Bijlage 5 - Toelichting Rittenburg III - concept vastgesteld BP
Tekst van het document
Het waterschap heeft de situatie aan de hand van de watertoets beoordeeld. Het waterschap heeft geconcludeerd dat bij de inrichting tot nu toe al voorzien is in genoeg berging voor de beoogde uitbreiding en dat ophoging van het plangebied niet noodzakelijk is. Ook zijn opmerkingen gemaakt over de benodigde onderhoudsstroken rondom de Vlissingse Watergang. De reactie van het waterschap is verwerkt in de watertoetstabel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn enkele aandachtspunten waarmee in de uitvoering rekening wordt gehouden.
4.6
Ecologie
Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
35/367
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Toetsing Gebiedsbescherming Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. De afstand tot een Natura 2000-gebied bedraagt minimaal 4 km dit betreft het Natura 2000-gebied Westerschelde. Dit betreft Natura 2000-gebied “Westerschelde & Saeftinghe”.
Om te onderzoeken of er sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een Aerius-berekening uitgevoerd, de memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 5. Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen
36/367
vergunning conform de Wnb nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden Natura 2000-gebied. Voor de omgevingsvergunning is eveneens een berekening uitgevoerd om te onderzoeken of ook in de aanlegfase geen sprake is van uitkomsten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van deze berekeningen is er eveneens geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 350 meter, namelijk de binnendijk langs het Kanaal door Walcheren en Ter Hooge op circa 550 meter. De geplande activiteit ligt op geruime afstand en gescheiden door andere bebouwing. De ontwikkeling heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.
Figuur 4.3 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland) Soortenbescherming Om na te gaan of de ontwikkeling een nadelig effect heeft op beschermde planten- en diersoorten is een quickscan uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. Onderdeel van de Wet natuurbescherming is de lijst met beschermde soorten. Tot 1 januari 2021 vielen de bunzing, haas en konijn onder de algemene vrijstelling in de provincie Zeeland. Per 1 januari 2021 is de algemene vrijstelling voor deze soorten komen te vervallen. In de uitgevoerde quickscan door Advies bureau Wieland (4 mei 2020) is nog uitgegaan van deze algemene vrijstelling voor deze soorten. Er heeft meerdere keren aanvullend veldonderzoek plaatsgevonden in augustus, september en oktober 2021 naar deze soorten. Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek uit 2020 en de aanvullende veldonderzoeken uitgevoerd in 2021 weergegeven.
37/367
Voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming. De waterloop heeft een functie als jachtgebied voor vleermuizen, dit zou verstoord kunnen worden als er verlichting in de nabijheid wordt geplaatst. Indien niet voorkomen kan worden dat hier verlichting wordt geplaatst dan dient deze vleermuisvriendelijk te zijn. Het wordt aanbevolen om de aanwezige depots te ontruimen en het terrein bouwrijp te maken buiten het broedseizoen in verband met de aanwezigheid van broedende vogels. Op dit moment zijn geen vaste rust- en verblijfsplaatsen aanwezig van konijnen. Wel is het mogelijk dat er zo nu en dan een konijn loopt. Aangezien konijnpopulaties kunnen fluctueren wordt geadviseerd vooraf bij het bouwrijpmaken in het kader van de zorgplicht nogmaals een veldonderzoek uit te voeren om te beoordelen of er geen konijnen aanwezig zijn. Bij aanwezigheid van konijnen moet op dat moment bekeken worden welke maatregelen getroffen kunnen worden. Dit staat echter de uitvoering van het plan niet in de weg. Biotopen waarvan het leefgebied jaarrond is worden niet verstoord. Voor andere soortgroepen, waaronder de bunzing en de hazen, is het plangebied ongeschikt als leefgebied, zijn de werkzaamheden niet schadelijk of ze komen niet voor in de omgeving.
Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Westerschelde & Saeftinghe” ligt op minimaal 4 kilometer afstand. Uit AERIUS berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin-, grondwaterbeschermings- of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting in strijd met het onderdeel soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk negatieve effecten plaatsvinden op beschermde functies voor de vleermuis , het konijn en broedvogels. Door het nemen van maatregelen, zoals hiervoor genoemd, is het plan uitvoerbaar. Geadviseerd wordt om vooraf bij het bouwrijpmaken in het kader van de zorgplicht nogmaals een veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van konijnen om te beoordelen of deze aanwezig zijn. Bij aanwezigheid van konijnen moet op dat moment bekeken worden welke maatregelen getroffen kunnen worden. Dit staat echter de uitvoering van het plan niet in de weg.
Initiatiefnemer zal zich houden aan de genoemde maatregelen. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.
4.7
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is
38/367
van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Om de bodemkwaliteit aan te tonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bjjlage 6. Het volgende is geconcluceerd. De bovengrond is plaatselijk zwak tot sterk puinhoudend en/of zwak baksteenhoudend. Deze zijn echter niet asbestverdacht. Verder zijn er zintuigelijk geen verontreinigingen waargenomen. De matig tot sterk puinhoudende bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PCB.
De zintuigelijke schone ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, molybdeen en minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, molybdeen, zink, minerale olie, cadmium, koper en/of lood. Deze verontreinigingen komen grotendeels overeen met de resultaten uit voorgaande bodemonderzoek en zijn mogelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Conclusie en advies Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er geen reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. Geadviseerd wordt in verband met het aantreffen van puin(resten) om geen verkennend onderzoek asbest in bodem/puin te laten uitvoeren. Dit omdat het puin afkomstig is van de voormalige bebouwing die voor de sloop is onderzocht op asbest. Indien er bij de werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt dat is het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs
39/367
wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.3. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van grenswaarde 1) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 2) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m 1) De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO is niet relevant aangezien er 2 pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval. 1) De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO is niet relevant aangezien er 2 pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval. 2) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd in of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). NIBM In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.
40/367
Toetsing Er worden 102 woningen mogelijk gemaakt. Hiermee blijft het aantal woningen ruim onder de gestelde grens waarbinnen het voornemen vrijgesteld blijft van toetsing. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied geldt volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland in de periode van 2020 tot 2030 (10 jaar na het beoogde vaststellingsjaar van het bestemmingsplan) in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde PM10-concentratie van minder dan 18 µg/m3. De gemiddelde NO2-concentratie bedraagt minder dan 18 µg/m3. De waarden liggen ver onder de grenswaarden. De luchtkwaliteit in Middelburg ter plaatse van het plangebied is dan ook goed te noemen. Ten gevolge van de nieuwe functies zal de verkeersgeneratie 605 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Uit toepassing van de NIBM-rekentool (zie figuur 4.4) blijkt dat de ontwikkeling valt binnen de categorie 'Niet in betekenende Mate' zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Het project draagt daarmee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.4 Berekeningsresultaten luchtkwaliteit NIBM-tool (versie 06-04-2021) Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.9
Milieuhinder omliggende functies
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen.
41/367
Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt. Toetsing In de omgeving zijn geen agrarische bedrijven aanwezig die van invloed kunnen zijn op het woonklimaat in het plangebied en waarmee dus rekening moet worden gehouden. Er dient wel rekening te worden gehouden met de naastgelegen scholen en de brandweerkazerne. De VNG-publicatie geeft voor een basisschool en grootste richtafstand van 30 m ten opzichte van woningen vanwege het milieuaspect geluid.
Aan de afstand 30 meter wordt in de toekomstige situatie voldaan. De toekomstige woningen liggen met de voorgevel naar de scholen toe gescheiden door een weg, parkeerplaats en groen. Mogelijk stemgeluid van de kinderen in de achtertuinen wordt tegengehouden door de woningen zelf. Er is dan ook sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor een brandweer geldt een grootste richtafstand van 50 m ten opzichte van woningen vanwege het milieuaspect geluid. De afstand bedraagt circa 70 meter. Aan de afstand 50 wordt dan ook voldaan. Afhankelijk van de situatie zal de sirene worden aangezet als er wordt uitgerukt. Er is dan ook dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook vormen de woningen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de functies in de omgeving.
4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een
42/367
bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Toetsing In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen, transportroutes of risicovolle inrichtingen aanwezig, waarvan de relevante plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken. Het plaatsgebonden risico staat onderhavige ontwikkeling dan ook niet in de weg. Verbrugge Zeeland Terminals Het plangebied Rittenburg III ligt op ca 6 km afstand van Verbrugge Zeeland Terminals. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.937 meter. Voorliggend bestemmingsplan ligt daarmee binnen het
43/367
invloedsgebied van de inrichting Verbrugge Zeeland Terminals. Groepsrisico Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA. Deze afstand is berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid -Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Rittenburg fase III ligt op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf. Deze ontwikkeling gelegen in een stedelijke reeds druk bewoonde woonomgeving, zal in combinatie met de zodanig grote afstand tot de risicobron- niet zorgen voor een significante toename van het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van Verbrugge ligt niet over het plangebied. Volgens de Revi is het invloedsgebied berekend door middel van een QRA. Uit de QRA blijkt dat bij de inrichting de PR 10 -6 buiten de inrichtingsgrens ligt. De PR 10-6 reikt niet verder dan 600 meter. Kerncentrale Borssele Aan de Zeedijk 32 in Borssele is een kerncentrale gesitueerd, waar productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water plaatsvindt. De afstand van het plangebied tot de kerncentrale bedraagt 5 kilometer. Voor de kerncentrale van Borssele zijn veiligheidsmaatregelen getroffen mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. Het gebied om de plaats van het ongeval is in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent bijvoorbeeld voor de kerncentrale in Borssele: evacuatie tot op 5 kilometer van de kerncentrale; slikken van jodiumtabletten tot op 10 kilometer en schuilen tot op 20 kilometer. Omdat de afstand van het plangebied tot de kerncentrale minder dan 10 kilometer bedraagt, is het plangebied gelegen binnen de zone waarin wordt geadviseerd jodiumtabletten te slikken, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. De kerncentrale vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid.
Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
44/367
4.11 Planologisch relevante kabels en leidingen Toetsingskader Planologische relevantie Voor hoogspanningsverbindingen en hoofdtransportleidingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden de volgende kabels en leidingen door de gemeente Middelburg aangemerkt: elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV; brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger; brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4" en hoger; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen.
De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig in het plangebied. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Toetsing In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningsverbindingen en leidingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.12 Niet-gesprongen explosieven Toetsingskader In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In het kader van de aanleg van de woonbuurt zal de bodem namelijk worden geroerd. Toetsing
45/367
Voor het plangebied is onderzoek gedaan naar niet-gesprongen explosieven in verband met de beoogde grondwerkzaamheden. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 8. Uit de inventarisatie en analyse van historisch bodemmateriaal is geconcludeerd dat er binnen het plangebied sprake is van aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van verschoten lucht-gronddoelraketten van het type 3 inch raket met 60 lb. gevechtskop. Tevens is er sprake van roerende grondwerkzaamheden in de periode na de Tweede Wereld Oorlog sprake van een onverdachte bovenlaag. Het volgende wordt geadviseerd: gezien de beperkte omvang van het gebied wordt geadviseerd om direct over te gaan tot opsporing van explosieven, indien de bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden in de verdachte laag. Indien de roerende werkzaamheden buiten het verdachte gebied plaatsvinden of zich beperken tot de onverdachte laag dan kunnen deze werkzaamheden in het plangebied op reguliere wijze worden uitgevoerd rekening houdend met het 'Processchema onverwacht aantreffen ontplofbare oorlogsresten hanteren'. De burgemeester heeft besloten geen grondonderzoek tot 2.5 meter diepte uit te voeren voor het zoeken naar niet-ontplofte-munitie op een gedeelte van het perceel aan de Grevelingenstraat ten behoeve van de realisatie van Rittenburg III.
De betreffende raketten hebben als eenling weliswaar destructieve eigenschappen maar voor grootschalige vuurkracht is de hoeveelheid raketten bepalend. Kennelijk waren er 8 Hawkers met 64 raketten nodig voor het tot zwijgen brengen van Duitse weerstand vanuit een boerderij. Uit de archieven blijkt dat de aanval is geslaagd wat inhoud dat toch een aanzienlijk deel van de raketten zijn werk moet hebben gedaan en is ontploft; er was geen tweede aanval nodig. De boerderij is blijkens luchtfoto's voor de helft vernietigd. De kans dat er nog onontplofte raketten aanwezig zijn, is dus gering. Het is niet bekend van welke zijde de boerderij is aangevallen, er is daarom zekerheidshalve een cirkel rondom de aangevallen boerderij getrokken. Een klein deel van de cirkel valt binnen het te ontwikkelen gebied van Rittenburg. Het is echter geenszins zeker dat daar raketten terecht zijn gekomen maar ook niet uit te sluiten. De raketten dringen naar schatting maximaal 2,5 meter de grond in. Na de oorlog is het gebied door de voormalige sociale werkplaats bebouwd en er is geheid en hebben er ontgravingen plaatsgevonden. Dit heeft tot op heden, ook niet bij de recente sloop van de gebouwen en ontgravingen, tot de vondst van (onontplofte) munitie geleid.
Het verdachte gebied met grondradar afzoeken zal vanwege het voormalig gebruik veel verstoring van het radarbeeld tot gevolg hebben vanwege de aanwezigheid van afgeknepen heipalen e.d. Deze zijn bij de sloop op 1,5 meter onder het maaiveld afgeknepen. Het risico van niet-gesprongen-explosieven is daarom zeer gering zodat verder onderzoek niet nodig wordt geacht. Conclusie De burgemeester heeft besloten geen grondonderzoek uit te voeren voor het zoeken naar niet-gesprongen-explosieven tot een diepte van 2,5 meter. Geconcludeerd wordt dat dit aspect de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
46/367
4.13 Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie Klimaatbestendige Middelburgse Samenleving 2018-2050 De gemeente stelt zich tot doel dat Middelburg bewoonbaar blijft en dat de Middelburgers gezond en goed kunnen wonen, leven en werken ondanks de klimaatverandering. De visie gaat in hoe in de gemeente Middelburg gebouwen, tuinen, openbare ruimte en wellicht ook de mensen zodanig kan veranderen dat de gevolgen van klimaatsverandering beheersbaar blijven. Voor de ontwikkeling zijn onderstaande maatregelen relevant: meer groen en minder verharding' 'water sturen'; donkere verharding vervangen door wit of beplanting; meer water in de bodem. Middelburgse Milieuvisie 2019-2025 Het belangrijkste doel is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. De MVM heeft betrekking op alle milieu thema's met als doel voor 2025 en 2050. De belangrijkste ambities en doelstellingen die voor de ontwikkeling relevant zijn en uitgangspunt moeten zijn worden hierna genoemd, waarbij is uitgegaan van het doel voor 2025. De gemeente Middelburg heeft als doel volledig energieneutraal te worden.
De streefdatum om dit te realiseren is 2050 en indien de (financiële) omstandigheden dit mogelijk maken, zo mogelijk eerder. Doel is het broeikaseffect tegen te gaan, de economische positie te handhaven en de beschikbaarheid van energie te waarborgen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame (economisch) gezonde samenleving. Voor nieuwbouw geldt als uitgangspunt minimaal energieneutraal bouwen en bij voorkeur nul-op- de-meter. Immers de opgave om de bestaande bebouwing in 2050 energieneutraal te krijgen is al dusdanig groot, dat we de nieuw te bouwen woningen daar niet nog bij willen/kunnen hebben. Wat nu gebouwd wordt, moet toekomstbestendig zijn en 2050 bestendig. Voor gebieden waar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden verwacht, worden de ecologische en natuurwaarden in beeld gebracht. Creëren van natuurlijke groene elementen (groene dooradering en natuur benutten voor biodiversiteit, klimaatverbetering, koelte, vochtregulatie en windkering, voor recreatie, productie, educatie e.d.). Inspelen op gevoel van identiteit door het benutten van landschappelijke elementen en patronen. Lokale identiteit benutten door bijvoorbeeld sloten en watergangen in ontwerp op te nemen.
Duurzaam, gezond, veerkrachtig watersysteem creëren (zoals benutten van regenwater, toepassen van waterzuivering, beperken van verhard terreinoppervlak en dakbedekking, doorlatende verhardingsmaterialen gebruiken, vijvers in combinatie met groen aanleggen voor koelte in de zomer). Circulariteit en duurzaamheidsaspecten meenemen in alle fasen van een ontwikkeling (bij onder andere ontwerp, aanbesteding en realisatie van wijk, verkavelingen en gebouwen).
47/367
Klimaatadaptatie betrekken bij de manier waarop de woningen worden gesitueerd/gebouwd. Stimuleren van biodiversiteit, ecologische omstandigheden en stimuleren gebruik van inheemse soorten. Stimuleren van het gebruik van duurzaam vervoer, zoals doorgaande fietsverbindingen. Het stoken van kachels en haarden ontmoedigen. Toetsing en conclusie De woningen moeten voldoen aan de per 1 januari 2021 inwerking getreden BENG (Bijna energie neutrale gebouwen), waarbij de energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen vast wordt gelegd aan de hand van drie eisen, namelijk: de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar; het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar; het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Deze eisen vervangen de eerdere EPC-eisen voor nieuwbouw. Bij voorliggende ontwikkeling wordt voldaan aan BENG-eisen. Daarnaast wordt in de verdere uitwerking van de plannen verder invulling gegeven aan de klimaatadaptatie. Hierbij moet gedacht worden aan de juiste toepassing van beplanting (stimuleren biodiversiteit/ stadsnatuur). Daarnaast wordt er over nagedacht hoe de toekomstige bewoners te stimuleren om een groene invulling te geven aan hun tuin.
4.14 MER-beoordelingsbesluit Toetsingskader In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de bouw van 102 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
48/367
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld (opgenomen in bijlage 10) op basis waarvan het bevoegd gezag heeft besloten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is (besluit 4 juni 2020).
49/367
Hoofdstuk 5
Financiële aspecten
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor deels een ontwikkeling van de gemeente en deels een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. Kostenverhaal Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. De grond is in eigendom bij de gemeente. De gemeente zal in de grondverkoop de gemeentelijke kosten verdisconteren. Er is een exploitatieberekening uitgevoerd. Uit deze berekening is gebleken dat het plan financieel uitvoerbaar is. Met de initiatiefnemers is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt over onder meer het kostenverhaal.
50/367
Hoofdstuk 6 6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en overleg
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Participatie Voor het informeren van belanghebbenden van Rittenburg III is gekozen voor het periodiek informeren van belanghebbenden via de wijktafels in de wijk die druk bezocht worden. Zo zijn de plannen op 24 oktober 2017, 11 april 2018, 7 mei 2019, 22 oktober 2019 en (digitaal) 20 april 2021 toegelicht aan de deelnemers van de wijktafel en was er gelegenheid tot het stellen van vragen. Van 7 tot en met 22 april zijn alle direct aanwonenden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van het stedebouwkundig plan wat zich toen in een vergevorderd stadium bevond. Op de wijktafel van 12 oktober is voorliggend plan toegelicht 6.1.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overlegpartners. De resultaten van het overleg zijn hierna opgenomen.
6.1.3 Provincie Zeeland (19-07-2021 en 06-10-2021) De provincie heeft op 19 juli 2021 aangegeven geen opmerkingen te hebben op het concept-ontwerpbestemmingsplan. In het concept dat is voorgelegd was uitgegaan van 99 woningen. In voorliggend bestemmingsplan wordt uitgegaan van 102 woningen. Aan de Provincie Zeeland is deze wijziging van woningaantal voor de volledigheid nogmaals voorgelegd. De Provincie Zeeland heeft op 6 oktober 2021 laten weten dat zij akkoord zijn met dit aantal. 6.1.4 Waterschap Scheldestromen (02-08-2021) Het waterschap geeft aan dat de inrichting traditioneel wordt ingestoken en vraagt zich af of dit bij de klimaatambities van de gemeente past. Er worden optionele inrichtingsadviezen meegegeven. De gemeente en de ontwikkelaar zullen de komende tijd de plannen verder uitwerken richting de uitvoering. Hierbij staan ook de klimaatambities op het gebied van groen en water centraal. Daarnaast worden er aanvullingen gegeven ten behoeve van het 'aanmeldformulier watertoetsproces. Deze zijn verwerkt in het aanmeldformulier die als bijlage is opgenomen in voorliggend plan. Opgemerkt wordt dat er voor de kunstwerken (aansluiten van hemelwaterriool op de Vlissingse Watergang) een watervergunning nodig is. Deze watervergunning zal de gemeente aanvragen.
51/367
6.1.5 Tennet (21-06-2021) Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Zij hebben dan ook geen opmerkingen op voorliggend plan . 6.1.6 Gasunie (21-06-2021) De ontwikkeling ligt buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst na bij gelegen leiding. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. 6.1.7
Veiligheidsregio Zeeland (01-07-2021) De risicobronnen zoals benoemd zijn volledig en correct. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is er geen aanleiding nader te adviseren op dit bestemmingsplan. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met ruimtelijk relevante maatregelen op het gebied van externe veiligheidsrisico's. Wel zijn andere, niet ruimtelijk te borgen, maatregelen geadviseerd om de bestrijdbaarheid van ongevallen en brand te verlagen. Deze worden ter kennisgeving aangenomen.
6.1.8 DNWG (08-07-2021) In het het plangebied liggen twee (kleine) waterleidingen, tevens staan er twee trafostations. Op het moment dat de plannen verder uitgewerkt gaan worden zal er rekening gehouden dienen te worden met de ligging van de kabels en leidingen. Het trafostation dient zoveel mogelijk in de publieke ruimte te blijven in verband met de vrije toegang tot de trafo. Op dit moment zijn er geen knelpunten en verder ook geen bezwaren, maar zodra het een en ander meer geconcretiseerd is wordt verzocht DNWG te betrekken bij de verdere planvorming. 6.1.9 Procedure Voorontwerpbestemmingsplan Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten dat er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. De reden hiervoor is dat de behoefte aan woningen binnen de gemeente zodanig groot is dat snelheid van de planvorming gewenst is. Ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan loopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen formele bestemmingsplanprocedure door. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder krijgt de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen. Vaststellingsfase Ten aanzien van eventuele ingekomen zienswijze wordt een gemeentelijk standpunt bepaald in de zienswijzennota. Het bestemmingsplan wordt daarna (on)gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.
Na de vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Raad van State. Beroep
52/367
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
6.2
Zienswijzen, overlegreacties en ambtshalve wijzigingen
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 oktober 2021 tot en met 24 november 2021 ter inzage gelegen.Tijdens de periode van terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. Gedurende de zienswijzentermijn zijn geen zienswijzen ingediend. Overlegreacties Van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan hebben we alle eerder benaderde vooroverlegpartners ook op de hoogte gebracht. Hierop hebben twee overleg partners gereageerd. De beantwoording is opgenomen in bijlage 11. Ambtshalve wijzigingen Er zijn een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd, zie hiervoor bij de ambtshalve wijzigingen zoals genoemd in bijlage 11.
53/367
54/367