Bijlage 3 Het slavernijverleden van Zeeland, onderzoek prof dr H den Heijer
Tekst van het document
achttiende eeuw, toen de MCC zich volledig op de slavenhandel richtte en de verkoopprijzen van slaven stegen vanwege de grote vraag naar Afrikaanse werkkrachten in de koloniën. Dat vertaalde zich in een hogere aandelenkoers, die steeg tot ongeveer 50% van de nominale waarde. Daarmee was de MCC nog geen goudmijn voor beleggers die af en toe een dividenduitkering van enkele procenten kregen. De voordelen van het aandelenbezit zaten, net als bij de WIC, niet in de waarde van de aandelen noch in de schaarse winstuitkeringen. Middelburgse regenten die in de MCC-directie zaten, hoefden ook niet op een forse beloning voor hun werk te rekenen. Toch kon aandelen en directiefuncties financieel voordelig zijn, omdat de bezitters daarvan dikwijls ook diensten en producten aan de MCC leverden voor de uitreding van slavenschepen. Zo hadden diverse aandeelhouders belangen in een Zeeuwse buskruitmolens die grote hoeveelheden buskruit aan de onderneming leverden, een onmisbaar product voor de aankoop van slaven in West-Afrika. Handelaren in alcoholische dranken, textiel en assuradeuren die scheepsverzekeringen afsloten, hadden eveneens een financieel belang bij de slavenhandel van de MCC. Hoeveel de hoofdaandeelhouders en directieleden direct en indirect van de slavenhandel hebben geprofiteerd is niet meer na te gaan, maar zeker is dat zij daar indirect niet armer van zijn geworden.
Een andere, minder bekende Zeeuwse onderneming die aan slavernij gekoppeld kan worden, is de in 1771 opgerichte Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren. De Sociëteit van Essequebo, zoals de onderneming in de wandelgangen werd genoemd, was geen slavenrederij, maar een scheepvaartbedrijf dat de goederenhandel verzorgde tussen Zeeland en de koloniën Essequibo en Demerara. Zij was opgericht om de Zeeuwse handel op de koloniën te beschermen tegen de toenemende druk van Hollandse kooplieden, die de koloniale handel op beide koloniën dreigden over te nemen. Het oprichtingskapitaal bedroeg 320.000 gulden dat door ongeveer 180 personen werd opgebracht. Ruim 60 van hen waren hoofdaandeelhouder en hadden stemrecht op de aandeelhoudersvergaderingen. De Sociëteit van Essequebo had een vijfkoppige directie van Middelburgse regenten met diverse nevenfuncties in de stad. Zo was Jacobus Smith ook directeur van de stedelijke Assurantie Compagnie net als zijn collega Pieter de Bruijn, die daarnaast firmant was van een handelshuis. De onderneming had een vloot van zeven schepen waarmee in het totaal vijftig retourreizen zijn gemaakt. Zij zorgden voor de bevoorrading van de plantages in Essequibo en Demerara en het transport van de door slaven geproduceerde suiker, koffie en andere plantagegewassen voor de Europese markt.
Tijdens de Vierde Engelse Oorlog verloor de Sociëteit drie van haar schepen en zette de neergang van de onderneming in die uiteindelijk in 1788 werd opgeheven. De directie en aandeelhouders zijn niet rijk geworden van de Sociëteit, 25
maar dat was ook niet hun belangrijkste reden om in de onderneming te investeren. Bijna allemaal hadden zij handelsondernemingen die profiteerden van het verschepen van producten naar of uit de koloniën, maar net als bij de WIC en de MCC is dat economische voordeel niet of nauwelijks te kwantificeren.
Twee Zeeuwse steden nader belicht Wie op detailniveau onderzoek doet, vindt op veel plaatsen sporen van de Nederlandse betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij. Alleen al door de vroegmoderne consumptie van koffie, suiker en andere tropische landbouwproducten kan bijna iedere Nederlander aan het slavernijverleden worden gekoppeld. Maar is zo’n benadering zinvol, geeft dat inzicht in wat zich werkelijk heeft afgespeeld in bijvoorbeeld Zeeland? Bovendien hoe moeten we Zeeland definiëren? Het huidige Zeeuws-Vlaanderen was bijvoorbeeld vanaf de Tachtigjarige Oorlog tot aan 1814 geen onderdeel van de provincie Zeeland; lange tijd werd het gebied, net als Brabant en Limburg, als wingewest door de Staten-Generaal bestuurd. Bovendien was StaatsVlaanderen niet of nauwelijks bij slavernij betrokken. Datzelfde geldt voor veel andere steden en gebieden die vóór 1814 wel tot Zeeland werden gerekend. Van de zes stemhebbende steden in de Staten van Zeeland hadden Zierikzee, Tholen en Goes nauwelijks belangen in de Atlantische handel en scheepvaart. Hun aandeel in de Zeeuwse slavenhandel en slavernij was gering. De vloot van Zierikzee bestond voornamelijk uit hoekers, betrekkelijk kleine schepen die voor de visserij en de handel op Europese bestemmingen werden ingezet.
Zierikzee bezette geen bewindhebberszetel in de kamer van de WIC en had voor zover bekend geen kapitaal in de onderneming geïnvesteerd. Vanwege het geringe belang in de Atlantische vaart stelde het stadsbestuur zich bij discussies over de subsidiëring van en leningen aan de Compagnie dan ook altijd terughoudend op. Tholen en Veere hadden wel Atlantische belangen; zij leverden van de veertig bewindhebbers die de WIC tussen 1621 en 1636 telde tenminste drie bestuurders; een uit Tholen en twee uit Veere. Daarna zal hun aantal eerder zijn gekrompen dan uitgebreid. Tezamen bezaten zij in de Eerste WIC nog geen 14% van het aandelenkapitaal tegen Middelburg en Vlissingen ruim 86%, percentages die na de doorstart van de Compagnie marginaal wijzigden. Tholen en Veere hadden geen Atlantische scheepvaart- en handelsbelangen van betekenis. Goes ten slotte was een op agrarische productie gerichte stad; het stedelijke patriciaat haalde zijn inkomsten vrijwel geheel uit de omringende pachtboerderijen. Dat betekent overigens niet dat Goes en het omringende 26
platteland geen slavernij-gerelateerde belangen hadden. Het Zeeuwse platteland leverde namelijk een groot deel van de benodigde victualie voor slavenschepen, waaronder kazen, vlees, granen voor brood, paardenbonen, grauwe erwten en gort. Zo bezien zijn bijna alle vroegmoderne Zeeuwen aan slavenhandel en slavernij te koppelen. Maar zinniger is het om te focussen op de echt belangrijke spelers te weten Middelburg en Vlissingen zoals op meerdere plaatsen in dit rapport reeds tot uiting kwam. Vandaar hieronder op hoofdlijnen het belang van beide steden in slavernij-gerelateerde activiteiten.
Middelburg Middelburg was aanvankelijk tegen slavenhandel, dat althans is af te leiden uit het optreden van Adriaen ten Haeff, burgemeester van de stad, die in 1596 de verkoop van per schip aangebrachte slaven in zijn stad verbood. Maar diezelfde Ten Haeff kreeg twee jaar later van de Staten-Generaal toestemming voor enkele belastingvrije handelsreizen naar de kust van Guyana waar Zeeuwse kooplieden later plantagekoloniën bevolkt met slaven zouden stichten. Slavernij overzee was voor vroegmoderne Nederlanders kennelijk toch iets anders dan slavernij in eigen land; zij hielden er zoals gezegd een dubbele moraal op na. Adriaen ten Haeff was een kwartiermaker die de weg effende voor de latere Zeeuwse betrokkenheid bij de slavenhandel en slavernij. Middelburg heeft overigens nooit direct deelgenomen aan kolonisatieprojecten op de kust van Guyana en in het Caribische gebied. Ook het bestuur van Suriname in de periode 1667-1682 was geen specifiek Middelburgse aangelegenheid, maar een taak van de gezamenlijke steden op Walcheren c.q. de Staten van Zeeland. De plannen voor de stichting van plantagekoloniën die de Middelburgers Willem Usselincx en Balthasar Gerbier op tafel legden, zijn al in een vroeg stadium gestrand. Middelburg was vooral van belang als vestigingsplaats van de WIC-kamer Zeeland.
De stad leverde verreweg de meeste bewindhebbers aan deze kamer, die mede het beleid bepaalden van de onderneming die verantwoordelijk was voor de helft van de Nederlandse slavenhandel. De Middelburgse bewindhebbers behoorden, op een enkele uitzondering na, tot de regentenklasse. Zij waren het ook die het langst vasthielden aan het behoud van de kolonie Brazilië, waar de structurele deelname van de Nederlanders aan de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij begon. Toen Amsterdam in 1647 weigerde steun te verlenen aan een maritieme reddingsoperatie voor het behoud van deze kolonie, dreigde Zeeland het Vredesverdrag van Munster, dat officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog moest maken, niet te ondertekenen. Door die dreiging ging Amsterdam alsnog akkoord met het
27
zenden van een hulpvloot naar Brazilië, maar die kon niet verhinderen dat de Nederlanders zich in 1654 alsnog uit de kolonie moesten terugtrekken. In de achttiende eeuw was de stad vooral actief in de particuliere slavenhandel, maar had daarin een kleiner aandeel dan Vlissingen. Naast enkele kleine rederijen, die zowel in de illegale als in de legale slavenhandel actief waren, was de MCC de belangrijkste speler. Amsterdamse kooplieden domineerden de bilaterale goederenhandel op de meeste plantagekoloniën, maar niet op Essequibo en Demerara; daarop had Zeeland tot 1770 het monopolie. Na de opheffing van dat monopolie stichtte Middelburg de Sociëteit van Essequebo, die de scheepvaart van de stad op beide koloniën nog tot de jaren 1780 wist te rekken. Middelburg speelde in die zin een belangrijke rol in de instandhouding van de op slavenarbeid gebaseerde plantageconomie aldaar. Ten slotte waren Middelburgse regenten en kooplieden bijna twee eeuwen lang de belangrijkste beleggers in en bestuurders van organisaties als de WIC, de MCC en de Sociëteit van Essequebo en daarmee verantwoordelijk voor de continuering van de slavenhandel en de slavernij in de koloniën. In de stad vond echter geen verwerking van plantageproducten plaats, waarvoor geen faciliteiten beschikbaar waren. Die producten werden na aankomst in Middelburg voor verwerking doorgevoerd naar Amsterdam en Rotterdam.
Vlissingen Qua inwonertal was Vlissingen aanzienlijk kleiner dan Middelburg, maar had een veel groter aandeel in het opzetten en beheren van plantagekoloniën met slaven en later in de transAtlantische slavenhandel dan de hoofdstad van het gewest. De Vlissingse regentenburgemeesters Jan de Moor, Abraham van Pere en Cornelis Lampsins behoorden tot de selecte groep kwartiermakers die de Nederlandse handel en scheepvaart op Amerika mogelijk maakte, maar zij investeerden ook in de stichting van handelsposten en plantagekoloniën. Hun initiatieven hebben, zoals eerder in dit rapport vermeld, geleid tot de Zeeuwse kolonisering van de eilanden Tobago en Sint Eustatius, en de stichting van plantagekoloniën aan de Essequibo en de Berbice in Guyana. In de zeventiende en achttiende eeuw zijn tienduizenden Afrikaanse slaven naar deze koloniën gebracht voor het zware werk op de plantages. Van alle Zeeuwse havensteden heeft Vlissingen het grootste aandeel in de transAtlantische slavenhandel gehad. Aanvankelijk was dat aandeel vrij klein; tot aan het laatste kwart van de zeventiende eeuw beperkte de stad zich tot het uitreden van enkele slavenschepen voor de Zeeuwse kamer van de WIC, waarin Middelburg een groter belang 28
had. Daarnaast zonden de gebroeders Lampsins enkele slavenschepen naar Tobago om hun suikerplantages op het eiland van Afrikaanse werkkrachten te voorzien. Maar vanaf circa 1675 keerde het tij en ontdoken steeds meer Vlissingse reders het slavenhandelsmonopolie van de WIC. Zo probeerden zij de economische achteruitgang van hun stad en het gewest af te remmen. Tussen 1675 en 1730 hebben Zeeuwen ruim 44.000 slaven uit West-Afrika weggevoerd, van wie de meeste op schepen die Vlissingen als thuishaven hadden. Sint Eustatius en Sint Thomas, die zich tot de belangrijkste illegale slavenmarkten in de Cariben hadden ontwikkeld, waren voor de Vlissingers de belangrijkste bestemmingen. In 1727 stelde een groep Vlissingse slavenhandaren een verzoekschrift op om het slavenhandelsmonopolie van de WIC te ontmantelen, zodat zijzelf legaal aan de slavenhandel konden deelnemen. Zolang dat niet het geval was, liepen de Vlissingers namelijk het risico dat hun schepen in West-Afrikaans wateren door kruisers van de WIC werden geconfisqueerd met alle schade van dien. Hun aanval op het WIC-monopolie had succes en leidde in de jaren 1730 tot het openstellen van de slavenhandel voor particulieren. Na het slechten van deze handelsbarrière ontwikkelde Vlissingen zich tot de belangrijkste Nederlandse speler in de trans-Atlantische slavenhandel.
Enkele cijfers over de Vlissingse marktleiders in de slavenhandel geven inzicht in het belang van deze mensenhandel voor kooplieden in de stad. De firma Jan Swart en Zoon was in de achttiende eeuw de op een na grootste slavenhandelaar van Zeeland. De onderneming bezat 12 slavenschepen waarmee 63 reizen zijn gemaakt; tezamen zijn daarmee ruim 19.000 Afrikanen vervoerd. Drie andere Vlissingse kooplieden, Jan van der Woordt en de gebroeders Abraham en Adriaan Kroef, hebben met hun schepen 70 slavenreizen ondernomen, die tezamen goed waren voor het transport van circa 21.000 slaven. Tussen 1760-1779, waarin de Nederlandse slavenhandel zijn maximale omvang bereikte, heeft Vlissingen 161 slavenschepen uitgereed tegen 99 vanuit Middelburg in dezelfde periode. Met een gemiddelde van 300 slaven per uitgereed schip was Vlissingen alleen al in deze periode verantwoordelijk voor het vervoer van ruim 48.000 Afrikanen. Vlissingen was, kortom, van belang voor het stichten en beheren van een aantal plantagekoloniën in de Cariben in de eerste helft van de zeventiende eeuw en de belangrijkste Nederlandse slavenhandelsstad in de achttiende eeuw.
Regenten en kooplieden waren de initiatiefnemers, financiers en uitvoerders van slavernij-gerelateerde activiteiten, terwijl de minder welvarende stadsbevolking een belangrijk deel van de benodigde goederen en bemanningsleden voor hun slavenschepen leverde.
29
Voor- en tegenstanders van slavernij Hebben de vroegmoderne Zeeuwen hun deelname aan slavenhandel en slavernij nu stilzwijgend geaccepteerd of was er binnen Zeeland ook verzet tegen deze praktijken? Wie over de geschiedenis daarvan leest, krijgt al gauw de indruk dat de Zeeuwen slavenhandel en slavernij als ‘business as usual’ beschouwden, belangrijk voor de economie van het gewest. Toch is er in Zeeland, net als in de rest van Nederland, een discussie tussen voor- en tegenstanders van mensenhandel geweest ook al was het effect daarvan vrijwel nihil. Degenen die zich daarover uitspraken, waren bijna zonder uitzondering predikanten; zij verwerkten hun denkbeelden over slavernij in preken en traktaten. Zeeland heeft slechts één beroemde dochter gehad die zich op seculiere gronden tegen slavernij heeft gekeerd en dat was Elisabeth WolffBekker, beter bekend als de schrijfster Betje Wolff. Een Zeeuws theologisch ‘debat’? De bekendste voorstander van slavernij uit Zeeland was de Zierikzeese predikant Godefridus Udemans. Hij vond dat slavenhandel en slavernij onder bepaalde omstandigheden waren toegestaan. Udemans werkte zijn visie daarover uit in ’t Geestelyck Roer van ’t Coopmans Schip, een in 1640 uitgegeven vademecum voor kooplieden en zeevarenden over hoe zij op basis van Bijbelse uitgangspunten ethisch moesten handelen.
Vanuit oudtestamentische opvattingen over slavernij en ideeën over het natuurrecht vond hij dat heidenen die in een oorlog krijgsgevangen waren gemaakt, als slaven verkocht mocht worden. Wel bepleitte Udemans een humane behandeling van slaven en stelde bovendien dat zij, als zij zich tot het christendom hadden bekeerd, binnen zeven jaar in vrijheid gesteld moesten worden. Theologen die de slavernij veroordeelden, baseerden hun opvatting veelal op de uitleg van het achtste gebod in de Heidelbergse Catechismus. Een van de vele daarin beschreven vormen van het ‘gij zult niet stelen’ was dat een christen geen mensen mocht stelen oftewel tot slaaf mocht maken. Onder de theologen die een daarop gebaseerd anti-slavernijstandpunt op papier of van de kansel uitdroegen, bevonden zich ook enkele prominente Zeeuwse predikanten. Dat is opmerkelijk omdat het orthodoxe protestantisme – de Nadere Reformatie die door Gisbertus Voetius werd gepropageerd – in Zeeland weliswaar veel aanhangers had, maar tevens het gewest was met in de achttiende eeuw het grootste belang in de transAtlantische slavenhandel. Hoe viel dat te rijmen? Of waren de theologische afwijzingen minder resoluut dan ze leken? De Vlissingse dominee Gregorius de Raad, die door sommigen tot de tegenstanders van de slavenhandel wordt gerekend, publiceerde in 1665 een traktaat 30
over de slavenhandel op West-Afrika. Zijn verhandeling was in wezen een anti-paaps stuk, waarin het door protestanten verkopen van slaven aan Spaanse en Portugese katholieken ten strengste werd ontraden. Wie een slaaf aan een katholiek verkocht, leverde zijn ziel uit aan de duivel. Protestantse slaveneigenaren werd aangeraden hun slaven niet door te verkopen, maar ze een goede behandeling te geven en bovenal te onderwijzen in het evangelie. Uiteindelijk zouden de gekerstende slaven op den duur ook hun vrijheid moeten krijgen. Eenzelfde visie verkondigde Johannes de Mey, een predikant op Zuid-Beveland die in de jaren 1640 voor de WIC op Sint Eustatius had gewerkt. Hij kende het slavernijsysteem van binnenuit en had een ambivalente houding ten opzichte van slavernij ontwikkeld. Enerzijds legitimeerde De Mey de slavenhandel en slavernij op basis van oudtestamentische teksten, anderzijds pleitte hij voor een humane behandeling en de kerstening van slaven. De visies van De Raad en De Mey sloten naadloos aan bij die van hun Zierikzeese collega Godefridus Udemans; principiële tegenstanders van slavernij waren zij dus niet. De bekendste en door historici meest aangehaalde tegenstander van slavernij was de Middelburgse predikant Bernardus Smytegelt, die in bevindelijke kringen nog steeds een belangrijke plaats inneemt.
Wat over zijn antislavernij opvattingen bekend is, staat in de honderden preken die zijn volgelingen hebben opgetekend en deels tijdens, maar vooral na zijn leven hebben uitgegeven. Van de vele preken die aan hem worden toegeschreven, is er slechts één waarin hij op basis van het achtste gebod de slavenhandel in acht regels verbiedt als een ‘grove dieverye begaan met eenen mensch te steelen’. Smytegelt haalde een oudtestamentische tekst aan die stelt dat wie een mens steelt, zegt God, zeker ter dood zal worden gebracht (Exodus 21:16). Daarmee bevestigde hij in weinig woorden de visie van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus op het achtste gebod van bijna twee eeuwen eerder. Enig effect heeft die ene preek niet gesorteerd.
Enkele seculiere tegenstemmen Een vrij onbekend maar opmerkelijk kritisch stuk over slavernij is het in 1774 gepubliceerde toneelstuk Monzongo, of de koningklyke slaaf van de Middelburgse koopman-dichter Nicolaas Simon van Winter. De auteur schrijft in de inleiding ervan dat hij diep geraakt is door de slavenopstand in de voormalige Zeeuwse plantagekolonie Berbice. Na het neerslaan van die revolte in 1774 waren wrede straffen uitgevoerd op de aanstichters, waaronder gruwelijke doodstraffen. Zijn treurspel zelf ging echter niet over Berbice, maar over slavernij in SpaansAmerika. Wel hoopte hij dat zijn dichterlijke arbeid zou bijdragen aan de beëindiging van slavernij in de Nederlandse koloniën. 31
Van alle ‘wereldlijke’ auteurs die zich via de literatuur in het slavernijdebat hebben gemengd, is Betje Wolff de bekendste. In haar samen met Aagje Deken geschreven briefroman De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart worden het kolonialisme en de slavernij aangestipt, maar niet uitvoerig en serieus bekritiseerd. Bij de verschijning van de roman in 1782 was Wolff nog geen uitgesproken tegenstander van slavernij. Als geboren Vlissingse correspondeerde zij met de arts David Henri Gallandat, een voormalig chirurgijn op een Zeeuws slavenschip die de slavenhandel in een door hem gepubliceerde instructie voor slavenhandelaren rechtvaardigde. Dat veranderde nadat zij en Aagje Deken in 1788 wegens patriottische sympathieën uitweken naar Frankrijk, waar zij met nieuwe revolutionaire ideeën in aanraking kwamen, bijvoorbeeld met de abolitionistische visie van de Franse protestant Benjamin-Sigismond Frossard. Die publiceerde in 1789 La cause des esclaves negres, waarin hij de praktijk van de slavenhandel en slavernij als strijdig met het christendom, het natuurrecht en de wetten van de staat beschreef. Frossard onderschreef de idealen van de Britse abolitionisten om eerst de slavenhandel af te schaffen en vervolgens via een fase van betere behandeling van de slaven uiteindelijk de slavernij in de koloniën te verbieden.
Wolff vertaalde het werk onder de titel De zaak der negerslaaven, dat in 1790 in de Republiek werd gepubliceerd. Dat was waarschijnlijk haar belangrijkste bijdrage aan het beginnende antislavernijdebat in Nederland.
Verantwoording en bibliografische schets De Zeeuwse betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij is, ondanks het verlies van belangrijke archiefcollecties, redelijk goed uitgezocht. Tijdens het bombardement van Vlissingen door de Engelsen in 1809 ging het Vlissingse stadsarchief in vlammen op en in de meidagen van 1940 verwoestte oorlogsgeweld het stadsarchief van Middelburg. Gelukkig zijn andere, elders opgeslagen archiefcollecties zoals het MCC-archief, grote delen van het archief van de Staten van Zeeland en diverse particuliere collecties gespaard gebleven. Die bevatten veel gegevens over het Zeeuwse betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij. Op basis van dat materiaal zijn er na de Tweede Wereldoorlog, toen het wetenschappelijk onderzoek naar het slavernijverleden begon, honderden publicaties verschenen. Naast artikelen en boeken zijn er ook tientallen op archiefmateriaal gebaseerde doctoraal- c.q. masterscripties geschreven, waarvan vele digitaal raadpleegbaar zijn. De meeste scripties bevinden zich in de collecties 32
van de universiteiten van Leiden, Gent en Amsterdam. Dankzij het uitgebreide onderzoek en de neerslag daarvan in publicaties, is een goed beeld van het Zeeuwse slavernijverleden ontstaan. De grote lijnen zijn bekend. In de toekomst zal dat beeld door detailonderzoek en het stellen van andere vragen ongetwijfeld worden bijgesteld, maar belangrijke wijzigingen daarin zijn niet te verwachten. Voor het samenstellen van het rapport over Het Zeeuwse slavernijverleden is niet gekozen voor nieuw archiefonderzoek dat slechts details aan het huidige beeld kan toevoegen, maar voor een uitgebreide raadplegingen van bestaande bronnenpublicaties, artikelen, boeken en scripties over het onderwerp. De onderstaande beredeneerde bibliografie is geen uitputtende opsomming van die publicaties, maar een overzicht van de belangrijkste werken voor geïnteresseerden die meer over de rol van Zeeland in de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij willen lezen. Over het verschil tussen historisch bewustzijn en collectieve herinnering, waarmee de inleiding van dit rapport begon, wordt door historici de laatste jaren vaak gediscussieerd, meestal naar aanleiding van controversiële historische onderwerpen die een rol spelen in het publieke debat, bijvoorbeeld over kolonialisme, de dekolonisatie van Nederlands-Indië, racisme en slavernij.
Belangrijke publicaties die inzicht geven over onze omgang met het verleden zijn H. Janssen, Triptiek van de tijd. Geschiedenis in drievoud (Nijmegen 2010) en W. Frijhoff, De mist van geschiedenis. Over herinneren, vergeten en het historisch geheugen van de samenleving (Nijmegen 2011). De ontwikkeling van de Staten van Zeeland van een laatmiddeleeuwse standenvergadering naar een min of meer autonoom provinciaal bestuurslichaam van burgers is onderwerp van onder meer A. van Steensel, Edelen in Zeeland: macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving (niet uitgegeven proefschrift Leiden 2010), J.H. Kluiver, De souvereine en independente staat Zeeland (Middelburg 1998) en M. ’t Hart, ‘Autonoom maar kwetsbaar. De Middelburgse regenten en de opstand van 1651’ in: De Zeventiende Eeuw 9-1 (1993) 51-58. De laatste studie gaat vooral in op hoe Middelburgse regentenfamilies steeds meer macht binnen de Staten van Zeeland verwierven. M. van der Bijl geeft in Idee en Interest. Voorgeschiedenis, verloop en achtergronden van de politieke twisten in Zeeland en vooral in Middelburg tussen 1702 en 1715 (Groningen 1981) een goed overzicht van Zeeuwse regentenfamilies met financiële en bestuurlijke belangen in de WIC en de MCC. Gedrukte bronnen over de vroegste Zeeuwse activiteiten in het Atlantische gebied zijn te vinden in G.J.
van Grol, De grondpolitiek in het West-Indische domein der Generaliteit (Amsterdam 1980) en in het niet gepubliceerde proefschrift van L.A.H.C. Hulsman, Nederlands Amazonia. Handel met indianen tussen 1580 33
en 1680 (Amsterdam 2009) waarin de auteur tevens uitvoerig het proces beschrijft van de eerste verkenningstochten tot aan de stichting en groei van de Nederlandse koloniën tussen de Amazone en de Orinoco. Bronnen over de Engels-Zeeuwse samenwerking in het Amazonegebied zijn gepubliceerd door Joyce Lorimer in English and Irish Settlement on the River Amazon 1550-1646 (London 1989). Een klassieke, maar nog steeds zeer waardevolle geschiedenis van de Zeeuwse koloniën in Guyana is P.M. Netscher, Geschiedenis van de kolonien Essequebo. Demerary en Berbice van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd (’s-Gravenhage 1888). Wim Klooster schetst in zijn The Dutch Moment. War, Trade, and Settlement in the seventeenth-century Atlantic World (Leiden 2016) een overkoepelende geschiedenis van de Nederlandse activiteiten in het Atlantische gebied, inclusief over de slavenhandel en slavernij waarin de Zeeuwen een belangrijke rol hebben gespeeld. Naar de Vlissingse aanwezigheid op Tobago is helaas nog weinig onderzoek gedaan, mede vanwege het beperkte aantal bronnen over deze geschiedenis. De artikelen van W.R. Menkman getiteld ‘Tobago. Een bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche kolonisatie in tropisch Amerika’ in: De West-Indische Gids 21 (1939) 218-236 en 305-314 zijn tot op heden de beste publicaties over het onderwerp.
Over Suriname is veel gepubliceerd over de periode na 1682, maar weinig over de Zeeuwse tijd daarvoor. De meest recente en belangrijkste studie is het niet gepubliceerde proefschrift van Suze Zijlstra getiteld AngloDutch Suriname. Etnic Interaction and Colonial Transition in the Caribbean, 1651-1682 (Amsterdam 2015). De Nederlandse deelname aan de trans-Atlantische slavenhandel is uitgebreid onderzocht en beschreven in veel boeken en artikelen, inclusief het Zeeuwse aandeel daarin. Gegevens over Nederlandse slavenschepen, hun thuishavens, bestemmingen en tal van andere gegevens zijn te vinden in de internationale database www.slavevoyages.org. Het belangrijkste boek waarop veel andere Nederlandse slavernijstudies zijn gebaseerd, is van J.M. Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade 1600-1815 (Cambridge 1990). Ruud Paesie beschreef in zijn Lorrendrayen op Africa. De illegale goederen- en slavenhandel op West-Afrika tijdens het achttiende-eeuwse handelsmonopolie van de West-Indische Compagnie, 1700-1734 (Amsterdam 2008) het Zeeuwse aandeel daarin het meest uitvoerig. Eveneens van Paesie is de Geschiedenis van de MCC. Opkomst, bloei en ondergang (Zutphen 2014), het meest complete overzicht van de activiteiten van deze Middelburgse slavenrederij. Het standaardwerk over de WIC is van H. den Heijer getiteld Geschiedenis van de WIC.
Opkomst, bloei en ondergang (Zutphen 2013, vierde druk). Voor de periode na 1750 is de recente studie van Gerhard de Kok, Walcherse Ketens. De trans-Atlantische slavenhandel en de economie van Walcheren, 1755-1780 34
(proefschrift Universiteit Leiden 2019) van belang. Van dit boek is onder dezelfde titel een beknoptere handelsversie beschikbaar (Walburg Pers 2020). Het debat tussen vroegmoderne voor- en tegenstanders van slavenhandel en slavernij is voor een belangrijk deel nog onontgonnen terrein. De VU-historicus G.J. Schutte was een van de eerste onderzoekers die daarover schreef in ‘Bij het schemerlicht van hun tijd. Zeventiende-eeuwse gereformeerden en de slavenhandel’ in zijn bundel Het Calvinistische Nederland. Mythe en werkelijkheid (Hilversum 2000). L.J. Joosse focuste zich op het Zeeuwse denken daarover in ‘Zeeuwse predikanten en hun visie op slavernij en slavenhandel, 1640-1740’ in: Archief 2005. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (Middelburg 2006) 219-257. Henk den Heijer schreef er recent in overkoepelende zin over in het hoofdstuk ‘Voor- en tegenstanders van slavernij’ in zijn boek Nederlands slavernijverleden. Historische inzichten en het debat nu (Zutphen 2021).
35