03. Ruimtelijke onderbouwing incl Bijlagen Zandwerf 2 Hellum
Tekst van het document
Zandwerf 2 Hellum
Ruimtelijke onderbouwing
@AGRA-MATIC BV 2016
PARAAF MAATSCHAP P.C. EN K. FRANKEN ..............................
PARAAF AANNEMER ..............................
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Locatie
Zandwerf 2 9627 TE Hellum Agra-Matic B.V. J. Bouwman Postbus 396 6710 BJ Ede
Datum: 1 juli 2022 Status: definitief
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
INHOUD Inleiding ..................................................................................................................................... 1 Aanleiding en doel .......................................................................................................... 1 Ligging besluitgebied ...................................................................................................... 1 Leeswijzer ....................................................................................................................... 2 Planbeschrijving ........................................................................................................................ 3 Huidige situatie ............................................................................................................... 3 Gewenste situatie ........................................................................................................... 4 Landschappelijke inpassing ............................................................................................ 5 Beleidskader ............................................................................................................................. 7 Rijksbeleid....................................................................................................................... 7
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................... 7 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ........................................................... 7 3.1.3 AMvB Ruimte .................................................................................................. 8 3.1.4 Ladder duurzame verstedelijking..................................................................... 9 Provinciaal beleid .......................................................................................................... 10
3.2.1 Omgevingsvisie 2016 - 2020 ......................................................................... 10 3.2.2 Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 ........................................ 13 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................... 14
3.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied .................................................................... 14 Omgevingsaspecten ...............................................................................................................17 Bedrijven en milieuzonering.......................................................................................... 17 Geurhinder .................................................................................................................... 18 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 18 Geluid............................................................................................................................ 19 Verkeer en parkeren ..................................................................................................... 19 Bodemkwaliteit .............................................................................................................. 20 Kabels en leidingen ...................................................................................................... 21 Externe veiligheid ......................................................................................................... 21 Ecologie ........................................................................................................................ 23
4.9.1 Gebiedsbescherming .................................................................................... 23 4.9.2 Soortenbescherming ..................................................................................... 26 Archeologie en cultuurhistorie ...................................................................................... 28
1 JULI 2022
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Waterparagraaf ............................................................................................................. 31
4.11.1
Waterrelevant beleid .................................................................................. 31
4.11.2
Watertoets.................................................................................................. 32 Dier- en volksgezondheid ............................................................................................. 33
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................................35 Economische uitvoerbaarheid ...................................................................................... 35 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 35 Conclusie ................................................................................................................................36 Bijlagen ..............................................................................................................................................37 Bijlage 1 Diertabel Bijlage 2 Milieutekening bedrijf Zandwerf 2 in Hellum Bijlage 3 Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 4 Quickscan en voortoets Bijlage 5 Watertoets
1 JULI 2022
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
INLEIDING AANLEIDING EN DOEL Aan de Zandwerf 2 in Hellum exploiteert de initiatiefnemer een akkerbouwbedrijf met een pluimveehouderijtak voor het houden van vleeskuikens. Daarnaast is op deze locatie een loonbedrijf gevestigd. Op het bedrijf zijn, naast de bedrijfswoning, de pluimveestal voor het houden van vleeskuikens, een aardappelopslag en werktuigenbergingen aanwezig. De pluimveestal is voorzien van een warmtewisselaar. Aan de pluimveestal is een ruimte als kantoor, een douche en toilet. Ook zijn voersilo’s aanwezig. Conform de vigerende omgevingsvergunning mogen in deze stal 27.500 vleeskuikens worden gehouden. De initiatiefnemer wenst duurzaam te produceren, door de vleeskuikens op het bedrijf meer leefruimte te geven. Dit is ook een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Daartoe wil het bedrijf de vleeskuikenstal voorzien van een overdekte uitloop. Hierbij wordt rekening gehouden met het aanwezige bebouwingspatroon en de landschappelijke kenmerken. Hierdoor blijft de ruimtelijke impact beperkt. Bijgevoegde tekening Ma-22 geeft de gewenste situatie weer. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen het huidige bouwvlak. De bouwvlakgrens ligt strak langs de bestaande vleeskuikenstal.
In artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing. Hierin wordt inzicht gegeven in de aard en omvang van het project, de ruimtelijke effecten en de beleidsmatige motivering. LIGGING BESLUITGEBIED Het besluitgebied is gelegen ter plaatse van het agrarische bedrijf (en loonbedrijf) aan de Zandwerf 2 in Hellum in het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen. Het bedrijf ligt circa 600 meter ten oosten van de kern Hellum. Hellum is een dorp in de gemeente Midden-Groningen en ligt tussen Schildwolde en Siddeburen. Hellum telt op dit moment circa 550 inwoners. Het besluitgebied is kadastraal bekend als gemeente Slochteren, sectie R, nummer 482. Het perceel is in eigendom van de initiatiefnemer. Figuur 1.1 toont de ligging van het besluitgebied – aangeduid met de rode pijl – in het buitengebied. Rondom het bedrijf liggen agrarische gronden. Ten noorden van het besluitgebied ligt de provinciale weg N387. Ten noorden daarvan is de lintbebouwing tussen Hellum en Siddeburen aanwezig.
Ten westen van het besluitgebied is een agrarische bedrijfslocatie (Zandwerf 1) aanwezig. Deze locatie is ook eigendom van de initiatiefnemer. Ten oosten van het bedrijf zijn enkele woningen aanwezig. De dichtstbij gelegen woning staat op circa 250 meter vanaf het besluitgebied. Dit is de woning aan de Zandwerf 3. Verder hebben de omliggende gronden hoofdzakelijk een agrarische bestemming en worden ook als zodanig gebruikt.
1 JULI 2022
1
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Figuur 1.1 Luchtfoto omgeving besluitgebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
LEESWIJZER De ruimtelijke onderbouwing bevat naast dit hoofdstuk, 6 andere hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en de gewenste situatie. In hoofdstuk 3 komt het relevante beleid aan bod. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de relevante omgevingsaspecten. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de milieuaspecten beschreven. In hoofdstuk 6 komen de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid aan de orde. Hoofdstuk 7 bevat de conclusie.
1 JULI 2022
2
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
PLANBESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE De initiatiefnemer exploiteert een akkerbouwbedrijf in combinatie met een loonbedrijf en vleeskuikenhouderij aan de Zandwerf 2 in Hellum. Op het bedrijf zijn naast de bedrijfswoning, de pluimveestal met kantoor en sanitaire ruimtes (gebouw A), een aardappelopslag en werktuigenberging (gebouw B) en een werktuigenberging (gebouw C) aanwezig. Conform de vigerende omgevingsvergunning d.d. 19 september 2018 mogen in de pluimveestal 27.500 vleeskuikens gehouden worden (zie tevens de diertabel, welke is opgenomen als bijlage): Gebouw A, oppervlakte circa 18,0 x 77,0 m²: 27.500 vleeskuikens (Rav-categorie E 5.11), stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar; BWL 2010.13.V6. Gebouw B, oppervlakte circa 19,8 x 101,4 m²: Aardappelopslag en werktuigenberging. Gebouw C, oppervlakte circa 25,4 x 101,4 m²: Werktuigenberging. Het bedrijf wordt aan de zuidzijde ontsloten op de Zandwerf middels twee inritten. De bedrijfswoning wordt via de linker uitweg ontsloten. Figuur 2.1 geeft de huidige situatie weer. De initiatiefnemer streeft een toekomstgericht en levensvatbaar bedrijf na, waar dierenwelzijn hoog in het vaandel staat. Hiervoor moeten bedrijfseconomische keuzes worden gemaakt.
Uitgangspunt is dat er een toekomstbestendig bedrijf dient te zijn, waar zowel op maatschappelijk verantwoorde als op bedrijfseconomisch rendabele wijze dieren gehouden kunnen worden om te voorzien in een veilige productie van humane voeding.
Figuur 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie
1 JULI 2022
3
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
GEWENSTE SITUATIE De initiatiefnemer wenst duurzamer te produceren, door de vleeskuikens op het bedrijf meer leefruimte te geven; een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. Daartoe wil het bedrijf de vleeskuikenstal voorzien van een overdekte uitloop. Op deze wijze krijgen de dieren in de dagperiode extra leefruimte, wat een positieve bijdrage levert aan het dierenwelzijn. De consumentenmarkt is grillig en vraagt van producenten en leveranciers om scherp te letten op ontwikkelingen in deze markt. In de vleeskuikenhouderij geldt dat evenzo voor nieuwe concepten in dier- en milieuvriendelijkheid. Na enkele jaren van relatieve rust komt er meer vraag naar vlees, wat voldoet aan de eisen van het ‘Beter Leven keurmerk met 1 ster’. Initiatiefnemer wil conform dit concept gaan produceren. Dit betekent onder andere dat er een overdekte uitloop aan de stal moet worden gerealiseerd. De dieren krijgen op deze wijze meer ruimte ter beschikking, leven in daglichtritme en kunnen gebruik maken van een overdekte uitloopruimte. In figuur 2.2 is het verschil tussen een gangbare bedrijfsvorm en een 1-, 2- of 3-ster concept gevisualiseerd.
Figuur 2.2 Verschillen tussen de gangbare bedrijfsvorm en de 1-, 2- of 3-sterren concepten Beter Leven, bron: beterleven.dierenbescherming.nl
De ontwikkeling wordt noodzakelijk geacht om de continuïteit van het bedrijf te waarborgen. De extra uitloopruimte maakt het mogelijk om een betere concurrentiepositie te verwerven. De doelstelling is om ter plaatse een duurzaam en levensvatbaar bedrijf te behouden.
1 JULI 2022
4
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Stal A krijgt een overdekte uitloopruimte aan de westzijde van de stal, met een breedte van circa 6,3 meter en een lengte van circa 72,60 meter. Een tekening van de gewenste opzet van het bedrijf is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. De overdekte uitloopruimte wordt een groot deel van de dagperiode aan de dieren beschikbaar gesteld. Dit gebeurt door het oplieren van de schuiven bij de openingen die in de huidige buitengevel worden aangebracht. Zo kunnen de dieren vanaf een leeftijd van 3 weken gebruik maken van de extra scharrelruimte. Richting de avondschemering gaan de dieren weer naar binnen en daarna sluiten de schuiven de openingen weer af. Zo wordt voorkomen dat de dieren tijdens de nachtrust koud kunnen worden. De bestaande stal blijft intact als nachtstal voor de dieren. Het stalsysteem en het aantal dieren in de stal wijzigt met de realisatie van de overdekte uitloop niet ten opzichte van de vergunde situatie op het bedrijf. De uitloop functioneert ook als licht- en luchtinlaat. De lengtegevel van de overdekte uitloopruimte bestaat uit een betonnen onderbouw met daarboven windbreekgaas. Het windbreekgaas wordt meer of minder afgesloten door een windzeil, wat aan de buitenzijde omhoog en naar beneden wordt gelaten.
De klimaatregeling blijft op dezelfde wijze functioneren als in de bestaande situatie, met als aanvulling de aansturing van de inlaatopening aan de buitenzijde van de overdekte uitloop. Met de nieuwe bedrijfsopzet kan in de toekomst op de markt een rol van betekenis gespeeld worden. Men is een serieuze partner voor toeleverend en afnemend bedrijfsleven. Dat biedt continuïteit. Door te investeren in dierenwelzijn kan het bedrijf voor de Nederlandse markt blijven produceren en zo invulling geven aan maatschappelijke wensen om duurzaam en gezond voedsel te produceren. LANDSCHAPPELIJKE INPASSING De landschappelijke context is te kenschetsen als de rand van een zandrug in een oudere ontginning. Kenmerkend voor erven in deze context; hagen, boomgaardjes, bomengroepen of solitaire bomen nabij de woning, groensingels, bomenrijen of restbosjes aan de veldkanten. Het plangebied bestond uit langgerekte smalle, noordwest-zuidoost gerichte percelen, werd ontsloten via de ter hoogte van het voormalig spoor gelegen Hoofdweg. In de zeventiger jaren werd een ruilverkaveling doorgevoerd; de smalle percelen maakten plaats voor een grootschalige open blokverkaveling. Ten noordoosten en oosten van het plangebied werd bos aangeplant. Het plangebied werd ontsloten via de Zandwerf. Eind vorige eeuw is de pluimveestal gebouwd.
Na de eeuwwisseling zijn een berging en een bedrijfswoning aan de Zandwerf gerealiseerd. Nadien werd nog een berging bijgebouwd. De bergingen werden verlengd. Het plangebied is gesitueerd aan de rand van een open landschap. De aanwezige beplanting is geconcentreerd rond de woning. De bedrijfsgebouwen sluiten qua maat en schaal aan bij de open context, tonen zich echter overwegend kaal. Maat- en schaal verlenende beplantingselementen ontbreken. Het plangebied is onder te verdelen in een voorerf en een achtererf. De zuidoostkant en zuidwestkant presenteren het erf aan de passanten. De noordwestkant is te beschouwen als de achterkant, de noordoostkant als de ontwikkelingskant van het perceel.
1 JULI 2022
5
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
De aanwezige beplanting verkeert in het algemeen in redelijke tot goede conditie. De forse bomen in het eiland tussen de opritten verkeren in minder goede conditie. De berken, ligusterhagen en esdoorns sluiten goed aan bij de kenmerken van de landschappelijke context. In het kader van dierenwelzijn zal de pluimveestal aan de zuidwestkant worden uitgebreid met een overdekte uitloopruimte. Ten behoeve van het bouwplan hoeft geen beplanting te worden gerooid. Het wordt ontsloten via de aanwezige verharding. Het van het dak vrijkomende hemelwater wordt opgevangen in een greppel ten zuidwesten van de uitloop. Het concept voor de inpassing omvat op grond van het voorafgaande het navolgende: 1) Begeleiden van de uitloop met een transparante bomenrij. De bomenrij verleent maat- en schaal, maar staat een gepaste inkijk op de uitloop vanaf de Veenweg toe. 2) Omzomen van de noordoostkant van het voorerf met ligusterhagen, toevoegen van enkele bomen en aanplanten van een opvolger van de in minder goede conditie verkerende twee forse sierbomen. 3) Definiëren van de achterkant door de aanplant van een groensingel. De nadruk van de singel ligt op de afscherming op ooghoogte. De bomenrijen langs de N387 vormen de ruimtelijke drager. 4) Openhouden van de ontwikkelingskant van het bedrijf; aanplanten van groenelementen is hier niet handig of duurzaam.
De elementen aan de overige zijdes vormen een kader voor de beleving vanaf de noordoostkant. Dit concept leidt tot onderstaande landschappelijke inpassing van het besluitgebied en de bestaande bedrijfslocatie. Een uitgebreide toelichting hierop is gegeven in het Landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage is toegevoegd.
Figuur 2.3 Overzicht landschappelijke inpassing bedrijf Zandwerf 2 in Hellum
1 JULI 2022
6
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
BELEIDSKADER RIJKSBELEID 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan de Rijksoverheid inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen plannen voorzien in het ontwikkelen van een toekomstbestendig landelijk gebied en passen daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.
3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is het vaststellingsbesluit, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke
1 JULI 2022
7
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
en mobiliteitsbeleid, zoals uiteengezet in de SVIR, van kracht geworden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteit Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Het hoofdthema van de SVIR is: ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’. De structuurvisie geeft een visie voor Nederland tot het jaar 2040. Er zijn in de structuurvisie drie hoofddoelen opgenomen voor de middellange termijn (2028). Deze doelen zijn: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, is een nieuwe aanpak in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid geformuleerd. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en werkt aan eenvoudigere regelgeving. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen.
Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. Deze decentralisering past binnen de doelstellingen, zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 3.1.3
AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: project Mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Ook het Barro geeft voor het besluitgebied geen nationale belangen aan. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van het de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in de regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op het voorliggende plan.
Wel is de term ‘Ecologische Hoofdstructuur (EHS)’ gewijzigd in ‘Natuurnetwerk Nederland (NNN)’.
1 JULI 2022
8
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
3.1.4
Ladder duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd (nationaal belang 13). In artikel 3.1.6. lid 2 van het Bro is de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking vastgelegd. Doel van deze ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. In het artikel is bepaald dat uit de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet blijken dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling: voorziet in een actuele regionale behoefte; indien blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, worden beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; indien uit die beschrijving blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, worden beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van
vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontsloten. De ladder duurzame verstedelijking is alleen van toepassing op projecten met een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt: “Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De eerste trede van de ladder houdt in dat wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De eerste vraag is dus of hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Dit valt – ook blijkens jurisprudentie – niet onder de noemer van een stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding is in oppervlakte namelijk beperkt en vindt plaats direct grenzend aan het bestande bouwvlak. De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft daarom niet te worden doorlopen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt wel beoordeeld of de locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt hier optimaal en geschikt voor is. Het is niet mogelijk de gewenste ontwikkeling te laten plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied.
De belangrijkste reden hiervoor is dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd in een dichtbevolkt gebied vanwege diverse milieuaspecten als geur, geluid, etc. Bovendien heeft de Raad van State in een uitspraak (201310329/1/R2) van 15 april 2015 bepaald dat versnippering van agrarische bedrijven door uitbreiding elders niet gunstig is vanwege de toename van verkeersbewegingen. Daarnaast betekent versnippering een zwaardere belasting voor het landschap. Uitbreiding op een andere locatie is niet wenselijk. De gewenste uitloop dient per definitie aan de bestaande stal op het perceel aan de Zandwerf 2 te worden gerealiseerd, omdat deze direct verband houdt met het functioneren van de bedrijfsvoering. Het is niet reëel de bestaande bouwwerken en installaties, of de nieuw te realiseren bouwwerken, elders te ontwikkelen.
1 JULI 2022
9
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
PROVINCIAAL BELEID Provinciale Staten van de provincie Groningen hebben op 1 juni 2016 de “Omgevingsvisie 2016 – 2020” en de “Omgevingsverordening provincie Groningen 2016” vastgesteld. Op 25 mei 2022 is de “Actualisatie Omgevingsvisie provincie Groningen 2020” vastgesteld, evenals de “Actualisatie Omgevingsverordening provincie Groningen 2020”. De provincie wil haar omgevingsvisie en omgevingsverordening actueel houden. Recent vastgesteld dan wel gewijzigd beleid op het gebied van de thema's ruimte, natuur, landschap en water is verwerkt in deze plannen. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de “Geconsolideerde Omgevingsvisie februari 2022” welke is vastgesteld op 2 februari 2022 en de “Geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2022” welke is vastgesteld op 18 februari 2022, geraadpleegd. 3.2.1
Omgevingsvisie 2016 - 2020 De omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie Groningen op de fysieke leefomgeving en geldt voor een periode van vier jaar: 2016 – 2020. Het kan daarna eenmalig voor een periode van twee jaar worden verlengd. Uitgangspunt van de omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie Groningen verder verbeteren. Vanuit die invalshoek wordt gekeken naar de kansen die zich voordoen om daar met het provinciale omgevingsbeleid een bijdrage aan te leveren. Het accent van het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als bijvoorbeeld wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Deze doelen wil de provincie bereiken door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en door het leveren van maatwerk. Een belangrijk doel van de omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving.
Daarom zijn in de omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen – zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen – samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie is het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema’s en elf provinciale ‘belangen’: Ruimte: 1. Ruimtelijke kwaliteit 2. Aantrekkelijk vestigingsklimaat 3. Ruimte voor duurzame energie 4. Vitale landbouw Natuur en landschap: 5. Beschermen landschap en cultureel erfgoed
1 JULI 2022
10
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
6. Vergroten biodiversiteit Water 7. Waterveiligheid 8. Schoon en voldoende water Mobiliteit 9. Bereikbaarheid Milieu 10. Tegengaan milieuhinder 11. Gebruik van de ondergrond De provincie streeft naar een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin binnen een gebied de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in onderlinge verhouding geoptimaliseerd zijn. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk gebied en buitengebied. Onderhavig bedrijf ligt in het buitengebied. Onder het buitengebied verstaat de provincie die gebieden die buiten stedelijke gebieden liggen en een overwegend agrarische-, natuur- en recreatieve functie hebben. De inrichting van het buitengebied dient zowel vitaal als duurzaam te zijn. Daarnaast is zuinig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. Groningen is een landbouwprovincie. Zo'n 80% van het landoppervlak is agrarische grond. De landbouwsector heeft voor een groot deel de karakteristieke landschappen van de provincie Groningen gevormd en is van groot belang voor de plattelandseconomie. De landbouwsector zit in een transitie. Agrarische ondernemers worden vandaag de dag sterk uitgedaagd om marktgerichter en milieubewuster te produceren, en om oog te hebben voor natuur en landschap, diervriendelijk produceren en andere maatschappelijke belangen.
Het mede door hen gevormde cultuurlandschap staat ook onder druk door schaalvergroting. Er is een toenemende vraag naar de productie van (diervriendelijk en biologisch geproduceerd) voedsel en groene grondstoffen. Ook wordt productie voor andere sectoren (biobased economy) steeds belangrijker. De provincie staat voor de duurzame ontwikkeling van de landbouw. De verduurzaming van de landbouw zien zij nadrukkelijk als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de sector en de maatschappelijke omgeving. De verdere ontwikkeling en versterking van de biologische sector wordt de komende jaren extra ondersteund. Ook stimuleert de provincie innovatieve projecten, die een impuls kunnen geven aan de duurzame ontwikkeling van de landbouw. Schaalvergroting en modernisering van de landbouw, hoe belangrijk ook voor de plattelandseconomie, kan op gespannen voet staan met de landschaps- en natuurdoelen van de provincie en andere maatschappelijke wensen. Om die reden is overleg en maatwerk van belang. De provincie Groningen heeft hiervoor twee werkwijzen: de ‘Bouwblok op maatmethode’ en het ‘Groninger Verdienmodel’. Zij willen hiermee verschillende doelen in harmonie te brengen.
1 JULI 2022
11
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Figuur 3.1 geeft een uitsnede van kaart 2 (Schaalvergroting en landbouw) weer, behorende bij de omgevingsvisie. Op deze kaart is een indicatie gegeven van de uitbreidingsruimte in de verschillende gebieden. Welke werkelijke ontwikkelruimte per agrarisch bedrijf kan worden geboden zal echter uiteindelijk het resultaat zijn van de maatwerkmethode. De oppervlakte van het bouwvlak ter plaatse van het bedrijf aan de Zandwerf 2 bedraagt circa 1,54 hectare.
Figuur 3.1 Kaart 2: Schaalvergroting landbouw, Omgevingsvisie 2016 – 2020 provincie Groningen, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Zoals blijkt uit figuur 3.1 is onderhavig besluitgebied gelegen in een gebied waar uitbreiding van het bouwvlak tot maximaal 2 hectare mogelijk is. Welke werkelijke ontwikkelruimte per agrarisch bedrijf geboden kan worden zal echter uiteindelijk het resultaat zijn van de maatwerkmethode. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatwerkmethode. Hierbij moet advies gevraagd worden bij een onafhankelijk deskundige op het gebied van natuur en landschap. Het Groninger Verdienmodel is hier niet van toepassing. Vanaf 1 januari 2019 staat de provincie Groningen geen uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen meer toe. Een uitzondering hierop kunnen gemeenten maken voor vergroting van de stalvloeroppervlakte die noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu en/of die ertoe dient om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten. Het aantal te houden dieren, zoals is vergund, mag daarbij niet toenemen.
1 JULI 2022
12
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
De voorgenomen ontwikkeling binnen het besluitgebied aan de Zandwerf 2 in Hellum voldoet aan de uitgangspunten van het provinciaal ruimtelijk beleid en draagt bij aan de doelstellingen uit de omgevingsvisie. De uitbreiding is gewenst in het kader van dierenwelzijn en er kan beter worden ingespeeld op de toenemende vraag naar vlees met het ‘Beter Leven keurmerk’. Met deze investering kan het bedrijf ook over een aantal jaren de concurrentie aan en zo op een duurzame wijze gezond voedsel produceren voor de Nederlandse markt. De realisatie van de overdekte uitloop aan stal A vindt plaats direct aansluitend aan het vigerende bouwvlak. De doelen vanuit de Omgevingsvisie zijn doorvertaald in de “Omgevingsverordening provincie Groningen 2016”. Dit komt in de navolgende subparagraaf aan de orde. 3.2.2
Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 In de provinciale omgevingsverordening (hierna POV) heeft de provincie regels opgenomen om haar doelstellingen, weergegeven in de omgevingsvisie, te realiseren. Met deze regels wil de provincie vooraf duidelijkheid scheppen over de provinciale belangen, waarmee de gemeente bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening moet houden. In de POV zijn hoofdstukken opgenomen over onder andere milieu, water en ruimtelijke ordening. Titel 2.8 van de POV is grotendeels voor deze omgevingsvergunning van toepassing. In dit hoofdstuk zijn regels voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven opgenomen. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang: Concentratie van bebouwing in bouwpercelen; Uitbreiding ten behoeve van aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of ten behoeve van dierenwelzijn. Om onnodige verstening en versnippering van het landelijk gebied te voorkomen moeten agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag worden geconcentreerd binnen de op de verbeelding aangewezen agrarische bouwpercelen. Op basis van artikel 2.29.1 van de POV is uitbreiding van een intensieve veehouderij niet toegestaan. Met ingang van 1 januari 2019 is het eveneens verboden om de bestaande stalvloeroppervlakte van een intensief veehouderijbedrijf te vergroten.
Artikel 2.29.2 vormt hier een uitzondering daarop, indien de uitbreiding van de staloppervlakte: noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte eisen op het gebied van het milieu, of bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren, doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben. Als voorwaarde geldt wel dat het aantal dieren, zoals dat rechtmatig (dat wil zeggen op grond van verleende omgevingsvergunningen) kon worden gehouden in de bestaande stallen op genoemde datum, niet mag toenemen. Onderhavig initiatief past binnen het beleid van de provincie Groningen, aangezien de nieuwbouw van de overdekte uitloop bijdraagt aan de verbetering van het dierenwelzijn. Bovendien neemt het aantal vleeskuikens, ten opzichte van het vergunde aantal op 1 januari 2019, niet toe.
1 JULI 2022
13
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Gezien de ligging in het buitengebied is eveneens artikel 2.24.1 van de POV van toepassing. Stilte en duisternis zijn kernkarakteristieken van de provincie Groningen. Ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op het buitengebied, dienen inzicht te bieden in hoe met deze kernkwaliteiten rekening is gehouden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het weren en terugdringen van geluidbronnen (zoals wegverkeer, lawaai vanwege bedrijfsmatige activiteiten, en dergelijke) en van lichtbronnen door kassen, open schuren, openbare verlichting en dergelijke. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf, ten behoeve van het vergroten van de leefruimte van het huidige aantal vleeskuikens. Deze extra ruimte wordt alleen tijdens de dagperiode gebruikt. Daarnaast wordt, door het realiseren van de landschappelijke inpassing, de lichtuitstraling van het bedrijf op het omringende open landschap beperkt. In paragraaf 4.4 wordt aangetoond dat, als gevolg van de nieuwbouw van de overdekte uitlopen, het aantal geluidbronnen niet wijzigt. Significante veranderingen ten aanzien van stilte en duisternis zijn dan ook niet te verwachten. Op basis van bovengenoemde aspecten kan worden geconcludeerd dat het plan aansluit bij de uitgangspunten van de omgevingsvisie en -verordening van de provincie Groningen. GEMEENTELIJK BELEID 3.3.1
Bestemmingsplan Buitengebied Conform het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Midden-Groningen (vastgesteld op 3 februari 2022) is het bedrijf aan de Zandwerf 2 voorzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch-Bedrijf’. Ter plaatse van het bedrijf is een bouwvlak aanwezig, welke deels is voorzien van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor: een grondgebonden agrarisch bedrijf; een productie gerichte paardenhouderij; een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet grondgebonden agrarische bedrijfsviering, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’; bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken en overkappingen; uitsluitend agrarische opslag, ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ een bestaand (agrarisch) loonbedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-loonbedrijf’; een bekistingsbedrijf, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-bekisting’. (Bedrijfs)gebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het huidige bouwvlak heeft een omvang van circa 1,54 hectare. Figuur 3.2 geeft een uitsnede van de verbeelding weer, behorende bij het vigerende bestemmingsplan, ter plaatse van de locatie.
Per gebied, dat is voorzien van een bouwperceel, mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd.
1 JULI 2022
14
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Figuur 3.2 Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Midden-Groningen
Voor het bouwen van gebouwen, bijhorende bouwwerken en overkappingen voor nietgrondgebonden agrarische bedrijvigheid gelden de volgende regels (art 3.2.3): a. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ bedraagt de gezamenlijke staloppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van de nietgrondgebonden bedrijfsvoering uitsluitend de bestaande stalvloeroppervlakte, zoals opgenomen in bijlage 5 bij het bestemmingsplan. Volgens bijlage 5 is er 1.368m2 aan bestaande stalvloeroppervlakte aanwezig. b. Het bouwen van een bedrijfsgebouw ten behoeve van de opslag van producten, materieel en werktuigen is ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ zowel voor grondgebonden als niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten toegestaan; c. Voor het overige zijn voor de gronden met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ de bouwregels zoals opgenomen in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van toepassing. In artikel 3.3.5 is een uitzondering op het verbod om meer vierkante meters aan stalvloeroppervlakte te realiseren dan het bestaande aantal vierkante meters aan stalvloeroppervlakte zoals verwoord in artikel 3.2.3. Deze afwijkingsmogelijkheid is aan de volgende voorwaarden gebonden: 1. de uitbreiding is noodzakelijk om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu, of 2.
de uitbreiding ertoe strekt om het welzijn van de te houden dieren te vergoten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten; 3. het aantal te houden dieren zoals vergund op 1 januari 2019 mag niet toenemen.
1 JULI 2022
15
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Aan de voorwaarden om af te wijken van het verbod om meer vierkante meters aan stalvloeroppervlak te realiseren wordt voldaan met dit initiatief. 1. Er is geen aangescherpte wettelijke regeling op basis waarvan de uitbreiding noodzakelijk is. Maar er is sprake van een maatschappelijke ontwikkeling die de uitbreiding noodzakelijk maakt. Om voor de Nederlandse markt te kunnen blijven produceren moet aan het ‘Beter leven keurmerk één ster’ worden voldaan. De initiatiefnemer wil het bedrijf door ontwikkelen en op een duurzame en diervriendelijke wijze produceren. 2. Met de uitbreiding neemt de netto beschikbare leefruimte per dier toe. In de bestaande situatie is 0,05m2 beschikbaar per dier. In de nieuwe situatie wordt dat 0,07m2 per dier. Dat is een toename van 40% aan netto beschikbare leefruimte per dier. 3. Met het initiatief wordt niet beoogd het aantal te houden dieren uit te breiden. Aan de voorwaarden om af te wijken van de regel dat het bestaande aantal vierkante meters aan stalvloeroppervlakte niet mag worden uitgebreid wordt, voldaan. Daarmee kan aan deze afwijkingsbevoegdheid toepassing worden gegeven en worden meegewerkt aan de uitbreiding van het stalvloeroppervlak ten behoeve van de intensieve veehouderijtak van het bedrijf.
Het initiatief is echter alsnog in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan omdat de overdekte uitloop buiten het bouwvlak gerealiseerd wordt. Maar de toename van het aantal vierkante meters aan stalvloeroppervlakte vormt geen belemmering voor het initiatief. In artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing. Hierin wordt inzicht gegeven in de aard en omvang van het project, de ruimtelijke effecten en de beleidsmatige motivering.
1 JULI 2022
16
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
OMGEVINGSASPECTEN BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid. Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies.
De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de lijst gelden ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ dan wel ‘gemengd gebied’. In dit geval is sprake van een rustige ligging in het buitengebied met weinig verstoring. Uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Volgens de VNG-lijst vallen de activiteiten op het bedrijf onder de omschrijving ‘Fokken en houden van opfokkippen en mestkuikens’, waarvoor de volgende richtafstanden gelden: voor het aspect ‘geurhinder’ => 200 meter, voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter, voor het aspect ‘geluidhinder’ => 50 meter, voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter.
1 JULI 2022
17
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
Op een afstand van circa 140 meter is een gevoelige functie gelegen, namelijk de woning Oestlaan 8. Dit betekent dat aan de richtafstand ten aanzien van geur niet wordt voldaan. De afstand tot dit gevoelige object wordt niet minder dan in de huidige situatie. Het aantal dieren blijft gelijk met dit initiatief. Ook het stalsysteem wijzigt niet waardoor ook het emissiepunt gelijk blijft. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering blijft de situatie gelijk. Geconcludeerd wordt dat omliggende functies geen (extra) hinder ondervinden als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse van deze functies is er geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat. GEURHINDER De geuremissie van een veehouderij op de omliggende geurgevoelige objecten moet worden beoordeeld op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze wet is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wgv geldt nu voor heel Nederland één toetsingskader voor geur, veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen in het kader van vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer. In de Wgv staan standaard (landelijke) normen voor de geurbelasting, die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De hoogte van de standaard (landelijke) norm hangt af van het gebied.
Bij onderhavig plan moet rekening worden gehouden met deze norm, omdat een overschrijding van deze norm inhoudt dat in beginsel geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voor dieren met emissiefactor geldt dat de belasting van geurgevoelige objecten binnen wettelijk vastgestelde normen moet blijven. Op dit moment worden op het bedrijf 27.500 vleeskuikens gehouden, met een totale geuremissie van 9075 OU/sec. In de nieuwe situatie blijft het aantal dieren en het stalsysteem gelijk. Dat betekent ook dat de geuremissie gelijk blijft. Er is geen sprake van een toename van geurhinder voor geurgevoelige objecten in de omgeving. LUCHTKWALITEIT In de Wet Luchtkwaliteit 2007 worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid fijnstof, uitgedrukt in PM10, die zich in de lucht bevindt. Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwaliteit in Nederland. Deze gegevens dateren uit 2020. De achtergrondconcentratie van fijnstof (PM10) in de omgeving van Hellum is circa 13 μg/m3. Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40,0 μg/m3 bedragen.
De overige stoffen die in de Wet Luchtkwaliteit genoemd worden, waaronder stikstofdioxiden (NO2 en NOx), koolmonoxide (CO), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2) en lood (Pb), spelen in de landbouw een dermate kleine rol dat deze verwaarloosbaar zijn. De geproduceerde hoeveelheid fijnstof is afhankelijk van het aantal gehouden dieren en het toegepaste huisvestingssysteem. Op dit moment is de uitstoot van fijnstof PM 10 circa 417 kilogram per jaar (bij de huisvesting van 27.500 vleeskuikens). Deze dieraantallen wijzigen niet. De realisatie van de nieuwe overdekte uitlopen leidt niet tot een toe- of afname van de fijnstofemissie PM10. Overeenkomstig de Handleiding V-Stacks Vergunning (maart 2021) hoeft de overdekte uitloop niet meegenomen te worden als relevant emissiepunt, omdat de stal en de overdekte uitloop onder onderdruk blijven – ook als de stal naar de buitenloop geopend is. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt dat blootstelling aan PM 2,5 schadelijker is dan blootstelling aan PM10. De kleinere deeltjes van PM2,5 dringen dieper in de longen door (WHO, 2006; Brunekreef en Forsberg, 2005). In de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit zijn daarom sinds 2008
1 JULI 2022
18
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
grens- en richtwaarden voor PM2,5 opgenomen. Voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3. Daarnaast is een ‘indicatieve grenswaarde’ voor het jaargemiddelde van kracht van 20 µg/m3. De verplichting is om per 1 januari 2015 de fijnstofemissie van PM 2,5 te beoordelen. In de huidige situatie bedraagt de totale fijnstofemissie PM2,5 circa 30 kilogram per jaar. Aangezien de dieraantallen niet wijzigen, wijzigt deze fijnstofemissie evenmin. De realisatie van de nieuwe bebouwing leidt niet tot een toe- of afname van de fijnstofemissie PM2,5. De emissies van stikstofoxide en fijnstof – veroorzaakt door vrachtverkeer, personenauto’s en bestelbusjes – stijgen evenmin. Als gevolg van de nieuwbouw van de uitloop is er geen stijging van het aantal verkeersbewegingen. Voorgaande betekent dat de gewenste activiteiten aan de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit voldoen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkelingen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen wijzigt niet en kan als gunstig beoordeeld worden, waarbij wordt voldaan aan de nieuwste WHO-normen.
GELUID In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het besluitgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft echter het realiseren van een overdekte uitloop aan de bestaande vleeskuikenstal. Dergelijke bouwwerken worden niet aangemerkt als geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Bovendien wijzigt met het plan de bestemming van de al bestaande bedrijfswoning verder niet en worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Derhalve vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor de realisering van het onderhavige plan. Als gevolg van de nieuwbouw van de overdekte uitloop wijzigt het aantal geluidbronnen niet. Wel vinden er activiteiten plaats waarbij geluid geproduceerd wordt, bijvoorbeeld bij het schoonmaken van de uitloop middels een shovel. Het betreft vergelijkbare geluidbronnen en activiteiten die reeds op het bedrijf aanwezig zijn c.q. plaatsvinden. Middels de omgevingsvergunning wordt zeker gesteld dat geldende geluidsnormen niet worden overschreden. Met voorgenomen veranderingen worden geen nadelige gevolgen voor de geluidbelasting op de omliggende woningen verwacht. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.
VERKEER EN PARKEREN Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de nieuwbouw van de overdekte uitloop zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. De bestaande erfverharding zal, indien nodig, uitgebreid worden ter plaatse van de uitlopen. De nieuwe bebouwing moet bereikt kunnen worden voor de noodzakelijke aan- en afvoer. Bovendien worden op deze wijze de draaicirkels van de voertuigen die op het bedrijf moeten laden, lossen en parkeren op eigen terrein gerealiseerd. Er is voldoende ruimte op het erf voor meerdere vrachtauto’s, zodat geen (vracht)auto’s op de openbare weg hoeven te wachten. In de huidige situatie is er reeds sprake van diverse bedrijfsmatige verkeersbewegingen. Ten opzichte van de vergunde situatie neemt het aantal vervoersbewegingen niet toe. De verschillende
1 JULI 2022
19
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
verkeersbewegingen, die horen bij een productieronde, zullen één keer minder per jaar plaatsvinden. Door de langzame groei van de dieren beslaat iedere productieronde een langere periode. Voor de ontsluiting van het bedrijf wordt op dit moment gebruik gemaakt van twee inritten vanaf de Zandwerf. De linker inrit wordt hoofdzakelijk gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning en licht verkeer. De rechter inrit wordt met name door vrachtverkeer gebruikt. Deze situatie zal als gevolg van de nieuwbouw niet wijzigen. Ook het aantal inritten blijft gelijk. De infrastructurele ontsluiting van het besluitgebied is goed. Het bedrijf is gelegen aan een doodlopend gedeelte van de Zandwerf, een smalle weg, maar voldoende breed voor het verkeer dat van en naar het bedrijf gaat. Er geldt een snelheidsregime van 60 kilometer per uur. De Zandwerf is een lokale erfontsluitingsweg welke via de Veenweg naar de kern van Hellum leidt. Ook kan het verkeer via de Veenweg naar de Eideweg tussen Siddeburen en Noordbroek. De weg leidt vanaf een aantal woningen langs bestaande woningen en het bedrijf en bevat uitsluitend bestemmingsverkeer. Aanpassingen aan de wegenstructuur zijn niet noodzakelijk.
BODEMKWALITEIT In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In de omgevingsvergunning van het bedrijf worden gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Voor de gewenste nieuwbouw is dit niet het geval. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is voor de oprichting van de overdekte uitlopen dus niet relevant.
Daarnaast is in de Bouwverordening van de gemeente Midden-Groningen in artikel 2.1.5 lid 2 bepaald dat de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 onder d van de Regeling omgevingsrecht niet geldt als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht in artikel 2 en 3 van bijlage II. Wanneer de overdekte uitloop binnen het bouwvlak gebouwd zou worden mocht deze op grond van artikel 3 lid 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zonder omgevingsvergunning gebouwd worden. De overdekte uitloop is een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikel 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Mede daarom kan een bodemonderzoek achterwege blijven. Het plan voorziet in de bebouwingsuitbreiding van een pluimveehouderij. De grond waarop de nieuwbouw van de uitlopen plaatsvindt heeft reeds een agrarische bestemming en is tot heden landbouwkundig gebruikt. Verwacht mag worden dat deze grond niet verontreinigd is. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering is voor de gewenste nieuwbouw.
1 JULI 2022
20
Ruimtelijke onderbouwing Zandwerf 2 in Hellum
KABELS EN LEIDINGEN In of nabij het besluitgebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die de voorgestelde ontwikkelingen belemmeren of voorzien moeten worden van een planologische regeling. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden kan een Klic-melding worden gedaan. Daaruit zal definitief blijken of er kabels en/ of leidingen aanwezig zijn in de bodem ter plaatse van de te realiseren overdekte uitloop. EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr.) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10 -6/jr.) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten. 2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: Bedrijven; Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water); Hoogspanningslijnen; Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Het op 27 oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico’s voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Met betrekking tot buisleidingen wordt het wettelijk kader gevormd door het Besluit externe veiligheid buisleidingen dat op 1 januari 2011 in werking is getreden. Om meer afstemming te verkrijgen tussen transport van gevaarlijke stoffen, veiligheid en ruimtelijke ontwikkelingen is op 1 april 2015 de Wet basisnet in werking getreden. Tegelijkertijd is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden.