26-001 Bijlage 1. Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Middelburg 2026
Tekst van het document
Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Middelburg 2026 Inleiding Goed bestuur is integer bestuur. Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar een gezamenlijk belang dat de hele organisatie en het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. De gedragscode richt zich daarom zowel tot de individuele politieke ambtsdragers als tot de bestuursorganen. Integriteit van politieke ambtsdragers verwijst naar de zorgvuldigheid die politieke ambtsdragers moeten betrachten bij het invullen van hun rol in de democratische rechtsstaat. Dat betekent de verantwoordelijkheid nemen die met de functie samenhangt en bereid zijn verantwoording af te leggen, aan collega-bestuurders, de gemeenteraad en bovenal aan de burger. Politieke ambtsdragers hebben een voorbeeldfunctie. Een bestuurder gedraagt zich zoals een goed ambtsdrager betaamt. Een politieke ambtsdrager onthoudt zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van het ambt of het openbaar bestuur schaden. Een politiek ambt gewetensvol vervullen gebeurt in de dagelijkse praktijk en strekt zich ook uit tot de privésfeer. In de democratische rechtsstaat dient een ieder zich te houden aan de wetten en regels die op democratische wijze zijn vastgesteld.
Dat geldt zeker voor de politieke ambtsdragers die (mede) verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van die wetten en regels. Deze plicht is voor de politieke ambtsdrager neergelegd in de eed of belofte die de politieke ambtsdrager bij de ambtsaanvaarding aflegt. Hierin staat dat de politieke ambtsdrager geen giften of gunsten heeft beloofd om lid te worden dan wel een geschenk of belofte heeft aangenomen. De gedragscode geeft nadere invulling aan wat we binnen de gemeente Middelburg met elkaar onder integriteit en integer handelen verstaan. De gemeenteraad stelt zowel voor de eigen leden als voor het college van Burgemeester en Wethouders een gedragscode vast. Dat is zo vastgelegd in de Gemeentewet. De gedragscode is een richtsnoer voor het handelen van individuele politieke ambtsdragers en heeft tot doel hen te ondersteunen bij de invulling van hun verantwoordelijkheid voor de integriteit van het openbaar bestuur. Zij vormt een beoordelingskader bij twijfel, vragen en discussie. Onderhavige gedragscode heeft betrekking op burgemeester en wethouders. Voor de gemeenteraad is er een eigen afzonderlijke gedragscode. Veel bepalingen zijn voor burgemeester, wethouders en raads- of commissieleden gelijk. Er zijn ook verschillen. Die hebben te maken met de staatsrechtelijke posities en met de voor hen geldende wettelijke (integriteits)regels.
Voor de duidelijkheid en leesbaarheid is hierdoor gekozen voor twee aparte gedragscodes. Het rechtskarakter van de gedragscode is dat van een interne regeling, als nadere invulling en concretisering van de wettelijke regels. Dit zorgt voor transparantie van het handelen van politieke ambtsdragers evenals van de besluitvorming over en de naleving van de normen. Het voorschrijven van een gedragsregel die afwijkt of verder gaat dan een dwingendrechtelijke wettelijke regeling is niet mogelijk. Een gedragscode heeft dus niet de juridische status van een algemeen verbindend voorschrift zoals een gemeentelijke verordening. De regels worden in gezamenlijk debat vastgesteld door de politieke ambtsdragers zelf. In dit licht moeten de regels in de code worden gezien. Dat maakt de gedragscode evenwel niet vrijblijvend. De bestuurders kunnen daarop worden aangesproken en zij dienen zich over de naleving ervan te verantwoorden. Het niet naleven van de gedragscode kan dus wel onderdeel worden van politiek debat en kan ook politieke gevolgen hebben. De gedragscodes bieden politieke ambtsdragers een handvat om andere politieke ambtsdragers aan te spreken op hun gedrag en hieruit wellicht (politieke) consequenties te trekken. Integriteit is uiteindelijk niet in regels te vangen. In de woorden van de schrijver C.S. Lewis gaat het om ‘doing the right thing, even when no one is watching’.
Kernwaarden van bestuurlijke integriteit De burgemeester en de wethouders stellen bij hun handelen de kwaliteit van het openbaar bestuur centraal. Integriteit van het openbaar bestuur is daarvoor een belangrijke voorwaarde. De belangen van de gemeente, en in het verlengde daarvan die van de inwoners van de stad en dorpen en haar gebruikers, zijn het primaire richtsnoer. Bestuurlijke integriteit houdt in dat de verantwoordelijkheid die met de functie samenhangt wordt aanvaard en dat er de bereidheid is om daarover verantwoording af te leggen. Verantwoording wordt intern afgelegd aan collega-bestuurders en aan de gemeenteraad, maar ook extern aan organisaties en een ieder voor wie bestuurders hun functie vervullen. Een aantal kernbegrippen zijn daarbij leidend en plaatsen bestuurlijke integriteit in een breder perspectief: Onafhankelijkheid: de bestuurder vermijdt in zijn/haar handelen verhoudingen waarin zijn/haar persoonlijk belang of het belang van de groep waarmee hij/zij in contact staat, enerzijds en de belangen van de gemeente anderzijds door elkaar gaan lopen of kunnen gaan lopen. Zelfs de schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden. Dienstbaarheid: de bestuurder is altijd en volledig gericht op het belang van de gemeente en op de organisaties en bewoners die daar onderdeel van uitmaken.
Functionaliteit: het handelen van de bestuurder heeft een herkenbaar verband met de functie die hij/zij vervult in het bestuur. Openheid: de bestuurder handelt transparant, zodat optimale verantwoording mogelijk is en de controlerende organen volledig zicht hebben in het handelen van hem/haar en zijn/haar beweegredenen daarbij. Deze openheid wordt beperkt door de regelgeving omtrent vertrouwelijke en geheime informatie. Betrouwbaarheid: op een bestuurder moet men kunnen rekenen. Hij/zij houdt zich aan de afspraken. Kennis en informatie waarover hij/zij uit hoofde van zijn/haar functie beschikt, wendt hij/zij aan voor het doel waarvoor die zijn gegeven. Zorgvuldigheid: de bestuurder handelt altijd zodanig dat alle inwoners en organisaties op gelijke wijze en met respect worden bejegend en dat belangen van partijen op correcte wijze worden afgewogen. Deze kernbegrippen zijn de toetssteen voor de gedragsafspraken. PARAGRAAF 1: ALGEMENE BEPALINGEN Wettelijke grondslag De raad stelt een gedragscode vast voor de burgemeester en wethouders (artikel 69, tweede lid, en artikel 41c, tweede lid, Gemeentewet).
Artikel 1.1 Begripsbepaling In deze gedragscode wordt verstaan onder: College: het college van burgemeester en wethouders; Integer handelen: burgemeester en wethouders handelen op een eerlijke, transparante en verantwoorde manier, waarbij persoonlijke en professionele belangen niet in conflict komen met het belang van de gemeente Middelburg en haar inwoners.
Artikel 1.2 Toepassing gedragscode
2
De gedragscode geldt voor de burgemeester en de wethouders van de gemeente Middelburg en richt zich ook tot de bestuursorganen het college respectievelijk de burgemeester. Artikel 1.3 Openbaarheid gedragscode De gedragscode is openbaar en via de website van de gemeente Middelburg beschikbaar. PARAGRAAF 2: INTEGER HANDELEN EN OMGANGSVORMEN Artikel 2.1 Integer handelen Burgemeester en wethouders handelen integer en gedragen zich zoals een goed ambtsdrager betaamt. Artikel 2.2 Bejegening Burgemeester en wethouders bejegenen elkaar en anderen, waaronder raads- en commissieleden, ambtenaren, burgers en vertegenwoordigers van bedrijven en instellingen, waardig, correct en respectvol, zowel in woord, geschrift als in de media en op sociale media. Artikel 2.3 Uitlatingen over integriteit Burgemeester en wethouders onthouden zich in het openbaar, waaronder tijdens vergaderingen van raad en commissie(s), in de media en op sociale media, van uitspraken waarin twijfels worden geuit over elkaars integriteit of over de integriteit van een raadslid of commissielid. Artikel 2.4 Zorgvuldige besluitvorming Burgemeester en wethouders zijn eerlijk over hun overwegingen, luisteren naar elkaars argumenten en de argumenten vanuit de raad en accepteren deze als bijdragen tot een procedureel zorgvuldige besluitvorming.
Artikel 2.5 Onderling gesprek ingeval van onenigheid Bij onenigheid in de onderlinge omgang of de gang van zaken tijdens vergaderingen gaan burgemeester en wethouders onderling het gesprek aan met elkaar, mogelijk onder begeleiding. PARAGRAAF 3: VOORKOMEN VAN BELANGENVERSTRENGELING Wettelijk kader De burgemeester en de wethouders leggen de eed of belofte af (artikel 41a en artikel 65 Gemeentewet). Een collegelid neemt niet deel aan de beraadslagen en stemming over (1) een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; (2) de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij hoort (artikel 58 en artikel 28 Gemeentewet). Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden (artikel 2:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Verboden overeenkomsten/handelingen burgemeester en wethouders: zij mogen in geschillen, waar de gemeente partij is, niet als advocaat, adviseur of gemachtigde werkzaam zijn; zij mogen bepaalde overeenkomst, waar de gemeente bij betrokken is, niet rechtstreeks of middellijk aangaan; van verboden overeenkomsten kan ontheffing worden verleend (artikel 69, eerste lid, en artikel 41c, eerste lid, jo.
artikel 15, eerste en tweede lid, Gemeentewet). Onverenigbaarheid van functies: het zijn van burgemeester of wethouder sluit het hebben van een aantal andere functies uit (artikel 68 en artikel 36b Gemeentewet). Voor de burgemeester en de wethouders is bepaald dat zij geen nevenfuncties hebben die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van het ambt. Voor de burgemeester geldt bovendien dat hij evenmin nevenfuncties heeft die ongewenst zijn met het oog op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Zij melden een voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad.
3
-
Zij maken hun nevenfuncties en hun inkomsten uit nevenfuncties openbaar (artikel 67 en artikel 41b Gemeentewet). Verrekening inkomsten nevenfuncties: de burgemeester en de wethouders mogen geen vergoedingen ontvangen voor ambtshalve nevenfuncties; die worden in de gemeentekas gestort (artikel 66 en artikel 44 Gemeentewet).
Artikel 3.1 Onthouden van beraadslaging en stemming 1. De burgemeester dan wel wethouder onthoudt zich van deelname aan de beraadslaging en stemming over een aangelegenheid die hem/haar rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij/zij als vertegenwoordiger is betrokken, dan wel over de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij/zij behoort. 2. Bij samenwerkingsrelaties tussen de gemeente en particulieren/bedrijven voorkomt de burgemeester dan wel wethouder de schijn van bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen. 3. De burgemeester dan wel wethouder neemt van een aanbieder van diensten aan de gemeente geen faciliteiten of diensten af die zijn/haar onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan beïnvloeden. 4. De burgemeester dan wel wethouder kan daarvoor afstemming zoeken met de gemeentesecretaris respectievelijk de burgemeester. Artikel 3.2 Opgaaf financiële belangen, vastgoedbezit en grondbezit 1. De burgemeester en wethouders doen opgaaf aan de gemeentesecretaris van hun (toekomstige) financiële belangen, waaronder aandelen, opties en derivaten, in ondernemingen die een relatie met de gemeente hebben of kunnen krijgen, en van een aannemelijk belang in een onderneming, eventueel samen met een fiscaal partner.
Ook een tussentijds ontstaan financieel belang of aannemelijk belang wordt opgegeven. 2. De informatie betreft in ieder geval een omschrijving van het financiële belang of aanmerkelijk belang, de onderneming waarin het financiële belang bestaat en wat de inkomsten daaruit zijn. 3. De burgemeester en wethouders doen tevens opgaaf aan de gemeentesecretaris van vastgoedbezit en/of grondposities met een commercieel karakter in de gemeente, niet zijnde een eigen woning. 4. De informatie betreft een omschrijving van het vastgoed en/of de grondpositie, de omvang en de waarde ervan. 5. De gemeentesecretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet te raadplegen. Artikel 3.3 Nevenfuncties 1. De burgemeester dan wel wethouder vervult geen nevenfunctie(s) waarbij strijdigheid is of kan zijn met het belang van de gemeente. 2. De burgemeester dan wel wethouder meldt zijn/haar voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad. 3. De burgemeester en wethouders leveren de gemeentesecretaris de informatie aan over de nevenfuncties die openbaar moeten worden gemaakt, bij aanvang van het ambt, dan wel binnen één maand na aanvaarding van de nevenfunctie, en geven aan de gemeentesecretaris de wijzingen daarin door. 4.
De informatie betreft in ieder geval de omschrijving van de nevenfunctie, de organisatie voor wie de nevenfunctie wordt verricht, of het al dan niet een nevenfunctie uit hoofde van het ambt betreft (zogenaamde nevenfunctie qualitate qua), wat het (verwachte) tijdsbeslag is, of de nevenfunctie
4
5.
bezoldigd of onbezoldigd is, dan wel – voor zover die openbaar gemaakt moeten worden – wat de inkomsten daaruit zijn. De gemeentesecretaris legt hiervoor een register aan. Het register is openbaar en via internet raadpleegbaar.
Artikel 3.4 Vooruitlopen of functie na aftreden 1. De burgemeester en wethouders handelen in de uitoefening van het ambt niet zodanig dat zij vooruitlopen op een functie elders na aftreden. 2. Een wethouder bespreekt het voornemen tot tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de burgemeester. 3. De burgemeester bespreekt de tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de commissaris van de Koning. Artikel 3.5 Verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente na aftreden 1. De burgemeester dan wel wethouder wordt het eerste jaar na aftreden uitgesloten van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente. 2. De uitsluiting geldt niet bij aanvaarding van een dienstbetrekking bij de gemeente Middelburg. Voor werving, selectie en indiensttreding bij de gemeente zijn de voor het ambtelijk personeel geldende regels ter zake van overeenkomstige toepassing. 3. De burgemeester en wethouders vragen meerdere offertes aan als bij een offerteaanvraag ook oudbestuurders en bevriende relaties zijn betrokken. Artikel 3.6 Benoeming tot commissaris of bestuurslid van een verbonden partij 1. Het college draagt de burgemeester dan wel wethouder niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij van de gemeente Middelburg. 2.
Onder verbonden partij wordt verstaan hetgeen hieronder wordt verstaan in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. PARAGRAAF 4: INFORMATIE Wettelijk kader Informatieplicht: burgemeester en wethouders hebben een actieve en passieve informatieplicht jegens de raad. De informatie kan alleen worden geweigerd als het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang (artikel 169 en artikel 180 Gemeentewet). Geheimhoudingsplicht: Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs kan vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht). Geheimhoudingsverplichtingen op grond van de Gemeentewet (artikelen 87, 88 en 89 Gemeentewet). De uitzonderingsgronden van de Wet open overheid vormen de basis voor het opleggen van een geheimhoudingsplicht. Het schenden van de geheimhoudingsplicht is strafbaar (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).
5
Artikel 4.1 Omgaan met en bewaren van vertrouwelijke en geheime informatie 1. De burgemeester dan wel wethouder gaat zorgvuldig en correct om met de informatie waarover hij/zij uit hoofde van zijn/haar ambt beschikt en zorgt ervoor dat vertrouwelijke informatie en geheime informatie veilig wordt bewaard. 2. De burgemeester dan wel wethouder houdt geen informatie achter, tenzij deze geheim of vertrouwelijk is en het niet geven van informatie mogelijk is op grond van de Wet open overheid. Artikel 4.2 Verbod gebruik van niet openbare informatie De burgemeester dan wel wethouder maakt niet ten eigen bate of ten bate van derden gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen (nog) niet openbare informatie. PARAGRAAF 5: GESCHENKEN, FACILITEITEN, DIENSTEN, EXCURSIES, EVENEMENTEN EN ANDERE UITNODIGINGEN Wettelijk kader De eed of belofte die op grond van artikel 41a en artikel 65 Gemeentewet door burgemeester en wethouders wordt afgelegd, heeft onder meer betrekking op het geven, aannemen of beloven van giften, gunsten of geschenken.
Artikel 5.1 Accepteren en aanbieden van geschenken, faciliteiten en diensten 1. De burgemeester dan wel wethouder accepteert en biedt geen geschenken, faciliteiten en/of diensten aan als zijn/haar onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed. 2. De burgemeester dan wel wethouder kan, tenzij lid 1 van toepassing is, incidentele geschenken die een geschatte waarde van €50 of minder vertegenwoordigen, behouden. 3. Geschenken en giften die de burgemeester dan wel wethouder uit hoofde van zijn/haar functie ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan €50 vertegenwoordigen worden, indien deze niet kan worden teruggestuurd, geregistreerd en eigendom van de gemeente Middelburg. Er wordt een gemeentelijke bestemming voor gezocht. 4. De gemeentesecretaris legt een register aan van de geschenken met een geschatte waarde van meer dan €50. In het register is aangegeven welke bestemming de gemeente hieraan heeft gegeven. Het register is openbaar en via internet te raadplegen. 5. De burgemeester dan wel wethouder ontvangt geen geschenken op het woon-/huisadres. 6. De burgemeester dan wel wethouder gebruikt faciliteiten of diensten van anderen die uit hoofde van of vanwege de functie worden aangeboden niet voor privédoeleinden. Artikel 5.2 Accepteren van uitnodigingen voor etentjes, recepties, werkbezoeken en netwerkbijeenkomsten 1.
De burgemeester dan wel wethouder accepteert geen uitnodigingen voor lunches, diners, recepties, werkbezoeken, netwerkbijeenkomsten en andere uitnodigingen die door anderen betaald of georganiseerd worden, tenzij dat behoort tot de uitoefening van de functie en de aanwezigheid kan worden beschouwd als functioneel. 2. Bij twijfel legt de burgemeester dan wel wethouder de uitnodiging ter bespreking voor aan het college. Artikel 5.3 Accepteren van excursies, evenementen, reizen en verblijven voor rekening van anderen
6
1. Uitnodigingen voor excursies, evenementen, reizen en verblijven voor rekening van anderen dan de
2.
3.
4.
5.
6.
gemeente legt de burgemeester respectievelijk de wethouder vooraf ter bespreking voor aan het college. Uitgangspunt hierbij is dat de excursies, evenementen, reizen en verblijven een functioneel karakter hebben voor de gemeente. De burgemeester dan wel wethouder informeert het college in ieder geval wat het doel van het bezoek is, de bestemming en de duur van de reis en het verblijf, wat de geraamde kosten zijn en de wijze waarop van het bezoek en/of verblijf verslag wordt gedaan. De burgemeester dan wel wethouder meldt daarbij tevens als hij/zij voornemens is om de reis en/of het verblijf voor privédoeleinden te verlengen. De extra kosten van de verlenging komen daarbij voor eigen rekening. De burgemeester respectievelijk de wethouder maakt de excursies, evenementen, reizen en verblijven die hij/zij heeft aanvaard openbaar uiterlijk binnen één week nadat deze heeft plaatsgevonden, onder vermelding van wie deze kosten voor hun rekening heeft genomen. De informatie is via internet beschikbaar. De informatie over buitenlandse reizen voor rekening van derden wordt uiterlijk binnen zes maanden na terugkeer in Nederland opgenomen in het register, zoals bedoeld in artikel 6.7, derde lid, van deze gedragscode. Van de reis en/of het afgelegde bezoek wordt door de burgemeester of de wethouder verslag gedaan aan het college.
PARAGRAAF 6: GEBRUIK VAN VOORZIENINGEN VAN DE GEMEENTE Wettelijk kader De burgemeester en de wethouders genieten geen andere vergoedingen ten laste van de gemeente dan die bij of krachtens de wet zijn toegestaan (artikel 66, derde lid, en artikel 44, derde lid, Gemeentewet).
Artikel 6.1 Administratieve organisatie 1. Het college van burgemeester en wethouders richt de financiële en administratieve organisatie zodanig in dat er een getrouw beeld mogelijk is van de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven, met heldere procedures over de wijze waarop functionele uitgaven rechtstreeks in rekening worden gebracht of kunnen worden gedeclareerd bij de gemeente, conform artikel 6.3 van deze gedragscode. 2. De burgemeester en wethouders verantwoorden zich over het gebruik van de voorzieningen volgens de in het eerste lid en in hieronder vastgestelde regels en procedures. Artikel 6.2 Bestuurlijke uitgaven 1. De burgemeester dan wel wethouder gaat verantwoord om met publieke middelen. Uitgaven worden uitsluitend vergoed als de hoogte en de functionaliteit ervan kunnen worden aangetoond. 2. Ter bepaling van de functionaliteit van de bestuurlijke uitgaven wordt gekeken of de uitgave in het belang is van de gemeente Middelburg en of de uitgave aantoonbaar en direct voortvloeit uit het ambt. Artikel 6.3 Declaraties 1. De burgemeester dan wel wethouder gaat verantwoord om met publieke middelen. Er worden geen kosten gedeclareerd die reeds op andere wijze worden vergoed. 2. Declaraties worden afgewikkeld volgens een daartoe vastgestelde administratieve procedure, te weten:
7
a.
b.
c.
d.
De declaratie wordt ingediend door middel van een daartoe vastgesteld formulier. Bij het formulier wordt een betalingsbewijs gevoegd en op het formulier wordt de functionaliteit van de uitgave gemeld. Gemaakte kosten worden uiterlijk binnen zes maanden gedeclareerd. Eventuele voorschotten worden voor zover mogelijk binnen één maand na indiening van de declaratie afgerekend. De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor een deugdelijke administratieve afhandeling en registratie van declaraties van de burgemeester of wethouders. Declaraties worden administratief afgehandeld door (een) daartoe aangewezen ambtena(a)r(en). In geval van twijfel omtrent een declaratie van een wethouder wordt deze voorgelegd aan de burgemeester in zijn/haar hoedanigheid van voorzitter van het college. Zondig kan de declaratie via het raadspresidium ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd.
Artikel 6.5 Gebruik gemeentelijke voorzieningen 1. Gebruik van gemeentelijke eigendommen of voorzieningen te eigen bate of ten bate van derden is niet toegestaan. 2. Burgemeester dan wel wethouder kan op basis van een overeenkomst voor zakelijk gebruik een computer en mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking krijgen. Artikel 6.6 Buitenlandse dienstreis 1. De burgemeester dan wel wethouder meldt het voornemen tot een buitenlandse dienstreis of een uitnodiging daartoe aan het college voor besluitvorming. Hij/zij geeft daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan. 2. De burgemeester dan wel wethouder meldt daarbij tevens als hij/zij voornemens is om de buitenlandse reis voor privédoeleinden te verlengen. De extra kosten van de verlenging komen daarbij voor eigen rekening. 3. Het meereizen van derden op kosten van de gemeente Middelburg is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is toegestaan en wordt in dat geval bij de besluitvorming van het college betrokken. 4. Het college betrekt alle aspecten in de besluitvorming en informeert de raad zo spoedig mogelijk over het genomen besluit. 5.
Van de buitenlandse dienstreis wordt door de burgemeester of de wethouder verslag gedaan aan het college. Artikel 6.7 Verantwoording buitenlandse dienstreis 1. De burgemeester dan wel wethouder legt verantwoording af over afgelegde buitenlandse dienstreizen. Hij/zij maakt in ieder geval openbaar wat het doel, de bestemming en de duur van de buitenlandse dienstreis is geweest en wat daarvan de kosten waren voor de gemeente. 2. De in verband met de buitenlandse dienstreis gedane functionele uitgaven worden vergoed conform de geldende regelingen. 3. De gemeentesecretaris legt hiervoor een register aan beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar. 4. Voor de toepassing van artikel 6.6 en 6.7 wordt onder buitenlandse dienstreis niet verstaan een dienstreis naar een Europese instelling of een dienstreis naar een zusterstad in het buitenland. PARAGRAAF 7: UITVOERING GEDRAGSCODE Artikel 7.1 Eenduidige interpretatie
8
De raad bevordert de eenduidige interpretatie van deze gedragscode. Ingeval van leemtes en onduidelijkheden in de gedragscode voorziet de raad daarin. Artikel 7.2 Nadere afspraken Op voorstel van de burgemeester maakt de raad met hem/haar afspraken over de navolgende onderwerpen: a. De periodieke bespreking van het onderwerp integriteit in zijn algemeenheid en van de gedragscode in het bijzonder; b. De periodieke bespreking van het overzicht van nevenfuncties en neveninkomsten; c. De aanwijzing van contactpersonen of aanspreekpunten integriteit; d. De processtappen die worden gevolgd in geval van een vermoeden van een integriteitsschending van een politieke ambtsdrager van de gemeente die zijn vastgelegd in het ‘Protocol integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers 2024 – gemeente Middelburg’. PARAGRAAF 8: SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Inwerkingtreding gedragscode Deze gedragscode treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking van de tot dan toe geldende ‘Gedragscode raadsleden, wethouders en burgemeester’. Artikel 8.2 Citeertitel Deze gedragscode wordt aangehaald als ‘Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Middelburg 2026’.
9
Toelichting bij gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Middelburg 2026 PARAGRAAF 1: ALGEMENE BEPALINGEN Integer handelen betreft in de kern een dusdanig gedragen optreden waarin de ambtsdrager, in dit geval burgemeester en wethouders, eerlijk en transparant het ambt uitoefenen. Hierdoor kunnen zij waardoor zij onafhankelijk opereren en rekenen op het vertrouwen van een ieder. Een bestuurder is moreel competent, betracht zorgvuldigheid, is verantwoordelijk, onafhankelijk en professioneel. Hij/zij houdt zich aan de geldende normen in regels en procedures en is zich bewust van mogelijke integriteitsrisico’s. In zulke gevallen maakt hij/zij zorgvuldige en evenwichtige afwegingen. Ongewenst gedrag is een overkoepelend begrip voor meerdere vormen van grensoverschrijdend gedrag, zoals agressie en geweld, vloeken, roddelen, beledigen, pesten, discriminatie, aanstootgevend en (seksueel) intimiderend gedrag. Ongewenst gedrag levert een integriteitsschending op en vormt als zodanig onderdeel van gedrag dat deze gedragscode beoogt te voorkomen. De leden van het college ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van de gedragscode. PARAGRAAF 2: INTEGER HANDELEN EN OMGANGSVORMEN Integriteit is een thema dat betekenis krijgt in het handelen. Collegeleden hebben vanzelfsprekend een voorbeeldfunctie.
Een bestuurder gedraagt zich zoals een goed ambtsdrager betaamt en onthoudt zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van het ambt of het openbaar bestuur schaden. Een politiek ambt gewetensvol vervullen gebeurt in de dagelijkse praktijk en strekt zich ook uit tot de privésfeer. Het is van essentieel belang dat collegeleden zich bewust zijn van het cruciale ambt dat zij vervullen binnen de democratische rechtsstaat en de impact die zij hebben op de geloofwaardigheid van de politiek. Integriteit is niet alleen een kwestie van regels, maar ziet ook op correct, fatsoenlijk, en respectvol gedrag. Het is daarom noodzakelijk dat collegeleden elkaar en anderen respectvol en correct bejegenen, zowel in woord, gebaar als in de interactie met de media en op sociale media. Correct, fatsoenlijk, en respectvol gedrag is vrij van ongewenste omgangsvormen en grensoverschrijdend en (seksueel) intimiderend gedrag zoals hinderlijk gedrag, intimidatie, dubbelzinnige opmerkingen, handtastelijkheden, agressie, pesten en discriminatie. Collegeleden onthouden zich in woord, gebaar en geschrift, inclusief elektronische berichten, van persoonlijke aanvallen op (individuele) ambtenaren en insprekers tijdens raads- en commissievergaderingen en in het openbaar.
Het is goed daarbij te bedenken dat ambtenaren zich niet in het openbaar kunnen verdedigen tegen uitingen die het collegelid doet in een openbare commissie- of raadsvergadering of tegen uitingen gedaan op sociale media. Een respectvolle omgang maakt het beter mogelijk met elkaar tot een werkelijke beraadslaging te komen. Dat is wezenlijk voor een zorgvuldige besluitvorming. Sociale media is een veel gebruikt medium door collegeleden. Het wordt privé- en werkgerelateerd gebruikt. Soms overlapt het elkaar en kunnen grenzen tussen werk en privé vervagen. Het gebruik van sociale media vraagt om alertheid en bewustzijn van bestuurders dat voor de buitenwereld bij uitingen op sociale media geen onderscheid wordt gemaakt tussen het collegelid en de privépersoon. Tijdens raads- en commissievergaderingen wordt er gedebatteerd over onderwerpen. Het getuigt niet van respect richting raads- en commissieleden, college, publieke tribune of online volgers om tijdens het debat over hetzelfde onderwerp een inhoudelijke discussie te voeren via sociale media.
10
Het openlijk uiten van twijfels over iemands integriteit, zonder dat er een gereed vermoeden bestaat en ook zonder dat er een onderzoek is ingesteld naar een kwestie, kan zeer beschadigend zijn voor iemands goede naam en reputatie. In het geval van politieke ambtsdragers, collegeleden, raads- en commissieleden, doet het af aan de ambtsuitoefening van de betreffende persoon en het vertrouwen dat hij/zij geniet. Om die reden is het niet toelaatbaar als collegeleden zich op deze manier uitlaten over personen. Voorbeelden 1. Op de Nieuwjaarsborrel zijn twee wethouders in gesprek. Het gesprek verandert gaandeweg in een discussie. Die loopt, naarmate de avond vordert en de wijn vloeit, uit de hand. Op een bepaald moment horen de andere aanwezigen de ene wethouder tegen het andere schreeuwen: ‘Dat dossier voor de bouw van een nieuwe school loopt totaal niet en dat is jouw schuld! Je bent de slechtste bestuurder die Middelburg ooit gekend heeft, dat vindt iedereen. Ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat je niet opnieuw benoemd wordt!’ Is dit aanvaardbaar gedrag? Nee, dit gedrag is niet aanvaardbaar en een overtreding van artikel 2.1 en 2.2. van de gedragscode. Een collega-wethouder op deze manier in het openbaar tot de orde roepen is niet correct. Het feit dat ook anderen horen wat de wethouder zegt, is hierbij mede van belang. 2.
Op een bewonersavond legt een projectleider van de gemeente uit wat de plannen zijn ten aanzien van het herinrichten van een winkelstraat. De veranderingen zijn fors, de straat zal een half jaar openliggen, en de winkeliers zijn boos. ‘Wat u zegt klopt helemaal niet. U zegt ons dat het een half jaar zal duren, maar wij hebben van medewerkers gehoord dat dit wel een zéér optimistische inschatting is en dat de straat wel eens veel langer open kan blijven liggen. Dat kost ons onze klanten. We pikken het niet!’ In de zaal zit ook een wethouder. De wethouder doet daarna geen navraag bij de projectleider over de gemaakte opmerking. Tijdens de eerstvolgende collegevergadering zegt hij daarentegen wel verontwaardigt dat de projectleider zat te liegen tegen bewoners. Dat we dit soort medewerkers niet in dienst moeten willen hebben en of de portefeuillehouder P&O met spoed een beoordelings-gesprekje met deze medewerker wil voeren. Is dit aanvaardbaar gedrag?
Nee, dit is geen aanvaardbaar gedrag. Het is niet de bedoeling dat ambtenaren onheus bejegend worden. Dit gedrag is dus in overtreding met artikel 2.2 van de gedragscode. 3.
In een café wordt een wethouder aangesproken door een burger. Deze geeft aan dat hij alle vertrouwen in de politiek heeft verloren. Nou ja, zo stelt hij: niet in de partij van deze wethouder, maar wel in alle anderen. Vooral zijn collega-wethouder die over sport gaat is een groot crimineel die alleen de eigen zakken probeert te vullen. De burger weet uit goed geïnformeerde bronnen dat diegene het op een akkoordje heeft gegooid met een aantal gesubsidieerde instellingen. De wethouder in het café hoort het aan. Bij thuiskomst deelt deze het volgende bericht via verschillende sociale media: ‘Wethouder Sport houdt er zo eigen netwerkjes op na zo meldt mij een betrouwbare bron. Subsidies ter (zelf)verrijking?
Dit is geen aanvaardbaar gedrag. Artikel 2.2 en 2.3 vraagt van wethouders dat zij niet alleen zelf de integriteit van een wethouder niet in twijfel trekken, maar ook dat zij de integriteit van de wethouder verdedigt in het openbaar. Deze manier van handelen schaadt niet alleen de persoon van de wethouder, maar ook het vertrouwen in de lokale politiek. Mocht de wethouder werkelijk twijfelen aan de integriteit van de wethouder dan bewandelt de wethouder de afgesproken route om een melding te doen van zijn vermoeden. 4.
Een raadslid uit de oppositie maakt het leven van de burgemeester al geruime tijd zuur. De persoon in kwestie heeft zich als een pitbull vastgebeten in een aantal dossiers en schuwt de harde confrontatie niet. Daarbij verwijt hij de burgemeester regelmatig niet integer gedrag. Als de
11
burgemeester op een maandagochtend de lokale krant openslaat ziet de burgemeester op pagina 4 in grote letters geschreven dat het raadslid in kwestie aan vriendjespolitiek zou doen. De burgemeester pakt zijn telefoon erbij en schrijft op twitter: ‘Oh ironie! Het kan ook niet anders dat zo’n schreeuwer zelf niet zuiver op het graat is!’ Dit is geen aanvaardbaar gedrag. Artikel 2.2 en 2.3 vraagt van de burgemeester niet alleen dat hi/zij zelf de integriteit van raadsleden niet in twijfel trekt maar ook dat hij/zij de integriteit van raadsleden verdedigt in het openbaar. Deze manier van handelen schaadt niet alleen de persoon van het raadslid maar ook het vertrouwen in de lokale politiek. Mocht de burgemeester werkelijk twijfelen aan de integriteit van het raadslid dan bewandelt hij/zij de afgesproken route om een melding te doen van een vermoeden PARAGRAAF 3: VOORKOMEN VAN BELANGENVERSTRENGELING Burgemeester en wethouders zetten zich in voor het publiek belang. Als zij een persoonlijk belang boven dit algemeen belang stellen, of als zij hun functie misbruiken om een persoonlijk belang te behartigen, noemen we dat belangenverstrengeling. Met persoonlijk belang wordt gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die collegeleden uit hoofde van hun functie behoren te vervullen.
Het kader om ongewenste belangenverstrengeling van bestuurders tegen te gaan, wordt in de eerste plaats gevormd door bepalingen in de Gemeentewet. De in deze gedragscode opgenomen bepalingen inzake bestuurlijke integriteit zijn soms een uitleg van of een aanvulling op deze wettelijke bepalingen. Aanvullend hebben bestuurders hun eigen verantwoordelijkheid om ongewenste belangenverstrengeling en zelfs de schijn daarvan te vermijden. In de Gemeentewet is vastgelegd dat burgemeester en wethouders zelf moeten beoordelen of er sprake is van een persoonlijk belang waardoor belangenverstrengeling ontstaat die de besluitvorming onterecht kan beïnvloeden. Deze verplichting geldt gedurende het gehele proces van besluitvorming, zoals tijdens de behandeling in de commissie en raad, een technische sessie en raadsvergadering. Hiermee wordt voorkomen dat een collegelid door middel van de beraadslaging de uitkomst van de stemming beïnvloed. Een collegelid kan hierover afstemming zoeken met de burgemeester of de gemeentesecretaris. Een zaak kan een collegelid zowel rechtstreeks als indirect persoonlijk aangaan. Onder middellijk kunnen daarom vallen alle ter zake doende intensieve persoonlijke relaties. Het is geen wettelijke verplichting om opgaaf te doen van financiële belangen, vastgoedbezit en grondbezit.
Het past wel binnen het streven om (de schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen om inzichtelijk te maken of, en zo ja, collegeleden financiële belangen of aanmerkelijke belangen in ondernemingen hebben, alsmede of zij commercieel vastgoedbezit of grondbezit in de gemeente hebben. Burgemeester en wethouders doen opgaaf van hun substantiële financiële belangen – bijvoorbeeld in de vorm van aandelen, opties en derivaten – in ondernemingen waarmee de gemeente zaken doet of waarin de gemeente een belang heeft. Burgemeester en wethouders kunnen ook relevante belangen hebben, niet alleen financiële, die aanleiding kunnen zijn tot (schijn van) belangenverstrengeling. Het kan gaan om het bezit van effecten, aandelen, opties, derivaten, vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond en om financiële deelnemingen in ondernemingen. Zulke financiële belangen kunnen een rol spelen bij besluiten over bijvoorbeeld bestemmingsplannen, grondverkopen, maatschappelijke, culturele of welzijnsorganisaties of andere organisaties met een ideële doelstelling. In dit artikel wordt ook gedoeld op belangen die niet financieel zijn.
12
Voorbeelden zijn een terugkeergarantie of andere bijzondere regelingen die het collegelid heeft na de beëindiging van het collegelidmaatschap De bepalingen over nevenfuncties betreffen een uitwerking van de wettelijke verplichting om nevenfuncties openbaar te maken. De informatie wordt neergelegd in een openbaar register. De ambtsdrager is zelf verantwoordelijk voor de tijdige aanlevering van de informatie en voor de actualiteit daarvan. Soms is het een aantoonbaar belang voor de gemeente dat bestuurders een nevenfunctie vervullen uit hoofde van het ambt (de zogenoemde “qualitate qua”). Deze qualitate qua-functies moeten worden onderscheiden van overige nevenfuncties. Qualitate qua-functies zijn herkenbaar aan de hand van de volgende criteria waarvan tenminste één vervuld moet zijn: 1. De aanbeveling, voordracht, keuze of benoeming geschiedt door de raad of het college; 2. Het betreft een functie in een orgaan waarin de gemeente deelneemt of waarvan zij deel uitmaakt; 3. Er is een aantoonbaar belang voor de gemeente dat de nevenfunctie wordt vervuld door een gemeentebestuurder; 4. Men is benoemd vanuit een andere qualitate qua-functie. Een qualitate qua-functie is feitelijk een functionele nevenfunctie die een bestuurder dientengevolge niet op eigen titel vervult. Daarom worden vergoedingen genoten uit een qualitate qua-functie gestort in de gemeentekas.
Onkosten gemaakt uit hoofde van een qualitate qua-functie worden in beginsel door de instantie waar de functie wordt uitgeoefend vergoed. Een tussentijdse aanvaarding van een nevenfunctie dient gemeld te worden in het college. Met inachtneming van de wettelijke grenzen kunnen de leden van het college andere nevenfuncties vervullen die altijd worden gemeld in het college. Daarbij komt tevens aan de orde hoe wordt gehandeld met betrekking tot eventuele vergoedingen. Alle nevenfuncties zijn openbaar en worden op internet beschikbaar gesteld; hierbij wordt tevens vermeld of het onbezoldigde of bezoldigde functies betreft. De gemeentesecretaris ziet toe op de registratie van de nevenfuncties. Hoewel aan het ambt gerelateerde nevenfuncties (q.q.-functies) wettelijk niet openbaar gemaakt hoeven te worden, verdient het aanbeveling deze wel op te nemen in het overzicht van nevenfuncties. Een collegelid loopt tijdens zijn ambtsperiode niet vooruit op een nieuwe functie door handelingen te verrichten die hiermee in verband staan. Hiermee wordt (de schijn van) belangenverstrengeling voorkomen.
Een tussentijdse (voorgenomen) aanvaarding van een nieuwe functie, dat wil zeggen als een collegelid gedurende zijn lopende benoemingstermijn een andere functie wil aanvaarden en zijn benoeming als collegelid voortijdig wil beëindigen, vraagt om een bespreking met de burgemeester respectievelijk de Commissaris van de Koning. In die bespreking zullen de gevolgen en de betekenis van die tussentijdse aanvaarding van een nieuwe functie voor de nog lopende periode van het collegelidmaatschap aan de orde komen. Ook zullen afspraken kunnen worden gemaakt over hoe het betreffende collegelid zich gedurende de periode dat hij het ambt nog bekleedt zal gedragen en welke handelingen hij wel/niet voor zijn rekening zal (blijven) nemen. De ‘draaideurconstructie’ betekent dat oud-bestuurders als externe of in dienst van een externe partij direct na hun afreden betaalde activiteiten verrichten voor dezelfde gemeente waar zij bestuurder zijn geweest. Wettelijk gezien is dit niet verboden, maar om (de indruk van) mogelijke vriendjespolitiek te voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen te vermijden worden hiervoor regels in de gedragscode opgenomen. Burgemeesters en wethouders bouwen gedurende hun bestuursperiode veel
13
informatie op over de gemeentelijke organisatie en ontwikkelingen die de gemeente aangaan. Als zij na hun bestuursperiode (gaan) ondernemen en contracten willen aangaan met de gemeente Middelburg hebben zij een informatievoorsprong en treedt er dus oneerlijke concurrentie op ten aanzien van andere ondernemers; voormalig bestuursleden profiteren daardoor van hun bestuursfunctie, hetgeen nadrukkelijk niet te bedoeling is. Minstens ontstaat de schijn dat zij hun bestuurswerk hebben gebruikt om (na hun bestuursperiode) opdrachten te verkrijgen van de gemeente Middelburg. De draaideurconstructie geldt niet bij aanvaarding van het raadslidmaatschap of een dienstbetrekking bij de gemeente Middelburg. Dat kan van belang zijn in het kader van de re-integratie van de voormalige bestuurder en ter voorkoming van uitkeringslasten voor de gemeente. Uiteraard dienen daarbij de regels van werving en selectie en aanstelling te gelden die er voor iedereen zijn die bij de gemeente gaat solliciteren. Na één jaar worden bij opdrachtverlening de gebruikelijke aanbestedingsvereisten met meerdere offertes gehanteerd als een voormalige bestuurder of een relatie van de huidige bestuurders meedingt naar een opdracht.
Gedurende het eerste jaar na aftreden is de uitsluiting geregeld van benoeming als commissaris of bestuurslid van een ‘verbonden partij’, ofwel, kort samengevat, van een organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en financieel belang heeft. Het begrip ‘verbonden partij’ is ontleend aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Onder bestuurlijk belang wordt verstaan: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht. Een financieel belang wordt gedefinieerd als een aan de betrokken organisatie ter beschikking gesteld bedrag dat niet die organisatie failliet gaat, dan wel het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat, indien de organisatie haar verplichtingen niet nakomt. Hiermee wordt mogelijke vriendjespolitiek voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen vermeden. In de Nederlandse Corporate Governance Code is de onafhankelijkheid van commissarissen van een vennootschap geregeld. In dat licht is het ook onwenselijk dat een collegelid na zijn/haar vertrek bij de gemeente tot commissaris van een de gemeente verbonden vennootschap wordt benoemd. Het is aan te bevelen om zo’n benoeming pas na een jaar na het vertrek van het betreffende collegelid te overwegen.
Het zijn van bestuurslid van een publiekrechtelijke organisatie (gemeenschappelijke regeling met openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan) volgt uit de Wet gemeenschappelijke regelingen en valt daarmee niet onder de uitsluiting van benoeming als commissaris of bestuurslid van een ‘verbonden partij’. Voorbeelden 1. Een wethouder is voorzitter van een voetbalvereniging. Mag de wethouder het wethoudermaatschap combineren met dit voorzitterschap? Artikel 41b van de Gemeentewet verbiedt de combinatie van deze functies niet en artikel 3.3. van de gedragscode wordt niet overtreden door het combineren van deze functies. De functie moet wel worden gemeld (artikel 3.3, tweede lid, gedragscode) en openbaar gemaakt worden door de gemeentesecretaris (artikel 3.3., vijfde lid, gedragscode). 1.1. De sportnota wordt behandeld in de raad. Mag deze wethouder als portefeuillehouder sport, namens het college het woord voeren over deze nota? Ja, want in de sportnota worden beslissingen voorgelegd die alle sporten betreffen. Er treedt dus geen verstrengeling van belangen op als de wethouder mee doet aan de discussie hierover in het college en de raad.
14
1.2. Het college en de raad moet besluiten over uitbreiding van voetbalvelden. Ook de club waar de wethouder voorzitter van is wordt genoemd. Mag het wethouder meestemmen in het college en het woord hierover voeren de raad? Nee, artikel 3.1 van de gedragscode verbiedt de wethouder mee te stemmen. De club is heel duidelijk een van de direct belanghebbenden bij dit besluit, dus een verstrengeling van belangen is aan de orde: het belang van de club dat het wethouder geacht wordt te dienen als voorzitter enerzijds en het belang van de gemeente Middelburg met betrekking tot de uitbreiding van voetbalvelden. 1.3. Mag de wethouder een ander lid van het college het woord laten voeren over dit dossier? Dat mag, maar het gaat bij de mogelijkheid om de besluitvorming te beïnvloeden om meer dan alleen het overdragen van het woordvoerderschap op dit dossier. De wethouder die voorzitter is van de voetbalclub mag op grond van artikel 3.1 van de gedragscode ook intern het standpunt van het college niet beïnvloeden over de uitbreiding van de voetbalvelden. Omdat niet-collegeleden niet kunnen controleren of de wethouder dat ook daadwerkelijk niet heeft gedaan, is het zaak dat alle collegeleden erop toezien dat ook in de interne oordeels- en besluitvorming over dit onderwerp niet beïnvloed is door de wethouder die tevens voorzitter is van de voetbalvereniging. 1.4.
Als de wethouder die voorzitter van de voetbalclub is, tegen de uitbreiding van velden van zijn eigen club zou stemmen, dan is toch voor de burger te zien dat de wethouder het raadswerk en het voetbalwerk scheidt? Dan kan de wethouder toch meestemmen? Nee, ook dan mag de wethouder op grond van artikel 3.1 van de gedragscode niet meestemmen. Wellicht komt het de voetbalclub om redenen die niet bekend zijn, veel beter uit als de uitbreiding bij een andere club geschiedt. Dan zou het weliswaar lijken alsof de wethouder in het belang van de stad (en niet van de club) zou stemmen, maar feitelijk is dat niet het geval. Stemgedrag is dus niet relevant in deze situatie. 1.5. Het college en de raad moeten besluiten over uitbreiding van voetbalvelden. Voetbalclub X wordt genoemd als kandidaat. Het kind van een wethouder (niet zijnde de voorzitter van de voetbalclub) zit op voetbalclub X. Mag de wethouder meestemmen? Ja, de wethouder mag gewoon meestemmen in het college en hierover het woord kunnen voeren in de raad. De relatie tussen het wethouder en de voetbalclub is niet van dien aard dat er sprake of dreiging is van een onwenselijke verstrengeling van persoonlijk belang met het algemeen belang. 2.
De burgemeester is voorzitter van de vereniging van huiseigenaren van het appartement waar de burgemeester zelf woont. Mag de burgemeester het burgemeesterschap combineren met dit voorzitterschap?
Artikel 36b Gemeentewet verbiedt de combinatie van deze functies niet. Artikel 3.3 van de gedragscode wordt dus niet overtreden door het combineren van deze functies. De nevenfunctie moet wel worden gemeld en de gemeentesecretaris moet zorg dragen voor bekendmaking ervan. 2.1. De wethouder Ruimtelijke ordening bereidt een bestemmingswijziging voor die een gebied betreft waar ook het appartement van de burgemeester ligt. Mag de burgemeester bij die besprekingen betrokken zijn? Ja. In de voorgestelde bestemmingswijziging worden beslissingen gepresenteerd die het gehele gebied betreffen en niet specifiek de woning van de burgemeester. Er treedt dus geen verstrengeling van belangen op als de burgemeester meedoet aan de bespreking. 2.2. En mag de burgemeester in dit geval deelnemen aan de besluitvorming in het college? Ja, dat mag. Er vindt geen verstrengeling van belangen plaats, dus kan de burgemeester deelnemen aan de besluitvorming in het college. 2.3. De wethouder doet een voorstel om precies in het gedeelte waar het appartement van de burgemeester ligt, huizen te slopen. Het appartement van de burgemeester zal in dat geval ook worden gesloopt. Mag de burgemeester meestemmen over dit voorstel?
15
Nee, dat mag niet. De aanpassingen betreffen het huis van de burgemeester, waarmee een direct belang ontstaat bij het behandelen van deze bestemmingswijziging. Als de burgemeester het dossier blijft behandelen, is dat in overtreding met artikel 3.1 van de gedragscode. PARAGRAAF 4: INFORMATIE Het handelen van de overheid op grond van wetten, verordeningen en beleid heeft grote invloed op het leven van burgers. Daaruit volgt dat de burger er recht op heeft over het overheidshandelen goed geïnformeerd te worden. De burger heeft er ook recht op de onderliggende redeneringen en afwegingen te kennen en te weten wie welke positie heeft ingenomen. Dit alles bij elkaar opgeteld schept een verplichting voor burgemeester en wethouder om open en transparant over de eigen beslissingen en de beweegredenen daarvoor, en te handelen in overeenstemming met de Gemeentewet en met de Wet open overheid. Dit neemt niet weg dat het ook voorkomt dat informatie rond overheidshandelen niet bekend en verspreid mag worden en er geheimhouding is opgelegd op de informatie. In de Gemeentewet hebben drie artikelen betrekking op geheimhouding, en wel de artikelen 87 tot en met 89. Zij houden de volgende regels in: De bevoegdheid van een bestuursorgaan om informatie die bij hem berust geheim te verklaren, komt toe aan de raad, het college, de burgemeester en de (raads)commissies.
Een bestuursorgaan kan deze geheime informatie in een aantal gevallen met een ander bestuursorgaan delen, zo is in artikel 88 bepaald. Het orgaan dat op informatie geheimhouding legde, is als enige bevoegd die informatie met andere organen te delen. Geheime informatie die aan een commissie met daarin ook raadsleden is verstrekt, moet altijd ook naar de raad (artikel 88, vijfde lid). Bij het verstrekken van geheime informatie wordt door het orgaan dat de geheimhouding oplegde, vermeld dat op die informatie de verplichting tot geheimhouding rust (artikel 89, eerste lid). Informatie die in een besloten vergadering ter kennis van de aanwezigen komt is geheim, tenzij de raad anders beslist. Degene die informatie ontvangt waarop een verplichting tot geheimhouding rust, moet die geheimhouding in acht nemen en mag deze informatie niet delen met anderen (artikel 89, tweede lid). De verplichting om de geheimhouding in acht te nemen duurt voort totdat het orgaan dat de geheimhouding op de informatie oplegde, de geheimhouding weer opheft (artikel 89, derde lid). Deze regel kent één uitzondering, namelijk voor de gevallen waarin de betreffende informatie met de raad is gedeeld. In dat geval is de raad exclusief bevoegd de geheimhouding op te heffen (artikel 89, vierde lid).
Door een (raads)commissie opgelegde geheimhouding kan altijd ook door de raad worden opgeheven (artikel 89, derde lid). In artikel 88, zesde lid, wordt geregeld dat de raad geheime informatie aan anderen kan verstrekken en dat de raad regels kan stellen over het verstrekken van vertrouwelijke informatie door het college aan anderen. Met ‘anderen’ wordt bedoeld degenen aan wie de geheimhoudingsplicht oorspronkelijk niet is opgelegd. De raad kan per geval bepalen wanneer het college geheime stukken met anderen mag delen, maar mag hierover ook in algemene zin regels stellen, als dit voor het dagelijks bestuur van de gemeente noodzakelijk is. Het schenden van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf (artikel 272 Wetboek van Strafrecht). In het Protocol geheimhouding gemeente Middelburg 2023 zijn heldere en begrijpelijke kaders voor geheimhouding opgenomen. Het komt in de praktijk voor dat aan de raad informatie ‘onder embargo’ wordt verstrekt. Dit houdt in dat de betreffende informatie alvast aan de raad ter beschikking komt in het kader van de uitoefening van het
16
raadslidmaatschap. De informatie behoeft niet per se inhoudelijk vertrouwelijk van aard te zijn. Het is slechts de bedoeling om raadsleden de gelegenheid te geven als eersten kennis te nemen van de informatie, die op een later moment voor een ieder wordt openbaar gemaakt. De grondslag hiervoor vormt artikel 5.1, vierde lid, Wet open overheid. Het is belangrijk de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden vertrouwelijke en/of geheime informatie kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. Daarbij moet in de digitale setting worden gedacht aan de beveiliging van de computer en telefoon met wachtwoorden en het niet onbeheerd achterlaten van de computer en telefoon zonder deze te vergrendelen. Los van het feit dat schending van de geheimhoudingsplicht een strafbaar feit is, wil de gedragscode bewerkstelligen dat de informatie niet verder gaat dan burgemeester en wethouders en dat de burgemeester en wethouders de geheime informatie op een correcte wijze bewaren. Hieronder valt ook dat geheime informatie veilig wordt afgevoerd indien bezit daarvan niet langer gewenst is. Hier gaat hier niet alleen om informatie die geheim is, maar ook om (vertrouwelijke) informatie die bijvoorbeeld op het moment van ontvangen nog niet bekend is bij inwoners. Een bestuurder gaat zorgvuldig en correct om met informatie waarover hij/zij uit hoofde van zijn/haar ambt beschikt.
Hij/zij verstrekt geen geheime informatie. Een raads- of commissielid houdt geen informatie achter, tenzij deze geheim of vertrouwelijk is en het niet geven van informatie mogelijk is. Immers, duidelijk moet zijn waarom raads- of commissieleden een bepaalde positie innemen. Burgers moeten die onderliggende redenen kunnen kennen, tenzij dat niet gedeeld mag worden vanwege geheimhouding of de Wet Open Overheid. Een bestuurder maakt niet ten eigen bate of van zijn/haar persoonlijke betrekkingen gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen informatie. Voorbeelden 1. De raad heeft het voornemen om de bestemming van een gebied te wijzigen zodat het mogelijk wordt om in dat gebied huizen te bouwen. Verschillende commerciële partijen en andere belanghebbenden hebben hier een stevige lobby voor gevoerd en zijn verheugd dat de raad het serieus in overweging neemt. Het college heeft besloten het dossier geheim te verklaren en de raad heeft dit bekrachtigd. Er wordt in de pers echter regelmatig over het dossier geschreven. Vaak zit men er maar weinig naast, wat er op duidt dat er wellicht door een of meerdere wethouders gepraat wordt met journalisten. Een wethouder is van mening dat het geheim behandelen van deze kwestie niet langer opportuun is. ‘Alles ligt toch al op straat’.
Mag het wethouder ingaan op het verzoek van een journalist om over het dossier te spreken? Nee, het spreken met anderen over deze kwestie is een overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (lekken van geheime informatie) en van artikel 4.2 van de gedragscode. Alleen het bestuursorgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd (in dit geval het college), of het orgaan dat de geheimhouding heeft bekrachtigd (de raad) kan het geheime karakter van de stukken opheffen. Zolang dat niet is gebeurd, ook al is de meeste informatie in de krant verschenen, is het spreken over de kwestie een schending van de geheimhoudingsplicht, wat strafbaar kan zijn. 2.
Een wethouder stuurt het volgende twitterbericht: ‘@toneelgroepdesterrenvanmiddelburg. Ik zit hier in een besloten raadsvergadering. Er wordt gesproken over jullie voorstel. Het is spannend. #bezuinigenaltijdmoeilijk…’ Mag de wethouder dit doen?
Nee, dit mag de wethouder niet doen. Op hetgeen besproken wordt in de besloten vergadering rust geheimhouding. Dit twitterbericht is dus een overtreding van artikel 4.2 van de gedragscode.
17
3.
Het is nog niet bekendgemaakt wanneer de inschrijving voor de nieuwe huizen in een onlangs ontwikkelde woonwijk van start zal gaan. Een wethouder schat in dat de inschrijving waarschijnlijk midden in de zomer zal plaatsvinden. De zus van de wethouder wil graag wonen in dat gebied. Mag de wethouder haar waarschuwen niet in die periode op zomervakantie te gaan, zodat zij als eerste kan inschrijven?
Nee, het waarschuwen van de zus is een overtreding van artikel 4.1 van de gedragscode. De inschatting over de inschrijving kan alleen worden gemaakt door een persoon met voorkennis. De wethouder beschikt over informatie die andere burgers niet hebben. Deze informatievoorsprong gebruiken in het voordeel van een familielid is een overtreding van artikel 4.3 van de gedragscode en een verstrengeling van belangen. 4.
In een overleg met ambtenaren wordt de burgemeester geïnformeerd over een complexe casus van een bijstandsgerechtigde die met de gemeente in aanvaring is gekomen over de sollicitatieplicht. De privacyregels waar zijn ambtenaren aan gebonden zijn, gelden voor de burgemeester niet. Nu wil hij over de kwestie sparren met een ambtsgenoot uit een andere gemeente. Mag hij daarbij details delen over de aard van de klacht van de uitkeringsgerechtigde?
Nee, persoonsgebonden details mogen niet worden gedeeld. Artikel 4.2 van de code verplicht de burgemeester tot geheimhouding van dergelijke gegevens. Een gedachtewisseling op hoofdlijnen, over hypothetische dan wel geanonimiseerde cases, is wel toegestaan. PARAGRAAF 5: GESCHENKEN, FACILITEITEN, DIENSTEN, EXCURSIES, EVENEMENTEN EN ANDRE UITNODIGINGEN In de gedragscode is het uitgangspunt dat geschenken, faciliteiten en diensten niet worden geaccepteerd. Geschenken en het accepteren van faciliteiten en diensten zijn namelijk een sluiproute naar corruptie. Ze kunnen gebruikt worden om de besluitvorming te beïnvloeden. Ze kunnen corrumperen of de aanloop daartoe vormen. Ze wekken in ieder geval de schijn. De regels voor geschenken zijn geformuleerd als een ‘Nee, tenzij’ regel; een collegelid neemt dus geen geschenken aan, tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken. Alleen om praktische redenen en als het gaat om incidentele met een geschatte waarde van €50 of minder kunnen geschenken door het collegelid worden aanvaard, echter nooit op het woon- of huisadres. Duurdere geschenken worden niet aanvaard en teruggestuurd of worden eigendom van de gemeente die zorgt voor een goede bestemming van het geschenk. In een openbaar register wordt opgenomen welke geschenken van meer dan €50 de gemeente heeft aanvaard en welke bestemming daaraan is gegeven.
Het accepteren van faciliteiten of diensten van anderen kan een afhankelijkheid creëren, of een dankbaarheid, die de zuiverheid van het besluitvormingsproces kan aantasten. Door het aannemen van faciliteiten en diensten kan een bestuurder gecorrumpeerd raken. Het wekt in ieder geval de schijn van corruptie op. Ook hier geldt een ‘nee, tenzij’. De grens van €50 is niet wettelijk bepaald, maar wordt door veel overheden gebruikt als richtlijn en wordt daarom in deze gedragscode gehanteerd als grens. Bestuurders opereren vaak in diverse (boven) lokale netwerken. Deze netwerken dragen bij aan het geworteld zijn van collegeleden. Tegelijkertijd ontstaat hierdoor het risico dat zij vanuit het gevoel van sympathie en loyaliteit, de belangen van de eigen netwerken vooropstellen ten koste van het publiek belang. De schijn van oneigenlijke beïnvloeding kan snel gewekt zijn. Dit maakt duidelijk dat het nadenken over de eigen integriteit verder gaat dan het beoordelen van individuele handelingen. Het vraagt ook dat collegeleden zich bewust zijn dat zij altijd verbonden zijn met professionele en persoonlijke netwerken. En dat deze netwerken ‘onbewust’ een invloed kunnen hebben op de keuzes en acties van collegelid, die mogelijk tot een