CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

25-022 Bijlage 1. Ontwerpbestemmingsplan Noordweg 128 Middelburg

Gemeenteraad 13 maart 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bestemmingsplan Noordweg 128 Middelburg (25-022 RM)18.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Noordweg 128 Middelburg Middelburg

DATUM IMRO IDN

31-10-2023

PROJECT PROJECTLEIDER

Noordweg 128 Middelburg C.A. Louws

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Poortvliet Bouwadvies 20191825

AUTEUR STATUS

L. ten Braak

NL.IMRO.0687.BPNOWNOORD128-0001

ontwerp

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Doel bestemmingsplan

9

1.2

Plangebied

9

1.3

Geldend bestemmingsplan

10

1.4

Leeswijzer

10

Projectbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie plangebied en omgeving

11

2.2

Beoogde ontwikkeling

12

2.3

Planologische afweging

14

Hoofdstuk 3

Toetsing aan beleid

15

3.1

Rijksbeleid

15

3.2

Provinciaal beleid

16

3.3

Gemeentelijk beleid

19

Toetsing aan omgevingsaspecten

21

4.1

Cultuurhistorie

21

4.2

Ecologie

23

4.3

Water

28

4.4

Bodemkwaliteit

28

4.5

Verkeer en parkeren

29

4.6

Wegverkeerslawaai

30

4.7

Milieuhinder omliggende functies

32

4.8

Externe veiligheid

33

4.9

Luchtkwaliteit

35

4.10

Planologisch relevante kabels en leidingen

38

4.11

Duurzaamheid

38

4.12

Vormvrije m.e.r.­beoordeling

40

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

3/86

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

43

5.1

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

43

5.2

Opzet van het nieuwe bestemmingsplan

43

5.3

Gehanteerde bestemmingen

44

5.4

Toelichting op de algemene regels

45

5.5

Toelichting op de overgangs­ en slotbepalingen

46

Uitvoerbaarheid

47

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

47

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

47

Hoofdstuk 6

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Toets ecologie

Bijlage 2

Onderzoek hazen en konijnen bunzing

Bijlage 3

Memo stikstofberekening

Bijlage 4

Watertoets

Bijlage 5

Rapport verkennend bodemonderzoek

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek

Bijlage 7

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.­beoordeling

4/86

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende bepalingen

67

Artikel 1

Begrippen

67

Artikel 2

Wijze van meten

70

Bestemmingsregels

71

Artikel 3

Tuin

71

Artikel 4

Verkeer

72

Artikel 5

Wonen

73

Artikel 6

Waarde ­ Archeologie ­ 3

75

Artikel 7

Waarde ­ Beschermd Stadsgezicht

77

Algemene regels

79

Artikel 8

Anti­dubbeltelbepaling

79

Artikel 9

Algemene bouwregels

80

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

81

Artikel 11

Algemene afwijkingsregels

82

Artikel 12

Algemene wijzigingsregels

83

Artikel 13

Overige regels

84

Overgangs­ en slotregels

85

Artikel 14

Overgangsregels

85

Artikel 15

Slotregel

86

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

5/86

6/86

TOELICHTING

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Doel bestemmingsplan

De eigenaar van de gronden rondom Noordweg 128 in Middelburg, 'Noordweg 128 BV', heeft de wens om op deze gronden 7 rijwoningen te realiseren. Het voornemen past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Noordweg' (2011). Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 1.3. De gemeente Middelburg heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Om de woningen mogelijk te maken is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt ten noordwesten van de binnenstad van Middelburg en ten westen van de wijk Klarenbeek. De gronden liggen tussen de Noordweg, President Rooseveltlaan en de Willem Arondeusstraat. In figuur 1.1 zijn de ligging en de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (bron: bewerking Rho adviseurs)

9/86

1.3

Geldend bestemmingsplan

In figuur 1.2 is een uitsnede van de digitale verbeelding van het bestemmingsplan 'Noordweg' weergegeven ter plaatse van het plangebied. In het het geldende bestemmingsplan 'Noordweg' uit 2011 hebben de gronden binnen het plangebied de bestemming Wonen, Tuin en Verkeer. Naast de ontsluiting en tuinen die binnen de bestemmingen Verkeer en Tuin toegestaan zijn, zijn binnen de Woonbestemming drie vrijstaande woningen, een bijgebouw en garages mogelijk gemaakt. In het plangebied gelden daarnaast de dubbelbestemmingen Waarde­Archeologie­3 en Waarde ­ Beschermd Stadsgezicht.

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Noordweg', plangebied rood omrand (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

De opbouw van de ruimtelijke motivering: y hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en beoogde situatie van het plangebied; y hoofdstuk 3 bevat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan het beleidskader; y in hoofdstuk 4 worden de milieu­ en planologische aspecten getoetst; y hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planbeschrijving; y in hoofdstuk 6 is ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

10/86

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Huidige situatie plangebied en omgeving

De locatie ligt ten noordwesten van de binnenstad van Middelburg. Op deze locatie is nu een vervallen boerderijwoning aanwezig, de overige gronden liggen braak. De sterk vervallen en in onbruik geraakte boerderij zal geheel worden gesloopt. De locatie waar de woningen beoogd zijn, wordt omsloten door woningen aan de Noordweg en Willem Arondeusstraat. De locatie is gelegen op een stuk voormalig akkerland te midden van een woongebied gelegen tussen Brigdamme en de President Rooseveltlaan. Het gaat om een gebied van ongeveer 6.400 m2. Rondom het plangebied zijn aan de oost­ en westzijde woningen aanwezig die met de achtertuin aan het plangebied grenzen. Aan de noordzijde is een basisschool aanwezig. Aan de zuidzijde sluit het plangebied aan op de eerder genoemde Willem Arondeusstraat. In het geldende bestemmingsplan 'Noordweg' uit 2011 zijn reeds plannen opgenomen om de locatie als woningbouwlocatie te ontwikkelen. Deze ontwikkeling is echter nooit gerealiseerd.

Figuur 2.1 Weergave plangebied in de huidige situatie (bron: Luchtfoto 2020 kadaster Nederland)

11/86

Figuur 2.2 De huidige situatie van het plangebied

2.2

Beoogde ontwikkeling

De initiatiefnemers wensen het plangebied opnieuw in te richten met 7 woningen aan de zuidzijde van het perceel. Aan de noordzijde zijn bergingen aanwezig. De rest van het perceel wordt ingericht als (gemeenschappelijke) tuin en met een schuur. Parkeren zal plaatsvinden aan de zuidzijde van het perceel, hier zijn 20 parkeerplaatsen aanwezig. De hoofdaansluiting is via de Arondeusstraat. De woningen zijn aaneen gebouwd in twee blokken. In overeenstemming met de bebouwing in de directe omgeving heeft de bebouwing een nokhoogte van 9,5 meter en een goothoogte van maximaal 6 meter. Het project betreft een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap project met verschillende opdrachtgevers met uiteenlopende wensenpakketten. Daardoor krijgen de woningen verschillende beukmaten en woningdieptes.Door toepassing van verschillende rooilijnen en verschillende beukmaten krijgen de woningen een individueel karakter. In overleg met de WARK (Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit) is het uiteindelijke ontwerp tot stand gekomen.

12/86

Figuur 2.3 Impressies beoogde ontwikkeling (bron: Architecten Alliantie)

Figuur 2.4 plattegrond beoogde ontwikkeling, schetsplan (bron: Architecten Alliantie 26­09­2022)

13/86

2.3

Planologische afweging

De essentie van de ontwikkeling is het mogelijk maken van 7 rijwoningen. Deze 7 rijwoningen passen zoals beschreven in paragraaf 2.2 qua vorm en massa goed in haar omgeving. De ontwikkeling past binnen het beleid zoals getoetst in hoofdstuk 3. Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan milieuregelgeving in hoofdstuk 4. De milieuaspecten vormen geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

14/86

Hoofdstuk 3 3.1

Toetsing aan beleid

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: y dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; y met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; y waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; y met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; y waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.

y dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; y waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; y dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: y Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.

15/86

y y

Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.

Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: y Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit y Ruimte voor overgang naar een circulaire economie y Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden y Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets­ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het mogelijk maken van nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied van Middelburg sluit aan bij de doelen uit het rijksbeleid.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen ­ waaronder het bouwen van woningen ­ een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). De toelichting bij een bestemmingsplan dat een stedelijke ontwikkeling (zoals woningbouw) mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing en conclusie Uit jurisprudentie blijkt dat de grens van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ligt vanaf 12 woningen. Dat betekent dat voor de ontwikkeling van 7 rijwoningen niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking hoeft te worden getoetst.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.

16/86

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050: 1. uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2. balans in de grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. klimaatbestendig en CO2­neutraal Zeeland. Ambities 1 en 4 zijn van belang bij de ontwikkeling van voorliggend bestemmingsplan. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland Deze ambitie sluit aan bij de NOVI­prioriteit ‘Sterke en gezonde steden en regio’s’ (paragraaf 3.1.1). De Zeeuwse Omgevingsvisie besteedt extra aandacht aan beschikbaarheid van voorzieningen en de kwaliteit van woningen. Sinds 2014 is er in Zeeland sprake van een stabiele tot licht groeiende bevolking, ondanks dat er meer mensen overlijden dan dat er worden geboren. De groei is voornamelijk toe te schrijven aan de toestroom van nieuwe Zeeuwen. De bevolking van Zeeland neemt volgens de Provinciale bevolkings­ en huishoudenprognose 2019 nog toe tot 400.000 inwoners. De vraag naar extra woningen manifesteert zich vooral in steden en in andere goed bereikbare kernen met voorzieningen. Per regio en per dorp kan de vraag naar woningen echter sterk uiteenlopen. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging. In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd in de regionale woningmarktafspraken.

Omdat de situatie in elke regio anders is, is regionaal maatwerk belangrijk. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings­ en huishoudenprognose is daarvoor de basis. Zorgvuldig ruimtegebruik en bouwen binnen het bestaand stedelijk gebied van dorpen en steden is voor iedere stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouw, kantoren of bedrijventerreinen, het uitgangspunt. Het Rijk heeft daarvoor de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in landelijke wetgeving (paragraaf 3.1.2). Het doel is beschermen van het landschap, de agrarische functie van het buitengebied, natuurwaarden en andere kwaliteiten die maken dat het in Zeeland goed wonen is. Klimaatbestendig en CO2­neutraal Zeeland. De verandering van het klimaat als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen heeft ingrijpende gevolgen. De zeespiegel stijgt en weerextremen zoals overvloedige neerslag, lange periodes van hitte en droogte en stormen gaan vaker optreden. Dit resulteert in een groter risico op overstroming, wateroverlast, hittestress en ernstig watertekort/droogte. De gevolgen van klimaatverandering zijn zeker voor Zeeland van belang. Bescherming tegen het water, maar ook het gebruik van het water verdient daarom de continue aandacht. De provincie wil binnen haar mogelijkheden haar bijdrage leveren aan het beperken van het klimaatprobleem; zowel aan de bron als in de gevolgen.

Toetsing De ontwikkeling betreft een kleinschalig woningbouwproject binnen bestaand stedelijk gebied. Het is een inbreidingslocatie binnen de stad Middelburg en sluit daarmee aan bij het beleid van de provincie om aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied en de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. De inrichting van het plangebied is klimaatbestendig ontworpen met oog voor de aspecten hittestress en wateroverlast. Er wordt voldoende waterberging gerealiseerd om het hemelwater op te kunnen vangen en er is groen geïntegreerd om hittestress te beperken. Daarnaast worden de woningen uiteraard gasloos en zal worden

17/86

voldaan aan de duurzaamheidseisen. Conclusie De ontwikkeling sluit, gezien het voorgaande aan bij het provinciaal beleid. 3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018 Toetsingskader Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan Zeeland 2018 is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de Provinciale Omgevingsverordeing 2018 alle regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaande stedelijke gebied. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan Zeeland 2018. Toetsing en conclusie Voor wat betreft de voorgenomen ontwikkelingen zijn geen specifieke regels uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018 van belang. 3.2.3 Regionale afstemming woningbouwprogramma Toetsingskader Het doel van het Zeeuwse provinciale woningbeleid is te zorgen voor een goed werkende, gezonde woningmarkt waarbij er voldoende en de juiste woningen beschikbaar zijn voor de inwoners van Zeeland.

Om dit te bereiken is in het Omgevingsplan 2012­2018 het beleidsinstrument regionale woningmarktafspraken geïntroduceerd en overgenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2018. Door middel van deze regionale woningmarktafspraken stemmen de vijf woningmarktregio's van Zeeland hun woningbouwplannen binnen de regio op elkaar af. Door deze afstemming wordt leegstand voorkomen en wordt gestimuleerd dat de juiste woningen op de juiste locatie ontwikkeld worden. Op 6 maart 2023 is de Zeeuwse Woondeal ondertekend door de minister voor Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, de Provincie Zeeland en de dertien Zeeuwse gemeenten. De bouwsector, woningcorporaties en enkele vertegenwoordigers van marktpartijen hebben hun steun gegeven. Het doel van de Woondeal is het bouwen van 16.500 extra woningen in Zeeland in de periode tot en met 2030. Toetsing en conclusie Met het Dashboard Ladderruimte wordt inzicht gegeven in de woningbouwplannen van Zeeuwse gemeenten en in hoeverre deze plannen aansluiten op de behoefte. In dit dashboard (raadpleging 12 mei 2023) is te zien dat er in de gemeente Middelburg een woningbehoefte is van 4.676 woningen en een harde placapaciteit van 2.416 woningen. Dit betekent dat er een ladderruimte is van 2.785 woningen. Met de realisatie van de 7 woningen wordt een bijdrage geleverd aan de invulling van de behoefte binnen de gemeente.

18/86

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Kwaliteitsatlas Middelburg Toetsingskader De Kwaliteitsatlas is een belangrijk integraal beleidsdocument van de gemeente Middelburg. In deze Kwaliteitsatlas wordt een richting uitgestippeld voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot het jaar 2030. Voor een groot aantal deelaspecten (waaronder wonen) is vervolgens aangegeven welke veranderingen nodig zijn om in 2030 tot de gewenste situatie te komen. Eind 2009 is een herijking van de 2e en 3e fase van de Kwaliteitsatlas gepresenteerd. Op 18 januari 2010 is een herziening van de Kwaliteitsatlas vastgesteld. Volgens de Kwaliteitsatlas Middelburg streeft de gemeente naar kwalitatief goede woonmilieus. Goede woningen in een aantrekkelijke omgeving. Middelburg moet zich als woon­ en vestigingsplaats onderscheiden door een aantrekkelijke en complete stad te zijn. Door woonmilieus aan te bieden voor alle leeftijdscategorieën in zowel stedelijke als landelijke omgeving blijft Middelburg voor iedereen een aantrekkelijke plaats om zich te vestigen. In de Kwaliteitsatlas wordt onderscheid gemaakt op woningbouw in de periode van 2010 tot 2020 en de periode daarna. In de periode van 2010 tot 2020 y Nieuwbouw van 2.400 woningen voorbereiden waarvan ongeveer de helft op herstructurerings­ of inbreidingslocaties en de andere helft op uitbreidingslocaties.

In de periode na 2020 y Herstructureren van bestaande wijken (Dauwendaele, Nieuw Middelburg) en kernen (Arnemuiden); y Ruimte reserveren voor nieuwbouw. Voor de periode na 2020 is het van groot belang dat Middelburg tegelijkertijd meerdere ontwikkelingen mogelijk maakt. Hierdoor ontstaan keuzemogelijkheden waarmee kan worden ingespeeld op de woningvraag. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied van Middelburg. De ontwikkeling draagt bij aan een divers woningaanbod in de gemeente Middelburg. De woningmarkt heeft in 2010 een behoorlijke verandering ondergaan, er zijn tevens nieuwe woningmarktafspraken gemaakt sinds die tijd. In paragraaf 3.2.3 is de ontwikkeling hieraan getoetst. De locatie is niet opgenomen in de Kwaliteitsatlas, maar sluit wel aan bij de doelstelling om woningen aan te bieden in verschillende woonmilieus voor verschillende leeftijdscategorieën door woningen aan de rand van de stad, maar toch dicht bij het centrum en voorzieningen als scholen en de supermarkt aan te bieden, met als doelgroep starters en gezinnen. Naar verwachting gaat de 'Omgevingsvisie: Middelburg in 2050' in september naar de raad. Tot het moment van vaststelling is de 'Kwaliteitsatlas Middelburg' van kracht.

19/86

3.3.2 Woonvisie 2023­2027 Toetsingskader In de Woonvisie 2023­2027 wordt het beleid over wonen voor de gemeente Middelburg weergegeven. In de regio Walcheren is de verwachting dat het aantal huishoudens groeit en de bevolking vergrijst. Naast transformatie van de bestaande woningbouw is nieuwbouw van belang om in de behoefte te voorzien. Er wordt ingezet op nieuwbouw van passende woningen op wijkniveau met aandacht voor nultredenwoningen om de doorstroming te bevorderen en zodoende ook meer ruimte te maken voor starters op de woningmarkt. Ook staat de gemeente open voor vernieuwende woonconcepten met toegevoegde waarde voor Middelburg, erfdelen en collectief particulier opdrachtgeverschap zijn daar voorbeelden van. Bij nieuwbouw wordt inbreiding verkozen boven uitbreiding. Toetsing en controle De ontwikkeling betreft een nieuwbouwproject op een inbreidingslocatie in Middelburg. De woningen worden door middel van collectief particulier opdrachtgeverschap mogelijk gemaakt, dit heeft als resultaat dat er diverse woningen met een verschillende oppervlakten en prijscategorieën worden ontwikkeld. Dit zorgt voor een aanvulling op de bestaande woningvoorraad in de wijk en bevordert de doorstroommogelijkheden binnen de wijk. De ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten uit de woonvisie.

3.3.3 Ruimtelijke kwaliteit en welstandsbeleid Voor een onafhankelijk advies over ruimtelijke kwaliteit wordt het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (het WARK) ingeschakeld. Het voorheen verplichte advies over ruimtelijke kwaliteit (voorheen welstandsadvies) door een onafhankelijk adviesteam kan ook vervangen worden door een ambtelijke toets. Met het vaststellen van de nieuwe welstandsnota, de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 heeft Middelburg gekozen om een deel van de plannen door ambtenaren te laten toetsen. Het doel is om aanvragers zoveel mogelijk zekerheid te geven over het krijgen van een positief advies op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen die deze standaardoplossingen volgen, zullen in de regel snel afgehandeld kunnen worden. Indien bij de toets blijkt dat een plan niet op de meer concrete flits­ en sneltoetscriteria is gebaseerd, wordt dit plan alsnog voorgelegd aan het WARK. Dit gebeurt ook als wordt geconcludeerd dat een beoordeling door het WARK zinvol en/of gewenst is. Het WARK kijkt bij haar beoordeling ook naar specifieke pand­ en locatiegebonden aspecten. Toetsing en conclusie Het plan is voorgelegd aan het WARK. Deze heeft op 3 februari 2021 en 13 oktober 2022 een positief advies gegeven over de stedenbouwkundige invulling van het project.

20/86

Hoofdstuk 4 4.1

Toetsing aan omgevingsaspecten

Cultuurhistorie

4.1.1 Bouwhistorische waarden Toetsingskader In het Bro (artikel 3.1.6 lid 5) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede is te zien dat in het plangebied geen monumenten zijn gelegen. In de nabijheid zijn meerdere Monumenten Inventarisatie Project (hierna: MIP) objecten en MIP bijzonder 'Noordweg' aanwezig. MIP bijzonder 'Noordweg' is een lintbebouwingstructuur uit de periode 1930­1935 die loopt van de kern Middelburg tot de kern Sint Laurens. De MIP objecten en MIP bijzonder zijn niet van invloed op voorgenomen ontwikkeling. Verder is het plangebied in het geldende bestemmingsplan 'Noordweg' bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde ­ Beschermd Stadsgezicht'. Voor bouwen binnen de grenzen van het 'beschermd stadsgezicht' gelden voor hoofdgebouwen die als monument of beeldbepalend pand zijn aangeduid regels. Dit is niet het geval voor gebouwen binnen het plangebied (zie figuur 4.1). Wel is het plangebied in het geldende bestemmingsplan aangewezen als beschermd stadsgezicht.

Beschermd stadsgezicht Noordweg omvat de lineaire structuur van de Noordweg van Middelburg tot Sint Laurens en de achterliggende groengebieden. De meest waardevolle hoofdkenmerken worden gevormd door de licht kronkelende lineaire structuur van deze oude uitvalsweg, de aan weerszijden daarvan aanwezige vrijwel aaneengesloten lintbebouwing met daarachter open gebieden en enkele veelal loodrecht op de Noordweg aansluitende zijpaden of ­dreefjes. Van oorsprong bevinden zich achter de lintbebouwing boerderijen die de overgang vormen tussen het lint en het achterliggende open agrarische gebied. Ter plaatse van het plangebied is een genoemde overgangssituatie niet (meer) aanwezig en is er ook geen directe ruimtelijke relatie met of aansluiting op dergelijke nabije overgangsgebieden. In de omgeving van en direct rondom de projectlocatie is nu sprake van nagenoeg gesloten bebouwingsstructuur: het plangebied ligt ingeklemd tussen het bebouwingslint Noordweg en het woongebied Klarenbeek. Waarborging van de herkenbaarheid van de lintstructuur is gewenst. De voorgenomen woningbouw vormt een afronding van de Willem Arondeusstraat die dwars op het bebouwingslint van de Noordweg ligt. Hierdoor blijft het bebouwingslint van de Noordweg goed herkenbaar. Met het ontwerp van de woningen is rekening gehouden met de kenmerken en bouwhoogte van de bebouwing langs de Noordweg.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waar de ontwikkeling van de beoogde woningen invloed op zou kunnen hebben.

21/86

Figuur 4.1 Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Provincie Zeeland) Conclusie In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Negatieve effecten op deze waarden zijn dan ook uitgesloten. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de directe omgeving. 4.1.2 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De provincie Zeeland en de gemeente Middelburg streven naar een versterking van de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening.De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Volgens de wet kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij een bestemmingsplan worden bepaald dat de aanvrager van een aanleg­ en bouwvergunning een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

22/86

Vooruitlopend op de WAMZ hebben de Walcherse gemeenten een eigen archeologiebeleid geformuleerd en vastgesteld in de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren 2006, die in 2008 is geëvalueerd en in 2016 is geactualiseerd in de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren 2016­2022. Deze laatste nota bevat het vigerende archeologiebeleid binnen de gemeente Middelburg, waardoor het provinciale archeologiebeleid op de tweede plaats komt. Belangrijk onderdeel van het archeologiebeleid vormen de Walcherse archeologische verwachtings­ en beleidsadvieskaart. De vrijstellingsregeling behorende bij het Walchers archeologiebeleid gaat uit van deze laatste kaart aangevuld met recent onderzoek. Toetsing en conclusie In het bestemmingsplan 'Noordweg' is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde ­ Archeologie ­ 3' opgenomen. Voor deze gronden geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen waarvan de oppervlakte meer dan 500 m2 en dieper dan 40 cm is. Hierdoor zal voor de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De verwachting is dat deze grenswaarde door het aantal vierkante meters aan oppervlak bodemingrepen ten behoeve van de beoogde bebouwing wordt overschreden. Op basis hiervan heeft de Walcherse archeologische dienst een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Er geldt op de planlocatie een hoge verwachting op archeologische resten uit de Middeleeuwen. In het verleden waren op de projectlocatie waardevolle schuren gevestigd. Uit het verkennend archeologisch onderzoek blijkt dat de overlap met de verdwenen schuren niet heel groot is. Dit samen met het feit dat er ruim 500 m2 uitgegraven gaat worden, is het advies van de Walcherse archeologische dienst om het uitgraven van de bouwkuil plaats te laten vinden onder een officiële archeologische begeleiding. De begeleiding moet uitgevoerd worden door een gecertificeerd onderzoeksbureau op basis van een programma van eisen dat ruim voor aanvang van graafwerkzaamheden en onderzoek aan de Walcherse archeologische dienst ter goedkeuring wordt voorgelegd. De geldende dubbelbestemming wordt overgenomen in onderliggend bestemmingsplan.

4.2

Ecologie

Ter voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier­ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat de vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Toetsingskader Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier­ en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000­gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000­gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden

23/86

van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat. Voor Europees beschermde soorten (Vogel­ en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur­ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied ligt op ongeveer 5,7 kilometer afstand en is het Veerse Meer. Daarnaast liggen op 7 kilometer afstand de Natura 2000 gebieden 'Manteling van Walcheren' (in het noorden) en 'Westerschelde & Saeftinghe' (in het zuiden). Om te onderzoeken of er sprake is van stikstofdepositie op stikstof gevoelige Natura 2000­gebieden is een Aerius­berekening uitgevoerd, de memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 3. Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000­gebied. Uit de berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat er eveneens geen sprake is stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000­gebied en (zie hiervoor bijlage 3) .

Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000­gebieden niet in gevaar komen. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden Natura­2000 gebieden.

24/86

Figuur 4.2 Ligging van de planlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000­gebied Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op circa 500 meter afstand. Dit is het natuurgebied 'Brigdamme'. De geplande activiteit ligt op geruime afstand van dit gebied. Het heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

25/86

Figuur 4.3 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland) Soortenbescherming Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Resultaten bureau­ en veldonderzoek Planten Het terrein ligt braak en kende tot voor kort een andere inrichting. Er groeien grassen en enige algemene kruiden. Beschermde plantensoorten zijn niet waargenomen en worden ook niet verwacht. Vogels Het gebied is klein van omvang en wordt omgeven door wegen en tuinen. Het is ongeschikt als biotoop voor akker en ruigte vogels. Het heeft wel een functie als foerageergebied voor bijvoorbeeld merel en kauw. Mogelijk zijn er broedvogels aanwezig in de beplantingen van de aangrenzende tuinen. Amfibieën Rondom het perceel is geen watergang aanwezig. Algemene soorten als bruine kikker en gewone pad maken mogelijk gebruik van het projectgebied. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in provincie Zeeland. Het gebied is in de huidige situatie niet geschikt voor de rugstreeppad, er zijn tevens geen waarnemingen van de soort.

26/86

Grondgebonden zoogdieren In en in de omgeving van het plangebied zijn naar alle waarschijnlijkheid mol en bosmuis aanwezig. In nabijheid van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de steenmarter, er zijn tevens geen sporen gevonden van de soort. Voor overige kleine marterachtigen (wezel, hermelijn) is het plangebied hooguit een marginaal foerageergebied (monotoon grasland). Effecten op grondgebonden zoogdieren kunnen worden uitgesloten. Vleermuizen In de directe nabijheid van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis. Er zijn geen aaneengesloten lijnvormige landschapselementen aanwezig waarop de vleermuizen zich kunnen oriënteren. Het plangebied kan wel een onderdeel zijn van een foerageergebied van vleermuizen. Door de monotone vegetatie zal het aantal insecten echter gering zijn en is het plangebied geen essentieel foerageergebied. De aanwezige bebouwing (bouwval) is dusdanig vervallen dat het geen mogelijkheden biedt voor vleermuizen. Effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Overige soorten Op basis van verspreidingsgegevens en/of het ontbreken aan geschikte biotopen in of in de omgeving van het plangebied, kunnen overige beschermde soorten waaronder vissen, reptielen en ongewervelden worden uitgesloten.

Effecten op beschermde soorten Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Wet natuurbescherming niet optreden. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden. 1. Er is geen ontheffing nodig voor de benoemde soorten van de lijst nationaal beschermde soorten omdat in provincie Zeeland hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild aanwezige planten en dieren en hun leefomgeving. 2. Bij aanvang en tijdens werkzaamheden dient er rekening te worden gehouden met broedende vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of wanneer er geen broedgeval aanwezig is. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).

Daarnaast is een aanvullende toetsing naar de geschiktheid van het plangebied voor bunzing, hazen en konijnen uitgevoerd naar aanleiding van het vervallen van de vrijstelling van deze soorten in de Omgevingsverordening Zeeland (bijlage 2) . Op basis van dit veldbezoek en de ligging van de locatie ten aanzien van bekend leefgebied van de soorten kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen functie heeft voor bunzing, haas of konijn. Met inachtneming van bovenstaande vinden er geen negatieve effecten plaats en wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen.

27/86

Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000­gebied. Uit AERIUS berekeningen voor de aanleg­ en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000­gebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.3). Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin­, grondwaterbeschermings­ of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming De beoogde werkzaamheden leiden niet tot negatieve effecten op beschermde soorten. Door de tuingedeelten in te richten met streek eigen beplanting kan een bijdrage geleverd worden aan de biodiversiteit van het gebied. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden niet overtreden, er is geen ontheffing noodzakelijk.

4.3

Water

Toetsingskader Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits­ en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 4). Dit aanmeldformulier wordt voorgelegd aan het waterschap. Toetsing en conclusie Uit het aanmeldformulier blijkt dat er een waterbergingsopgave van 174 m³ is. Om hier aan te kunnen voldoen zal een wadi in het noordoosten van het plangebied worden aangelegd. Voor het overige zijn er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding.

4.4

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

28/86

Toetsing Op 27 maart 2020 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. In dit onderzoek wordt geadviseerd nader onderzoek naar lood en asbest uit te voeren. Dit onderzoek is inmiddels deels uitgevoerd.

4.5

Verkeer en parkeren

Verkeersafwikkeling op omliggend wegennet De entree van de parkeervoorziening sluit aan op het bestaande wegennet van de –doodlopende­ Willem Arondeusstraat. Er is ter hoogte van het perceel Noordweg 128 geen auto­ en fietsverbinding tussen de Willem Arondeusstraat en de Noordweg. Zowel de Willem Arondeusstraat als de Noordweg leiden via de President Rooseveltlaan naar de rijksweg 57. Het autoverkeer vanuit de Willem Arondeusstraat bereikt via de President Rooseveltlaan de noordkant van het centrum van Middelburg. Het fietsverkeer kan via de Willem Arondeusstraat, President Rooseveltlaan, Noordweg de binnenstad bereiken. Alle wegen in de omgeving met uitzondering van de President Rooseveltlaan en de rijksweg N57 zijn erftoegangswegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling is inzichtelijk gemaakt op basis van de kengetallen van het CROW (publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren', 2018) Het gaat om 7 rijwoningen (koop). Voor het woningtype 'rijwoningen' binnen een sterk stedelijke omgeving in het restgebied van de bebouwde kom geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,1 mvt/weekdagetmaal per woning. Uit de berekening blijkt dat de realisatie van de 7 rijwoningen zorgt voor een toename van 50 motorvoertuigen per etmaal.

De verkeersgeneratie zal afgewikkeld worden op de Willem Arondeusstraat en vervolgens op de President Rooseveltlaan. Deze wegen kunnen deze toename aan verkeersgeneratie aan. Langzaam verkeer en openbaar vervoer Het plangebied is goed ontsloten voor langzaam verkeer. Aan de voorzijde van de woningen zal een pad voor bestemmingsverkeer worden gerealiseerd om de parkeervakken te bereiken die aan de voorzijde van de woningen op eigen terrein zijn.De dichtstbijzijnde bushalte bevindt zich aan de Sandberglaan. Om het halfuur haltert er een bus die vertrekt naar Middelburg Station. Parkeren Voor rijwoningen is op basis van de kengetallen uit CROW (uitgave 381) een parkeerbehoefte van 1,8 parkeerplaats per woning. In totaal zouden er dus (7 x 1,8 = 12,6) 13 parkeerplaatsen nodig zijn. De woningen worden ontsloten voor autoverkeer, via de Willem Arondeusstraat. Drie bestaande parkeervakken aan deze straat worden verwijderd om een doorgang mogelijk te maken naar de voorzijde van de woningen. Afspraak met de gemeente Middelburg is dat deze drie parkeerplaatsen opnieuw gerealiseerd zullen worden op het perceel van Noordweg 128. Er zullen dus tenminste 16 (13+3) nieuwe parkeerplaatsen moeten worden voorzien om in de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen als de vervangende parkeerplaatsen te voorzien. Voor de woningen komt een parkeerplein te liggen.

Hier worden 20 parkeerplaatsen aangelegd. Daarmee wordt ruimschoots in de parkeerbehoefte voorzien.

29/86

Het perceel van Noordweg 128 ligt op een kreekrug. Om het hoogte verschil te overbruggen, zal een hellingbaan met een middenvlak gemaakt worden.

Figuur 4.4 Beoogde parkeersituatie aan de voorzijde van de rijwoningen (bron: Architecten alliantie) Conclusie Verkeer en ontsluiting Aan de hand van CROW kencijfers is berekend dat de verkeerstoename als gevolg van de rijwoningen maximaal 50 mvt/etmaal bedraagt. De bestaande infrastructuur in de omgeving heeft voldoende capaciteit om het extra verkeer zonder problemen te kunnen afwikkelen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Parkeren Er worden voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein voorzien om in de parkeerbehoefte voor de beoogde woningen te voorzien. De drie openbare parkeerplaatsen die komen te vervallen worden gecompenseerd. Daarmee wordt er voorzien in de parkeerbehoefte.

4.6

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.

30/86

Als de Wgh van toepassing is, dan dient een nieuwe geluidsgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 dB voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A). Bovendien zal voor de betreffende geluidsgevoelige functie ten minste altijd één geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal 'dove gevels' per woning tot maximaal één te beperken. Geluidszones Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/u­wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen­ of buitenstedelijke ligging. De geluidsbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day­evening­night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Toetsing Om te onderzoeken of er ter plaatse van de nieuwe woningen aan de grenswaarden wordt voldaan is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 6. Hierin is het volgende is geconcludeerd: President Rooseveltlaan Als gevolg van het wegverkeer op de President Rooseveltlaan wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 43 dB, inclusief 5 dB aftrek 110g Wgh. Willem Arondeusstraat Als gevolg van het wegverkeer op de Willem Arondeusstraat wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 40 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110 g Wgh. Noordweg Als gevolg van het wegverkeer op de Noordweg wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 30 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Wgh. Brigdamseweg Als gevolg van het wegverkeer op de Brigdamseweg wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 25 dB, inclusief 5 dB aftrek artikel 110g Whg. Conclusie De realisatie van de 7 rijwoningen kent geen belemmering met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai. De woningen worden gerealiseerd in een goed akoestisch woon­ en leefklimaat.

31/86

4.7

Milieuhinder omliggende functies

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: y ter plaatse van de woningen een goed woon­ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen een goed woon­ en leefklimaat in de omgeving en de bedrijfsvoering te kunnen maken, is voor dit plan gebruikgemaakt van de systematiek uit de VNG­publicatie Bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie­indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. In de VNG­publicatie is tevens de mogelijkheid opgenomen te werken met een Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Bedrijven die genoemd zijn in deze staat kunnen in een functiemengingsgebied direct naast gevoelige functies aanwezig zijn, zonder dat er richtafstanden in acht genomen moeten worden.

Toetsing De ontwikkeling vindt plaats in een gebied met voornamelijk woningbouw en maatschappelijke bestemmingen. De voorgenomen ontwikkeling van de woningen heeft geen hinder of negatieve milieueffecten voor omliggende woningen. Ten noorden van het plangebied is een school aanwezig. De afstand tussen de school en de beoogde woningen is ongeveer 75 meter. De richtafstand voor scholen bedraagt 30 meter. De nieuwe woningen worden ruim buiten de richtafstand mogelijk gemaakt. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de brandweerkazerne 'Middelburg­ Roosevelt'. Voor deze functies geldt op basis van de VNG­uitgave een afstand van 50 meter. De 7 rijwoningen worden op 200 meter afstand van deze functie gerealiseerd. Daarnaast leidt de ontsluitingsweg van deze functie in de richting van de President Roosevelt het verkeer van de woningbouwlocatie af. Hierdoor zal de overlast voor de 7 rijwoningen minimaal zijn. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon­ en leefklimaat. Daarnaast zorgen de nieuwe woningen ook niet voor beperkingen voor de bedrijfsvoering van de omliggende functies.

32/86

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: y bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; y vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Risico relevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10­6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR); wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet­ en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met een uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10­5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10­6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10­6­waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10­6­contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren

33/86

rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Toetsing De toekomstige woningen zijn kwetsbare objecten die beschermd moeten worden tegen externe veiligheidsrisico's. Volgens de professionele risicokaart waarop risicobronnen worden getoond, zijn er in de omgeving van het plangebied geen relevante risicovolle bronnen gelegen. Het plangebied ligt op circa 1.429 meter van de N57. Over de N57 vindt vervoer met gevaarlijke stoffen plaats met een invloedsgebied van 1.500 meter voor een ongeval met toxische stoffen. Omdat de afstand tussen het plangebied en de N57 groter is dan dan 200 meter, wordt volstaan met een beknopte verantwoording. Het invloedsgebied van Verbrugge is 7.937 meter. De afstand van het plangebied tot Verburgge bedraagt circa 6.200 meter. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van Verbrugge. Vanwege de grote afstand, wordt volstaan met een beknopte verantwoording. Deze afstand is berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5).

Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid van gemeente Middelburg is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid­Holland. Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Op circa 530 meter van het plangebied, aan de Laan der Verenigde Naties, bevindt zich een LPG­ tankstation. Volgens het bestemmingsplan Griffioen (vastgesteld op 24­01­2011) is het invloedsgebied van dit tankstation 150 meter. Het plangebied valt hier buiten. Het berekenen of verantwoorden van het groepsrisico is niet noodzakelijk.

Figuur 4.5 Ligging plangebied (rood) t.o.v. risicovolle inrichtingen (Bron: www.risicokaart.nl)

34/86

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taak goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Willem Arondeusstraat en de Noordweg in Middelburg. Deze wegen sluiten via de President Rooseveltlaan aan op het verdere wegennetwerk van Middelburg. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen worden gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Als gevolg van een incident met toxische stoffen van een risicovolle inrichting en over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings­ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL­Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Uit de beknopte verantwoording komt naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien.

Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar­ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15123495/2