CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

RM 2021 06 28 Bijlage 1 Zienswijzenrapport definitief

Commissie Ruimte 28 juni 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Actieve informatieplicht11.290 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Definitief besluit van college van burgemeester en wethouders van Middelburg en de zienswijzenrapportage op een verzoek van het Cuypersgenootschap op grond van de Erfgoedverordening Middelburg 2011

Inleiding Het Cuypersgenootschap te Zoetermeer heeft bij brief van 30 juli 2019 een verzoek gericht aan ons college om op grond van artikel 3 van de Erfgoedverordening Middelburg 2011 de zogeheten Briëtwoningen in de wijk ‘t-Zand-Breewijk aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college heeft op grond van de genoemde Erfgoedverordening het verzoek voorgelegd aan het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: het Wark). Op verzoek van het Wark heeft het college opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek. Dit onderzoek was benodigd voor het kunnen uitbrengen van een advies aan het college. Het verkrijgen van het bouwhistorisch onderzoek heeft geruime tijd in beslag genomen doordat bedrijven geen mogelijkheid hadden de opdracht aan te nemen wegens tijdgebrek, het contact verloren is gegaan met een opdrachtnemer en vanwege de uitbraak van het Covid-19 virus.

Het college concludeert op basis van een bouwhistorisch onderzoek van 22 oktober 2020 en het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit dat er sprake is van hoge monumentale waardestelling van de Paul Briëtwoningen in de wijk ’t Zand te Middelburg; Definitief besluit Na zorgvuldige afweging van alle, op het moment van het voorgenomen besluit bekende betrokken belangen, aangevuld met de ingebrachte zienswijzen met een contra-deskundigenrapport besluit het college niet over te gaan tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Erfgoedverordening Middelburg 2011 en wijst hiermee het verzoek van het Cuypersgenootschap af. Afwegingen Enerzijds onderkent het college het belang om de Paul Briëtwoningen aan te wijzen als gemeentelijk monument om deze te beschermen. Anderzijds weegt het belang zwaarder van de eigenaar van de woningen om geen beschermingsregime van toepassing te laten zijn. Op grond van artikel 2 van de Erfgoedverordening dient het college bovendien rekening te houden met het gebruik van de woningen. In dit geval worden de woningen bewoond en door Woongoed geëxploiteerd als sociale huurwoningen. 1. Bedrijfsvoering van Woongoed: Woongoed en haar rechtsvoorganger verhuren deze woningen sinds de bouw daarvan.

Woongoed heeft aan de hand van de staat van de woningen en wijzigende inzichten ten aanzien van woonklimaat de keuze gemaakt de woningen niet meer in stand te houden maar te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Deze keuze is gebaseerd op een cijfermatige onderbouwing van de jaarlijkse onderhoudskosten van de woningen in vergelijking met andere woningen van Woongoed. Daarnaast zijn verschillende scenario's doorgerekend om de woningen in de bestaande vorm te renoveren. De conclusie van Woongoed is dat de oudste Briëtwoningen, die de kern van de wijk vormen, bouwkundig in zodanig slechte staat verkeren dat deze redelijkerwijs niet meer verhuurwaardig zijn en/of gerenoveerd kunnen worden. De te slopen woningen hebben funderings-, vocht- en asbestproblemen. De belangrijkste aanleiding daarvoor is dat ze tijdens de inundatie in de Tweede Wereldoorlog onder water hebben gestaan. Zie het rapport van Hulshof architecten: ‘t Zand, Middelburg Onderzoeksrapport en Scenario’s. De naoorlogse Briëtwoningen zijn beter van kwaliteit en kunnen wel gerenoveerd worden. 2. Woongoed heeft aangegeven dat, indien de gemeente zou overgaan tot aanwijzing van de woningen als gemeentelijk monument, Woongoed kiest voor het menselijk belang van de bewoners die al (te) lange tijd in onzekerheid zitten over hun woontoekomst. Zij gaat over tot uitponden van de woningen.

Het college heeft hierbij overwogen dat het behoud van de Paul Briëtwoningen een gevolg is van het feit dat al deze woningen één eigenaar hebben, i.c. Woongoed. Indien de woningen verkocht worden aan individuele eigenaren is er geen gezamenlijk 1

belang meer om de wijk als geheel in stand te houden. Daarnaast is de staat van de woningen zodanig dat deze redelijkerwijs niet meer kunnen dienen als (sociale huur)woning. Als het de nieuwe eigenaren ontbreekt aan voldoende financiële middelen dan kunnen deze woningen bezwaarlijk worden hersteld en kan er geen gezond binnenklimaat worden bereikt. Het college concludeert daarom dat het in stand houden van het totale ensemble van de Paul Briëtwoningen tot nu toe gegarandeerd was doordat Woongoed deze exploiteerde en kon onderhouden. Nu de woningen aan het einde van hun economische levensduur zijn gekomen en niet meer door één eigenaar geëxploiteerd kunnen worden is de toekomst van de woningen onzeker omdat individuele eigenaren niet bij machte zullen zijn om deze in stand te houden in geval van 1 3. Rekening houden met het gebruik van het monument: de woonwijk is op dit moment in gebruik voor bewoning. De woningen zijn in beginsel alleen bedoeld en geschikt voor bewoning. Een enkele (willekeurige) woning zou theoretisch bouwkundig her bestemd kunnen worden voor bijvoorbeeld horeca of detailhandel, maar de gehele woonwijk is bezwaarlijk her te bestemmen tot een andere bruikbare bestemming zonder dat het uiterlijk aanzien van de woningen aangetast of gewijzigd zou worden.

De woningen in onbewoonde staat conserveren is geen reële optie; Woongoed of een andere Stichting zal of kan dat niet bekostigen, nog los van andere ongewenste neveneffecten zoals vandalisme, kraken e.d.. Leegstand levert niets op en daardoor kunnen de woningen bij leegstand niet in stand gehouden worden. Daarnaast zijn de woningen binnen de bebouwde kom gelegen en bedoelt voor sociale huurwoningen. Het voor een ander doel aanwenden raakt rechtstreeks de sociale huurder omdat binnen Middelburg niet zonder meer elders kan worden voorzien in vervangende sociale huurwoningen. Een andere bestemming dan wonen zou de sociale huurder die toch al moeilijk toegang heeft tot de woningmarkt, duperen doordat per saldo het aantal sociale huurwoningen in Middelburg zou afnemen. Dat is niet wenselijk. 4. In feite betekent aanwijzing dat de woningen gegeven de huidige omstandigheden niet her bestemd kunnen worden en dus bewoond moeten blijven. Uit het eerdergenoemde rapport van Hulshof architecten in opdracht van Woongoed van 31-12-2018 volgt dat een groot deel van de woningen niet alleen bouwkundig slecht is maar ook het binnenklimaat (door onder meer schimmelvorming) te wensen overlaat. In dat kader wordt ook verwezen naar de uitgebreide toelichting op de woonsituatie van Woongoed van 18 december 2020. 5.

Cultureel erfgoed: het college onderkent, net als het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit dat er sprake is van een hoge monumentale waarde. In het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) uit 1994 is de wijk ’t Zand beoordeeld op basis van de volgende kwaliteitscriteria: I Intrinsieke stedenbouwkundige kwaliteit II Bijzondere historische betekenis, III stedenbouwkundige betekenis in ruimere omgeving, gaafheid (van I t/m III) en zeldzaamheid (van I t/m III). In het Monumenten Selectie Project dat volgde op het MIP zijn de kwaliteiten destijds niet voldoende belangrijk gevonden om de wijk aan te wijzen als Rijksmonument. Ook bij de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht in 1985 is wijk ’t Zand buiten beschouwing gebleven. Door het verstrijken van de tijd wijzigen ook de inzichten m.b.t. waarderingen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft recentelijk aangegeven dat wijk ’t Zand op landelijk niveau niet bijzonder genoeg is om alsnog de status van Rijksmonument of beschermd stadsgezicht te verkrijgen. Hoewel de wijk in de recent uitgevoerde bouwhistorische verkenning hoog monumentaal gewaardeerd wordt zijn er de afgelopen acht decennia geen initiatieven tot bescherming ondernomen. 6.

In de in opdracht van het college uitgevoerde bouwhistorische verkenning wordt de wijk hoog monumentaal gewaardeerd, maar het college signaleert tegelijkertijd dat er de afgelopen acht decennia geen initiatieven tot bescherming zijn ondernomen. Het door Woongoed ingebrachte deskundig tegenrapport van Hylkema Erfgoed van 16 maart 2021 onderschrijft op zijn minst dat enige nuance ten aanzien van de monumentale waarde op zijn plaats is. De conclusie van Hylkema is: “Onze overall conclusie ten aanzien van de bouwhistorische verkenningen van ’t Zand door Rothuizen is, dat de rapporten een behoorlijk uitvoerige beschrijving zijn van de in en kort na de oorlog gebouwde ‘Briëtwoningen’, maar dat de hieraan verbonden waardestellingen op deze manier niet terecht zijn. Er wordt naar ons idee een te groot belang gehecht aan het ontwerp van Briët, waarmee de panden te specifiek, te uniek en te bijzonder worden gemaakt voor wat ze uiteindelijk zijn.” Het tegenrapport maakt de uitkomst van onze belangenafweging niet anders. Wel brengt de nuance van de waardestelling van de Briëtwoningen met zich mee dat aan het behoud van de 2

woningen eerder minder gewicht toegekend mag worden dan meer. Wij blijven daarom van mening dat aan de belangen van de bewoners een zwaarder gewicht mag worden toegekend dan aan het algemeen belang bij behoud van de woningen. 7. De ingebrachte zienswijzen contra het voorgenomen besluit bevatten geen nieuwe feiten en/of omstandigheden op grond waarvan het college een ander besluit zou moeten nemen dan zij gedaan heeft met het voorgenomen besluit van 19 januari 2021. 8. De ingebrachte zienswijzen pro het voorgenomen besluit bevestigen het gewicht dat mag worden toegekend aan de belangen van de bewoners. Openbare Voorbereiding procedure Met ingang van 3 februari 2021 is de zogeheten Uniforme Openbare voorbereidingsprocedure aan als bedoeld in afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangevangen en hebben de op de procedure betrekking hebbende documenten ter inzage gelegen gedurende 6 weken. Ter inzage hebben gelegen gedurende de periode van 3 februari 2021 tot en met 17 maart 2021: 1. 2.

Het verzoek van de Stichting Cuypersgenootschap van 30 juli 2019; De bekendmaking van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg van 3 februari 2021; 3. Het voorgenomen besluit van 19 januari 2021 van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg; 4. Het advies van het WARK van 12 november 2020; 5. Definitief besluit Complex 201 van Woongoed; 6. Definitief besluit Complex 202-206 van Woongoed; 7. Eindrapportage Hulshof Architecten van 31-12-2018; 8. Opname methode Woongoed; 9. Bouwhistorische verkenning Briëtwoningen Wijkniveau van Rothuizen van 22 oktober 2020, deel 1/2 en deel 2/2 met Alle bijlagen; 10. Second opinion van Winket van 6-12-2018; 11. Second opinion van Lievense Infra van 28-02-2019; 12. Second opinion Berekening Architecten Alliantie Goes van 1-7-2019; 13. Brief Woongoed van 17 september 2019 aan de Initiatiefgroep; 14. Rondschrijven Woongoed aan belanghebbenden. Ingediende zienswijzen Op het voorgenomen besluit van het college zijn de volgende zienswijzen binnengekomen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Op 3 februari 2021 bewoner van Middelburg (geanonimiseerd); Op 22 februari 2021 van de Stichting Vrienden van Middelburg; Op 1 maart 2021 een zienswijze/petitie van 64 bewoners van Briëtwoningen; Op 1 maart 2021 een zienswijze van 14 bewoners (12 woonadressen) van bewoners van de Burgerweidestraat; Op 2 maart 2021 van het Cuypersgenootschap te Zoetermeer; Op 5 maart 2021 van de Erfgoedvereniging Heemschut; Op 15 maart 2021 van 10 bewoners van Briëtwoningen (geanonimiseerd); Op 16 maart 2021 van Woongoed met een rapport van Hylkema Erfgoed van 16 maart 2021; Op 17 maart 2021 van een belanghebbende (geanonimiseerd). Inhoud van de zienswijzen:

1.

Bewoner van Middelburg. Zienswijze van 3 februari 2021: “Geachte B&W, Graag wil ik mijn zienswijze bij deze uiten betreft de sloop van de Briëtwoningen aan de Oude Koudekerkseweg Middelburg. Zelf ben ik geen bewoner van een Briëtwoning, maar ben bewoner van een particulier huis in deze straat. Deze straat heeft mede door de Briëtwoningen een prachtige karakteristieke uitstraling. 3

De huizen sluiten prachtig aan bij de bestaande particuliere woningen en dat maakt deze straat zo uniek. Met de sloop van de juist zo passende Briëtwoningen zal dit mooie stukje erfgoed en de karakteristieke uitstraling van deze straat totaal verdwijnen. Wees zuinig op deze mooie Paul Briëtwoningen en geef dit aantal woningen, juist omdat ze zo prachtig aansluiten bij de rest vd woningen, een tweede kans. Met vriendelijk groet,” Reactie college: wij begrijpen uw zorg ten aanzien van het behoud van het karakteristieke straatbeeld. Uit het deskundigenadvies (bouwhistorisch onderzoek en het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) blijkt dat de historische waarde van de wijk als geheel hoog is in zijn onderlinge samenhang. Een klein deel van de woningen bewaren vervangt niet het gehele ensemble en vertegenwoordigt in zichzelf niet een te behouden historische waarde. Bij herbouw wordt goed gekeken naar aansluiting met de huidige bebouwing van de Oude Koudekerkseweg.

2.

Stichting Vrienden van Middelburg “Geacht College, De Stichting Vrienden van Middelburg, opgericht op 28 juni 1988, met als statutaire doelstelling ‘Het bevorderen van het behoud van Middelburg als monumentenstad’, tekent hierbij bezwaar aan tegen uw besluit tot het niet-aanwijzen van de Paul Briëtwoningen in de wijk ’t Zand in Middelburg als gemeentelijk monument. Wij onderschrijven de conclusie van het door Rothuizen verrichte bouwhistorisch onderzoek dat de wijk als ‘hoog monumentaal’ waardeert. Tevens sluiten wij ons evenzeer aan bij het advies van de Walcherse Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) van 12 november 2020, dat de wijk een plaats op de lijst van gemeentelijke monumenten verdient In lijn met deze conclusie en met dit advies achten wij het onjuist dat u de Paul Briëtwoningen niet aanwijst als gemeentelijk monument. Naast genoemd onderzoek en advies moge ter toelichting op ons standpunt nog het volgende dienen: - Ir. P. Verhagen, regisseur van het Middelburgse reconstructieplan, oordeelde in 1943 over het complex van Briëtwoningen: ‘het woonwijkje is [...] geworden tot een van de beste in ons Vaderland: ik weet zelfs geen woonwijk met meer karakter en aangenamer van stemming: op en top wat het wezen moet’ (K. Bosma (red.), Architectuur en stedebouw in oorlogstijd, Rotterdam 1988).

-Elders valt te lezen dat het gaat om ‘een van de eerste gestandaardiseerde volkshuisvestingsprojecten in Nederland’ (D. van Gelder, De wederopbouw van Middelburg, in: Zeeland, jg. 28 nr. 2 (2019)). -De wijk is in zeker opzicht ook te beschouwen als monument van de Tweede Wereldoorlog, zoals uiteengezet door ons bestuurslid Gerrit Schoenmakers, onder andere op onze website (www. vrienden vanmiddelburg.nl). De volgende overwegingen brengen wij graag onder uw aandacht -Middelburg is als monumentenstad meer dan alleen de monumentale binnenstad (alsmede de singels en de Noordweg). Ook sommige buitenwijken zoals de Bomenbuurt (onderdeel van de Griffioen) en zeker ook het bewuste deel van ’t Zand maken deel uit van het cultureel erfgoed van Middelburg. In het geval van de Bomenbuurt is dat erkend door middel van de aanwijzing als gemeentelijk monument; voor de Briëtwoningen zou dat ook moeten gebeuren. Een dergelijke erkenning geeft ook een belangrijke impuls aan de geestkracht van de wijk. -‘In geschiedenis kun je niet wonen’, aldus wethouder J. Aalberts (in: PZC 27 januari 2021). Natuurlijk kan men wel in geschiedenis wonen. De complete Middelburgse binnenstad is daar het sprekende bewijs van. Bewoners wonen daar graag en geriefelijk, en bezoekers komen daar in steeds groteren getale vol bewondering naar kijken.

Maar een historische binnenstad en historisch betekenisvolle buitenwijken vereisen wel verantwoordelijkheid. En op dat punt is Woongoed Middelburg als eigenaar van de Briëtwoningen te kort geschoten. De woningen zijn door jarenlang volgehouden improviserend onderhoud verwaarloosd, waardoor het begrijpelijk is dat een deel van de bewoners nu problemen heeft met de leefomstandigheden. Met uw besluit tot het nietaanwijzen van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument ‘beloont’ u dit improviserend onderhoud door Woongoed Middelburg, met als uiteindelijke ‘kroon op het werk’: sloop! -‘Bewoners zijn belangrijker dan huizen’, aldus wederom wethouder Aalberts, verwijzend naar het feit dat de woningen in kwestie geen gezond leefklimaat zouden vormen (in: PZC 27 januari 2021). Niemand, ook de voorstanders van behoud niet, wil(len) mensen in ongezonde huizen laten wonen. Het was nota bene de Middelburgse stadsgeneesheer dr. S.S. Coronel die al in de

4

negentiende eeuw ten strijde trok tegen ongezonde woonsituaties in Middelburg. Het ongezonde klimaat is in het geval van de Briëtwoningen deels veroorzaakt door bovengenoemd gebrekkig onderhoud, anderzijds door het zout ten gevolge van de oorlogsinundatie. Maar het is ook gelukt om de vooroorlogse wijken in Nieuw-Middelburg, evenzeer slachtoffer van zout, leefbaar te maken en te houden. Die uitdaging zou Woongoed Middelburg ook (hebben) moeten aangaan in het geval van de Briëtwoningen. Tenslotte: mocht onverhoopt de door ons bepleite plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst niet gerealiseerd worden en sloop dreigen, dan zullen naar ons oordeel tenminste de meest karakteristieke onderdelen van de wijk behouden dienen te worden, te weten de dwarsstraten Burgerweidestraat en Baarsjesstraat, alsmede de oudste kern van de wijk, te weten de al in 1941 gebouwde 13 woningen aan de Oude Koudekerkseweg. Hoogachtend, A.P. de Klerk (wnd. voorzitter) Th.A.M. Rietveld (secretaris)” Reactie college: Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, heeft het college beleidsruimte. Het college heeft hierin belangen tegen elkaar afgewogen. Het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) strekt tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument.

Het daarmee gemoeide belang is het behoud van het monument. Dat er, ook binnen de erfgoedwereld verschillend aangekeken wordt tegen de waarde van de Briëtwoningen als aan te wijzen gemeentelijk monument blijkt uit ons besluit. Hoewel het college de overwegingen van het WARK goed kan volgen, heeft het college de bevindingen omtrent de monumentale waarde van de Briëtwoningen in het besluit reeds in enige mate genuanceerd: - in het Monumenten Selectie Project zijn de kwaliteiten van de wijk niet voldoende belangrijk gevonden om de wijk aan te wijzen als Rijksmonument; - bij de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht in 1985 is de wijk ’t Zand buiten beschouwing gebleven; - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft recentelijk aangegeven dat de wijk ’t Zand op landelijk niveau niet bijzonder genoeg is om alsnog de status van Rijksmonument of beschermd stadsgezicht te verkrijgen. In de in opdracht van het college uitgevoerde bouwhistorische verkenning wordt de wijk hoog monumentaal gewaardeerd, maar het college signaleert tegelijkertijd dat er de afgelopen acht decennia geen initiatieven tot bescherming zijn ondernomen. Het door Woongoed ingebrachte deskundig tegenrapport van Hylkema Erfgoed van 16 maart 2021 onderschrijft op zijn minst dat enige nuance ten aanzien van de monumentale waarde op zijn plaats is.

De conclusie van Hylkema is: “Onze overall conclusie ten aanzien van de bouwhistorische verkenningen van ’t Zand door Rothuizen is, dat de rapporten een behoorlijk uitvoerige beschrijving zijn van de in en kort na de oorlog gebouwde ‘Briëtwoningen’, maar dat de hieraan verbonden waardestellingen op deze manier niet terecht zijn. Er wordt naar ons idee een te groot belang gehecht aan het ontwerp van Briët, waarmee de panden te specifiek, te uniek en te bijzonder worden gemaakt voor wat ze uiteindelijk zijn.” Het tegenrapport maakt de uitkomst van onze belangenafweging niet anders. Wij blijven van mening dat aan de belangen van de bewoners een zwaarder gewicht mag worden toegekend dan aan het algemeen belang bij behoud van de woningen. Eigenaar Woongoed heeft laten weten tegen de aanwijzing te zijn. Renovatie van de panden is duur en lost bovendien bestaande problemen met zout, vocht, asbest en de fundering niet op. Woongoed wil de woningen verkopen aan de huidige huurders. In uw zienswijze betoogt u dat Woongoed te kort zou zijn geschoten in het onderhoud van de woningen in de afgelopen jaren of dit ‘improviserend’ zou hebben uitgevoerd. Ons college zou dat 5

beleid ‘belonen’ met het niet-aanwijzen als gemeentelijk monument. Het afwegingskader van de Erfgoedverordening geeft geen ruimte als college te oordelen over het onderhoudsbeleid van Woongoed in het verleden. Wij nemen dat dan ook niet mee in onze afwegingen. Los daarvan signaleren wij dat Woongoed in een zienswijze juist aangeeft dat meer geld aan het onderhoud van deze woningen wordt besteed dan gemiddeld en dat die onderhoudskosten een gevolg zijn van de structurele gebreken aan deze woningen veroorzaakt door de schaarste aan goede bouwmaterialen tijdens de oorlog en door de inundatie. Met een renovatie zijn deze structurele gebreken volgens Woongoed niet duurzaam oplosbaar. Wij hebben de gevolgen voor het aanwijzen als gemeentelijk monument (het niet kunnen slopen van de woningen) afgewogen voor de eigenaar, Woongoed. Naar onze mening zou aanwijzing tot gemeentelijk monument onevenredige gevolgen hebben doordat Woongoed de panden zal moeten renoveren. Dat is volgens Woongoed en de overgelegde rapporten duur en het resultaat voor de volkshuisvesting is twijfelachtig. Op grond van artikel 2 van de Erfgoedverordening kunnen wij bij de toepassing van de verordening rekening houden met het gebruik van het eventueel aan te wijzen monument.

Wij hebben overwogen dat de Briëtwoningen zijn gebouwd als woning en in zichzelf en als geheel alleen bedoeld en ingericht zijn om bewoond te worden (los van de kwaliteit van de woningen). Mede door hun relatief grote aantal is redelijkerwijs geen andere bestemming te geven aan de woningen. Zinvol hergebruik, anders dan door bewoning is naar onze mening niet mogelijk. Nu uit meerdere rapporten blijkt dat de panden voor bewoning ongeschikt zijn geraakt –door welke oorzaak dan ook- en dat ook redelijkerwijs niet meer te maken zijn, ligt aanwijzing niet voor de hand. U pleit voor behoud van een gedeelte van de wijk, zijnde het naar uw mening meest karakteristieke deel van de wijk. Wij begrijpen de suggestie, maar wijzen erop dat het deskundigenrapport (bouwhistorisch onderzoek en advies van het WARK) uitgaat van het gehele ensemble. Behoud van een deel van de wijk steunt niet op een deskundigenadvies. Het al dan niet behouden van een deel van de wijk is daarom naar onze mening geen zaak van het wel of niet aanwijzen van een deel van de wijk als gemeentelijk monument maar een aangelegenheid van de eigenaar van de woningen of deze een deel van de wijk zou willen behouden. 3.

Zienswijze/petitie van 1 maart 2021, bewoners Briëtwoningen: “Goedemiddag, Bijgaand doe ik u toekomen een petitie van de wijk ’t Zand inzake de woningen Burgerweidestraat, Baarsjesstraat, Langevieleweg en Poelendaeleweg. Wij zijn blij met de beslissing van de gemeente dat de aanvraag monumentenstatus is verworpen. Als u in de wijk loopt ziet u ook veel posters hangen (bijgaand een voorbeeld). Zeker in de burgerweidestraat is het een kleurig geheel! Ik zal deze petities nog per post naar u verzenden, maar wilde wel al deze naar u doormailen. Indien u nog vragen heeft hoor ik het graag, Met vriendelijke groeten,” Betreft 64 bewoners van Briëtwoningen. Reactie college: In ons besluit hebben wij de belangen van de bewoners zwaarder laten wegen dan het belang van het aanwijzen van de wijk als gemeentelijk monument. Zoals hiervoor aangegeven (onder onze zienswijze bij 2) zien wij geen reële mogelijkheden om de panden een zinvolle herbestemming te geven.

4.

Zienswijze van 1 maart 2021 van 14 bewoners van 12 adressen in de Burgerweidestraat: Geachte meneer, mevrouw, Wij dienen deze brief in naar aanleiding van het voorstelnummer 21-026 / agendapunt 27.m.1.

6

Al geruime tijd zijn wij als bewoners van de Burgerweidestraat in onzekerheid over ons thuis. Wij schrijven u expliciet ‘thuis’ omdat deze term niet gebruikt wordt in bovengenoemd voorstel. Wij zijn blij dat we in deze straat wonen en als de witte gevels met rode dakpannen in zicht komen dan zijn we er weer bijna, bijna thuis. De meeste buren kennen elkaar en de sfeer is gemoedelijk, dat is prettig want de huizen zijn gehorig en wij zitten dicht op elkaar. Het gevoel van ‘wij’ is hier groot, niet alleen omdat het zo een fijne plek in Middelburg is om te wonen maar ook omdat ‘wij’ allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Wij zijn gezegend om te wonen in deze fijne wijk, de schattige huisjes waar zoveel herinneringen liggen, waar al zoveel kinderen groot zijn geworden. Wij willen hier graag wonen en om dat te kunnen blijven doen willen wij best even weg gaan. Weggaan om terug te kunnen komen, weggaan om in de buurt te kunnen blijven wonen. Misschien zijn wij inmiddels wel bekend als de straat met een grote voorliefde voor slopen want dat is wat wij blijven roepen: WIJ HOPEN OP SLOPEN.

Wij verlangen naar geen vocht in de muren, geen tocht door heel het huis, het kunnen ophangen van een spijker of haakje zonder het risico op asbestdeeltjes die vrij komen, het kunnen verven van die ene muur waar het stucwerk van los blijft laten en die ook niet meer glad getrokken zal worden in afwachting van een besluit. Want dat is wat wij hebben gedaan en steeds moeten blijven doen: afwachten. Wachten op een besluit van allerlei partijen met allerlei tegengestelde belangen. Wij begrijpen dat er met grote besluiten veel partijen betrokken zijn maar we vragen ons wel af wie er (naast Woongoed) voor de bewoners op wil komen? Wij waren zo blij dat er eindelijk een voorlopig besluit was genomen en we eindelijk weer een beetje duidelijkheid kregen over onze toekomst, een vooruitzicht hadden. Tot er een brief van een politieke partij op de deurmat viel. Een partij die graag wil dat wij opnieuw gaan afwachten, een partij die voorstander is van het behoud van onze woningen. Niet van ons thuis maar van het plaatje. Wij hebben geen belang bij een mooi plaatje, wij hebben belang bij een duurzaam en leefbaar huis dat nog langer op zich laat wachten door dit getouwtrek. Via deze brief proberen wij voor onszelf op te komen en verzoeken wij aan een ieder die mag stemmen over het bovengenoemde voorstel om ons daarin niet te vergeten.

Wij proberen onze zienswijze met u te delen in de hoop dat u besluit om ons een thuis te geven, om een einde te maken aan het wachten en ons een blik op de toekomst te gunnen. Wij hopen niet alleen op slopen maar wij hopen ook op zekerheid en leefbaarheid. Wij hopen op uw steun. In afwachting van uw besluit. Met vriendelijk groet, De bewoners van de Burgerweidestraat in Middelburg. (Betreft 14 bewoners van 12 adressen). Reactie college: In ons besluit hebben wij de belangen van de bewoners zwaarder laten wegen dan het belang van het aanwijzen van de wijk als gemeentelijk monument. Zoals hiervoor aangegeven (onder onze zienswijze bij 2) zien wij geen reële mogelijkheden om de panden een zinvolle herbestemming te geven. 5.

Zienswijze Cuypersgenootschap: “Geacht college, Bijgaand doet het Cuypersgenootschap een zienswijze toekomen inzake het voorgenomen besluit ten aanzien van de Briëtwoningen. Wilt u deze zienswijze in behandeling nemen en meenemen in de definitieve besluitvorming. Graag ontvangen wij een ontvangstbevestiging. Met vriendelijke groet, Leo Dubbelaar, secretaris Cuypersgenootschap

Zoetermeer, 2 maart 2021 Uw kenmerk: 2571 Onderwerp: zienswijze op het ontwerpbesluit inzake de Paul Briëtwoningen Geacht college, De Stichting het Cuypersgenootschap, een landelijke monumentorganisatie, heeft u per brief van 30 juli 2019 verzocht om de Briëtwoningen in de Middelburgse wijk Het Zand, begrensd door de Oude Koudekerkseweg, De Ruyterstraat en Poelendaeleweg, te beschermen als gemeentelijk 7

monument. Per brief van 1 februari 2021 heeft u aangegeven voornemens te zijn om ons verzoek af te wijzen. Tegelijkertijd is eerder tijdens een overleg met wethouder Johan Aalberts wel gebleken dat de gemeente zoekt naar een compromis tussen de betrokken partijen. Onze organisatie hoopt dat er een compromis komt waarbij de architectuur en geschiedenis van dit bijzondere gebied voldoende behouden blijft. In 1940 is de binnenstad van Middelburg getroffen door een bombardement en stadsbrand die vele panden in de as legde. Voor de bewoners werd in de daarop volgende jaren buiten de binnenstad nieuwe huisvesting ontworpen en gerealiseerd. Voor de bouwkundige uitwerking van het herbouwplan werd eind 1940 de Stichting Herbouw Middelburg opgericht onder leiding van ir. P. Verhagen. De eerste vervangende volkswoningbouw voor de verloren gegane woningen in het centrum werd in het uitbreidingsplan ’t Zand gerealiseerd. De bouw van de 147 arbeiderswoningen met 2 bijbehorende winkelpanden is als 1e fase gestart in 1941 en bedoeld voor de huisvesting van bewoners uit de verwoeste binnenstad. Het ontwerp is van de belangwekkende traditionalistische architect P.H.N. Briët (1894-1978). De woningen zijn vormgegeven met een streekeigen Zeeuws karakter dat goed herkenbaar is aan de beeldkwaliteit van de gevelwand, de variatie in bouwhoogten, het materiaalgebruik en detaillering.

De 2e fase (’t Zand II) is gestart in 1946 en betreft 65 woningen in een iets soberder uitvoering. Voor Middelburg hebben de genoemde woningen een evidente architectuur- en cultuurhistorische waarde. De woningen vertellen het verhaal van het bombardement in 1940 en de wederopbouw van Middelburg gedurende en na de oorlog en zijn een hoogwaardig, (regionaal)zeldzaam en vrij gaaf behouden voorbeeld van volkswoningbouw in de stijl van de Delftse School. Deze waarden zijn gedurende de doorlopen procedure duidelijk naar voren gekomen en blijken ook uit het in het kader van deze procedure zwaarwegende advies van Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit. Helaas hebben de woningen echter ook bouwkundige problemen als gevolg van het zout dat in de gevels is gekomen tijdens de overstroming van Walcheren. Daarnaast is het een gegeven dat de woningen door de eigenaar al jaren matig zijn onderhouden. Op 16 december 2020 is er een overleg geweest tussen het Cuypersgenootschap en de gemeente Middelburg (vertegenwoordigd door wethouder Johan Aalberts en ambtelijke ondersteuning) over onze monumentenaanvraag en de andere zaken die spelen. Aan de orde zijn onder andere geweest de hoge monumentale waarden, de zoutproblematiek in de woningen, de positie van de eigenaar etc. Nadrukkelijk werd ook door de gemeente het verzoek gedaan of voor het Cuypersgenootschap een compromis denkbaar was. D.w.z.

een compromis dat bestaat uit een combinatie van behoud en sloopnieuwbouw. Zoals reeds mondeling aangegeven staat het Cuypersgenootschap open voor een compromis. Een compromis dient wat ons betreft te bestaan uit een goed evenwicht tussen oud en nieuw. D.w.z. dat een substantieel deel van de oude bebouwing blijft staan. Daarbij dient allereerst de 2e fase - die geen zoutproblemen heeft - gewoon netjes gerenoveerd te worden. Van het oude deel (1e fase) dienen in ieder geval de meest kenmerkende straten, de Burgerweidestraat en de Baarsjesstraat, behouden te blijven. Technisch en financieel moet dit mogelijk zijn, zoals blijkt uit de door de gemeente aangeleverde stukken en de reeds gerealiseerde renovatieprojecten van (sociale) woningbouw elders in Middelburg. De zoutproblemen kunnen gewoon aangepakt worden. Ook het asbest in de panden is geen argument voor sloop. Deze moet in ieder scenario zorgvuldig gesaneerd worden. De nieuwbouw in het gebied dient qua maat en stijl ook te passen bij de oudbouw. De architectonische harmonie in de wijk dient behouden te blijven. Dat dit mogelijk is bij dit soort vernieuwingen blijkt onder andere uit het project Dudok Revisited te Hilversum. Bij dit project zijn aan het begin van de eenentwintigste eeuw een aantal woonblokken van Dudok in een tuinwijk uit de jaren twintig vervangen door nieuwbouw in stijl.

De nieuwbouw volgt de oude architectuur van Dudok. Daarnaast is een aantal oude blokken – deels monument – in oude stijl gerestaureerd. Binnen zijn in deze oude blokken ook moderne woningen gerealiseerd. Een dergelijk scenario lijkt ons ook voor de Briëtwoningen haalbaar. Wij verzoeken u dringend om uw mondelinge voorstel voor een compromis nader uit te werken met alle betrokken partijen en als gemeente duidelijk de regie te pakken. Het is voor ons duidelijk dat het bewonersbelang en het erfgoedbelang bij een zorgvuldige aanpak niet hoeven te botsen met elkaar. Het Cuypersgenootschap staat klaar om mee te denken. Niettemin verzoeken wij uw voorgenomen besluit tot afwijzing van ons verzoek te herzien waarbij de oude bebouwing alsnog als monument wordt aangewezen. Hoogachtend, Het bestuur van Stichting het Cuypersgenootschap, Namens deze,

8

w.g. Leo (L.W.) Dubbelaar, secretaris” Reactie college: Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, heeft het college beleidsruimte. Het college heeft hierin belangen tegen elkaar afgewogen. Het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) strekt tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument. Het daarmee gemoeide belang is het behoud van het monument. Dat er, ook binnen de erfgoedwereld verschillend aangekeken wordt tegen de waarde van de Briëtwoningen als aan te wijzen gemeentelijk monument blijkt uit ons besluit. Hoewel het college de overwegingen van het WARK goed kan volgen, heeft het college de bevindingen omtrent de monumentale waarde van de Briëtwoningen in het besluit reeds in enige mate genuanceerd: - in het Monumenten Selectie Project zijn de kwaliteiten van de wijk niet voldoende belangrijk gevonden om de wijk aan te wijzen als Rijksmonument; - bij de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht in 1985 is de wijk ’t Zand buiten beschouwing gebleven; - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft recentelijk aangegeven dat de wijk ’t Zand op landelijk niveau niet bijzonder genoeg is om alsnog de status van Rijksmonument of beschermd stadsgezicht te verkrijgen.

In de in opdracht van het college uitgevoerde bouwhistorische verkenning wordt de wijk hoog monumentaal gewaardeerd, maar het college signaleert tegelijkertijd dat er de afgelopen acht decennia geen initiatieven tot bescherming zijn ondernomen. Het door Woongoed ingebrachte deskundig tegenrapport van Hylkema Erfgoed van 16 maart 2021 onderschrijft op zijn minst dat enige nuance ten aanzien van de monumentale waarde op zijn plaats is. De conclusie van Hylkema is: “Onze overall conclusie ten aanzien van de bouwhistorische verkenningen van ’t Zand door Rothuizen is, dat de rapporten een behoorlijk uitvoerige beschrijving zijn van de in en kort na de oorlog gebouwde ‘Briëtwoningen’, maar dat de hieraan verbonden waardestellingen op deze manier niet terecht zijn. Er wordt naar ons idee een te groot belang gehecht aan het ontwerp van Briët, waarmee de panden te specifiek, te uniek en te bijzonder worden gemaakt voor wat ze uiteindelijk zijn.” Het tegenrapport maakt de uitkomst van onze belangenafweging niet anders. Wij blijven van mening dat aan de belangen van de bewoners een zwaarder gewicht mag worden toegekend dan aan het algemeen belang bij behoud van de woningen. Eigenaar Woongoed heeft laten weten tegen de aanwijzing te zijn. Renovatie van de panden is duur en lost bovendien bestaande problemen met zout, vocht, asbest en de fundering niet op.

Woongoed wil de woningen verkopen aan de huidige huurders. In uw zienswijze betoogt u dat Woongoed te kort zou zijn geschoten in het onderhoud van de woningen in de afgelopen jaren of dit ‘improviserend’ zou hebben uitgevoerd. Ons college zou dat beleid ‘belonen’ met het niet-aanwijzen als gemeentelijk monument. Het afwegingskader van de Erfgoedverordening geeft geen ruimte als college te oordelen over het onderhoudsbeleid van Woongoed in het verleden. Wij nemen dat dan ook niet mee in onze afwegingen. Los daarvan signaleren wij dat Woongoed in een zienswijze juist aangeeft dat meer geld aan het onderhoud van deze woningen wordt besteed dan gemiddeld en dat die onderhoudskosten een gevolg zijn van de structurele gebreken aan deze woningen veroorzaakt door de schaarste aan goede bouwmaterialen tijdens de oorlog en door de inundatie. Met een renovatie zijn deze structurele gebreken volgens Woongoed niet duurzaam oplosbaar. Wij hebben de gevolgen voor het aanwijzen als gemeentelijk monument (het niet kunnen slopen van de woningen) afgewogen voor de eigenaar, Woongoed. Naar onze mening zou aanwijzing tot gemeentelijk monument onevenredige gevolgen hebben doordat Woongoed de panden zal

9

moeten renoveren. Dat is volgens Woongoed en de overgelegde rapporten duur en het resultaat voor de volkshuisvesting is twijfelachtig. Op grond van artikel 2 van de Erfgoedverordening kunnen wij bij de toepassing van de verordening rekening houden met het gebruik van het eventueel aan te wijzen monument. Wij hebben overwogen dat de Briëtwoningen zijn gebouwd als woning en in zichzelf en als geheel alleen bedoeld en ingericht zijn om bewoond te worden (los van de kwaliteit van de woningen). Mede door hun relatief grote aantal is redelijkerwijs geen andere bestemming te geven aan de woningen. Zinvol hergebruik, anders dan door bewoning is naar onze mening niet mogelijk. Nu uit meerdere rapporten blijkt dat de panden voor bewoning ongeschikt zijn geraakt –door welke oorzaak dan ook- en dat ook redelijkerwijs niet meer te maken zijn, ligt aanwijzing niet voor de hand. U pleit voor behoud van een gedeelte van de wijk, zijnde het naar uw mening meest karakteristieke deel van de wijk. Wij begrijpen de suggestie, maar wijzen erop dat het deskundigenrapport (bouwhistorisch onderzoek en advies van het WARK) uitgaat van het gehele ensemble. Behoud van een deel van de wijk steunt niet op een deskundigenadvies.

Het al dan niet behouden van een deel van de wijk is daarom naar onze mening geen zaak van het wel of niet aanwijzen van een deel van de wijk als gemeentelijk monument maar een aangelegenheid van de eigenaar van de woningen of deze een deel van de wijk zou willen behouden. 6.

Erfgoedvereniging Heemschut “Geacht college, geachte raadsleden, Bij het voorgenomen besluit van het college van B en W van Middelburg om niet over te gaan tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Erfgoedverordening Middelburg 2011. In dit voorgenomen besluit erkent het college weliswaar de monumentale waarden zoals de WARK die in haar advies beschrijft maar legt het advies naast zich neer zonder zich te verantwoorden voor haar publieke taak om het belang van Volkshuisvesting met het Erfgoedbelang te wegen. Het primaat van de politiek is in deze zaak duidelijk. Het College creëert echter een tegenstelling tussen beide belangen. Heemschut maakt bezwaar tegen deze eenzijdige benadering van het College om het particuliere belang van eigenaar Woongoed te zetten tegenover de publieke belangen van Middelburg wat betreft de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden en de volkhuisvestingskwaliteiten van de wijk ’t Zand, in bijzonder voor complex 201 dat in oorlogstijd 1941-43 is gebouwd. Heemschut concludeert dat het college de particuliere belangen van de eigenaar Woongoed vrijwel onvoorwaardelijk de prioriteit geeft boven de monumentale waarden, zonder Woongoed af te rekenen op haar verantwoordelijkheden voor instandhouding van haar bezit.

Want goede volkshuisvesting en de gezondheid van de bewoners is ook een publieke zaak en de woonomstandigheden zijn nu uitgesproken slecht door bijna 40 jaar achterstallig onderhoud. Heemschut heeft voor deze conclusie de volgende onderbouwingen: 1. Het belang van complex 201 als oorlogsmonument uit 1941-43 na de verwoesting van de binnenstad in 1940 blijkt duidelijk uit het rapport Rothuizen hoofdstuk 2.3. (zie bijlage 1) Het zijn geen noodwoningen maar degelijk gebouwde woningen, de buitengevels zijn als spouwmuur uitgevoerd. De bewoners waarderen het aangename woonklimaat van ’t Zand ondanks de huidige tekortkomingen door achterstallig onderhoud. 2. De zoutschade van de inundatie van 1944. (zie bijlage 2) Heel Walcheren is daardoor getroffen uitgezonderd de hoger gelegen delen zoals de binnenstad van Middelburg en duingebieden zoals de Manteling. Niettemin zijn er nog vele gebouwen en woningen van vóór 1944 ondanks het zout goed bewoonbaar; complex 201 is geen uitzondering. Inmiddels bestaan hier overigens doeltreffende technische oplossingen voor. 3. Het achterstallig onderhoud van het complex (zie bijlage 3): In de 80-er jaren is complex 201 voor het laatst ingrijpend gerenoveerd vooral wat betreft het interieur en de installaties, niet de buitenschil: bouwmuren en dak. 4.

het dreigement van Woongoed tot uitponding, dat het College als hefboom gebruikt om bij Raad en bewoners sloop en nieuwbouw door te drukken, waardoor niet alleen erfgoedkwaliteit en volkshuisvestingskwaliteit teniet gedaan worden, maar Woongoed de bewoners ook voor het blok zet. Heemschut constateert dat de vochtige muren niet louter toe te schrijven zijn aan het zout van de inundatie, maar vooral op verkeerde keuzes bij de renovatie in de jaren 80.

10

In de volgende 4 decennia daarna heeft eigenaar Woongoed geen behoorlijk onderhoud uitgevoerd dat, getuige onder andere de lekkende goten en slechte afvoeren (zie Hulshof), nu tot verwaarlozing en langzaam verval leidt van het complex met als gewenst resultaat afbraak en nieuwbouw. Voor de bewoners heeft dat tot onaanvaardbare woonomstandigheden geleid, getuige ook de publicaties daarover in de pers. Dit raakt de verantwoordelijkheid van Raad en College op gebied van betrouwbaar Volkshuisvestingsbeleid. Heemschut constateert dat Woongoed al veel langer het beleid volgt om tot sloop en nieuwbouw van de Briëtwoningen, waaronder complex 201, te kunnen overgaan. Hierbij voert Woongoed als onderbouwing aan dat zij dit mede ziet in het kader van de verduurzaming en het nieuwe energie beleid. Maar ook die verduurzaming en energiebesparing is heel goed te realiseren in de Briëtwoningen, inclusief het complex 201, zeker met de huidige bouwtechnische mogelijkheden en middelen. Het duidelijke advies van de WARK geeft hiervoor de randvoorwaarden. Uit het concept rapport van Hulshof blijkt dat het financieel verschil tussen sloop met nieuwbouw tegenover ingrijpende renovatie binnen heel redelijke grenzen ligt. Dit verschil is zeker te overbruggen omdat er duidelijke subsidiekansen zijn, zoals onder andere het Erfgoeddeal.

Samenvattend: Heemschut is van mening dat het College met dit voorgenomen besluit beide publieke belangen negeert. Het College wil het cultuurhistorische belang niet verenigen met het volkshuisvestingsbelang, dat nu door stelselmatig slecht rentmeesterschap van Woongoed geforceerd de prioriteit krijgt. De bewoners dreigen hiervan het slachtoffer te worden. Heemschut vroeg in een eerdere brief, verstuurd op 25 juli 2019 (zie bijlage 4), aan College en Raad van Middelburg om de wijk ’t Zand een beschermde status te geven om zo onvoorwaardelijke sloop te voorkomen van de Briëtwoningen. Dat kan ook door het gebied een cultuurhistorische dubbelbestemming te geven. Heemschut ondersteunt daarom de aanvraag van het Cuypers Genootschap en stemt in met het weloverwogen advies van de WARK. Met hoogachting voor Uw Raad en College, Erfgoedvereniging Heemschut” Reactie college: Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, heeft het college beleidsruimte. Het college heeft hierin belangen tegen elkaar afgewogen. Het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) strekt tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument. Het daarmee gemoeide belang is het behoud van het monument.

Dat er, ook binnen de erfgoedwereld verschillend aangekeken wordt tegen de waarde van de Briëtwoningen als aan te wijzen gemeentelijk monument blijkt uit ons besluit. Hoewel het college de overwegingen van het WARK goed kan volgen, heeft het college de bevindingen omtrent de monumentale waarde van de Briëtwoningen in het besluit reeds in enige mate genuanceerd: - in het Monumenten Selectie Project zijn de kwaliteiten van de wijk niet voldoende belangrijk gevonden om de wijk aan te wijzen als Rijksmonument; - bij de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht in 1985 is de wijk ’t Zand buiten beschouwing gebleven; - de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft recentelijk aangegeven dat de wijk ’t Zand op landelijk niveau niet bijzonder genoeg is om alsnog de status van Rijksmonument of beschermd stadsgezicht te verkrijgen. In de in opdracht van het college uitgevoerde bouwhistorische verkenning wordt de wijk hoog monumentaal gewaardeerd, maar het college signaleert tegelijkertijd dat er de afgelopen acht decennia geen initiatieven tot bescherming zijn ondernomen. Het door Woongoed ingebrachte deskundig tegenrapport van Hylkema Erfgoed van 16 maart 2021 onderschrijft op zijn minst dat enige nuance ten aanzien van de monumentale waarde op zijn plaats is.

De conclusie van Hylkema is: “Onze overall conclusie ten aanzien van de bouwhistorische verkenningen van ’t Zand door Rothuizen is, dat de rapporten een behoorlijk uitvoerige beschrijving zijn van de in en kort na de oorlog gebouwde ‘Briëtwoningen’, maar dat de hieraan verbonden waardestellingen op deze manier niet terecht zijn. Er wordt naar ons idee een te groot belang gehecht aan het ontwerp van Briët, waarmee de panden te specifiek, te uniek en te bijzonder worden gemaakt voor wat ze uiteindelijk zijn.”

11

Het tegenrapport maakt de uitkomst van onze belangenafweging niet anders. Wij blijven van mening dat aan de belangen van de bewoners een zwaarder gewicht mag worden toegekend dan aan het algemeen belang bij behoud van de woningen. Eigenaar Woongoed heeft laten weten tegen de aanwijzing te zijn. Renovatie van de panden is duur en lost bovendien bestaande problemen met zout, vocht, asbest en de fundering niet op. Woongoed wil de woningen verkopen aan de huidige huurders. In uw zienswijze betoogt u dat Woongoed te kort zou zijn geschoten in het onderhoud van de woningen in de afgelopen jaren of dit ‘improviserend’ zou hebben uitgevoerd. Ons college zou dat beleid ‘belonen’ met het niet-aanwijzen als gemeentelijk monument. Het afwegingskader van de Erfgoedverordening geeft geen ruimte als college te oordelen over het onderhoudsbeleid van Woongoed in het verleden. Wij nemen dat dan ook niet mee in onze afwegingen. Los daarvan signaleren wij dat Woongoed in een zienswijze juist aangeeft dat meer geld aan het onderhoud van deze woningen wordt besteed dan gemiddeld en dat die onderhoudskosten een gevolg zijn van de structurele gebreken aan deze woningen veroorzaakt door de schaarste aan goede bouwmaterialen tijdens de oorlog en door de inundatie. Met een renovatie zijn deze structurele gebreken volgens Woongoed niet duurzaam oplosbaar.

Wij hebben de gevolgen voor het aanwijzen als gemeentelijk monument (het niet kunnen slopen van de woningen) afgewogen voor de eigenaar, Woongoed. Naar onze mening zou aanwijzing tot gemeentelijk monument onevenredige gevolgen hebben doordat Woongoed de panden zal moeten renoveren. Dat is volgens Woongoed en de overlegde rapporten duur en het resultaat voor de volkshuisvesting is twijfelachtig. Op grond van artikel 2 van de Erfgoedverordening kunnen wij bij de toepassing van de verordening rekening houden met het gebruik van het eventueel aan te wijzen monument. Wij hebben overwogen dat de Briëtwoningen zijn gebouwd als woning en in zichzelf en als geheel alleen bedoeld en ingericht zijn om bewoond te worden (los van de kwaliteit van de woningen). Mede door hun relatief grote aantal is redelijkerwijs geen andere bestemming te geven aan de woningen. Zinvol hergebruik, anders dan door bewoning is naar onze mening niet mogelijk. Nu uit meerdere rapporten blijkt dat de panden voor bewoning ongeschikt zijn geraakt –door welke oorzaak dan ook- en dat ook redelijkerwijs niet meer te maken zijn, ligt aanwijzing niet voor de hand. Voor zover u aangeeft dat sloop van de woningen de bewoners zou duperen, stellen wij ons op het standpunt dat binnen de ingekomen zienswijzen tenminste 64 bewoners hebben aangegeven blij te zijn met de voorgenomen sloop.

Wij hebben geen zienswijzen ontvangen van bewoners die zich gedupeerd zouden voelen door sloop. Naar onze mening bevestigt de ingediende zienswijze de uitkomst van onze belangenafweging, waarin mede het belang van de volkshuisvesting prevaleert boven het algemeen belang bij de aanwijzing als gemeentelijk monument. 7.

10 bewoners van Briëtwoningen (geanonimiseerd) “Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Middelburg, Postbus 6000 4330LA Middelburg Geacht College, Naar aanleiding van het ontwerpbesluit tot slopen van de 148 Briët-woningen die tijdens de 2de wereld oorlog gebouwd zijn, sturen wij u onze zienswijze. De Briët-woningen zijn ondertussen een complexe casus waarbij verschillende partijen betrokken zijn en diverse belangen meespelen. Uiteraard willen wij ook een goede en betaalbare woning, maar liefst wel met behoud van de Briët-woningen. Wij, de bewoners van de Briët-woningen aan de Oude Koudekerkeseweg zouden graag zien dat onze woningen behouden blijven, mits deze goed en grondig gerenoveerd worden zonder veel ruimte verlies en niet" cosmetisch opgelapt". Over de rest van de wijk kunnen wij niet oordelen aangezien we daar niet wonen en niet weten hoe de leefbaarheid en wensen daar zijn. Wij hebben met belangstelling het voorlopig besluit tot slopen gelezen, echter staat daar tot onze verbazing en zorg in dat Woongoed de woningen uit zal gaan ponden als de Briët-woningen tot Gemeentelijk Monument verklaart. Dit is ons niet door Woongoed zelf medegedeeld. Wij zijn bang dat de woningen in handen van huisjesmelkers komen en de wijk uit elkaar zal vallen, huurprijzen zullen stijgen en onderhoud tot een minimum beperkt zal blijven.

De Briët-wijk zal hierdoor zijn charme en karakter verliezen. Wij gaan er dan ook vanuit dat de gemeente Middelburg er alles aan zal doen om te voorkomen dat Woongoed de Briëtwoningen zal uitponden wanneer deze een Monumenten status krijgen.

12

Wij waarderen het enorm dat zowel de gemeente Middelburg als Woongoed aan de gezondheid van de bewoners denkt, aangezien er steeds meer gebreken zichtbaar worden in de wijk en dit de leefbaarheid niet ten goede komt. We willen u er wel op wijzen dat gezondheid niet enkel fysiek, maar ook geestelijk en financieel betreft. Velen van ons kunnen enkel een Sociale Huurwoning bekostigen door lagere inkomens. Nu, meer dan ooit zijn wij gebaat bij een snelle afhandeling van deze kwestie. Door de Pandemie en de onvermijdelijke recessie die hierdoor zal volgen zijn wij bang dat de kosten van het verhuizen hoger uit zullen vallen. We gaan er vanuit dat Woongoed de financiële vergoeding uit het Sociaal plan ter zijner tijd zal herzien, zodat bewoners straks niet met de rekening blijven zitten en de daarbij komende zorgen.” Reactie college: In ons besluit hebben wij de belangen van de bewoners zwaarder laten wegen dan het belang van het aanwijzen als gemeentelijk monument. Zoals hiervoor aangegeven (onder onze zienswijze bij 2) zien wij geen reële mogelijkheden de panden een zinvolle herbestemming te geven. De wijze van uitponden, evenals de hoogte van de verhuiskostenvergoeding, is aan Woongoed. Door het niet-aanwijzen als gemeentelijk monument is uitponden van de woningen echter niet aan de orde.

8.

Zienswijze Woongoed: “Geacht college, Met dit schrijven geeft Woongoed haar zienswijze op uw ontwerpbesluit van 3 februari 2021 om de P. Briët-woningen in ’t Zand in Middelburg niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Onze zienswijze komt voor uit de maatschappelijke taak van Woongoed, een goede, gezonde, duurzame én betaalbare woning bieden aan mensen met een laag inkomen. We beperken ons in deze zienswijze tot de 148 woningen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd. De 79 naoorlogse woningen renoveert/verduurzaamt Woongoed momenteel met inachtneming van het karakteristieke gevelbeeld. In uw ontwerpbesluit herkennen we het zwaarwegende belang van de huurders van deze 148 woningen. De woningen zijn in slechte staat. Ze kampen met funderings-, zout-, vocht- en asbestproblemen. Dit zorgt veelal voor een slecht binnenklimaat met als gevolg een gebrek aan wooncomfort en gezondheidsrisico’s. Woongoed besteedt aan deze woningen meer geld aan onderhoud dan gemiddeld. Ook na de forse onderhoudsbeurt in 2015 waarbij veel kozijn- en metselwerkreparaties zijn uitgevoerd. Die hoge onderhoudskosten zijn een gevolg van de structurele gebreken aan deze woningen veroorzaakt door de schaarste aan goede bouwmaterialen tijdens de oorlog en door de inundatie. Met een renovatie zijn deze structurele gebreken niet duurzaam oplosbaar.

Behoud van deze woningen is niet in het belang van de huurders. Zij hebben dit met hun petitie “hopen op slopen” ook nadrukkelijk zelf kenbaar gemaakt. Ons besluit in mei 2019, na een intensief proces van bijna twee jaar samen met bewoners, om de woningen te willen gaan slopen was niet eenvoudig. Enerzijds was de slechte bouwkundige staat evident. Anderzijds betreft het een karakteristiek wijkje. We kozen voor het onvermijdelijke, te weten sloop. Maar bij de herbouw willen we recht doen aan de “ziel van de wijk” en aan de gemeenteraadsmotie over het zoveel mogelijk handhaven van het gevelbeeld. Maar of de woningen een hoge monumentale waarde hebben, zoals u concludeert naar aanleiding van het bouwhistorisch onderzoek is een andere zaak. Woongoed heeft Hylkema Erfgoed uit Utrecht gevraagd om een second opinion op het rapport van Rothuizen. Hylkema Erfgoed trekt in het bijgevoegde memo het hoge monumentale karakter van het wederopbouwplan ernstig in twijfel. Woongoed volgt de conclusie van Hylkema Erfgoed; “de rapporten van Rothuizen geven een behoorlijk gedegen beschrijving van de Briët-woningen, maar de hieraan verbonden waardestellingen zijn niet op deze manier terecht. Er wordt naar ons idee een te groot belang gehecht aan het ontwerp van Briët, waarmee de panden te specifiek, te uniek en te bijzonder worden gemaakt voor wat ze uiteindelijk zijn.

” ’t Zand heeft ons inziens een karakteristiek stedenbouwkundig plan (opgesteld onder supervisie van P. Verhagen als leider van de wederopbouw), met algemene regionale stijlelementen en een beperkte gaafheid. Dit legitimeert onvoldoende een monumentale status. Tot slot.

13

We noemden al de uitdrukkelijke wens van de bewoners; “hopen op slopen”. Bovenal willen zij snel duidelijkheid hebben. Woongoed wil dat ook graag. Wij doen een dringend beroep op u om spoedig het ontwerpbesluit om te zetten in een definitief besluit. Met vriendelijke groet, w.g. Eric de Ceuster Directeur-bestuurder”

Zienswijze college: Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, heeft het college beleidsruimte. Het college heeft hierin belangen tegen elkaar afgewogen. Het advies van het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) strekt tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument. Het daarmee gemoeide belang is het behoud van het monument. U heeft als eigenaar laten weten tegen de aanwijzing te zijn. Renovatie van de panden is duur en lost bovendien bestaande problemen met zout, vocht, asbest en de fundering niet op. Wij hebben de gevolgen voor het aanwijzen als gemeentelijk monument (het niet kunnen slopen van de woningen) afgewogen voor u als eigenaar. Naar onze mening zou aanwijzing tot gemeentelijk monument onevenredige gevolgen hebben doordat u de panden in dat geval zult moeten renoveren. Dat is volgens de overlegde rapporten duur en het resultaat voor de volkshuisvesting is twijfelachtig. Op grond van artikel 2 van de Erfgoedverordening kunnen wij bij de toepassing van de verordening rekening houden met het gebruik van het eventueel aan te wijzen monument. Wij hebben overwogen dat de Briëtwoningen zijn gebouwd als woning en in zichzelf en als geheel alleen bedoeld en ingericht zijn om bewoond te worden (los van de kwaliteit van de woningen).

Mede door hun relatief grote aantal is redelijkerwijs geen andere bestemming te geven aan de woningen. Zinvol hergebruik, anders dan door bewoning is naar onze mening niet mogelijk. Nu uit meerdere rapporten blijkt dat de panden voor bewoning ongeschikt zijn geraakt –door welke oorzaak dan ook- en dat ook redelijkerwijs niet meer te maken zijn, ligt aanwijzing niet voor de hand. Het advies van Hylkema Erfgoed, second opinion van 16 maart 2021, (als bijlage bijgevoegd bij dit zienswijzerapport) blijkt dat het aan het bouwhistorisch onderzoek naar de mening van deze erfgoeddeskundige meer historische context toegevoegd zou kunnen worden zoals in de second opinion is opgenomen. Daarnaast is de erfgoeddeskundige van mening dat –kortweg gesteld- er het één en ander valt af te dingen op de op basis van de beschrijvingen getrokken conclusies ten aanzien van de waardestelling. Het door u overgelegde deskundig tegenrapport onderschrijft op zijn minst dat onze vaststelling in het voorgenomen besluit enige nuance mogelijk is ten aanzien van de monumentale waarde. Het tegenrapport maakt niet dat wij de onderbouwing van het voorgenomen besluit herzien. Wij hebben ons door een onafhankelijk adviseur laten adviseren en menen dat het door deze adviseur verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Wij onderkennen evenwel dat over de monumentale waarde van de wijk (ook door de verschillende deskundigen) genuanceerd gedacht wordt en hebben dat laten meewegen in onze belangenafweging. Wij blijven van mening dat aan de belangen van de bewoners een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang bij behoud van de woningen.

9.

een belanghebbende geanonimiseerd (de witregels zijn weglatingen vanwege de privacy) “Middelburg, 17 maart 2021 Geacht gemeentebestuur,

14

Hieronder treft u mijn zienswijze aan op het voorgenomen besluit van college van burgemeester en wethouders van Middelburg op een verzoek van het Cuypersgenootschap op grond van de Erfgoedverordening Middelburg 2011. Introductie Deze zienswijze schrijf ik als van . Ik weet, velen delen dit met mij, in de eerste plaats bewoners maar ook een breed pallet aan belangenverenigingen die onze stad een warm hart toedragen, het WARK en Erfgoed Zeeland. De monumentale waarde van de wijk is meermalen vastgesteld, desondanks ondersteunt u de voorgenomen wens tot sloop van Woongoed. Primaire bewonerswens meer overeenstemmend met renovatie dan sloop "Wat ik wens is rust, duidelijkheid, zekerheid over een goede woning zonder onderhoudsachterstand en zonder vochtproblemen waar ik nog jaren (1) in kan blijven wonen. Als dat gegarandeerd kan worden zonder jaren in een andere wijk te moeten wonen met garantie van terugkeer op mijn eigen plekje binnen 12 maanden dan zou mij dat het liefst zijn. Als gesloopt wordt dan zitten we jaren in de puinhopen wat ernstig ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk. Ik begrijp best dat duurzaamheid belangrijk is en als Woongoed garandeert dat mij dit niets extra's kost dan is dat prima. In het onderzoek is bij renovatie uitgegaan van 30 jaar gegarandeerde kwaliteit met uitloop naar 50 jaar.

Hoge niveau renovatie mogelijk De door de bewonerscommissie geïnitieerde onafhankelijke second opinion onderzoeken tonen aan dat kwalitatieve renovatie mogelijk is die de geconstateerde problematieken voor minimaal 30 jaar oplost. Uw in mijn beleven sterk door Woongoed geregisseerde voorgenomen besluit gaat hieraan voorbij. Het participatieproces Ondergetekende is voormalig bewoner van de wijk, . Dat gebeurde in een fase waarin regelmatig het s-woord werd genoemd. Een overgrote meerderheid koos zonder sturing op de gewenste uitkomst voor behoud en renovatie. Na deze inventarisatie is een zeer betrokken en actieve bewonerscommissie ingesteld voor overleg met de verhuurder. De reden voor dit initiatief was de waardering voor de schoonheid van de wijk maar vooral de onrust die leefde omdat in de wijk door personeel van het door Woongoed ingehuurde onderhoudsbedrijf was gecommuniceerd dat woningen gesloopt zouden worden en dat Woongoed er niet meer in zou investeren. Wij gingen er open in maar merkten gaandeweg dat Woongoed niet het achterste van haar tong liet zien. Er werd gedurende dit proces continu gestuurd op de uitkomst. Een belangrijke workshop waarin verschillende scenario's zouden worden doorgenomen is door Woongoed afgezegd. Een nauw aan Woongoed gelieerd gerespecteerd persoon heeft mij rechtstreeks bevestigd dat sloop al heel lang de denkrichting was van Woongoed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10142037/1