Bijlage 3 Het slavernijverleden van Zeeland, onderzoek prof dr H den Heijer
Tekst van het document
Het slavernijverleden van Zeeland Henk den Heijer
Mei 2023 Rapport in opdracht van de provincie Zeeland
1
Inhoud
Het rapport samengevat
3
Inleiding
4
De Staten van Zeeland en zijn rechtsopvolgers
6
Zeeuwse bestuurders in slavernij-gerelateerde zaken
8
Plantagekoloniën en plantagebezitters
10
Kwartiermakers in het Atlantische gebied
11
Zeeuwse patroonschappen
12
Suriname onder Zeeuws bestuur
15
Het Zeeuwse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel
16
De Zeeuwse slavenhandel in vergelijkend perspectief
17
Fase I: slavenhandel van de WIC (1621 – 1738)
18
Fase II: illegale slavenhandel (1675-1730)
20
Fase III: particuliere slavenhandel (1730-1800)
21
Investeringen in slavenhandel en slavernij
22
Plantageleningen
22
De WIC
23
De MCC en de Sociëteit van Essequebo
24
Twee Zeeuwse steden nader belicht
26
Middelburg
27
Vlissingen
28
Voor- en tegenstanders van slavernij
30
Een Zeeuws theologisch ‘debat’?
30
Enkele seculiere tegenstemmen
31
Verantwoording en bibliografische schets
2
32
Het rapport samengevat •
Het huidige provinciale bestuur van Zeeland kan op historische gronden beschouwd worden als de rechtsopvolger van de vroegmoderne Staten van Zeeland die medeverantwoordelijk waren voor de Zeeuwse deelname aan slavenhandel en slavernij.
•
De Middelburgse regenten – stadsbestuurders en gecommitteerden in de Staten van Zeeland - waren de belangrijkste bestuurders van de West-Indische Compagnie (WIC) en de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC). Zij investeerden ook in plantagekoloniën en plantages waarop slaven werkzaam waren.
•
De Zeeuwen waren aan het begin van de zeventiende eeuw de Nederlandse kwartiermakers in het Atlantische gebied. Zij namen het initiatief tot of speelden een belangrijke rol in de eerste expedities die Iberische koloniën probeerden te veroveren dan wel handelsposten en koloniën wilden stichten.
•
Diverse patroonschappen (private plantagekoloniën met slaven) in de Cariben waren in bezit van Vlissingse burgemeesters en bewindhebbers van de WIC onder wie Jan de Moor, Cornelis en Adriaan Lampsins en Abraham van Pere.
•
Suriname is in 1667 door de Zeeuwse admiraal Abraham Crijnssen op de Engelsen veroverd en vijftien jaar eigendom geweest van het gewest Zeeland. De kolonie telde in 1682, toen de Staten van Zeeland het bestuur aan de WIC overdroegen, 2700 Afrikaanse slaven.
•
Zeeland was tot de jaren 1630 niet of nauwelijks bij de trans-Atlantische slavenhandel betrokken. Vanaf die tijd echter tot aan het einde van de achttiende eeuw namen de Zeeuwen daar structureel aan deel.
•
Nederlanders hebben circa 600.000 Afrikanen als slaaf naar diverse Amerikaanse koloniën verscheept van wie bijna 270.000 op Zeeuwse schepen. Daarmee was Zeeland verantwoordelijk voor circa 45 procent van de totale Nederlandse slavenhandel.
•
Tussen 1675 en 1730 waren Zeeuwse reders de belangrijkste illegale slavenhandelaren van Nederland. Zij verscheepten in deze periode ongeveer 44.500 Afrikaanse slaven naar Amerika.
•
In de periode van de ‘vrijhandel’ in slaven (1730-1814) domineerden Zeeuwse reders de Nederlandse slavenhandel. Ongeveer 70% van alle Nederlandse slavenschepen werd in Vlissingen en Middelburg uitgereed.
•
Zeeuwen investeerden circa 6,7 miljoen gulden in plantageleningen, de WIC, de MCC en in de Sociëteit van Essequebo. Middelburgse regenten waren de grootste beleggers in deze organisaties.
•
Middelburg en Vlissingen hadden verreweg het grootste aandeel in de Zeeuwse slavenhandel en andere slavernij-gerelateerde activiteiten, de rest van Zeeland speelde daarin een marginale rol
•
In het vroegmoderne Zeeland is geen serieus debat gevoerd over de deelname aan slavenhandel en slavernij. 3
Inleiding Tot aan het einde van de twintigste eeuw was er nauwelijks publieke belangstelling voor het Nederlandse slavernijverleden. Het onderzoek naar en de discussie over dat onderwerp speelden zich voornamelijk binnen universiteitsmuren af. Rondom de eeuwwisseling echter, zo’n honderdveertig jaar na de afschaffing van slavernij in Suriname en op de Antillen, veranderde dat en nam de interesse voor het slavernijverleden in rap tempo toe. Het debat daarover verbreedde zich en werd in steeds scherpere bewoordingen gevoerd. Nazaten van slaven vonden dat Nederland zich rekenschap van het slavernijverleden moest geven en drongen aan op excuses daarvoor van de regering. Daar voelde de regering bij monde van Mark Rutte aanvankelijk weinig voor, maar na lang wikken en wegen deed de premier dat op 19 december 2022 alsnog. Hij was niet de eerste gezagsdrager die excuses voor het slavernijverleden maakte; de burgemeesters van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag gingen hem voor evenals de commissaris van de koning van Noord-Holland. De bestuurders die excuses maakten lieten, voordat zij dat deden, eerst historisch onderzoek verrichten om scherp te krijgen in hoeverre hun stad of provincie bij slavenhandel en slavernij betrokken was geweest. Zeeland heeft daarin, afgaande op de beeldvorming, slechts een bijrol gespeeld.
Alleen de Walcherse steden Middelburg en Vlissingen zouden tussen 1750 en 1780 een fors aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel van de Republiek hebben gehad. Het onderzoek naar die Zeeuwse betrokkenheid concentreert zich vanuit die opvatting al jaren op de slavenhandel van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC), waarvan een vrijwel compleet archief bewaard is gebleven. Dat archief kreeg internationale bekendheid toen het in 2011 op de werelderfgoedlijst van UNESCO werd geplaatst. Veel minder bekend echter is de Zeeuwse voortrekkersrol in de stichting van plantagekoloniën op de kusten van Guyana en de Caribische eilanden. Ook had Zeeland na Amsterdam het grootste aandeel in de West-Indische Compagnie (WIC). Veel Zeeuwen waren vanaf het eind van de zestiende eeuw tot aan het begin van de negentiende eeuw direct of indirect betrokken bij slavernij-gerelateerde activiteiten, soms als leverancier van goederen voor de slavenhandel, soms als investeerder, maar ook als scheepsbouwer van of bemanningslid op een Zeeuwse slavenschip.
Dit rapport, dat is geschreven in opdracht van de provincie Zeeland, is bedoeld om inzicht te verschaffen in het Zeeuwse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij. Als eerste wordt bekeken of het huidige provinciale bestuur beschouwd kan worden als de 4
rechtsopvolger van de Staten van Zeeland waaronder slavenhandel en slavernij destijds plaatsgevond. Van belang daarbij is ook in hoeverre de vroegmoderne regenten die zitting hadden in de Staten van Zeeland zelf belangen hadden in slavernij-gerelateerde activiteiten. Daarna volgt een uitgebreid overzicht van de Zeeuwse betrokkenheid bij de stichting van plantagekoloniën in het Atlantische gebied, het beheer van plantages, de slavenhandel en de Zeeuwse financiers en leveranciers die daarbij betrokken waren. Tevens wordt kort samengevat wat de afzonderlijke positie van Middelburg en Vlissingen in slavernijgerelateerde activiteiten is geweest. Ten slotte wordt aandacht besteed aan het debat over slavernij in de vroegmoderne tijd. Heeft Zeeland daarin een rol gespeeld en hebben de opvattingen van tegenstanders van slavernij effect op het beleid gehad of juist niet? Het onderzoek is gebaseerd op de literatuur en de bronnenpublicaties die daarover beschikbaar zijn. Aan het eind van het rapport is een beredeneerd bibliografisch overzicht opgenomen van relevante publicaties als handreiking aan degenen die zich verder in het onderwerp willen verdiepen. Wellicht ten overvloede moet worden opgemerkt dat het rapport focust op het Atlantische slavernijverleden van Zeeland waar veel onderzoek naar is verricht en veel over is gepubliceerd.
Het onderzoek naar het Nederlandse (en dus ook het Zeeuwse) aandeel in de slavenhandel en slavernij in Azië staat nog in de kinderschoenen en buiten beschouwing gelaten.
De provincie Zeeland zal, mede op basis van dit rapport, bepalen of zij al dan niet excuses maakt voor het Zeeuwse slavernijverleden. Voor steden en provincies die van plan zijn dat te doen, is het goed om het onderscheid tussen enerzijds historisch bewustzijn en anderzijds collectieve herinnering scherp in het oog te houden, begrippen die in het debat over het slavernijverleden helaas vaak kriskras door elkaar lopen. Dit rapport is geschreven vanuit het begrip historisch bewustzijn, het uitgangspunt van elke historicus voor zijn onderzoek. In het kort komt dat neer op het besef van historiciteit oftewel het op basis van bronnen verschil kunnen maken tussen statische en veranderlijke opvattingen in de tijd. Dat betekent concreet dat de zeventiende- of achttiende-eeuwer anders over slavenhandel en slavernij dacht dan wij nu, simpelweg omdat hij (althans de meeste van zijn tijdgenoten) er al dan niet stilzwijgend mee instemde; hij had daar geen moreel probleem mee. Een historicus neemt die opvatting in zijn onderzoek en zijn publicaties mee. Hij probeert dat in de context van de tijd van toen te duiden en zal geen expliciet moreel oordeel over die vroegere praktijken en personen vellen ook al heeft hij dat vanuit zijn eigen tijd en opvattingen natuurlijk wel. Zo moet het rapport ook worden gelezen. Het begrip collectieve herinnering daarentegen is een bindmiddel voor 5
een sociale groep die vanuit hedendaags perspectief, inclusief de daarbij behorende waarden en normen, naar het verleden kijkt. Collectieve herinnering zegt derhalve veel over het heden, maar weinig over het verleden. Het leed dat verre voorouders in slavernij is aangedaan wordt bijvoorbeeld nu door de nazaten gevoeld. Dat gevoel bindt een groep. De hedendaagse verontwaardiging over het slavernijverleden is, het kan niet genoeg benadrukt worden, gebaseerd op het begrip collectieve herinnering. Door excuses voor dat slavernijverleden aan te bieden, kan verbinding tussen mensen ontstaan die over dat onderwerp van mening verschillen, natuurlijk onder de voorwaarde dat zij de gemaakte excuses ook allemaal onderschrijven. De keuze voor het maken van excuses volgt niet uit het historisch besef of bewustzijn dat een historicus probeert aan te kweken, maar uit de collectieve herinnering die in de samenleving als bindmiddel kan fungeren. Het maken van excuses is dus bij uitstek een politieke beslissing. Nu terug naar het op historisch bewustzijn gebaseerde verleden!
De Staten van Zeeland en zijn rechtsopvolgers Zeeland maakte in de late middeleeuwen deel uit van het graafschap Holland, maar kreeg vanaf de veertiende eeuw onder de Bourgondische en later de Habsburgse landheren een aparte status en een eigen Statenvergadering. De Staten van Zeeland waren oorspronkelijk een standenvergadering die de landsheer bijeen kon roepen voor een bede, een verzoek voor extra inkomsten van zijn onderdanen als hij in geldnood verkeerde. De geestelijkheid was de eerste stand die werd vertegenwoordigd door de abt-bisschop van Middelburg, de adel de tweede met de graaf als eerste edele, en de burgerij de derde die door belangrijkste stadsbestuurders werd gerepresenteerd. Met de groei van de steden en daarmee hun economische macht, nam de invloed van de steden binnen de Staten van Zeeland toe. Zo eisten stadsbestuurders bij elke bede van de landsheer steeds vaker politieke rechten die zij in de Statenvergadering angstvallig bewaakten. Kan die laatmiddeleeuwse standenvergadering van Zeeland beschouwd worden als de rechtsvoorganger van het huidige provinciale bestuur? Als we de hedendaagse politiekbestuurlijke taken en rechten van de Provinciale Staten van Zeeland vergelijken met die van de standenvergadering van destijds zijn er weinig overeenkomsten te bespeuren.
Bovendien opereerde de Zeeuwse standenvergadering vanuit een geheel andere geografisch-bestuurlijke context; Nederland als staat bestond nog niet en edelen speelden, ondanks de toenemende macht van de steden, een belangrijke rol in het gewestelijk bestuur. 6
Tijdens de Opstand van de Noordelijke Nederlanden tegen de Spaanse landheer Filips II veranderde de samenstelling en de macht van de Staten van Zeeland ingrijpend. Het gewest koos voor de opstandelingen onder Willem van Oranje en voor de reformatie. Als gevolg van die laatste keuze verdwenen de vertegenwoordigers van eerste stand uit de Staten. Ook de macht van de edelen nam zienderogen af ten voordele van de steden, die een belangrijke rol in de Opstand vervulden. In 1579 sloot Zeeland tezamen met de andere Noord-Nederlandse gewesten de Unie van Utrecht, een verbond voor de gezamenlijke strijd tegen Spanje. Dat Unieverdrag fungeerde in de Republiek, die na de afzwering van Filips II als landsheer ontstond, als een grondwet voor alle aangesloten gewesten. De ondertekenaars droegen daarin echter alleen die soevereine rechten over aan de Staten-Generaal die van belang waren voor de instandhouding van de Republiek, te weten de buitenlandse politiek en zaken betreffende oorlog en vrede. Om beiden te kunnen bekostigen (diplomaten, leger en vloot), moest elk gewest naar draagkracht via het zogeheten repartitiestelsel aan de gemeenschappelijke financiering daarvan bijdragen. De aan het eind van de zestiende eeuw aldus gevormde vroegmoderne Staten van Zeeland lijken veel sterker op het huidige provinciale bestuur dan hun laatmiddeleeuwse voorgangers.
Zeeland was vanaf de Unie van Utrecht tot aan de Bataafs-Franse tijd (17951813) een soeverein gewest, dat alleen zijn buitenlandse beleid en militaire zaken aan de Staten-Generaal had overgedragen onder de voorwaarde dat het via zijn gewestelijke vertegenwoordigers invloed op die beleidsterreinen kon uitoefenen. Tijdens de Bataafs-Franse tijd ontwikkelde Nederland zich van een gefragmenteerde staat van zeven verschillende gewesten naar een eenheidsstaat. In de staatsregeling van 1798 verloren de gewesten hun soevereiniteit en werden zij departementen naar Frans model. De gewestelijke bestuurders van Zeeland degradeerden daardoor tot de uitvoerders van door het staatsbewind genomen besluiten. Dat veranderde na de instelling van het koninkrijk. In 1815 kregen de inwoners van Zeeland die een bepaalde som aan belasting betaalden – het zogeheten censuskiesrecht - het recht om voor de provinciale staten te stemmen, waarin de ridderschap (edelen), de steden en het platteland waren vertegenwoordigd. Met de invoering van de provinciewet in 1848, een uitvloeisel van de grondwetsherziening door het kabinet Thorbecke, verloren de edelen hun vertegenwoordiging in de provinciale staten definitief en groeide het provinciale bestuur met de uitbreiding van het kiesrecht uiteindelijk naar een democratisch gekozen bestuurslichaam voor de provincie.
Samenvattend kan gesteld worden dat de invloed van de Zeeuwse bevolking op het provinciale bestuur vanaf het eind van de zestiende eeuw geleidelijk is toegenomen tot aan de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917-1919. Vanuit die 7
continuïteit geredeneerd, is het redelijk het huidige provinciale bestuur te beschouwen als de rechtsopvolger van die vanaf het eind van de zestiende eeuw. De Zeeuwse deelname aan de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij viel tussen eind zestiende en het begin van de negentiende eeuw. Nederland schafte de slavenhandel in het Atlantische gebied officieel af op 15 juni 1814 en de slavernij op 1 juli 1863. Of het huidige provinciale bestuur van Zeeland excuses voor die Zeeuwse rol in de slavenhandel en slavernij wil maken is, zoals eerder in dit rapport gesteld, een politiek besluit. Wel interessant is de vraag of niet alleen de Staten van Zeeland als instituut, maar ook de vroegmoderne Zeeuwse leden van het gewestelijke bestuur persoonlijk in slaven hebben gehandeld of anderszins bij slavernij betrokken zijn geweest en daar de financiële voordelen van hebben genoten.
Zeeuwse bestuurders in slavernij-gerelateerde zaken Gerhard de Kok heeft in zijn proefschrift Walcherse ketens aangetoond dat een groot deel van de bevolking van Middelburg en Vlissingen direct of indirect betrokken was bij slavenhandel en slavernij. In de jaren tussen 1755 en 1780 was 5 tot 6% van het Middelburgse inkomen slavernij-gerelateerd en dat van Vlissingen maar liefst 25%; dat was destijds een substantieel deel van het stedelijke inkomen. Onder degenen die financieel van slavernij profiteerden, zaten bakkers, slagers, scheepstimmerlieden en andere burgers met uiteenlopende beroepen. De meesten waren kleine schnabbelaars die slechts een deel van hun inkomen uit de levering van diensten, handelsgoederen en levensmiddelen aan de uitreders van slavenschepen haalden. Soms bezaten zij ook zogeheten ‘parten’ of aandelen in één of meerdere slavenreizen. De belangrijkste financiers achter de Zeeuwse expedities in het Atlantische gebied, in plantages in de koloniën, in plantageleningen, in de slavenhandel en in andere slavernij-gerelateerde ondernemingen behoorden echter tot de toplaag van de Zeeuwse samenleving. De meeste bestuurders die in de Staten van Zeeland het beleid bepaalden, kwamen uit de zes stemhebbende steden in het college. In volgorde van belangrijkheid waren dat Middelburg, Vlissingen, Zierikzee, Goes, Veere en Tholen.
Tezamen hadden die steden zes stemmen, de zevende was voor de stadhouder als eerste edele van het gewest. De stedelijke afgevaardigden waren beleidsbepalend in de Staten van Zeeland, maar niet elke stem telde
8
even zwaar. Middelburgse statenleden domineerden de stemming als vertegenwoordigers van de economisch belangrijkste stad van het gewest, daarna volgde Vlissingen en tenslotte de kleinere steden. In de zeventiende eeuw ontstond ook een bestuurlijke ‘oligarchisering’ in de steden. Een steeds kleiner wordende elite van regentenfamilies maakte onderling afspraken over de verdeling van bestuursfuncties in de steden en kreeg zo via het stadsbestuur steeds meer invloed op het beleid van de Staten van Zeeland. Met name Middelburgse en Vlissingse regenten en regentenfamilies hadden grote belangen in de Atlantische handel en scheepvaart, die nauw verbonden waren met slavernij; zij verdedigden die via de stedelijke regeringen en in de Staten van Zeeland waarin zij zitting hadden. Uit het onderzoek van M. van der Bijl over de achtergronden van politieke twisten in Zeeland aan het begin van de achttiende eeuw blijkt zonneklaar dat bijna alle Zeeuwse regentenfamilies belangen hadden in de WIC en via die onderneming in de slavenhandel en slavernij. Zij leverden de bewindhebbers voor de kamer Zeeland van de WIC en waren de belangrijkste Zeeuwse aandeelhouders van de Compagnie.
Diezelfde regentenfamilies zaten ook in de directie van de in 1720 opgerichte Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) die, nadat het monopolie op de slavenhandel van de WIC tussen 1730 en 1734 werd opgeheven, uitgroeide tot de belangrijkste slavenrederij van Nederland. Zij leverden tevens de commissarissen die voor de hoofdaandeelhouders de boeken controleerden. De namen van bekende Zeeuwse regentenfamilies zoals Boudaen, Van Citters, Radermacher, Sandra en Schorer komen herhaaldelijk in de lijsten voor van bewindhebbers van de WIC, directeuren van de MCC en aandeelhouders van beide ondernemingen. Het voert in het kader van dit rapport te ver om een volledig overzicht te geven van Zeeuwse bestuurders die bij slavernijgerelateerde activiteiten betrokken waren. Daarom wordt hier volstaan met een Vlissings en twee Middelburgse voorbeelden. Los van deze drie voorbeelden zullen in de hierna volgende paragrafen diverse andere Zeeuwse regenten-bestuurders worden belicht. Cornelis Lampsins (1600-1664) leidde met zijn in Middelburg woonachtige broer Adriaan een scheepvaartonderneming in Vlissingen. Hij behoorde tot de rijkste inwoners van de stad. Naast kaapvaart en handelsvaart in Europese wateren investeerden de Lampsins ook in de WIC en in het opzetten van plantagekoloniën in de Cariben.
Cornelis was onder meer burgemeester van Vlissingen, vanaf 1633 bewindhebber van de WIC en tussen 1654 en 1664 gecommitteerde bij de Staten-Generaal namens de Staten van Zeeland. Die regentenfuncties hielpen hem bij het verwerven van twee patroonschappen – koloniën in het octrooigebied van de WIC – in het Caribische gebied. In 1649 kregen hij en zijn broer na goedkeuring van de 9
Heren Negentien (het centrale bestuur van de WIC) en de Staten-Generaal het Nederlandse deel van Sint-Maarten in bezit en in 1655 het eiland Tobago. De Lampsins lieten op beide eilanden suikerplantages door kolonisten aanleggen en zorgden voor de aanvoer van slaven uit West-Afrika. Wilhem van Citters (1685-1758) behoorde tot een vooraanstaande Middelburgse regentenfamilie. De Van Citters stonden bij de WIC te boek als grootaandeelhouders. Wilhem werd diverse malen tot burgemeester van Middelburg verkozen. In die functie was hij in 1720 een van de oprichters van de MCC en tevens de eerste voorzitter van de MCC-directie. Deze onderneming groeide na de afschaffing van het WIC-monopolie op de slavenhandel uit tot de grootste slavenrederij van Nederland. Wilhem van Citters speelde in de jaren 1730 als lid van een adviescommissie van de Staten van Zeeland, Holland & West-Friesland een belangrijke rol in de ontmanteling van het WIC-monopolie, waardoor de weg vrijgemaakt werd voor de particuliere slavenhandel. Zoon Wilhem jr. (1723-1802), die eveneens aandelen in beide Atlantische compagnieën had, overtrof zijn vader in het stapelen van bestuurlijke regentenfuncties; tevens was hij pensionaris van de Staten van Zeeland en namens de provincie gedeputeerde ter Generaliteit.
Vader en zoon legden een omvangrijke verzameling documenten aan, de zogeheten Recueils van Citters, die veel informatie bevatten over het Zeeuwse slavernijverleden. Johan Radermacher (1700-1748) was eveneens lid van een Middelburgs regentengeslacht met financiële en bestuurlijke belangen in de Zeeuwse kamers van de VOC en de WIC. Johan bekleedde bij de WIC de belangrijke post van rekenmeester (opperboekhouder). Nadat de Staten-Generaal onder druk van de Staten van Zeeland het WIC-monopolie hadden opgeheven, begon Johan met de voormalige WIC-kapitein Aernout Steenhart een partenrederij voor de vaart op Afrika. Drie door deze onderneming uitgeruste scheepsreizen waren betrokken bij trans-Atlantische slavenhandel. De familie Radermacher heeft een interessante collectie archiefmateriaal nagelaten, die van groot belang is voor het onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden, met name dat van Zeeland.
Plantagekoloniën en plantagebezitters Aan het eind van de zestiende eeuw zeilden de eerste Nederlandse schepen naar bestemmingen in het Atlantische gebied om daar handel te drijven en er nederzettingen te 10
stichten. Hollandse en Zeeuwse kooplieden zonden hun schepen met toestemming van de Staten-Generaal naar West-Afrika en Amerika voor de inkoop van goud, ivoor, verfstoffen en tropische producten zoals suiker en tabak. Zij legden daarmee de basis voor de stichting van plantagekoloniën en de Nederlandse deelname aan de trans-Atlantische slavenhandel. De Zeeuwen hadden daarin minstens zo’n groot aandeel als de Hollanders.
Kwartiermakers in het Atlantische gebied Balthasar de Moucheron, telg uit een Frans/Zuid-Nederlands koopliedengeslacht, ontwikkelde zich na de verhuizing van zijn familie naar Middelburg tot een van de rijkste kooplieden van Zeeland en tevens wegbereider van de Nederlandse handel op Afrika. Hij bezat in de jaren 1590 enkele handelsposten in het gebied tussen de Senegal en de Gambia en liet in 1596 een aanval op het Portugese kasteel São Jorge da Mina (Elmina) op de Goudkust uitvoeren die mislukte. Twee jaar later organiseerde hij een aanval op het eiland Príncipe in de Bocht van Guinee, een Portugese kolonie met suikerplantages waarop Afrikaanse slaven werkten. Drie maanden later slaagden de Portugezen erin het eiland te heroveren, maar dat weerhield De Moucheron er niet van om in 1599 deel te nemen aan een door de Staten-Generaal georganiseerde expeditie ter verovering van het Portugese suikereiland São Tomé. Ook die expeditie, die aan minstens 1200 zeelieden het leven kostte, mislukte. De Moucheron was niet de enige Zeeuws-Atlantische pionier. Adriaen ten Haeff, burgemeester van Middelburg, een andere prominente Zeeuw met Atlantische belangen, kreeg in 1598 toestemming van de Staten-Generaal voor een drietal handelstochten naar de kusten van Guyana.
Zijn Vlissingse collega burgemeester-koopman Jan de Moor was sinds de jaren 1590 eveneens actief in de handel op Zuid-Amerika en zond aan het begin van de zeventiende eeuw diverse schepen naar Guyana voor het opzetten van Zeeuwse handelsposten. Van daaruit ruilden zijn kapiteins Europese goederen tegen verfstoffen, tabak en andere producten met de lokale bevolking. Vanuit die handelsposten ontwikkelden zich later de eerste plantagekoloniën. Jan de Moor handelde niet alleen, maar met de gebroeders Willem en Pieter Courteen, die een in Londen en Middelburg gevestigd handelshuis bezaten. Zo deelden zij de risico’s op schipbreuken en mislukte handelsreizen. Deze Zeeuwse pioniers sloegen de piketpaaltjes op de kusten van West-Afrika en Amerika voor de WIC, die in 1621 het monopolie op de handel en scheepvaart in het Atlantische gebied buiten Europa verwierf. Een van de eerste pleitbezorgers voor zo’n overkoepelende Atlantische handelscompagnie was overigens ook een Zeeuw. Willem Usselincx was weliswaar in Antwerpen geboren, maar nadat hij zich in
11
1591 als koopman in Middelburg had gevestigd, begon hij intensief te lobbyen voor de oprichting van de West-Indische Compagnie bij de Staten van Zeeland en de Staten-Generaal.
Zeeuwse patroonschappen Nadat Nederlandse zeevaarders de eerste handelscontacten hadden gelegd, brak in het Atlantische gebied de fase aan van het stichten van plantagekoloniën. De Zeeuwen concentreerden zich op de gebieden die zij het beste kenden te weten de Caribische eilanden en de kust van Guyana tussen de Amazone en de Orinoco. Er zijn vage aanwijzingen dat zij al vóór 1600 twee Zeeuwse forten genaamd Nassau en Oranje aan de Xingú, een zijrivier van de Amazone, hadden gesticht, maar daarvoor bestaat geen onomstotelijk bewijs. Dat bewijs is er wel voor de eerste door Zeeuwen gestichte kolonie aan de rivier de Essequibo. In 1616 zonden Jan de Moor en de gebroeders Courteen een expeditie naar Guyana voor de bouw van een fort op een eilandje aan de samenvloeiing van de rivieren Essequibo en Mazaruni. Dat fort genaamd Kijkoveral was de kern van waaruit de plantagekolonie Essequibo werd opgebouwd. De kolonisten, die er tabak, suiker, cacao en indigo verbouwden, gebruikten aanvankelijk inheemse slaven voor het zware werk op hun plantages, maar later voornamelijk Afrikaanse slaven. Na de oprichting van de WIC in 1621 vielen alle Nederlandse bezittingen in het Atlantische gebied onder de Compagnie.
De Staten-Generaal verleenden de WIC het monopolie op de handel en scheepvaart, almede het bezit van koloniën binnen het haar toegewezen octrooigebied, inclusief de reeds bestaande particuliere handelsposten en volksplantingen. Essequibo bleef echter een door Zeeuwen bestuurde kolonie. Aanvankelijk bestuurden de bewindhebbers van de WIC-kamer Zeeland de kolonie op afstand, maar toen zij daar in 1657 financieel niet meer toe in staat waren, namen de steden Middelburg, Vlissingen en Veere het bestuur van de kolonie onder toeziend oog van de Staten van Zeeland tijdelijk over. De drie Walcherse steden investeerden grote bedragen in een nieuw kolonisatieproject aan de Pomeroon, een zijrivier van de Essequibo. De vestiging genaamd Nova Zeelandia trok veel vluchtelingen aan uit de suikerkolonie Brazilië, die de WIC in 1654 had moeten prijsgeven. Zeeland zorgde voor de aanvoer van Afrikaanse slaven die op de plantages tewerk werden gesteld. Vanaf het begin van de achttiende eeuw nam het aantal plantages gestaag toe, waardoor een tekort ontstond aan vruchtbare grond. Dat losten de Zeeuwse bewindhebbers in 1745 op door planters toe te staan aan de naburige rivier de Demerara een nieuwe, aan Essequibo onderhorige kolonie te stichten. Deze nieuwe kolonie groeide snel en zou binnen enkele decennia de moederkolonie in aantallen plantages en slaven 12
overvleugelen. Aan het eind van de achttiende eeuw, voordat de Britten tijdens de Napoleontische oorlogen Essequibo, Demerara en Pomeroon veroverden en samenvoegden tot de kolonie British Guyana, telden de drie koloniën tezamen circa 28.000 slaven. Het Zeeuwse beheer daarvan betekende niet dat alle planters ook uit Zeeland afkomstig waren, verre van dat zelfs. Wel hield Zeeland het monopolie op de slaven- en goederenhandel op de koloniën stevig in handen. Dat leidde vanaf de jaren 1750 tot conflicten binnen de WIC. Vooral vanuit de kamer Amsterdam werd aangedrongen op de liberalisering van de handel en scheepvaart, maar de Zeeuwen wisten dankzij intensief lobbyen bij de Staten-Generaal hun handelsmonopolie nog twee decennia te rekken. Uiteindelijk besliste stadhouder Willem V in 1770 als scheidsrechter het conflict door de Zeeuwen jaarlijks de eerste zestien scheepsreizen op Essequibo en Demerara toe te kennen en daarna de handel vrij te geven. De Zeeuwen reageerden op dat besluit met de stichting van de Sociëteit van Essequebo, een scheepvaartonderneming die de handel op de koloniën moest bevorderen. Een deel van het aandelenkapitaal van deze onderneming was in handen van Zeeuwse regenten. Maar de Sociëteit van Essequebo kon de Amsterdamse concurrentie op den duur niet beteugelen en werd in 1788 opgeheven.
Zo kwam na ongeveer anderhalve eeuw een einde aan het Zeeuwse handelsmonopolie op dit gedeelte van de kust van Guyana. De WIC was vanaf haar oprichting niet tegen het beheren van een kolonie door een van haar kamers zoals Zeeland dat deed met Essequibo. Maar het stichten van particuliere koloniën was volgens het octrooi streng verboden. Toen de Compagnie daar echter zelf geen middelen voor kon vrijmaken vanwege de geldverslindende oorlog tegen de Spanjaarden en Portugezen in het Atlantische gebied, nam de druk toe om die regel te doorbreken. Uiteindelijk wisten de Zeeuwse bewindhebbers hun collega’s van de andere kamers te overtuigen particuliere kolonisatieprojecten toe te staan. In maart 1628 stelden de Heren Negentien een regeling op voor het stichten van particuliere patroonschappen (koloniën) in Guyana, op de Caribische eilanden en in Nieuw-Nederland (Noord-Amerika). De voorwaarden waaronder die projecten konden plaatsvinden, werden vastgelegd in een document getiteld Vrijheden en exemptien. Particulieren die een concessie voor een patroonschap verwierven – in de praktijk waren dat alleen bewindhebbers en hoofdaandeelhouders -, hadden de verplichting om hun kolonie met kolonisten te bevolken en de grond in cultuur te brengen. Stilzwijgend ging men er vanuit dat de kolonisten slaven zouden inzetten voor het werk op de plantages.
De eerste Zeeuw die onder de nieuwe regeling een patroonschap stichtte, was de Vlissingse koopman, WIC-bewindhebber en burgemeester Abraham van Pere. Zijn in Guyana aan de Berbice gelegen patroonschap was in het begin 13
weinig meer dan een handelspost van waaruit grond voor plantages in cultuur werd gebracht. Wel konden de Zeeuwse kolonisten vanaf het prille begin beschikken over indiaanse en enkele Afrikaanse slaven. Dat begon in 1628 met de aankoop van 6 slaven. Aan het begin van de achttiende eeuw telde de kolonie al circa 500 slaven van wie ongeveer een kwart van indiaanse afkomst was. Anders dan in Essequibo en Demerara waren de meeste plantages in Berbice Zeeuws eigendom. Zo bezat de familie Van Pere er vijf plantages. Ook plantagenamen als Oostsouburgh, Westsouburg en Nieuw-Vlissingen duiden onmiskenbaar op Zeeuws bezit. In 1712 voer een Frans marine-eskader de Berbice op en dreigde de kolonie te plunderen. De kolonisten konden die plundering na onderhandelingen afkopen door een brandschatting aan de Fransen te betalen ter waarde van 300.000 gulden in de vorm van slaven, suiker en wisselbrieven. De familie Van Pere kon de gevraagde schatting echter niet op tafel leggen en verkocht de kolonie in 1714 aan een groep Amsterdamse kooplieden, die wel bereid en in staat was de schatting te betalen. Daarmee eindigde het Zeeuwse belang in Berbice. Abraham van Pere had zich, lang voordat zijn nazaten de kolonie Berbice moesten verkopen, als bewindhebber waarschijnlijk voorgenomen om een klein Zeeuws-Atlantisch handelsimperium te stichten onder de vleugels van de WIC.
Zo verkreeg hij in 1632 via zijn medebewindhebbers een belang in het eiland Arguin voor de kust van West-Afrika. Arguin was van belang voor de handel in gom, maar mogelijk dacht Van Pere het eiland ook te gebruiken voor de doorvoer van Afrikaanse slaven naar zijn kolonie Berbice. En ten slotte verwierf Van Pere in 1636 een aandeel in het patroonschap Sint Eustatius. Het eiland was decennialang in bezit van een aantal Vlissingse regenten die het geschikt maakte voor de tabaksteelt en later voor de suikerteelt. Volgens Charles de Rochefort, die enige tijd predikant op het eiland is geweest, telde de bevolking van Sint Eustatius omstreeks 1650 zo’n 1600 zielen. Ongeveer de helft daarvan was slaaf. Aanvankelijk waren dat tot slaaf gemaakte indianen die later werden vervangen door Afrikanen. Uiteindelijk verkochten de Vlissingse eigenaren Sint Eustatius in 1682 aan de WIC. Het laatste maar niet het minste Zeeuwse patroonschap in de Cariben was het eiland Tobago. In 1627 kreeg de Vlissingse koopman, burgemeester en WIC-bewindhebber Jan de Moor van de Compagnie toestemming om Tobago als plantagekolonie in te richten. Het eiland was ongeveer tweemaal zo groot als Walcheren en uitermate geschikt voor het verbouwen van tabak, suikerriet en andere tropische gewassen. In 1628 arriveerden de eerste kolonisten vanuit Zeeland op het eiland.
Zij noemden het Nieuw-Walcheren en maakten een begin met de aanleg van twee forten genaamd Nieuw-Vlissingen en Nassau. Maar Jan de 14
Moor was niet de enige die zijn oog op het vruchtbare eiland had laten vallen, ook Engelse, Koerlandse en Franse kolonisten streden om het bezit van Tobago, dat een speelbal werd in de internationale politiek. Na een turbulente periode, waarin Zeeuwse kolonisten enkele tabaksplantages exploiteerden die door slaven werden bewerkt, kwam het eiland in 1654 in bezit van Adriaan en Cornelis Lampsins. Zij schakelden over van de tabaks- op de suikerrietteelt en maakten Tobago tijdelijk tot een welvarende Zeeuwse kolonie, die in 1662 ongeveer twaalfhonderd kolonisten telde en vier- tot vijfhonderd Afrikaanse slaven. Daarmee was Tobago in de jaren 1660 de belangrijkste Nederlandse plantagekolonie met een groot aantal slaven. Lang heeft die dubieuze status niet geduurd aangezien het eiland in 1677 door de Franse marine werd veroverd en de Zeeuwse plantagekolonie definitief in Franse handen kwam.
Suriname onder Zeeuws bestuur Zeeland had, naast eerdergenoemde particuliere Zeeuwse patroonschappen, ook gedurende vijftien jaar de plantagekolonie Suriname in bezit, die rechtstreeks onder het bestuur van de Staten van Zeeland viel. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) zond de admiraliteit van Zeeland vanuit Vlissingen een eskader van zeven schepen onder bevel van Abraham Crijnssen naar het Caribische gebied voor verovering van een of meerdere Engelse koloniën aldaar. Tijdens die expeditie slaagde de vlootvoogd erin de Engelse kolonie Suriname te veroveren. Bij de in 1667 gesloten Vrede van Breda tussen Engeland en Nederland kwam Suriname definitief in Nederlandse handen in ruil voor het afstaan van de kolonie NieuwNederland (New York) aan Engeland. Dat leek een ongunstige ruil aangezien de kolonie na de machtsovername vrijwel geheel leegliep; de meeste Engelse kolonisten vertrokken met hun slaven naar het nabijgelegen Barbados. Maar de Zeeuwen slaagden erin nieuwe kolonisten aan te trekken en vanuit Afrika slaven aan te voeren voor het werk op de plantages. Uiteindelijk zou Suriname uitgroeien tot de belangrijkste plantagekolonie van Nederland. In 1679 telde de bevolking van de kolonie ongeveer 500 Europese kolonisten en 2700 Afrikaanse slaven. Dat was een verdrievoudiging van het aantal inwoners sinds de Engelse planters Suriname hadden verlaten.
Maar groei of niet, de Staten van Zeeland staken voor de verdediging, het bestuur en de aanleg van de benodigde infrastructuur meer geld in hun kolonie dan zij eruit haalden, met als gevolg de verkoop van Suriname in 1682 aan de WIC voor een bedrag van 250.000 gulden; die verkocht de kolonie kort daarop aan de speciaal daarvoor opgerichte Sociëteit van Suriname waar de Compagnie zelf een derde aandeel in had. Met de verovering en het beheer van Suriname in de periode 1667-1682 heeft Zeeland 15
een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de kolonie die volledige gebaseerd was op slavenarbeid. Dat heeft het gewest echter geen economisch voordeel opgeleverd, de winst kwam pas in de achttiende eeuw en verdween toen goeddeels in de zakken van Amsterdamse kooplieden en suikerraffinadeurs.
Het Zeeuwse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel Willem Sybrand Unger heeft in de jaren 1950 als rijksarchivaris in Zeeland het onderzoek naar het Zeeuwse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel op de kaart gezet. Hij beperkte zijn onderzoek echter voornamelijk tot de Middelburgse Commercie Compagnie, waarvan een vrijwel compleet archief bewaard is gebleven. Pas de laatste decennia hebben historici uit her en der verspreid bronnenmateriaal een vollediger beeld van de Zeeuwse slavenhandel kunnen reconstrueren. Dat beeld zal in de toekomst ongetwijfeld op detailniveau worden aangevuld, maar ingrijpende wijzigen zijn daarin niet te verwachten, mede omdat veel archiefstukken over de Zeeuwse slavenhandel in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan. Hoe ziet dat beeld er op hoofdlijnen uit? Over het begin van de Zeeuwse slavenhand bestaat enige verwarring. Zeker is dat er in 1596 enkele schepen met circa 130 Angolese slaven aan boord in de haven van Middelburg arriveerden. De kapiteins van deze schepen probeerden de slaven in de stad te verkopen, maar daar stak burgemeester Adriaen ten Haeff een stokje voor omdat slavernij in Nederland verboden was. Die houding kenmerkt de dubbele moraal van vroegmoderne Nederlanders, inclusief de Zeeuwen, ten aanzien van slavenhandel en slavernij; in Nederland was het verboden, maar in Afrika en Amerika toegestaan.
Minder zeker is de bewering dat een Vlissings kaperschip genaamd de Witte Leeuw in 1619 twintig Afrikaanse slaven in Virginia heeft aangevoerd. Vierhonderd jaar na dato ontstond daarover in de Verenigde Staten de nodige commotie; het Vlissingse kaperschip zou het begin van de slavenhandel op NoordAmerika hebben ingeluid. Het historisch bewijs voor deze gebeurtenis is echter flinterdun. Veel waarschijnlijker is dat Zeeuwen pas bij de slavenhandel betrokken raakten toen zij zelf handelsposten en koloniën bezaten op de kusten van Guyana en op de Caribische eilanden. Aanvankelijk kochten zij incidenteel slaven van inheemse volken in Amerika en later voerden zij zelf Afrikaanse slaven aan uit West-Afrika. Van een structurele Zeeuwse deelname aan de trans-Atlantische was pas sprake vanaf de jaren 1630, toen de WIC een deel van de Portugese 16
suikerkolonie Brazilië had veroverd. Vanaf dat moment zijn er drie duidelijk te onderscheiden fasen in de Zeeuwse slavenhandel te onderscheiden. Dat was ten eerste het Zeeuwse aandeel in de slavenhandel van de WIC, ten tweede de illegaal georganiseerde slavenhandel vanaf circa 1670 vanuit Walcheren en ten derde de vrijhandelsperiode vanaf circa 1730.
De Zeeuwse slavenhandel in vergelijkend perspectief De Nederlandse deelname aan de trans-Atlantische slavenhandel was vóór de oprichting van de WIC in 1621 marginaal. Portugese en Spaanse kooplieden domineerden de slavenhandel; Nederland had daarin een aandeel van minder dan 1%. Tussen de oprichting van de Compagnie en de verovering van Noordoost-Brazilië in de jaren 1630 raakte ons land bovendien min of meer ‘toevallig’ bij de slavenhandel betrokken; Nederlandse kaperschepen veroverden af en toe een Portugees slavenschip en verkochten de daarop aanwezige Afrikanen aan kolonisten of zetten ze ergens aan land en lieten ze vrij. Zeeuwse schepen hebben in de beginfase nauwelijks aan deze vorm van slavenhandel deelgenomen, bronnen daarover ontbreken. Dat veranderde in de jaren 1630. Het bezit van de suiker producerende kolonie Brazilië vroeg volgens de toenmalige opvattingen om de aanvoer van Afrikaanse slaven voor het zware werk op de plantages. Alleen dan kon de WIC de kolonie economisch rendabel exploiteren. Vanaf dat moment tot aan het begin van de negentiende eeuw was Nederland structureel betrokken bij de trans-Atlantische slavenhandel. Het aantal door Nederlanders uit Afrika verscheepte slaven is weergegeven in onderstaande tabel.
De cijfers zijn gebaseerd op de database www.slavevogages.org, waarin meer dan vijftig jaar internationaal onderzoek naar de trans-Atlantische slavenhandel is samengebracht, en aangevuld met de onderzoeksgegevens van de historicus Ruud Paesie over de illegale Zeeuwse slavenhandel in de periode 1675-1730. Het zijn de meest recente en betrouwbaarste gegevens waarover wij momenteel beschikken, gegevens waaraan toekomstig onderzoek weinig zal kunnen toevoegen. Historici schatten op basis van de database dat Europeanen vanaf het begin van de zestiende eeuw tot aan 1870 ongeveer 12,5 miljoen Afrikanen als slaven naar de koloniën in Amerika hebben verscheept. Nederlanders vervoerden ongeveer 600.000 Afrikaanse slaven, afgerond een iets groter aantal dan in de tabel is weergegeven. Het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel bedroeg daarmee bijna 5% van het totaal. Het aantal slaven dat tijdens de oversteek van Afrika naar Amerika gemiddeld aan boord van Nederlandse schepen stierf was aanzienlijk. In de zeventiende eeuw kon dat oplopen tot wel 18%, maar in de achttiende eeuw daalde dat door onder meer betere medische voorzieningen tot circa 13%. 17
Aantal door Nederlandse schepen uit Afrika vervoerde slaven, 1595-1820. periode
WIC Zeeuws
15951620 16211650 16511674* 16751730 17311820 totaal
overige
smokkelaars totaal Zeeuws overige
vrijhandel
totaal Zeeuws ?
totaal
overige
totaal Zeeuws
overige
totaal
2.860
2.860
?
2.860
2.860
7.046
24.692
31.738
7.046
24.692
31.738
8.867
80.397
89.264
8.867
80.397
89.264
91.083 128.703
219.786
46.497 113.839 160.336 6.475
15.853
44.586
14.864 59.450
22.328
68.885 234.781 303.666
155.032 44.586
14.864 59.450 155.032
66.441 221.473 161.507
82.294
243.801
69.301 224.333 268.503 318.946
587.449
45,70% 54,30%
100%
Bron: R. Paesie, ‘Zeeuwen en de slavenhandel. Een kwantitatieve analyse’. Noot *: Tussen 1651-1674 kon de door financiële problemen geplaagde WIC nauwelijks slavenschepen uitreden en gaf zij particulieren toestemming slavenhandel binnen haar octrooigebied te bedrijven. De meeste slavenschepen werden in deze periode door Amsterdamse kooplieden uitgereed.
Het Zeeuwse aandeel in de Nederlandse slavenhandel varieerde niet alleen in tijd, maar ook binnen de organisaties die daarbij betrokken waren. Tot 1674 bedreven de Zeeuwen voornamelijk slavenhandel binnen de kaders van het WIC-monopolie. Uit de tabel is af te lezen dat de kamer Zeeland tot aan het derde kwart van de zeventiende eeuw verantwoordelijk was voor het verschepen van bijna 16.000 slaven oftewel ruim 13% van het totale aantal vervoerde Afrikanen. In de jaren daarna nam dat aandeel echter fors toe, eerst door de Zeeuwse deelname aan de illegale slavenhandel en vanaf 1731 door het Zeeuwse belang in de vrije (particuliere) handel in slaven. Als we de gehele periode van de Nederlandse slavenhandel overzien, dan hebben de Zeeuwen daarin een aandeel van 45,70% gehad. De Walcherse steden Middelburg en Vlissingen waren daarvoor bijna volledig verantwoordelijk, slechts enkele slavenschepen werden in andere Zeeuwse havensteden uitgereed. Beide steden hadden een gering aandeel in de economie – tegenwoordig vaak uitgedrukt in het bruto nationaal product – van de Republiek. Des te opmerkelijker is het dat zij zo’n grote rol in de Nederlandse slavenhandel hebben gespeeld. Hoe is dat te verklaren? Fase I: slavenhandel van de WIC (1621 – 1738) Op 3 juni 1621 bekrachtigden de Staten-Generaal de oprichting van de West-Indische Compagnie met een octrooi.
De onderneming had een gedecentraliseerde structuur die de economische en politieke machtsverhoudingen in de Republiek weerspiegelde. Zij telde vijf vestigingen of kamers met elk een in het octrooi vastgelegd aandeel in de onderneming. De kamer Amsterdam nam 4/9 van de compagnieactiviteiten voor haar rekening, de kamer Zeeland 2/9 en de drie kleine kamers Maze, Noorderkwartier en Stad en Lande elk 1/9 deel. 18
Ook toen de Eerste WIC in 1674 failliet dreigde te gaan, maar na een financiële sanering als de Tweede WIC een doorstart kon maken, bleef de verhouding tussen de kamers ongewijzigd tot aan haar opheffing aan het eind van 1791. De kamer Zeeland heeft in overeenstemming met het octrooi 2/9 van alle WICslavenreizen uitgereed. Officieel moesten die uitredingen verdeeld worden over de vier Zeeuwse steden die aandelen in de WIC hadden te weten Middelburg, Vlissingen, Veere en Tholen, maar in de praktijk waren het voornamelijk de twee eerstgenoemde steden die 86% van het aandelenkapitaal in handen hadden. De slavenschepen van de Compagnie die door Middelburg en Vlissingen zijn uitgereed, hebben in de periode van de Eerste en de Tweede WIC bijna 69.000 slaven vanuit Afrika naar Amerika vervoerd. De in Zeeland uitgerede slavenschepen werden aanvankelijk op compagniewerven in Middelburg en Vlissingen gebouwd. Zo bezien verdienden scheepbouwers en ambachtslieden op die werven een deel van hun inkomen indirect aan de Zeeuwse slavenhandel. Maar de WIC was vanwege een dreigend faillissement al voor het midden van de zeventiende eeuw genoodzaakt om haar werven aan particulieren te verhuren en later te verkopen.
Overigens werden er in Zeeland in de periode 1650-1674, toen de in financieel zwaar weer verkerende WIC de slavenhandel goeddeels aan particulieren moest overlaten, nauwelijks slavenschepen vanuit Middelburg en Vlissingen uitgereed. In die periode waren het voornamelijk Amsterdamse kooplieden die slavenhandel bedreven. Dat veranderde in 1674 met de doorstart van de WIC en daarmee het herstel van het slavenhandelsmonopolie van de Compagnie. De Zeeuwen hadden echter geen WIC-werven meer voor de bouw van slavenschepen tot hun beschikking en huurden of kochten die sindsdien van particulieren. Die schepen waren dikwijls te klein voor het aantal Afrikanen dat zij daarmee vervoerden, met het risico op grote sterfte onder de dicht opeengepakte slaven. Dat was bijvoorbeeld het geval op het schip de Gouden Tijger dat de WIC in 1684 voor een bedrag van 1200 gulden per maand had gehuurd. Van de 906 slaven die de kapitein van het de Gouden Tijger in West-Afrika had ingekocht overleefden 730 Afrikanen de overtocht; zij werden op de slavenmarkt van Paramaribo verkocht. Bijna een vijfde van de Afrikanen was onderweg gestorven en veel slaven die de reis wel hadden overleefd, verkeerden in een slechte conditie. In de jaren 1730 verloor de WIC haar monopolie op de slavenhandel en moest voortaan concurreren met particuliere slavenhandelaren uit de Republiek.
Aanvankelijk leek de Compagnie de slavenhandel, ondanks de concurrentie, voort te willen zetten, maar na enkele rampen met slavenschepen waren de verliezen zo hoog opgelopen dat de bewindhebbers in 1740 besloten de handel te staken. Op een enkele uitzondering na kwam 19
daarmee een einde aan de slavenhandel van de WIC en dus ook aan die van de kamer Zeeland.
Fase II: illegale slavenhandel (1675-1730) In het laatste kwart van de zeventiende eeuw verloren Zeeuwse kooplieden een steeds groter aandeel in de reguliere handel en scheepvaart binnen Europa aan hun Hollandse concurrenten, met name aan Amsterdammers. Ter compensatie van dat krimpende aandeel zochten zij alternatieve investeringsmogelijkheden en vonden die in de kaapvaart en in de smokkelhandel op Afrika, waaronder de illegale slavenhandel. Schepen voor de illegale slavenhandel werden in zowel Hollandse als Zeeuwse havensteden uitgereed, maar onderzoek heeft aangetoond dat ongeveer driekwart daarvan uit Zeeuwse havens afkomstig was. Vlissingen was de belangrijkste haven van vertrek, gevolgd door Middelburg. Zeeuwse smokkelaars hebben zowel indirect als direct illegale slavenhandel bedreven. Kapiteins van smokkelschepen die voor de goederenhandel op West-Afrika waren uitgereed, kochten naast ivoor, was, goud en andere producten ook slaven die zij vervolgens in Afrikaanse wateren aan Portugese slavenhalers leverden in ruil voor Braziliaanse tabak, stofgoud en andere producten. De omvang van deze illegale tussenhandel in slaven is slechts bij benadering vast te stellen. Op basis van door de WIC in West-Afrika opgebrachte Zeeuwse smokkelschepen met slaven aan boord moeten dat er duizenden zijn geweest, mogelijk zelfs tienduizend.
De Zeeuwse betrokkenheid bij de directe illegale slavenhandel was echter veel omvangrijker. Vlissingse en Middelburgse reders hebben tussen 1674 en 1730 naar schatting 150 schepen voor de trans-Atlantische slavenhandel uitgereed die elk ongeveer 300 slaven vervoerden. Daarmee hebben de Zeeuwen van de circa 60.000 illegaal verscheepte Afrikanen er ongeveer 45.000 voor hun rekening genomen (zie bovenstaande tabel), oftewel 75% van het totaal. De WIC heeft tot 1730 kruisers in West-Afrikaanse wateren gestationeerd om de Nederlandse smokkelhandel in goederen en slaven tegen te gaan. Die kruisers hebben tussen 1674 en 1730 bijna honderd smokkelschepen opgebracht, waarvan de meeste uit Zeeland afkomstig waren. Vooral in de eerste twee decennia van de achttiende eeuw slaagde de Compagnie erin tientallen schepen in beslag te nemen. Daarmee bracht zij grote schade toe aan de Zeeuwse smokkelhandel, maar wakkerde tevens het Zeeuwse verzet aan tegen het handelsmonopolie van de WIC. Vanaf het eind van de zeventiende eeuw ijverden Vlissingse en Middelburgse kooplieden en regenten via hun stadsbesturen en de Staten van Zeeland voor de opheffing van het compagniesmonopolie. De Vlissingers namen daarin het voortouw. Hun 20
acties hadden op den duur resultaat; de Zeeuwen wisten de Staten Generaal in 1730 over te halen om bij de vernieuwing van de WIC-octrooi de handel en scheepvaart op West-Afrika gedeeltelijk en in 1734 geheel vrij te laten. Daarmee was voor de Zeeuwen de weg vrijgemaakt voor de legale deelname aan de trans-Atlantische slavenhandel.
Fase III: particuliere slavenhandel (1730-1800) De Zeeuwen hadden met hun jarenlange ervaring in de illegale slavenhandel de beste papieren om die vanaf de jaren 1730 legaal voort te zetten. Toch waren de eerste particuliere slavenreizen geen financieel succes. De in 1720 voor de goederenhandel opgerichte MCC zond in 1732 haar schip Hof van Zeeland voor een eerste slavenreis naar Angola en Curaçao. Na terugkeer in Middelburg bleek die slavenreis een verlies van 25% te hebben opgeleverd. De MCC-directie was daarna jarenlang terughoudend met het uitreden van slavenschepen. Ook andere Zeeuwse rederijen leden verliezen. Zo verloor de firma Radermacher en Steenhart op de reis van het slavenschip Burggraaf maar liefst 52% van het geïnvesteerde kapitaal. Deze gelegenheidsrederij werd dan ook snel opgeheven. De oorzaak van de slechte resultaten was tweeledig: enerzijds moesten Zeeuwse reders een vrij hoge belasting voor elk naar Afrika uitgereed schip aan de WIC betalen, anderzijds hadden zij in West-Afrika last van een groeiende concurrentie van buitenlandse slavenhalers die de prijs van slaven opdreef. In de periode 1730-1750 werden er vanuit Walcherse havens 103 slavenschepen uitgereed waarvan verreweg de meeste Suriname als bestemming hadden, de Nederlandse kolonie met het grootste aantal plantage en daarmee de belangrijkste afzetmarkt van slaven voor de Zeeuwen.
Dat was een geringer aantal uitredingen dan in de periode daarvoor en zeker in de periode daarna. Vanaf het midden van de achttiende eeuw trok de Zeeuwse slavenhandel fors aan. De vraag naar suiker, koffie en andere plantageproducten in Europa groeide snel wat resulteerde in een sterke uitbreiding van het plantageareaal in Amerika. Nederlandse investeerders staken miljoenen in de uitbreiding van bestaande en de aanleg van nieuwe plantages in de koloniën. Dat leidde tot een toenemende vraag naar slaven en oplopende verkoopprijzen. Zeeuwse slavenhandelaren probeerden hun positie via de Staten-Generaal verder te versterken door de belastingheffing van de WIC op slavenschepen te verminderen, maar dat mislukte. De marktsituatie was vanaf de jaren 1750 echter dusdanig gunstig, dat steeds meer Zeeuwse scheepseigenaren slavenreizen ondernamen. In de periode 1750-1779 vertrokken 339 slavenschepen vanuit Zeeuwse havens naar West-Afrika; de meeste hadden Suriname als eindbestemming. Vanaf circa 1775 begon de Zeeuwse slavenhandel te haperen door een 21
financiële crisis die nieuwe investeringen in de plantage-economie bemoeilijkte. Bovendien dreef de concurrentie met Britse, Franse en Portugese slavenhalers de inkoopprijs van slaven in West-Afrika steeds verder op. De grote klap kwam echter met het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) toen vijftien Zeeuwse slavenschepen door de Britten werden veroverd. Daarmee viel de slavenhandel zo goed als stil en zou zich ook na het beëindigen van de oorlog niet meer herstellen. Na de opheffing van het slavenhandelsmonopolie van de WIC hebben de Zeeuwen circa 155.000 Afrikanen als slaaf uit West-Afrika weggevoerd. Aanvankelijk moesten zij met de WIC concurreren, maar toen de Compagnie zich in 1740 grotendeels uit de slavenhandel op de Nederlandse koloniën had teruggetrokken, groeide het Zeeuwse aandeel sprongsgewijs. De Zeeuwen waren tijdens de vrijhandelsperiode de belangrijkste slavenhandelaren van Nederland; zij hadden een marktaandeel van ongeveer 70% en overvleugelden daarmee ruimschoots hun naaste concurrenten in Amsterdam en Rotterdam.
Investeringen in slavenhandel en slavernij Een van de lastigst te beantwoorden vragen in het onderzoek naar het Nederlandse slavernijverleden is: ‘wat hebben de Zeeuwen eraan verdiend’? Het valt niet te ontkennen dat veel Zeeuwen er economisch van hebben geprofiteerd, bijvoorbeeld als leverancier van goederen aan slavenhandelaren, het bouwen van schepen en het verlenen van allerlei hand- en spandiensten. In de paragraaf over Zeeuwse bestuurders in slavernij-gerelateerde zaken is betoogd dat de Middelburgse en Vlissingse bevolking in de tweede helft van de achttiende eeuw een substantieel deel van haar inkomen uit slavernij-gerelateerde activiteiten haalde. Maar in welke organisaties staken zij hun geld en wat was de waarde van die investeringen?
Plantageleningen Mensen met veel kapitaal hebben vaak portfolio’s met gespreide beleggingen om hun financiële risico’s af te dekken. Dat is nu zo en dat was in de vroegmoderne tijd niet anders. Ook Zeeuwse regenten en kooplieden verdeelden hun kapitaal over scheepsuitredingen, aandelen in handelscompagnieën, maar ook over plantageleningen. Historicus Jan van de Voort deed uitgebreid onderzoek naar Nederlandse plantageleningen en schat dat beleggers tussen 1753 en 1794 minstens 80 miljoen gulden in plantages op de kusten van Guyana en op
22
de Caribische eilanden hebben geïnvesteerd. Van de ruim 69 miljoen gulden aan investeringen die hij in bronnen terugvond, was 3,6 miljoen gulden uit Zeeland afkomstig. Dat is 5,22% van de totale som aan Nederlandse beleggingen in Amerikaanse koloniën. Amsterdammers staken hun geld niet alleen in Nederlandse, maar ook in buitenlandse plantagekoloniën. Zeeuwen daarentegen verstrekten vrijwel alleen leningen aan plantages in Essequibo en Demerara, twee koloniën die door de kamer Zeeland van de WIC werden bestuurd en waarop tot 1770 alleen Zeeuwse schepen mochten handelen. Kornelis van den Helm Boddaert (1727-1800) was de belangrijkste initiatiefnemerbeheerder (negotiatiehouder) van Zeeuwse fondsen voor plantageleningen. Hij kwam uit een vooraanstaande regentenfamilie, was burgemeester van Middelburg en stapelde de ene functie op de andere, waarvan vele slavernij-gerelateerd waren. Zo was Van den Helm Boddaert al op 26-jarige leeftijd bewindhebber van de WIC, werd hij later commissaris van de MCC en was hij betrokken bij de oprichting van de ‘Sociëteit ter Navigatie op Essequebo en annexe Rivieren’. Van den Helm Boddaert richtte in 1766 zijn eerste fonds op voor plantageleningen en in 1772 zijn tweede.
De drie commissarissen die toezicht op de fondsen hielden, behoorden tot de bovenlaag van de Middelburgse samenleving: Johan Guliemus Schorer was schepen, raad en thesaurier van Middelburg, Jacob Frederik Lantsheer equipagemeester en opperboekhouder van de VOC kamer Zeeland en Cornelis Willemsen vooraanstaand koopman in de stad. De fondsen waarop zij toezicht hielden, waren voornamelijk gevuld met particulier kapitaal. Beleggers hadden daarin ruim 2,5 miljoen gulden geïnvesteerd, maar ook de stad Middelburg stak 50.000 gulden in de fondsen. Het bijeengebrachte kapitaal leende Van den Helm Boddaert als negotiatiehouder uit aan planters voor de uitbreiding van bestaande en de aanleg van nieuwe plantages. Die gebruikten de kredieten voor de aanschaf van bouwmaterialen en andere benodigde goederen, maar ook voor de aankoop van slaven. Zo groeide door de Zeeuwse kredietverlening niet alleen de omvang van het plantageareaal, maar ook de omvang van de slavenbevolking van Essequibo en Demerara.
De WIC Zeeuwen investeerden in 1621 bijna 1,38 miljoen gulden in de WIC en hadden daarmee 19,4% van het totale aandelenkapitaal in handen. Zij waren na de Amsterdamse investeerders de belangrijkste aandeelhouders van de Compagnie. Overigens is slechts een deel van dat kapitaal in slavernij-gerelateerde activiteiten geïnvesteerd; aanvankelijk gebruikte de WIC een groot deel van het geld voor de strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen in het Atlantische gebied en voor het opzetten van een netwerk van handelsposten en koloniën. Desalniettemin 23
raakte de Compagnie vanaf de bezetting van Noordoost-Brazilië steeds meer bij slavenhandel en slavernij betrokken, waaruit zij een substantieel deel van haar inkomen haalde. De Zeeuwse aandeelhouders en bewindhebbers waren aldus medeverantwoordelijk voor die activiteiten. Nadat de WIC in 1674 een doorstart had gemaakt en zich meer nog dan voorheen op de slavenhandel concentreerde, bedroeg het belegde vermogen van Zeeuwen in de Compagnie ongeveer een miljoen gulden. Middelburgse aandeelhouders hadden daarvan circa 83% in handen, die uit Vlissingen 8,6%, terwijl het resterende deel van investeerders uit Veere en Tholen afkomstig was. De bewindhebbers van zowel de Eerste als de Tweede WIC kwamen voornamelijk uit Middelburgse regentenfamilies. Zij moesten om bewindhebber te kunnen worden tevens hoofdaandeelhouders zijn van de Compagnie. Het meeste kapitaal kwam echter niet uit regentenkringen, maar uit de middengroep van ambachtslieden en kleine ondernemers die diensten en goederen aan de WIC leverde, de kleine neringdoenden hadden naast hun investeringen duidelijk nevenbelangen. Een opmerkelijke aandeelhouder was de broer van de Middelburgse predikant Bernardus Smytegelt, die de deelname aan slavenhandel en slavernij vanaf de kansel had veroordeeld; kennelijk had die boodschap geen invloed op zijn broer.
Aandeelhouders hadden recht op dividend, gebaseerd op de nominale waarde van hun aandeel, maar dat was in de schaarse jaren dat dat werd uitgekeerd hooguit 5%. Het salaris van de bewindhebbers was vanaf 1674 gekoppeld aan de dividenduitkering; zij kregen voor hun diensten gezamenlijk 10% van het aan de aandeelhouders uitgekeerde bedrag; ook zij werden dus niet rijk van hun werk voor de Compagnie. Toch was er voor de bewindhebbers en de hoofdaandeelhouders wel winst te behalen, maar dan op indirecte wijze. Een aantal van hen had namelijk kapitaal geïnvesteerd in private ondernemingen die goederen- en slavenhandel dreven in het Atlantische gebied. De informatie die zij uit hoofde van hun functie in de Compagnie verkregen, konden zij natuurlijk goed gebruiken voor hun private handelsbelangen.
De MCC en de Sociëteit van Essequebo De Middelburgs Commercie Compagnie was in 1720 aanvankelijk opgericht voor het versterken van de in het slop geraakte economie van Middelburg. De initiatiefnemers dachten met een aandelenemissie 10 miljoen gulden binnen te harken, maar die bleek uiteindelijk minder dan 1,4 miljoen gulden op te leveren. In principe kon iedereen kapitaal in de nieuwe onderneming investeren, in de praktijk kwam dat echter voornamelijk van Middelburgse regenten en kooplieden. Aanvankelijk leed de MCC forse verliezen, ook in de eerste jaren dat zij de eerste stappen in de slavenhandel zette. Het tij keerde pas vanaf het midden van de 24