Bijlage 12 Bestemmingsplan - Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van conventionele explosievenXPLOSURE 2-4-2019
Tekst van het document
“ Or a nj e pl a a tt eAr ne mui de n”
ONDERZOEKSGEBIED:
Oranjeplaat te Arnemuiden
OPDRACHTGEVER:
Driestar B.V.
DATUM:
02-04-2019
TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:
Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group BV
…………………………………………
DOCUMENTCODE:
325-018-VO-01
VERSIE:
Definitief
DISTRIBUTIELIJST:
Driestar B.V. Explosive Clearance Group BV Xplosure
Copyright Xplosure 2019©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken.
325-018-VO-01
Pagina 2 van 84
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ..................................................................................................................... 5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ..................................................................................................................................... 5 ONDERZOEKSGEBIED .......................................................................................................................... 5 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 7 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................... 8 BRONNEN......................................................................................................................................... 9
2
HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................10
2.1 INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK............................................................................... 10 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE ................................... 10 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ............................................................................................ 11 2.4 REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES.................................................................................................... 13 2.5 LITERATUUR .................................................................................................................................... 13 2.6 GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN ...................................................................... 14 2.6.1 GEMEENTEARCHIEF GOES ................................................................................................................. 14 2.6.2 ZEEUWS ARCHIEF............................................................................................................................. 14 2.7 LANDELIJKE ARCHIEVEN..................................................................................................................... 14 2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG ........................................................................................................
14 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM .............................. 15 2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG .............................................................. 16 2.8 INTERNATIONALE ARCHIEVEN ............................................................................................................. 16 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN ..................................................................................................... 16 2.8.1.1 The National Archives: omgang en uitgangspunt ontlenen gegevens aan Daily Logs. 16 2.8.1.2 Geallieerden: Nord de Guerre coördinatenstelsel....................................................... 17 2.8.2 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 19 2.9 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D..................................................................... 19 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE...................................... 20 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMI-STATISCH INFORMATIE BEHEER MINISTERIE VAN DEFENSIE RIJSWIJK ................... 22 2.9.3 MIJNENVELDREGISTER ......................................................................................................................
22 2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................................... 23 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................................................ 23 2.10.2 METHODIEK.................................................................................................................................... 23 2.10.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE ............................................................... 24 2.10.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL.............................. 24 2.11 OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S............... 26 2.12 BEELDMATERIAAL AFKOMSTIG VAN GEANALYSEERDE LUCHTFOTO’S .......................................................... 41 2.13 ANALYSE INDICATIES UIT INDICATIE ONDERZOEK .................................................................................... 45
3
HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................46
3.1 3.2 3.3 3.4
BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK .......................................................... 46 KAARTVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ......................................................... 48 ARCHIEFONDERZOEK BETREFFENDE NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ....................................................... 53 KLIC-MELDING................................................................................................................................. 53
325-018-VO-01
Pagina 3 van 84
3.5
SAMENVATTING NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ................................................................................. 55
4
AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................56
4.1 4.2 4.3 4.4
EVALUATIE AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES ...................................................................... 56 HORIZONTALE AFBAKENING ............................................................................................................... 56 MOGELIJK AAN TE TREFFEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN..................................................................... 57 VERTICALE AFBAKENING .................................................................................................................... 58
5 6 7 8
LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................60 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................61 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................63 BIJLAGEN .....................................................................................................................65
BIJLAGE 1: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK................................................ 65 BIJLAGE 2: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 69 BIJLAGE 3: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE................................................... 71 BIJLAGE 4: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN ....................................................................................................... 74 BIJLAGE 5: CE-BODEMBELASTINGSKAART ...................................................................................................... 82
325-018-VO-01
Pagina 4 van 84
1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht. In dit hoofdstuk zullen allereerst de aanleiding en het onderzoeksgebied van de voorliggende bureaustudie worden toegelicht. Hierna volgt een passage over het vooronderzoek in het algemeen, om vervolgens het onderzoeksdoel van deze bureaustudie te omschrijven. Tot slot volgt een inzicht van geraadpleegde bronnen.
1.1
AANLEIDING
In de nabije toekomst zijn er bodemroerende activiteiten bij de Veerse Meren gepland. Zo wordt ten eerste het huidige Waterpark Veerse Meer herontwikkeld naar een nieuw, groter bungalowpark. Ten tweede wordt de start- en landingsbaan van Vliegveld Midden Zeeland verlegd. Om het risico op het aantreffen van CE voorafgaande aan de werkzaamheden in te kunnen schatten, is door Driestar B.V. aan Xplosure de opdracht verstrekt voor de uitvoering van een vooronderzoek. De locatie en een verdere beschrijving van het onderzoeksgebied zijn opgenomen in paragraaf 1.2. Deze bureaustudie is door Xplosure, in samenwerking met Explosive Clearance Group BV, uitgevoerd conform het in Nederland vigerende WSCS-OCE en zoals aangegeven in de opgestelde offerte met kenmerk ‘325-018’ betiteld als ‘Oranjeplaat te Arnemuiden’ daterende van 6 september 2018. Het onderzoeksgebied is ten opzichte van de offerte aangepast naar de contouren zoals verzocht in een mail van 20 november 2018.
1.2
ONDERZOEKSGEBIED
Het onderzoeksgebied ‘Oranjeplaat te Arnemuiden’ ligt in de tegenwoordige gemeenten Middelburg en Goes. Het betreft twee gebieden. Het westelijke gebied bestaat uit een deel van de Oranjeplaat en een stuk land tussen de Oranjeplaatweg, de Muidenweg en haven De Piet. Het oostelijke deel bestaat uit een stuk grond tussen de Calandsweg en de Noord Kraaijertsedijk, bij Vliegveld Midden Zeeland. Het onderzoeksgebied is op de volgende pagina middels kaartmateriaal weergegeven.
325-018-VO-01
Pagina 5 van 84
O n d e r z o e k s g e b ie d
C O N T A C T G E G E V E N S
B E Z O E K A D R E S
E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l
H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n
/
D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9
P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8
O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .
T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 1 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re
Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d
Sch a a l: 1 :1 2 .0 0 0
E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs
0
1 5 0
3 0 0
M e te r 4 5 0
E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs
1.3
ALGEMEEN
Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemd risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.1 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – er rekening wordt gehouden met (veiligheids) verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.
Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap.2 Als gevolg van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij gronden/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar (inventariseren en evalueren) is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties. Een eerste stap in het opsporingsproces naar CE wordt (doorgaans) gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied verdacht of onverdacht is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven.
1 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl. 2 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (http://www.inspectieszw.nl/Images/Jaarplan-InspectieSZW2015_tcm335-359626.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject.
325-018-VO-01
Pagina 7 van 84
1.4
DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK
Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied [in horizontale en verticale dimensie] af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een CE bodembelastingskaart.’3 Het uitgangspunt van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant (historisch) feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven, oftewel van VERDACHT gebied? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als ONVERDACHT kan worden aangemerkt? 3.
Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? De indicaties zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied ‘verdacht’ is op Conventionele Explosieven of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als ‘onverdacht’ kan worden aangemerkt (contra-indicaties).4 Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale (indien mogelijk aan de hand van bijlage 3 uit het WSCS-OCE5) als verticale zin plaatsvinden.
3 Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven zoals opgenomen
in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling (WSCS-OCE) 16. 4 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen CE liggen, maar geeft antwoord op de vraag of het (op basis van feiten/bronnenmateriaal) aannemelijk is dat in een bepaald gebied CE kunnen worden aangetroffen. Enkel door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van CE worden vastgesteld. 5 Zie Bijlage 1 rapportage.
325-018-VO-01
Pagina 8 van 84
1.5
BRONNEN
Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd.6 In het navolgende overzicht (tabel 1) staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Optionele bronnen dienen in bepaalde, in het certificatieschema vastgelegde, situaties te worden gehanteerd. De conclusie ‘verdacht’ wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. Een toelichting betreffende de verplicht en aanvullend te raadplegen bronnen is opgenomen in Bijlage 3. BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nationaal Archief te Den Haag Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Semi-statisch Informatie Beheer Ministerie van Defensie te Rijswijk Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen
RAADPLEGEN: Verplicht Optioneel V V V V V V V V V
GERAADPLEEGD Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
V
Ja Ja Ja
V V V V
Ja Ja Nee Nee
Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.
6 WSCS-OCE, 16.
325-018-VO-01
Pagina 9 van 84
2 HET INDICATIE ONDERZOEK In het indicatie onderzoek wordt op basis van bronnenonderzoek vastgesteld of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen.
2.1
INDELING EN OPZET VAN HET INDICATIEONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt ten eerste het uitgangspunt voor de beoordeling van de relevantie van een indicatie toegelicht, waarna er met behulp van historisch kaartmateriaal een historisch-geografische situatie wordt gekenschetst van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlogsperiode. Hierop volgend wordt een inventarisatie uitgevoerd naar gegevens omtrent eerder uitgevoerd(e) onderzoek(en) naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in of nabij het onderzoeksgebied.7 Daarop volgt er een opsomming van de geraadpleegde literatuur en de bezochte archiefinstanties en de geraadpleegde dossiers. Vervolgens worden de eventueel achterhaalde naoorlogse ruimingen van Conventionele Explosieven en daaraan gerelateerde zaken in beeld gebracht. Tot slot zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering (waaronder de mogelijk reeds achterhaalde indicaties) luchtfoto's uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden om de hierboven aangehaalde omschrijvingen verder te verifiëren en/of te herleiden. De indicaties die relevant zijn voor het onderzoeksgebied zullen in Paragraaf 2.11 in een chronologisch overzicht worden weergegeven en nader getoetst op verificatie en herleidbaarheid.
2.2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE
Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’8 Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.
7 Onder onderzoek wordt bij voorkeur verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels van de
voormalige Beoordelingsrichtlijn Opsporing Conventionele Explosieven (BRL-OCE) of het vigerende WSCS-OCE. 8 WSCS-OCE, 17.
325-018-VO-01
Pagina 10 van 84
2.3
HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE
Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of ten tijde van aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. Met behulp van historisch topografische kaarten van het Kadaster kan de topografie van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlog worden achterhaald.9 Middels ArcGis kan het huidige onderzoeksgebied op de oude situatie worden geprojecteerd. Een overzicht is op de volgende pagina weergegeven (tekening 325-018-TE-02). Op deze kaart staan diverse toponiemen weergeven. In de wetenschap van deze (voor een deel) uit de huidige topografie verdwenen locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog viel het huidige onderzoeksgebied binnen de voormalige gemeenten Arnemuiden en ’s Heer Arendskerke. Derhalve dienen de archieven van deze gemeenten te worden geraadpleegd, alsmede het provinciale archief van Zeeland.
9 Historische topografische data 1945, Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1:192.000),
TOP50 (t/m 1:48.000), TOP25 (t/m 1:6.000).
325-018-VO-01
Pagina 11 van 84
H is to r is c hto p o g r a fis c h ed a ta
C O N T A C T G E G E V E N S
B E Z O E K A D R E S
E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l
H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n
/
D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9
P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8
O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .
T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 2 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re
Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d
Sch a a l: 1 :2 0 .0 0 0
E sriN e d e rla n d ,b e e ld m a te ria a l.n l; E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs; E sriN e d e rla n d ;K a d a ste r; G e m e e n te k a a rt(t/m 1 :7 6 8 .0 0 0 ), T K 2 0 0(t/m 1 :1 9 2 .0 0 0 ), T O P 5 0(t/m 1 :4 8 .0 0 0 ), T O P 2 5(t/m 1 :6 .0 0 0 )
0
2 5 0
5 0 0
M e te r 7 5 0
E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs
2.4
REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES
Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE is een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerde bureaustudies. De volgende rapportage heeft betrekking op (een deel van) het onderzoeksgebied: Rapportage(s) derden ▪ Gemeente Middelburg, Nota “Omgaan met Conventionele Explosieven” uit de Tweede Wereldoorlog, Versie 1.7 (november 2011). ▪ Planterra, Conventionele Explosieven in Zeeland. Onderzoeksverantwoording, kenmerk 2010607 (december 2010). Beide onderzoeken bevatten omschrijvingen van oorlogshandelingen in respectievelijk de gemeente Middelburg en de provincie Zeeland. Deze worden in het voorliggende onderzoek meegenomen. De bijgevoegde kaarten met onderzoeksresultaten en verdachte gebieden zijn bij Xplosure niet bekend.
2.5
LITERATUUR
Om een totaalbeeld te krijgen van mogelijk relevante oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied zijn onder meer de onderstaande, deels locatiespecifieke literatuur geraadpleegd. Een compleet overzicht van geraadpleegde literatuur is opgenomen in hoofdstuk 7. ▪ Barth, A.J., F.H. de Klerk, L.J. Moerland en G. van der Wal, De ontzetting van de Goese Gans. Goes en Zuid-Beveland in de oorlogsjaren ’40-’44 (Goes 1984). ▪ Eversteijn, T., Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (z.p. z.j.). ▪ Hoebeke, R., Slagveld Sloedam: een beschrijving van de strijd om de sloedam, het Sloe en de gemeenten Arnemuiden (Arnemuiden en Kleverskerke), ’s Heer Arendskerke (’s Heer Arendskerke, ’s Heer Hendrikskinderen, Lewedorp, Nieuwdorp en Wissekerke) en Nieuw- en Sint Joosland (Nieuw- en Sint Joosland en Oude Dorp) in de Tweede Wereldoorlog (Nieuw- en Sint Joosland 2002). ▪ Houterman, J.N., “Deutschland’ verovert Zeeland. De Duitse inval in Zeeland, mei 1940 (Middelburg 1991). ▪ Reed, J., ‘De aanval op Walcheren’, Toen en Nu 33 (Zwolle 1983). ▪ Zwanenburg, G.J., En nooit was het stil…: kroniek van een luchtoorlog 2 delen (Den Haag 19901993). In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied.
Deze feitelijk herleidbare indicaties zullen in het chronologisch overzicht in Paragraaf 2.11 worden opgenomen. Verdere verificatie van de relevantie en herleidbaarheid vindt plaats middels archiefonderzoek en luchtfotoanalyse.
325-018-VO-01
Pagina 13 van 84
2.6
GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN
In het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven de nadruk op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten. 2.6.1
GEMEENTEARCHIEF GOES
In het Gemeentearchief Goes te Goes zijn diverse dossiers geraadpleegd aangaande de oorlogsperiode afkomstig uit het archief 006 Gemeente ’s Heer Arendskerke, 1634-1969. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken op is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.6.2
ZEEUWS ARCHIEF
In het Zeeuws Archief te Middelburg zijn eveneens archiefstukken geraadpleegde aangaande de oorlogsperiode. Deze zijn afkomstig uit de archieven 1201 Gemeente Arnemuiden 1857-1951, 18571951 en 1202 Gemeente Arnemuiden 1952-1996, 1952-1996. Daarnaast bevindt zich in het Zeeuws Archief het archief van het Militair Gezag, te weten 280 Militair Gezag in Zeeland, (1943) 1944-1946 (1948). Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interimbestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc.
2.7
LANDELIJKE ARCHIEVEN
2.7.1 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 1867-1942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten
325-018-VO-01
Pagina 14 van 84
opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog. Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het NA is het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen.
In 1971 werd de taak van de H.V.D. overgedragen aan de EOD.10 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.7.2 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDENSTUDIES AMSTERDAM Aangezien er uit de literatuurcollectie bij het NIOD geen (niet reeds in de literatuurlijst opgenomen) mogelijk relevante boektitels naar voren kwamen, is het interesseveld voor dit archief naar een aantal aldaar gedeponeerde archieven verschoven. In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Daarnaast is ook het archief 226B Buraeu Inlichtingen – Hoofdbureau Londen, 1940-1945 geraadpleegd.
Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
10 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107
en 142.
325-018-VO-01
Pagina 15 van 84
2.7.3 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG De collectie 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag is geraadpleegd, als ook de collectie 409 Gevechtsverslagen – en rapporten mei 1940. De bekeken archiefstukken zijn opgenomen in Bijlage 4. Eventuele relevante indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.8
INTERNATIONALE ARCHIEVEN
Voor wat betreft internationale archieven is voor dit onderzoek historische informatie afkomstig uit The National Archives (TNA) te Londen en het Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA) te Freiburg im Breisgau geraadpleegd. 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES LONDEN Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de Daily Logs van de Geallieerde 2nd Tactical Airforce (2nd TAF – een Geallieerd luchtleger welke veelvuldig in de periode september 1944-april 1945 boven Nederland actief was) en enkele overige AIR-collecties. Deze gegevens zijn afkomstig uit The National Archives te Londen. Uit deze gegevens kan in de meeste gevallen (onder andere) informatie worden gehaald omtrent de aanvalsdoelen, het verloop van de gebeurtenissen/gevechtshandelingen en de gehanteerde wapens en/of gebruikte CE. Daarnaast is voor dit onderzoek gebruik gemaakt van de WO-171 en WO-179 collecties, waarin War Diaries van Britse en Canadese legertroepen zijn opgenomen. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.8.1.1
THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG EN UITGANGSPUNT ONTLENEN GEGEVENS AAN DAILY LOGS
Alvorens de gegevens uit de Daily Logs verwerkt worden, dienen de volgende zaken opgemerkt te worden. De ervaring leert dat enige terughoudendheid bij het hanteren van de gegevens hieruit op zijn plaats is. Coördinaat aanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts-/ bombardementsbeschrijvingen kunnen door allerlei oorzaken niet overeenkomen met de werkelijke gebeurtenissen en/of locaties. Door middel van ander bronnenmateriaal (zoals de Operation Record Books van de betrokken RAF squadrons) en luchtfotoanalyse zal worden getracht de (beschreven locaties van de) oorlogshandelingen te verifiëren en (indien relevant) te herleiden.
325-018-VO-01
Pagina 16 van 84
2.8.1.2
GEALLIEERDEN: NORD DE GUERRE COÖRDINATENSTELSEL
De Geallieerden hanteerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel. De gegevens uit de Daily Logs met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes (100 meter) of acht cijfers (10 meter) wordt aangeduid, is het in de meeste gevallen mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. De navolgende Geallieerde stafkaart heeft betrekking op het onderzoeksgebied: ▪ 14 N.W., Middelburg, G.S.G.S. 4427, Second Edition, September 1944, 1:25.000. De volgende kaartvierkanten zijn bij het doornemen van de Geallieerde bronnen gehanteerd: NORD DE GUERRE COÖRDINATEN: QD2030
Onderzoeksgebied
QD2031
Onderzoeksgebied
QD2032
Onderzoeksgebied
QD2130
Onderzoeksgebied
QD2131
Onderzoeksgebied
QD2132
Onderzoeksgebied
QD2230
Onderzoeksgebied
QD2231
Onderzoeksgebied
QD2330
Onderzoeksgebied
QD2331
Nabij onderzoeksgebied
Tabel 2: De gehanteerde kaartvierkanten met basis coördinaat bij het doornemen van de Daily Logs.
De kaart op de volgende pagina toont de locatie van de gehanteerde Nord de Guerre-coördinaten ter hoogte van het onderzoeksgebied.
325-018-VO-01
Pagina 17 van 84
N o r dd eG u e r r ek a a r tv ie r k a n te n
C O N T A C T G E G E V E N S
B E Z O E K A D R E S
E -m a il:in fo @ x p lo s u re .n l T e le fo o n :0 2 6 -4 4 5 0 0 9 9 w w w .x p lo s u re .n l
H u is m a n s tra a t6 6 8 5 1G TH u is s e n
/
D a tu m : 3 0ja n u a ri2 0 1 9
P ro je ct: 3 2 5 -0 1 8
O p d ra ch tg e v e r: D rie sta rB .V .
T e k e n in gN r: 3 2 5 -0 1 8 -T E -0 3 C o p yrigh t2 0 1 9X p lo su re
Le g e n d a O n d e rzo e ksg e b ie d N o rdd eG u e rre -grid
Q D 2 0 3 2
Q D 2 0 3 1
Q D 2 0 3 0
Q D 2 1 3 2
Q D 2 1 3 1
Q D 2 1 3 0
Q D 2 2 3 1
Q D 2 2 3 0
Q D 2 3 3 1
Q D 2 3 3 0
Sch a a l: 1 :2 0 .0 0 0
E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs
0
2 5 0
5 0 0
M e te r 7 5 0
E sriN e d e rla n d ,C o m m u n ityM a pC o n trib u to rs
2.8.2 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden. De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten.
Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.”11 Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941. In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.9
GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.
Voor deze bureaustudie is ten behoeve voor verder inzicht betreffende eerdere gedocumenteerde ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semi-statisch Informatie Beheer Ministerie van Defensie (SIB) te Rijswijk. Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. Eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied over de periode medio 2010-2018 zijn digitaal raadpleegbaar bij de EOD.
11 https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzen-hinweise-militaerische-
unterlagen.html (geraadpleegd: december 2018).
325-018-VO-01
Pagina 19 van 84
2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE Voor dit onderzoek is een overzicht van de UO’s/MORA’s van het onderzoeksgebied en het omliggende gebied welk in Nederland is gelegen, ontvangen. Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is gebruik gemaakt van Google Earth & Maps. Er heeft beperkte controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen. Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen CE zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. MELDING NR.: DATUM:12
LOCATIE:
AANGETROFFEN:
19711044
17-05-1971
1x granaat
19720013 19720014
04-01-1972 04-01-1972
In aanbouw zijnd Bungalowpark, Arnemuiden De Sloedam De Sloedam, zoekactie13
19720052
07-01-1972
De Sloedam
19720145
26-01-1972
19722209 19722784
22-09-1972 23-11-1972
19730011 19732752
04-01-1973 20-11-1973
19750475
06-03-1975
19751278 19752664
26-05-1975 17-10-1975
19752849 19760641 19761466 19823758 19823889 19830254 19830335
04-11-1975 19-03-1976 18-05-1976 09-11-1982 22-11-1982 02-02-1983 14-02-1983
Domijnterrein, Muidenweg, Arnemuiden Bestemmingsplan Oranjeplaat Arnemuiden, Muiderweg 10 te Arnemuiden Perceel no 7 Muidenweg Kwist-Muidenweg 10 te Arnemuiden In bouwland Muidenweg 6 Arnemuiden Muidenweg 10 (op erf) Boerderij “Westeinde” oude Rijksweg B.8 te Arnemuiden Oude Rijksweg B.8 te Arnemuiden Hr Krist, Muidenweg nr. 10 Oude Rijksweg D.8 Arnemuiden Muidenweg 10, Arnemuiden Muidenweg 10, Arnemuiden Noord-Sloe Sloedam
19830355A
17-02-1983
Gebied in Noord-Sloe
1x granaat high explosive 75mm 2x granaat high explosive 75mm 1x granaat api 20mm 1x gedetoneerde shoemijn 1x 3-inch brisantgranaat mortier 1x verdedigingshandgranaat 1x high explosive granaat 75mm 1x granaat 10cm 15cm granaat 1x granaat 8cm 1x pantser granaat 10cm Alleen melding (2 granaten lengte 45 cm Ø 10 à 15cm) Alleen melding (1 granaat lengte 40cm) 1x brisantgranaat 25 ponder met schokbuis Alleen melding (1x granaat) Alleen melding (1x granaat) Alleen melding (1x granaat) 1x bom UK General Purpose 500lbs 1x UK bom 500lbs MC (TP30) Nihil 4x 88mm granaat; 2x handgranaat; 30x klein kaliber munitie 6x granaten 8,5cm;
12 Meldingsdatum 13 Zoekactie naar aanleiding van aan te leggen hoofdgasleiding in het Noord-Sloe, vanaf de spoorlijn Vlissingen – Bergen
op zoom naar het recreatieplan “Oranjeplaat”.
325-018-VO-01
Pagina 20 van 84
MELDING NR.: DATUM:12
19830355B
17-02-1983
19830355C
17-02-1983
19830355D
17-02-1983
19830355F t/m 19830355J
17-02-1983
19830355K t/m 19830355O 19830447
17-02-1983
19830447F t/m 19830447K14 19833982
01-03-1983
19841523
04-05-1984
19870940
22-04-1987
19873336 19873360 19890976 19911622 19921197
04-12-1987 08-12-1987 10-04-1989 11-07-1991 22-05-1992
19930948 19940357
28-04-1993 04-03-1994
19951405
28-06-1995
01-03-1983
08-12-1983
LOCATIE:
AANGETROFFEN:
4x handgranaten; 2x fosforgranaten 37mm; 1x 20mm granaat Gebied in Noord-Sloe 5x pantsergranaten 8,5cm; 2x fosforgranaten 37mm; 1x granaatkop; 1x handgranaat; 1x 20mm granaat; 2x klein kaliber munitie; 2x mortiergranaten Gebied in Noord-Sloe 11x granaten 8,5cm; 1x granaat 12cm; 1x brandbom 45mm; 1x 20mm granaat Gebied in Noord-Sloe 30x klein kaliber munitie; 5x granaten 88mm; 1x granaatkop; 1x brandbom 40lbs Gebied in Noord-Sloe 11x granaten van diverse kalibers; 1x bom 500lbs UK (beschadigd); 2x mortiergranaten Gebied in Noord-Sloe 4x granaten; 1x mortiergranaat; 4x ontstekers Verwijzing naar ZA in Arnemuiden 11x granaat diverse kalibers Mora 19830355 8x ontsteker 5x bom 500lbs general purpose UK 1x bom 250lbs general purpose UK 1x bom 250kg ZC concrete practice bomb Verwijzing naar ZA in Arnemuiden 2x bom 500lbs general purpose UK Mora 19830355 7x granaat diverse kalibers 1x mortiergranaat Noord Kraaiersedijk 2, Lewedorp 4x 40mm granaat 2x 15cm granaat Einde van de Steigerweg aan de 1x handgranaat slootkant Steigerweg aan de dijk nabij 1x mortiergranaat bunker Muidenweg 4x handgranaat Muidenweg, Noordsloe 3x handgranaat; 2x 20mm granaat Steigerweg 1x 88mm granaat Muiderweg 10, Arnemuiden 1x handgranaat (Mills) Steigerweg/Zwartepad 2x stok-handgranaat (Duits); 1x huls (3cm); 1x granaat Muidenweg 11 te Arnemuiden 1x restand 12cm granaat Oranjepolderseweg te 1x 8cm Duits
mortiergranaat He Arnemuiden In een weiland aan de Orange1x 40mm cmpl schot Polderseweg te Arnemuiden
14 In het totaaloverzicht staan 9 bommen, 21 granaten van diverse kalibers, een mortiergranaat en 10 ontstekers vermeld.
325-018-VO-01
Pagina 21 van 84
MELDING NR.: DATUM:12
LOCATIE:
AANGETROFFEN:
19972283 19980498 20000767 20020544 20061520
29-10-1997 23-03-1998 25-04-2000 17-04-2002 04-10-2006
Kallandweg Kalklandweg Calansweg 3 Muidenweg 12/Calandweg Steigerweg
20080564
24-04-2008
20081137
07-08-2008
1m van A58 thv Arnemuiden Hectometerpaal 162.3 Li Steigerweg Arnemuiden, onderzoek CE langs het spoor Roosendaal-Vlissingen
1x 75mm brisantgranaat 1x 5cm pantsergranaat massief 1x 10,5 brisantgranaat Duits 1x brisantgranaat 7,5cm 1x 25 ponder brisantgranaat verschoten ontsteker no. 117 1x 25 ponder chem leeg
20111675
18-10-2011
Oranje Polderseweg, Arnemuiden
20120870 20121860
24-05-2012 26-11-2012
Muidenweg 3, Arnemuiden Oranjepolderseweg, Arnemuiden
20131546
07-09-2013
Suzannapolder langs de Muidenweg, Arnemuiden
1x ontsteker en/of restanten Duits 1x huls 20mm UK 6x patroon 7,72mm UK 2x geweerpatroon SAA UK 4x huls geweerpatroon (ledig) UK 25x patroon 6mm UK 1x brisantgranaat; 81mm mortier met schokbuis Nr 24-31 (F) (niet verschoten) 1x bom; oefen; 250lbs Betonbom (D) 1x brisantgranaat; 25pdr met schokbuis No119 (GB) (verschoten) 1x brisantgranaat; 2 inch mortier met schokbuis No 151/161 serie (verschoten)
Tabel 3: Overzicht MORA’s bij onderzoeksgebied ‘Oranjeplaat te Arnemuiden’.
Uit bovenstaande meldingen blijkt dat in de directe omgeving van het onderzoeksgebied vondsten zijn gedaan van afwerpmunitie, artillerie en infanterie. Deze duiden op de betrokkenheid van het onderzoeksgebied bij oorlogshandelingen. Een nadere omschrijving van deze handelingen volgt in Paragraaf 2.11. Veel van de meldingen kunnen niet naar een exacte locatie worden herleid. De vondsten zullen in Paragraaf 2.13 nader worden geanalyseerd, bij de afweging van relevante indicaties en contra-indicaties. 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMI-STATISCH INFORMATIE BEHEER MINISTERIE VAN DEFENSIE RIJSWIJK Bij het Semi-statisch Informatie Beheer Ministerie van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 19451947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid. 2.9.3
MIJNENVELDREGISTER
Gedurende de oorlog zijn door de strijdende partijen mijnenvelden ingericht. Deze velden werden voor verschillende doeleinden aangelegd: bescherming, verdediging, het stoppen of desorganiseren van de vijandelijke opmars. Daarnaast werden zogenaamde ‘schijnmijnenvelden’ aangelegd. Een dergelijk veld bevatte geen explosieven en had ten doel de vijandelijke opmars te vertragen. Het
325-018-VO-01
Pagina 22 van 84
soort (antitank- of antipersoneelmijnen) en aantal gelegde mijnen binnen een mijnenveld was afhankelijk van de functie van het veld. Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde “mijnenboeken”. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. Voor deze bureaustudie is bij de EOD navraag gedaan of er voor de onderzoeksgebieden mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Uit de door de EOD aangeleverde gegevens blijkt dat er in het onderzoeksgebied geen geregistreerde mijnenvelden hebben gelegen.
2.10 LUCHTFOTO INTERPRETATIE Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen in een aantal gevallen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogs-gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. 2.10.2 METHODIEK Er zijn meerdere typen luchtfoto's, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen.
Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken. Vervolgens worden middels georeferentie en georectificatie (door middel van ArcGIS Pro) de luchtfoto's zo exact mogelijk gepositioneerd op een recente ondergrond om de analyseresultaten te transponeren naar de hedendaagse situatie.15
15 Afhankelijk van de fotohoek (verticals - split verticals e.d.), vlieghoogte, de schaal, de gehanteerde fotolens, de
beeldkwaliteit, de stabiliteit tijdens de vlucht van het fotograferende vliegtuig, de beschikbare georeferentiepunten, hoogteverschillen in het landschap en de georectificatie, treden er tijdens de georeferentie van de verschillende foto’s afwijkingen (toleranties) op. Vanwege het gebrek aan voldoende georeferentiepunten door grootschalige naoorlogse veranderingen wordt in dit onderzoek een tolerantie van 20 meter gehanteerd.
325-018-VO-01
Pagina 23 van 84
2.10.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE Het hanteren van luchtfoto’s bij explosievenonderzoek wordt sterk beïnvloed door een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied; Opnamedata; Beeldkwaliteit; Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); Ervaring van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren.
Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven. Bovendien kunnen bijvoorbeeld jaargetijden, schaduwwerking, wolken, begroeiing en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie. 2.10.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL Voor dit onderzoek is er een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst te Zwolle (TOPO), National Collection of Aerial Photography (NCAP) - The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland) en Laurier Military History Archive te Waterloo (Canada). Van de in deze archieven beschikbare luchtfoto’s van het onderzoeksgebied zijn er in totaal 60 luchtfoto’s uit de periode 1940-1945 geïnterpreteerd op indicaties van oorlogshandelingen. In het navolgende overzicht zijn de opnamen beschreven welke voor de luchtfoto interpretatie zijn gebruikt.16 De waargenomen indicaties zijn opgenomen in de overzichtstabel van Paragraaf 2.11.
Een deel van de indicaties is daarnaast inzichtelijk gemaakt in Paragraaf 2.12. NR.:
DATUM:
SORTIE NR.:
SCHAAL (1:X):
BEELDNUMMER(S):
KWALITEIT:
ARCHIEF:
AANTAL:
1
31-08-1940
H-143
30.000
272; 273; 274; 275
Matig
TARA
4
2
05-10-1940
H-287
40.000
225
Matig
TARA
1
3
15-10-1940
H-332
40.000
258
Matig
TARA
1
4
16-08-1943
E-007
20.000
4151
Goed
TARA
1
5
06-09-1943
E-145
10.000
4014
Goed
TARA
1
6
07-04-1944
J-821
8.000
3165; 4162; 4163; 4164
Redelijk
TOPO
4
7
13-09-1944
16-1167
9.800
3059; 3061
Goed
TOPO
2
16 Bij de selectie van luchtfoto’s is rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van
het fotobeeld en de schaal.
325-018-VO-01
Pagina 24 van 84
NR.:
DATUM:
SORTIE NR.:
SCHAAL (1:X):
BEELDNUMMER(S):
KWALITEIT:
ARCHIEF:
AANTAL:
8
16-09-1944
106G-2927
8.000
Goed
WUR
5
4-0854
7.600
3019; 3020; 3021; 3022; 3140 4182
Goed
TARA
1
9 10
12-10-1944
4-1056
10.800
3097; 3098; 4100
Goed
TARA
3
11
13-10-1944
4-1069
9.400
Goed
LMH
6
12
14-10-1944
106G-3339
7.600
3068; 3143; 3145; 4018; 4151; 4152 4133; 4180; 4225
Goed
WUR
3
13
24-10-1944
4-1137
7.600
Redelijk
WUR
17
14
03-11-1944
4-1206
7.600
3110; 3111; 3112; 3113; 3114; 3115; 3116; 4040; 4076; 4077; 4078; 4079; 4080; 4081; 4082; 4083; 4084 1023
Matig
TARA
1
15
04-11-1944
4-1219
7.800
4011; 4012; 4013; 4014
Goed
TARA
4
4-1220
7.600
3001; 3002
Goed
TARA
2
TARA
2
TARA
1
TARA
1
16 17
06-11-1944
4-1231
7.500
3030; 3031
18
23-12-1944
7-3700
40.000
8030
Goed (bewolkt) Matig
19
09-07-1945
3G-TUDS090
40.000
5016
Matig
Tabel 4: Selectietabel van de beschikbare, bewerkte en geanalyseerde luchtfoto’s ten behoeve van het onderzoek ‘Oranjeplaat te Arnemuiden’.
325-018-VO-01
Pagina 25 van 84
2.11 OVERZICHTSTABEL OORLOGSHANDELINGEN UIT LITERATUUR, ARCHIEFMATERIAAL EN LUCHTFOTO’S In navolgend overzicht zijn de gegevens opgenomen welke zijn achterhaald uit hiervoor opgesomde geraadpleegde literatuur, archieven en luchtopnamen. In de tabel worden de locatie beschrijvingen nader getoetst op verificatie, herleidbaarheid en relevantie tot het onderzoeksgebied. DATUM:
LITERATUUR:
10-05-1940
Vermelding van een verongelukte T 144 Heinkel He II5 B van de Küstenfliegergruppe 106 om 14.45 uur in het Sloegebied.17 Het verliesregister meldt het verlies van een He 115B van Kü.Fl.Gr. 106 met volgnummer T144 met als locatieomschrijving ‘Sloe’.18 Franse troepen groeven zich in of namen stelling kort achter de betonnen muurtjes (muraltmuurtjes). Midden voor de Sloedam had zich Franse infanterie ingegraven over een frontbreedte van ongeveer 300 meter, dus aan weerszijden ongeveer 150 meter. Zij maakten voor een groot deel gebruik van de aanwezige betonnen schutting als natuurlijke dekking.19
11-05-1940 t/m 17-05-1940
NATIONALE ARCHIEVEN
INTERNATIONALE ARCHIEVEN
Stellingbouw, artilleriebeschietingen, grondgevechten en vernielingsactiviteiten bij de Sloedam. De Duitsers ondervonden hinder van de Fransen die dekking konden zoeken achter de betonnen Muralt muurtjes.20
14-05-1940
16-05-1940
‘Als laatste defensielinie in Zeeland was het westelijke damhoofd van de Sloedam door de Fransen [224ème R.I., gesteund door anti-tankkanonnen en diverse artillerie-eenheden] ter verdediging ingericht. Het was echter niet zoals de Bath- en Zanddijkstellingen een geplande en aangelegde verdedigingsstelling, maar een pas daags tevoren opgeworpen stelling. Na het in stand houden van een klein bruggehoofd aan de oostelijke zijde van de dam om de laatste terugtrekkende eenheden door te laten, werd ook dit opgeheven en volledig op Walcheren teruggetrokken. De verdediging aan de Sloedam was geheel in Franse handen.’21 Afworp van mijnen in het Sloe gebied door Nederlandse Marineschepen.22
Verslag van een Duitse soldaat: ‘Sloedam (…) Direct na het aanbreken van de dag begonnen we met het graven van schuttersputjes, omdat het ons duidelijk was dat het in de loop van de dag nog tot strijdhandelingen zou komen. (…) naar het 30 meter achter ons liggende baan-waterhuisje te gaan (…) We hoorden het lawaai van een motor en gingen naar buiten. Boven ons cirkelden op een hoogte van ca. 1.000 m 15 tot 20 vliegtuigen. Op dat ogenblik kwamen de eerste drie vliegtuigen in een duikvlucht op ons af. (…) Uit elk van deze vliegtuigen maakten zich drie kleine bommen los en op hetzelfde ogenblik knetterde onze mitrailleur, die na het afgeven van twee schoten verstomde. (…) De bommen waren in de dag ingeslagen, en de luchtdruk had het dak van het huis er afgeblazen. (…) En terwijl
HERLEIDBAARHEID & RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED: De indicatie is niet herleidbaar tot een specifieke locatie. De omschrijving ‘Sloe’ verwijst naar het gebied ten zuiden van de Sloedam. De indicatie is derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek. De Sloedam en de Franse stellingen daaromheen bevinden zich buiten het onderzoeksgebied. De gevechtshandelingen rond de Sloedam zijn globaal omschreven en zijn derhalve contextueel van aard. Ze duiden op vernielingsactiviteiten, artilleriebeschietingen en grondgevecht in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Nadere analyse geschiedt zo mogelijk aan de hand van de luchtfoto’s van 31 augustus 1940.
De indicatie is niet herleidbaar tot een specifieke locatie. De omschrijving ‘Sloe’ verwijst naar het gebied ten zuiden van de Sloedam. De indicatie is derhalve niet relevant voor het huidige onderzoek. Het waterhuis bevindt zich op ongeveer 500 meter van het onderzoeksgebied. De gevechtshandelingen rond de Sloedam zijn globaal omschreven en voor het huidige onderzoek derhalve contextueel van aard. Nadere analyse geschiedt zo mogelijk aan de hand van de luchtfoto’s van 31 augustus 1940.
17 T. Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (z.p. z.j.) 17. 18 Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 (SGLO), Verliesregister 1939-1945. Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 2008) 22. 19 Hoebeke, Slagveld Sloedam, 75. 20 Ibidem, 105-176. 21 J.N. Houterman, “Deutschland’ verovert Zeeland. De Duitse inval in Zeeland, mei 1940 (Middelburg 1991) 52. 22 Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen, 83.
325-018-VO-01
Pagina 26 van 84
“Bello” met reuzensprongen van de dam naar beneden kwam, kwamen de volgende 3 Franse bommenwerpers in duikvlucht op ons af. Nu herhaalde zich bijna hetzelfde als de eerste maal, alleen lagen de inslagen nu 7 aanzienlijk dichter bij ons. De meeste bommen vielen tot ons geluk echter in de vóór ons liggende modder en wierpen daabij zo veel modder en aarde op dat Unterscharführer Hasselwander door een grote brok in de rug getroffen werd, niet in staat was op te staan en bijna 10 tot 15 minuten lang gebrek aan lucht had. (…) In de volgende 15 minuten ontploften in de allernaaste nabijheid nog zo’n 30 à 35 bommen en werden wij door de luchtdruk van de exploderende bommen nog enige malen heen en weer geslingerd. (…) De tegenoverliggende stellingen van de tegenstander waren in de nevel nauwelijks te herkennen. De Gruppenführer kwam naar voren, keek, hoorde niets, vroeg naar patrouilleresultaten en verklaarde toen dat het hem onverklaarbaar was waarom de compagnie niet allang verder naar voren lag. Maar een ogenblik later, tegen 9.00 uur begon het weer. In het begin hevig vijandelijk geweer- en mitrailleurvuur, waarmee al gauw antitankgeschut en mortieren instemden.
Ook trokken we van links allerzwaarst artillerievuur van Engelse oorlogsschepen (…) Op het ogenblik echter dat de bewegingen begonnen, verhevigde het artillerievuur bovenmatig en lag met name op de kruising aan de oostelijke oever. Met zeer sterke artillerieondersteuning, die vanaf 12.30 uur één lichte en twee zware afdelingen omvatte, gelukte het 1,5 compagnie zich over de dam naar voren te werken en een bruggehoofd aan de andere zijde te vormen. (…) Tegen 18.00 uur werd het vuur van alle wapens nog eenmaal tot een geconcentreerde artillerieaanval op de vijandelijke oever samengebundeld en nog eenmaal onder inzet van aangevraagd duikbommenwerpers tot de aanval overgegaan. Om 18.30 uur gelukte het de 10e Compagnie (…) gevechtskrachtige delen op het tegenoverliggende damhoofd te krijgen.’23 Duits bombardement door Junkers Ju 88 en Heinkels He III van het 1./KG 4 “General Wever” op de Sloedam te Zeeland.24 De Heinkels 111 van de I. Gruppe/KG4 en II. Gruppe KG 4 voerden luchtaanvallen uit op bekende en vermoedelijke luchtafweer- en artilleriestellingen ten oosten van Middelburg, bij Vlissingen, Arnemuiden en aan de oostkant van het eiland.25
16-05-1940/ 17-05-1940
17-05-1940
‘Zoo hebben op 16 mei 1940 tengevolge van bominslag en mitrailleurvuur ongevallen plaats gehad, waarbij woningen zijn in brand geraakt en uitgebrand en menschen door bominslag zijn gedood. Landbouwschuren in de omgeving van den Sloedam hebben o.a. ook door granaatscherven ernstige schade opgeloopen. Aan bouwland met daarop voorkomende veldvruchten werd schade aangericht door neergekomen bommen.’26
Einzelheiten des Einsatzes vom 16.5.40 gegen die Niederlande und gegen Belgien. (…) Angriff auf eine Flakbattr. Bei Arnemuiden.27
‘Tengevolge van de plaats gehad hebbende krijgsverrichtingen aan den Sloedam op 16/17 mei 1940 had het volgende plaats door bominslag: Een woning staande in den Jacobpolder plaatselijk gemerkt wijk H. no 190, werd totaal verwoest, terwijl de daaraan grenzende woning dientengevolge niet meer bewoonbaar is. Drie menschen kwamen bij den bominslag om het leven.’28 Duits bombardement met brisantbommen door Heinkels He III van het I en II./KG 4 “General Wever”. Getroffen werd de omgeving van luchtafweerstellingen.29