhangen met de fysieke leefomgeving. Een gevolg van de Omgevingswet is dat het instrument ‘bestemmingsplan’ komt te vervallen. Hiervoor in de plaats is het gemeente brede omgevingsplan gekomen. Het gemeentelijke omgevingsplan bevat, net als het bestemmingsplan, regels over ruimtelijke ordening, bouwen, aanleggen en slopen. Maar de reikwijdte van het omgevingsplan is breder: ook regels uit gemeentelijke verordeningen, die gaan over de fysieke leefomgeving, komen terecht in het omgevingsplan. Daarnaast bevat het omgevingsplan regels over milieu. Het gaat daarbij vaak om regels die voorheen vanuit de Rijksoverheid werden gesteld, zoals waarden voor geluid. Zulke oude rijksregels worden aangeduid als de ‘bruidsschat’. Het planvoornemen wordt getoetst aan deze bruidsschat regels in hoofdstuk 4. Het omzetten van het oude naar het nieuwe stelsel kost tijd. Het omgevingsplan komt stapsgewijs tot stand. De voorheen geldende bestemmingsplannen zijn van rechtswege omgezet naar een tijdelijk omgevingsplan. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om dit om te zetten naar een gemeentedekkend omgevingsplan waarin alle rijksregels zijn verwerkt.
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zitten in dit geval regels uit het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan KolhamFroombosch' (vastgesteld op 4 juli 2013). In paragraaf 2.3 wordt nader ingegaan op welke regels dit specifiek zijn. De komende jaren zal het tijdelijke deel van het omgevingsplan van Midden-Groningen stapsgewijs worden vervangen door nieuwe regels in het omgevingsplan. Dat gebeurt met wijzigingsbesluiten. Ook met dit wijzigingsplan worden er regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervangen door nieuwe regels, die nodig zijn om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Pagina 2 van 37
1.3 Grens wijzigingsbesluit Dit wijzigingsbesluit heeft betrekking op de kadastrale percelen 2355, 2660 en 2661 aan de Hoofdweg 42-42a te Kolham. Het plangebied ligt aan een doodlopende zijstraat zuidelijk van de Hoofdweg. Direct ten westen van het plangebied is de kerk en een begraafplaats gelegen. Ten oosten van het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Op de onderstaande afbeelding is een kaart met de globale begrenzing van het plangebied van het wijzigingsbesluit opgenomen. De exacte begrenzing van het wijzigingsbesluit blijkt uit de werkingsgebieden van deze wijziging van het omgevingsplan.
Figuur 1.1
Ligging plangebied KadastraleKaart.nl
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de geschiedenis van het gebied, de huidige situatie van het plangebied, de voorgenomen ontwikkeling en het doel van het wijzigingsbesluit. In hoofdstuk 3 wordt het planvoornemen getoetst aan relevante wetgeving en beleid op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. Hierop volgend worden in hoofdstuk 4 de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu behandeld. Daarna wordt in hoofdstuk 5 getoetst aan de
Pagina 3 van 37
evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 6 en 7 gaan respectievelijk in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft een (voormalige) schoollocatie. In het plangebied bevonden zich de schoolgebouwen van de voormalige school OBS Oetkomst en Peuteropvang Net Dröge. De gebouwen zijn inmiddels gesloopt. Op de onderstaande afbeelding wordt de huidige situatie in het plangebied weergegeven:
Figuur 2.1
Huidige situatie plangebied (voor sloop schoolgebouwen) KadastraleKaart.nl
Pagina 4 van 37
2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden er in het plangebied drie vrijstaande woningen gerealiseerd. Voor de drie kavels zijn kavelpaspoorten opgesteld. Deze bevatten een overzicht van eisen die vastliggen met betrekking tot het hoofd- en bijgebouw, erfinrichting, aanzichten, kleur, materiaal en duurzaamheid. De kavelpaspoorten zijn als Kavelpaspoorten bij deze motivering gevoegd. Voor de drie vrijstaande woningen geldt elk een maximaal oppervlak van 150 m2. De woningen krijgen een zadeldak en worden maximaal 8 meter hoog, met een goothoogte van maximaal 3 meter hoog. De woningen krijgen een eigentijdse dorpse architectuur. Ook is er op elke kavel ruimte voor een bijgebouw van maximaal 100 m2. Iedere kavel biedt in de toekomstige situatie ruimte aan minimaal 2 parkeerplaatsen. Onderstaande afbeelding geeft een impressie weer van de ligging van de woning op één van de kavels. Figuur 2.2
Pagina 5 van 37
Indicatie ligging woning gemeente Midden-Groningen
2.3 Beschrijving strijdigheid Omgevingsplan Het gemeentelijk omgevingsplan van Midden-Groningen bestaat vooralsnog uit het omgevingsplan van rechtswege. Voor deze locatie is dit het geldende bestemmingsplan en de bruidsschat. Op grond van het Bestemmingsplan Kolham-Froombosch (vastgesteld 4 juli 2013) heeft de locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen: • Maatschappelijk – Onderwijs, met bouwvlak en maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 6 m; •
Waarde – Archeologie 1;
•
Waarde - Archeologie 3;
•
wro-zone – ontheffingsgebied – dh.
De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader, dat nu op een maatschappelijke functie is gericht. Hiervoor moet het planologisch regime gewijzigd worden, dan wel hierop worden afgeweken. Er is gekozen voor een realisatie via een wijziging van het omgevingsplan. Archeologie zal worden behandeld in Hoofdstuk 4. Het kleine stukje aanduiding wro-zone, voor het uitoefenen van kleinschalige detailhandel, wordt vooralsnog in stand gehouden op het perceel via de vantoepassingverklaring in de planregels in afdeling 21.2, maar zal in het toekomstige gemeentebrede omgevingsplan worden weggehaald. Dit is bedoeld voor percelen aan het lint en dit perceel ligt niet aan het lint. Hieronder is een verbeelding van het geldende bestemmingsplan opgenomen.
Pagina 6 van 37
Figuur 2.3
Vigerend bestemmingsplan Ruimtelijkeplannen.nl Er zijn ook drie andere gemeentelijke facetplannen op de locatie van toepassing, te weten: •
Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines (vastgesteld 21 juni 2018);
•
Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten (vastgesteld 20 december 2018);
•
Facetbestemmingsplan Parkeren (vastgesteld 28 november 2019);
•
Facetbestemmingsplan Paarden (vastgesteld 25 april 2024).
De facetplannen kleinschalige windturbines, parkeren en paarden wordt in de vantoepassingverklaring in de planregels overeenkomstig van toepassing verklaard. Het plan moet hieraan voldoen. Het facetplan karakteristieke objecten wordt niet meegenomen in de vantoepassingverklaring in de planregels. Het perceel heeft namelijk geen cultuurhistorische dubbelbestemming.
Pagina 7 van 37
3 Toetsing aan beleid en regelgeving 3.1 Inleiding Bij het wijzigen van het omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Een omgevingsplan kan alleen worden gewijzigd als er sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De volgende beoordelingsregels uit het Bkl gelden: •
De instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl;
•
De instructieregels van de provincie (Provinciale Omgevingsverordening Groningen);
•
Eventuele instructiebesluiten van Rijk en provincie;
• De regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een maatwerkregel. Een nadere uiteenzetting van de instructieregels volgt hierna. Daarnaast hebben de gemeente en het waterschap ook beleidsregels opgesteld. Dit komt in de volgende paragrafen aan de orde.
3.2 Rijk 3.2.1 Instructieregels In het Bkl is een groot aantal instructieregels opgenomen waarvan het merendeel niet relevant is voor dit planvoornemen. De meest relevante instructieregels betreffen de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de waterbelangen, het beschermen van de gezondheid en van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, het behoud van ruimte voor toekomstige functies, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In onderstaande tabel wordt aangegeven welke thema's uit het Bkl relevant zijn voor voorliggende ontwikkeling en wordt verwezen naar de corresponderende paragraaf in hoofdstuk 4. Figuur 3.1 Thema
Paragraaf Bkl
Relevant voor besluit?
Verwijzing paragraaf H4
Veiligheid
5.1.2
Ja
Paragraaf 4.7
Waterbelangen
5.1.3
Ja
Paragraaf 4.3
Luchtkwaliteit
5.1.4.1
Ja
Paragraaf 4.8
Geluid door Activiteiten
5.1.4.2
Ja
Paragraaf 4.6
Pagina 8 van 37
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein
5.1.4.2a
Ja
Slagschaduw van windturbines
5.1.4.4a
Nee
Trillingen
5.1.4.4
Nee
Bodemkwaliteit
5.1.4.5
Ja
Geur
5.1.4.6
Nee
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.1.5.4
Ja
Paragraaf 4.11
Cultureel erfgoed en werelderfgoed
5.1.5.5
Ja
Paragraaf 4.2
Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen
5.1.6.2
Nee
Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang
5.1.6.3
Nee
Elektriciteitsvoorziening
5.1.7.3
Nee
Rijksvaarwegen
5.1.7.4
Nee
Toegankelijkheid openbare ruimte
5.1.8
Nee
Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkwegen
5.2
Nee
Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool
5.2
Nee
Bebouwingscontour jacht
5.2
Nee
Pagina 9 van 37
Paragraaf 4.5
Paragraaf 4.1
Bebouwingscontour houtkap
5.2
Nee
Geluid rond luchthavens
5.1.4.3
Nee
Vrije horizon kust
5.1.5.2
Nee
Waddenzee en Waddengebied
5.1.5.3
Nee
Landsverdediging
5.1.7.2
Nee
Communicatie burgerluchtvaart
5.1.7.5
Nee
Landelijke fiets- en wandelroutes
5.2
Nee
Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's
5.2
Nee
Instructieregels Bkl 3.2.2 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:
1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Pagina 10 van 37
Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling op rijksniveau. De ontwikkeling valt daarom buiten de werking en doelstellingen van het rijksbeleid. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.
3.3 Provincie 3.3.1 Omgevingsvisie provincie Groningen Doel van de provinciale Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken. Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.
In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':
1. RUIMTE: •
Aantrekkelijk vestigingsklimaat;
•
Ruimte voor duurzame energie;
•
Vitale landbouw.
2. NATUUR EN LANDSCHAP •
Beschermen landschap en cultureel erfgoed;
•
Vergroten biodiversiteit.
3. WATER •
Waterveiligheid;
Pagina 11 van 37
•
Schoon en voldoende water.
4. MOBILITEIT: •
Bereikbaarheid.
5. MILIEU: •
Tegengaan milieuhinder;
•
Gebruik van de ondergrond.
De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.
3.3.2 Omgevingsverordening provincie Groningen De Omgevingsverordening provincie Groningen (hierna Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. Hieronder zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het projectgebied. Thema's die geen invloed hebben op het voornemen, worden niet aangehaald.
Aardbevingsgebied (afdeling 3.2 Omgevingskwaliteit) Het plangebied ligt binnen het aardbevingsgebied. Voor locaties binnen het aardbevingsgebied worden regels gesteld met het oog op; • het beschermen van cultuurhistorisch erfgoed, voor zover het gaat over de hoofdvorm van de karakteristieke en beeldbepalende gebouwen; •
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het plangebied staan geen karakteristieke en beeldbepalende gebouwen. Wel is het plangebied gelegen naast een rijksmonument (de kerk van Kolham). Met de uitvoering van het planvoornemen wordt dit monument niet aangetast. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2. Ook is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit blijkt uit deze motivering. Het planvoornemen is daarmee niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening.
Pagina 12 van 37
3.4 Gemeente 3.4.1 Omgevingsvisie Midden-Groningen Op 2 november 2023 is de Omgevingsvisie Midden-Groningen vastgesteld. De Omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen met twee doelen: • Het geeft de stip op de horizon over hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met de ruimtelijke opgaven die op haar afkomen, zoals de noodzaak voor meer woningen, duurzame energie of het vinden van geschikte ruimte voor bedrijven. Dit is vertaald in 8 speerpunten, deze worden hieronder beschreven. • Daarnaast geeft de Omgevingsvisie het kader hoe de gemeente ideeën en plannen van inwoners of ondernemers zal beoordelen. Dit geldt voor plannen die niet in het Omgevingsplan passen.
De speerpunten van deze omgevingsvisie zijn doelen voor inrichting en gebruik van onze omgeving. De doelen uit de omgevingsvisie helpen om brede welvaart te bereiken. De speerpunten komen voort uit de opbrengsten van de participatie, uit bestaand beleid dat nog steeds belangrijk is en uit trends en ontwikkelingen die om nieuw beleid vragen. De 8 speerpunten van de gemeente MiddenGroningen zijn: •
Veilig en gezonde woon- en leefomgeving uitnodigend voor bewegen en ontmoeten;
• Beleefbare omgeving met behoud en versterking van verschillen in het landschap en kernen en hun karakter/historie; •
Voldoende en betaalbare woningen voor eigen inwoners en voor nieuwe inwoners;
• Ontwikkeling naar een toekomstbestendige landbouw en toekomstbestendig buitengebied met een groeiende betekenis voor recreatie en vrijetijdseconomie; •
Ruimte voor bedrijvigheid en ondernemen in balans met de omgeving en arbeidsmarkt;
•
Ontwikkeling naar minder energieverbruik, groene en betaalbare energie;
•
Voorsorteren op veranderingen in het klimaat en versterking van de biodiversiteit;
•
Goede fysieke én digitale bereikbaarheid en toegankelijkheid.
Uit de Omgevingsvisie blijkt dat er voor alle kernen in de gemeente Midden-Groningen sprake is van een woningtekort. Met het planvoornemen worden 3 nieuwe woningen gerealiseerd. Daarmee sluit het planvoornemen aan op het speerpunt ''voldoende en betaalbare woningen voor eigen inwoners en voor nieuwe inwoners''. Het planvoornemen is daarmee passend bij de Omgevingsvisie Midden-Groningen.
Pagina 13 van 37
3.4.2 Welstandsnota Midden-Groningen 2020 Op 25 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Midden-Groningen haar geharmoniseerde en geactualiseerde Welstandsnota vastgesteld. Het omgevingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het omgevingsplan geeft aan waar, wat, hoeveel, ten behoeve van welke functie en in welke vorm gebouwd mag worden. Het welstandsbeleid geeft aan hoe het gebouw er uit mag komen te zien. Welstandsbeleid moet daarbij voorkomen dat er bouwwerken gebouwd worden die afbreuk doen aan de omgeving. Op de bijbehorende welstandskaart is het plangebied aangeduid als hoofdlint. De linten worden hoog gewaardeerd vanwege hun historisch waardevolle ruimtelijke structuur en het karakteristieke aanzicht, waarin de ontwikkelingsgeschiedenis goed herkenbaar is. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uiteindelijk getoetst aan de in de Welstandsnota opgenomen criteria voor de linten. Ook zijn voor deze woningen kavelpaspoorten opgesteld. Deze kavelpaspoorten zijn als bijlage opgenomen en bevatten een overzicht van eisen met betrekking tot het hoofd- en bijgebouw, erfinrichting, aanzicht, kleur en materiaal en duurzaamheid. Figuur 3.2
Welstandskaart Welstandsnota Midden-Groningen
Pagina 14 van 37
3.4.3 Woonvisie Nieuw Midden-Groningen 2019-2028 De gemeente heeft in 2022 samen met de woningcorporaties en huurderorganisaties een woningmarktonderzoek uit laten voeren. Uit dit onderzoek blijkt dat de woningbouwopgave groter is dan in de Woonvisie Nieuw Midden-Groningen 2019-2028 is benoemd. In 2023 is de woondeal voor de regio Groningen-Assen getekend. Deze woondeal bevat woningbouwafspraken tussen Rijk, provincies Groningen en Drenthe én de gemeenten uit de regio Groningen-Assen. De opgave voor Midden-Groningen is 1.350 woningen in de periode 2022-2030. De gemeente stelt in 2024 een nieuwe woonvisie vast. De koers blijft gericht op zelfstandige netwerken van kleine en grote dorpen, versterken van het stedelijk gebied van Hoogezand en Sappemeer. In de dorpen tussen Harkstede en Slochteren (Kolham, Schermer, Woudbloem, Froombosch) moeten 60-80 woningen worden toegevoegd. Met het planvoornemen worden 3 nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd op een vrijkomende plek. Dit sluit aan bij de Woondeal uit 2023.
3.4.4 Archeologische verwachtingskaart (2021) Uitgangspunt van het gemeentelijk archeologisch beleid is het behoud van waardevolle archeologische waarden en van cultuurhistorische en cultuur landschappelijke relicten. De feitelijke bescherming van de archeologische en cultuurlandschappelijke waarden wordt geregeld in bestemmingsplannen en de erfgoedverordening. Voor het grondgebied van de gemeente MiddenGroningen beschikt de gemeente over een verwachtingskaart archeologie en cultuurhistorie (2021). Op het aspect archeologie wordt in paragraaf 4.1 nader ingegaan.
4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.1.1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2). Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal). Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Pagina 15 van 37
4.1.2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt er bebouwing toegevoegd waarin mensen langer dan 2 uur aanwezig zijn. Er is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bodemonderzoek bij deze motivering gevoegd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de hypothese ‘onverdacht’ formeel verworpen worden daar er licht verhoogde gehalten en concentraties aan onderzochte parameters in de grond en het grondwater zijn vastgesteld. Er zijn geen verhoogde gehalten/concentraties ten opzichte van de interventiewaarde vastgesteld in zowel de grond als het grondwater. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Uit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen eigendomsoverdracht van de locatie. De bodem is geschikt voor woningbouw.
4.1.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect bodem.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
4.2.2 Onderzoek Archeologie In het geldende omgevingsplan is er voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 1' opgenomen. Hier geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor bouwwerken met een oppervlak groter dan 50 m2. Archeologisch onderzoek is daarmee dus noodzakelijk voor de realisatie van het planvoornemen. Er is door De Steekproef een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is als Archeologisch bureauonderzoek bij deze motivering gevoegd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het gebied een hoge verwachting heeft voor archeologische waarden uit de steentijd tot midden bronstijd en vanaf de late middeleeuwen. Het advies van De Steekproef luidt om het plangebied door middel van verkennende boringen te onderzoeken. Hiermee kan de gaafheid van de bodem worden bepaald, en daarmee wat de kans is op intacte archeologische waarden.
Pagina 16 van 37
Er heeft inventariserend archeologisch veldonderzoek, door middel van boringen, plaatsgevonden in het plangebied. Dit onderzoek is als Archeologisch veldonderzoek bij deze motivering gevoegd. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. De bodem is bovendien vergraven tot in het schone dekzand. De bodemlagen die eventueel archeologische waarden zouden kunnen bevatten, de podzolbodem in het dekzand (steentijd) en de lagen daarboven (middeleeuwen), zijn hierbij verdwenen. Door de mate van verstoring/verspoeling in de bodem en vanwege de afwezigheid van bodemhorizonten, cultuurlagen en archeologische indicatoren bestaat derhalve geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek. Op basis van de resultaten van het onderzoek concludeert ook de gemeente dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. De bodem is onder andere door de sloop van de voormalige school grotendeels verstoord en het plangebied kan dan ook worden vrijgegeven voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch mogelijke archeologische sporen of vondsten worden aangetroffen, dan geldt een wettelijke meldingsplicht. Er dient dan zo snel mogelijk melding te worden gedaan bij de gemeente Midden Groningen.
Cultuurhistorie Het initiatief tast geen cultuurhistorische waarden aan. Er staan in het plangebied geen monumenten of karakteristieke bebouwing. Wel is de naast het plangebied gelegen kerk aangewezen als rijksmonument. Als bouwhoogte van de te realiseren woningen is er gekozen voor een bouwhoogte van (maximaal) 8 meter vanwege de rijkmonumentale kerk. Ook de kleur en materiaalkeuze van de te realiseren woningen worden ondergeschikt aan de kerk. Het rijksmonument wordt daarmee niet aangetast met het planvoornemen. Verder is de Hoofdweg een historische weg, met deze ontwikkeling wordt de historische weg niet aangetast.
4.2.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
4.3 Water 4.3.1 Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: •
het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
Pagina 17 van 37
•
het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
•
het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Verder zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Verplichte omgevingswaarden • Zowel het Rijk, de provincie en gemeenten (kunnen) werken met omgevingswaarden. Deze worden hieronder beschreven: Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (artikel 2.15 Ow). • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het Rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het Rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (artikel 2.13 Ow). • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient de wijziging van het omgevingsplan ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.
4.3.2 Onderzoek Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor is het planvoornemen ingediend bij Waterschap Hunze en Aa's. De aanvraag digitale watertoets heeft op 25 maart 2024 plaatsgevonden. Uit de watertoets kwam naar voren dat de korte procedure kan worden doorlopen. Dit blijkt tevens uit de Uitgangspuntennotitie wateradvies. In de uitgangspuntennotitie van het waterschap staat o.a. het volgende beschreven: Specifieke en aanvullende uitgangspunten Het plangebied ligt binnen een peilgebied met een zomer- en winterpeil van NAP-1,25 meter en 1,55 meter. Langs de oostzijde van het plangebied ligt een overige sloot die in zuidelijke richting afwatert naar een schouwsloot en vervolgens op de daar aanwezige hoofdwatergang.
Pagina 18 van 37
In de oorspronkelijke situatie werd het hemelwater afgevoerd naar het gemengde rioolstelsel aan de westzijde van het plangebied. Binnen de planontwikkeling zal de hemelwaterafvoer naar de oostelijk sloot langs het plangebied plaats gaan vinden. Met de afvoer van het hemelwater van de te realiseren verharding van 1552 m2 binnen het plangebied komt volgens de nieuwste klimaatscenario’s van het KNMI in maatgevende situatie 100mm neerslag tot afvoer in 12 uur, wat een noodzakelijk bergingsvolume van 142 m3 met zich mee brengt. Uit nadere afstemming tussen het waterschap en de gemeente blijkt dat de overstort van het huidige rioolsysteem binnen het peilgebied van het plangebied ligt waardoor dit bergingsvolume al in het watersysteem aanwezig is en niet gecompenseerd hoeft te worden. Daarvoor is het echter wel noodzakelijk, dat de afvoer van het regenwater van het plangebied naar het hoofdwatersysteem van het waterschap met voldoende (hydraulische) capaciteit gewaarborgd is. Er zal berekend moeten worden of afvoer via de aanwezige sloot langs het plangebied richting de schouwsloot mogelijk is of dat daar aanpassingen noodzakelijk zijn. Op 21 oktober 2024 heeft er een hydraulische toetsing plaatsgevonden van het huidige en toekomstige watersysteem van het plangebied (bijlage Hydraulische toetsing watergang).
Uit de berekeningen van het watersysteem dat het overtollig water uit het plangebied en omgeving moet afvoeren blijkt dat de afvoercapaciteit voldoende is om het extra verhard oppervlak dat zal afwateren op het systeem af te kunnen voeren. Er zal nader overleg plaatsvinden met het waterschap waarbij gekeken wordt naar de beste oplossing om de afvoercapaciteit van het plangebied te garanderen bij extreme buien. Mogelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld afwateren via een zaksloot, via de sloot die langs het plangebied loopt, via een aansluiting op de schouwsloot die ten westen van de kerk loopt of via het riool. De definitieve maatregel(en) worden vastgesteld in het kavelpaspoort, dat een bijlage is bij de koop- en ontwikkelovereenkomst, die per koper wordt afgesloten. Waterkwaliteit Vervuiling van het oppervlaktewater moet zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits; 'schoonhouden, scheiden, zuiveren'. Er vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats binnen het plangebied, er is daarom geen sprake van door bedrijfsmatige activiteiten vervuild hemelwater.
Bij de definitieve maatregelen om de afvoercapaciteit van het plangebied te garanderen bij extreme buien wordt rekening gehouden met het voorkomen van vervuiling van het oppervlaktewater. Adaptatie op lokale bodemdaling Het beheergebied van het waterschap Hunze en Aa's wordt gekenmerkt door drie verschillende vormen van bodemdaling, namelijk; door gaswinning, door zoutwinning en door veenoxidatie. Bodemdaling door gaswinning heeft lokaal geen grote invloed op het functioneren van het watersysteem, maar regionaal dient het watersysteem hierop wel maatregelen te treffen. Bodemdaling door zoutwinning en veenoxidatie kunnen wel tot lokale maatregelen leiden in het watersysteem. Het plan ligt in een gebied waar sprake is van bodemdaling door aardgaswinning. Het waterschap adviseert om rekening te houden met het volgende bij het verder uitwerken van het plan. Het waterschap heeft niet aangegeven welke specifieke maatregelen genomen moeten worden. In diverse overleggen is over de planvorming gesproken en we gaan er daardoor vanuit dat dit voldoende is.
Pagina 19 van 37
4.3.3 Conclusie Het milieuaspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.4 Ecologie 4.4.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming komen, ingedeeld naar doelgroep, terecht in een van de volgende drie besluiten: •
Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal)
•
Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl)
•
Omgevingsbesluit (Ob)
4.4.2 Onderzoek Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is er door Dillerop natuuradvies een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het rapport van de inventarisatie is als Beknopte natuurtoets bij deze motivering gevoegd. Uit de toetsing komt naar voren dat er in het plangebied zich geen strikt beschermde dier- of plantensoorten bevinden die door de voorgenomen werkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In het kader van de te doorlopen planologische procedure zijn er vanuit de Omgevingswet geen belemmeringen. In de directe omgeving van het plangebied komen mogelijk wel algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. En zullen geen effecten optreden, mits men zich houdt aan de zorgplicht. In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. Tijdens de sloopwerkzaamheden zijn voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied aangetast.
Er treden door het voornemen geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Als er een steenmarter wordt aangetroffen, wordt er een ontheffingsverzoek aangevraagd.
Pagina 20 van 37
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander gebied beschermd middels de Omgevingswet. Er is geen sprake van externe werking. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland.
Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd. Om vast te stellen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is als bijlage bij deze motivering gevoegd.
Uit de berekening blijkt dat er door de stikstofdepositie geen negatief effect optreedt in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000activiteit is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.
4.4.3 Conclusie Zowel het aspect soortenbescherming als het aspect gebiedsbescherming (inclusief stikstof) vormen geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.
4.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4.5.1 Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.
4.5.2 Onderzoek Op de locaties worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen toegevoegd (woningen) binnen het geluidaandachtsgebied van de Hoofdweg. Daarom is toetsing aan de standaardwaarden en
Pagina 21 van 37
grenswaarden zoals opgenomen in het Bkl nodig. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Deze is als Akoestisch onderzoek aan deze motivering gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat op alle woningen aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentelijke wegen wordt voldaan. De nieuwe geluidsgevoelige gebouwen liggen niet binnen geluidsaandachtsgebieden van andere geluidsbronnen. De realisatie van de woningen is mogelijk zonder verdere verplichtingen ten aanzien van geluid. Ten aanzien van gevelisolatie volstaat de standaardeis van 20 dB uit het Beluit Bouwwerken leefomgeving.
4.5.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
4.6 Geluid door (bedrijfsmatige) activiteiten 4.6.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).
4.6.2 Onderzoek Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het plangebied aanvaardbaar is, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering te raadplegen. Door middel van zogeheten milieuzonering waarborgt men doorgaans dat er voldoende afstand wordt gehouden tussen hinderveroorzakende functies en gevoelige functies. Richtlijnen voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. De richtafstanden die hierin zijn opgenomen, hebben betrekking op geluid, maar ook op geur, stof en gevaar. Deze drie laatst genoemde aspecten komen, indien relevant, in de andere paragrafen van dit hoofdstuk aan de orde.
De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit is bijvoorbeeld ook het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar liggen. Ook rondom het plangebied zijn in de huidige situatie al verschillende maatschappelijke bestemmingen aanwezig, zoals een kerk en een begraafplaats. Ook ligt het plangebied aan (een zijstraat van) een lint in een dorpskern waarin woonfuncties, maatschappelijke functies en gemengde functies naast elkaar liggen. Er kan daarom worden gemotiveerd dat het plangebied gelegen is in gemengd gebied. Omdat het plangebied gelegen is in een gemengd gebied kan de richtafstand voor geluid met 1 afstandstap verkleind worden.
Pagina 22 van 37
Het planvoornemen zorgt voor de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies. Het is daarom nodig te onderzoeken welke bedrijven en functies er in de omgeving zijn die mogelijk effect kunnen hebben op het plangebied. Rondom het plangebied is de volgende bedrijvigheid gelegen: • Op circa 25 meter ten westen van het bouwvlak van de te realiseren woning is een kerk gelegen. Voor kerken geldt een richtafstand van 30 meter (bedrijfscategorie 2). Bij een gemengd gebied kan deze richtafstand voor geluid met 1 afstandstap verkleind worden. Voor de kerk geldt in dit geval een richtafstand van 10 meter. Hieraan kan worden voldaan. Ook betreft de kerk een dorpskerk met slechts een dorpsfunctie. De geluidshinder van de kerk zal zodanig van aard zijn, dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. • Op circa 15 meter ten westen van het bouwvlak van de te realiseren woningen is een begraafplaats gelegen. Voor begraafplaatsen geldt een richtafstand van 10 meter (bedrijfscategorie 1). Deze richtafstand kan in een gemengd gebied worden teruggebracht naar 0 meter. Hieraan kan worden voldaan.
4.6.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid door activiteiten.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke
Pagina 23 van 37
stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in:
Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.
Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: • een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 2 kW/m is, en; •
een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is.
Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Een gemeente mag hier wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties de volgende aspecten van belang:
Pagina 24 van 37
•
Beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
• Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); •
Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).
4.7.2 Onderzoek Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Dit voornemen zorgt voor de realisatie van nieuwe kwetsbare bebouwing in de vorm van 3 woningen. In dit kader is de Signaleringskaart EV geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het plangebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Signaleringskaart EV weergegeven. Figuur 4.1
Pagina 25 van 37
Signaleringskaart EV nl.ev-signaleringskaart.nl
Zoals is te zien op de uitsnede van de Signaleringkaart is het plangebied niet gelegen in het aandachtsgebied van risicovolle transportroutes, buisleidingen of andere risicobronnen.
4.7.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect externe veiligheid.
4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Toetsingskader In een aandachtsgebied in het kader van luchtkwaliteit moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als die zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: •
beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
•
ammoniakemissies van veehouderijen;
•
geologische opslag van CO2.
Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke 'voortoets' is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.
Pagina 26 van 37
4.8.2 Onderzoek Met het planvoornemen worden drie vrijstaande woningen gerealiseerd. Het CROW heeft voor verschillende variabelen kencijfers. Er is gebruikgemaakt van CROW publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Het plangebied is geclassificeerd als weinig stedelijk en is gelegen in de rest van de bebouwde kom. Voor de verkeersgeneratie van een vrijstaande (koop)woning is in dat geval een kengetal van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal opgenomen. De realisatie van drie vrijstaande woningen zorgt daarmee voor een verkeersgeneratie van maximaal 26 voertuigenbewegingen.
Onderzoek nibm-tool Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibmtool 2022 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Figuur 4.2
Ingevulde NIBM-tool www.IPLO.nl Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibmproject. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer en de afstand tot een aandachtsgebied is niet noodzakelijk.
Pagina 27 van 37
Onderzoek achtergrondniveau Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2022, welke in maart 2022 zijn gepubliceerd. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de volgende tabel. Figuur 4.3 Luchtconcentratie
Norm jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
uurgemiddelde concentratie
200 μg/m3
PM2.5
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
PM10
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
24-uurgemiddelde concentratie
50 μg/m3
NO2
Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10 Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven.
4.9 Verkeer en parkeren 4.9.1 Toetsingskader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden.
4.9.2 Onderzoek Verkeersgeneratie Als gevolg van het planvoornemen zal de verkeersgeneratie toenemen. In paragraaf 4.8 is berekend dat de verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen maximaal 26 motorvoertuigenbewegingen per etmaal bedraagt. Het plangebied wordt ontsloten door de
Pagina 28 van 37
Hoofdweg, deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte groei in verkeersbewegingen aan te kunnen.
Parkeren De realisatie van drie vrijstaande woningen zorgt voor een toename van de parkeerbehoefte. Het plangebied is geclassificeerd als weinig stedelijk en is gelegen in de rest van de bebouwde kom. Voor de parkeerbehoefte van een vrijstaande (koop)woning is in dat geval een kengetal van minimaal 1,9 parkeerplekken per woning opgenomen. De realisatie van drie vrijstaande woningen zorgt daarmee voor een parkeerbehoefte van minimaal 6 parkeerplekken. De parkeerbehoefte wordt in de toekomstige situatie op eigen erf opgelost. Iedere kavel biedt ruimte aan minimaal 2 parkeerplaatsen. Bezoekers dienen te parkeren aan de Hoofdweg, waar extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
4.9.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect verkeer en parkeren.
4.10 Duurzaamheid en gezondheid 4.10.1 Toetsingskader Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals verwoord in hoofdstuk 3 (Transitievisie Warmte, Groenvisie en Klimaatvisie). Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. De bruidsschat kent een artikel betreffende energiebetreffende maatregelen (artikel 22.52). Hieraan zal voldaan moeten worden. De gemeente gaat uit van de volgende opeenvolgende principes bij duurzaamheid: •
besparen;
•
isoleren;
•
opwekken.
4.10.2 Onderzoek Duurzaamheid De gemeente Midden-Groningen hecht waarde aan duurzaamheid en volgt de wettelijke kaders op dit gebied. Belangrijke regelgeving die hierbij wordt gehanteerd, omvat de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) en de normen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Deze regelgeving vereist respectievelijk dat nieuwe bouwprojecten voldoen aan vastgestelde milieu-impactnormen en criteria voor energiezuinigheid en duurzaamheid.
Pagina 29 van 37
Daarnaast heeft de gemeente Midden-Groningen de ambitie om duurzame en klimaatadaptieve wijken/buurten/dorpen te realiseren. Speerpunten hierbij zijn een lager energieverbruik, een waterhuishouding die ook in de toekomst geen wateroverlast geeft en gebruik van materialen die herbruikbaar zijn (circulair). Naast dat de gemeente hieraan bijdraagt bij de inrichting van het openbaar gebied (indien hier sprake van is) kunnen ook ontwerpers, bouwers/ontwikkelaars en bewoners van de nieuwe woningen hieraan bijdragen. Zij kunnen mede de voorwaarden creëren voor een hoge levenskwaliteit voor mens en natuur, voor nu en voor later. Voor de woningbouwontwikkeling op de vrijkomende locaties worden naast de toolbox natuurinclusief bouwen (www.bouwnatuurinclusief.nl), praktische handvaten, onderstaande punten meegegeven als inspiratie en ambitie om een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving te creëren. Energiebesparing en toepassing van Duurzame Energie De gemeente stimuleert het toepassen van een hogere energieprestatie dan wettelijk vereist door een lagere warmtevraag en optimaal gebruik van duurzaam opgewekte energie. Aandachtspunt bij de warmtevoorziening is het gevolg van de voorstellen voor de belasting op het elektriciteitsnet, met name als het gaat over het verlagen van de mogelijke piekvraag.
Als het gaat over de keuze voor een bron bij gebruik van een warmtepomp heeft toepassing van een bodembron de voorkeur. Bij toepassing van zonnepanelen heeft een oost-west oriëntatie de voorkeur. Ook is er een voorkeur voor toepassing van gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning en bijzondere aandacht voor luchtdichtheid van de woningen. Circulariteit / materiaalgebruik Hierbij is een scherpere dan de wettelijk vereiste MPG-score wenselijk. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van hergebruikte materialen en natuurlijke materialen. Zo kan bij de keuze van de constructie hout worden toegepast en kan bij isolatie worden gekozen voor natuurlijk/biobased isolatiemateriaal. Hierbij is zowel de CO2-opslag van met name biobased materialen als de uitstoot bij de productie van materialen van belang. Ook is het wenselijk om materialen zonder toxische stoffen toe te passen. Hierdoor kunnen restmaterialen makkelijk worden hergebruikt. Als laatste is van belang dat materialen, die gecombineerd met andere materialen worden toegepast, op termijn weer makkelijk uit elkaar te halen zijn en voor hergebruik geschikt gemaakt kunnen worden. Klimaatadaptatie Maak gebruik van mogelijkheden om regenwater vast te houden en in de woning te gebruiken, bijvoorbeeld door toepassing van groene dak en of door toepassen van regenkratten, regentonnen of grindstroken langs de gevel.