CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

25-174 Bijlage 3. Ingekomen stukken AB

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken (25-174 MZ/RM/AB)26.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Artikel 6 Bestuur In dit artikel worden de bestuursorganen van GR GGD en VR Zeeland opgesomd.

Artikel 7 Algemeen Bestuur Het Algemeen Bestuur van de GR GGD en VR Zeeland bestaat uit de burgemeesters van de dertien Zeeuwse gemeenten. In de Wet Veiligheidsregio’s is vast gelegd dat het Algemeen Bestuur van een veiligheidsregio bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. Dit is een afwijking van de Wet gemeenschappelijke regelingen (specifiek artikel 13, zesde lid Wgr). Op dit onderdeel gaat de Wet veiligheidsregio’s boven de Wet gemeenschappelijke regelingen. Als gevolg daarvan is het ook niet mogelijk om wethouders toe te voegen als lid van het Algemeen Bestuur. In het tweede lid is opgenomen dat het Algemeen Bestuur adviseurs kan aanwijzen. Zij kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, maar hebben geen stemrecht. In het derde lid is uitgeschreven wie wordt uitgenodigd voor de vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Het derde lid geeft de wettelijk verplichte genodigden weer. Daarbij is de voorzitter van het waterschap in Zeeland de dijkgraaf. In het vierde lid is beschreven wie er in Zeeland genodigd worden deel te nemen als adviseur aan het Algemeen Bestuur. In deze rij ontbreekt de voorzitter van de Bestuurscommissie Veiligheid, terwijl de voorzitter van de Bestuurscommissie Publieke Gezondheid wel wordt uitgenodigd.

Dit is gedaan omdat de leden van de Bestuurscommissie Veiligheid één op één overeenkomen met de leden van het Algemeen Bestuur; de dertien Zeeuwse burgemeesters.

Artikel 8 Bevoegdheden Algemeen Bestuur Aan het Algemeen Bestuur komen primair alle bevoegdheden toe die aan de regeling zijn gedelegeerd. In dit artikel wordt bepaald dat alle bevoegdheden worden gemandateerd

of gedelegeerd aan de bestuurscommissies of het Dagelijks Bestuur, voor zover de wet zich daartegen niet verzet. Dit betekent dat het Algemeen Bestuur bevoegd is en blijft tot het aanwijzen van Dagelijks bestuursleden en de plaatsvervangend voorzitter. Daarnaast is alleen het Algemeen Bestuur onder andere bevoegd tot het vaststellen van de begroting, begrotingswijzigingen en de jaarstukken, in het verlengde daarvan de vaststelling van bijdrageregelingen, financiële verordeningen, aanwijzing van de accountant en controleverordeningen. Ook de instelling van commissies, bestuurscommissies en gezamenlijke adviescommissies van raadsleden is voorbehouden aan het Algemeen Bestuur. Deze taken en bevoegdheden kan het Algemeen Bestuur dan ook niet overdragen of opdragen aan enig ander bestuursorgaan binnen de GR GGD en VR Zeeland. Het Algemeen Bestuur moet, ingevolge de Wet publieke gezondheid, de Directeur Publieke Gezondheid aanstellen. Hiervoor is verder in de regeling een apart artikel opgenomen om deze procedure uit te schrijven. Het is de bedoeling en het uitgangspunt voor het creëren van de optimale balans tussen Veiligheid en Publieke Gezondheid dat de verdere taken van het Algemeen Bestuur worden belegd in de twee bestuurscommissies.

Artikel 9 Werkwijze Algemeen Bestuur In het vierde lid is een quorum opgenomen, hiermee wordt het aantal aanwezige leden van het Algemeen Bestuur bedoeld, los van welk stemgewicht zij vertegenwoordigen. Dit betekent dat wanneer er zeven leden van het Algemeen Bestuur aanwezig zijn in de vergadering, het Algemeen Bestuur besluiten kan nemen. In het vijfde lid is weergegeven dat alle besluiten in principe bij gewone meerderheid worden genomen, tenzij in de regeling een andere meerderheid is bepaald. Een andere meerderheid geldt bijvoorbeeld voor het vaststellen en wijzigen van de bijdrageregeling (zie hiervoor artikel 33). In het zesde lid is de stemverhouding uitgewerkt. Op het moment van ingaan van de regeling (gebaseerd op de CBS cijfers per 1-1-2025) is de stemverdeling als volgt: Gemeente Borsele Goes Hulst Kapelle Middelburg Noord-Beveland Reimerswaal Schouwen-Duiveland Sluis Terneuzen

Inwoners (2025) 23125 40120 27378 13012 50152 8046 23335 34412 23094 55653

Stemmen 5 9 6 3 11 2 5 7 5 12

Tholen Veere Vlissingen Totaal

26942 21945 45755 392969

6 5 10 86

De bovenstaande stemverhouding wordt gebruikt voor het stemmen over ieder besluit dat het Algemeen Bestuur neemt, tenzij om het Algemeen Bestuur besluit bij acclamatie. In het achtste lid is opgenomen dat de stem van de voorzitter de doorslag geeft in de besluitvorming van het AB. Dit is anders dan gebruikelijk in veel gemeenschappelijke regelingen. Dat de voorzitter een doorslaggevende stem heeft komt voort uit de Wet veiligheidsregio’s (artikel 11, vijfde lid Wvr). Deze bepaling in de Wvr is dwingend en kan niet van worden afgeweken.

Artikel 10 Zienswijzen Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in 2022 is het mogelijk om meer onderwerpen voor zienswijzen aan de gemeenteraden voor te leggen. In deze regeling is daarvan ook gebruik gemaakt: de bijdrageregeling(of een wijziging van de bijdrageregeling) wordt eerst voor zienswijzen voorgelegd aan de gemeenteraden. In het eerste lid wordt beschreven dat het Algemeen Bestuur, de bestuurscommissies en het Dagelijks Bestuur de mogelijkheid hebben om ook onderwerpen waarvoor geen verplichting geldt, wettelijk dan wel bij deze regeling, toch een voorstel voor zienswijze aan de raden voor te leggen. Voor vrijwillige zienswijzen geldt ook de termijn van 12 weken.

Artikel 11 Besloten vergaderingen De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn in de regel openbaar. Er zijn uitzonderingen mogelijk. In dit artikel worden, in lijn met de Gemeentewet, die besluiten opgesomd die een Algemeen Bestuur in ieder geval niet mag nemen in een besloten vergadering. De opsomming uit de Gemeentewet is aangevuld om voor deze gemeenschappelijke regeling helder en logisch te maken. Zo is het besluiten over het wijzigingen van de gemeenschappelijke regeling zelf niet toegestaan in een besloten vergadering, dat is logisch omdat dit besluit onherroepelijk moet leiden tot bekendmaking.

Artikel 12 Dagelijks Bestuur Zie voor de toelichting het algemene deel van deze toelichting. Er kan in de samenstelling van het DB rekening worden gehouden met een verdeling over de regio´s in Zeeland.

Artikel 13 Werkwijze Dagelijks Bestuur Er is geen minimum jaarlijks te houden aantal vergaderingen vastgelegd. In het Dagelijks Bestuur worden besluiten genomen bij een gewone meerderheid. Dat betekent de helft van de aanwezige stemmen plus 1. Het Dagelijks Bestuur kan pas besluiten nemen als de helft van het aantal leden van het Dagelijks Bestuur aanwezig is. Dat betekent, op het moment dat er twee of drie wethouders publieke gezondheid zijn aangewezen als lid van het Dagelijks Bestuur er minimaal drie bestuursleden aanwezig moeten zijn. Ieder lid van het Dagelijks Bestuur heeft één stem.

Artikel 14 Taak Dagelijks Bestuur Voor wat betreft de taken en bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur is aansluiting gezocht bij de bevoegdheden die in artikel 33b van de Wgr zijn toegekend aan het Dagelijks Bestuur van een gemeenschappelijke regeling. Het Dagelijks Bestuur heeft onder het eerste lid, sub. f de bevoegdheid om in spoedeisende gevallen de DPG te schorsen. De Directeur Publieke Gezondheid (DPG) wordt in lijn met de Wet publieke gezondheid benoemd, geschorst en ontslagen door het Algemeen Bestuur. Omdat in gevallen van spoed (bijvoorbeeld wanneer het direct onwenselijk is voor veiligheid of onderzoek dat de DPG per direct niet meer aanwezig is) toch sneller te kunnen handelen dan dat er een rechtsgeldig besluit van het Algemeen Bestuur kan worden genomen, heeft het Algemeen Bestuur deze bevoegdheid gedelegeerd met de instructie dat binnen drie maanden alsnog een besluit genomen moet worden door het Algemeen Bestuur. De periode van drie maanden is om ook een zomerperiode te kunnen overbruggen.

Artikel 15 Voorzitter benoeming en taak De voorzitter wordt, in afwijking van wat gebruikelijk is in de Wet gemeenschappelijke regelingen, niet gekozen door het Algemeen Bestuur zelf. De Wet veiligheidsregio’s heeft in artikel 11 bepaald dat de voorzitter wordt benoemd bij Koninklijk besluit. Het Algemeen Bestuur is wel vrij om de plaatsvervangend voorzitter te benoemen uit zijn midden. Het vierde lid betreft het ondertekenen van brieven en besluiten. Volgens artikel 32a Gemeentewet, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard, moeten stukken die van de raad uitgaan, mede worden ondertekend door de griffier. De Wgr kent echter niet de functie van griffier.

Artikel 16 Commissies van advies Zie de algemene toelichting onder 5, Commissies.

Artikel 17 Bestuurscommissies Er zijn bij deze regeling twee bestuurscommissies ingesteld. In artikel 17 is beschreven hoe een proces verloopt wanneer een bestuurscommissie wordt ingesteld. Derde lid, voor het benoemen van leden van bestuurscommissies kan het zijn dat niet alleen de leden van het Algemeen Bestuur in aanmerking komen, net zoals in de Bestuurscommissie Publieke Gezondheid het geval is. Om in de bemensing te voorzien wordt aan de deelnemende colleges gevraagd om een voordracht te doen voor een lid. Het Algemeen Bestuur zal vervolgens het benoemingsbesluit nemen. In principe zijn de vergaderingen van de Bestuurscommissies openbaar, tenzij er aanleiding is om daarvan af te zien. De uitwerking van het proces voor een vergadering met gesloten deuren wordt vastgelegd in een nadere uitwerking, het reglement van orde voor de bestuurscommissies.

Artikel 18 Directeur Veiligheidsregio De directeur Veiligheidsregio staat aan het hoofd van het organisatieonderdeel Veiligheidsregio Zeeland. De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het Dagelijks Bestuur. In de Wet veiligheidsregio’s zijn geen afwijkende benoemingsprocedures opgenomen. Derde lid, het benoemingstatuut voor de Directeur Veiligheidsregio kan samengevoegd worden met de andere benoemingsstatuten tot één benoemingstatuut waarin voor alle vier functionarissen wordt uitgewerkt hoe de benoemingsprocedures verlopen.

Artikel 19 Directeur Publieke Gezondheid In de Wet publieke gezondheid is het benoemingsproces voor de Directeur Publieke Gezondheid beschreven in artikel 14, derde lid: De gemeentelijke gezondheidsdienst staat onder leiding van een directeur publieke gezondheid, die wordt benoemd door het algemeen bestuur van de gemeentelijke gezondheidsdienst in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. Door de wetgever is in dit geval geen rekening gehouden met een openbaar lichaam waarin zowel de GGD als de Veiligheidsregio zijn ondergebracht. Dit zorgt voor een uitdaging om een juiste benoemingsprocedure te maken waarin de bedoeling van de wetgever en de Zeeuwse wensen goed tot uitdrukking komen. De bedoeling van de wetgever (blijkend uit Kamerstukken II 2009/10, 32195, nr. 3, p. 5. e.v.) met het opnemen van de rol van de directeur publieke gezondheid in de wijziging van de Wet publieke gezondheid in 2011 is om de naast bestuurlijke en territoriale knip ook de organisatorische knip op te heffen tussen reguliere en opgeschaalde publieke gezondheidszorg.

Daarom is éénhoofdige operationele leiding van de GGD en GHOR vastgelegd in de wet: de directeur publieke gezondheid waardoor de leiding over zowel regulier, opgeschaald, alsook de taken uit het grensgebied in één ondeelbare hand zijn gelegd. De directeur publieke gezondheid wordt namens het bestuur van de veiligheidsregio verantwoordelijk voor het maken van afspraken met de (private) zorgketen. Voor zowel de GGD als de GHOR levert dit naast het oplossen van het geschetste probleem nog extra voordelen op. Deze directeur publieke gezondheid geeft leiding aan twee organisaties onder twee verschillende besturen. Beide besturen dienen hun verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Daarom wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de benoeming van de directeur publieke gezondheid dient te geschieden door het algemeen bestuur van de GGD in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. Dit versterkt nog meer de ongedeelde aanpak van publieke gezondheidszorg door het openbaar bestuur. Dat betekent voor de benoeming van de Directeur Publieke Gezondheid in de GR GGD en VR Zeeland dat, respecterend de bedoeling van de wetgever, de DPG benoemd moet worden door de besturen verantwoordelijk voor de GGD en de GHOR de volgende uitgangspunten vanuit de wetgever naar voren komen: 1.

Voorafgaand aan benoeming, de instemming van het orgaan dat de dertien wethouders met de portefeuille publieke gezondheid vanuit oogpunt van de GGD vertegenwoordigd. De Bestuurscommissie Publieke Gezondheid gaat over de inhoudelijke aansturing van de GGD en publieke gezondheid; 2. Voorafgaand aan benoeming, de instemming van het bestuursorgaan dat de dertien burgemeesters vanuit veiligheidsregio oogpunt vertegenwoordigd. De Bestuurscommissie Veiligheid gaat over de inhoudelijke aansturing van de veiligheidsregio en de GHOR; 3. Na verkregen instemming van de Bestuurscommissie Publieke Gezondheid en Bestuurscommissie Veiligheid, benoemt het Algemeen Bestuur de Directeur Publieke Gezondheid. Het Algemeen Bestuur van de GR GGD en VR Zeeland is zowel het Algemeen Bestuur van de GGD Zeeland als van de VR Zeeland.

Artikel 20 Secretaris In de GR GGD en VR Zeeland worden twee organisaties samengevoegd, de Veiligheidsregio en de GGD. Eén van de belangrijkste uitgangspunten die is meegegeven is de balans tussen veiligheid enerzijds en anderzijds publieke gezondheid en Veilig Thuis. Dit is op bestuurlijk niveau geborgd door het vastleggen van art. 25 Wgr commissies in de regeling voor zowel Veiligheid als Publieke Gezondheid (inclusief VT). Daarnaast is er aan het DB een toevoeging van twee of drie leden welke bestaan uit leden van de art. 25 Wgr commissie Publieke Gezondheid.

In de regeling is mogelijk gemaakt om de rol van secretaris los te koppelen van een van de directeuren, hoewel dit niet dwingend is vastgelegd. De secretaris is secretaris van het Dagelijks Bestuur, beide bestuurscommissies en het Algemeen Bestuur. De secretaris ondersteunt het bestuur in de proceskant van vergaderingen, plannen, verslaglegging, besluitvorming en medeondertekent de stukken die uitgaan van de bestuursorganen. Het is tevens mogelijk dat de secretaris als secretaris van de ambtelijke adviesgremia gaat functioneren.

Artikel 21 Inlichtingen, verantwoording Intern Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 22 en 23 Informatieverstrekking door AB, DB en Voorzitter In dit artikel is de actieve en passieve informatieplicht weergegeven voor zowel het DB, het AB en de voorzitter.

Artikel 24 Informatieverstrekking door leden van Bestuurscommissies Met de inrichting van bestuurscommissies kan het onduidelijk zijn hoe de leden van een bestuurscommissie zich hebben te verantwoorden naar het Algemeen Bestuur, hun colleges en hun gemeenteraden. Met het opnemen en uitschrijven van dit artikel is van die mogelijke onduidelijkheid geen sprake meer. Het lid van een bestuurscommissie heeft zich te verantwoorden naar zijn raad en zijn raad actief te informeren over het gevoerde beleid. De gemeenteraden kunnen tevens alle instrumenten die zij ter beschikking hebben inzetten om het lid van de bestuurscommissie bij te sturen, mee te geven, te vragen om informatie etc.

Artikel 25 Personeel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 26 Bevolkingszorg Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 27 Inrichting begroting De begroting van de GR GGD en VR Zeeland wordt in ieder geval ingedeeld in twee programma’s, Veiligheid en Publieke Gezondheid. Tussen deze programma’s kan geen budgetoverheveling plaats vinden. Daarmee wordt geborgd dat bijdragen voor Veiligheidsregio taken niet kunnen worden ingezet voor dekking van taken uit de GGD of vice versa. Dit laat ruimte om eventueel de begroting in meerdere programma’s in te delen.

Artikel 28 Begrotingsprocedure Met de begrotingsprocedure zoals weergegeven in dit artikel wordt voldaan aan de in de Wet gemeenschappelijke regelingen gestelde procesgang en termijnen. Daarbij is voor de beide bestuurscommissies van belang om, voordat het Dagelijks Bestuur de ontwerpbegroting voor zienswijzen aanbiedt aan de gemeenteraden van de deelnemers, kennis te nemen van de ontwerpbegroting en zwaarwegend advies op te stellen. Dit zwaarwegend advies zal door het Dagelijks Bestuur worden verwerkt in de ontwerpbegroting. Ook het voorstel voor de weging van de zienswijzen wordt voorgelegd aan de beide bestuurscommissies. Hierdoor kunnen de bestuurscommissies maximaal mee besluiten en meegeven op de weging van de zienswijze en de uiteindelijke vastgestelde begroting. In het achtste lid is voorzien dat een begrotingswijziging, die geen impact heeft op de bijdragen van de gemeenten, maar bijvoorbeeld een verschuiving tussen twee posten binnen hetzelfde programma betreft door het Algemeen Bestuur kan worden besloten. Met de bijzin ‘dit ter beoordeling aan het Algemeen Bestuur’ wordt beoogd dat het Algemeen Bestuur alsnog kan bepalen een dergelijke begrotingswijziging alsnog wél voor te leggen aan de gemeenteraden voor zienswijzen.

Het betreft hier uitdrukkelijk niet alleen structurele ontwikkelingen, in deze bepaling is uitgebreid ten opzichte van eerdere regelingen dat wanneer een begrotingswijziging een incidenteel effect op de bijdragen van gemeenten heeft, de zienswijze procedure wel moet worden gevolgd.

Artikel 29 Bijdragen van gemeenten Dit onderdeel is toegelicht in de algemene toelichting onder 3.

Artikel 30 Reserve Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 31 Jaarstukken Dit artikel is in lijn met de Wet gemeenschappelijke regelingen. In de lijn met de VZG richtlijn is het bij het toevoegen van een jaarresultaat aan de algemene reserve niet verplicht een zienswijze te vragen aan de gemeenteraden, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het derde lid van dit artikel. Omdat in deze regeling een strikte scheiding tussen de programma’s GGD en Veiligheid is vastgelegd (zie artikel 27 van deze regeling) ligt het voor de hand dat deze beide programma’s een eigen bestemmingsreserve kunnen vormgeven.

Artikel 32 Verdeelsystematiek In de gemeenschappelijke regeling VR Zeeland waren de verdeelsleutels vastgelegd in de gemeenschappelijke regeling. Dat biedt onvoldoende ruimte om te kunnen reageren op veranderingen, bijvoorbeeld als gevolg van wetgeving of veranderingen in de grondslagen. Dit zou eerst een aanpassing van de gemeenschappelijke regeling vergen, hetgeen al snel 9 tot 12 maanden in beslag neemt. Om de positie van de gemeenteraden goed te borgen is verplicht dat de gemeenteraden de mogelijkheid hebben een zienswijze in te dienen op de bijdrageregeling, of de wijziging van de bijdrageregeling. Vervolgens moet de bijdrageregeling met tweederde meerderheid door het Algemeen Bestuur worden vastgesteld. Daarmee is de invloed van de gemeenteraden nagenoeg gelijk gehouden, maar de procesgang wel sneller. Hierdoor kan beter worden ingespeeld op wetswijzigingen of veranderende omstandigheden.

Artikel 33, 34, 35, 36, 37,38 en 39 Archief Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

Artikel 40 Participatie Sinds de wijzing van de Wet gemeenschappelijke regelingen is het verplicht om in de regeling aan te geven of, en zo ja hoe, participatie plaats vindt. Voor de GR GGD en VR Zeeland is gekozen om wel participatie mogelijk te maken, maar ook op voorhand een aantal onderwerpen uit te sluiten.

Artikel 41, 42, 43 en 44 Toetreding en uittreding Zowel de Veiligheidsregio als de GGD zijn gebonden aan een regio-indeling die geen vrije keuze biedt. Deze regeling is dan ook vanuit beide velden een verplichte samenwerking, met verplichte rechtsvorm en vooraf bepaalde deelnemers. Daardoor is toe- en uittreden niet zonder meer mogelijk. Op grond van artikel 14, eerste lid, Wpg moet de GR voor een regionale GGD worden getroffen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot één veiligheidsregio. Dit betekent dat, zolang dit wetsartikel bestaat, toetreding en uittreding slechts beperkt mogelijk is. Een voor onbepaalde tijd getroffen GR dient bepalingen te bevatten omtrent wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (art. 9 Wgr). In de wijziging van de wet is de bepaling uittreden meer omvattend en verplichtend geworden. De artikelen 42 tot en met 45 geven het proces weer dat bij uittreden of gedeeltelijk uittreden moet worden doorlopen. Onder gedeeltelijk uittreden wordt verstaan het niet langer afnemen van diensten of niet langer delegeren (dan wel mandateren) van tot dan toe gedelegeerde taken en bevoegdheden. Het afbouwen van een (aanvullende) taak valt onder het gedeeltelijk uittreden.

Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt zorg gedragen dat een latende partij (in dit geval de GR GGD en VR Zeeland) zo min mogelijk negatieve effecten ervaart (zoals financieel nadeel) van een uittreden of gedeeltelijk uittreden wat resulteert in een hogere bijdrage van de deelnemers.

Artikel 45 Wijziging Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 46 Geschillen Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 47 Ontbinding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 48 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking de dag na bekendmaking als deze na 1 januari 2027 is gelegen. Het is niet mogelijk om een regeling met terugwerkende kracht in werking te laten treden.

Artikel 49 Evaluatie Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 50 Titel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Q&A gemeenschappelijke regeling (GR) GGD en Veiligheidsregio Zeeland Versie 17 november 2025 Vragen over GGD Zeeland en Veiligheidsregio Zeeland nu 1. Wat is een gemeenschappelijke regeling (GR)? Een GR is een wettelijke vorm van samenwerking tussen gemeenten, provincies en/of waterschappen. Een speciale wet bepaalt hoe zo’n samenwerking eruitziet en wat geregeld moet worden. Dit is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). GGD Zeeland en Veiligheidsregio Zeeland zijn beiden een afzonderlijke, verplichte, GR van de dertien Zeeuwse gemeenten. Veiligheidsregio Zeeland: 2. Welke (wettelijke) taken heeft Veiligheidsregio Zeeland? Veiligheidsregio Zeeland voert namens de gemeenten de wettelijke taken uit op het gebied van brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbeheersing en geneeskundige hulpverlening. Deze taken zijn vastgelegd in de Wet veiligheidsregio’s (Wvr). 3. Hoe voert Veiligheidsregio Zeeland haar (wettelijke) taken uit? Veiligheidsregio Zeeland voert haar taken uit op basis van de Wvr en de GR Veiligheidsregio Zeeland 2025. De uitvoering vindt plaats via de organisatieonderdelen van de Veiligheidsregio Zeeland, zoals de brandweer, de GHOR (Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen) en de crisisorganisatie.

Veiligheidsregio Zeeland voert haar taken uit in opdracht van, en in samenwerking met, de gemeenten en werkt samen met andere organisaties in de veiligheidsketen. GGD Zeeland: 4. Welke (wettelijke) taken heeft GGD Zeeland? GGD Zeeland voert namens de gemeenten de wettelijke taken uit op het gebied van publieke gezondheid. Deze taken zijn vastgelegd in verschillende wetten, met als belangrijkste de Wet publieke gezondheid (Wpg). Daarnaast komen taken voort uit de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Wet kinderopvang en de Wet op de Lijkbezorging. 5. Hoe voert GGD Zeeland haar wettelijke taken uit? GGD Zeeland voert haar taken uit op basis van de Wpg en de GR Zeeland. De uitvoering vindt plaats via verschillende afdelingen binnen de organisatie, zoals de jeugdgezondheidszorg, infectieziektebestrijding, medisch milieukundige zorg, toezicht en handhaving, en Veilig Thuis Zeeland. GGD Zeeland voert haar taken uit in opdracht van, en in samenwerking met, de gemeenten en werkt samen met andere organisaties in de zorg- en veiligheidsketen.

1

Vragen over de nieuwe gemeenschappelijke regeling (GR) 6. Waarom gaan GGD Zeeland en Veiligheidsregio Zeeland samenwerken? De GGD en Veiligheidsregio Zeeland zijn cruciale organisaties voor gezondheid en veiligheid in Zeeland. Beide organisaties zijn kwetsbaar in hun bedrijfsvoering, bijvoorbeeld op het gebied van personeelszaken, informatievoorziening, financiën, administratieve organisatie, communicatie en huisvesting. Door de bedrijfsvoering samen te voegen en samen te versterken én samen te werken in een nieuw pand in Goes kunnen beide organisaties hun kwaliteit, slagkracht en continuïteit versterken. De samenwerking zorgt voor een robuustere organisatie die beter voorbereid is op crises in de zorg- en veiligheidsketen en die aantrekkelijker is als werkgever omdat er meer ontwikkelmogelijkheden zijn voor medewerkers. Een gezamenlijke bedrijfsvoering leidt tot minder kwetsbaarheid, betere continuïteit en schaalvoordelen. Minder meerkosten op langere termijn zijn mogelijk. 7. Waarom wordt gekozen voor een gezamenlijke organisatie? Uit de onderzoeken blijkt dat het volledig samenvoegen van de bedrijfsvoering van GGD en Veiligheidsregio Zeeland de beste manier is om deze te versterken. Een gezamenlijke duurzame huisvesting is daarbij randvoorwaardelijk.

Door alle taken, bevoegdheden en medewerkers te bundelen in een nieuwe GR ontstaat een sterke, wendbare en goed bestuurbare organisatie. Deze structuur biedt duidelijkheid, stabiliteit en een professionele ondersteuning van beide primaire taken. 8. Wat willen we met de samenwerking bereiken? De samenwerking is gericht op het verbeteren van de kwaliteit, continuïteit en weerbaarheid van beide organisaties. Een gezamenlijke bedrijfsvoering maakt de organisatie robuuster en minder kwetsbaar. Daarnaast versterkt de samenwerking en nieuwe locatie de arbeidsmarktpositie: medewerkers krijgen meer ruimte voor ontwikkeling en de organisatie wordt aantrekkelijker als werkgever. Tot slot leidt de bundeling van krachten tot betere continuïteit en schaalvoordelen. Minder meerkosten op langere termijn zijn mogelijk. 9. De nieuwe GR is een aanpassing van de huidige GR Veiligheidsregio Zeeland. Waarom wordt daarvoor gekozen? Hier is bewust voor gekozen omdat dit efficiënter is dan het oprichten van een geheel nieuwe GR. Aanpassen van de GR Veiligheidsregio Zeeland naar de nieuwe GR blijkt de beste oplossing omdat het de minste impact heeft op medewerkers van beide organisaties, o.a. vanwege het aantal vrijwilligers bij de VRZ. Nu hoeven alleen de medewerkers van de GGD over te gaan naar de nieuwe GR en blijven de medewerkers en vrijwilligers van de Veiligheidsregio Zeeland in de huidige GR.

Daarnaast leidt het opheffen van twee GR-en tot meer kosten dan het wijzigen van de GR VRZ en opheffen GR GGD Zeeland. 10. Welke wettelijke taken heeft de nieuwe GR straks? De nieuwe GR bundelt de taken van zowel GGD als Veiligheidsregio Zeeland. Dat betekent dat de nieuwe GR verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van alle taken uit zowel de Wpg als de Wvr. Een uitzondering vormt de taak Inkoop Jeugdzorg.

2

Deze taak valt nu onder de GGD, maar wordt vooralsnog niet opgenomen in de nieuwe GR GGD en Veiligheidsregio Zeeland. De verantwoordelijkheid is beoogd mee te gaan naar de nieuwe GR Sociaal Domein. 11. Hoe verhoudt de nieuwe GR zich tot de GR Sociaal Domein? Dit zijn twee verschillende gemeenschappelijke regelingen. De GR GGD en Veiligheidsregio Zeeland voert taken uit op het gebied van veiligheid en gezondheid. De GR Sociaal Domein op het gebied van zorg, ondersteuning en participatie. Vragen over de inrichting van de samengevoegde GR 12. Hoe ziet het bestuur van de nieuwe GR eruit? Het bestuur van de nieuwe GR van GGD en Veiligheidsregio Zeeland bestaat uit een Algemeen Bestuur (AB), twee Bestuurscommissies (BC’s) en een Dagelijks Bestuur (DB). 13. Wat is het Algemeen Bestuur (AB)? Het Algemeen Bestuur is het hoogste orgaan in deze samenwerking. In het AB zitten de dertien Zeeuwse burgemeesters. De Wvr bepaalt dat alleen burgemeesters in het AB zitten. Om te zorgen dat de wethouders Publieke Gezondheid besluiten kunnen nemen over hun eigen portefeuille moet daarom iets geregeld worden. Het AB stelt daarom twee BC’s in: één voor veiligheid en één voor publieke gezondheid. Het AB is verantwoordelijk voor de planning & control cyclus. 14.

Wat zijn de Bestuurscommissies (BC’s)? De nieuwe GR kent twee BC’s: een BC Veiligheid, bestaande uit de dertien burgemeesters en een BC Publieke Gezondheid, bestaande uit de dertien wethouders volksgezondheid. Deze commissies nemen binnen hun eigen domein inhoudelijke besluiten en doen dat zelfstandig binnen de kaders van de vastgestelde begroting. 15. Waarom is gekozen voor twee BC’s? Er is gekozen voor twee aparte BC’s om te zorgen voor een heldere taakverdeling tussen wat het Algemeen Bestuur doet en de Bestuurscommissies doen. De taakverdeling is exact het zelfde voor Veiligheid als voor Gezondheid. Door afzonderlijke bestuurscommissies in te stellen, blijven de taken en verantwoordelijkheden duidelijk gescheiden. Belangrijk uitgangspunt is dat de wethouders volksgezondheid zoveel mogelijk invloed houden op hun eigen beleidsterrein. De BC’s krijgen besluitbevoegdheid binnen hun terrein. Zo neemt de BC Publieke Gezondheid zelf inhoudelijke besluiten, die vervolgens door de GGD worden uitgevoerd binnen de kaders van de vastgestelde begroting. De BC draagt verantwoordelijkheid voor het opvolgen van het beleid en de uitvoering hiervan.

3

16. Leiden twee BC’s niet tot overlap? De twee BC’s leiden juist tot balans en een gelijke werkwijze tussen beide domeinen. De bestuurscommissies nemen besluiten binnen hun eigen taken, bevoegdheden en financiële kaders. De afstemming vindt plaats via het DB en de directie, waardoor overlap wordt voorkomen en beleid goed op elkaar blijft afgestemd. 17. Er is ook een BC Inkoop Jeugdhulp Zeeland (IJZ). Hoe verhoudt deze BC zich tot de BC’s Publieke Gezondheid en Veiligheid? De BC IJZ is op dit moment onderdeel van GGD Zeeland. Voorzien wordt dat de taak Inkoop Jeugdzorg overgaat naar de nieuw te vormen GR Sociaal Domein. In het verleden heeft de BC IJZ niet gewerkt zoals dat eigenlijk hoort. De lessen uit deze ervaring zijn betrokken in het vormgeven van de Bestuurscommissies Veiligheid en Publieke Gezondheid in deze regeling. Een van de voorbeelden is de uitwerking hoe de leden van Bestuurscommissies verantwoording afleggen en de colleges en gemeenteraden van informatie moeten voorzien. Daarmee wordt goed vastgelegd hoe gewerkt wordt in een Bestuurscommissie en ook wat een Bestuurscommissie wel en niet kan. 18. Waarom werken jullie niet met adviescommissies in plaats van BC’s? Een adviescommissie heeft alleen een adviserende rol, de besluiten moeten vervolgens worden genomen door het AB.

In het AB van de nieuwe GR GGD en Veiligheidsregio Zeeland zitten echter alleen burgemeesters. Als er met adviescommissies zou worden gewerkt, zouden de wethouders publieke gezondheid geen besluiten meer kunnen nemen binnen hun eigen domein. Dat betekent dat ze ook geen verantwoording meer kunnen afleggen over het beleid en de uitvoering van de GGD. In dat geval zouden vragen van raadsleden aan de wethouder moeten worden beantwoord door de burgemeester. Dat is onwenselijk: het zorgt voor onduidelijkheid en ondermijnt de politieke verantwoordelijkheid van de wethouders op het gebied van publieke gezondheid. Met de Bestuurscommissies behouden we de balans tussen de domeinen publieke gezondheid en veiligheid. 19. Hoe is het DB van de nieuwe GR samengesteld? Het DB bestaat straks uit maximaal drie burgemeesters en maximaal 3 wethouders publieke gezondheid. Alle leden hebben stemrecht volgens het principe ‘one (wo)man, one vote’. Deze samenstelling zorgt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van zowel het veiligheidsdomein als het domein van publieke gezondheid. 20. Hoe wordt de besluitvorming en ambtelijke advisering binnen de nieuwe GR georganiseerd? De besluitvorming volgt een gebalanceerde planning- en controlcyclus, waarin publieke gezondheid en veiligheid gelijke invloed hebben op de ontwerpbegroting en de verdere besluitvorming.

De ambtelijke advisering wordt verzorgd door twee adviescommissies: één voor Publieke Gezondheid en één voor Veiligheid. Dit zijn dus ambtelijke commissies die de BC’s inhoudelijk en financieel adviseren en klankbord zijn voor het bestuur.

4

21. Heeft de nieuwe bestuursinrichting consequenties voor de begrotingscyclus? De besluitvorming over begroting en jaarrekening kent wettelijke termijnen. Daaraan gaat de nieuwe organisatie zich ook houden. De gemeenteraden krijgen uiterlijk 30 april de ontwerpbegroting en de conceptjaarrekening. Voor bijvoorbeeld de ontwerpbegroting wordt een concept eerst besproken in DB, en daarna in beide BC’s. Dit betekent voor de organisatie en het bestuur van GR GGD en Veiligheidsregio Zeeland dat zij het proces voor de begroting en jaarrekening tijdig moeten starten. De gemeenteraden krijgen de ontwerpbegroting en concept jaarrekening voor de wettelijke deadline en op de in Zeeland afgesproken wijze (conform VZG). Vragen over de rol en taken van de gemeenteraden, burgemeesters en wethouders 22. Blijft de invloed van gemeenten behouden? Ja, de gemeenteraden behouden hun democratische rol en controlerende bevoegdheden. Zij stellen via hun colleges kaders, beoordelen de begroting en houden toezicht op de uitvoering van de publieke taken binnen de nieuwe organisatie. In de nieuwe bestuurlijke inrichting is de verantwoording van de wethouders naar hun eigen raad expliciet vastgelegd. Wethouders volksgezondheid nemen zitting in de BC Publieke Gezondheid en besluiten daar over inhoudelijke onderwerpen binnen hun begrotingskader. Burgemeesters doen dat binnen de BC Veiligheid.

Zowel de burgemeesters als de wethouders moeten hierover verantwoording afleggen aan de colleges en gemeenteraden. Zo blijven de raden kaderstellend en controlerend, met duidelijke invloed op de koers, prioriteiten en uitvoering van de nieuwe organisatie. 23. Hoe werkt het begrotingsproces? Het begrotingsproces verandert niet wezenlijk ten opzichte van hoe dit nu bij de GGD en VRZ verloopt. De zienswijzeprocedure blijft ook in de nieuwe situatie bestaan, maar de route wordt iets anders. a. Het DB legt de ontwerpbegroting en beleidsvoornemens voor aan de Bestuurscommissies b. De Bestuurscommissies brengen een advies uit en het DB verwerkt deze adviezen. c. Het DB stuurt de ontwerpbegroting aan de gemeenteraden om een zienswijze te geven. d. Als de gemeenteraden hun zienswijzen hebben ingediend, doet het DB een voorstel aan de beide Bestuurscommissies hoe met de zienswijzen om te gaan. e. Het DB verwerkt het advies van de Bestuurscommissies en laat aan de gemeenteraden weten hoe zij het Algemeen Bestuur voorstel met de zienswijzen om te gaan. f. Het Algemeen Bestuur stelt vervolgens de weging zienswijzen en de begroting vast. 24. Krijgt elke gemeente evenveel invloed in de nieuwe GR als nu? Ja, de stemverhouding blijft zowel in het AB als in de BC’s gelijk aan de huidige situatie, namelijk stemverhouding op basis van inwoneraantal.

5

25. Hoe wordt de gemeenteraad geïnformeerd over beleid, prestaties en financiën? De nieuwe GR zorgt voor transparante en regelmatige informatievoorziening richting de gemeenteraden. Raadsleden ontvangen de ontwerpbegroting en jaarstukken, kunnen hun zienswijze geven en worden via hun college geïnformeerd over beleidsontwikkelingen en resultaten. Daarnaast worden rapportages, evaluaties en risicoverslagen gedeeld, zodat de raad haar controlerende rol goed kan blijven vervullen. De stukken van de BC’s en het Algemeen Bestuur zijn openbaar en beschikbaar op de website van de organisatie. De agenda van het DB en de besluiten worden ook op de website bekendgemaakt. Naast dat de informatie actief wordt gedeeld kunnen de gemeenteraadsleden de eigen burgemeester en wethouder om aanvullende informatie vragen die zij voor het uitoefenen van hun taak nodig hebben. 26. Houden de gemeenten invloed op besluiten die geld kosten? Ja, de BC’s mogen alleen besluiten nemen die passen binnen de afgesproken begroting. Gaat het om extra uitgaven, dan wordt dit via een begrotingswijziging voor zienswijze aan de gemeenteraden voorgelegd. 27. Wat verandert er voor de rol van de raad tijdens en na de overgang naar de nieuwe GR? Tijdens de overgang richting de nieuwe GR blijft de gemeenteraad via de colleges geïnformeerd over de stappen naar de nieuwe GR.

Na de overgang blijft de rol van de raad hetzelfde: alle kaderstellende en controlerende instrumenten blijven voor de raden beschikbaar. 28. Als het AB bestaat uit burgemeesters, kunnen de wethouders straks sturen op publieke gezondheid? Ja, in deze regeling besluiten wethouders samen over publieke gezondheid. De wethouders nemen over alle inhoudelijke onderwerpen van publieke gezondheid en Veilig Thuis de inhoudelijke besluiten. Deze besluiten kunnen de wethouders nemen zonder dat de burgemeesters deze besluiten op inhoud moeten bekrachtigen. Ook over de begroting besluiten de wethouders mee. 29. Kunnen de wethouders straks in de BC’s de begroting vaststellen? Nee, dat is wettelijk niet toegestaan, die bevoegdheid ligt bij het AB. In de regeling is wel geregeld dat de wethouders in de BC’s de ontwerpbegroting van een zwaarwegend advies voorzien voordat deze ontwerpbegroting naar de gemeenteraden gaat voor zienswijze. Ook de weging van de zienswijzen wordt besproken in de beide BC’s, voordat het AB de begroting vaststelt. Zo is de maximale invloed voor de wethouders publieke gezondheid vastgelegd. 30. Kan ik als raadslid mijn wethouder straks vragen stellen? Ja, u kunt als raadslid de wethouder en de burgemeester vragen stellen over wat zij gaan doen en hebben gedaan en welke besluiten zij hebben genomen.

Uw wethouder publieke gezondheid informeert uw raad actief over wat er in de BC publieke gezondheid speelt. U kunt al uw instrumenten als raadslid inzetten.

6

31. In de huidige GR VRZ staat de kostenverdeelsleutel opgenomen. Waarom niet in de nieuwe GR? De kostenverdeelsleutels zijn niet in de GR opgenomen, maar worden opgenomen in een aparte (nog op te stellen) bijdrageregeling. Het uitgangspunt bij het opstellen van de bijdrageregeling is dat er geen herverdeeleffecten tussen de gemeenten plaatsvinden. Dit betekent dat de bijdragen gebaseerd zijn op de huidige verdeling van de gemeentelijke bijdragen bij de GGD en de VRZ. 32. Hoe houdt de gemeenteraad grip op de kostenverdeelsleutel als deze niet in de GR is opgenomen? In de ontwerpregeling GGD en VR Zeeland heeft het vaststellen van de bijdrageregeling twee voorwaarden meegekregen. Deze twee voorwaarden zorgen ervoor dat de positie van de gemeenteraden nauwelijks wijzigt. Ten eerste, als de bijdrageregeling voor de GR GGD en VR Zeeland straks wordt opgesteld in de toekomst veranderd dient te worden, moet een concept daarvan voor zienswijzen aan de raden worden gestuurd. De zienswijzen van de raden worden meegenomen en gewogen in een definitief voorstel. Ten tweede wordt u als gemeenteraad geïnformeerd over de weging van uw zienswijzen. Dit gebeurt voordat het Algemeen Bestuur de bijdrageregeling vaststelt. U kunt als raad en als raadslid uw lid van het Algemeen Bestuur hierover bevragen en ook een opdracht meegeven.

Het Algemeen Bestuur moet de bijdrageregeling met twee derde meerderheid vaststellen. 33. Sluit deze GR volledig aan op het model van de VZG? Waar mogelijk wordt aangesloten bij de door de VZG opgestelde richtlijnen, om consistentie en herkenbaarheid te waarborgen binnen het Zeeuwse bestuurlijke landschap. 34. Wordt in de GR GGD en VR Zeeland een raadsadviescommissie opgenomen? In de notitie ‘Samen kom je verder; gevolgen van wijziging Wgr 2022’ wordt afgeraden te kiezen voor het instellen van een raadsadviescommissie (zie paragraaf 5.2). Onder andere vanwege de mogelijke rolonduidelijkheid van de commissie ten opzichte van het bestuur – vooral bij politieke afwegingen – , de tijdsbelasting voor raadsleden en het feit dat de samenstelling slechts in beperkte mate een afspiegeling vormt van de betrokken raden. Ook kan de betrokkenheid van de raadsadviescommissie in de voorbereidende fase van besluitvorming op gespannen voet komen te staan met de controlerende taak van gemeenteraden ten opzichte van gemeenschappelijke regelingen. 35. Hoe ziet het proces eruit voor de komende tijd? Na de vaststelling van de ontwerp GR GGD en Veiligheidsregio Zeeland op 14 november jl wordt de ontwerpregeling via de colleges van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraden voorgelegd. De gemeenteraden kunnen hierover een zienswijze indienen.

Vervolgens besluiten de AB-en van de GGD en de Veiligheidsregio Zeeland hoe zij met de ingediende zienswijzen omgaan. Dat kan leiden tot aanpassingen in de GR. De vergaderingen van de beide AB-en staan gepland op 27 februari 2026. Als beide AB-en daarna besluiten over de aangepaste regeling, wordt een definitief voorstel aan de raden voorgelegd.

7

De raden wordt dan gevraagd toestemming te verlenen aan hun college om met de wijziging in te stemmen. Na instemming van de gemeenteraad kan het college formeel besluiten tot het wijzigen van de GR VR Zeeland tot de GR GGD en VR Zeeland. Wanneer tenminste tweederde van de colleges heeft ingestemd kan de regeling worden gewijzigd. 36. Waarom is de zienswijzetermijn verlengd naar 12 weken? Volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben gemeenteraden acht weken om een zienswijze in te dienen. Omdat de termijn samenvalt met de kerstperiode en sommige raden mogelijk meer tijd nodig hebben voor hun behandeling, is de periode met vier weken verlengd. De beide AB-en vinden het belangrijk dat de raden voldoende tijd hebben om de ontwerpregeling zorgvuldig te bespreken en een zienswijze te formuleren.

8

Aan de leden

Datum

17 november 2025 Ons kenmerk

U202500028 Lbr. 25/055 Bijlage(n)

4

Onderwerp

Intrekkingen van vier modelverordeningen wegens van rechtswege vervallen Geachte leden van college en gemeenteraad, Aanleiding Bij het opschonen van onze modelverordeningen bleek dat voor vier modellen de wettelijke grondslag (in de toekomst) niet meer bestaat. Deze vier modellen zijn van rechtswege komen te vervallen en moeten daarom voor de duidelijkheid worden ingetrokken. In deze brief lichten wij toe om welke modellen het gaat. Modelverordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen De Modelverordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen is vervallen. Deze modelverordening was opgesteld met als doel nadere eisen te stellen ten aanzien van ruimte en inrichting van de peuterspeelzalen. Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking getreden. Peuterspeelzalen zijn met die wet onder kindercentra voor dagopvang geschaard en dit betekent dat peuterspeelzalen aan de vereisten voor de ruimte en inrichting van deze kindercentra in de wet moeten voldoen. Datgene wat in de Model Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen werd geregeld, is dus sinds 2018 wettelijk geregeld. Dat betekent dat de Model Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen op die datum van rechtswege is vervallen.

Om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat deze verordening niet meer van toepassing is, is het advies deze in te trekken. Model Bouwverordening De Model Bouwverordening regelde twee onderwerpen: (1.) het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en (2.) het voorzien in welstandsadvisering. De grondslag voor de Model Bouwverordening was artikel 8 in Hoofdstuk II van de Woningwet. De Invoeringswet Omgevingswet schrapt Hoofdstuk II van de Woningwet. Deze wijziging is opgenomen in artikel 2.55 (Woningwet)

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl

vng.nl

onder C, in Hoofdstuk 2 (Wijziging andere wetten) in de Invoeringswet omgevingswet van 12 februari 2020 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-172.html). Omdat de grondslag voor de Model Bouwverordening door deze wijziging is komen te vervallen en het met de bruidsschat onderdeel is geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, kan deze verordening worden ingetrokken. De regels onder (1.) en (2.) worden op de volgende manier in de nieuwe regelgeving ondergebracht. 1. Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem gaan via de bruidsschat naar het omgevingsplan. Het Aanvullingsbesluit bodem regelt dit. Het Aanvullingsbesluit voegt beoordelingsregels en vergunningvoorschriften toe voor een omgevingsplanactiviteit over bouwen. Het gaat specifiek om de artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de bruidsschat. Daarnaast komen er via het Aanvullingsbesluit bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente moet bij een wijziging van het omgevingsplan die instructieregels toepassen. 2. De gemeenteraad moet op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet opnieuw een welstandscommissie instellen. Deze wordt een gemeentelijke adviescommissie. De gemeente moet vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet in ieder geval een commissie instellen voor omgevingsplanactiviteiten voor gebouwde of aangelegde rijksmonumenten.

Voor meer informatie over deze gemeentelijke adviescommissie verwijzen wij naar de handreiking Adviesstelsel voor omgevingskwaliteit(verwijst naar een andere website) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Model Exploitatieverordening De Model Exploitatieverordening is per abuis niet eerder ingetrokken. De grondslag voor de verordening was artikel 42 van de oude Wet op de ruimtelijke ordening. Deze wet is per 1 juli 2008 vervallen. Daarmee vervalt ook de grondslag voor de Exploitatieverordening van rechtswege. Exploitatieverordeningen die onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) tot stand zijn gekomen, zijn gebaseerd op artikel 6.23 van de Wro. De nieuwe Wro en daarmee de rechtsgrond van deze verordeningen komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet eveneens te vervallen. Wat in de Exploitatieverordening was geregeld, namelijk het regelen van grondexploitatieovereenkomsten in de gemeente, moet nu op grond van artikel 3.16 van de Omgevingswet geregeld worden in het omgevingsplan van de gemeente. Een gemeente moet regels over kostenverhaal opnemen in het omgevingsplan voor zover sprake is van aangewezen kostensoorten en activiteiten. De regeling voor kostenverhaal in de Omgevingswet is uitputtend bedoeld. Er is voor gemeenten dus geen mogelijkheid meer om hier regels over te stellen. Wel bevat artikel 4.112 van de Omgevingswet een regeling voor grondexploitatieovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gesloten. Hiervoor geldt een overgangsregeling zodat het oude recht blijft gelden, inclusief de oude exploitatieverordening.

Voor meer informatie verwijzen wij naar bijgaande website: Bestaande gemeentelijke verordeningen en het omgevingsplan | Informatiepunt Leefomgeving

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/4

Modelverordening elektronische kennisgeving Deze modelverordening elektronische kennisgeving creëert de mogelijkheid om kennisgevingen uitsluitend elektronisch te publiceren. Het doel van deze verordening is om burgers effectief kennis te kunnen laten nemen van ontwerpbesluiten, definitieve besluiten, aanvragen en meldingen, via publicatie in het elektronisch gemeenteblad. De grondslag voor deze verordening is, naast artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel komt met de inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) op 1 januari 2026 echter te vervallen. Ook op dit moment heeft de huidige verordening geen meerwaarde meer. Voor zover het bij “berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht” gaat om Awb-besluiten als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de Awb, voorziet de Bekendmakingswet al in publicatie in het elektronisch gemeenteblad (artikel 6 in samenhang met artikel 12 en artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet). Met andere woorden, datgene wat in artikel 1 van de modelverordening elektronische kennisgeving is geregeld, staat ook al in de Bekendmakingswet.

Voor zover het bij “berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht” gaat om berichten die geen Awb-besluiten zijn, nu geregeld in artikel 2:14, tweede lid, van de Awb, wordt in de Bekendmakingswet en de Wmebv niets geregeld. De wetgever heeft in de wetsgeschiedenis bij de Wmebv ook gesteld dat dit niet nodig is en kan worden volstaan met een elektronische beschikbaarstelling (zie de MvT: Kamerstuk 35261, nr. 3 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen). Er is dus nu al geen noodzaak meer om de Verordening elektronische kennisgeving te handhaven, omdat de inhoud elders is geregeld. Daarnaast is er per 1 januari 2026 geen specifieke wettelijke grondslag meer om per verordening te regelen hoe de elektronische verzending van berichten die Awb-besluiten inhouden en niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht geschiedt. Bijlagen Deze ledenbrief bevat 4 bijlagen: Bijlage 1. Model raadsbesluit Intrekking Modelverordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Opgemaakt voor publicatie, met toelichting. Bijlage 2. Model raadsbesluit Intrekking Model Bouwverordening Opgemaakt voor publicatie, met toelichting. Bijlage 3. Model raadsbesluit Intrekking Model Exploitatieverordening Opgemaakt voor publicatie, met toelichting. Bijlage 4. Model raadsbesluit Intrekking Modelverordening elektronische kennisgeving Opgemaakt) voor publicatie, met toelichting.

Geconsolideerde teksten De geconsolideerde teksten van de VNG-modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via Kennisbank Decentrale Regelgeving (www.decentraleregelgeving.nl). De VNG modelverordeningen (zonder de toelichtingen) staan ook in Modellen Decentrale Regelgeving (https://puc.overheid.nl/mdr/).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/4

Meer informatie Met inhoudelijke vragen en vragen over de modelverordening kunt u terecht bij het informatiecentrum van de VNG (070-373 8393 of e-mail: info@vng.nl). Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

dr. mr. L.K. Geluk Algemeen directeur

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4/4

Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen.

Model Raadsbesluit intrekking Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot intrekking van de [citeertitel Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen] [naam gemeente en eventueel jaartal] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (2018); besluit: Artikel I. Intrekking oude verordening De [citeertitel verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen] wordt ingetrokken. Artikel II. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op [datum] en werkt terug tot en met 1 januari 2018. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Toelichting De [citeertitel Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen] is per abuis tot op heden als verordening beschikbaar geweest. Op 1 augustus 2010 trad de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wet) in werking. Eén van de onderliggende doelstellingen van deze wet was om de regelgeving over peuterspeelzalen te harmoniseren met de kinderdagopvang. In de Wet waren minimum kwaliteitseisen voor peuterspeelzalen vastgelegd, en was aan de minister de bevoegdheid gegeven aanvullende regelgeving voor de kwaliteit in een Algemene maatregel van bestuur vast te leggen. In het Convenant kwaliteit peuterspeelzaalwerk (9 november 2009, hierna: het Convenant) waren kwaliteitseisen voor de houders van peuterspeelzalen nader uitgewerkt. De eisen in het Convenant hebben als uitgangspunt gediend voor de Beleidsregels kwaliteit peuterspeelzalen van de minister van OCW. Omdat in deze Beleidsregels geen eisen waren opgenomen ten aanzien van ruimte en inrichting van peuterspeelzalen, was de [citeertitel verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen] opgesteld. In deze verordening was aansluiting gezocht bij het Convenant en bij de Beleidsregels kwaliteit peuterspeelzalen. Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking getreden.

Peuterspeelzalen werden toen kindercentra voor dagopvang en voor hen gelden vanaf dat moment dezelfde wettelijke eisen als voor de ruimte en inrichting van andere vormen van dagopvang. Datgene wat in de nu in te trekken verordening werd geregeld is dus sinds 2018 wettelijk geregeld. Dat betekent dat de [citeertitel Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen] van rechtswege is vervallen op grond van artikel 122 van de Gemeentewet en voor de duidelijkheid kan worden ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018.

Leeswijzer modelbepalingen

- […] of [iets] = door gemeente in te vullen.

Model Raadsbesluit intrekking Bouwverordening Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot intrekking van de [citeertitel Bouwverordening] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikel 2.55 (Woningwet) onder C, in Hoofdstuk 2 (Wijziging andere wetten) in de Invoeringswet omgevingswet; besluit: Artikel I. Intrekking oude verordening De [citeertitel Bouwverordening] wordt ingetrokken. Artikel II. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op [datum].

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Toelichting De [citeertitel Bouwverordening] regelde twee onderwerpen: (1.) het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en (2.) het voorzien in welstandsadvisering. De grondslag voor de [citeertitel Bouwverordening] was artikel 8 in Hoofdstuk II van de Woningwet. De Invoeringswet Omgevingswet schrapt Hoofdstuk II van de Woningwet. Deze wijziging is opgenomen in artikel 2.55 (Woningwet) onder C, in Hoofdstuk 2 (Wijziging andere wetten) in de Invoeringswet omgevingswet van 12 februari 2020 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2020-172.html). Omdat de grondslag voor de [citeertitel Bouwverordening] door deze wijziging is komen te vervallen en het met de bruidsschat onderdeel is geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, vervalt deze verordening van rechtswege, en kan daardoor worden ingetrokken. . De regels onder (1.) en (2.) worden op de volgende manier in de nieuwe regelgeving ondergebracht. 1. Bepalingen over bouwen op verontreinigde bodem gaan via de bruidsschat naar het omgevingsplan. Het Aanvullingsbesluit bodem regelt dit. Het Aanvullingsbesluit voegt beoordelingsregels en vergunningvoorschriften toe voor een omgevingsplanactiviteit over bouwen. Het gaat specifiek om de artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de bruidsschat. Daarnaast komen er via het Aanvullingsbesluit bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

De gemeente moet bij een wijziging van het omgevingsplan die instructieregels toepassen. 2. De gemeenteraad moet op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet opnieuw een welstandscommissie instellen. Deze wordt een gemeentelijke adviescommissie. De gemeente moet vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet in ieder geval een commissie instellen voor omgevingsplanactiviteiten voor gebouwde of aangelegde rijksmonumenten. Voor meer informatie over deze gemeentelijke adviescommissie verwijzen wij naar de handreiking Adviesstelsel voor omgevingskwaliteit(verwijst naar een andere website) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen.

Model Raadsbesluit intrekking Exploitatieverordening Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot intrekking van de [citeertitel Exploitatieverordening] [naam gemeente en eventueel jaartal] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op het vervallen van artikel 42 van de Wet op de ruimtelijke ordening en het daarmee ontbreken van een wettelijke grondslag voor de [citeertitel Exploitatieverordening]; besluit: Artikel I. Intrekking oude verordening De [citeertitel Exploitatieverordening] wordt ingetrokken. Artikel II. Overgangsrecht, inwerkingtreding 1. Voor grondexploitatieovereenkomsten die vóór inwerkingtreding van Omgevingswet zijn gesloten blijft het recht gelden zoals dat vóór de inwerkingtreding van die wet gold, inclusief de [citeertitel Exploitatieverordening]. 2. Dit besluit treedt in werking op [datum] en werkt terug tot en met 1 juli 2008. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Toelichting De [citeertitel Exploitatieverordening] is per abuis niet eerder ingetrokken. De grondslag voor de verordening was artikel 42 van de oude Wet op de ruimtelijke ordening. Deze wet is per 1 juli 2008 vervallen. Daarmee vervalt ook de [citeertitel Exploitatieverordening] van rechtswege. Exploitatieverordeningen die onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) tot stand zijn gekomen, zijn gebaseerd op artikel 6.23 Wro. De nieuwe Wro en daarmee de rechtsgrond van deze verordeningen komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet eveneens te vervallen. Wat in de Exploitatieverordening was geregeld, namelijk het regelen van grondexploitatieovereenkomsten in de gemeente, moet nu op grond van artikel 3.16 van de Omgevingswet geregeld worden in het omgevingsplan van de gemeente. Een gemeente moet regels over kostenverhaal opnemen in het omgevingsplan voor zover sprake is van aangewezen kostensoorten en activiteiten. De regeling voor kostenverhaal in de Omgevingswet is uitputtend bedoeld. Er is voor gemeenten dus geen mogelijkheid meer om hier regels over te stellen. Wel bevat artikel 4.112 van de Omgevingswet een regeling voor grondexploitatieovereenkomsten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gesloten. Hiervoor geldt een overgangsregeling zodat het oude recht blijft gelden, inclusief de oude exploitatieverordening.

Artikel II, eerste lid bevat daarom een overgangsbepaling die hierbij aansluit.

Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen.

Model Raadsbesluit intrekking Verordening elektronische kennisgeving Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot intrekking van de [citeertitel Verordening elektronische kennisgeving] [naam gemeente en eventueel jaartal] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de voorgenomen wijziging Algemene wet bestuursrecht; de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (1 januari 2026) en de Bekendmakingswet (2024); besluit: Artikel I. Intrekking oude verordening De [citeertitel verordening elektronische kennisgeving] wordt ingetrokken. Artikel II. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op [datum]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Toelichting

De [citeertitel verordening elektronische kennisgeving] creëert de mogelijkheid om kennisgevingen uitsluitend elektronisch te publiceren. Het doel van deze verordening is om burgers effectief kennis te kunnen laten nemen van ontwerpbesluiten, definitieve besluiten, aanvragen en meldingen, via publicatie in het elektronisch gemeenteblad. De grondslag voor deze verordening is, naast artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel komt met de inwerkingtreding van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) op 1 januari 2026 echter te vervallen. Ook op dit moment heeft de huidige verordening geen meerwaarde meer. Voor zover het bij “berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht” gaat om Awb-besluiten als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de Awb, voorziet de Bekendmakingswet al in publicatie in het elektronisch gemeenteblad (artikel 6 in samenhang met artikel 12 en artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet). Met andere woorden, datgene wat in artikel 1 van de [citeertitel verordening elektronische kennisgeving] is geregeld, staat ook al in de Bekendmakingswet.

Voor zover het bij “berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht” gaat om berichten die geen Awb-besluiten zijn, nu geregeld in artikel 2:14, tweede lid, van de Awb, wordt in de Bekendmakingswet en de Wmebv niets geregeld. De wetgever heeft in de wetsgeschiedenis bij de Wmebv ook gesteld dat dit niet nodig is en kan worden volstaan met een elektronische beschikbaarstelling (zie de MvT: Kamerstuk 35261, nr. 3 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen). Er is dus nu al geen noodzaak meer om de [citeertitel Verordening elektronische kennisgeving] te handhaven, omdat de inhoud elders is geregeld. Daarnaast is er per 1 januari 2026 geen specifieke wettelijke grondslag meer om per verordening te regelen hoe de elektronische verzending van berichten die Awb-besluiten inhouden en niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht geschiedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16270322/1