CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Bijlage 2. Regels bij het wijzigingsbesluit en motivering bij het wijzigingsbesluit Kerkstraat, Zuidbroek

Raadsvergadering 27 november 2025, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Kerkstraat Zuidbroek19.363 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

23

Thema

Paragraaf Bkl

Relevant voor besluit?

Verwijzing paragraaf H4

Veiligheid

5.1.2

Ja

Paragraaf 4.7

Thema

Paragraaf Bkl

Relevant voor besluit?

Verwijzing paragraaf H4

Waterbelangen

5.1.3

Ja

Paragraaf 4.3

Luchtkwaliteit

5.1.4.1

Ja

Paragraaf 4.8

Geluid door activiteiten

5.1.4.2

Ja

Paragraaf 4.6

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein

5.1.4.2a

Ja

Paragraaf 4.5

Slagschaduw van windturbines

5.1.4.4a

Nee

Trillingen

5.1.4.4

Nee

Bodemkwaliteit

5.1.4.5

Ja

Geur

5.1.4.6

Nee

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.5.4

Ja

Paragraaf 4.11

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

5.1.5.5

Ja

Paragraaf 4.2

Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen

5.1.6.2

Nee

Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang

5.1.6.3

Nee

Elektriciteitsvoorziening

5.1.7.3

Nee

Rijksvaarwegen

5.1.7.4

Nee

Toegankelijkheid openbare ruimte

5.1.8

Nee

Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen

5.2

Nee

Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool

5.2

Nee

Bebouwingscontour jacht

5.2

Nee

Bebouwingscontour houtkap

5.2

Nee

Geluid rond luchthavens

5.1.4.3

Nee

Vrije horizon kust

5.1.5.2

Nee

Waddenzee en Waddengebied

5.1.5.3

Nee

Landsverdediging

5.1.7.2

Nee

Communicatie burgerluchtvaart

5.1.7.5

Nee

Landelijke fiets- en wandelroutes

5.2

Nee

Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's

5.2

Nee

Paragraaf 4.1

3.2.2 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten

24

gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en 3. afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes worden benut. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland.

Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling op rijksniveau of ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. De ontwikkeling valt daarom buiten de werking en doelstellingen van het rijksbeleid. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

3.3 Provincie 3.3.1 Omgevingsvisie provincie Groningen Doel van de provinciale omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies als wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken. Een belangrijk doel van de omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen, samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

In deze omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen'. 1. RUIMTE • Aantrekkelijk vestigingsklimaat • Ruimte voor duurzame energie • Vitale landbouw

2. NATUUR EN LANDSCHAP • Beschermen landschap en cultureel erfgoed • Vergroten biodiversiteit

25

3. WATER • Waterveiligheid • Schoon en voldoende water

4. MOBILITEIT • Bereikbaarheid

5. MILIEU • Tegengaan milieuhinder • Gebruik van de ondergrond

De omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.

3.3.2 Omgevingsverordening provincie Groningen De Omgevingsverordening provincie Groningen (hierna: omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. Hierna zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het plangebied. Thema's die geen invloed hebben op het voornemen, worden niet aangehaald. Alle locaties zijn onderdeel van het bebouwd, stedelijk gebied. Er worden nieuwe woningen gebouwd en daarmee is de paragraaf 3.4.2 van de provinciale omgevingsverordening van toepassing. De van toepassing zijnde voorwaarde is dat het initiatief moet voldoen aan de gemeentelijke woonvisie. Het initiatief wordt hieraan getoetst in paragraaf 3.4.3. Uit deze toetsing volgt dat het initiatief hieraan voldoet. Er zijn geen andere relevante thema's van invloed op het voornemen. Het planvoornemen is daarmee niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening.

3.4 Gemeente 3.4.1 Omgevingsvisie Midden-Groningen Op 2 november 2023 is de Omgevingsvisie Midden-Groningen vastgesteld. De omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen met twee doelen: • Het geeft de stip op de horizon over hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met de ruimtelijke opgaven die op haar afkomen, zoals de noodzaak voor meer woningen, duurzame energie of het vinden van geschikte ruimte voor bedrijven. Dit is vertaald in acht speerpunten, deze worden hierna beschreven. • Daarnaast geeft de omgevingsvisie het kader hoe de gemeente ideeën en plannen van inwoners of ondernemers zal beoordelen. Dit geldt voor plannen die niet in het omgevingsplan passen.

De speerpunten van de omgevingsvisie zijn doelen voor inrichting en gebruik van onze omgeving. De doelen uit de omgevingsvisie helpen om brede welvaart te bereiken. De speerpunten komen voort uit de opbrengsten van de participatie, uit bestaand beleid dat nog steeds belangrijk is en uit trends en ontwikkelingen die om nieuw beleid vragen. De acht speerpunten van de gemeente Midden-Groningen zijn: • Veilig en gezonde woon- en leefomgeving uitnodigend voor bewegen en ontmoeten • Beleefbare omgeving met behoud en versterking van verschillen in het landschap en kernen en hun karakter/historie • Voldoende en betaalbare woningen voor eigen inwoners en voor nieuwe inwoners

26

• • • • •

Ontwikkeling naar een toekomstbestendige landbouw en toekomstbestendig buitengebied met een groeiende betekenis voor recreatie en vrijetijdseconomie Ruimte voor bedrijvigheid en ondernemen in balans met de omgeving en arbeidsmarkt Ontwikkeling naar minder energieverbruik, groene en betaalbare energie Voorsorteren op veranderingen in het klimaat en versterking van de biodiversiteit Goede fysieke én digitale bereikbaarheid en toegankelijkheid

Uit de omgevingsvisie blijkt dat voor alle kernen in de gemeente Midden-Groningen sprake is van een woningtekort. Met het planvoornemen worden maximaal 8 nieuwe woningen gerealiseerd. Daarmee sluit het planvoornemen aan op het speerpunt ''voldoende en betaalbare woningen voor eigen inwoners en voor nieuwe inwoners''. Het planvoornemen is daarmee passend bij de Omgevingsvisie MiddenGroningen.

3.4.2 Welstandsnota Midden-Groningen 2020 Op 25 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Midden-Groningen haar geharmoniseerde en geactualiseerde welstandsnota vastgesteld. Het omgevingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het omgevingsplan geeft aan waar, wat, hoeveel, ten behoeve van welke functie en in welke vorm mag worden gebouwd. Het welstandsbeleid geeft aan hoe het gebouw eruit mag komen te zien. Welstandsbeleid moet daarbij voorkomen dat bouwwerken worden gebouwd die afbreuk doen aan de omgeving. Onderaan de tekst van deze subparagraaf is een uitsnede van de locatie op de welstandskaart opgenomen. Het perceel Kerkstraat 15 te Zuidbroek is voor een deel aangemerkt als hoofdlint. Deze linten worden hoog gewaardeerd vanwege hun historisch waardevolle ruimtelijke structuur en het karakteristieke aanzicht, waarin de ontwikkelingsgeschiedenis goed herkenbaar is. Het plangebied is voor het overige gedeeltelijk aangemerkt als welstandsluwe dorps- en woongebieden. Dit betreft dorps- en woongebieden die grotendeels na 1945 planmatig tot stand zijn gekomen. In deze dorps- en woongebieden wordt een bouwwerk bij een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkt getoetst aan redelijke eisen van welstand.

Daarbij wordt gekeken naar het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving of de verwachte ontwikkeling daarvan. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uiteindelijk getoetst aan de in de welstandsnota opgenomen criteria. Ook is voor de woningen een kavelpaspoort opgesteld. Dit kavelpaspoort is als bijlage opgenomen: Kavelpaspoort Kerkstraat 15 te Zuidbroek. Figuur 3.1

Kerkstraat 15 te Zuidbroek: welstandsluwe dorps- en woongebieden (geel); hoofdlinten (rood) bron: welstandskaart gemeente Midden-Groningen

3.4.3 Woonvisie Midden-Groningen: 2024-2030 Met focus vooruit De wereld is sinds de Woonvisie Nieuw Midden-Groningen 2019-2028 flink veranderd. Veel thema’s zijn nog steeds actueel, maar vragen om andere antwoorden en een andere aanpak. Midden-Groningen ging in één decennium van gesprekken over ‘krimp’ via voorzichtige groei naar een stevige uitdaging om in

27

de woonvraag te voorzien. In alle segmenten – huur en koop – ligt er een grote uitdaging voor de gemeente om samen met corporaties en ontwikkelende partijen tot versnelling in de woningtoevoeging te komen. De gemeente zorgt ervoor dat er op tijd voldoende én passende woningen bijkomen. Dit doet de gemeente onder andere op eigen plekken, zoals op de vrijkomende (school)locaties in de gemeente. Met het planvoornemen worden maximaal 8 nieuwe woningen gerealiseerd op de vrijkomende (school)locatie. Het onderhavig plan voorziet hierin.

3.4.4 Archeologische verwachtingskaart (2021) Uitgangspunt van het gemeentelijk archeologisch beleid is het behoud van waardevolle archeologische waarden en van cultuurhistorische en cultuurlandschappelijke relicten. De feitelijke bescherming van de archeologische en cultuurlandschappelijke waarden wordt geregeld in het tijdelijk omgevingsplan en de erfgoedverordening. Voor het grondgebied van de gemeente Midden-Groningen beschikt de gemeente over een verwachtingskaart archeologie en cultuurhistorie (2020). Op het aspect archeologie wordt in paragraaf 4.2 nader ingegaan.

4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.1.1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2) • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal) • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem (paragraaf 2.3.6a.5)

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.1.2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt er bebouwing toegevoegd waarin mensen langer dan 2 uur aanwezig zijn. Er is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd.

Kerkstraat, Zuidbroek Het rapport voor deze locatie is opgenomen in Bodemonderzoek Kerkstraat 15 Zuidbroek. Aan de hand van de resultaten kan het volgende worden opgemerkt: • Ter plaatse van 1 van de gedempte watergangen is bij HB02 (1.0 – 1.4 m- maaiveld) een matige bijmenging met baksteen aangetroffen. Handmatig kon bij deze boorlocatie niet dieper worden geboord daar hier is gestuit op een bijmenging met baksteen/puin dat handmatig doorboren niet

•

•

28

mogelijk was. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht is verontreinigd met lood. Het gehalte blijft ruim onder de norm voor nader onderzoek. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. In de boven- en ondergrond zijn geen gehaltes PFAS boven de toepassingseis landbouw/natuur aangetoond. In het zintuiglijk voor baksteen verdachte grondmonster zijn lichte verontreinigingen met lood en PAK vastgesteld. Beide gehaltes blijven onder de norm voor nader onderzoek. Bij het tweede sa-

•

mengestelde mengmonster van de kritische bodemlaag zijn geen verontreinigingen aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht is verontreinigd is barium en nikkel. Beide gehaltes blijven onder de norm voor nader onderzoek. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen bij de verrichte boorlocaties en de analyses van de samengestelde grond(meng)monsters en het grondwatermonster kan worden geconcludeerd dat de hypothese, zoals deze is gesteld in hoofdstuk 2 van het bodemrapport, correct is. Ter plaatse van 1 van de watergangen is bij 1 boring in de kritische bodemlaag gestuit op bijmenging met baksteen. Deze boring (HB02) was handmatig niet dieper doorboorbaar.

Aanbevelingen Daar uit het bodemonderzoek niet kan worden geconcludeerd wat de omvang van de bijmenging met puin/baksteen in de ondergrond bij HB02 is, wordt aanbevolen middels een kraantje dit nader te bepalen. Op basis hiervan kan worden nagegaan wat de omvang van deze bijmenging is. De boringen uit het onderzoek van 2001 zijn eveneens geprojecteerd op de situatietekening in bijlage 3 van het bodemrapport. In dit onderzoek is bij boring B-2 op een diepte van 0,7 gestuit op een ondoordringbaar obstakel waardoor verder handmatig boren niet mogelijk was. Uit de situatietekening blijkt dat boring B-2, verricht in 2001, in dezelfde lijn ligt als de gedempte watergang waarin HB02 is verricht. Overigens vormen de tot heden aangetoonde lichte verontreinigingen in de bodem geen verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of milieu. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van de Regeling Bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. De analyseresultaten van de grond zijn indicatief vergeleken met de hergebruikswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit.

De indicatie van de kwaliteitsklasse is weergegeven in de laatste kolom van tabel 4.3 in hoofdstuk 4 van het bodemrapport. Tot slot dient opgemerkt te worden dat de conclusie is gebaseerd op het vooronderzoek en de onderzoeksresultaten van dit onderzoek. Dit bodemonderzoek schetst een algemeen beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Bij eventueel grondverzet dient men rekening te houden met mogelijk plaatselijk voorkomende (zintuiglijke) afwijkingen.

Grondverzet Voor grondverzet met een totale omvang van minder dan 25 m3 gelden geen algemene regels. De algemene zorgplicht is wel van toepassing. Voorafgaand aan grondverzet dient een vooronderzoek volgens de NEN 5725 te zijn uitgevoerd en als er sprake is van een verdachte locatie dient verkennend en eventueel nader bodemonderzoek te zijn uitgevoerd. Onderhavig onderzoek voldoet aan deze eis. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn onderstaande activiteiten mogelijk van toepassing: • Grondverzet (> 25 m3) dient standaard ten minste één week voor het begin ervan gemeld te worden via het DSO. Als er sprake is van tijdelijk uitnemen van grond kan een melding achterwege blijven. De melding dient o.a. de begrenzing, de startdatum en duur van de activiteit te bevatten. • Bij graafwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met verschillen in bodemkwaliteit. Grond dient voor zover mogelijk per bodemkwaliteitsklasse gescheiden te worden ontgraven en afgevoerd of te worden hergebruikt.

4.1.3 Conclusie Voor de locatie Kerkstraat in Zuidbroek luidt de aanbeveling om middels een kraantje te bepalen wat de omvang van de bijmenging met puin/baksteen in de ondergrond bij HB02 is. Op basis hiervan kan worden nagegaan wat de omvang van deze bijmenging is. De uitkomsten van dit nader onderzoek brengen naar verwachting de uitvoerbaarheid van het voornemen niet in gevaar. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect bodem.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

29

4.2.1 Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.2.2 Onderzoek Archeologie In het geldende omgevingsplan is er voor de locatie geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Op basis van de Archeologische verwachtingskaart 1 september 2020 heeft de locatie wel een waarde archeologie 3. Daarom is voor het plangebied aan de Kerkstraat 15 te Zuidbroek een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. Dit document is opgenomen in de bijlage Archeologisch onderzoek Kerkstraat 15 Zuidbroek. De verstoringsdiepte was ten tijde van dit onderzoek nog onbekend. In totaal zijn er tijdens het onderzoek zes boringen geplaatst. Voorafgaand aan het veldwerk is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld voor het plangebied. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied omstreeks het einde van de steentijd van een dekzandlandschap in een veenmoeras veranderde. Aan het einde van de middeleeuwen was er een sterke uitbreiding van de Dollard die zijn maximale omvang kreeg aan het begin van de zestiende eeuw. Uit het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend. Uit de omgeving zijn archeologische resten bekend uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Dit betreffen het terrein van een laatmiddeleeuws steenhuis (AMKterrein 14749) en een huisplattegrond en waterput uit de nieuwe tijd.

Het plangebied staat op de historische kaarten tot het einde van de twintigste eeuw afgebeeld als (moes)tuinen aan de achterzijde van de lintbebouwing langs de Kerkstraat. De bodem kan bij de bewerking van het land verstoord zijn geraakt. Op alle geraadpleegde historische kaarten is geen bebouwing weergegeven in het plangebied, totdat het schoolcomplex in de twintigste eeuw werd aangelegd. De meest nabijgelegen vondsten uit de steentijd/bronstijd zijn enkele kilometers ten zuiden aangetroffen. De bodem bestaat in het plangebied van boven naar beneden hoofdzakelijk uit 1) een bouwvoor, 2) een verstoorde zandlaag met rondom het voormalige schoolgebouw een laag bouwzand, 3) een grotendeels verstoorde podzolbodem (E-, B-, en BC-horizont) en 4) het schone dekzand. De bodem is in het plangebied verstoord tot een diepte tussen 75 (boring 1 en 3) centimeter en 125 centimeter (boring 4). Met betrekking tot de podzolbodem was alleen in boring 3 en 5 een intacte BC-horizont aangetroffen. In boring 5 werd ook nog een intacte B-horizont aangetroffen. De overige waargenomen podzolhorizonten zijn verstoord/geroerd. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische grondsporen wijzen. De baksteenspikkels die in de verrommelde zandlagen zijn aangetroffen kunnen van elders afkomstig zijn of van het recentelijk gesloopte gebouw.

Er zijn geen indicatoren dat in het plangebied bewoning heeft plaatsgevonden in de middeleeuwen of nieuwe tijd, afgezien van het voormalige schoolcomplex. In het plangebied zijn restanten van een podzolbodem aangetroffen, al is deze grotendeels verstoord. Hiermee is ook het niveau waarin archeologische vondsten uit de steentijd-bronstijd kunnen worden aangetroffen verdwenen. In het plangebied zijn geen indicatoren voor bewoning in de periode steentijdbronstijd aangetroffen.

Cultuurhistorie Het initiatief tast geen cultuurhistorische waarden aan. Er staan in het plangebied geen monumenten of karakteristieke bebouwing.

30

4.2.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft de aspecten archeologie en cultuurhistorie.

4.3 Water 4.3.1 Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Verder zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Verplichte omgevingswaarden Zowel het Rijk, de provincie en gemeenten (kunnen) werken met omgevingswaarden. Deze worden hieronder beschreven: •

•

•

Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (artikel 2.15 Ow). Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het Rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergingsen afvoercapaciteit waarop (niet bij het Rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (artikel 2.13 Ow). Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient dewijziging van het omgevingsplan ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

4.3.2 Onderzoek Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor is het planvoornemen ingediend bij Waterschap Hunze en Aa's. De aanvraag van het wateradvies heeft op 21 februari 2025 plaatsgevonden. Uit de watertoets kwam naar voren dat de normale procedure dient te worden doorlopen. Dit blijkt tevens uit de Uitgangspuntennotities en wateradviezen. Tevens is voor alle locaties met het waterschap gesproken om de opties voor de afvoer van het hemelwater door te spreken. Hier zijn onderstaande voorkeuren uitgekomen. Deze opties zijn door TAUW per locatie doorgerekend om er zeker van te zijn dat de watersystemen voldoende capaciteit hebben. Dit document is opgenomen in de bijlage Hydrologisch onderzoek.

Specifieke en aanvullende uitgangspunten

31

In Zuidbroek wordt het bestaande riool gerelined. Het hemelwater wordt afgevoerd op de bestaande schouwsloot in het midden van het perceel via een nieuw te leggen hwa-riool. Dit wordt vervolgens via een duiker naar het noorden of het westen geleid. Omdat de dichtstbijzijnde riool overstort in hetzelfde peilgebied zit als de sloot, komt het overtollige water zowel in de oude als de nieuwe situatie in hetzelfde system terecht bij extreme neerslag. Hierdoor is het niet noodzakelijk om extra berging te zoeken binnen het systeem aangezien het peilgebied al is ingesteld op deze hoeveelheid water. Het is noodzakelijk dat de afvoer van het regenwater van het plangebied naar het hoofdwatersysteem van het waterschap met voldoende hydraulische capaciteit gewaarborgd is. Uit het hydrologisch onderzoek blijkt dat de duiker onvoldoende afvoercapaciteit heeft. Derhalve wordt de duiker in het plangebied vergroot naar een minimale PVC van 315 mm. Aandachtspunt bij de nadere uitwerking van het plangebied is dat het westelijk deel van de locatie lager gelegen is. Het lage deel, waar bebouwing of verharding wordt aangebracht, wordt opgehoogd en onder afschot naar de sloot gelegd om problemen aan de zuidzijde als gevolg van water op het maaiveld bij hoge waterstanden en lokaal hoge grondwaterstanden te voorkomen.

Waterkwaliteit Vervuiling van het oppervlaktewater moet zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits; 'schoonhouden, scheiden, zuiveren'. Er vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats binnen het plangebied, er is daarom geen sprake van door bedrijfsmatige activiteiten vervuild hemelwater. Bij de definitieve maatregelen om de afvoercapaciteit van het plangebied te garanderen bij extreme buien wordt rekening gehouden met het voorkomen van vervuiling van het oppervlaktewater.

4.3.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect water.

4.4 Ecologie 4.4.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming zijn, ingedeeld naar doelgroep, terecht gekomen in een van de volgende drie besluiten: • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); • Omgevingsbesluit (Ob).

Stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet.

4.4.2 Onderzoek Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is.

32

De rapportage is in de volgende bijlage opgenomen: Ecologische quickscan Kerkstraat 15 Zuidbroek. Voor Kerkstraat 15 geldt dat zich in het plangebied geen strikt beschermde dier- of plantensoorten bevinden die door de voorgenomen werkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In de directe omgeving van het plangebied komen mogelijk wel algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. En zullen geen effecten optreden, mits men zich houdt aan de zorgplicht. In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. Door de voorgenomen sloopwerkzaamheden zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Aanbevelingen Voor alle in het wild levende dieren geldt de bepaling van de zorgplicht. Deze houdt in dat u bij de uitvoering van werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor planten en dieren, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan planten en dieren te voorkomen.

Door een zorgvuldige planning van de werkzaamheden kan de zorgplicht goed worden ingepast in het werk. Er wordt aanbevolen, indien de enkele solitaire bomen op het schoolterrein worden verwijderd, om deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen loopt van ongeveer half maart tot en met half juli, waarbij een broedende vogel buiten deze periode ook beschermd is. De werkzaamheden dienen bij voorkeur plaats te vinden in de daglichtperiode, opdat verstoring van de omgeving door verlichting wordt voorkomen ten behoeve van bijvoorbeeld foeragerende vleermuizen in de omgeving etc. Bij de toekomstige inrichting van het terrein (nieuwbouw) kunnen voorzieningen, zoals bijvoorbeeld (inbouw)nestkasten worden aangebracht voor vogels en vleermuizen (natuurinclusief bouwen). Dergelijke maatregelen dragen bij aan de instandhouding van ecologisch kwetsbare soorten en op deze manier krijgen toekomstige gebouwen een ‘groener karakter’.

Oplegnotitie ecologie In verband met de uitgevoerde quick scans en een gewijzigde beleidslijn van de Wet natuurbescherming, welke per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet, is beoordeeld in hoeverre de conclusies uit de quick scans nog van toepassing zijn. Op basis van de bevindingen uit de rapportages waarin geen bijzonderheden zijn vastgesteld, kan geconcludeerd worden dat de conclusies uit de quick scans nog steeds van kracht zijn en dat vervolgonderzoek(en) niet noodzakelijk is/zijn, met name omdat de scholen al zijn gesloopt, de terreinen braak liggen en er geen noemenswaardige veranderingen zullen optreden ten aanzien van flora en/of fauna. Het is ook niet aannemelijk dat zich in de tussentijd eventueel beschermde soorten zich hebben gevestigd, omdat de braakliggende terreinen (liggend in woonwijken) bestaan uit gras (geen geschikt habitat) dat intensief wordt onderhouden door maaiwerkzaamheden. Er is daarom geen reden om de onderzoeksresultaten uit de quick scans te herzien. De oplegnotitie is opgenomen in Oplegnotitie ecologische quickscan-rapporten.

Gebiedsbescherming Alle locaties maken geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander wettelijk beschermd gebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland. Voor dit onderdeel is er geen sprake van externe werking.

Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief

33

effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd. Om vast te stellen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is uitgevoerd met de meest recente AERIUS-calculator en is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat er door stikstofdepositie geen negatief effect optreedt op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.

4.4.3 Conclusie Zowel het aspect soortenbescherming als het aspect gebiedsbescherming (inclusief stikstof) vormen geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.

4.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4.5.1 Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

4.5.2 Onderzoek Op de locatie worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen toegevoegd (woningen). Daarom is toetsing aan de standaardwaarden en grenswaarden zoals opgenomen in het Bkl nodig. Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Deze is als bijlage bijgevoegd: Akoestisch onderzoek Kerkstraat 15 Zuidbroek.

Het plangebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van gemeentewegen en Rijkswegen en niet binnen andere geluidsaandachtsgebieden. Aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen wordt overal voldaan. Uit de rekenresultaten blijkt dat met uitzondering van de 3e bouwlaag van beide noordgevels overal aan de standaardwaarde van 50 dB voor Rijkswegen wordt voldaan. De overschrijding bedraagt in beide gevallen 1 dB en de berekende waarde ligt ruim onder de grenswaarde van 60 dB. Er is geen sprake van cumulatie van geluid. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is in redelijkheid niet mogelijk. Voorgesteld wordt om de berekende geluidbelastingen op basis van deze afwegingen toe te staan waarbij als voorwaarde geldt dat de gevelisolatie zodanig moet zijn dat een aanvaardbaar binnengeluidsklimaat ontstaat. Ten aanzien van gevelisolatie volstaat voor de meeste woningen de standaardeis van 20 dB uit het Beluit Bouwwerken leefomgeving.

Doorvertaling planregels Daar waar niet aan de standaardwaarde wordt voldaan, wordt dit geregeld in de planregels. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat niet voor alle woningen wordt voldaan aan de standaardwaarden uit artikel 5.78t Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van artikel 5.78u Bkl kan het omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in 5.78t. Artikel 5.78ad Bkl bepaalt vervolgens dat bij het toepassing van artikel 5.78u het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan wordt vastgelegd. Dit artikel voorziet in het vastleggen van dit gezamenlijk geluid. Het artikel verwijst naar het opgestelde akoestische rapport. Dit rapport is opgenomen als bijlage bij het wijzigingsbesluit. In de genoemde tabel

34

uit het akoestisch rapport is weergegeven voor welke woningen een hogere waarde dan de standaardwaarde is berekend. Dit artikel geldt enkel voor deze woning(en). Deze woning(en) moeten voldoen aan de waarden zoals opgenomen in het akoestisch rapport. De overige woning(en) die wél aan de standaardwaarde voldoen, moeten aan de standaardwaarde voldoen. Artikel 4.103 Besluit bouwwerken leefomgeving bepaalt dat de karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied niet kleiner is dan het verschil tussen het in het omgevingsplan toegestane geluid door activiteiten, bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 35 dB(A). Op basis van dit verschil kan de geluidwering worden berekend.

4.5.3 Conclusie Met de voorwaarden gesteld in de regels is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

4.6 Geluid door (bedrijfsmatige) activiteiten 4.6.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).

4.6.2 Onderzoek Om na te gaan of het geluid door activiteiten in het plangebied op de omgeving aanvaardbaar is, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, editie 2009 te raadplegen. Er is in 2024 een nieuwe VNG-brochure uitgekomen, namelijk de brochure Milieuzonering nieuwe stijl. Omdat deze brochure weinig concreet is, is ervoor gekozen in dit geval gebruik te maken van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering uit 2009, zoals hiervoor genoemd. Door middel van zogeheten milieuzonering waarborgt men doorgaans dat voldoende afstand wordt gehouden tussen hinderveroorzakende functies en gevoelige functies. Richtlijnen voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-brochure zoals genoemd. De richtafstanden die hierin zijn opgenomen, hebben betrekking op geluid, maar ook op geur, stof en gevaar. Voor dit project wordt de brochure toegepast voor het thema geluid. Geur(hinder) is in de omgeving niet aan de orde. De thema's stof en gevaar zijn in de nieuwe systematiek van milieuzonering niet meer opgenomen, omdat deze thema's over het algemeen niet bepalend zijn voor de milieucategorie van een bedrijf en bijbehorende aan te houden richtafstand. Het thema stof is niet van belang in dit geval en gevaar wordt behandeld in paragraaf 4.7 over omgevingsveiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.

In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit is bijvoorbeeld ook het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar liggen.

Hinder als gevolg van het onderhavige plan Het plan voorziet in de realisatie van woningen. Een woning leidt van zichzelf niet tot hinder voor omliggende functies.

Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving De locatie is gelegen in het centrum van Zuidbroek. De naastgelegen bestemmingen zijn Centrum, Bedrijf, Kantoor, Woongebied en Gemengd. Daarom kan worden gemotiveerd dat sprake is van een 'gemengd gebied', zoals dat eerder hierboven is omschreven. Aan de noordzijde van de locatie Kerkstraat 15 te Zuidbroek is een kerk zonder klok gelegen. De maatschappelijk functie is op circa 3 meter van het bouwvlak

35

gelegen. Op basis van de VNG heeft een kerk met klok een richtafstand van 30 meter. Aangezien het hier om een gemengd gebied gaat kan deze richtafstand worden teruggebracht naar 10 meter. Ook binnen deze 10 meter is het bouwvlak gelegen. Hier kan echter van worden afgeweken aangezien het in dit geval om een kerk zonder klok gaat en de richtafstand is gespecificeerd op het aspect geluid. In het kader van milieuzonering ontstaat er derhalve geen knelpunt. Iets ten westen van het plangebied begint het bedrijventerrein Zuidbroek. De dichtstbij gelegen bedrijvigheid is van categorie 2 en ligt op 130 meter afstand van het plangebied. De zwaardere categorie 3.1 ligt op de kortste afstand op 300 meter. De bestemming Bedrijventerrein, met categorieën als 3.2 en 4.1 begint op 600 meter afstand. Deze afstanden voldoen aan de standaard richtafstanden. Als laatste voldoet het voornemen aan de afstand van circa 10 meter ten opzichte van het bedrijf aan de zuidzijde van het voornemen.

4.6.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid door activiteiten.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in:

Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.

Explosieaandachtsgebied (EAG)

36

Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: • een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en; • een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant. Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Een gemeente mag hier wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties de volgende aspecten van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).

4.7.2 Onderzoek Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Dit voornemen zorgt voor de realisatie van nieuwe kwetsbare bebouwing in de vorm van woningen. In dit kader is de Atlas Veiligheid geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het plangebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Atlas Veiligheid weergegeven.

37

Figuur 4.1

Atlas Veiligheid Kerkstraat 15 te Zuidbroek Bron: Atlas Veiligheid

Zoals is te zien op de uitsnede van de Atlas Veiligheid is de locatie niet gelegen in het aandachtsgebied van risicovolle transportroutes, buisleidingen of andere risicobronnen. De Omgevingsdienst en Veiligheidsregio onderschrijven deze conclusie.

4.7.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect externe veiligheid.

4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Toetsingskader In een aandachtsgebied in het kader van luchtkwaliteit moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als die zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.

De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2.

38

Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke 'voortoets' is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen.

4.8.2 Onderzoek Met het planvoornemen worden in totaal maximimaal 16 wooneenheden op de locatie mogelijk gemaakt. Het CROW heeft voor verschillende variabelen kencijfers. Er is gebruik gemaakt van CROW publicatie 744 (Parkeerkencijfers 2024: Basis voor parkeernormering). Het plangebied is geclassificeerd als weinig stedelijk en is gelegen in het centrum. Als 'worst case' berekening wordt er rekening mee gehouden dat alle wooneenheden koopwoningen zijn. Ook wordt als 'worst case' rekening gehouden met het type vrijstaande woningen.

Tabel 4.1. Verkeersgeneratie Locatie

Aantal woningen

Norm verkeersgeneratie (max)

Totale verkeersgeneratie

Kerkstraat Zuidbroek

8 grondgeb. koop

8,3

66,4

Voor de locatie komt de verkeersgeneratie neer op maximaal 67 voertuigenbewegingen per etmaal.

Onderzoek nibm-tool Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool 2025 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Figuur 4.2

NIBM-tool Bron: IPLO

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer en de afstand tot een aandachtsgebied is niet noodzakelijk.

39

Onderzoek achtergrondniveau Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2024, welke in maart 2024 zijn gepubliceerd. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de volgende tabel. Tabel 4.2. Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10 Luchtconcentratie

Norm

NO2

jaargemiddelde concentratie uurgemiddelde concentratie

40 µg/m3 200 µg/m3

PM2.5

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

PM10

jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

40 µg/m3 50 µg/m3

Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven.

4.8.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

4.9 Verkeer en parkeren 4.9.1 Toetsingskader Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden.

4.9.2 Onderzoek Verkeersgeneratie Als gevolg van het planvoornemen zal de verkeersgeneratie toenemen. In paragraaf 4.8 is berekend wat de verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen bedraagt. De locatie wordt ontsloten door bestaande wegen, die voorheen werden gebruikt door het verkeer ten behoeve van de basisscholen. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om de gewijzigde verkeersbewegingen aan te kunnen.

Parkeren Voor de locatie geldt dat parkeren binnen het plangebied opgelost moet worden. Wanneer parkeerplaatsen in de openbare ruimte verdwijnen door het plan dienen deze binnen het plangebied teruggebracht te worden tenzij deze dienden voor de invulling die eerder op de locatie zat (veelal scholen). De parkeernorm die geldt voor de locaties is afhankelijk van de woningtypes die uiteindelijk gerealiseerd worden en voor welke doelgroepen. Deze normen zijn gebaseerd op de parkeernormen van het CROW.

40

4.9.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect verkeer en parkeren.

4.10 Duurzaamheid en gezondheid 4.10.1 Toetsingskader Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. De bruidsschat kent een artikel betreffende energiebetreffende maatregelen (artikel 22.52). Hieraan zal voldaan moeten worden. De gemeente gaat uit van de volgende opeenvolgende principes bij duurzaamheid: • besparen; • isoleren; • opwekken.

4.10.2 Onderzoek Duurzaamheid De gemeente Midden-Groningen hecht waarde aan duurzaamheid en volgt de wettelijke kaders op dit gebied. Belangrijke regelgeving die hierbij wordt gehanteerd, omvat de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) en de normen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Deze regelgeving vereist respectievelijk dat nieuwe bouwprojecten voldoen aan vastgestelde milieu-impactnormen en criteria voor energiezuinigheid en duurzaamheid. Daarnaast heeft de gemeente Midden-Groningen de ambitie om duurzame en klimaatadaptieve wijken/buurten/dorpen te realiseren. Speerpunten hierbij zijn een lager energieverbruik, een waterhuishouding die ook in de toekomst geen wateroverlast geeft en gebruik van materialen die herbruikbaar zijn (circulair). Naast dat de gemeente hieraan bijdraagt bij de inrichting van het openbaar gebied (indien hier sprake van is) kunnen ook ontwerpers, bouwers/ontwikkelaars en bewoners van de nieuwe woningen hieraan bijdragen. Zij kunnen mede de voorwaarden creëren voor een hoge levenskwaliteit voor mens en natuur, voor nu en voor later. Voor de woningbouwontwikkeling op de vrijkomende locaties worden naast de toolbox natuurinclusief bouwen (www.bouwnatuurinclusief.nl), praktische handvaten, onderstaande punten meegegeven als inspiratie en ambitie om een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving te creëren.

Energiebesparing en toepassing van Duurzame Energie De gemeente stimuleert het toepassen van een hogere energieprestatie dan wettelijk vereist door een lagere warmtevraag en optimaal gebruik van duurzaam opgewekte energie. Aandachtspunt bij de warmtevoorziening is het gevolg van de voorstellen voor de belasting op het elektriciteitsnet, met name als het gaat over het verlagen van de mogelijke piekvraag. Als het gaat over de keuze voor een bron bij gebruik van een warmtepomp heeft toepassing van een bodembron de voorkeur. Bij toepassing van zonnepanelen heeft een oost-west oriëntatie de voorkeur. Ook is er een voorkeur voor toepassing van gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning en bijzondere aandacht voor luchtdichtheid van de woningen.

Circulariteit/materiaalgebruik Hierbij is een scherpere dan de wettelijk vereiste MPG-score wenselijk. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van hergebruikte materialen en natuurlijke materialen. Zo kan bij de keuze van de constructie hout worden toegepast en kan bij isolatie worden gekozen voor natuurlijk/biobased isolatiemateriaal. Hierbij is zowel de CO2-opslag van met name biobased materialen als de uitstoot bij de productie van materialen van

41

belang. Ook is het wenselijk om materialen zonder toxische stoffen toe te passen. Hierdoor kunnen restmaterialen makkelijk worden hergebruikt. Als laatste is van belang dat materialen, die gecombineerd met andere materialen worden toegepast, op termijn weer makkelijk uit elkaar te halen zijn en voor hergebruik geschikt gemaakt kunnen worden.

Klimaatadaptatie Maak gebruik van mogelijkheden om regenwater vast te houden en in de woning te gebruiken, bijvoorbeeld door toepassing van groene dak en of door toepassen van regenkratten, regentonnen of grindstroken langs de gevel. Daarnaast is het wenselijk om zo min mogelijk voor- en achtertuinen te verharden en bij verhardingen te kiezen voor half-verharding en/of niet gebakken materialen.

Biodiversiteit: Flora Het openbare groen bij een locatie wordt bij voorkeur op zodanige wijze ingericht dat de biodiversiteit wordt bevorderd. Dit wordt bereikt door het gebruik van (biologisch geteelde en) inheemse bomen en plantensoorten en/of door gebruik te maken van natuurlijke erfafscheidingen (hagen) in plaats van houten schuttingen.

Biodiversiteit: Fauna Ter bevordering van de fauna in de bebouwde omgeving is het wenselijk om nestkasten toe te passen met name voor vleermuizen en vogels (huismus, gierzwaluw). Bij voorkeur worden ook nestgelegenheden voor verschillende soorten insecten als wilde bijen ingezet.

Duurzame mobiliteit Stimuleren van actieve mobiliteit wordt bevorderd door bijvoorbeeld de parkeervoorziening van de fiets dichterbij te maken dan die van de auto. Daarnaast is het wenselijk om ruimte te reserveren voor laadgelegenheden voor elektrisch vervoer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16152675/1