Bijlage 5 - Toelichting Rittenburg III - concept vastgesteld BP
Tekst van het document
bestemmingsplan
Rittenburg Fase III Middelburg
DATUM IMRO IDN
16-12-2021 NL.IMRO.0687.BPSTRRITF3-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
Rittenburg fase III ir. C.A. Louws
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
gemeente Middelburg 068700.20191430
AUTEUR STATUS
Rho adviseurs CONCEPT vastgesteld
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Doel bestemmingsplan
7
1.2
De toekomstige woonbuurt en het plangebied
7
1.3
Geldend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
8
Planbeschrijving
10
2.1
Huidige situatie plangebied en directe omgeving
10
2.2
Ruimtelijk-stedenbouwkundig concept
11
2.3
Toelichting op de juridische regeling in het bestemmingsplan
13
Toetsing aan beleid
19
3.1
Rijksbeleid
19
3.2
Provinciaal- en regionaal beleid
20
3.3
Gemeentelijke beleid
23
Toetsing aan omgevingsaspecten
28
4.1
Inleiding
28
4.2
Verkeer en parkeren
28
4.3
Geluid
29
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
32
4.5
Water
35
4.6
Ecologie
35
4.7
Bodemkwaliteit
38
4.8
Luchtkwaliteit
39
4.9
Milieuhinder omliggende functies
41
4.10
Externe veiligheid
42
4.11
Planologisch relevante kabels en leidingen
45
4.12
Niet-gesprongen explosieven
45
4.13
Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie
47
4.14
MER-beoordelingsbesluit
48
Financiële aspecten
50
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
3/367
6
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid en overleg
51
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
51
6.2
Zienswijzen, overlegreacties en ambtshalve wijzigingen
53
Bijlagen bij de toelichting
55
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
57
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
73
Bijlage 3
Aanvullend inventariserend veldonderzoek - proefsleuven
75
Bijlage 4
Quickscan flora & fauna
99
Bijlage 5
Aeriusberekening
137
Bijlage 6
Verkennend Bodemonderzoek
153
Bijlage 7
Analyse en modelstudie
229
Bijlage 8
Onderzoek niet-gesprongen explosieven
261
Bijlage 9
Aanmeldformulier watertoetsproces
311
Bijlage 10
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
315
Bijlage 11
Rapport overlegreacties
337
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende bepalingen
346
Artikel 1
Begrippen
346
Artikel 2
Wijze van meten
351
Bestemmingsregels
352
Artikel 3
Groen
352
Artikel 4
Tuin
353
Artikel 5
Verkeer
354
Artikel 6
Water
355
Artikel 7
Wonen
356
Algemene regels
361
Artikel 8
Anti-dubbeltelbepaling
361
Artikel 9
Algemene bouwregels
362
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
363
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
4/367
345
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
364
Artikel 12
Overige regels
365
Overgangs- en slotregels
366
Artikel 13
Overgangsregels
366
Artikel 14
Slotregel
367
Hoofdstuk 4
5/367
Toelichting
6/367
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doel bestemmingsplan
Aan de zuidwestzijde van Middelburg zijn de afgelopen jaren fasen I en II van de woonwijk Rittenburg ontwikkeld. Inmiddels is het gewenst fase III planologisch mogelijk te maken. Voor het gebied zijn een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het plan past niet in het ter plaatse geldende bestemmingsplan Stromenwijk (vastgesteld 2015, zie paragraaf 1.3). Om de realisatie van de ontwikkeling mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.2
De toekomstige woonbuurt en het plangebied
De toekomstige woonbuurt ligt aan de zuid westzijde van Middelburg. De woonbuurt wordt aan de westzijde begrensd door de Vlissingse watergang met aan de andere zijde van deze watergang de woonbuurt Rittenburg. De watergang is meegenomen in het plangebied om te voorkomen dat er een strookje van het bestemmingsplan Stromenwijk zou blijven gelden. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied ligt de Stromenwijk. De Grevelingenstraat vormt de zuidgrens van het plangebied. De woonbuurt is globaal, met oranje aangeduid op figuur 1.1. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3,8 ha.
Figuur 1.1. Ligging plangebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland, bewerkt Rho).
7/367
1.3
Geldend bestemmingsplan
De gronden zijn geregeld in het bestemmingsplan Stromenwijk (2015). In figuur 1.2 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven. De gronden hebben hierin: de enkelbestemming 'Maatschappelijk'; de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'; Binnen de bestemming Maatschappelijk is voor een groot gedeelte van de gronden een bouwvlak opgenomen. Het maximum bebouwingspercentage van het bouwvlak bedraagt 75% en de maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 6 en 10 meter in het zuidelijke deel. In het noordelijke deel geldt een maximale gooten bouwhoogte van 8 en 12 meter. In het zuidelijke deel van het plangebied is de functieaanduiding 'Kantoor' opgenomen.
Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding Stromenwijk (2015) met rood omrand het plangebied Rittenburg III (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt Rho) .
1.4
Leeswijzer
De opbouw van de ruimtelijke motivering: hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en beoogde situatie van het plangebied en de juridische planbeschrijving;
8/367
hoofdstuk 3 bevat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan het beleidskader; hoofdstuk 4 worden de milieu- en planologische aspecten getoetst; hoofdstuk 5 gaat in op de financiële uitvoerbaarheid; ten slotte wordt in hoofdstuk 6 is ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
9/367
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie plangebied en directe omgeving
Het plangebied ligt in het westelijke deel van de Stromenwijk. De Stromenwijk is eind jaren ’50 van de vorige eeuw ontwikkeld. In de jaren '70 is het gebied rondom de Grevelingenstraat (plangebied) gerealiseerd. Het plangebied was tot 2015 volledig bebouwd met bedrijfsgebouwen waar de nadruk lag op maatschappelijke functies (zie figuur 2.1). Deze gebouwen zijn inmiddels gesloopt (zie figuur 2.2).
Figuur 2.1 Voormalige bebouwing plangebied (bron: Street view, 2015).
Figuur 2.2 Luchtfoto huidige situatie plangebied (bron: google maps 2021, bewerkt Rho). Ten noorden, grenzen aan het plangebied, zijn twee scholen gevestigd (Klimopschool en Het Springtij). De functie ten oosten van het plangebied is wonen, bestaand uit rijenwoningen en appartementen. Ten zuiden van het plangebied aan de Stromenweg zijn een brandweerkazerne, het Leger des Heils en een moskee aanwezig .
10/367
Daarnaast is hier nog ruimte voor andere maatschappelijk functies (zie figuur 2.3). Deze strook moet op termijn een herkenbare entree vormen van de Stromenwijk en vormt tegelijkertijd een geleidelijke overgang naar het open gebied (de geledingszone) tussen Middelburg en Vlissingen. In de overgang naar het landelijk gebied is gekozen voor de aanleg van groene buffer, waarmee een zachte overgang is gecreëerd tussen de bebouwing aan de Stromenweg en het aangrenzende landschap.
Figuur 2.3 Luchtfoto Stromenweg (bron: google maps, 2020) Ten westen van het plangebied, aan de andere zijde Vlissingse watergang, ligt het Park Toorenvliedt en is Rittenburg fase I en II gerealiseerd (figuur 2.4). Deze woonbuurt bestaat uit ongeveer 200 woningen en is zeer gevarieerd. De ruim opgezette woonbuurt biedt veel ruimte met uitzicht over het park en het water. Fase III wordt onderdeel van deze woonbuurt. In paragraaf 2.2 wordt nader hierop in gegaan.
Figuur 2.4 luchtfoto Rittenburg fase I en II (bron: google maps, 2020)
2.2
Ruimtelijk-stedenbouwkundig concept
In vervolg op de eerste twee fasen van de nieuwe woonbuurt Rittenburg wordt aan de overzijde van de Vlissingse Watergang, tussen de watergang en de Grevelingenstraat fase III gerealiseerd. Hiermee wordt een overgang gecreëerd tussen Rittenburg en de bestaande bebouwing in dit deel van de Stromenwijk. De projectontwikkelaar heeft naar aanleiding van een gebiedanalyse en modelstudie het stedenbouwkundigplan opgesteld (zie bijlage 7 en figuur 2.5). In aansluiting op de architectuur van de naastgelegen woonwijk Rittenburg fase I en fase II is het uitgangspunt voor de woningen moderne architectuur. Het stedenbouwkundig plan voorziet in 102 woningen bestaande uit: twee-onder-één kapwoningen (18 stuks);
11/367
rijwoningen (55 stuks); appartementen (29 stuks).
12/367
Figuur 2.5 Stedenbouwkundig plan (bron: gemeente Middelburg, versie 06-10-2021). Vooralsnog is het idee om drie 'blokken' te bouwen bestaande uit twee-onder-één kap- en rijwoningen. Zoals weergeven in figuur 2.5 komen de twee-onder-één kapwoningen aan de westzijde van het plangebied met zicht op de Vlissingse Watergang. Tussen de Vlissingse Watergang en de twee-onder-één-kapwoningen wordt een groenzone met wandelpaden gerealiseerd. De rest wordt ingevuld met drie blokken rijwoningen. Een deel van de rijwoningen worden verhuurt ten behoeve van sociale huur. Daarnaast is een deel ook levensloopbestendig. In het zuidelijke deel van het plangebied komt een woongebouw met appartementen. De drie blokken worden rondom voorzien met groen hierdoor ontstaat een parkachtige sfeer wordt overeenkomt met Rittenburg fase I en II. De woningen variëren van hoogte maar hebben maximaal een goot- en bouwhoogte van 6,5 en 11 meter. Dit komt overeen met de bestaande rijwoningen ten oosten van het plangebied. Het woongebouw heeft een maximale bouwhoogte van 17 meter. Over de watergang zal een voet- fietsbrug worden aangelegd naar Rittenburg II.
2.3
Toelichting op de juridische regeling in het bestemmingsplan
2.3.1 Opzet van de bestemmingsregeling Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Voorts zijn de volgende eisen van toepassing: de ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie; op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan; op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen; de volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde zoals van de regels (alfabetisch). De bestemming wordt door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Verder geldt het volgende: hoofdgebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide 'bouwvlak' worden opgericht; maatvoeringsaanduidingen zoals de maximum goot- of boeibordhoogte worden aangegeven door middel
13/367
van een matrix bij het bouwvlak; ten slotte kunnen er op de verbeelding aanduidingen, zoals een plangrens of een gebied met wijzigingsbevoegdheid worden aangegeven. De gehanteerde bestemmingen De opzet van de verbeelding is aangesloten bij de verbeelding van het aangrenzende Bestemmingsplan Rittenburg (2013). Dat betekent dat de toekomstige woningbouwpercelen zijn bestemd voor Wonen en Tuin. De nieuwe ontsluitingsweg is bestemd tot Verkeer en de Vlissingse Watergang voor Water. Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen bevat in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing). Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Besluit ruimtelijke ordening een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling. 2.3.2
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
Status: alleen aan de regels zoals genoemd in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels kunnen rechten worden ontleend. Groen (Artikel 3) De bestemming is gehanteerd voor de groenzone langs de Vlissingse Watergang en voor de groene omranding van de verschillende woonblokken. De bestemming is vooral bedoeld voor (opgaande) beplanting. Daarnaast zijn daarbij behorende (lees: ondergeschikte) functies toegestaan, zoals bijvoorbeeld voet- en fietspaden, kleinschalige speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Structurele verkeers- en watervoorzieningen zijn als zodanig bestemd (voor Verkeer en Water). Op deze bestemming mogen vrijwel uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. De enige gebouwen die in het bestemmingsplan - rechtstreeks - mogelijk worden gemaakt zijn gebouwen voor
14/367
nutsvoorzieningen tot een oppervlakte van 15 m2 en een bouwhoogte van 3 meter. Dit is gebruikelijk binnen de gemeente Middelburg. Tuin (Artikel 4) De bestemming Tuin is gehanteerd voor de voortuinen en zijtuinen die gekeerd zijn naar de openbare weg. Binnen deze bestemming mogen volgens de bouwregels geen gebouwen worden gebouwd. De gronden met deze bestemming mogen worden gebruikt voor voorzieningen die gebruikelijk zijn in tuinen zoals inritten en parkeervoorzieningen voor de garage. Het realiseren van erkers of portalen ten behoeve van de uitbreiding van het op het perceel aanwezige hoofdgebouw is onder voorwaarden toegestaan. Verkeer (Artikel 5) Binnen deze bestemming zijn de gebruikelijke verkeersfuncties met daarnaast bijbehorende groen- en speelvoorzieningen en water toegestaan. De inrichting is niet gedetailleerd vastgelegd. Hiermee is ondergeschikte herinrichting van de openbare ruimte mogelijk zonder dat, onnodig, gedetailleerde bepalingen van het bestemmingsplan dergelijke ontwikkelingen in de weg staan. Water (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen voor de Vlissingse Watergang . Deze watergang heeft een belangrijke functie in de waterhuishouding ter plaatse. Wonen (Artikel 7) Gebruik van gronden en gebouwen Binnen de bestemming Wonen zijn woningen en hierbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, parkeervoorzieningen, water en nutsvoorzieningen toegestaan.
Het maximum aantal woningen is vastgelegd voor het gehele plangebied en per bouwvlak. In de woningen zijn vrije beroepen altijd toegestaan. Daarmee enigszins vergelijkbare beroepsmatige en / of bedrijfsmatige activiteiten mogen worden uitgeoefend, mits wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de Specifieke gebruiksregels. Belangrijke voorwaarden zijn het behoud van de woonfunctie, geen parkeeroverlast en geen detailhandel. Daarnaast is het onder voorwaarden toegestaan om een 'bed and breakfast' te realiseren. Situering hoofdgebouwen, aan- of uitbouwen en bijgebouwen Binnen de bestemming is door middel van een bouwvlak aangegeven waarbinnen hoofdgebouwen mogen worden gebouwd en waar niet. In de regels is aangesloten bij de begrippen in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. In dat besluit wordt gebruik gemaakt van het begrip 'bijbehorend bouwwerk' en niet van 'aanof uitbouwen'. Een 'bijbehorend bouwwerk' is niet gelijk aan 'aan- of uitbouwen'. In het Besluit wordt onder een 'bijbehorend bouwwerk' namelijk ook verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw. In de Bouwregels is de bouwwijze van de woningen vastgelegd. Alle grondgebonden bouwwijzen zijn mogelijk gemaakt, zolang ze maar binnen de overige bouwregels passen en mits het totaal aantal van 102 woningen in het plan niet wordt overschreden.
Aan de zuidzijde van het plangebied zijn met een aanduiding gestapelde woning alleen niet-grondgebonden woningen ofwel appartementen toegestaan. Woningen dienen te worden gebouwd in de naar de openbare weg gekeerde grens van het bouwvlak. Voor halfvrijstaande woningen gelden minimumafstanden tot een of beide zijdelingse perceelsgrenzen. In lid
15/367
7.4.1 en 7.4.2 zijn bevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om hiervan onder voorwaarden te kunnen afwijken. Belangrijk is dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beoogde stedenbouwkundige beeld en aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Oppervlakte bebouwing Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd met gebouwen. Binnen het bijbehorende erfbouwvlak mogen de gronden voor ten hoogste 40% worden bebouwd met gebouwen en overkappingen met een maximum van 40 m2. Er kan hiervan worden afgeweken mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De afwijkingsbevoegdheid is opgenomen in 7.4.5. Hoogte bebouwing Binnen het bouwvlak zijn de maximum goot- en bouwhoogte voor hoofdgebouwen vastgelegd op de verbeelding. Voor bijbehorend bouwwerken en overkappingen geldt respectievelijk een maximale goot- en bouwhoogte van 3 en 4,5 meter. Ook van deze bepalingen kan beperkt worden afgeweken (zie leden 7.4.3, 7.4.4 en 7.4.6). Realiseren erkers of portalen Het is mogelijk onder voorwaarden het hoofdgebouw uit te breiden met een erker of portaal. Indien de erker of het portaal ter plaatse van de bestemming Tuin is beoogd zijn er in Artikel 4 bestemming Tuin hier regels voor opgenomen. 2.3.3 Toelichting op de algemene regels Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen.
Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Om hiervan een voorbeeld te geven: binnen de bestemming Wonen mag een bepaald percentage van het erf worden bebouwd. Indien het absolute oppervlak (uitgedrukt in m²) niet is bereikt, kan door het bijkopen van een stuk erf van het aangrenzend perceel extra bebouwing tot dit maximum worden gerealiseerd. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken. Algemene bouwregels (Artikel 9) Dit artikel bevat één lid, namelijk "Overschrijding bouwgrenzen" (lid 9.1): Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de verbeelding aangeduid met een dikke lijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.
16/367
Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) In dit artikel (lid 11.1) is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van Artikel 11 lid 11.1. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen. Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij nader inzien: open water dat als zodanig is bestemd een andere vorm moet krijgen; een bruggetje dat anders moet worden geconstrueerd of een stukje moet opschuiven; een fietspad iets anders moet aansluiten op een kruising; Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad. Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn.
Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters. Overige regels (Artikel 12) Dit artikel bevat 2 leden namelijk 12.1 Werking wettelijke regeling, 12.2 Regels ten aanzien van het parkeren en 12.3 Openbare verlichting Werking wettelijke regeling Lid 12.1 is opgenomen omdat in een aantal gevallen in de regels van bestemmingsplannen wordt verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold.
Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad. Voorwaardelijke verplichting parkeren Daarnaast is in lid 12.2 een voorwaardelijke verplichting opgenomen die voldoende parkeerplaatsen op eigen
17/367
terrein moet garanderen. In het lid is ook bepaald dat parkeervoorzieningen niet voor de voorste voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gerealiseerd. Omdat het parkeren zal plaatsvinden binnen zowel de bestemming Wonen als Tuin, is de regeling voor parkeren opgenomen in Hoofdstuk 3 Algemene regels en niet in de bestemmingsartikelen. Een voorwaardelijke verplichting is een regel in het bestemmingsplan waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald dat een nieuwe functie wel is toegestaan of dat een bepaald gebouw mag worden gebouwd, maar alleen als óók de benodigde maatregelen worden getroffen en deze maatregelen in stand worden gelaten. Een voordeel van voorwaardelijke verplichtingen is dat er geen nader toetsingsmoment aan te pas komt. Er is ook geen nadere besluitvorming door het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders) nodig. De voorwaardelijke verplichtingen zijn middelen om afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelende partij(en) planologisch te borgen. Omdat deze afspraken door gebruikmaking van een publiekrechtelijk regeling kunnen worden vastgelegd, behoeven en kunnen deze niet via privaatrechtelijke weg worden vastgelegd. De voorwaardelijk verplichting voor het parkeren is noodzakelijk omdat stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen en de regeling voor het parkeerfonds) niet meer zijn geregeld in de gemeentelijke bouwverordening.
Hiermee kon relatief eenvoudig parkeren op eigen terrein worden afgedwongen. Openbare verlichting In lid 12.3 Openbare verlichting is opgenomen dat openbare verlichting nabij de watergang en in de aangrenzende groenzone vleermuisvriendelijk moet zijn. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.6. 2.3.4 Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen In artikel 13 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 13.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 13.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.
18/367
Hoofdstuk 3 3.1
Toetsing aan beleid
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Toetsing en conclusie Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van een bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' naar 'Wonen' wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In dit wijzigingsplan zijn geen strijdigheden met de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Voor de ruimtelijke onderwerpen die de rijksoverheid van 'nationaal belang' acht, heeft de Minister van Infrastructuur & Milieu een beschermende regeling opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient een gemeentebestuur bij het vaststellen van een ruimtelijk plan de algemene regels van het Barro in acht te nemen. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn geen specifieke elementen uit het Barro die moeten worden geregeld. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen - waaronder het bouwen van woningen - een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zoals woningbouw) mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
19/367
Toetsing Uit jurisprudentie blijkt dat de grens van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ergens tussen 11 en 14 woningen ligt. Dat betekent dat voor onderhavige ontwikkeling moet worden getoetst zoals hiervoor beschreven. De ontwikkeling van Rittenburg fase III is opgenomen in de woningmarktafspraken van de regio Walcheren voor de komende 10 jaar en de ontwikkeling voorziet daarmee in een regionale behoefte. In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting wordt dit gemotiveerd. De locatie is op grond van het provinciaal beleid aangeduid als bestaand bebouwd gebied. Dit is niet exact hetzelfde als bestaand stedelijk gebied, maar op grond van het criterium van het Bro is ook sprake van bestaand stedelijk gebied. Conclusie Gezien het aantal woningen dat in het plangebied wordt gebouwd, is sprake van een stedelijke ontwikkeling waarvan de behoefte moet worden beschreven. De woningbouwlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied en voorziet in een behoefte waarmee in het kwantitatief woningbouwprogramma voor de gemeente Middelburg rekening is gehouden.
3.2
Provinciaal- en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsplan Zeeland 2018
Toetsingskader Algemeen Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan heeft betrekking op de onderwerpen economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Het Omgevingsplan 2018 bevat slechts beperkt nieuw beleid ten opzichte van het Omgevingsplan 2012-2018. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 beoogt naast een concrete invulling voor de vier grote strategische opgaven (duurzame en concurrerende economie, klimaatbestendige en neutrale samenleving, waardevolle leefomgeving en toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving) ook een eerste aanzet te geven voor de lange termijn strategische doelen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen. Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving Stedenbeleid In Zeeland is sprake van een trek naar de steden en neemt de totale behoefte aan extra woningen de komende tien jaar geleidelijk af. Door de aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied wordt niet alleen gebouwd waar de markt om vraagt, maar wordt ook het draagvlak voor voorzieningen in de directe omgeving behouden.
Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Wonen
20/367
Door vergrijzing en ontgroening neemt het aantal gezinnen af en (oudere) alleenstaande huishoudens juist toe. Hierdoor neemt de behoefte aan woningen nabij voorzieningen in steden en centrumkernen toe. Woningbouwprojecten hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Het omgevingsplan benadrukt dan ook het belang van regionale woningmarktafspraken. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsing De ontwikkeling betreft een woningbouwproject binnen bestaand stedelijk gebied. Het is een inbreidingslocatie binnen de stad Middelburg en sluit daarmee aan bij het beleid van de provincie om aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied. De ontwikkeling is opgenomen in de regionale woningmarktafspraken Conclusie De ontwikkeling sluit, gezien het voorgaande, aan bij het provinciaal beleid. 3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018 Toetsingskader Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied.
Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Toetsing en conclusie Voor wat betreft de voorgenomen ontwikkelingen zijn geen specifieke regels uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018 van belang. 3.2.3 Onderbouwing woningbehoefte op basis van regionaal beleid Toetsingskader Het doel van het Zeeuwse provinciale woningbeleid is te zorgen voor een goed werkende, gezonde woningmarkt waarbij er voldoende en de juiste woningen beschikbaar zijn voor de inwoners van Zeeland. Om dit te bereiken is in het Omgevingsplan 2012-2018 het beleidsinstrument regionale woningmarktafspraken geïntroduceerd en overgenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2018. Door middel van deze regionale woningmarktafspraken stemmen de vijf woningmarktregio's van Zeeland hun woningbouwplannen binnen de regio op elkaar af. Door deze afstemming wordt leegstand voorkomen en wordt gestimuleerd dat de juiste woningen op de juiste locatie ontwikkeld worden. In 2018 zijn door de Walcherse gemeenten nieuwe woningmarktafspraken gemaakt voor de periode 2016-2025. Op 21 mei 2019 heeft de Provincie Zeeland de woningmarktafspraken voor Walcheren ook vastgesteld.
Door de Stec Groep is in 2019 in opdracht van de Provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten een Kwalitatief Woningmarktonderzoek Zeeland (KWOZ) uitgevoerd. Daaruit komt, gebaseerd op de 'Provinciale bevolkings- en
21/367
huishoudensprognose 2019', een verwachte huishoudensontwikkeling voor de gemeente Middelburg van plus 1.769 huishoudens tot en met 2029. Voor heel Walcheren gaat het om 2.709 huishoudens. Door de Stec Groep is in 2019 eveneens een Locatieonderzoek Walcheren uitgevoerd, als een nadere uitwerking van het KWOZ, waarin vooral gekeken is naar locaties voor nieuwbouw. Hieruit blijkt vooral een behoefte aan centrumstedelijk wonen, vooral door de groei van alleenstaande doelgroepen. In de woningmarktafspraken is de kwantitatieve behoefte van de regio Walcheren bepaald aan de hand van de huishoudensgroei volgens de Provinciale Bevolkings- en Huishoudenprognose 2019 voor de komende 10 jaar, de berekende inhaalvraag en de vraag voor de komst van tijdelijke en definitieve arbeidsmigranten en de gewenste flexibele ruimte ten behoeve van planuitval. De netto nieuwbouwbehoefte voor de reguliere woningen in de periode 2016-2025 wordt op basis van deze factoren ingeschat op 4.031 woningen. Samen met de regio is vervolgens bepaald dat er volgens verwachting nog 741 woningen onttrokken worden door sloop en 340 door deeltijdbewoning. Uiteindelijk leidt dit tot een bruto woningbouwopgave van 5.112 tussen 2016 en 2026. Ten behoeve van de woningbouwopgave hebben de gemeenten bruto 4.720 en netto 3.639 woningen opgenomen in nieuwbouwprojecten.
Aanvullend op de diverse projecten is per gemeente een aantal gereserveerd (restcapaciteit) om te kunnen inspelen op initiatieven in de toekomst. Hiervoor is 15% van het bruto aantal geplande woningen gereserveerd. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen harde en zachte plancapacteit. De harde plancapaciteit betreft de woningbouwplannen die 'gehard' zijn in een door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan of andere planvorm. Eén van de uitgangspunten uit de recente woningmarktonderzoeken is om alleen nog woningbouw te ontwikkelen die complementair is aan de bestaande woningvoorraad en een aantal woonmilieus. Op basis van de opbouw van de huidige voorraad, de woonvoorkeuren van huishoudens en de huishoudensprognoses zijn de belangrijkste opgaven het aandeel levensloopbestendige woningen te vergroten ten koste van reguliere grondgebonden woningen. Toetsing In het plangebied wordt ingezet op woningen op een strategische woonlocatie in bestaand stedelijk gebied. Er worden verschillende woningtypologieën in verschillende prijsklassen gerealiseerd. Een deel van deze woningen is levensloopbestendig of sociale huur (rijwoningen). De harde plannen bevatten 935 woningen per eind 2018. Uitgaande van een behoefte van minimaal 1.504 woningen is er dan nog ruimte voor minimaal 569 woningen.
22/367
Behalve Rittenburg fase III zijn er nog meer plannen in voorbereiding. Op basis van de woningmarktafspraken zijn dit de volgende plannen, waarbij ook rekening is gehouden met de in de woningmarktafspraken opgenomen marge die gereserveerd wordt voor overige inbreiding / restcapaciteit.
Worden ook al deze plannen meegenomen, dan is er nog minimaal ruimte voor (569 - 469 =) 100 woningen. De aantallen voor Rittenburg III vallen niet allemaal binnen deze bandbreedte. Voor Rittenburg III is in de woningmarktafspraken rekening gehouden met 91 woningen. Er worden uiteindelijk 102 woningen gerealiseerd. Dit betekent dat er 11 woningen afgaan van de restcapaciteit. Conclusie De woningbouwlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied en geeft invulling aan de woningbehoefte waarmee in de regionale woningmarktafspraken rekening is gehouden. Er zijn nog te weinig harde plannen om in de behoefte te kunnen voorzien. Uit de kwalitatieve behoefte blijkt dat er vooral behoefte is aan eengezinswoningen in de sociale verhuur en appartementen/ (levensloopbestendige) woningen tot het middensegment. Voorliggende ontwikkeling sluit hierbij aan. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de ladder van duurzame verstedelijking.
3.3
Gemeentelijke beleid
3.3.1 Kwaliteitsatlas Middelburg Toetsingskader De Kwaliteitsatlas is een belangrijk integraal beleidsdocument van de gemeente Middelburg. In deze Kwaliteitsatlas wordt een richting uitgestippeld voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot het jaar 2030. Voor een groot aantal deelaspecten (waaronder wonen) is vervolgens aangegeven welke veranderingen nodig zijn om in 2030 tot de gewenste situatie te komen. Eind 2008 is een herijking van de 2e en 3e fase van de kwaliteitsatlas gepresenteerd. Op 18 januari 2010 is een herziening van de Kwaliteitsatlas vastgesteld.
23/367
Middelburg streeft naar kwalitatief goede woonmilieus, goede woningen in een aantrekkelijke omgeving en minder op groei. Mensen moeten graag in de gemeente Middelburg willen blijven wonen. Door woonmilieus aan te bieden voor alle leeftijdscategorieën in zowel stedelijke als landelijke omgeving kan Middelburg voor iedereen een aantrekkelijke plaats blijven om zich te vestigen. De gemeente wil de komende jaren investeren in binnenstedelijke ontwikkelingen. Ook de provincie stuurt aan op ontwikkelingen binnen de bestaande kaders van verstedelijking. Voor Walcheren geldt dat 85% van de nieuwe woningen moet worden gerealiseerd in het stedelijk gebied van Vlissingen en Middelburg. De gezamenlijke woningbehoefte voor Middelburg en Vlissingen in de periode tot 2020 is geprognosticeerd op 3.400 en in eerste instantie opgedeeld in 2.400 voor Middelburg en 1.000 voor Vlissingen. In onderling overleg zijn beide gemeenten overeengekomen, dat Middelburg een contingent van maximaal 400 woningen afstaat aan Vlissingen, zodat in Vlissingen meer planologische ruimte ontstaat om het Scheldeterrein te ontwikkelen. Vlissingen krijgt daarmee planologische ruimte tot de bouw van 1400 woningen. De planologische ruimte van Middelburg bedraagt daarmee 2.000 woningen, aangevuld met mogelijk ongebruikt Vlissings contingent.
De genoemde planologische ruimte staat los van het eventueel vervangen van woningen. Ongeveer de helft van de nieuwbouw is voorzien op herstructurerings- of inbreidingslocaties en de andere helft op uitbreidingslocaties. In de periode na 2020 wordt ingezet op herstructureren van bestaande wijken en kernen (Dauwendaele, Nieuw Middelburg en Arnemuiden) en wordt ruimte gereserveerd voor nieuwbouw op de locaties Sint Laurens, Arnemuiden (landelijk, Walchers wonen), Ramsburg (centrumstedelijk wonen) en Cleene Hooge (groenstedelijk wonen) als reservelocatie. Toetsing en conclusie Het plangebied wordt niet genoemd in kwaliteitsatlas en in de bijbehorende woningbouwplanning, maar het ligt wel binnen het stedelijk gebied van Middelburg. Hiermee sluit de ontwikkeling aan op het beleid. Binnen het plangebied worden verschillende woningtypen gerealiseerd. De ontwikkeling draagt op deze manier bij aan een divers woningaanbod in de gemeente. De woningmarkt heeft na het verschijnen van de Kwaliteitsatlas een behoorlijke verandering ondergaan en er zijn ook nieuwe woningmarktafspraken gemaakt. In paragraaf 3.2.3 wordt hierop ingegaan. 3.3.2 Woonvisie 2016 – 2020 Toetsingskader In de woonvisie 2016-2020 wordt het beleid over wonen voor de gemeente Middelburg weergegeven. Hierbij wordt uitgegaan van het woningmarktonderzoek Woningmarkt 2015-2030, opgesteld door ABF Research.
In de woonvisie Middelburg 2016-2020 is Rittenburg genoemd als potentiële ontwikkellocatie die goed scoort op commercieel vlak. Daarnaast kan het gebied een transitie vormen met de vroeg-naoorlogse Stromenwijk.
24/367
Figuur 3.1 Overzicht potentiële ontwikkellocaties (Bron: Woningmarkt- en locatieonderzoek Middelburg 2015, 6 november 2015 (Arcadis), bijlage bij de Woonvisie 2016-2020) De gemeente Middelburg wil vraaggericht bouwen, om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de woonwensen van de bestaande en nieuwe inwoners. Deze flexibele insteek geldt voor de bekende nieuwe ontwikkellocaties, binnenstedelijke herontwikkelings- en herbestemmingsprojecten. Net als in andere gemeenten in Nederland is ook in Middelburg een toenemende behoefte aan stedelijke woonmilieus: flexibele huurvormen, appartementen en andere nultredenwoningen, dichtbij voorzieningen en stedelijke activiteiten, en goed bereikbaar voor diverse vervoersmodaliteiten. Uit het woningmarktonderzoek blijkt dat deze toenemende behoefte niet helemaal kan worden opgevangen in de nieuwbouwprojecten die tot op heden in voorbereiding zijn. Vooral de vraag naar centrumstedelijke woonmilieus zal naar verwachting groter zijn dan het aantal geplande woningen. Het woningmarktonderzoek beveelt aan om de focus te leggen op voldoende aanbod in centrumstedelijke woonmilieus. Toetsing en conclusie De locatie kan goed ontsloten worden door het openbaar vervoer. Maar de locatie ligt verder van stedelijke voorzieningen af dan in stedelijk gebied verwacht mag worden.
De locatie is opgenomen in de meest recente woningmarktafspraken die gebaseerd zijn op de Provinciale Bevolkings- en Huishoudenprognose 2019 en sluiten aan bij de regionale vraag.
25/367
De ontwikkeling sluit aan bij de Woonvisie van gemeente Middelburg.
3.3.3 Ruimtelijke kwaliteit en welstandsbeleid Toetsingskader Wie in Middelburg wil bouwen of verbouwen krijgt te maken met de nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016. Daarin is bepaald dat voor een bouwplan anders dan een enkele woning of in omvang vergelijkbaar bouwwerk een beeldkwaliteitsplan moet worden opgesteld. Een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld voordat de bouwplannen worden uitgewerkt. Het legt de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitsuitgangspunten vast voor een nieuwe ontwikkeling en gaat vaak ook in op de randvoorwaarden voor de inrichting van de openbare ruimte. De nieuwe ontwikkelingen voor een gebied waarvoor een beeldkwaliteitsplan geldt, worden getoetst aan dit beeldkwaliteitsplan, en niet meer aan de nota Ruimtelijke Kwaliteit. Het doel van de richtlijnen bij nieuwbouw is dat het bouwplan als geheel een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de bestaande (openbare stedelijke of landschappelijke) ruimte in het bijzonder. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt in het gebied dat in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 is aangeduid als uitbreidingswijk. Voor dergelijke gebieden gelden de volgende beoordelingscriteria: Het bebouwingsbeeld wordt in stand gehouden, zo mogelijk verbeterd. Bij verbouw is de vormgeving, gevelindeling en -geleding, maatvoering, materiaalgebruik, detaillering en karakter van het hoofdgebouw uitgangspunt.
Aan-, uit- en bijgebouwen houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing en sluiten qua architectuur aan op de bestaande bouwmassa en materialisatie. Gevels worden opgetrokken uit baksteen. Voor Mortiere en Veersepoort bestaat ook de mogelijkheid voor (volledig) gestucte gevels. Daken worden afgedekt met rode of donkergekleurde pannen. Kozijnen, ramen, deuren of gevelpanelen zijn van hout, op hout gelijkend kunststof of aluminium gemaakt (b.v. CLK-kozijnen met verdiept profiel). Kleuren passend in de omgeving Het stedenbouwkundig plan is op 3 december 2020 voorgelegd aan het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (het WARK). Het adviesteam heeft positief geadviseerd over de ontwikkeling. Voor de ontwikkeling wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld, waarin regels voor onder andere de bebouwing, de erfbegrenzing, de inrichting van de openbare ruimte, materialen en kleuren worden opgenomen.
26/367
Figuur 3.2 Uitsnede overzichtskaart Nota ruimtelijke kwaliteit 2016. (bewerkt: Rho)
27/367
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het project getoetst aan alle relevante sectorale aspecten. Deze toetsing geldt als basis voor de planologische afweging.
4.2
Verkeer en parkeren
Ontsluiting Alle gemotoriseerde verkeer wordt afgewikkeld via de bestaande wijkontsluitingsweg de Grevelingenstraat. De wegen in en om het plangebied zijn erftoegangswegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. De Grevelingenstraat komt uit op de Stromenweg. Dit is een gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km/uur. Door deze wegenstructuur is de ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer goed. Verkeersstructuur In lijn met de landelijke uitgangspunten voor een Duurzaam Veilige weginrichting deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Door de lage rijsnelheid is de veiligheid voldoende geborgd. De korte rechtstanden in de woonstraten en de verkeersremmende maatregelen in de Grevelingenstraat waarborgen een lage rijsnelheid. Voor voetgangers zijn langs alle wegen trottoirs voorzien. Naast de bestaande brug bij de Merwedestraat is halverwege het plangebied een extra brug voorzien over de Vlissingse Watergang voor het langzaam verkeer. De bestaande bushalte aan de Grevelingenstraat geeft het gebied een goede ontsluiting met het openbaar vervoer. Met lijn 58 wordt Rittenburg III met de centra en stations van Middelburg en Vlissingen verbonden. De bussen rijden met een frequentie van twee keer per uur per richting.
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling kan inzichtelijk worden gemaakt op basis van de kengetallen van het kennisplatform CROW (publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen', 2018). Op basis van het woningbouwprogramma is de volgende berekening gemaakt van de te verwachten verkeersgeneratie: Tabel 4.1: Berekening verkeersgeneratie (weekdagen) Rittenburg III op basis van kencijfers CROW Woningtype
twee-onder-één-kap Rijwoning Rij- hoekwoning Etage appartement
28/367
Aantal
Gebied
18 12 43 29
Sterk stedelijk Sterk stedelijk Sterk stedelijk Sterk stedelijk
Kencijfer (aantal mvt/etmaal) 7,4 4,5 5,2 6,7
Verkeersgeneratie
133 54 224 194,3
Totaal 102 605 De totale verkeersgeneratie bedraagt zodoende circa 605 mvt/etmaal tijdens een gemiddelde weekdag. Er wordt vanuit gegaan dat dit verkeer voor 90% via de Grevelingenstraat wordt afgewikkeld richting de Stromenweg. De overige 10% wordt afgewikkeld in noordelijke richting. Parkeren De nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot een toename van de parkeerbehoefte. Uitgaande van een CROW-parkeerrichtlijnen voor woningen in een sterk stedelijk gebied is een berekening worden gemaakt van de parkeerbehoefte: Tabel 4.2: berekening normatieve parkeerbehoefte op basis van CROW kencijfers en woningbouwprogramma Woningtype twee-onder-één-kap
Aantal 18
Gebied sterk stedelijk
Parkeernorm 2
Parkeerbehoefte 36
Rijwoning (sociale huur) Levensloop bestendige woning Rij- hoekwoning Etage appartement Totaal
20
Sterk stedelijk
1,5
30
19
Sterk stedelijk
1,8
34,2
16 29 102
Sterk stedelijk Sterk stedelijk
1,8 1,7
28,8 49,3 178
Bewoners en eventuele bezoekers zijn niet allemaal gelijktijdig aanwezig. De CROW geeft aanwezigheidspercentages per dagdeel aan. De te hanteren percentages hangen af van de dag in de week en van het tijdstip op de dag. Op basis van zowel de aanwezigheidspercentages van het CROW als de parkeertellingen blijkt dat op een werkdagavond maatgevend is. Bij voorliggende ontwikkeling is de werkdagavond leidend. De totale parkeerbehoefte bedraagt dan 178 parkeerplaatsen. In totaal worden er 194 parkeerplaatsen gerealiseerd. Namelijk 176 in het openbare gebied en minimaal 18 op eigenterrein (twee-onder-één-kap). In totaal voorziet het plan daarmee dus ruim in de normatieve parkeerbehoefte. Conclusie De ontsluiting voor de verschillende vervoerswijzen is goed te noemen. De verkeersgeneratie leidt niet tot onacceptabel hoge verkeersintensiteiten op de omliggende erftoegangswegen. Het plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.3
Geluid
Toetsingskader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai Indien bij een ruimtelijke procedure nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, dan is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden
29/367
geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Als de Wgh van toepassing is dan dient een nieuwe geluidgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidwaarde binnen de geluidgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A).
Bovendien zal voor de betreffende geluidgevoelige functie ten minste altijd één geluidluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal “dove gevels” per woning tot maximaal één te beperken. Geluidzones Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Industrielawaai Indien in een bestemmingsplan (of ruimtelijke procedure) een nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de zone van een geluidsbron. Railverkeerslawaai In hoofdstuk VII 'Zones langs spoorwegen' van de Wgh en in hoofdstuk 4 van het Besluit geluidhinder is de zonering van spoorwegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. In de Regeling Zonekaart spoorwegen is per spoortraject de zonebreedte vastgesteld.
Deze zonebreedte varieert van 100 tot maximaal 1.300 meter. Luchtvaartlawaai De geluidregelgeving met betrekking tot dergelijke vliegvelden is in het Besluit Geluidsbelasting Kleine Luchtvaart (BGKL). Dit betekent bij regionale vliegvelden dat de provincie hiervoor beleid opstelt. In Zeeland geldt hiervoor de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland.
30/367
Toetsing Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de 50 km/h weg Stromenwijk. Voor de overige wegen, waaronder de Grevelingenstraat, geldt een maximale snelheid van 30 km/h. Voor de ontwikkeling is dan ook akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 1). Stromenweg Uit het onderzoek blijkt dat op het appartementencomplex een overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde met 1 dB. Voor de overige woningen wordt aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. Er is een verzoek hogere waarde noodzakelijk. Grevelingenstraat Voor de op de naar de Grevelingenstraat gelegen zijgevel van het appartementencomplex en de woningen, bedraagt de maximale geluidbelasting respectievelijk 51 dB en 49 dB. Het geluidniveau wordt gezien de beperkte overschrijding aanvaardbaar geacht. Maatregelen Gezien de beperkte overschrijding (1dB) is het uit stedenbouwkundig en verkeerskundig overwegingen niet gewenst. Daarnaast kiest de gemeente vooralsnog niet voor geluidarmasfalt. Industrielawaai In de nabijheid van de ontwikkeling is geen sprake van een gezoneerd bedrijventerrein of andere bedrijvigheid die zorgen voor lawaai. Er zijn geen aanvullende maatregelen of onderzoeken noodzakelijk. Railverkeerslawaai De zonebreedte ter hoogte van het plangebied bedraagt 100 meter.
Er zijn geen aanvullende maatregelen of onderzoeken noodzakelijk. Luchtvaartlawaai Het dichtst bijzijnde vliegveld is Vliegveld Midden-Zeeland op circa 10 kilometer afstand. De ontwikkeling heeft niet te maken met geluidcontouren op basis van de Verordening Luchthavenbesluit Midden-Zeeland. Conclusie Wegverkeerslawaai Er wordt op het appartementencomplex niet voldaan aan de voorkeursgrens van 48 dB door het verkeer van de Stromenweg. De overschrijding bedraagt 1 dB. Er worden geen maatregelen getroffen. Er is een verzoek hogere waarde van 49 dB nodig. Het geluid van de 30 km/h weg Grevelingenstraat bedraagt 51 dB, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefkimaat. Industrielawaai, railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai Deze aspecten vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.
31/367
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
4.4.1 Cultuurhistorie Toetsingskader Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen (www.cultureelerfgoed.nl). In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Toetsing Uit provinciaal kaartmateriaal en andere gegevens blijkt dat het gebied niet cultuurhistorisch waardevol is.
In en direct rond het plangebied zijn geen beschermde en niet formeel beschermde objecten en structuren aanwezig.
Figuur 4.1 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Links: cultuurhistorische objecten en structuren; rechts: topografische kaart 1916 (bron: Provincie Zeeland) 4.4.2 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenoemde “Verdrag van Malta” tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met
32/367
zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de bestaande regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. Toetsing Voor het plangebied geldt op basis van het bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek Voor de ontwikkeling is een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd. Het verbod op (graaf)werkzaamheden geldt voor een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 m onder maaiveld. Bij voorliggende ontwikkeling worden deze maten overschreden en is archeologisch onderzoek nodig. Voor het de ontwikkeling is dan ook een bureauonderzoek en een inventariseren veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 2. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is een archeologische waarde opgesteld die aan de hand van het inventariserend veldonderzoek is getoetst. Uit het inventariseren veldonderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd binnen die delen van het plangebied waar het Hollandveen Laagpakket intact en/ of zo goed als intact bewaard is gebleven.
Archeologische resten kunnen hier aangetrokken worden vanaf een diepte van minimaal 1,7 meter -NAP. Daarnaast geldt aanvullend voor het volledige plangebied een middel- en hoge verwachtingwaarde op het niveau van de Formatie van Boxtel. Dit niveau is met het inventariserend veldonderzoek niet bereikt en de verwachting is dat deze zich bevindt vanaf een diepte van 5,2 - NAP. De gebieden zijn weergegeven in figuur 4.3. Geadviseerd wordt om in het bestemmingsplan de volgende vrijstellingsdiepten op te nemen: een vrijstelling tot 1,7 m -NAP in die delen van het plangebied waar een middelhoge verwachting geldt voor het niveau van het Hollandveen Laagpakket; een vrijstelling tot 5,2 m -NAP in de overige delen van het plangebied; geadviseerd wordt bij diepere werkzaamheden dan hiervoor genoemd op de locaties vervolgonderzoek uit te laten voeren: 1. namelijk ter plaatse van het Hollandveen Laagpakket: een inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven; 2. Formaatpakket van Boxtel: inventariseren Veldonderzoek door middel van verkennende boringen en dit afhankelijk van de resultaten aan te vullen met een karterend/ waarderend booronderzoek.
33/367
Figuur 4.2 Verwachtingenkaart (bron: Middelburg Grevelingenstraat - Stromenpad, Rittenburg III, Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen, ARTEFACT!, rapport 565, 22 januari 2021) Aanvullend Inventariserend veldonderzoek met Proefsleuven Aanvullend is een Inventariserend Veldonderzoek met proefsleuven uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Tijdens dit onderzoek zijn geen noemenswaardige sporten of vondsten gedaan die op een mogelijke vindplaats van de ijzertijd of de Romeinse tijd kunnen duiden. Er zijn eveneens geen sporen uit de middeleeuwen of nieuwe tijd gevonden. Het perceel heeft een lage arcehologische waarde. Vervolgonderzoek
34/367
is niet noodzakelijk. Conclusie Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek en het aanvullende proefsleuvenonderzoek blijkt dat er sprake is van een lage archeologische waarde voor de gronden. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Er hoeft dan ook geen dubbelbestemming archeologie worden opgenomen voor behoud van de aanwezige waarden.
4.5
Water
Voor ruimtelijke plannen dient met een watertoets aangetoond te worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap beschikt hiervoor over de Keur waterschap Zeeuwse Eilanden (hierna: de Keur). De Keur stelt regels in belang van het watersysteem en geeft aan welke activiteiten in de buurt van leggerwateren en waterkeringen wel en niet zijn toegestaan Watertoets Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd en die in bijlage 9 opgenomen. Uit toetsing aan deze criteria blijkt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.