CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12 Bestemmingsplan - Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van conventionele explosievenXPLOSURE 2-4-2019

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bijlagen 2 t/m 24 - Bijlagen bij bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 202031.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

325-018-VO-01

Pagina 39 van 84

cratered area 208303 and prepared to resist any enemy counter-attacks.’130 2nd TAF Daily Logs ‘Spitfires 10x120. A/C 12. Sqn/Wing 222/135. Up 1107 Down 1509. 12 x 250 on Strongpoint at D.2031. 5 in T/A.’132

02-11-1944

Bombardement op de Sloedam.131

Luchtfotodatum 03-11-1944 04-11-1944

Sortienummer 4-1206 4-1219 4-1220 4-1231

Fotonummer(s) 1023 4011; 4012; 4013; 4014 3001; 3002 3030; 3031

Schaal 7.600 7.800 7.600 7.500

7-3700 3G-TUD-S090

8030 5016 Zoekactie naar explosieven in het Noord-Sloe. In de domeingronden in het Noord-Sloe, gelegen in de gemeente Arnemuiden tussen de Sloedam en de Muidenweg, werden explosieven aangetroffen. Sinds de ontginning van de grond werden jaarlijks explosieven gevonden en geruimd. De betreffende gronden waren als landbouwgrond verpacht aan bedrijven van de heren G. Quist en L. v.d. Sluis, Muidenweg. In een bericht uit 1982 staat dat in de jaren ervoor steeds meer explosieven werden aangetroffen. Dit zou mede worden veroorzaakt door de nog steeds niet tot stand gebrachte inklinking van jonge gronden.133 Uiteindelijk werden 14 bommen (waarvan de zwaarste tot 250 kilo), 70 granaten, 5 mortiergranaten, 5 handgranaten en scherven gevonden.134 In grond afkomstig uit het cunet van het fietspad langs de Muidenweg te Arnemuiden werden handgranaten aangetroffen. Later bleek dat er nog meer granaten in de in aanleg zijnde wal lagen, er werden er veertig gevonden.135

40.000 40.000

06-11-1944

23-12-1944 09-07-1945 1982 t/m 1984

20-11-1987

Oktober 1990

In oktober 1990 startte een opruimingsactie aan de NoordKraaijertsedijk bij Lewedorp. Hiervoor werd de Duik- en Demonteerploeg van de Koninklijke Marine door de gemeente Borsele ingeschakeld. Behalve in het talud van de dijk werd ook veel munitie gevonden in een weel op de hoek met de Postweg, die de Duitsers bij hun vertrek als depot hadden gebruikt. In ruim twee maanden die de actie duurde vond de ploeg o.a. 16.223 patronen, 3 mortiergranaten, 95 handgranaten, 2 pantservuisten, ruim 1.200 granaten (van 20 tot 60mm), luchtafweergeschut van Italiaanse makelij en pistolen. 136

De indicatie betreft een aanval op de Sloedam door een Spitfire. Deze wierp 12 x 250lbs af op een verdedigingswerk in kaartvierkant D.2031. Het betreft vermoedelijk de Duitse stellingen in de Suzannapolder. Aan de hand van de luchtfoto’s van november 1944 zijn in en direct nabij het onderzoeksgebied geen nieuwe inslagpunten van afwerpmunitie waargenomen. De indicatie is derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek. Beschrijving Verspreid over het onderzoeksgebied bij de Oranjeplaat zijn sporen van geschutsmunitie waarneembaar. Deze duiden op artilleriebeschietingen in de bevrijdingsdagen. Een impressie van de inslagen is opgenomen in paragraaf 2.12. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn ook nieuwe inslagkraters van afwerpmunitie waarneembaar. Deze bevinden zich buiten het onderzoeksgebied en zijn derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek. Op de foto zijn geen aanvullende waarnemingen gedaan. Op de foto zijn geen aanvullende waarnemingen gedaan. De indicatie duidt op de vondst van veertien bommen, zeventien granaten, vijf mortiergranaten, vijf handgranaten en scherven tussen de Muidenweg en de Sloedam. Dit is in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. De indicatie is derhalve relevant voor het huidige onderzoek.

De indicatie duidt op de vondst van handgranaten bij het fietspad langs de Muidenweg. De Muidenweg ligt deels in het onderzoeksgebied. De indicatie is derhalve relevant voor het huidige onderzoek. Een deel van de Noord Kraaijertsedijk bevindt zich in de omgeving van het onderzoeksgebied. Een specifieke vindlocatie is niet bekend. De aangetroffen projectielen werden ook op andere locaties gevonden, zoals op de kruising met de Postweg.

Tabel 5: Overzichtstabel oorlogshandelingen/indicaties met verwijzingen naar (de omgeving van) het onderzoeksgebied.

130 War Diary of The Calgary Highlanders CA (O), Page No. 1-2, TNA, WO 179 – War Office: Canadian, South African, New Zealand and Indian Forces: War Diaries, Second World War, inv. nr. 2926. 131 Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen, 2311. 132 2nd TAF: Daily log: November-December, Sheet No. 1996, TNA, AIR 37 – Air Ministry: Allied Expeditionary Air Force, later Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (Air), and 2nd Tactical Air Force: Registered Files and Reports, inv. nr. 716. 133 Bericht betreffende het opruimen van explosieven in domeingronden in het Noord-Sloe, Zeeuws Archief, 1202 Gemeente Arnemuiden 1952-1996, 1952-1996, Doos 37 Map 1.783.1. 134 ‘Langdurigste landoperatie voor Duik- en demonteergroep KM. Arnemuiden 40 jaar na bevrijding bevrijd van tonnen oude explosieven’, Defensiekrant (8 november 1984). 135 Memorandum betreffende explosieven in grond voor verlengen geluidwal S13, Zeeuws Archief, 1202 Gemeente Arnemuiden 1952-1996, 1952-1996, Doos 37 Map 1.783.1. 136 Hoebeke, Slagveld Sloedam, 800.

325-018-VO-01

Pagina 40 van 84

2.12 BEELDMATERIAAL AFKOMSTIG VAN GEANALYSEERDE LUCHTFOTO’S

325-018-VO-01

Pagina 41 van 84

K r a te r sa fw e r p m u n itie ,lu c h tfo to 's1 3s e p te m b e r1 9 4 4

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 2a p ril2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 4 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d In sla gp u n t

Sch a a l: 1 :4 .0 0 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

0

5 0

1 0 0

M e te r 1 5 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

O m g e v in gS lo e d a m ,lu c h tfo to 's4n o v e m b e r1 9 4 4

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 5 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d

Sch a a l: 1 :5 .0 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

0

6 0

1 2 0

M e te r 1 8 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

I m p r e s s iein s la g e ng e s c h u ts m u n itie ,lu c h tfo to 's4n o v e m b e r1 9 4 4

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 6 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d In sla gp u n t

Sch a a l: 1 :2 .0 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l

0

2 5

5 0

M e te r 7 5

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

2.13 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE ONDERZOEK Conform paragraaf 6.5.2 van het WSCS-OCE is in de overzichtstabel in paragraaf 2.11 per achterhaalde indicatie getracht te achterhalen of er voldoende aanwijzingen zijn om gebieden als verdacht of onverdacht aan te merken. Daarnaast hanteert Xplosure met betrekking tot indicaties welke zijn achterhaald op basis van luchtfoto-interpretatie het uitgangspunt dat deze in veel gevallen voldoende feitelijk zijn om zonder verificatie van een tweede bron als uitgangspunt bij het trekken van een onderbouwde conclusie te dienen. De navolgende achterhaalde indicaties acht Xplosure voldoende feitelijk onderbouwd en tevens voldoende herleidbaar naar een locatie om tot een conclusie te komen:

- Op de luchtfoto’s van 13 september 1944 zijn kraters van afwerpmunitie waarneembaar. Deze zijn het gevolg van een van de vele bombardementen uit de eerste helft van september die in het literatuur- en archiefonderzoek naar voren kwamen. Deze hadden de Sloedam als doel. Het is op basis van de geraadpleegde bronnen niet mogelijk om een van deze bombardementen met zekerheid aan de kraters te verbinden. - Op de luchtfoto’s van 16 september 1944 zijn twee nieuwe kraters van afwerpmunitie waarneembaar. Deze zijn vermoedelijk het gevolg van het bombardement van 13 september 1944, toen in totaal 303x 500lbs M.C. Time Delay 0.025 werd afgeworpen. -

Op de luchtfoto’s van 12 oktober 1944 is in de directe omgeving van de kraters van 16 september 1944 opnieuw een krater van afwerpmunitie waarneembaar. Tussen de gehanteerde luchtfotodata hebben meerdere bombardementen met als doel de Sloedam plaatsgevonden, waardoor de kraters niet aan een individueel bombardement kunnen worden gekoppeld.

- Uit literatuur- en archiefonderzoek blijkt dat rond de Sloedam hevige bezettings- en bevrijdingsgevechten plaatsvonden, waarbij ook sprake was van artilleriebeschietingen. Uit het literatuur- en archiefonderzoek konden geen indicaties direct naar het onderzoeksgebied worden herleid. Op de luchtfoto’s van 4 november 1944 zijn echter verspreid over het onderzoeksgebied inslagen van artillerie waarneembaar. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het hele onderzoeksgebied naoorlogs vele ruimingen van geschutsmunitie gedaan.

325-018-VO-01

Pagina 45 van 84

3 HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK In het onderzoeksgebied kunnen na de oorlog activiteiten hebben plaatsgevonden die de kans op de aanwezigheid van Conventionele Explosieven kunnen beïnvloeden. Dit betreft bijvoorbeeld grondroerende werkzaamheden (zoals ontgravingen, de aanleg van wegen en watergangen, agrarische activiteiten, bouw van opstallen en andere grondroerende werkzaamheden) waarbij veronderstelt mag worden dat bij deze werkzaamheden eventuele aangetroffen CE zijn gemeld en geruimd. Er kunnen activiteiten hebben plaatsgevonden waarbij grond is aangevoerd welke mogelijk CE bevatten (redepositie). Onder contra-indicaties worden ook opsporingswerkzaamheden door zowel de EOD (en haar voorgangers) en civiele opsporingsbedrijven verstaan.

3.1

BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK

Het vaststellen van grondroerende activiteiten gebeurt conform het gestelde in het WSCS-OCE, deels aan de hand van beeldvergelijking van satellietbeelden met luchtfoto's uit het tijdvak 1939-1945. De navolgende pagina toont de beeldvergelijking tussen huidige satellietbeelden en luchtopnames van 16 september 1944. Op basis van de beeldvergelijking kan worden gesteld dat het onderzoeksgebied naoorlogs is drooggelegd. Het schorre heeft plaatsgemaakt voor de Oranjeplaat. Op deze plaat zijn nieuwe watergangen afgegraven en er zijn wegen en een vakantiepark aangelegd. De Calandspolder heeft plaatsgemaakt voor bouwland. Ook het terrein bij Vliegveld Midden Zeeland is drooggelegd.

325-018-VO-01

Pagina 46 van 84

B e e ld v e r g e lijk in g1 6s e p te m b e r1 9 4 4-h e d e n

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l

Sch a a l: 1 :1 5 .0 0 0

01 0 02 0 0

4 0 0

M e te r 6 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 7 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

3.2

KAARTVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK

Het vaststellen van grondroerende activiteiten gebeurt conform het gestelde in het WSCS-OCE, deels aan de hand van een kaartvergelijking middels ArcGIS Pro. Uit de kaartvergelijking kan worden opgemaakt dat de ontwikkeling van het onderzoeksgebied in verschillende fasen plaatshad. Op de kaart van 1975 is te zien dat het onderzoeksgebied in grote lijnen zijn huidige vorm kreeg; de Calandspolder is verdwenen en de Oranjeplaat is in zijn huidige vorm ontstaan. Tevens is de Muidenweg voor het eerst zichtbaar en staat vliegveld Midden Zeeland op de kaart. Tien jaar later is camping De Witte Raaf ontstaan. De komst van deze camping ging gepaard met nieuwe wegen en het verder uitgraven van een watergang ten oosten van de jachthaven. Op de kaarten van 1995 en 2005 zijn in het onderzoeksgebied weinig tot geen noemenswaardige veranderingen zichtbaar. Op de navolgende pagina’s zijn achtereenvolgens de kaarten van 1965, 1975, 1985 en 2005 weergegeven.

325-018-VO-01

Pagina 48 van 84

K a a r tv e r g e lijk in g1 9 6 5

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 8 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d

Sch a a l: 1 :1 2 .5 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ;K a d a ste r; G e m e e n te k a a rt(t/m 1 :7 6 8 .0 0 0 ), T K 2 0 0(t/m 1 :1 9 2 .0 0 0 ), T O P 5 0(t/m 1 :4 8 .0 0 0 ), T O P 2 5(t/m 1 :6 .0 0 0 )

0

1 5 0

3 0 0

M e te r 4 5 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

K a a r tv e r g e lijk in g1 9 7 5

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 9 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d

Sch a a l: 1 :1 2 .5 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ;K a d a ste r; G e m e e n te k a a rt(t/m 1 :7 6 8 .0 0 0 ), T K 2 0 0(t/m 1 :1 9 2 .0 0 0 ), T O P 5 0(t/m 1 :4 8 .0 0 0 ), T O P 2 5(t/m 1 :6 .0 0 0 )

0

1 5 0

3 0 0

M e te r 4 5 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

K a a r tv e r g e lijk in g1 9 8 5

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -1 0 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d

Sch a a l: 1 :1 2 .5 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ;K a d a ste r; G e m e e n te k a a rt(t/m 1 :7 6 8 .0 0 0 ), T K 2 0 0(t/m 1 :1 9 2 .0 0 0 ), T O P 5 0(t/m 1 :4 8 .0 0 0 ), T O P 2 5(t/m 1 :6 .0 0 0 )

0

1 5 0

3 0 0

M e te r 4 5 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

K a a r tv e r g e lijk in g2 0 0 5

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -1 1 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d

Sch a a l: 1 :1 2 .5 0 0

E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ;K a d a ste r; G e m e e n te k a a rt(t/m 1 :7 6 8 .0 0 0 ), W e g e n k a a rt(t/m 1 :1 9 2 .0 0 0 ), T O P 5 0(t/m 1 :4 8 .0 0 0 ), T O P 2 5(t/m 1 :6 .0 0 0 )

0

1 5 0

3 0 0

M e te r 4 5 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

3.3

ARCHIEFONDERZOEK BETREFFENDE NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN

In het Zeeuws Archief zijn door Xplosure verschillende dossiers betreffende naoorlogse werkzaamheden in het onderzoeksgebied ingezien. Een overzicht van de archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. Uit de archiefstukken komt weinig eenduidige informatie over grondroerende werkzaamheden naar voren. Het terrein van het onderzoeksgebied kwam droog te liggen door indijking van de Noord-Sloe, waarna het water werd weggepompt. Uit de archiefstukken blijkt bijvoorbeeld dat de hoogteligging van het kampeerterrein op de Oranjeplaat bij aanleg tussen 0,60 en 1,30 meter boven N.A.P. lag. De dieper gelegen terreingedeelten werden verhoogd om de lager gelegen terreingedeelten te verhogen. In het rapport van de aanleg wordt vermeld dat de grond werd geëgaliseerd zonder veel grondverzet.137 Het gaat om minimale ophoging en een exacte locatie van de opgehoogde terreinen is niet bekend. Aan dergelijke gegevens kunnen daarom geen conclusies worden verbonden.

3.4

KLIC-MELDING

Ten behoeve van het in kaart brengen van contra-indicaties is in januari 2019 een Klic-melding gedaan bij het Kadaster te Zwolle.138 Resultaat van deze melding is de wetenschap dat er zich in delen van het onderzoeksgebied diverse kabels en leidingen bevinden (zie navolgende tekening 325018-TE-12) die aan de westzijde van het onderzoeksgebied zijn gesitueerd. Van een deel van de kabels en leidingen die zijn aangebracht, zijn dieptegegevens bekend. Zo liggen de laag- en middenspanning van Enduris BV tussen 1 en 2,9 meter onder het maaiveld. Deze is echter door middel van boring tot stand gekomen en dus niet door middel van het graven van een sleuf.

Figuur 1: Doorsnee gestuurde boring bij Muidenweg (Camping de Witte Raaf) te Arnemuiden.

Bij de overige kabels en leidingen ontbreekt het aan complete gegevens waaruit valt op te maken op welke diepte de kabels en leidingen zich bevinden. Derhalve kan voor wat betreft de kabels en leidingen enkel worden gesteld dat de kabels en leidingen een contra-indicatie vormen tot in de naoorlogs geroerde grond. 137 Aanleg kampeerterrein in het recreatieplan “Oranjeplaat”, Rapport no. 762, Zeeuws Archief, 1202 Gemeente

Arnemuiden 1952-1996, 1952-1996 III-A Bewerkt, Doos 133, inv. nr. 9. 138 Vermeld dient te worden dat de gegevens omtrent ondergrondse infrastructuur zoals deze door de uitgevoerde oriëntatie zijn verkregen, een geldigheidsduur hebben van maximaal 20 werkdagen na aanvraag.

325-018-VO-01

Pagina 53 van 84

K lic m e ld in g

C O N T A C T G E G E V E N S

B E Z O E K A D R E S

E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l

H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n

/

D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9

P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8

O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .

T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -1 2 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re

Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d O n d e rzo e ksg e b ie d LGg a sla g ed ru kE n d u risB V 0 1 LGla a gsp a n n in gE n d u risB V 0 1 LGm id d e n sp a n n in gE n d u risB V 0 1 LGd a ta tra n sp o rtD N W GIn fraB Ve nK P NB V 0 1 LGg a sla g ed ru kD N W GIn fraB V 0 1 LGla a gsp a n n in gD N W GIn fraB V 0 1 LGm id d e n sp a n n in gD N W GIn fraB V 0 1 LGw a te rD N W GIn fraB V 0 1 LGo ve rigG e m e e n teM id d e lb u rg 0 1 LGrio o lvrijve rva lG e m e e n teM id d e lb u rg 0 1

Sch a a l: 1 :3 .0 0 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

0

4 0

8 0

M e te r 1 2 0

E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs

3.5

SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN

Ter plaatse van het onderzoeksgebied zijn een aantal contra-indicatieve werkzaamheden/activiteiten achterhaald. Deze betreffen onder andere: ▪ Naoorlogs egaliseren van de bodem bij, en aanleg van camping De Witte Raaf. ▪ Naoorlogse aanleg van wegen, gebouwen en infrastructuur. ▪ Naoorlogse aanleg kabels, leidingen en riolering.

325-018-VO-01

Pagina 55 van 84

4 AFBAKENING VERDACHT GEBIED Op basis van bronstudie is feitelijk vast komen te staan dat er indicaties voor de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven binnen en tot de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn te herleiden. Tevens zijn er binnen en in de omgeving van het onderzoeksgebied contra-indicaties achterhaald waardoor het mogelijke risico op het aantreffen van conventionele explosieven wordt verminderd.

4.1

EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES

Voorafgaand aan een afbakening van verdacht gebied, vindt er een afweging plaats omtrent de aangetroffen indicaties en contra-indicaties. In de periode na de oorlog hebben er in bepaalde bodemlagen grondroerende werkzaamheden plaatsgevonden. Het uitgangspunt in deze is dat bij de reeds uitgevoerde grondroerende werkzaamheden en uitgevoerde opsporingswerkzaamheden eventuele aangetroffen Conventionele Explosieven gemeld en geruimd zouden zijn. Deze naoorlogs geroerde bodemlagen kunnen in theorie als onverdacht worden aangemerkt. Voor wat betreft het huidige onderzoek moet worden gesteld dat er onvoldoende kennis over de diepte van grondroerende werkzaamheden en over de ophogingen van de grond is om bodemlagen als onverdacht aan te merken.

4.2

HORIZONTALE AFBAKENING

Het verdachte gebied zal in deze paragraaf, indien mogelijk, horizontaal worden afgebakend aan de hand van bijlage 3 van het WSCS-OCE (zie bijlage 1). Van de richtlijnen uit de afbakeningstabel mag gemotiveerd worden afgeweken. De achterhaalde indicaties zijn (waar plausibel) gehanteerd bij de horizontale afbakening van verdacht gebied. Vanuit veiligheids- en risicoperspectief worden de indicaties (waar mogelijk) voorzien van zogenaamde risicobuffers waarin zich theoretisch achtergebleven munitieartikelen en/of blindgangers zouden kunnen bevinden. De bijlage uit het WSCS-OCE en de daarin geschetste indicaties zijn niet te beschouwen als volledig dekkend voor ieder achterhaalbaar scenario. Het gevolg hiervan is dat achterhaalde oorlogshandelingen in sommige gevallen geïndiceerd worden naar de meest in de lijn van de gebeurtenis liggende omschrijving of een gemotiveerde afgeleide hiervan. - Afgeworpen: afwerpmunitie Voor wat betreft de bombardementen is de volgende richtlijn gehanteerd: indien er sprake is van een feitelijk aantoonbaar en vast te stellen krater/inslagenpatroon dan is hiermee rekening gehouden.

Indien een op type vliegtuigen, meegevoerde bommenlast, doelentheorie en/of potentiële inslagpatronen gebaseerde uitgangspunt(en) bij de afbakening niet feitelijk/onomstotelijk kan worden vastgesteld dan wordt gebruik gemaakt van een afbakeningstheorie welke in samenspraak met gerenommeerde ervaringsdeskundigen van de 325-018-VO-01

Pagina 56 van 84

Luftbilddatenbank Dr. Carls GMBH is opgesteld.139 Deze houdt in dat er rond de waargenomen inslaglocatie een risicobuffer van 50 meter wordt gehanteerd. Hieraan wordt een buffer van 20 meter voor afwijkende georeferentie toegevoegd. Dit gebied wordt als verdacht op afgeworpen CE aangemerkt in de niet-naoorlogs geroerde bodem. Voor wat betreft de inslaglocaties van afwerpmunitie kan worden gesteld dat er bij de waargenomen kraters op de luchtfoto’s van 13 september 1944, 16 september 1944 en 12 oktober 1944 geen sprake is van een feitelijk vast te stellen kraterpatroon. Bij de kraters van 13 september 1944 en 12 oktober 1944 ontbreekt informatie over het type vliegtuigen en de meegevoerde bommenlast. Bij de kraters van 16 september 1944 is eveneens geen sprake van een feitelijk vast te stellen kraterpatroon, daar de bommenlast per vliegtuig niet bekend is. De afbakening ‘Duikbombardement op zgn. “Line Target”, inslagenpatroon onbekend’ uit het WSCSOCE, die stelt dat vanuit het hart van de spoorlijn 91 meter moet worden gemeten, voldoet niet, daar de kraters zich op veel grotere afstand van de Sloedam bevinden. De afbakening van afwerpmunitie geschiedt daarom aan de hand van de afbakening van Dr. Carls. Dit betekent dat alle kraters van een buffer van 70 meter worden voorzien. Dit gebied wordt als verdacht op afgeworpen CE aangemerkt in de niet-naoorlogs geroerde bodem. -

Verschoten: geschutsmunitie Op basis van luchtfoto’s zijn in een deel van het onderzoeksgebied inslagen van geschutsmunitie waargenomen, terwijl uit literatuur- en archiefstudie blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied artilleriebeschietingen plaatsvonden. Daarnaast kan op basis van de MORA’s worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het hele onderzoeksgebied naoorlogs geschutsmunitie is geruimd. Voor wat betreft de horizontale afbakening wordt in het WSCS-OCE vermeld dat artilleriebeschietingen situationeel dienen te worden afgebakend. Op basis van deze onderzoeksgegevens wordt het hele onderzoeksgebied verdacht verklaard op verschoten geschutsmunitie van Duitse en Geallieerde afkomst.

Het gebied dat naar aanleiding van de horizontale afbakening als ‘verdacht in de niet-naoorlogs geroerde’ bodem op het aantreffen van Conventionele Explosieven dient te worden aangemerkt, is opgenomen op de CE-bodembelastingskaart (zie Bijlage 5).

4.3

MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

Op basis van de resultaten uit de bronnenstudie kan worden aangenomen dat de volgende typen en kalibers Conventionele Explosieven of restanten hiervan mogelijk aangetroffen kunnen worden in de

139 “Aus der Fachliteratur geht hervor, dass ca. 10-15 % aller im Zweiten Weltkrieg abgeworfenen Sprengbomben nicht zur

Detonation gelangten. In einem nachweislich bombardierten Gebiet muss deshalb immer mit Blindgängern gerechnet werden, auch wenn sie luftsichtig nicht (mehr) zu erkennen sind. In der Praxis hat sich eine Sicherheitszone von etwa 50 m um einen ermittelten Befund bewährt. In diesem sogenannten Nahbereich muss verstärkt mit Blindgängern gerechnet werden, die in das Erdreich eingedrungen sein können. Die bei der Luftbildauswertung ermittelten prengbombeneinwirkungen (Blindgängerverdachtspunkte, Bombentrichter, zerstörte Bausubstanz, bombardierte Flächen) werden um 50 m gepuffert, um eine erhöhte Sicherheit der Befunde gewähren zu können.”

325-018-VO-01

Pagina 57 van 84

als verdacht aangemerkte gebieden. Omdat er geen compleet sluitende gegevens met betrekking tot de ingezette munitieartikelen zijn aangetroffen, zijn de verwachte Conventionele Explosieven gebaseerd op de ruimingen van de EOD. CODE:

AFKOMST:

CATEGORIE:

TYPE:

KALIBER E.D.:

VERSCHIJNINGS HOEVEELHEID: VORM:

ID001

Duits

Geschutsmunitie

Brisant

Verschoten

Onbekend

Geallieerd

Geschutsmunitie

Brisant

Verschoten

Onbekend

ID002

Geallieerd

Afwerpmunitie

Brisant

Afgeworpen

Onbekend

ID003

Geallieerd

Afwerpmunitie

Brisant

7,5cm, 10,5cm, 5cm, 8cm, 12cm, 15cm, 8,5cm, PG 10cm 2”-mortier, 25pdr, 81mm, 20mm, 75mm (HE), 40mm, 88mm, 37mm 500lbs GP (UK), 500lbs MC (TP30), 250lbs GP (UK), 250kg ZC (Practice Bomb), 40lbs brandbom, 45mm brandbom 500lbs MC

Afgeworpen

Onbekend

Tabel 6: Overzicht van mogelijk aan te treffen munitieartikelen. Het overgrote deel van bovengenoemde munitieartikelen zijn aangetroffen tijdens eerdere recreatieve bodemingrepen in/grenzend aan het projectgebied en zijn derhalve relevant voor het vaststellen van de bijbehorende risico’s.

4.4

VERTICALE AFBAKENING

Om de te verwachten diepte van de vermoede CE vast te kunnen stellen, dient bezien te worden van welke verschijningsvorm er wordt uitgegaan, in dit geval: ▪ afgeworpen ▪ verschoten Bij het bepalen van de verticale afbakening dient verder rekening gehouden te worden met de bodemweerstand, de verwachte snelheid en hoek waarmee het explosief in de bodem indringt, gewicht, vorm en diameter van de CE. Verschijningsvorm: afgeworpen Voor het berekenen van de penetratiediepte van afwerpmunitie wordt gebruik gemaakt van een rekenmethode waarin tenminste rekening gehouden wordt met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Aangezien de gegevens van de benodigde parameters ontbreken en/of niet achterhaalbaar zijn, is het niet mogelijk om een op feiten gebaseerde rekenmethode voor de penetratiediepte voor afwerpmunitie toe te passen. Momenteel is Deltares bezig om een berekeningsmethode te valideren met daadwerkelijk aangetroffen afwerpmunitie. Concrete bevindingen zijn hier vooralsnog niet uit voort gekomen. Om wel een indicatie te geven van de maximaal te verwachten diepte van 325-018-VO-01

Pagina 58 van 84

afwerpmunitie, wordt de door de EOD gehanteerde methodiek aangehouden. Deze methodiek houdt in dat een afgeworpen vliegtuigbom niet dieper zal doordringen dan de Pleistocene zandlaag (10MPa-laag). Het vaststellen van de diepte van deze zandlaag geschiedt middels bestudering van sonderingen die in (of direct bij) het onderzoeksgebied uitgevoerd zijn. Voor dit onderzoek is getracht middels de gegevens van het DINO-loket sonderinggegevens te achterhalen. Uit het DINOloket zijn slechts zeer beperkt gegevens omtrent de bodemweerstand voorhanden. De informatie die relevant is voor het projectgebied bestaat namelijk slechts uit één bodemsonderdering welke een maximale penetratiediepte aantoont van 7m minus maaiveld (5m onder NAP). Uit bestekinformatie medio jaren tachtig is deze verticale waarde ook herleid. Echter: voor een accuraat beeld van de plaatselijke bodemgesteldheid zouden aanvullende sonderingen geplaats dienen te worden, en wel op die locaties welke feitelijk verdacht zijn op de aanwezigheid van afwerpmunitie én waar daadwerkelijk bodemingepen gepland zijn. Verschijningsvorm: verschoten Voor de voornoemde verschoten munitie wordt uitgegaan van kennis en ervaring met de in paragraaf 4.3 opgenomen kalibers en verschijningsvormen.

Uitgaande van de zwaarste typen munitie van artillerie, wordt aangenomen dat deze niet dieper zullen zijn ingedrongen dan 2,50m minus het toenmalige maaiveld. De volgende verticale afbakening is voorlopig opgesteld: VERSCHIJNINGSVORM:

Afgeworpen Verschoten

MINIMALE DIEPTE (MAAIVELDHOOGTE TWEEDE WERELDOORLOG): 0,10m –MV. 0,10m –MV.

MAXIMALE DIEPTE (MAAIVELDHOOGTE TWEEDE WERELDOORLOG): 10 MPa-laag ter plaatse 2,50 –MV.

Tabel 7: Overzicht globale inschatting diepteligging (exclusief eventuele gevolgen van redepositie etc.).

Verplaatsing van CE door bijvoorbeeld ontgravingen/vergravingen (redepositie) en eventuele naoorlogse verhogingen of ontgravingen die van invloed zijn op de diepte indicaties wordt buiten beschouwing gelaten.

325-018-VO-01

Pagina 59 van 84

5 LEEMTEN IN KENNIS ▪

Van eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied zijn over de periode 1940-1944 en 1948-1970 geen gegevens meer bekend bij de EOD en het SSA.

▪

Bepaalde indicaties die zijn aangetroffen in literatuur en archiefstukken en meldingsrapportages van de EOD zijn niet te herleiden naar een specifieke locatie. Dit geldt onder andere voor het vliegtuig dat 22 oktober 1944 ten noorden van de Sloedam crashte.

▪

Niet alle mogelijk voor dit onderzoek relevante MORA’s konden worden aangeleverd.

▪

De schorren en het water in het onderzoeksgebied bemoeilijken de luchtfoto-analyse. Zo kan het zijn dat bepaalde kraters op luchtfotodata onder water stonden en daardoor niet eerder zichtbaar waren.

▪

Luchtfoto’s 4009 en 4010 van sortie 4-1219 (4 november 1944) zijn bij NCAP besteld, maar door een verkeerde levering konden deze niet in de rapportage worden verwerkt.

▪

Xplosure beschikt niet over de complete informatie aangaande de maatvoering van de waargenomen naoorlogse grondroerende activiteiten/werkzaamheden.

325-018-VO-01

Pagina 60 van 84

6 CONCLUSIE EN ADVIES Het doel van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van verdacht gebied? Op basis van het indicatie-onderzoek zijn er feitelijk herleidbare gegevens achterhaald waaruit blijkt dat er binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Op luchtfoto’s van 13 september 1944, 16 september 1944 en 12 oktober 1944 zijn er in het onderzoeksgebied kraters van afwerpmunitie waargenomen. Daarnaast zijn er op de luchtfoto’s van november 1944 sporen van geschutsmunitie te zien. In en rond het onderzoeksgebied is er naoorlogs in grote mate geschutsmunitie geruimd. 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied als onverdacht kan worden aangemerkt? Op basis van het contra-indicatieonderzoek is vastgesteld dat er in de naoorlogse periode de navolgende werkzaamheden binnen en nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden, waarbij grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: ▪ ▪ ▪

Naoorlogs egaliseren van de bodem bij, en aanleg van camping De Witte Raaf. Naoorlogse aanleg van wegen, gebouwen en infrastructuur. Naoorlogse aanleg kabels, leidingen en riolering.

Maatvoering hieromtrent is beperkt achterhaald. Er kan daarom geen verdacht gebied als onverdacht worden aangemerkt. 3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? Op basis van het uitgevoerde onderzoek dient geconcludeerd te worden dat er binnen het hele onderzoeksgebied in de niet-naoorlogs geroerde bodem een verhoogde kans is op het aantreffen van verschoten Geallieerde en Duitse geschutsmunitie. Daarnaast is er in een deel van het onderzoeksgebied een verhoogde kans op het aantreffen van Geallieerde afwerpmunitie in de niet-naoorlogse geroerde bodem. Nadere specificering omtrent hoeveelheden is op basis van feitelijke gegevens niet mogelijk.

325-018-VO-01

Pagina 61 van 84

Naar aanleiding van de antwoorden op de drie deelvragen kan geconcludeerd worden dat het onderzoeksgebied verdacht is op het aantreffen van verschoten geschutsmunitie en een deel van het onderzoeksgebied op afwerpmunitie. Het verdachte gebied is in de CE Bodembelastingskaart aangegeven (zie Bijlage 5). In de niet naoorlogs geroerde grond adviseert Xplosure u het proces van explosievenopsporing voort te zetten. Wanneer er binnen het onderzoeksgebied grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden en de exacte ontgravingscontouren bekend zijn, dienen deze delen met inachtneming van de horizontale en verticale afbakening te worden onderzocht. Aan de hand van de mogelijk- en onmogelijkheden van het te bewerken gebied zal in overleg met een gecertificeerd opsporingsbedrijf bepaald moeten worden welke opsporingsmethode dient te worden gehanteerd en welke (mogelijk verdere) maatregelen genomen dienen te worden met betrekking tot een veilige omgang met explosieven. De detectie- en eventuele daaropvolgende benaderwerkzaamheden dienen door een WSCS-OCE gecertificeerd bedrijf uitgevoerd te worden.

325-018-VO-01

Pagina 62 van 84

7 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN Archiefinstellingen: ▪ Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg im Breisgau ▪ Explosieven Opruimingsdienst van het ministerie van Defensie te Rijswijk en Soesterberg ▪ Gemeentearchief Goes te Goes ▪ Luchtfotoarchief Topografische Dienst/Kadaster te Zwolle ▪ Nationaal Archief te Den Haag ▪ National Archives te London ▪ National Collection of Aerial Photography/The Aerial Reconnaissance Archives/Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh ▪ Nederlands Instituut voor Militaire Historie te Den Haag ▪ NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust – en Genocidestudies te Amsterdam ▪ Semi-statisch Informatie Beheer Ministerie van Defensie te Rijswijk ▪ Speciale Collecties Wageningen University te Wageningen ▪ Zeeuws Archief te Middelburg Literatuur: ▪ Barth, A.J., F.H. de Klerk, L.J. Moerland en G. Van der Wal, De ontzetting van de Goese Gans. Goes en Zuid-Beveland in de oorlogsjaren ’40-’44 (Goes 1984). ▪ Buck, P. de, e.a., Zoeken en schrijven. Handleiding bij het maken van een historisch werkstuk (Rijswijk 1992). ▪ Chorley, W.R., Royal Air Force Bomber Command Losses of the Second World War Volume 1-7 (Leicester 1993-2002).

▪ Hoebeke, R., Slagveld Sloedam: een beschrijving van de strijd om de sloedam, het Sloe en de gemeenten Arnemuiden (Arnemuiden en Kleverskerke), ’s Heer Arendskerke (’s Heer Arendskerke, ’s Heer Hendrikskinderen, Lewedorp, Nieuwdorp en Wissekerke) en Nieuw- en Sint Joosland (Nieuw- en Sint Joosland en Oude Dorp) in de Tweede Wereldoorlog (Nieuw- en Sint Joosland 2002). ▪ Houterman, J.N., “Deutschland” verovert Zeeland. De Duitse inval in Zeeland, mei 1940 (Middelburg 1991). ▪ Reed, J., ‘De aanval op Walcheren’, Toen en Nu 33 (Zwolle 1983). ▪ Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 (SGLO), Verliesregister 1939-1945. Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 2008). ▪ Woensel, J. van, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004). ▪ Zwanenburg, G.J., En nooit was het stil…: kroniek van een luchtoorlog 2 delen (Den Haag 19901993). Niet gedrukte literatuur: ▪ Eversteijn, T., Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (z.p. z.j.). 325-018-VO-01

Pagina 63 van 84

Overige rapportages/documentatie: ▪ Beoordelingsrichtlijn voor het Procescertificaat “Opsporen Conventionele Explosieven (OCE)” versie 2007-02 (8 februari 2007). ▪ ECG BV, Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Delphi (I-TCB063)’, Documentcode: 367-016-AVO-02-Delphi (I-TCB063): Geocode 127: RZW-184 en RZW-185 (3 mei 2017). ▪ ECG BV, Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘PGO Zeeland’, Documentcode: 371-016-AVO-01-PGO Zeeland: Geocode 817 – RZW 188 (4 mei 2017). ▪ Gemeente Middelburg, Nota “Omgaan met Conventionele Explosieven” uit de Tweede Wereldoorlog, Versie 1.7 (november 2011). ▪ Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014). ▪ Planterra, Conventionele Explosieven in Zeeland. Onderzoeksverantwoording, kenmerk 2010607 (december 2010). ▪ Vereniging voor Explosieven Opsporing, Handreiking vooronderzoeken BRL-OCE versus WSCSOCE. Notitie 3VEO-VOO.05667.V (Geldermalsen 16 april 2013). ▪ Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCSOCE).

Internet: ▪ http://arnehistorie.com ▪ http://dotkadata.nl ▪ http://explosievenopsporing.nl ▪ http://www.gahetna.nl ▪ http://www.inspectieszw.nl ▪ http://maps.bing.com ▪ http://maps.google.nl ▪ http://www.gemeentenatlas.nl ▪ http://topotijdreis.nl

325-018-VO-01

Pagina 64 van 84

8 BIJLAGEN BIJLAGE 1: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK Deze bijlage maakt onderdeel uit van paragraaf 6.5 van het WSCS-OCE en wordt gebruikt om te beoordelen of bepaalde oorlogshandelingen een indicatie vormen voor de aanwezigheid van CE (verdacht of onverdacht) en voor de horizontale afbakening van het verdachte gebied. Hiervan mag alleen gemotiveerd worden afgeweken.

325-018-VO-01

Pagina 65 van 84

wetten.nl - Regeling - Arbeidsomstandighedenregeling - BWBR0008587

Indicatie

Artillerie-, mortier- of raketbeschieting

Raketbeschieting inslagenpatroon bekend

Inslagpunt blindganger, zijnde een vliegtuigbom

Algemene omschrijving

Locatie van aangebrachte vernielingslading. Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudig) raketwerpersysteem. Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers.

Uitgangspunt Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied conclusie Verdacht Onverdacht

x

Situationeel te bepalen.

x

Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Te bepalen volgens rekenmethode waarin ten minste rekening wordt gehouden met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Op basis van in ieder geval deze vijf parameters wordt berekend tot welke diepte CE theoretisch kunnen indringen en hoever de maximale horizontale verplaatsing is. Situationeel te bepalen.

Vliegtuigbom die niet in werking is getreden.

Crashlocatie vliegtuig

Aanwezigheid van CE vanwege de x crash. Krater van gedetoneerde Gebied waarin zich de krater van de incidentele detonatie van een incidentele luchtafweergranaat luchtafweergranaat bevindt. Inslagpunt van een V-1 Gebied dat is getroffen door de inslag x wapen van een V-1 wapen. Krater van een Gebied waarin zich de krater van de x (gedeeltelijk) detonatie van een V-1 wapen bevindt. gedetoneerd V-1 wapen Krater van een Gebied waarin zich de krater van de x (gedeeltelijk) detonatie van een V-2 wapen bevindt. gedetoneerd V-2 wapen Dumplocatie van munitie Dumplocatie van CE en/of x en/of toebehoren toebehoren in landbodem of op waterbodem. Ongecontroleerde (Sympathische) detonatie van een x (massa)explosie explosieven voorraad zoals ontploffing munitieopslag of munitie trein. Vernietigingslocatie voor Eén of meerdere springputten. x CE

Vernielingslading (in werking gesteld)

Tapijtbombardement

Duikbombardement op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend

Locatie van in werking gestelde x vernielingslading, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en). Gebied dat is getroffen door een x bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.

Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen. Duikbombardement op Lineair gebied, nabij een spoorlijn, zgn. ‘Line Target’, dat is getroffen door een inslagenpatroon bombardement met onbekend jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen. Raketbeschieting op zgn. Gebied dat is getroffen door een ‘Pin Point Target’, raketbeschieting met inslagenpatroon jachtbommenwerpers, met als doel onbekend om een vooraf bepaald specifiek object te treffen. Raketbeschieting op zgn. Lineair gebied, nabij een spoorlijn, ‘Line Target’, dat is getroffen door een inslagenpatroon raketbeschieting met onbekend jachtbommenwerpers, met als doel

pagina 27 van 32

x

x

Tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft. 15 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke horizontale verplaatsing onder de grond. 50 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke aanwezigheid van explosieve componenten. Situationeel te bepalen.

Locatie van de dump en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld dumping in stilstaand of stromend water. Situationeel te bepalen

De contour(en) van de springput(ten) en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld gelet op de afstand van eventuele uitgeworpen CE buiten deze contour(en). Locatie waar de vernielingslading in werking is gesteld en afbakening verder situationeel te bepalen.

Op basis van een analyse van het inslagenpatroon 1 wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel 2/3.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn 2/4.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 108 meter gemeten vanuit het hart van het doel 2/5.

x

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 80 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn 2/6.

http://wetten.overheid.nl/BWBR0008587/2016-07-05/0/BijlageXII/afdrukken+informatie

28-07-16

BIJLAGE 2: PROTOCOL TOEVALSVONDST

325-018-VO-01

Pagina 69 van 84

BIJLAGE 3: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE Toelichting verplichte bronnen WSCS-OCE Literatuur Aan de start van het bronnenonderzoek wordt op basis van literatuuronderzoek een lijst opgesteld met oorlogshandelingen die relevant zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied (indicaties). Deze lijst bevat tevens een verwijzing naar de data waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Gemeentelijk en provinciaal archief Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief dienen ten minste de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en de oorlogsschaderapporten te worden geraadpleegd. Indien deze stukken niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage. Explosieven Opruimings Dienst Defensie Bij het raadplegen van het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) dient als eerste de database met meldingen van aangetroffen CE en de collectie mijnenveldkaarten te worden geraadpleegd. Indien in de database met meldingen van aangetroffen CE indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie MORA’s/UO’s te worden geraadpleegd. Indien in de collectie mijnenveldkaarten indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie mijnenveld ruimrapporten te worden geraadpleegd.

NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies De organisatie raadpleegt de Collectie Departement van Justitie (toegangsnummer 216k) en de Collectie Generalkommissariat für das Sicherheitswesen – Höhere SS- und Polizeiführer Nord-West (toegangsnummer 077) uit het archief van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Nationaal Archief te Den Haag De organisatie raadpleegt de collectie “Binnenlandse Zaken” (toegangsnummer 2.04.53.15) waarin de berichten van gemeenten aan de Rijksinspectie Luchtbescherming te Den Haag in de periode 1940-1943 zijn ontsloten. Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk De organisatie raadpleegt de collectie van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (MMOD) waarin de ruimingen in de periode 1945-1947 zijn ontsloten. Luchtfotocollectie Wageningen Universiteit en Topografische Dienst De organisatie dient beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden te inventariseren. Daaruit worden de bruikbare luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s dient rekening te worden gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het fotobeeld en de schaal. De organisatie interpreteert de 325-018-VO-01

Pagina 71 van 84

geselecteerde luchtfoto’s ten minste op schade aan het landschap als gevolg van oorlogshandelingen en de aanwezigheid van militaire werken. De interpretatie van luchtfoto’s dient te geschieden door een deskundige met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. De organisatie dient de beschikbare luchtfoto’s te rapporteren en daarin tevens de selectie te motiveren. Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE, dient de organisatie de luchtfoto’s en/of satellietbeelden te verzamelen met dekking van het onderzoeksgebied uit de naoorlogse periode. De organisatie vergelijkt de luchtfoto’s/satellietbeelden met luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945, met als doel te inventariseren welke naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden waarbij grond is geroerd of verzet.

Conform het gestelde in het WSCS-OCE dient er aanvullend in een aantal gevallen uitgeweken te worden naar de volgende bronnen: Toelichting aanvullende bronnen WSCS-OCE Conform het gestelde in het WSCS-OCE dient er aanvullend in een aantal gevallen uitgeweken te worden naar de volgende bronnen: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies De organisatie raadpleegt de literatuurcollectie van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) indien onvoldoende informatie aanwezig is om een totaalbeeld te vormen van oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied. Nederlands Instituut voor Militaire Historie De collectie “Duitse verdedigingswerken in Nederland en rapporten van het Bureau Inlichtingen te Londen (1940–1945)” met collectienummer 575 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) dient ten minste te worden geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat Duitse militaire werken in het onderzoeksgebied aanwezig waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. De collectie “Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940” met collectienummer 409 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie dient ten minste te worden geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat grondgevechten hebben plaatsgevonden in de periode mei 1940.

The National Archives Londen/Bundesarchiv-Militärarchiv/The National Archives Washington DC Er dient aanvullend bronnenonderzoek plaats te vinden indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waarbij mogelijk CE in het onderzoeksgebied terecht zijn gekomen, maar er onvoldoende informatie aanwezig is in de Nederlandse archieven en op de geraadpleegde luchtfoto’s over:

325-018-VO-01

Pagina 72 van 84

▪ ▪ ▪

de aard van de oorlogshandeling; het aantal en de soort CE dat tijdens de oorlogshandeling is ingezet; de inslaglocaties van CE.

Aanvullend onderzoek omvat één of meerdere van de onderstaande buitenlandse archieven (zie paragrafen 2.8.1 en 2.8.2):140 ▪ ▪ ▪

The National Archives te Londen; Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg; The National Archives te Washington DC.

Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography Indien de verplichte luchtfotoarchieven onvoldoende resultaat opleveren, wordt aanvullend de Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives geraadpleegd.141 Op de inventarisatie en selectie van luchtfoto’s is hetgeen bepaald onder verplichte bronnen van toepassing. Wanneer uit het bronnenmateriaal relevante feiten naar voren komen, wordt met behulp van voetnoten en bronvermelding een verwijzing gegeven naar de vindplaats van de betreffende passages, afbeeldingen of documenten zodat alle gegevens desgewenst verifieerbaar zijn.

140 De organisatie dient de keuze voor het te raadplegen archief/de te raadplegen archieven te motiveren in het rapport op

basis van het reeds verzamelde bronnenmateriaal. Deze keuze voor The National Archives is gebaseerd op de aanwezigheid van het aldaar aanwezige bronnenmateriaal welke betrekking heeft op de activiteiten van de in Nederland actieve diverse Geallieerde leger- en luchtmachtonderdelen. 141 De collectie The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) is sinds 2014 ondergebracht bij de National Collection of Aerial Photography (NCAP).

325-018-VO-01

Pagina 73 van 84

BIJLAGE 4: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN Bundesarchiv-Militärarchiv RL 2-II GENERALSTAB DER LUFTWAFFE/LUFTWAFFENFÜHRUNGSSTAB INV.NR.: OMSCHRIJVING: 4 5. Abteilung (Ic; Feindaufklärung, Abwehr, geistige Betreuung) 4.1 Lagemeldungen, Lageberichte 205 Lageberichte Nr.246-Nr.258, 9. Mai 1940 – 21. Mai 1940 206

Lageberichte Nr.259-Nr.264, 22. Mai 1940 – 27. Mai 1940

207

Lageberichte Nr.265-Nr.270, 28. Mai 1940 – 1. Juni 1940

208

Lageberichte Nr.271-Nr.276, 3. Juni 1940 – 7. Juni 1940

209

Lageberichte Nr.277-Nr.282, 9. Juni 1940 – 13. Juni 1940

210

Lageberichte Nr.283-Nr.290, 15. Juni 1940 – 21. Juni 1940

211

Lageberichte Nr.292-Nr.298, 23. Juni 1940 – 29. Juni 1940

211a

1. Juli 1940 – 5. Juli 1940

212

Lageberichte Nr.305-Nr.317, 7. Juli 1940 – 19. Juli 1940

213

Lageberichte Nr.319-Nr.330, 21. Juli 1940 – 1. Aug. 1940

214

Lageberichte Nr.375-Nr.382, 15. Sept. 1940 – 22. Sept. 1940

215

Lageberichte Nr.383-Nr.391, 23. Sept. 1940 – 1. Okt. 1940

216

Lageberichte Nr.393-Nr.403, 3. Okt. 1940 – 13. Okt. 1940

217

Lageberichte Nr.404-Nr.414, 14. Okt. 1940 – 24. Okt. 1940

218

Lageberichte Nr.415-Nr.425, 25. Okt. 1940 – 4. Nov. 1940

219

Lageberichte Nr.426-Nr.434, 5. Nov. 1940 – 13. Nov. 1940

220

Luftlageberichte Nr.435-Nr.440, 14. Nov. 1940 – 19. Nov. 1940

221

Luftlageberichte Nr.441-Nr.447, 20. Nov. 1940 – 26. Nov. 1940

222

Luftlageberichte Nr.448-Nr.454, 27. Nov. 1940 – 3. Dez. 1940

223

Luftlageberichte Nr.455-Nr.463, 4. Dez. 1940 – 12. Dez. 1940

224

Luftlageberichte Nr.464-Nr.471, 13. Dez. 1940 – 21. Dez. 1940

225

Luftlageberichte Nr.472-Nr.479, 22. Dez. 1940 – 31. Dez. 1940

226

Luftlageberichte Nr.480-Nr.488, 1. Jan. 1941 – 9. Jan. 1941

227

Luftlageberichte Nr.489-Nr.497, 10. Jan. 1941 – 18. Jan. 1941

228

Luftlageberichte Nr.498-Nr.510, 19. Jan. 1941 – 31. Jan. 1941

229

Luftlageberichte Nr.511-Nr.519, 1. Feb. 1941 – 9. Feb. 1941

230

Luftlageberichte Nr.520-Nr.528, 10. Feb. 1941 – 18. Feb. 1941

231

Luftlageberichte Nr.529-Nr.538, 19. Feb. 1941 – 28. Feb. 1941

232

Luftlageberichte Nr.539-Nr.546, 1. März 1941 – 8. März 1941

233

Luftlageberichte Nr.547-Nr.554, 9. März 1941 – 16. März 1941

234

Luftlageberichte Nr.555-Nr.559, 17. März 1941 – 21 März 1941

235

Luftlageberichte Nr.560-Nr.562, 22. März 1941 – 24. März 1941

236

Luftlageberichte Nr.563-Nr.569, 25. März 1941 – 31. März 1941

237

Luftlageberichte Nr.570-Nr.575, 1. Apr. 1941 – 6. Apr. 1941

238

Luftlageberichte Nr. 577-Nr. 583, 8. Apr 1941 – 14. Apr. 1941

325-018-VO-01

Pagina 74 van 84

RL 2-II GENERALSTAB DER LUFTWAFFE/LUFTWAFFENFÜHRUNGSSTAB INV.NR.: 239

OMSCHRIJVING: Luftlageberichte Nr.584-Nr.591, 15. Apr. 1941 – 22 Apr. 1941

240

Luftlageberichte Nr.592 – Nr.599, 23. Apr. 1941 – 30. Apr. 1941

241

Luftlageberichte Nr.600 – Nr.605, 1. Mai 1941 – 6. Mai 1941

242

Luftlageberichte Nr.606 – Nr.613, 7. Mai 1941 – 14. Mai 1941

243

Luftlageberichte Nr.614 – Nr.625, 15. Mai 1941 – 26. Mai 1941

244

Luftlageberichte Nr.626 – Nr.637, 27. Mai 1941 – 7.Juni 1941

245

Luftlageberichte Nr.638 – Nr.645, 8. Juni 1941 – 15. Juni 1941

246

Luftlageberichte Nr.646 – Nr.655, 16. Juni 1941 – 25. Juni 1941

247

Luftlageberichte Nr.656 – Nr.660, 26. Juni 1941 – 30. Juni 1941

248

Luftlageberichte Nr.661 – Nr.666, 1. Juli 1941 – 6. Juli 1941

249

Luftlageberichte Nr.667 – Nr.672, 7. Juli 1941 – 12. Juli 1941

250

Luftlageberichte Nr.673 – Nr.678, 13. Juli 1941 – 18. Juli 1941

251

Luftlageberichte Nr.679 – Nr.684, 19. Juli 1941 – 24. Juli 1941

252

Luftlageberichte Nr.685 – Nr.691, 25. Juli 1941 – 31. Juli 1941

253

Luftlageberichte Nr.692 – Nr.700, 1. Aug. 1941 – 9. Aug. 1941

254

Luftlageberichte Nr.701 – Nr.707, 10 .Aug. 1941 – 16. Aug. 1941

255

Luftlageberichte Nr. 708 – Nr.713, 17. Aug. 1941 – 22. Aug. 1941

256

Luftlageberichte Nr.714 – Nr.719, 23. Aug. 1941 – 28. Aug. 1941

257

Luftlageberichte Nr.720 – Nr.725, 29. Aug. 1941 – 3.Sept. 1941

258

Luftlageberichte Nr.726 – Nr.730, 4. Sept. 1941 – 8.Sept. 1941

259

Luftlageberichte Nr.731 – Nr.736, 9. Sept. 1941 – 14. Sept. 1941

260

Luftlageberichte Nr.737 – Nr.742, 15. Sept. 1941 – 20. Sept. 1941

261

Luftlageberichte Nr. 743 – Nr.748, 21. Sept. 1941 – 26. Sept. 1941

262

Luftlageberichte Nr.749 – Nr.754, 27. Sept. 1941 – 2. Okt. 1941

263

Luftlageberichte Nr.755 – Nr.760, 3. Okt. 1941 – 9. Okt. 1941

264

Luftlageberichte Nr.761 – Nr.765, 10 .Okt. 1941 – 14. Okt. 1941

265

Luftlageberichte Nr.766 – Nr.769, 15. Okt. 1941 – 18. Okt. 1941

266

Luftlageberichte Nr.770 – Nr.774, 19. Okt. 1941 – 23. Okt. 1941

267

Luftlageberichte Nr.775 – Nr.778, 24. Okt. 1941 – 28. Okt. 1941

268

Luftlageberichte Nr.779 – Nr.785, 28. Okt. 1941 – 3. Nov. 1941

269

Luftlageberichte Nr.786 – Nr.791, 4. Nov. 1941 – 9. Nov. 1941

1025

Lageberichte Nr.331-Nr.340, 2.- 11. Aug. 1940

1026

Lageberichte Nr.341-Nr.345, 12.- 16. Aug. 1940

1557

Lagebericht Nr. 269, 1. Juni 1940

Gemeentearchief Goes GEMEENTE ‘S HEER ARENDSKERKE, 1634-1969 INV.NR.: 18921894

OMSCHRIJVING: Stukken betreffende de wederopbouw van de door oorlogshandelingen geheel of gedeeltelijk vernielde woningen, 1940-1958

325-018-VO-01

Pagina 75 van 84

GEMEENTE ‘S HEER ARENDSKERKE, 1634-1969 INV.NR.:

OMSCHRIJVING: 1892 1940-1947 1893

1934 1942

1941-1958

Stukken betreffende het uitvoeren van luchtbeschermingstaken door de Luchtbeschermingsdienst, 1939-1942 Afschriften van processen-verbaal van in de gemeente plaatsgehad hebbende bominslagen en luchtgevechten, 1940-1943

Nationaal Archief 2.04.53.15 INSPECTIE BESCHERMING BEVOLKING LUCHTAANVALLEN INV.NR.: 69-79

OMSCHRIJVING: Meldingen en proces-verbaal ontvangen van gemeenten over geallieerde luchtactiviteiten, 19401941 77 Zeeland

2.04.110 ARCHIEF KORPS HULPVERLENINGSDIENST VAN HET MINISTERIE BINNENLANDSE ZAKEN 1945-1974 INV.NR.: 20

OMSCHRIJVING: Registers met krantenknipsels inzake explosieven. Zonder datum

21

Registers met krantenknipsels inzake explosieven. 1945-1947

22

Registers met krantenknipsels inzake explosieven. 1957-1959

27

Register met krantenknipsels inzake ongevallen met oorlogstuig. 1965-1970

28

Verzameling krantenknipsels inzake de Hulpverleningsdienst. 1947-1970

2.13.71 ARCHIEVEN VAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE TE LONDEN 1940-1941 - MINISTERIE VAN OORLOG TE LONDEN [1941-1945]; DEPARTEMENT VAN OORLOG: BUREAU LONDEN [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) INV.NR.: 17882107

OMSCHRIJVING: Rapporten betreffende verdedigingsstelsels in Nederland, 1941-1945 2036 2037 2054

Provincie Zeeland, 1941-1945 Zuid-Beveland, 1943-1944 Sloedam, 1943

2.13.210 MINISTERIE VAN DEFENSIE: COMMISSIE VAN PROEFNEMING INV.NR.: 23

OMSCHRIJVING: Staten houdende opgaven van plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, 1940

Nederlands Instituut voor Militaire Historie 409 GEVECHTSVERSLAGEN – EN RAPPORTEN MEI 1940 INV.NR.: 464019

OMSCHRIJVING: Verslag van de commandant van de 14e reserve grens compagnie kapitein C.M. van den Broeke

325-018-VO-01

Pagina 76 van 84

575 BUREAU INLICHTINGEN/DUITSE VERDEDIGINGSWERKEN 1940-1945 INV.NR.: 86

198

OMSCHRIJVING: Kaart met “Gesamt Flakeinsatz” in de omgeving van Zoutelande, Arnemuiden, Wemeldinge, Hansweerd, Woensdrecht, Roosendaal, Breda, Gilze, Tilburg, Eindhoven (met vliegveld), Vonkel (met vliegveld), Venlo (met vliegveld), Nijmegen, ’s-Hertogenbosch, Hedel, Zaltbommel, Culemborg, Vianen, Vreeswijk, Ravenstein en Grave, Gorinchem, Keizersveer, Geertruidenberg, Moerdijk, Dordrecht, Rotterdam 131 vlaggen: Geschutsopstellingen in de Jacobspolder bij ’t Sloe, 17-07-1944

NIOD Instituut voor Oorlogs, Holocaust- en Genocidenstudies 077 GENERALKOMMISSARIAT FÜR DAS SICHERHEITSWESEN (HÖHERE SS- UND POLIZEIFÜHRER NORD-WEST), (1938) 1940-1945 INV.NR.: 1328 1759

OMSCHRIJVING: Dagberichten van de Befehlshaber der Ordnungspolizei Den Haag betreffende vijandelijke luchtaanvallen, 1940-1941 Berichtgevingen betreffende neergekomen vliegtuigen, 1943

216K DEPARTEMENT VAN JUSTITIE, (1935) 1940-1945 (1950) INV.NR.: 180

182

185

186

OMSCHRIJVING: Rapporten van de plaatselijke luchtbeschermingsdiensten, politiekorpsen en de Marechaussee inzak het geven van het sein luchtalarm, het neerstorten van vliegtuigen en de vondst van nietontplofte explosieven, 23 juni 1943 – 28 april 1944 Processen-verbaal van de plaatselijke luchtbeschermingsdiensten, politie en Marechaussee met betrekking tot vijandelijke vliegtuigen, bomaanvallen en ontploffingen in verschillende gemeenten: Arcen-Arnhem, 19 november 1943 – 13 mei 1944 Processen-verbaal van de plaatselijke luchtbeschermingsdiensten, politie en Marechaussee met betrekking tot vijandelijke vliegtuigen, bomaanvallen en ontploffingen in verschillende gemeenten: Echt-Zwolle Meldingen van verschillende gemeenten betreffende ongevallen, beschietingen, bombardementen en het afwerpen van (lege) benzinetanks door vliegtuigen

226B BUREAU INLICHTINGEN – HOOFDBUREAU LONDEN, 1940-1945 INV.NR.: 119 123 124 125

OMSCHRIJVING: Rapporten en brieven over geallieerde bombardementen, neergestorte vliegtuigen en treinbeschietingen, 27 april 1943 – augustus 1944 Militaire spionagerapporten en situatieschetsen betreffende Nederlandse en Duitse objecten, onder meer van de Geheime Dienst Nederland, april 1943-augustus 1944 Militaire spionagerapporten en situatieschetsen betreffende Nederlandse en Duitse objecten, onder meer van de Geheime Dienst Nederland, 27 oktober 1944-14 februari 1945 Militaire spionagerapporten en situatieschetsen betreffende Nederlandse en Duitse objecten, onder meer van de Geheime Dienst Nederland, 15 februari-16 april 1945

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10243464/2