25-095 Bijlage 9. Ruimtelijke onderbouwing herstructurering Buitenruststraat 235 Mburg compressed compressed
Tekst van het document
Figuur 5.5. Geluidsniveau projectgebied (bron: atlas voor de leefomgeving) In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De bijbehorende rapportage, waarin de uitgangspunten, berekeningen, resultaten en conclusies zijn benoemd, is
33/337
opgenomen in bijlage 11. De uitgevoerde berekening met vastgelegde punten is gebaseerd op een eerder concreet ontwerp van het plan. De meest kritische gevel, die ruimschoots voldoet aan de geluidsnormen, is met dit plan zelfs nog iets verder van de weg geschoven, waardoor de resultaten uit het onderzoek kunnen worden gebruikt voor het nu gehanteerde kavelpaspoort. Bovendien is gerekend met een hogere verkeersgeneratie omdat per 2025 het kengetal voor de verkeersgeneratie voor het te bouwen type woningen naar beneden is bijgesteld. Uit de berekeningen blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de geluidbelasting door gemeentewegen (standaardwaarde van Lden 53 dB). Omdat de standaardwaarde niet wordt overschreden, kan het geluid aanvaardbaar worden geacht. Een standaard gevelgeluidwering van 20 dB is voldoende om een binnenwaarde van 33 dB te behalen. Hiermee wordt een voldoende woon- en leefklimaat gerealiseerd voor het aspect geluid. 5.12.2 Geluid door activiteiten
Beoordelingskader Voor geluid door activiteiten zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl relevant. Het gaat om het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De provinciale omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking to het thema geluid door activiteiten. Het geluid van activiteiten buiten het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten.
Beoordeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit woningbouw. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Zoals in paragraaf 5.10 is opgenomen is het appartementegebouw gelegen in een gemengd gebied met kantoren, woningen en het winkelcentrum Dauwendaele. De afstand tot het winkelcentrum is echter 50 meter en dit is ruim voldoende om ter plaatse een aanvaardbaar geluidniveau te garanderen en de functies binnen het winkelcentrum worden niet beperkt in de bedrijfsvoering. 5.12.3 Conclusie Het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen, industrieterreinen en activiteiten vormt geen belemmering voor dit initiatief.
5.13 Omgevingsveiligheid (activiteiten bedrijven, transport gevaarlijke stoffen, buisleidingen)
Beoordelingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
34/337
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico (GR) is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van ee brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Beoordeling Voorliggend project betreft de realisatie van een (beperkt) kwetsbaar object. Om deze reden is getoetst aan de wetgeving omtrent externe veiligheid.
Hiervoor is de risicokaart (www.atlasvoordeleefomgeving.nl) geraadpleegd. Uit de informatie op de risicokaart blijkt dat het projectgebied niet ligt binnen een explosieaandachtsgebied, brandaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. Er bevinden zich ook geen
35/337
bovengondse hoogspanningslijnen of buisleidingen. Er zijn ook geen milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico in de directe omgeving. Het groepsrisico hoeft niet verantwoord te worden. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. Met het planvoornemen worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Er hoeven geen maatwerkvoorschriften te worden opgenomen voor het aspect omgevingsveiligheid.
5.14 Niet gesprongen explosieven
Beoordelingskader Bij een nieuwe ontwikkeling waarin grondwerkzaamheden plaatsvinden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). De gemeente Middelburg heeft in 2022 een geactualiseerde bodembelastingkaart OO waarin de verwachtingsgebieden op basis van gebeurtenissen in de conflictperiode (WOII) zijn aangegeven. Indien in een verwachtingsgebied gewerkt wordt dient nader onderzoek uit te wijzen of het betreffende gebied daadwerkelijk (nog) verdacht is van de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven.
Beoordeling Zoals is te zien in figuur 5.6 is de locatie niet gelegen in een verwachtingsgebied voor de niet-gesprongen explosieven. Een nader onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van niet-esprongen explosieven is dan ook niet nodig. Het protocoltoevalstreffer is van toepassing.
36/337
Figuur 5.6. Uitsnede geactuliseerde bodembelastingskaart gemeente Middelburg (bron: gemeente Middelburg) Conclusie Het projectgebied ligt niet in een locatie waar verwacht wordt dan niet-gesprongen explosieven aanwezig zijn. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.15 Trillingen Beoordelingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een woning een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen tenzij gemeenten het zelf bepalen. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. In algemene zin wordt voor een spoorlijn vaak 150 m aangehouden als richtafstand waarbinnen trillingshinder op kan treden (de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen gaat uit van 100 m, eventueel te vergtoten tot 250 m). Beoordeling en conclusie
37/337
Het projectgebied ligt niet in een trillingsaandachtsgebied. De afstand tot de spoorlijn is 290m. Deze afstand is verder dan de richtafstand voor trillingshinder. Het aspect trilling vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.16 Bezonningsstudie omgeving
Beoordelingskader Er is geen wet- en regelgeving voor het beoordelen van de schaduwwerking van nieuwe gebouwen op woninge in de omgeving. Daarmee valt dit onderdeel onder de toets of als gevolg van een ontwikkeling er geen onaanvaardbare aantasting plaatsvindt van het 'woon- en leefklimaat'. Hieronder valt onder andere een gezonde, veilige en comfortabele leefomgeving. Om te kunnen beoordelen of eventuele aanvullende schaduwwerking van nieuwe gebouwen op de woonomgeving aanvaardbaar is, zijn drie aspecten van belang: aanvullende schaduwwerking op aangrenzende percelen ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie; aanvullende schaduwwerking op aangrenzende percelen ten opzichte van de planologisch toegestane situatie; het schaduweffect op de lichtval in woningen. Voor het laatste aspect wordt de Bezonningsliniaal van TNO algemeen als toetsingskader geaccepteerd. De lich TNO-norm gaat uit van ten minste twee bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende acht maanden) in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Deze norm word alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet nooit direct zonlicht.
Beoordeling Voor het project is een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 12). In het onderzoek is bezonning in de huidig situatie vergeleken met de huidige maximale planologische bouwmassa en het nieuwe appartementengebouw voor een aantal relevante data in het jaar. Ten opzichte van de feitelijk bestaande situatie zal de beoogde nieuwbouw in voor- en najaar gedurende maximaal een aantal uren schaduw veroorzaken op de omliggende woningen aan de noord en noordoostzijde van de nieuwbouw. In de zomer is geen sprake van schaduwwerking op de betreffende percelen. Ten opzichte van de op dit moment planologisch rechtstreeks toelaatbare bouwmogelijkheden zijn de aanvullende schaduweffecten van de beoogde nieuwbouw echter zeer beperkt. Voor de toets van de planologische toelaatbaarheid van de ontwikkeling is de planologisch toegestane situatie de referentiesituatie. Wat betreft de TNO-norm kan worden geconcludeerd daar daaraan voor vrijwel alle woningen wordt voldaan. Zoals in bijlage 12 is te zien, is per kwartier in de periode van 8 uur 's ochtends tot 8 uur 's avonds gekeken of er zonlicht op de vensterbank valt (weergegeven in groen). Ook is aangegeven of het in de schaduw valt van zichzelf of overige reeds aanwezige bebouwing (weergegeven in oranje). In rood is aangegeven waar als gevol van het project schaduw aanwezig is.
Voor 2 woningen wordt op 19 februari niet voldaan aan de norm; er valt dan gedurende 1 uur en 3 kwartier zonlicht op de vensterbank, in plaats van de minimale norm van 2 uur. Conclusie De beoogde nieuwbouw veroorzaakt ten opzichte van de huidige situatie aanvullende schaduw op de
38/337
aangrenzende woonpercelen aan de Agaat. Ten opzichte van de planologische referentiesituatie is de aanvullende schaduwwerking zeer beperkt. Bovendien wordt nagenoeg voldaan aan de minimale eisen uit de Bezonningslineaal van TNO. Uit rechtspraak (o.a. 201900701/R3) blijkt dat ondanks dat niet aan de TNO-norm wordt voldaan er toch sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de negatieve schaduweffecten beperkt zijn en aanvaardbaar binnen de stedelijke context. Mede gelet op het belang van de beoogde ontwikkeling voor de woningvoorraad, wordt geconcludeerd dat de toekomstige bezonningssituatie aanvaardbaar is.
5.17 Duurzaamheid
Beoordelingskader Er is geen specifiek beoordelingskader voor het aspect duurzaamheid opgenomen in de Omgevingswet. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een BOPA rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. De Middelburgse ambities ten aanzien van duurzaamheid zijn opgenomen in een tabel 'Middelburgse Ambities Duurzaamheid, gezond en goed wonen, leven en werken'. In de tabel zijn 8 duurzaamheidsthem's benoemd waaraan nieuwe plannen moeten voldoen. 1. geen energiekosten (isoltaie, energiezuidinge installaties etc.); 2. extreme neerslag en droogte bestendig (benutten regenwater, groene dakbedekking, doorlatende verhardingsmaterialen); 3. geen gebrek aan grondstoffen (circulair bouwen); 4. bestand tegen klimaatverandering (hittebestendig bouwen, rekening jouden met overstromingsrisico's); 5. gezond en duurzaam vervoer (doorgaande fietsverbindingen, oplaadpunten bij parkeerterreinen); 6. gezonde groene leefomgeving (behoud bestaande ecologische waarden en creëren van natuurlijke groene elementen); 7. gevoel van identiteit (benutten landschappelijke elementen en patronen en verweven in planvorming); 8. gezonde luchtkwaliteit (geen kachels en haarden).
Beoordeling Een aantal ambities hebben hetzelfde doel en een aantal thema's zijn al in de voorgaande paragrafen onderzocht. Geen energiekosten Het project voorziet in goede isolatie van de schil, energiezuinige installaties, opwekking van energie met pv-panelen, en het toepassen van zonwering. Klimaatbestendig Er is rekening gehouden met parkeervakken uitgevoerd in halfverharding, passieve zonwering, en een groene buitenruimte bestaande uit een waterpartij met natuurrijke oevers, bomen, struiken en kruidenrijk grasland.
39/337
Gezonde groene leefomgeving Het project voorziet in een natuurvriendelijke buitenruimte met natuuroever die een verzamelplaats vormt voor insecten, vissen en amfibieën, en waar onder andere zwaluwen klei voor hun nest verzamelen. Er is ook een takkenril voor beschutting van vogels en als foerageerplaats. Daarnaast zijn er nestvoorzieningen voor vleermuizen in het gebouw. Conclusie Het initiatief sluit aan bij de ambities die de gemeente Middelburg heeft ten aanzien van duurzaamheid.
5.18 Gezondheid Beoordelingskader In de Zeeuwse Omgevingsvisie is een paragraaf opgenomen over gezondheid. De provincie heeft een aantal doelen opgesteld voor de fysieke leefomgeving: Een omgeving die uitnodigt tot bewegen Een omgeving die uitnodigt tot ontmoeten Een omgeving die uitnodigt tot ontspannen Een omgeving die gezondheidsrisico's verlaagt
Beoordeling en conclusie In het ontwerp is ruimschoots aandacht besteed aan functioneel en kwalitatief groen en water. De locatie van het project is gunstig voor de gezondheid. Het is een rustige, veilige en aantrekkelijke woonomgeving met ruimte voor bewegen, ontspannen en ontmoeten. Er is heel weinig verkeer in het plangebied. Met name voetgangers en fietsers komen er en voor automobilisten is het alleen bestemmingsverkeer. In de omgeving van het plangebied zijn geen vervuilende bedrijven. De luchtkwaliteit is goed. Concluderend staat het aspect gezondheid de ontwikkeling niet in de weg.
40/337
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij het toevoegen van een nieuwe functie aan een locatie moet beoordeeld worden of de nieuwe functie uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is en of er objectieve belemmeringen zijn, waarvan op voorhand aannemelijk is dat die niet binnen een redelijke termijn zullen worden weggenomen. Alleen als evident is dat een functie onuitvoerbaar is, moet het toedelen daarvan achterwege blijven. In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Kostenverhaal De BOPA maakt een nieuwe kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk, namelijk een appartementengebouw. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling voor het bouwen van het appartementencomplex aan de Buitenruststraat verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan d tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
41/337
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Inleiding Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om te kunnen beoordelen of hieraan wordt voldaan gelden beoordelingsregels waaraan moet worden getoetst. Hieronder volgt de samenvatting van de beoordeling en de conclusie waaruit volgt of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De ontwikkeling is ook aan het relevante beleidskader getoetst. Deze toetsing staat in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. Hieruit volgt dat de ontwikkeling past binnen het beleidskader.
De beoordelingsregels voor de BOPA staan in afdeling 8.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze onderbouwing bevat de toetsing aan deze beoordelingsregels. In hoofdstuk 5 van deze onderbouwing is voor de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving getoetst of aan deze beoordelingsregels wordt voldaan en of er met het project sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om te kunnen beoordelen of het project voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante omgevingsaspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. De effecten op de fysieke leefomgeving zijn beschreven in hoofdstuk 5 van deze onderbouwing. Hierbij is ook getoetst of het initiatief voldoet aan de instructieregels. Uit deze toets volgt dat wordt voldaan wordt aan de instructieregels. De locatie is gelegen in een gemengd stedelijk gebied waar wonen, kantoren en winkels gecombineerd aanwezig zijn. Het bouwplan voorziet in één- of tweepersoonshuurappartementen waar groot tekort aan is en die dus van groot maatschappelijk belang zijn.
Deze context bepaalt dat, hoewel er voor de omgeving enige hinder kan ontstaan, bijvoorbeeld als gevolg van extra schaduwwerking, het maatschappelijk belang dusdanig groot is dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Conclusie is dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie De aangevraagde buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelet op de wettelijke beoordelingsregels.
42/337
Bijlagen
43/337
44/337
Bijlage 1
45/337
BOPA figuur
#
# # #
!"#
# #
#
#
!
!
!
!
!
!
!
!
! !
!
#
#
Bijlage 2
47/337
Gespreksverslagen
*HVSUHNVYHUVODJYHUWHJHQZRRUGLJLQJ(GHOVWHQHQEXXUW 'DWXP VHSWHPEHU $DQZH]LJ
7KHR6WDPEHZRQHUHQZRRUGYRHUGHUYDQGH(GHOVWHQHQEXXUW %DV5RR]HSURMHFWOHLGHU:RRQJRHG 0DLD7DKLWXSURMHFWOHLGHU:RRQJRHG
9HUVODJ
%DVHQ7KHRVSUDNHQHONDDUPHL RYHUGHHHUVWHRQWZLNNHOLQJHQRPWUHQW SURMHFW%XLWHQUXVWVWUDDW,QGHFHPEHUYDQGDWMDDUYROJGHHHQNRUWHXS ZDWWRHQWHUWLMGQRJWHYURHJRPHHQFRQFUHHWSODQWHGHOHQ%DVVSUDNDIR HHQVHLQWHJHYHQ]RGUDHUFRQFUHWHSODQQHQOLJJHQ+HWRYHUOHJRSVHSWHPE LVGDDUXLWYRRUWJHNRPHQ 1DGHYRRUVWHOURQGHYHUWHOW7KHRNRUWRYHUGHJDQJYDQ]DNHQLQGH (GHOVWHQHQEXXUW%DV5RR]HJHHIWHHQWRHOLFKWLQJRYHUGHSODQQHQYDQ :RRQJRHG %XLWHQUXVWVWUDDW ZDVKHWNDQWRRUYDQ:RRQJRHG7RHQYHUERXZGYRRU WLMGHOLMNHKXLVYHVWLQJYDQRD-XYHQWWRWRSGLWPRPHQW 9RRU-XYHQWLV:RRQJRHGEH]LJPHWHHQDOWHUQDWLHYHORFDWLH 1DYHUKXL]HQYDQ-XYHQWLV:RRQJRHGYRRUQHPHQVKHWNDQWRRUWHVORSHQ HQDSSDUWHPHQWHQYRRUGHVRFLDOHYHUKXXUHQJHVFKLNWYRRURXGHUHQ UHDOLVHUHQ 0HWJHPHHQWHHQGHZHOVWDQGVFRPPLVVLH$5.
KHHIW:RRQJRHG RYHUHHQVWHPPLQJRYHUGHUHDOLVDWLHYDQHHQDSSDUWHPHQWHQJHERXZ DSSDUWHPHQWHQPHWPD[LPDDOERXZODJHQPHWPRJHOLMN YHUELM]RQGHULQJWRWERXZODJHQ :RRQJRHGKHHIWEHVORWHQHHQGHVLJQEXLOGXLWYUDDJWHGRHQDDQ RQWZLNNHOHQGHDDQQHPHUV'HSDUWLMHQPRHWHQELQQHQNDGHUVGLHPHW JHPHHQWH]LMQDIJHVWHPGHHQSODQPDNHQ (ULVHHQODQGVFKDSSHOLMNRQWZHUSJHPDDNWGDWRRNDOVXLWJDQJVSXQW YRRUGHUHDOLVDWLHYDQGHQLHXZERXZ 7KHRJHHIWDDQGDWGHJURHQYRRU]LHQLQJHQLQGH(GHOVWHQHQEXXUWVOHFKW RQGHUKRXGHQZRUGWGRRUGHJHPHHQWHYDQZHJHWHZHLQLJFDSDFLWHLW'LWJHJH PHHQHPHQELMKHWPDNHQYDQGHSODQQHQYRRUGHJURHQVWURRN ]RGDWGLWQHW RQGHUKRXGHQEOLMIW :HEHVSUDNHQZLH:RRQJRHGJDDWXLWQRGLJHQYRRUHHQLQIRUPDWLHELMHHQNRPVW 7KHRDGYLVHHUGHWRWDDQZDDUKHW3DUHOSOHLQEHJLQWEHZRQHUVXLWWHQRGL HHQELMHHQNRPVWGHUHVWYDQGH(GHOVWHQHQEXXUWLQIRUPHUHQPLGGHOVHHQ GH]HEHZRQHUVRQGHUYLQGHQDPSHUKLQGHUYDQKHWSURMHFW
60/337
Bijlage 3 Mer-beoordeling
61/337
MER-BEOORDELING HERSTRUCTURERING BUITENRUS STRAAT MIDDELBURG Gemeente Middelburg 28 januari 2025
1/22
DATUM KENMERK
28 januari 2025 20220381.002/152731/
Middelburg Buitenruststraat 235 BOPA PROJECT PROJECTLEIDERir. C.A. Louws Woongoed Middelburg OPDRACHTGEVER 20220381.002 PROJECTNUMMER
AUTEUR STATUS
2/22
Definitief
DISCLAIMER
© Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoo nummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
3/22
INHOUD 1.
2.
3.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 5 6
Aanleiding Mer-beoordeling Leeswijzer
Plaats en kenmerken van het project
7
2.1 2.2
Plaats van het project Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie 2.2.2 Beoogde ontwikkeling
7 10 10 10
2.3
Cumulatie
11
Kenmerken van de milieueffecten
12
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11
12 13 14 14 15 16 18 19 20 21 21
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem Water Ecologie Landschap, cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Duurzaamheid Aanlegwerkzaamheden
4.
Conclusie
21
5.
Maatregelen
22
4/22
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Woongoed Middelburg heeft het voornemen om het voormalige kantoorgebouw aan de Buitenruststraat 235 in Middelburg te herstructureren. Woongoed wil op deze plek een appartementengebouw met 41 woningen realiseren. Daarvoor wordt het bestaande kantoorgebouw gesloopt. Figuur 1.1 laat de ligging van het projectgebied zien.
De gronden zijn geregeld in het bestemmingsplan Dauwendaele (23 mei 2016) van de gemeente Middelburg en hebben hierin de bestemming Kantoor. Het project is in strijd met de geldende planologische regeling omdat een woonfunctie niet mogelijk is binnen een kantoorbestemming. Om medewerking te kunnen verlenen, moet een planologische procedure wo den doorlopen. Voor deze ontwikkeling is een vergunning voor een BOPA nodig (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). B de BOPA hoort een motivering waarin onderbouwd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Figuur 1.1 Ligging projectgebied (bron: Basisviewer Rho)
1.2
Mer-beoordeling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengeva zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffec ten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (vormvrij) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecte
5/22
en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige mer-procedure noodzakelijk.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal 41 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Hiervoor is een merbeoordeling noodzakelijk bij de wijziging van de aanvraag van een BOPA. Deze notitie bevat deze mer-beoordeling.
1.3
Leeswijzer
Deze mer-beoordeling: ” beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ” licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ” geeft in hoofdstuk 4 de voorlopige conclusie weer voor de mer-beoordeling.
6/22
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het projectgebied ligt midden in de woonwijk Dauwendaele in de stad Middelburg aan de Buitenruststraat 235. Het projectgebied betreft het kadastrale perceel MDB01-O-2569. De totale omvang van het projectgebied is 4.300 m². De ligging van het projectgebied wordt weergegeven in Figuur 2.1.
Figuur 2.1 Ligging projectgebied
Beschermde gebieden – Milieugevoelige gebieden Het projectgebied bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Het projectgebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’. Dit gebied ligt op 4,4 kilometer afstand van het projectgebied en is stikstofgevoelig (Figuur 2.2). He dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Zeeland (NNZ)-gebied bevindt zich op circa 235 meter van de beoogde ontwikkeling (Figuur 2.3). Het projectgebied en de omgeving maken geen onderdeel uit van grondwaterbeschermingszones (Figuur 2.4) stiltegebieden (Figuur 2.5).
7/22
Figuur 2.2 Ligging projectgebied (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)
Figuur 2.3 Ligging projectgebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland)
8/22
Figuur 2.4 Ligging projectgebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van grondwaterbeschermingsgebieden (bron: provincie Zeeland)
Figuur 2.5 Ligging projectgebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van stiltegebieden (bron: www.atlasleefomgeving.nl)
9/22
2.2
Kenmerken van het project
2.2.1 Huidige situatie Het projectgebied bestaat op dit moment uit een kantoorgebouw dat in gebruik is als jeugdzorginstelling en een aantal garageboxen behorende bij het kantoorgebouw, een waterpartij en enige groene ruimte. Het kantoorgebouw is gebouwd in 1990 en heeft een oppervlakte van ongeveer 1.100 m². In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich ee woonzorgcentrum, kantoorgebouwen, een winkelcentrum en woningen.
Planologische situatie Ter plaatse van het projectgebied geldt, vanwege de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, het zogenoemde tijdelijk deel van het omgevingsplan Middelburg, dat ter plaatse bestaat uit het bestemmingsplan Dauwendaele, vastgesteld op 23 mei 2016.
2.2.2 Beoogde ontwikkeling Het ontwerp voor het nieuwe gebouw is nog niet definitief, maar er is een locatiepaspoort beschikbaar waarin de randvoorwaarden voor het appartementencomplex zijn vastgelegd. Het complex zal bestaan uit twee verschillende bouwhoog tes van respectievelijk 7 en 8 verdiepingen. De appartementen zullen een oppervlakte van circa 70 m² bvo hebben. Daarnaast worden er gemeenschappelijke ruimtes voorzien.
Parkeren vindt plaats aan 2 zijdes van het appartementencomplex. In- en uitrijden gebeurt via de Buitenruststraat. Fietser en wandelaars kunnen ook via Agaat en via het bruggetje over de waterpartij het projectgebied betreden of verlaten.
Figuur 2.6 Locatiepaspoort
10/22
Ontsluiting Het projectgebied wordt ontsloten op de Buitenruststraat.
2.3
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
11/22
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven ten opzichte van de refe rentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige feitelijke, legale situatie (dus passend binnen het planologisch kader) en autonome ontwikkelingen in en rondom het plangebied. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zich ook voordoen als het planvoornemen niet wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld gevolgen van vastgesteld beleid, projecten waar over al definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden, andere redelijk zekere ontwikkelingen en bijvoorbeeld de autonome groei van het verkeer. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op expert judgement/diverse onderzoeksrapporten/de informatie uit de BOPA dat voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.
3.1
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Een plan moet vanuit verkeer uitvoerbaar zijn in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan. De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid moeten daarom gemotiveerd worden. Daarnaast is verkeer een onderdeel van d aspecten die in een omgevingsplan worden beoordeeld, zoals veiligheid in de breedste zin des woords. Ook zijn verkeers fers en routes van belang voor de onderwerpen die wel expliciet geregeld zijn en onderzocht moeten worden, zoals geluid en luchtkwaliteit.
Beoordeling Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het plangebied in de huidige en de toekomstige situatie wordt gebruikgemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744. Net als voor de parkeernormen wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'Sterk stedelijk' en ligging in 'Rest bebouwde kom' en wordt per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. Voor de huidige situatie is gerekend met het CROW-kencijfer van functietype Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie). Tabel 3.1 Verkeersgeneratie huidige en beoogde situatie
Huidige situatie Functie
Aantal
Kencijfer
Weekdaggemiddelde Werkdaggemiddelde (mvt/etmaal) (mvt/etmaal)
Kantoor Beoogde situatie
1.100 m2 (bvo)
0,106 per m2 (bvo)
116,6
Functie
Aantal
Kencijfer
Weekdaggemiddelde Werkdaggemiddelde (mvt/etmaal) (mvt/etmaal)
2,9 per woning
118,9
132,0
2
-23
Huur appartement, so-41 woningen ciale huur Toename
155,1
Het parkeerkencijfer is voor een sociale huurwoning 0,95 per woning. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van: 41 x 0,9 = 39 parkeerplaatsen. In het ontwerp worden tenminste 44 parkeerplaatsen voorzien. Aangezien wordt voldaan aan de parkeernormen kunnen mogelijke (hinder) effecten zoals een hogere parkeerdruk in omgeving van het projectgebied worden uitgesloten. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren worden geen negatieve effecten verwacht.
12/22
3.2
Geluid
Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor de beoordeling van geluid, dit betreft standaardwaarden, grenswaarden op de gevel en grenswaarden voor het binnengeluid. In de bruidsschat zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Huidige situatie Het bestaande kantoorgebouw wordt op dit moment gebruikt als jeugdzorginstelling. Dit is een geluidgevoelig gebouw, maar kan daarnaast ook voor geluidhinder zorgen bij omliggende woningen. Voorgenomen plan De nieuwe appartementen komen te liggen in een rustige leefomgeving. Op de kaart van Atlasleefomgeving, zie onderstaande figuur, is te zien dat de geluidwaarde van het projectgebied onder de standaardwaarde (50 dB) van het Bkl ligt.
Figuur 3.1 Geluidniveau projectgebied (bron: www.atlasleefomgeving.nl)
Cumulatief uitstralingseffect De beoogde ontwikkeling genereert 2 voertuigen per etmaal. De toename is minder dan 40% van de intensiteit van de om liggende wegen. De invloed van de beoogde ontwikkeling op de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid op de omliggende wegen gering zal zijn.
Conclusie Door de beoogde ontwikkeling zal de geluidbelasting op de omgeving afnemen. Geluid vanuit de verkeersgeneratie zal ge ring zijn omdat de toename van verkeer slechts 2 voertuigen per etmaal is. Vanuit het aspect geluid worden negatieve effecten uitgesloten.
13/22
3.3
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Onder de omgevingswet zijn er rondom aangewezen agglomeraties aandachtgebieden van toepassing, waarbinnen getoetst moet worden aan de rijksomgevingswaarden. Buiten deze agglomeraties is er alleen een beoordelingsplicht als er een snelweg of tunnel wordt aangelegd. Een gemeente kan in een omgevingsplan een lokale omgevingswaarde opneme die ook strenger kan zijn dan de rijksomgevingswaarden. Indien een lokale omgevingswaarde wordt vastgesteld, geldt au tomatisch ook een monitoringsplicht. Het toepasbaarheidsbeginsel, het blootstellingscriterium en het NIBM-criterium blijven wel gehandhaafd bij de beoordeling van luchtkwaliteit: als hieraan wordt voldaan hoeft geen beoordeling van de lucht kwaliteit plaats te vinden. Bij een mer-beoordeling blijft het in het kader van de gezondheidsbeoordeling belangrijk de effecten op luchtkwaliteit inzichtelijk te maken en te beoordelen. Huidige situatie In de CIMLK-viewer is het dichtstbijzijnde relevante toetspunt, te weten ter hoogte van de Schroeweg geraadpleegd. In onderstaande tabel zijn voor het dichtstbijzijnde toetspunt en de meest actuele monitoringsronde de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen. Tabel 3.2 Maatgevend toetspunt luchtkwaliteit
Toetspunt Locatie: Schroeweg eg Monitoringsronde: 2023 Monitoringsjaar
NO2-concentratie
PM10-concentratie
PM10PM2,5overschrijdingsdagen concentratie
2025
13,8
14,1
6
7,0
2030
11,9
13,2
6
6,2
Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
40 µg/m³ kalenderjaargemiddelde
35 25 µg/m³ dagen per kalenderjaarkalenderjaargemiddeld
Voorgenomen plan De beoogde activiteit omvat de realisatie van 41 woningen en valt daarmee onder de grenswaarde van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Op voorhand is daarom vast te stellen dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentraties. Conclusie Uit tabel 3.2 blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
3.4
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij een mer-beoordeling wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende risicobronnen gekeken, namelijk bedr ven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het vervoer van gevaarlijke stoffen ove wegen, spoor, water of door leidingen.
Rondom deze bronnen kan sprake zijn van aandachtsgebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatrege onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. . De aandachtsgebieden zijn: ” Het brandaandachtsgebied (BAG) ” Het explosieaandachtsgebied (EAG)
14/22
”
Het gifwolkaandachtsgebied (GAG)
Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe categorie te beschermen gebouwen geïntroduceerd: de zeer kwetsbare objec ten, dit zijn gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen. Hieronder vallen bijvoorbeeld basisscholen en ziekenhuizen. Huidige situatie Er zijn geen risicobronnen of aandachtgebieden aanwezig in de omgeving van het projectgebied.
Figuur 3.2 Uitsnede risicokaart
Voorgenomen plan Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. De ontwikkeling vindt niet plaats binnen een aandachtsgebied. Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen negatieve milieueffecten.
3.5
Bodem
Toetsingskader In het Bkl worden de regels voor bodem onder de Omgevingswet opgenomen. De regels zij gericht op drie pijlers: ” Voorkomen van nieuwe verontreinigingen (zorgplicht) ” Meewegen van bodemkwaliteit bij toedelen functies (in Omgevingsvisie en Omgevingsplan) ” Beheren van historische verontreinigen
De regels gaan over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie en de nazorg na saneren. De mili belastende activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Milieubelastende activiteiten ten aan zien van bodem zijn onder andere het graven in de bodem met een kwaliteit onder, gelijk aan of boven de interventiewaard
15/22
het op of in de bodem brengen van meststoffen, saneren van bodem en het toepassen van bouwstoffen, grond en bagge specie.
Huidige situatie In maart 2023 en augustus 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De bijbehorende rap portage is opgenomen in bijlage 7 van de Bopa. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als niet verontre nigd kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. In het projectgebied voor de mer-beoordeling wordt een zeer beperkte bodemdaling verwacht (1 mm/jaar). Het betreft derhalve geen zettingsgevoelig gebied ofwel kwetsbaar gebied vanuit oogpunt van bodem en is hierdoor een geschikte locatie voor woningbouw.
Figuur 3.3 Bodemdaling (bron: www.bodemdalingskaart.nl)
Voorgenomen plan Met de beoogde ontwikkeling worden geen bodemvervuilende activiteiten mogelijk gemaakt. Conclusie Vanuit het aspect bodem worden negatieve effecten uitgesloten.
3.6
Water
Toetsingskader In het Bkl is een aantal instructieregels opgenomen ten borging van de rijksbelangen. Dit betreft met name bescherming van primaire waterkeringen en behoud van waterveiligheid van kust en grote rivieren. Daarnaast zijn er omgevingswaarde vastgesteld voor onder andere de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater en zwemwaterkwaliteit. Aangezien deze omgevingswaarden voortkomen uit Europese normen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn, kan een afwijkende omgevingswaarde daarom alleen strenger zijn
16/22
De waterschapsverordening bevat algemene regels over het watersysteem (waterkeringen, watergangen en grondwater) binnen het beheergebied van een waterschap. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ” Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterkwaliteit; ” Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ” Effecten op waterketen;
Huidige situatie Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Scheldestromen. Het projectgebied is niet gelegen bin nen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering of watergang. In het projectgebied ligt een se cundair afvoervlak van oppervlaktewater. Deze watergang is aan de straatzijde van de Agaat gekenmerkt als natuurvrien delijke oever. In het gebied is op dit moment geen sprake van wateroverlast bij hevige buien (zie figuur 2). In de kern van De Mortel is echter wel sprake van wateroverlast.
Figuur 3.4 Waterdiepte bij hevige regenbuis (140 mm/2 uur) (bron: www.klimaateffectatlas.nl)
Voorgenomen plan Het voornemen is om het secundair afvoervlak van het oppervlaktewater uit te breiden en te integreren in het project. Hierdoor ontstaat een mooie samenhang tussen bebouwing en water en wordt het oppervlak voor waterberging.
In het plangebied bestaat de riolering voor ongeveer 50% uit een gescheiden rioleringsstelsel. Hierbij wordt het hemelwater rechtstreeks geloosd op de aanwezige sprinken en watergangen in het plangebied. De overige 50% bestaat uit een ge mengd rioleringsstelsel. Het hemelwater wordt samen met het huishoudelijk afvalwater afgevoerd naar de riolering. De riolering loost onder vrij-verval naar het gemaal de Grenadier aan de Elektraweg en van hieruit wordt het naar de rioolwaterzuivering in Ritthem getransporteerd.
Voor de ontwikkeling is rekening gehouden met waterberging en klimaatadaptatie. De ontwikkeling voorziet in een afnam 2 van circa 575 m aan verhard oppervlak. Het compenseren van water is niet noodzakelijk.
17/22
Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
3.7
Ecologie
Toetsingskader In de omgevingswet zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten opgenomen. Deze zijn geïmplementeerd vanuit diverse Europeesrechtelijke regelingen, zoals de Vogelrichtlijn en de Hab tatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming De Omgevingswet kent verschillende soorten beschermde natuurgebieden, te weten: ” Natura-2000 gebieden: Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Regels hiervoor zijn vertaald in de omgevingswet ” Natuurnetwerk Nederland (NNN): in de omgevingswet is ook geregeld dat de provincies ter bescherming van bijzondere soorten een landelijk samenhangend stelsel van natuurgebieden moet begrenzen én beschermen, het Natuurne werk Nederland (NNN). Verdere uitwerking hiervan is opgenomen onder de provinciale verordening. Soortenbescherming In de omgevingswet wordt een onderscheid gemaakt tussen: ” soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ” soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ” overige soorten. Beoordeling Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ” gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland; ” soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden.
Huidige situatie gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe bevindt zich op 4,4 kilome afstand van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde NNZ-gebied bevindt zich op circa 235 meter.
Voorgenomen plan gebiedsbescherming Directe negatieve effecten van dit project op de beschermde natuurgebieden zijn niet te verwachten, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden.
Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuur gebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor d project een stikstofberekening uitgevoerd, zie de bijlagen van de bopa. Uit de berekening met AERIUS Calculator (2024.0 voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stik-stofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgeslote De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.
Huidige situatie soortenbescherming In 2022 is door Econsultancy een quickscan ecologie uitgevoerd. Uit de quickscan kwam naar voren dat de locatie potent heeft voor gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw. Voor deze soorten is nader onderzoek uitgevoerd. Uit het
18/22
soortgericht onderzoek volgt dat binnen het projectgebied één zomerverblijfplaats (in de garageboxen) van de gewone dwergvleermuis is vastgesteld. Voor de sloop van de garageboxen is een vergunning flora-fauna activiteit nodig. Tijdens h onderzoek zijn geen andere beschermde functies van vleermuizen aangetroffen binnen het projectgebied. Er zijn binnen het projectgebied geen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aangetroffen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij de Bopa.
Voorgenomen plan In de te slopen garageboxen is een verblijfplaats aangetroffen. Als gevolg van de sloop gaat deze verblijfplaats verloren. Voor de sloop van de garageboxen is een vergunning flora-fauna activiteit nodig. De vergunning wordt aangevraagd en d benodigde maatregelen worden genomen.
Conclusie Als gevolg van het voornemen ontstaan negatieve effecten door het vervallen van een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis. De effecten zijn door het aanvragen van een vergunning flora-fauna activiteit met het nemen van de benodigde maatregelen te mitigeren. Aangezien het hier gaat om een verblijfplaats van één individu zijn effecten op populatieniveau niet te verwachten.
3.8
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Toetsingskader Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuu historische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, die zijn opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Archeologie In januari en februari 2023 heeft Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoe door middel van boringen uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 6 van de Bopa. Uit het vooron derzoek kan worden geconcludeerd dat de middelhoge verwachting voor de Vroege Middeleeuwen naar laag kan worden bijgesteld. Voor de top van het veen geldt voor het gehele plangebied, behalve ter plaatse van boring 3, een middelhoge verwachting. Econsultancy adviseert om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren, voorafgaand aan de geplande we zaamheden. Het vervolgonderzoek is nodig om de verwachting voor de top van het veen te toetsen, dit potentiële archeo logische niveau bevindt zich vanaf 120 cm -mv. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proef sleuvenonderzoek na de sloop om de verwachting voor de periode Late IJzertijd – Romeinse tijd te toetsten. Het proefsle venonderzoek dient te worden uitgevoerd op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in Figuur 3.5 is te zien dat ten noord-westen van het plangebied het Beschermd Stadsgezicht van Middelburg aanwezig is. Verder bevinden zich enkele Rijksmonumenten in Dauwendaele. Het plangebied maakt hier geen onderdeel van uit.
19/22
Figuur 3.5 Ligging projectgebied op de cultuurhistorische waardenkaart
Conclusie Het proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd na de sloop van de huidige bebouwing. Mocht hieruit blijken dat mitigerende maatregelen nodig zijn dan worden deze genomen. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen negatieve effecten.
3.9
Gezondheid
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvo beeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en social cohesie.
In het ontwerp is ruimschoots aandacht besteed aan functioneel en kwalitatief groen en water. De locatie van het project gunstig voor de gezondheid. Het is een rustige, veilige en aantrekkelijke woonomgeving met ruimte voor bewegen, ontspannen en ontmoeten. Er is heel weinig verkeer in het projectgebied. De invloed van het verkeer zal gering zijn op de ve keersdoorstroming en verkeersveiligheid. Daarnaast zorgt deze kleine toename niet voor geluidoverlast. Omdat de jeugdzorginstelling weg gaat en daar in plaats woningen komen, neemt het geluidbelasting ter plaatse af. In de omgeving van het projectgebied zijn geen vervuilende bedrijven. De luchtkwaliteit is goed en voldoet aan de omgevingswaarden die in het Bkl zijn opgenomen. In Tabel 3.4 is getoetst of voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. Dit is gedaan door de maximale projectbijdrage toe te voegen bij de achtergrondconcentraties. Voor de maximale projectbijdrage is de NIBM-tool ingevuld (zie Tabel 3.3). Door de ontwikkeling is sprake van een verkeerstoename van 2 mvt/etma Hierbij is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit NIBM-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstofdioxide in de lucht van 0,02 …g/m³ en van fijnstof van 0,00 …g/m³.
Tabel 3.3 NIBM-tool
20/22
Tabel 3.4 Toetsing (2030) aan de WHO-advieswaarden
Stofcategorie
Maximale projectbij- Hoogste achtergrondMaximaal optredende WHO-advieswaarden drage (µg/m 3) concentratie (µg/m3) concentratie 2030 (µg/m 3) 3 (µg/m ) volgensCIMLK-viewer 2030 (Schroeweg)
NO2 PM10
0,02
11,9
11,92
10
0,00
13,2
13,2
15
PM2,5
0,00
6,2
6,2
5
Uit Tabel 3.4 blijkt dat zowel de concentratie stikstofdioxide als de concentratie fijnstof niet voldoen aan de advies2,5)(PM waarden van WHO. Echter, is de planbijdrage nihil. Zonde de beoogde ontwikkeling wordt ook niet voldaan aan de WHOadvieswaarden. Er wordt wel voldaan aan de omgevingswaarden, zoals beschreven in de paragraaf ‘luchtkwaliteit’. De luchtkwaliteit is om deze reden wel aanvaardbaar. Er is bovendien in Nederland een enorme tekort aan woningen die opgelost moet worden. Concluderend staat het aspect gezondheid de ontwikkeling niet in de weg.
Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid e vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt gezondheid is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.
3.10 Duurzaamheid
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaam wonen Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstig generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is
Middelburg wil in 2050 een energie- en klimaatneutrale gemeente zijn. Dat betekent dat er in de gemeente evenveel ener gie wordt opgewekt als gebruikt. En dat alles wat er in Middelburg gebeurt, hoe we wonen, werken en leven, vrijwel geen CO2-uitstoot heeft en niet bijdraagt aan klimaatverandering. Met in 2030 en 2050, respectievelijk 49% en 95% CO2-uitsto vermindering als doel. De gemeente streeft daarnaast naar aardgasvrij wonen. Met de beoogde ontwikkeling wordt hier rekening mee gehouden.
3.11 Aanlegwerkzaamheden
Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffec ten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van d werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
4. CONCLUSIE
Uit de informatie in deze mer-beoordeling blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied me een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ont wikkeling zijn geen mitigerende maatregelen bekend. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk
21/22
5. MAATREGELEN ”
Maatregelen ten aanzien van de vleermuis dienen genomen te worden.
22/22
84/337
Bijlage 4 Aanmeldformulier watertoets
85/337
Aanmeldformulier watertoets waterschap Scheldestromen De watertoets of waterschapstoets geeft inzicht in de consequenties van uw plan voor de taken van Waterschap Scheldestromen. Voorafgaand aan het overleg stuurt u ons een zo volledig mogelijk ingevuld aanmeldformulier. Dit formulier is de agenda voor ons contact met u (in persoon, per mail en/of telefonisch). De watertoetstabel met definitieve invullingen en eventueel aanvullende documenten is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. Het ruimtelijk plan vormt de basis voor ruimtelijke besluitvorming en vergunningverlening.
Uw gegevens Naam: Organisatie: Adres: Postcode + plaats: E-mailadres: Telefoonnummer: Datum aanvraag:
Gegevens initiatiefnemer
Formulier ingevuld door
(particulier/bedrijf)
(werkend voor initiatiefnemer, b. v. adviesbureau)
Woongoed Middelburg Woongoed Middelburg Segeerssingel 6 4337LG Middelburg info@woongoed.nl 0118 691700 30 mei 2024
Eveline Gerritse Rho Adviseurs Segeerssingel 6 4337 LG Middelburg
Eveline.gerritse@rho.nl 0118 689030 30 mei 2024 (aanpassing: 5 februari 2025 )
Gegevens van het plan Wat is de (concept)plannaam:
Herstructurering Buitenruststraat 235
Waar is het plan gelegen:
Buitenruststraat 235 4337ER Middelburg kadastrale perceel: MDB01-O-2569. De totale omvang van het plangebied is 4300m².
Beknopte planomschrijving Woongoed Middelburg heeft het voornemen om het voormalige kantoorgebouw aan de Buitenruststraat 235 in Middelburg te herstructureren. Woongoed wil op deze plek een appartementengebouw met 42 woningen realiseren. Daarvoor moet het kantoorgebouw gesloopt worden.
2
Watertoetstabel De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in uw ruimtelijk plan. Thema en water(beheer)doelstelling Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
Thema en water(beheer)doelstelling
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Niet van toepassing huidige situatie
na realisatie
dakoppervlak
1525
1150
1
dichte bodemverharding
1900
1000
2
doorlatende bodemverharding
0
700
3
wateroppervlak
0
0
4
Op basis van het indicatie ontwerp is er een afname van circa 575m2 . Het resterende plangebied wordt zo groen mogelijk gehouden in verband met klimaatadaptatie (infiltratie, wateroverlast en hitte). Uitwerking In het plangebied bestaat de riolering voor ongeveer 50% uit een gescheiden rioleringsstelsel. Hierbij wordt het hemelwater rechtstreeks geloosd op de aanwezige sprinken en watergangen in het plangebied. De overige 50% bestaat uit een gemengd rioleringsstelsel. Het afvalwater wordt afgevoerd naar de riolering. De riolering loost onder vrij-verval naar het gemaal de Grenadier aan de Elektraweg en van hieruit wordt het naar de rioolwaterzuivering in Ritthem getransporteerd. Ten behoeve van de ontwikkeling zal er geen grondwater worden onttrokken. Als gevolg van de afname in het verhard oppervlak zal meer water kunnen infiltreren dit kan een effect hebben op de grondwaterstand. Vanwege de lokale bodemopbouw en de nabijgelegen zijn eventuele effecten op het grondwater te verwaarlozen. Het plangebied kenmerkt zich door ruime infiltratiemogelijkheden. Verder worden er bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Het hemelwater wordt afgevoerd op de aanwezige sprinken en watergangen.
3
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Het plangebied kenmerkt zich door ruime bodeminfiltratiemogelijkheden. Hierdoor is de volksgezondheid gewaarborgd. Het gebied is sterk zettingsgevoelig. Hier wordt rekening mee gehouden bij de realisatie . De huidige waterpartij wordt uitgebreid en geïntegreerd in de groenvoorziening van het plangebied. Het uitgangspunt is een natuurlijke zone met water en natuurlijke oevers voor recreatief medegebruik.
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
De beoogde ontwikkeling voorziet in werkzaamheden aan de naastgelegen waterpartij. Hiervoor is een watervergunning nodig.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.