25-147 Bijlage 3. Ingekomen stukken commissie AB
Tekst van het document
25
Bijlage 3 Schema verschillende processen Deze bijlage zit los bij dit rapport. In deze bijlage staan schema’s voor de processen voor de: • • • •
begroting tussentijdse rapportages begrotingswijzigingen jaarstukken
Het schema spreekt vooral over raden en de colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten. Zijn de Provincie en/of het waterschap deelnemer? Dan bedoelen we natuurlijk ook Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. En het dagelijks bestuur en de algemene vergadering. Zijn de Provincie én het waterschap ook deelnemer in de gemeenschappelijke regeling? Dan moet de gemeenschappelijke regeling de vastgestelde begroting en jaarstukken naar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sturen.
26
Bijlage 4 Voorbeeld berekening Zeeuwse richtlijn bezuiniging Zeeuwse richtlijn indexering • •
Lonen: ⅔, stel waarde is 3 Materialen: ⅓, stel waarde is 2
= 2% = ⅔%
De Zeeuwse richtlijn indexering is 2,67% Zeeuwse richtlijn bezuiniging Stel dat de daling van de algemene uitkering 3% is van de algemene uitkeringen van de Zeeuwse gemeenten vergeleken met vorig jaar. Dit komt ook door de stijging van lonen en materialen van 2,67%. De zuivere bezuinigingsnorm is dus 3% + 2,67% = 5,67%. Conclusie • •
Zeeuwse richtlijn indexering is + 2,67% = jaarlijkse trendmatige verhoging Zeeuwse richtlijn bezuiniging is - 5,67% = inhouding op de bijdrage
27
Gemeenschappelijke regelingen Zeeland
Advies OZO thema-overleg Bestuur en Financiën met reactie van het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten Hieronder leest u in vet de adviezen van het OZO thema-overleg Bestuur en Financiën. Onder elk advies staat de reactie van het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten. De gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief heeft een uitzonderingspositie. Het rapport is niet van toepassing Dat klopt, omdat het Rijk deelnemer is. Maar het Rijk gaf aan uit te willen treden. Op het moment dat het Rijk uittreedt, vervalt de uitzonderingspositie. Dan passen we het rapport toe. Er is dan namelijk geen verschil meer met de andere gemeenschappelijke regelingen in Zeeland. Het moet mogelijk zijn om af te wijken van de Zeeuwse richtlijn indexering. Dat komt niet terug in het rapport In het rapport stond dat een gemeenschappelijke regeling bij de begroting beargumenteerd kan vragen om aanpassing van de vaste verhouding loon en materialen. We maakten de tekst hierover duidelijker: “Dan is er de discussie over de vaste verhouding tussen de lonen (twee derde deel) en materialen (een derde deel) in de algemene uitkering. De Werkgroep gemeenschappelijke regelingen onderzocht in 2022 hoe deze verhouding bij alle gemeenschappelijke regelingen ligt.
Toen bleek dat bij enkele gemeenschappelijke regelingen het loonaandeel standaard hoger is dan in de algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt aangenomen. Dit kan tot financiële problemen leiden als er geen andere mogelijkheden zijn om dit goed te maken. In dat geval kunnen de gemeenschappelijke regelingen met een onderbouwd voorstel aan het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten vragen om aanpassing van de vaste verhouding lonen en materialen. De Werkgroep Zeeuwse richtlijnen voor gemeenschappelijke regelingen beoordeelt dat verzoek. En geeft hierover een advies aan het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten. Het bestuur kan dan een afwijkende richtlijn voor die gemeenschappelijke regeling vaststellen. Een verzoek om aanpassing van de vaste verhouding tussen lonen en materialen dient een gemeenschappelijke regeling in vóór de vaststelling van de Zeeuwse richtlijn voor jaar t, op basis van de septembercirculaire t-2.” Kan de VZG-richtlijn een OZO-richtlijn worden? De Provincie Zeeland neemt nu deel aan de RUD Zeeland. Het waterschap Scheldestromen aan SaBeWa Zeeland. Het gaat dan om 2 van de 13 gemeenschappelijke regelingen. De Provincie is van plan om deel te nemen aan de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland. De Provincie en het waterschap zijn van plan om deel te gaan nemen aan de gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief.
Het OZO is geen besluitvormend orgaan. Ook heeft het OZO al een adviserende rol in de totstandkoming van de richtlijn. We stellen voor om de naam ‘VZG-richtlijn’ te veranderen in ‘Zeeuwse richtlijnen voor gemeenschappelijke regelingen’. Daarnaast doen we het aanbod aan de Provincie Zeeland en het waterschap Scheldestromen om deel te nemen aan de Werkgroep gemeenschappelijke regelingen en de Werkgroep Zeeuwse richtlijnen voor gemeenschappelijke regelingen. De richtlijn voor 2026 is -2,2%. Maar onduidelijk is wat die richtlijn dan betekent voor indexering en bezuiniging We gaan in de toekomst duidelijker communiceren over de richtlijnen. Voor 2026 ging het om de volgende richtlijnen: secretaris
1
Gemeenschappelijke regelingen Zeeland
Zeeuwse richtlijn indexering: 2,1% Zeeuwse richtlijn bezuiniging: -4,3%
Dat is per saldo nog steeds -2,2%, maar wel zuiverder om zo op te schrijven. In het rapport stond en staat ook niet dat we de richtlijnen salderen. Het Rijk verschuift de financiële panelen steeds. Dat is daardoor geen stabiele factor om een richtlijn op te berekenen We bespraken in de Werkgroep gemeenschappelijke regelingen of we de berekening anders moeten aanpakken. Bijvoorbeeld de meicirculaire gebruiken voor de begroting t+2. En de septembercirculaire voor de aanpassing van t+1. Maar ook dat is niet ideaal. Gemeenschappelijke regelingen starten al in januari met het samenstellen van de begroting voor het jaar daarop volgend. De huidige werkwijze geeft hen op dat moment het meest actuele beeld op de aan te houden indexerings- en bezuinigingsrichtlijn. We willen daarom toch graag de huidige manier van werken aanhouden. Waarom moet nieuw beleid in een aparte begrotingswijziging? We willen toch minder begrotingswijzigingen? De Werkgroep gemeenschappelijke regelingen besprak de optie om nieuw beleid in een apart hoofdstuk in de begroting op te nemen. In de zienswijze kunnen deelnemers dan een splitsing maken in lopend beleid en nieuw beleid. Maar de werkgroep denkt dat bestaand en nieuw beleid in de begroting dan toch door elkaar gaan lopen. Daarom blijft de werkgroep vasthouden aan de afspraak om nieuw beleid in een aparte begrotingswijziging op te nemen.
De deelnemers behouden daardoor een duidelijker beeld en kunnen op basis daarvan een zuivere afweging maken over nieuw beleid en de daarmee verband houdende kosten. Gaat het aangepaste rapport ook nog naar colleges en raden voordat het naar het VZG-bestuur gaat? Nee. Op het moment dat het aangepaste rapport naar het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten gaat, ontvangen de gemeentelijke vertegenwoordigers de stukken. De behandelend ambtenaren kunnen dan eventueel een advies/annotatie voor het college voorbereiden. De Provincie Zeeland voelt zich niet gebonden aan het afsprakenkader, vooral op het gebied van de statische reserverichtlijn. De Provincie hecht eraan dat de omvang van de algemene reserve (beschikbare weerstandsvermogen) in relatie staat tot de geïdentificeerde risico’s (benodigde weerstandsvermogen) in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken In het rapport staat hierover het volgende: “Vinden gemeenschappelijke regelingen 5% te laag? Of ontvangen zij specifieke bedragen die zij voor een specifiek doel willen reserveren? Dan kunnen zij de deelnemers een onderbouwd voorstel doen om af te wijken van de norm. Dit gebeurt bij het voorstel over de bestemming van het saldo van de jaarrekening. Zijn de actuele risico’s hoger dan de reserves? Dan is dat op zich nog geen reden om de norm aan te passen.
Het is namelijk altijd zo dat de deelnemers eventuele verliezen van de gemeenschappelijke regeling voor hun rekening moeten nemen. Dat kan dan ook in de risicoparagraaf van de gemeenschappelijke regeling en de deelnemers komen te staan.” De reserverichtlijn is dus minder statisch dan men misschien denkt. En uiteindelijk staan de deelnemers aan de lat als er een tekort is. Voor de manier waarop de Provincie wil werken, is wel belangrijk dat de gemeenschappelijke regelingen hun risico’s goed inschatten. De ervaring uit de praktijk is dat hierin nog verbetering mogelijk is.
secretaris
2
Gemeenschappelijke regelingen Zeeland De Provincie Zeeland voelt zich niet gebonden aan het afsprakenkader, omdat niet duidelijk is hoe de berekening van de bezuinigingsrichtlijn gebeurt. De bezuinigingsrichtlijn kan niet onverkort worden toegepast zonder dat de gemeenschappelijke regeling duidelijk aangeeft welke taken verminderen en/of er aanpassing van het niveau van dienstverlening plaatsvindt om binnen het financiële kader te blijven We gaan in de toekomst duidelijker communiceren over de richtlijnen. In de paragraaf over de bezuinigingsrichtlijn namen we de volgende tekst op: “Het spreekt voor zich dat gemeenschappelijke regelingen bij bezuinigingen de mogelijkheden hiervoor in beeld brengen. Het is aan de deelnemers om hieruit een keuze te maken.” Daarnaast namen we in bijlage 4 bij het rapport een voorbeeld op van hoe de Zeeuwse richtlijn bezuiniging ontstaat. De Provincie Zeeland doet de aanbeveling om aanvullende bepalingen bovenop de wet explicieter te maken in het document We deden dit door erbij te zetten dat het gaat om een Zeeuwse afspraak. Voor de Provincie Zeeland is onduidelijk welk overzicht de Samenstellingscommissie invult bij een tussentijdse rapportage en wat het nut hiervan is De Samenstellingscommissie vult het overzicht alleen in als er een begrotingswijziging bij de tussentijdse rapportage zit die gevolgen heeft voor de bijdrage van de deelnemers.
We vulden het rapport hierop aan door te schrijven: De Samenstellingscommissie vult het overzicht per gemeenschappelijke regeling en per deelnemer in. Dat gebeurt alleen als er een begrotingswijziging bij de tussentijdse rapportage zit die financiële gevolgen heeft voor de deelnemers. De Samenstellingscommissie vult het overzicht in tussen 1 en 8 juni. En tussen 15 juli en 15 augustus. De voorzitter van de Werkgroep gemeenschappelijke regelingen stuurt het ingevulde overzicht naar de (gemeente)secretarissen. Voor de Provincie Zeeland is bij de tussentijdse rapportage per 1 juni (aanleveren uiterlijk 15 juli) het nauwelijks nog mogelijk om de reguliere aanlevertermijn voor de eerste Statenvergadering na het zomerreces (september) te halen We nemen hiervan kennis. Dit geldt voor meer deelnemers. Elke deelnemer kan hierover intern afspraken maken. Bijlage 4 nog toevoegen of is deze komen te vervallen? Bedankt voor uw oplettendheid. Deze was op dat moment komen te vervallen. Dit stond per ongeluk nog in de notitie waarmee we het rapport aangeboden hebben aan het OZO thema-overleg Bestuur en Financiën.
secretaris
3
Begroting
1/5 – 21/5
22/5 – 14-7
15/7 – 14/9
Voor 14/9
Aanleveren begroting en advies Begeleidingscommissie bij raden en colleges van de deelnemers , Regiobureau Zeeland en voorzitter Samenstellingscommissie door DB van GR
Invullen overzichtsformat door Samenstellingscommissie
Doorlopen ambtelijk en bestuurlijk traject bij deelnemers om te komen tot een zienswijze
Doorlopen traject om te komen tot vaststelling van begroting inclusief reactie op zienswijzen door DB van GR
Vaststellen begroting door AB van GR
Versturen begroting naar GS en aan raden deelnemende gemeenten door GR
Peildatum 1/4 (1e tijdspad) en 1/6 (2e tijdspad)
Uiterlijk 1/6 (1e tijdspad) en 15/7 (tweede tijdspad)
Doorlooptijd (1e tijdspad) en ca. 4 weken (2e tijdspad)
Uiterlijk 8/6 (1e tijdspad) en 15/8 (2e tijdspad)
Doorlooptijd ca. 5 weken voor college en raad (geldt voor 1e en 2e tijdspad)
Juli (1e tijdspad) en augustus/ september (2e tijdspad)
ca. 1 week
Versturen tussentijdse rapportage en advies Begeleidingscommissie naar raden en colleges van de deelnemers , Regiobureau Zeeland en voorzitter Samenstellingscommissie door DB van GR
Tussentijdse rapportage
Invullen overzichtsformat door Samenstellingscommissie als er een begrotingswijziging bijzit met financiële gevolgen voor de deelnemers
Aanleveren ingevulde format bij deelnemers door voorzitter van de Werkgroep gemeenschappelijke regelingen
Doorlopen traject bestuurlijk intern proces deelnemer
Tot uiterlijk 30/9 N. a. v. tussentijdse rapportage?
Begrotingswijzigingen
Nee
Bijzondere situatie?* Ja
Ja
Nee
Opnemen in het reguliere proces door de GR (zie rij 2 ‘Tussentijdse rapportage’)
Jaarstukken
Voorlopig vaststellen van een begrotingswijziging door het AB
Geen begrotingswijziging mogelijk
Voor 31/12 Aanleveren begrotingswijziging en advies Begeleidingscommissie bij raden en colleges van de deelnemers , Regiobureau Zeeland en voorzitter Samenstellingscommissie door DB van GR
Intern proces bij GR Voor 30/4
=
Reserve VZG richtlijn (≤5%)?
Nee
Ja
Voor 15/9 en in elk geval binnen 2 weken na vaststelling door het AB
Voor 30/4
Positief JR resultaat naar algemene reserve?
Nee
Vragen om een zienswijze van de deelnemer door GR
Ja
Jaarstukken ter kennisname naar raad Jaarstukken en voorgenomen
besluit over de resultaatbestemming met vraag voor zienswijze naar raad
Verzenden (voorlopige) jaarstukken met voorgenomen besluit over resultaatbestemming en advies Begeleidingscommissie naar raden en colleges van de deelnemers , Regiobureau Zeeland en voorzitter Samenstellingscommissie door DB van GR
1/5 – 21/5
Invullen overzichtsformat door Samenstellingscommissie
Invullen overzichtsformat door Samenstellingscommissie
Doorlopen ambtelijk en bestuurlijk traject bij deelnemers om begrotingswijziging te bespreken en eventueel te komen tot een zienswijze en indienen bij bestuur GR door deelnemer
*Een zienswijze is het geval bij vraag vanuit GR om een zienswijze of n. a. v. de inhoud van het overzichtsformat van de Samenstellingscommissie
Opstellen zienswijze door deelnemer en delen met DB van GR*
Doorlopen traject om te komen tot vaststelling van jaarstukken (inclusief reactie op zienswijzen over voorgenomen besluit over resultaatbestemming)
Opstellen en geven van
zienswijze door gemeenteraad
*Bijzondere situatie: Het kan bijvoorbeeld gaan om nieuwe taken die meteen moeten gebeuren. En die in de lopende begroting moeten komen te staan. Of bijvoorbeeld om een pandemie of een deelnemer die uittreedt. Het belangrijkste is dat de bijdragen van de deelnemers dit jaar en/of in de volgende jaren omhoog moeten.
Voor 15/7 en in elk geval binnen 2 weken na vaststelling door het AB Vaststellen jaarstukken en besluit over resultaatbestemming door AB van GR
Versturen jaarstukken naar GS door GR
Individuele gemeenschappelijke regeling
Totaalbeeld gemeenschappelijke regelingen
P&C product GR
Bestaande uit inhoudelijke aspecten
P&C product GR De Begeleidingscommissie is namens de deelnemers de gesprekspartner van de directies van de gemeenschappelijke regelingen en is daarmee de intermediair tussen de deelnemers en de gemeenschappelijke regeling. Hieruit vloeit een afspraak voort over de wijze van toepassing van de regels en de richtlijnen. De Begeleidingscommissies bestaan uit inhoudelijke en financieel deskundige medewerkers van de deelnemers en verstrekken als logisch gevolg daarvan een inhoudelijk en financieel advies.
Bestaande uit financiële aspecten
Adviseren door de Begeleidingscommissie
De Samenstellingscommissie bestaat uit financiële specialisten en controllers van de deelnemers. De Samenstellingscommissie ziet toe op een goede toepassing en uitleg van de Zeeuwse richtlijnen voor gemeenschappelijke regelingen. De Samenstellingscommissie stelt een overzicht per gemeenschappelijke regeling en per deelnemer op. Dit overzicht kunnen de deelnemers in de besluitvorming
Invullen overzichtsformat door de Samenstellingscommissie
P&C product GR
P&C product GR
Adviseren door de Begeleidingscommissie
P&C product GR
P&C product GR
Adviseren door de Begeleidingscommissie
Adviseren door de Begeleidingscommissie
Adviseren door de Begeleidingscommissie
Adviseren door de Begeleidingscommissie
meenemen.
Invullen overzichtsformat door de Samenstellingscommissie Adviezen Beg. cie. en Sam. cie. gelijk?
Doorzetten (financiële) adviezen naar gemeentebesturen
Ja
Ingevuld format met totaalbeeld gemeenschappelijke regelingen
Nee
Overleg voeren tussen beide commissies
Eenduidigheid?
Nee Meegeven in het advies waarom er geen gelijkluidend advies is
Ja
Inhoudelijk advies
Financieel advies
Brief aan de leden
Datum
2 oktober 2025 Kenmerk
U202500601 Lbr. 25 /044 LOGA-nr 25/03 Telefoon
Bijlagen)
-
Onderwerp
Toelichting Cao Gemeenten/SGO 2025-2027
Samenvatting Met deze LOGA-brief wordt een toelichting gegeven op een aantal afspraken uit de Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027. In LOGA-brief nummer 25/02 van 10 juni jl. is eerder een toelichting gegeven op wijzigingen van de salarisbedragen, vergoedingen en toelagen over 2025. De cao tekst is gepubliceerd op 1 juli jl., zie daarvoor www.caogemeenten.nl en www.wsgo.nl. In deze brief staat een toelichting op de afspraken over: 1. Salarismutaties 2026 en 2027 2. Minimumuursalaris 3. Invloed van de salarismaatregelen op uitkeringen in verband met werkloosheid 4. Aflossing studieschuld met het IKB 5. Toelagen en vergoedingen 6. Vrijstelling nachtdiensten 7. Inclusieve cao 8. Stand van zaken RVU onderzoek zware beroepen 9. Tot slot Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
1/1
Brief aan de leden
Datum
2 oktober 2025 Kenmerk
U202500601 Lbr. 25 /044 LOGA-nr 25/03 Telefoon
Bijlagen)
-
Onderwerp
Toelichting Cao Gemeenten/SGO 2025-2027
Geachte leden, Met deze LOGA brief wordt een toelichting gegeven op een aantal afspraken uit de Cao Gemeenten en Cao SGO 2025-2027. In LOGA-brief 25/02 van 10 juni jl. is eerder een toelichting gegeven op wijzigingen van de salarisbedragen, vergoedingen en toelagen over 2025. In deze brief staat een toelichting op de afspraken over: 1. Salarismutaties 2026 en 2027 2. Minimumuursalaris 3. Invloed van de salarismaatregelen op uitkeringen in verband met werkloosheid 4. Aflossing studieschuld met het IKB 5. Toelagen en vergoedingen 6. Vrijstelling nachtdiensten 7. Inclusieve cao 8. Stand van zaken RVU onderzoek zware beroepen 9. Tot slot 1. Salarismutaties 2026 en 2027 De salarismutaties in 2026 en 2027 zijn verwerkt in de salaristabellen in de cao in artikel 3.3. De tekst van de cao is te vinden op www.caogemeenten.nl en www.wsgo.nl. 2. Minimumuursalaris Werknemers in de reguliere salarisschalen krijgen vanaf 1 januari 2026 een salaris van minimaal € 16 per uur (€ 2.496 per maand). De €16 per uur wordt niet geïndexeerd met de cao contractloonstijgingen. De € 16 geldt niet voor schaal A.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
1/6
Periodieken die corresponderen met een uursalaris van minder dan € 16 zijn rood weergegeven in de salaristabellen. Het systeem van periodieken blijft in stand. Een voorbeeld: Een werknemer zit eind 2025 in schaal 1 periodiek 4 (= € 2.406). De vaste periodiek datum is 1 januari. Met ingang van 1 januari 2026 gaat de werknemer naar schaal 1 periodiek 5 (= € 2.448). Omdat deze periodiek onder het minimumsalaris ligt, ontvangt de werknemer per 1 januari 2026 € 2.496. De werknemer gaat met ingang van 1 januari 2027 naar schaal 1 periodiek 6 (= € 2.495). Omdat deze periodiek onder het minimumsalaris ligt, blijft de werknemer per 1 januari 2027 € 2.496 ontvangen. 3. Invloed van de salarismaatregelen op uitkeringen in verband met werkloosheid De structurele salarisstijging van € 35 euro nominaal per 1 januari 2026 werkt door naar de al ingegane uitkeringen in verband met werkloosheid op grond van artikel 10.23 cao en bijlage 8. Voor de hoogte van de indexatie van de uitkeringen dient te worden uitgegaan van de procentuele stijging van de schaal en periodiek tussen 1 oktober 2025 en 1 januari 2026. Door de nominale stijging is dit percentage per schaal en periodiek verschillend. Daarom moet worden gekeken naar de schaal en de periodiek waarin de werknemer zat voorafgaand aan de start van de uitkering.
Is niet meer te achterhalen in welke periodiek de werknemer zat, dan moet voor de indexatie worden gekeken naar de procentuele stijging in de 6e periodiek van de schaal waarin de werknemer zat1. De procentuele stijgingen van de 6de periodiek zijn: Schaal Percentage Schaal Percentage
1 1,5% 10a 0,7%
2 1,3% 11 0,6%
3 1,3% 11a 0,6%
4 1,2% 12 0,6%
5 1,2% 13 0,5%
6 1,1% 14 0,5%
7 1,0% 15 0,4%
8 0,9% 16 0,4%
9 0,8% 17 0,4%
10 0,7% 18 0,3%
(Rekenkundig afgerond op één cijfer achter de komma)
4. Aflossing studieschuld met het IKB Met ingang van 1 januari 2026 kan fiscaal vriendelijk via het IKB de DUO studieschuld ten gevolge van de reguliere studiefinanciering worden afgelost (artikel 4.3 cao). Voor maximaal € 1.250 per werknemer per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op een voltijddienstverband. Voor de duidelijkheid: alle bedragen in de cao zijn gebaseerd op een voltijddienstverband tenzij in een artikel expliciet anders is vermeld. Artikel 1.9 cao is leidend. Een “levenlangleren krediet” valt niet onder dit IKB doel. Voor de aflossing moet de werknemer bewijsstukken bij de werkgever aanleveren. Partijen attenderen u daarbij op de werkwijze van de Cao Rijk: Bewijsstukken IKB | Personele informatie Rijk | O&P Rijk P-Direkt . Kort samengevat kan bijvoorbeeld als bewijsstuk gelden: a. Een bankafschrift waarop de betaling aan DUO zichtbaar is (inclusief naam werknemer, bedrag en datum), of b. Een overzicht van Mijn DUO van de werknemer met af- en bijschrijvingen waarop de betaling vermeld staat (inclusief naam werknemer, bedrag en datum), of c. Een bericht of brief van DUO aan de werknemer met als onderwerp ‘extra aflossing’, waarop naam werknemer, de datum en het betaalde bedrag duidelijk staan vermeld.
1
Gelijk aan de systematiek in 2023. Zie LOGA-brief nummer 23/02 van 5 april 2023
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
2/6
5. Toelagen en vergoedingen Toelage beschikbaarheidsdienst Met ingang van 1 januari 2026 wordt de hoogte van de toelage beschikbaarheidsdienst (artikel 3.13 lid 4 cao) voor alle werknemers gekoppeld aan het maximum uursalaris van schaal 8. M.a.w. de berekeningsgrondslag is voor iedereen gelijk ongeacht de eigen salarisschaal. Een voorbeeld: In september 2025 zit de werknemer in schaal 6 periodiek 9. De toelage beschikbaarheidsdienst is dan een percentage van het salaris per uur van schaal 6 periodiek 9. Met ingang van 1 januari 2026 is het een percentage van het salaris per uur van schaal 8 periodiek 11. Reiskostenvergoeding woon-werk De werkgever moet lokaal een regeling vaststellen voor een vergoeding van reiskosten woonwerkverkeer (artikel 3.22 lid 2 cao). Lokaal wordt bepaald voor welke vervoersmodaliteit(en) een onkostenvergoeding wordt gemaakt. Daarbij kunnen ook afspraken worden gemaakt over de reisafstanden waarvoor de vergoeding geldt en of bijvoorbeeld duurzaamheid en vitaliteit een aspect zijn bij het maken van de regeling. Een lokale regeling kan tot gevolg hebben dat niet elke werknemer een reiskostenvergoeding krijgt, bijvoorbeeld omdat de reisafstand woon-werk volgens de lokale regeling te klein is. Het verstrekken van een OV-abonnement is ook een vorm van een onkostenvergoeding.
Een regeling waarin alleen reiskosten kunnen worden uitgeruild via het IKB, is niet toereikend. Op 1 januari 2026 moet er een lokale regeling zijn. Op grond van artikel 12.2 lid 1a cao wordt het lokaal overleg betrokken. Er is voor deze afspraak gekozen omdat de sector gemeenten al een grote verscheidenheid kent aan lokale regelingen. Die regelingen zijn te vinden in het onderzoekrapport: Rapport over duurzame mobiliteit gepubliceerd | VNG Geen herberekening TOR De TOR (bijlage 5A cao) is in 2016 met de wijziging van hoofdstuk 3 ingevoerd. De nieuwe afspraken over de loonontwikkeling en de toelagen leiden niet tot een herberekening van de TOR. In bijlage 5A staat: “Behoudens afkoop of vermindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan.” 6. Vrijstelling nachtdiensten Werknemers die nachtdiensten draaien waarvoor de toelage onregelmatige dienst geldt (artikel 3.11 cao), kunnen vanaf de leeftijd van 55 jaar vrijstelling vragen en niet meer worden verplicht tot het draaien van deze nachtdiensten (artikel 5.6 cao). Dit artikel gaat in per 1 januari 2026. Een nachtdienst is volgens de cao een dienst waarbij arbeid wordt verricht tussen 00.00 uur en 06.00 uur. De duur van de arbeid in die periode is niet van belang, ook de lokale benaming van de dienst niet.
Voorbeeld: Een organisatie kent een avonddienst van 17.00 uur tot 01.00 uur. Een werknemer die aan de voorwaarden van artikel 5.6 cao voldoet, kan nu een vrijstelling van deze dienst vragen. De dienst loopt namelijk door tussen 00.00 uur en 01.00 uur en is daarmee volgens de cao dus een nachtdienst. Gezien deze nieuwe cao afspraak, is het van belang dat werkgevers hun roosters nalopen. Lid 5 van artikel 5.6 cao betekent dat de vrijstelling van nachtdiensten niet van toepassing is op de beschikbaarheidsdienst volgens 3.13 cao. Een werknemer van 55 jaar en ouder kan dus vragen om te worden vrijgesteld van het draaien van nachtdiensten waarvoor de toelage onregelmatige
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
3/6
dienst geldt, maar die vrijstelling geldt niet voor het draaien van beschikbaarheidsdiensten in de nacht en het eventueel ten gevolge daarvan werken in de nacht. 7. Inclusieve cao Ruilen feestdagen Met ingang van 1 januari 2026 kan de werknemer tweede Paasdag en/of tweede Pinksterdag omruilen (artikel 6.6 lid 2 cao). De cao kent geen termijn voor het aanvragen van het omruilen van feestdagen. Lokaal kan de werkgever daar regels voor afspreken. Zodat bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met werknemers die in een rooster werken, die tijdig bekend moet zijn. Een veel voorkomende wettelijke termijn om wijzigingen rondom arbeidsvoorwaarden aan te vragen, is twee maanden. De ondernemingsraad heeft op grond van artikel 27 lid 1b WOR instemmingsrecht als de werkgever hier een regeling voor maakt. Ouderschapsverlof meerlingen Het ouderschapsverlof voor meerlingen wordt aangepast per 1 oktober 2025. De uitzondering in artikel 6.10 lid 7 cao en 6.10a lid 4 cao wordt geschrapt. De cao sluit daardoor aan bij de Wazo waarbij geldt dat bij twee- of meerlingen per kind recht bestaat op onbetaald ouderschapsverlof en per kind recht bestaat op een Wazo-uitkering. De nieuwe afspraak geldt zowel voor meerlingen die geboren worden na 1 oktober 2025 als voor meerlingen die geboren zijn vóór die datum en nog rechten (over) hebben op grond van de Wazo.
Voorbeeld: een werknemer heeft een tweeling die nog niet 8 jaar is en waarvan nog 4 weken wettelijk onbetaald ouderschapsverlof (van de 26 weken) over is van één van de tweelingen. Voor dit “tweede” kind kan dan nog 4 weken cao betaald ouderschapsverlof worden opgenomen. Ouderschapsverlof meeroudergezin In de cao is een nieuwe bepaling opgenomen voor ouderschapsverlof voor meeroudergezinnen (artikel 6.10b cao) met ingang van 1 januari 2026. In artikel 1.1 cao is een definitie opgenomen van een “meeroudergezin”. Om zo goed mogelijk het recht op en de omvang van het ouderschapsverlof te kunnen vaststellen, zal in de praktijk een gesprek tussen werkgever en werknemer nodig zijn (zie artikel 6.10b lid 2 en lid 3) Een werknemer die ouder is in een meeroudergezin volgens de definitie in de cao, valt (volgens de huidige wetgeving) niet onder de wettelijke regels rondom ouderschapsverlof. In de nieuwe cao krijgt deze werknemer diverse ouderschapsverlof rechten. Zie artikel 6.10b lid 1 cao die verwijst naar de betreffende regelingen waar een werknemer in een meeroudergezin recht op heeft. Zo is er wettelijk geen recht op de 9 weken durende UWV uitkering bij ouderschapsverlof. In artikel 6.10b lid 5 wordt dit recht in de cao wel toegekend. De werkgever dient de “uitkering” daarom te betalen.
Voor de hoogte van de “uitkering” kan waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van de schatting van het dagloon door uw salarisverwerker. Veelal zal deze schatting correct zijn, behalve wanneer de werknemer de afgelopen periode te maken heeft gehad met incidentele inkomstenvermindering. Een drietal voorbeelden2 voor ouderschapsverlof bij meeroudergezinnen:
2
Alle voorbeelden gelden vanaf 1 januari 2026. De Wazo brochure op https://www.caogemeenten.nl/uitleg/vakantie-enverlof moet door partijen nog worden aangevuld met de nieuwe cao afspraken.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
4/6
Voorbeeld 1: De werknemer heeft in een meeroudergezin de zorg voor een kind van 6 jaar. De werknemer werkt 32 uur (vrijdags vrij), heeft een zorgtaak op de maandagen en zit in schaal 8 periodiek 6. De werknemer heeft dan recht op: - Onbetaald ouderschapsverlof. De aanspraak is 1/5 keer (32 uur x 13 weken) = 83,2 uur. Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. Zie artikel 6.10b lid 1b en lid 4 cao. - Betaald ouderschapsverlof. De aanspraak is 1/5 keer (32 uur x 13 weken) = 83,2 uur. Zie artikel 6.10b lid 1a en lid 3 cao. Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. De werknemer krijgt 50% doorbetaling (volgens artikel 6.10 lid 2), maar kan dus ook de keuze maken voor 70% of 80% doorbetaling van salaris en salaristoelagen (volgens artikel 6.10 lid 4 cao). Voorbeeld 2: De werknemer heeft in een meeroudergezin de zorg voor een baby van 6 maanden. De werknemer werkt 36 uur, heeft een zorgtaak op de maandagen en de woensdagen en zit in schaal 5 periodiek 7. De werknemer heeft dan recht op: - Onbetaald ouderschapsverlof. De aanspraak is 2/5 keer (36 uur x 13 weken) = 187,2 uur Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. Zie artikel 6.10b lid 1b en lid 4 cao. - Betaald ouderschapsverlof. De werknemer kiest voor de 9 weken 100% doorbetaling volgens artikel 6.10a cao (zie artikel 6.10b lid 1a).
Het betaald ouderschapsverlof ziet er als volgt uit: o 9/13 weken keer 187,2 uur = 129,6 uur voor 100% doorbetaling, op te nemen voor het einde van het eerste levensjaar o 4/13 weken keer 187,2 uur = 57,6 uur voor 70% doorbetaling, op te nemen voor het 8ste levensjaar. Het is 70% omdat zijn inkomen ligt tussen het einde van schaal 2 en het einde van schaal 4 (artikel 6.10 lid 2) Voorbeeld 3: Identiek aan voorbeeld 2, in dit geval kiest de werknemer er echter voor om de 9 weken van artikel 6.10b lid 5 apart op te nemen. De werknemer heeft dan recht op: - 57,6 uur onbetaald verlof (gelijk aan 4 weken). Op te nemen voor het 8ste levensjaar van het kind. Zie artikel 6.10b lid 1b en lid 4 cao - 129,6 uur ouderschapsverlof voor 70% dagloon doorbetaling door de werkgever (vergelijkbaar met de UWV uitkering van 9 weken), op te nemen voor het einde van het eerste levensjaar. Dit volgens artikel 6.10a lid 3 cao in combinatie met artikel 6.10b lid 5. - 187,2 uur voor 70% doorbetaling salaris en salaristoelagen (gelijk aan 13 weken), op te nemen voor het 8ste levensjaar. Zie artikel 6.10b lid 1a en lid 3 en 6.10 lid 2. Jaarurennorm 2026 In artikel 5.1 lid 4 cao staat dat de werkgever ervoor moet zorgen dat de feestdagen op een gelijke wijze worden toegekend aan werknemers met een voltijd- en deeltijddienstverband om indirecte discriminatie op grond van arbeidsduur te voorkomen.
Een manier om dat te regelen, is door te werken met bijvoorbeeld een jaarurennorm. In de cao is daarom in lid 5 van artikel 5.1 een jaarurennorm opgenomen. De jaarurennorm in de cao wordt berekend door het aantal kalenderdagen in het jaar te verminderen met: het aantal zaterdagen en zondagen in het jaar en het aantal feestdagen in het jaar dat niet valt op een zaterdag of een zondag. Dit aantal resterende dagen wordt vermenigvuldigd met 7,2 uur en afgerond op hele uren.
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
5/6
Voor 2026 betekent dit: - 365 dagen min 52 zaterdagen en 52 zondagen = 261 dagen - 261 dagen min 7 feestdagen = 254 dagen in totaal te werken - 254 dagen x 7,2 uur = 1.829 uren 8. Stand van zaken RVU onderzoek zware beroepen Cao-partijen zijn kort na het afsluiten van het Eindresultaat Cao 2025-2027 uitvoering gaan geven aan het onderzoek naar zware beroepen. Het onderzoek is opgestart onder extern voorzitterschap van Marjolijn Olde Monnikhof (directeur bestuurder van CAOP) en wordt ondersteund door het bureau Basis & Beleid en een paritair samengestelde werkgroep. Zodra er meer nieuws is, communiceren partijen daarover. Volgens afspraak is de deadline 1 november 2025. 9. Tot slot Cao partijen hebben geconstateerd dat een aantal redactionele verbetering en correcties in de aangemelde en gepubliceerde cao tekst moeten worden doorgevoerd. Dit wordt gedaan bij de eerstvolgende gelegenheid. Het betreft: - In artikel 4.2 lid 1c en artikel 4.3 lid 1a moet het zinsdeel “bij een voltijddienstverband” worden geschrapt; - In artikel 6.5 lid 3 cao moet sub e worden geschrapt; - In artikel 12.7 lid 2 cao moet “juli” worden gewijzigd naar “februari”. Deze LOGA-brief staat ook op www.vng.nl onder ledenbrieven en op www.wsgo.nl onder publicaties. Hoogachtend, Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden
Janine Jongepier Secretaris
LOGA Postbus 11560 | 2502 AN Den Haag
6/6
Drachten, 29 september 2025
Geachte burgemeester, wethouder, raadslid, Een hoogtepunt in het jaar waar velen naar uitkijken, is het vieren van sinterklaas en de feestelijke intocht. Helaas bereiken ons steeds vaker berichten van sinterklaasgezelschappen dat hen een vergunning of subsidie is geweigerd voor een sinterklaasintocht, louter vanwege de aanwezigheid van Zwarte Pieten. Ook ontvangen wij klachten over het opschroeven van eisen en ontmoedigen van vergunningsaanvragen, alsmede over politieke partijen die bepaalde uitvoeringen van de traditie willen verbieden.Deze inperking van de uitingsvrijheid en het recht op demonstratie gaat hier en daar zo ver dat bestuurders druk uitoefenen op comités om de intocht aan te passen, soms zelfs ondersteund door intimiderende bezoeken van de politie. Ook wordt bij de vergunningsaanvraag naar het uiterlijk van de Pieten gevraagd om dit vervolgens door te geven aan KOZP. Met deze volstrekt overbodige communicatie veroorzaken gemeenten onveilige situaties voor feestvierders en kinderen. Al deze signalen baren ons als vertegenwoordiger grote zorgen. Iedereen heeft het recht een volkstraditie naar eigen wens te vieren en aan de volgende generatie door te geven. Een gemeentebestuur en gemeenteraad hebben hierin geen enkele bevoegdheid of verantwoordelijkheid.
Dit is vastgelegd in talloze verdragen en uitspraken: Europees Verdrag Rechten van de Mens, Unesco-verdrag, uitspraken Raad van State – zie ook 1) en 2) – en verder natuurlijk in de vrijheid van meningsuiting en demonstratie. Het onder druk zetten van burgers om bepaalde uitingen weg te laten en het maken van onderscheid bij het toekennen van een vergunning of subsidie op basis hiervan, is discriminatoir en in strijd met de genoemde verdragen, uitspraken en wetten. Uiteraard begrijpen wij uw zorg omtrent de veiligheid bij publieke evenementen in uw gemeente. De intocht is een magisch moment voor jonge kinderen en hun (groot)ouders en hoort een groot feest te zijn. Een feest voor de inwoners van uw gemeente. Een verstoring door demonstraties van activisten die onterechte beschuldigingen uiten, wordt als zeer intimiderend en bedreigend ervaren. Dat leidt dan weer tot reacties. Wij wijzen u erop dat een gemeente verplicht is dergelijke onveilige situaties met kinderen te voorkomen volgens het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind. Ook wij willen escalatie voorkomen en een einde maken aan onveilige situaties. Daarom verzoeken wij u de volgende maatregelen te nemen: Geen demonstraties toestaan bij intochten De Grondwet en de Wet openbare manifestaties voorzien in maatregelen om de publieke veiligheid te waarborgen. Gemeenten maken hiervan veelvuldig gebruik.
Door niet langer demonstraties toe te staan tijdens het kinderfeest, voldoet u aan uw zorgplicht en voorkomt u problemen. Tegendemonstraties zullen daarmee ook uitblijven. Geen voorwaarden verbinden aan vergunning en subsidie Een vergunning voor een evenement en subsidie voor een sinterklaasintocht horen er voor iedereen te zijn, niet gebonden aan een door het gemeentebestuur gewenste uitvoeringsvorm. Waarborg voor uw burgers de rechten van uitingsvrijheid en het vieren en doorgeven van traditie. Die rechten worden nu vaak genegeerd. Neemt u gerust contact met ons op voor meer informatie of overleg. Later we er als vanouds weer een feest voor iedereen van maken.
Met vriendelijke groet,
R. Kirkenier, voorzitter B. Pronk, penningmeester
Stichting Sint en Pietengilde al 10 jaar hoeders van het cultureel erfgoed sinterklaasfeest info@sintenpietengilde.nl
Voetnoten: 1) Burgemeester mag bij vergunning voor sinterklaasintocht geen oordeel vellen over Zwarte Piet, zie ook https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2014:4117 2) Het constitutionele uitgangspunt dat de overheid niet dwingend en uitputtend dient voor te schrijven hoe een bepaalde uiting van volkscultuur er uit moet zien, wordt in belangrijke mate nader geconcretiseerd en uitgewerkt in de nationale en internationale grondrechten die in de Nederlandse rechtsorde zijn verankerd. Het gaat dan in het bijzonder om de vrijheid van expressie in artikel 10 EVRM en de vrijheid tot het uiten van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Grondwet.
Rijksbegroting 2026 en de gevolgen voor gemeenten
Bijzondere ledenbrief
Inhoudsopgave Voorwoord3
2
1
Gemeentefinanciën
4
2
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
7
3
Justitie en Veiligheid
11
4
Asiel en Migratie
15
5
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
18
6
Infrastructuur en Waterstaat
21
7
Economische Zaken
24
8
Klimaat en Groene Groei
26
9
Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
28
10
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
30
11
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
37
12
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
42
13
Buitenlandse Zaken, Handel en Ontwikkelingshulp
44
Bijzondere ledenbrief rijksbegroting 2026
Voorwoord Geachte leden, De troonrede en de miljoenennota van dit jaar zijn uitgesproken en gepubliceerd in een periode waarin ons land schreeuwt om samenwerking en doorbraken. De VNG herkent in de deemoedige toon van de troonrede de erkenning dat er behoefte is aan herstel van vertrouwen en aan concrete stappen vooruit. Het is bemoedigend dat het demissionaire kabinet gemeenten nadrukkelijk opzoekt als partner en dat er financiële verlichting komt. Zo komt er € 728 miljoen euro compensatie voor de tekorten in de jeugdzorg in 2023 en 2024. Dat biedt lucht voor gemeenten die al jaren onder grote druk staan. Ook krijgen gemeenten € 60 miljoen voor de organisatie van de verkiezingen, is er € 12 miljoen beschikbaar voor extra opvangplaatsen in de vrouwenopvang en wordt de korting van € 177 miljoen op de onderwijskansenregeling teruggedraaid. Tegelijkertijd vroeg de Koning in de troonrede terecht aandacht voor de toenemende polarisatie in de samenleving. Gemeenten ervaren dagelijks hoe verdeeldheid doorwerkt in buurten en wijken. Wij weten hoe groot de waarde van verbinding is en hoe essentieel samenwerking blijft: tussen inwoners, maatschappelijke organisaties en de verschillende overheidslagen. Erkenning voor de complexe positie van gemeenten kost niets, maar betekent alles.
Gemeenten hebben behoefte aan een duurzaam herstel van de financiële verhoudingen, een langetermijnvisie en investeringen die zekerheid en stabiliteit bieden voor inwoners en gemeenten. Echte doorbraken zijn nodig en gemeenten staan klaar om samen met maatschappelijke partners verantwoordelijkheid te nemen. Het land staat al te lang stil. Juist daarom is het van belang dat politieke partijen snel tot de vorming van een nieuw kabinet komen. Liefst voor het eind van het jaar. Gemeenten en inwoners hebben dringend behoefte aan perspectief en slagkracht. Alleen samen kunnen we bouwen aan een samenleving die veerkrachtig en verbonden blijft. De VNG blijft zich inzetten voor een sterke positie van gemeenten, waarbij taken en middelen in balans zijn en ruimte om hun rol als eerste overheid waar te maken. Deze ledenbrief biedt u een overzicht van de belangrijkste punten uit de Miljoenennota die voor gemeenten van belang zijn. Dr. mr. L.K. Geluk Algemeen directeur VNG
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
3
1 Gemeentefinanciën Berekening accressen Wat wil het kabinet? Het gemeentefonds wordt jaarlijks aangepast om stijgende kosten door inflatie, loonontwikkeling, bevolkingsgroei en welvaart op te vangen. Sinds 2024 is het fonds daarvoor gekoppeld aan de nominale ontwikkeling van het bbp. Deze jaarlijkse bijstelling heet accres en bestaat uit een prijs-accres (de geraamde ontwikkeling van het prijspeil bbp en corrigeert zo voor inflatie) en een reëel-accres (de volumegroei van het bbp in de afgelopen acht jaar, zodat de fondsgroei stabiel aansluit bij structurele uitgavenontwikkelingen). Het percentage voor het prijs-accres wordt elk jaar definitief vastgesteld in de meicirculaire, op basis van de CPB-raming in het Centraal Economisch Plan (CEP). Het reëel-accres wordt berekend met CBS-cijfers over de feitelijke volumegroei. Voor de komende vijf jaren worden beide accressen bovendien geactualiseerd in de septembercirculaire, met de percentages uit de Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Tabel 1 geeft de percentages van het prijs-accres, het reële-accres en de som ervan voor de jaren 2025 tot en met 2030 die volgen uit de MEV 2026. Daarbij zijn de percentages voor het jaar 2025 gebaseerd op het CEP 2025. Rij vier geeft het bedrag van de accrestranche voor ieder jaar.
In de onderste twee rijen staan de verschillen met de ramingen uit de meicirculaire in procenten en in geld. Het kabinet heeft de accrespercentages voor de septembercirculaire 2025 niet geactualiseerd. In de laatste rij is het verschil voor 2025 (in rood) weergegeven als dat wel was gebeurd. Tabel 1. Accrespercentages septembercirculaire gemeentefonds 2025
MEV 2026/septembercirculaire 2025
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Volume bbp (t-9 / t-2) - reëel-accres
*2,16%
1,91%
1,76%
1,66%
1,54%
2,17%
Prijspeil bbp (t) - prijs-accres
*3,63%
2,49%
2,53%
2,65%
2,49%
2,36%
Accrespercentage totaal
*5,87%
4,45%
4,33%
4,35%
4,07%
4,58%
2.307
1.858
1.834
1.855
1.807
2.115
Verschil procentueel
(0,47%)
-0,27%
-0,06%
-0,02%
-0,08%
-0,26%
Verschil in miljoen euro
(+189)
-78
-25
-14
-41
-126
Accres-tranche (x miljoen euro) Verschil sep/meicirculaire 2025
* Betreft de definitieve raming van het accres op basis van het CEP 2025 Wat betekent dit voor gemeenten? Het prijspeil bbp voor het jaar 2025 wordt in de MEV 2026 geraamd op 4,10%. Dat is hoger dan de raming uit het CEP 2025 van 3,63% waarop het definitieve bbp-prijs-accres 2025 is vastgezet. Als de realisatie van het prijspeil bbp voor het jaar 2025 in het voorjaar 2026 definitief 4,10% blijkt te zijn, dan betekent dat indirect een te laag accres 2025 van 0,47%. Dat is een structureel nadeel van € 189 miljoen. In 2024 was het geraamde prijspeil bbp 1,1% lager dan de realisatie en ging het om een nadeel van structureel € 407 miljoen voor gemeenten. De ramingen van het CPB kunnen iets schommelen. Maar het Centraal Planbureau raamt in de afgelopen acht jaar met het CEP de ontwikkeling van het prijspeil bbp voor het lopende jaar structureel te laag. Figuur 2 brengt deze structurele ramingsfout tussen de raming in jaar t en de meting in jaar t+1 in beeld. Het verschil bedraagt gemiddeld 1% per jaar. Relatief gezien krimpt het gemeentefonds daarmee voortdurend ten opzichte van de ontwikkeling van het bbp en raakt de verhouding tussen de taken en middelen van gemeenten in negatieve zin.
4
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Figuur 2. Verschil geraamd prijspeil bbp en voorlopige raming gerealiseerd prijspeil bbp
Percentage prijspeil-bbp-accres
9,00% -1,50%
8,00% 7,00% 6,00%
-2,00%
-1,10%
5,00%
-0,47%
4,00%
2,00%
CEP jaar t+1 realisatie prijspeil BBP
-0,80%
3,00%
-0,60% -1,00%
-0,30%
CEP jaar t raming prijspeil BBP
-0,10%
1,00% 0,00% 2017
2018
2019
2020 2021
2022
2023
2024
2025
Jaar 2025 betreft raming met de MEV 2026, omdat het CEP 2026 komend voorjaar pas verschijnt. Dit kan worden voorkomen door het prijsaccres te bepalen op basis van nacalculatie (vergoeding van het daadwerkelijke prijspeil bbp in plaats van de ramingen). De VNG heeft er bij het kabinet en het parlement op aangedrongen om het definitieve accres voortaan te bepalen op basis van nacalculatie. Het kabinet heeft echter nog geen stappen in deze richting gezet.
BBP-accres inclusief de niet-taakgebonden mutaties is niet stabiel Wat wil het kabinet? Naast het prijs-accres en het reële-accres wordt de autonome groei van het gemeentefonds ook beïnvloed door kortingen en stortingen en de nieuwe wijze van indexeren van toekomstige mutaties in het fonds. Deze mutaties maken ook deel uit van het totale accres waarmee het gemeentefonds in een jaar groeit of krimpt. De afgelopen jaren hebben er veel mutaties in het gemeentefonds plaatsgevonden waarbij de nieuwe wijze van indexeren is toegepast. Wat betekent dit voor gemeenten? De nieuwe bbp-systematiek leidt tot een stabiele inkomstenbron en biedt gemeenten duidelijkheid over de ontwikkeling van de fondsen. Dit geldt echter niet voor het indexeren van toekomstige mutaties en kortingen. Deze nieuwe methode, die los staat van de bbp-systematiek, is ingewikkeld. De mutaties ervan zijn onnavolgbaar doordat een verantwoording erover ontbreekt, en de methode is foutgevoelig. De toepassing door de fondsbeheerders leidt bij herhaling tot een nadelig financieel gevolg voor gemeenten.
Na het niet volledig corrigeren van de indexering bij het terugdraaien van de opschalingskorting en de extra korting jeugdzorg zijn met het toevoegen van de middelen jeugdzorg overeenkomstig het advies van de commissie Van Ark en het terugdraaien van het afschaffen abonnementstarief WMO mogelijk weer twee fouten opgetreden. Ook lijken bij de Voorjaarsnota 2025 mutaties door taakwijzigingen niet goed in de grondslag voor de accresberekening voor het komende begrotingsjaar te zijn meegenomen. De fondsbeheerders zijn deze fouten nog aan het uitzoeken. Voor gemeenten is het nog onduidelijk welke bedragen daadwerkelijk met taakmutaties in het gemeentefonds zijn gemoeid.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5
Raming vrijval BTW-compensatiefonds aan het gemeentefonds Wat wil het kabinet? Gemeenten kunnen hun betaalde BTW van de inkoop voor overheidstaken terugvorderen op het BTWcompensatiefonds (BCF). Omdat de uitgaven van gemeenten gewoonlijk toenemen met de inflatie, inwonergroei en welvaart, groeit het BCF jaarlijks met hetzelfde accrespercentage als het gemeentefonds. Daarnaast wordt het BCF bijgesteld voor de BTW-component van taakmutaties. Als gemeenten in een jaar minder declareren op het BCF dan er aan middelen inzit, dan wordt het restant aan het gemeentefonds toegevoegd. Declareren gemeenten meer op het BCF dan erin zit, dan wordt het tekort aangevuld met middelen uit het gemeentefonds. Sinds deze afspraak valt ieder jaar geld uit het BCF vrij aan de algemene uitkering. Dit komt voornamelijk doordat de publieke investeringen van gemeenten al jaren achterblijven. Voor het jaar 2025 wordt de vrijval uit het BCF aan de algemene uitkering voorlopig geraamd op € 428 miljoen. Volgend jaar volgt het definitieve cijfer. In de meicirculaire 2025 viel de definitieve afrekening over het jaar 2024 € 114,7 miljoen lager uit dan in de septembercirculaire 2024 werd geraamd (€ 446,7 miljoen). Daarmee kwam de totale vrijval over het jaar 2024 uit op € 332 miljoen.
Wat betekent dit voor gemeenten? Een gemeente mag voor zijn begroting 2025 en voor elke jaarschijf van de meerjarenraming 2026-2029 uitgaan van maximaal zijn aandeel in de definitief gerealiseerde vrijval uit het BCF over het jaar 2024 van € 332 miljoen. Een gemeente kan er ook voor kiezen om van lagere bedragen uit te gaan, omdat ze verwacht dat deze vrijval in de toekomst krimpt of om juist behoedzaam te begroten. Door uit te gaan van juist een flink lager bedrag creëert een gemeente als het ware een behoedzaamheidsreserve voor tegenvallers.
6
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Extra geld voor Tweede Kamerverkiezingen Wat wil het kabinet? Op 29 oktober vinden de landelijke verkiezingen plaats en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie ervan. In het gemeentefonds wordt alleen uitgegaan van de normale zittingsduur van de Tweede Kamer. Doordat de maximale zittingsduur de afgelopen jaren meermaals niet is gehaald, zijn de middelen ontoereikend. Het kabinet voegt daarom eenmalig € 60 miljoen aan het fonds toe. De gemeente Den Haag krijgt € 1,1 miljoen extra, omdat zij de stemmen uit het buitenland tellen. Wat betekent dit voor gemeenten? De organisatie van de Tweede Kamerverkiezingen kost € 105 miljoen. Gemeenten krijgen een deel van deze kosten. De verdere kosten moeten gemeenten zelf betalen.
Openbaar Bestuur en Democratie Wat wil het kabinet In 2026 vindt een experiment met het nieuwe stembiljet plaats om verkiezingen meer toegankelijk en uitvoerbaar te maken. Het kabinet maakt middelen beschikbaar voor de beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet op de politieke partijen (Wpp), die regels voorschrijft waar politieke partijen zich aan moeten houden, bijvoorbeeld over transparantie en financiering. Onderdeel van de wet is de subsidiëring van decentrale (lokale) partijen (€ 8,15 miljoen per jaar). Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Wpp bereidt het kabinet in 2026 de oprichting van de Nederlandse Autoriteit Politieke Partijen voor. Wat betekent dit voor gemeenten De focus van het ministerie van BZK verschuift van inwonerparticipatie naar overheidsparticipatie. Deze beweging sluit aan bij de beweging die de VNG al eerder heeft ingezet, met onder meer een “Handreiking Overheidsparticipatie” die binnenkort verschijnt. De kracht van gemeenschappen als onderdeel van een sterke en weerbare democratie wordt hiermee erkend en gewaardeerd. De subsidiëring van lokale politieke partijen helpt de lokale democratie te versterken en het experiment met het kleinere stembiljet (in 5 gemeenten) helpt het verkiezingsproces uitvoerbaar te houden.
Elke regio telt! en het Nationaal Programma Vitale Regio’s Wat wil het kabinet? Het kabinet gaat door met het Nationaal Programma Vitale Regio’s dat in 2025 is gestart. Dit programma is voortgekomen uit het rapport Elke regio telt en spitst zich toe op elf regio’s aan de randen van het land. De regio’s stellen plannen en uitvoeringsagenda’s op die als basis moeten dienen voor langjarige investeringen. Ook in 2026 besteedt het kabinet € 0,3 miljoen euro aan het ondersteuningsprogramma. Het kabinet wil in 2026 de Regio Deals omvormen tot langjarig investeringsinstrument, maar hiervoor is nog geen budget gereserveerd. Wat betekent dit voor gemeenten? Voor gemeenten in de elf regio’s heeft het programma geen financiële gevolgen, behalve dat het meedoen aan het programma met procesondersteuning wellicht minder eigen capaciteit kost.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
7
Goed bestuur en toekomstbestendig politiek ambt Wat wil het kabinet? Het kabinet wil de waarde van het ambt beter zichtbaar maken en toekomstbestendig houden. Daarom investeert het kabinet in instroom, toerusting, doorstroom en rechtspositie van politieke ambtsdragers. In het najaar van 2025 verschijnt het advies van het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdragers (ARPA) over de periodieke herijking van hun arbeidsvoorwaarden; in 2026 volgt de kabinetsreactie. Ook komt in 2025 een wetsvoorstel voor modernisering van de verlof- en vervangingsregeling in consultatie. Verder investeert het kabinet in beroepsverenigingen, taskforces voor griffies en rekenkamers en betere raadsinformatiesystemen. De subsidie voor trainingen en scholing via het Kennispunt Lokale Politieke Partijen blijft beschikbaar. Wat betekent dit voor gemeenten? Voor gemeenten betekent dit extra ondersteuning via taskforces, scholing en subsidies om raadsleden, griffies en rekenkamers te versterken. De VNG volgt de kabinetsreactie op het ARPA-advies nauwgezet en zet zich ervoor in direct betrokken te blijven bij de uitwerking van wetgeving. Modernisering van de verlofen vervangingsregeling verlaagt de drempel om voor een politiek ambt te kiezen.
Integer, veilig en weerbaar bestuur Wat wil het kabinet? Het kabinet wil de weerbaarheid en veiligheid van het openbaar bestuur vergroten. (Online) intimidatie, agressie en bedreigingen zijn onacceptabel en ondermijnen het bestuur. In 2026 ligt de nadruk op veilige raadsvergaderingen, nazorg en extra steun voor kleinere gemeenten. Het Ondersteuningsnetwerk Maatschappelijke Onrust speelt hierbij een rol. Ook worden raadsleden en raadszalen beter beveiligd en krijgen beroepsverenigingen van decentrale bestuurders extra ondersteuning. Het kabinet wil ook de integriteit van het openbaar bestuur versterken. Er komt een wetsvoorstel dat kandidaat-bestuurders verplicht tot een risicoanalyse en er worden landelijke kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoeken ingevoerd. Het kabinet werkt aan het uitvoeren van de aanbevelingen van GRECO (de Europese waakhond voor integriteit). Wat betekent dit voor gemeenten? De veiligheid en weerbaarheid van politieke ambtsdragers is essentieel voor het lokaal bestuur. Wij volgen het wetsvoorstel over de verplichte risicoanalyse nauwgezet, met nadruk op de bescherming van persoonsgegevens en proportionele informatieverstrekking aan de raad. Ook ondersteunt de VNG gemeenten bij de uitvoering van de GRECO-aanbevelingen.
Digitale weerbaarheid en autonomie Wat wil het kabinet? Cyberaanvallen, storingen en een te grote afhankelijkheid van een beperkt aantal techbedrijven bedreigen onze veiligheid en onze digitale autonomie. Daarom versterkt het kabinet de digitale weerbaarheid en digitale autonomie van de overheid. In 2026 realiseert het rijk versneld de implementatie van het Bestuurlijk Convenant Digitale Veiligheid Gemeenten, als onderdeel van de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS). Tegelijkertijd ontwikkelt het kabinet beleid dat de digitale autonomie van de overheid structureel vergroot. Ook versterkt het rijk de wijze van verantwoording voor de overheid ten aanzien van het toezicht op cyberbeveiliging. Wat betekent dit voor gemeenten? Het kabinet wil het Bestuurlijk Convenant Digitale Veiligheid Gemeenten versneld uitvoeren. Voor gemeenten betekent dit dat zij sneller aan de slag moeten met de afspraken uit dit convenant en dat er meer aandacht en toezicht komt op digitale veiligheid. Daarnaast is het goed voor gemeenten dat het kabinet aandacht heeft voor digitale autonomie. Ook gemeenten kennen immers onwenselijke afhankelijkheden op het gebied van digitalisering. De inzet van het kabinet is voor gemeenten positief, omdat gemeenten alleen door overheidsbreed op te trekken en Europese sturingsmechanismen te gebruiken hun digitale autonomie kunnen versterken.
8
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Overheidsbrede aanpak quantumveilige cryptografie Wat wil het kabinet? Vanaf 2026 neemt het kabinet belangrijke vervolgstappen naar een overheidsbrede aanpak van quantumveilige cryptografie met meer samenhang, efficiëntie en veiligheid in de digitale infrastructuur. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten kunnen de komende jaren rekenen op een overheidsbrede overgang naar quantumveilige cryptografie. Hierdoor kunnen gemeentelijke gegevens in de toekomst niet door quantumcomputers worden ontsleuteld. Mogelijk moeten gemeenten hun infrastructuur en de beveiliging van hun netwerken en informatiesystemen aanpassen. Uitvoering van de Europese Quantumstrategie zal regeldruk en druk op uitvoeringscapaciteit verhogen.
Kunstmatige Intelligentie (AI) Wat wil het kabinet? Het kabinet werkt aan een toetsbaar Algoritmekader en verdere invulling van het Algoritmeregister, verkenning toezicht op de AI-verordening en opzet van een overheidsbreed AI-competentiecentrum. Wat betekent dit voor gemeenten? De implementatie van de AI-verordening loopt in 2026 door, waaronder ook de uitwerking van het toezicht en de rijkskaders. De VNG is hierover in gesprek met het ministerie van BZK om de gevolgen voor gemeenten toepassingen te verduidelijken.
Dienstverlening Wat wil het kabinet? Vanaf 2026 zet het kabinet de financiering voor de Informatiepunten Digitale Overheid (IDO’s) om in een decentralisatie-uitkering. Hiervoor is jaarlijks circa € 15,4 miljoen beschikbaar, wat neerkomt op een structurele korting van 10%. Het kabinet schaalt de MijnZaken-service op, een track & trace-service die burgers inzicht geeft in de status van hun aanvragen voor producten en diensten. De opschaling begint vanaf 2027. Ook wordt gewerkt aan de Landelijke Informatievoorziening (LIV). In de tweede helft van 2026 wordt de LIV gefaseerd uitgebreid en als Minimal Viable Product (MVP) live gebracht, samen met publieke dienstverleners en decentrale overheden. Het kabinet blijft inzetten op hoogwaardige dienstverlening, ook voor het Caribische deel van het koninkrijk. De focus ligt daarbij op de persoonlijke situatie van burgers en ondernemers, het verbeteren van toegang tot de dienstverlening en toegankelijk contact met de overheid. In 2026 worden binnen deze focusgebieden diverse projecten opgetuigd. Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten vervullen een centrale rol bij het aanbieden van toegankelijke dienstverlening. De IDO’s vormen een laagdrempelig loket voor ondersteuning.
De structurele inbedding van de financiering in het gemeentefonds draagt bij aan continuïteit van de IDO’s, maar door de korting van 10% zijn in 2026 minder middelen beschikbaar. De ontwikkeling van MijnZaken, LIV en MVP vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, omdat zij de services in hun dienstverlening moeten implementeren. De opschaling van MijnZaken en de implementatie van zowel de LIV als de MVP betekent dat de gemeenten naar een landelijk uniforme informatievoorziening toewerken. Wat betreft de hoogwaardige dienstverlening spelen gemeenten natuurlijk een belangrijke rol als eerstelijns overheid.
Digitale identiteit Wat wil het kabinet? Het kabinet wil het stelsel van de digitale identiteit vernieuwen. Uiterlijk eind 2026 moet er een Europese Digitale Identiteit (EDI) in werking treden. Het kabinet betrekt naast DigiD ook de reisdocumenten. De modernisering van het identiteitsstelsel en fraudebestrijding moet bijdragen aan een degelijke EDI.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
9
Wat betekent dit voor gemeenten? Gemeenten blijven verantwoordelijk voor de eerste vaststelling van de identiteit van inwoners en voor de uitgifte van reisdocumenten. De komst van een publieke EDI-wallet en de doorontwikkeling van DigiD zullen in de praktijk doorwerken in de dienstverlening. Gemeenten moeten ICT-systemen en werkprocessen aanpassen, personeel scholen en inwoners informeren. In de begroting staat geen financiële vertaling van de gevolgen voor gemeenten. Voor de uitvoering van de EDI-wallet en de koppeling met bestaande middelen zijn investeringen nodig in ICT, inrichting en personeel.
Open overheidsinformatie Wat wil het kabinet? Het kabinet wil de uitvoerbaarheid van de Woo verbeteren, door een actievere openbaarmaking via de Woo-voorziening, een snellere reactie op verzoeken en een verbetering van de informatiehuishouding. Er staat daarom een Woo-wetsevaluatie in 2026 gepland, onder andere over de naleving van de Woo door de overheid. Na deze evaluatie worden maatregelen bepaald om de Woo beter uitvoerbaar te maken. Wat betekent dit voor gemeenten? Sinds november 2024 is het wettelijke verplicht om informatie van de eerste vijf van zeventien informatiecategorieën actief openbaar te maken. De overige informatiecategorieën treden op een later moment gefaseerd in werking. Hiervoor moeten gemeenten aansluiten op de generieke Woo-voorziening. Daarnaast moeten gemeenten maatregelen treffen om de duurzame toegankelijkheid van digitale informatie te borgen en de informatiehuishouding op orde te brengen. Gemeenten worden ondersteund bij de implementatie van de Woo door het VNG-programma Grip op Informatie. Er komen maatregelen om de uitvoeringslast te verminderen en misbruik van de Woo tegen te gaan.
Koninkrijksrelaties Wat wil het kabinet? Het kabinet blijft op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba inzetten op goed bestuur, een sterke rechtsstaat, toekomstbestendige overheidsfinanciën en meer zelfredzaamheid. Er komt aandacht voor het versterken van de uitvoeringskracht en verbetering van de dienstverlening. Om de financiën te versterken werkt het kabinet aan beter financieel beheer en aan uitbreiding van de leenmogelijkheden. Samen met de eilanden werkt het kabinet aan een economische ontwikkelstrategie en fysieke agenda’s voor brede welvaart en voorzieningen. Daarnaast investeert het kabinet in de haven van Saba en in het wegennet op Bonaire. Ook in de samenwerking met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zet het kabinet in op goed bestuur, rechtsstaat, overheidsfinanciën en zelfredzaamheid, onder meer via de Landspakketten en het trustfonds bij de Wereldbank voor Sint-Maarten. Wat betekent dit voor het Caribisch deel van het Koninkrijk? De maatregelen moeten worden uitgewerkt op basis van gelijkwaardigheid en realisme. Dit geldt voor bestaanszekerheid, economische weerbaarheid, bereikbaarheid, infrastructuur en veiligheid. Op al deze terreinen is een doorbraak nodig, met oog voor de lokale context en kracht van de eilanden. De investeringen in de haven van Saba en het wegennet op Bonaire zijn een goede eerste stap.