24-159 Bijlage 4. Bestemmingsplan Mortiere Fase 13 – toelichting
Tekst van het document
24 - 40
5.6.1 Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Onderstaand is de beoordeling van de volgende onderwerpen uitgewerkt: bedrijven of inrichtingen waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water; vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen.
5.6.2 Onderzoek Stantec heeft een onderzoek naar de externe veiligheid uitgevoerd. Dit rapport is al bijlage bijgelosten als Bijlage 6. Overzicht risicobronnen Uit de risicokaart blijkt dat in de wijde omgeving van het plan verschillende risicobronnen aanwezig zijn. De meest van belang zijnde risicobronnen zijn: 1. Rijksweg 2. Provinciale weg N57 3. Buisleiding met code Z-567-04 4. Synthomer Middelburg B.V. 5. Kloosterboer Vlissingen VOF 6. Verbrugge Zeeland Terminals In onderstaand figuur is de ligging van deze risicobronnen genummerd zoals hierboven weergegeven ten opzichte van de globale ligging van het plan “Mortiere Fase 13” (paarse lijn). Tevens zijn de invloedsgebieden van de inrichtingen Kloosterboer Vlissingen BV en Verbrugge Zeeland Terminals aangewezen met een pijl.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
25 - 40
Figuur: Overzicht relevante risicobronnen wijde omgeving bouwplan “Mortiere Fase 13” te Middelburg. Naast de nummering is de aanduiding van de risicobronnen extra inzichtelijk gemaakt: basisnetwegen in blauw/oranje lijnen; buisleidingen met gestippelde rode lijnen; invloedsgebieden van inrichtingen met blauwe contourlijnen; planlocatie met een paarse lijn (links van risicobron 3). Rode lijn geeft het deel van de N57 aan waar aangegeven is door de gemeente dat er vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt ondanks dat dit niet is opgenomen in het basisnet. In de Regeling Basisnet wordt voor alle rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen een risicoplafond - dat wil zeggen hoeveel risico er maximaal mag zijn - vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. ad 1) en ad 2) Rijksweg A58 en de N57 Uit de risicokaart blijkt dat de A58 op 820 meter van het bouwplan is gelegen. De wegvakken Ze8 en Ze4 van de A58 zijn gelegen binnen 4 km van het plangebied, in het verlengde van wegvak Ze49 in zuid-westelijke richting. Van deze wegvakken zijn geen vervoersaantallen bekend. Aangenomen is dat de vervoersaantallen over deze wegvakken vergelijkbaar zijn met die van wegvak Ze49.
Uit de basisnetkaart lijkt dat alleen over het noordelijke gedeelte van de N57 vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (wegvak Ze12). Aangegeven is door de gemeente dat ook over het zuidelijke deel van de N57 dat aansluit op de A58 vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Hier zijn geen vervoersaantallen van bekend. Aangenomen is dat de vervoersaantallen vergelijkbaar zijn met het noordelijk deel van de N57. De N57 ligt op circa 217 meter afstand van het plangebied. Het plan is niet gelegen binnen 200 meter van een snelweg waar vervoer van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt, dus een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroute is niet benodigd. Het
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
26 - 40
invloedsgebied van toxische vloeistoffen (stofgroep LT2) vanuit de A58 ligt wel over het plangebied net als het invloedsgebied van brandbare gassen (GF2) vanuit de N57, waardoor er op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) inzicht dient te worden gegeven in de aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. ad 3) Buisleiding met code Z-567-04 Deze buisleiding bevindt zich 290 meter ten noordoosten van het plangebied. Volgens de risicokaart bevindt de planlocatie zich buiten de PR 10-6 contour. Het invloedsgebied van deze buisleiding is 95 meter, dus bevindt de planlocatie zich tevens buiten het invloedsgebied. Dit betekent dat de buisleiding geen belemmering oplevert op het gebied van externe veiligheid. ad 4) Synthomer Middelburg B.V. De risicovolle inrichting Synthomer Middelburg B.V. bevindt zich op ca 1,2 km ten noordoosten van het plangebied en is een Seveso-inrichting (voormalig BRZO). Het bedrijf richt zich op het produceren van geadvanceerde materialen, functionale producten en fibers die voorkomen in alledaagse producten. Volgens figuur 2 ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van deze inrichting. Derhalve levert deze inrichting geen belemmering op het gebied van externe veiligheid.
ad 5) en ad 6) Kloosterboer Vlissingen VOF en Verbrugge Zeeland Terminals De risicovolle inrichtingen Kloosterboer Vlissingen Middelburg B.V. en Verbrugge Zeeland Terminals bevinden zich op respectievelijk ca 4,8 en 3,8 km ten zuidoosten van het plangebied. In de inrichting Kloosterboer Vlissingen VOF mogen containers met toxische stoffen worden overgeslagen. Daarnaast wordt er ammoniak opgeslagen in koelinstallaties. Verbrugge Zeeland Terminals is een logistieke inrichting waar goederen gelost, opgeslagen en geladen worden van en naar boten en vrachtwagens. De dominante risicovolle activiteit is handeling met en opslag van lood- en zinkconcentraten. Lood is een toxisch zwaar metaal. Voor beide inrichtingen is sprake van risicovolle activiteiten met toxische stoffen. Uit de risicokaart blijkt voor beide inrichtingen dat de PR 10-6 contour zich vrijwel geheel binnen de inrichtingsgrens bevindt. Het invloedsgebied van deze risicovolle activiteiten bevinden zich wel binnen het plangebied. Geacht wordt dat, door de relatief grote afstanden tot het plangebied en de relatief beperkte wijzigingen in de populatiedichtheid door de ontwikkelingen op de Mortiere, deze activiteiten als niet relevant worden beschouwd met betrekking tot verantwoording van het groepsrisico. Op basis van het gemeentelijk beleid is er daarom geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig.
Op basis van artikel 12 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) dient wel inzicht te worden gegeven over de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid In het onderzoek wat opgenomen is in Bijlage 6 is een motivering opgesteld dat ingaat op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
5.6.3 Conclusie Op verscheidene afstanden van het bouwplan zijn meerdere transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig, de meeste relevante zijnde de Rijksweg A58 en de N57. Omdat het bouwplan niet binnen 200 meter van deze transportroutes is gelegen, is het inzichtelijk maken van de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd. Daarnaast vinden er risicovolle handelingen op verschillende inrichtingen plaats. Deze bevinden zich niet binnen de PR 10-6 contouren en er is ook geen belemmering op basis van provenciaal/gemeentelijk beleid. Het invloedsgebied van toxische stoffen over de Rijksweg A58 en de inrichtingen Kloosterboer Vlissingen VOF en Verbrugge Zeeland Terminals zijn wel over het plangebied gelegen. Op basis van artikel 7 van het Bevt en artikel 12 van het Bevi is daarvoor een motivering opgesteld die ingaat op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
27 - 40
5.7 Bodem 5.7.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.
5.7.2 Onderzoek Door Stantec is een bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie en deze is als Bijlage 7 toegevoegd aan deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt: De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat bijna geheel uit klei. Plaatselijk bestaat de ondergrond uit veen en zand. De bodem van de onderzoekslocaties is verontreinigd met lichte bodemvreemde bijmenging met baksteen. Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte bijmengingen of -materialen waargenomen. In de grondmonsters zijn licht verhoogde gehalten minerale olie en PAK aangetoond. In de PFAS-analyses zijn geen verhoogde PFAS gehalten aangetoond. Plaatselijk is de kleiige bovengrond (0-0,5 m-mv) 'Niet toepasbaar'. De overige kleiige bovengrond (0-0,5 m-mv) en de kleiige en venige ondergrond is indicatief in te delen in bodemkwaliteitsklasse 'Altijd toepasbaar'. Uit het PFAS onderzoek blijkt dat PFAS geen invloed heeft op indicatieve bodemkwaliteitsklasse indeling. Het grondwater bevindt zich gemiddeld rond de 2,1-2,2 m-mv en is hooguit licht verontreinigd met barium. Eventueel vrijkomende grond kan waarschijnlijk op of buiten de locatie worden hergebruikt. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk en zijn er geen sanerende maatregelen van toepassing.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
28 - 40
Op basis van de CROW 400 geldt dat binnen het gehele projectgebied bij eventuele graafwerkzaamheden gewerkt kan worden volgens voorlopige veiligheidsklasse 'Basishygiene'. Door Stantec worden de volgende aanbevelingen meegegeven: Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen. Er is een BBK-melding nodig indien op locatie meer dan 50 m. grond wordt toegepast en de grondkwaliteit afwijkt van de vastgestelde achtergrondwaarde.
5.7.3 Conclusie De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen volgens het onderzoeksbureau geen milieuhygiënische belemmering voor het gebruik van de locatie voor de functie Wonen.
5.8 Water In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' opgenomen. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In het uitwerkingsgebied wordt het waterbeheer gevoerd door Waterschap Scheldestromen.
5.8.1 Onderzoek Stantec heeft voor het plangebied de waterparagraaf opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 8 bijgevoegd. Voor het plangebied is nog geen definitief ontwerp vastgesteld, maar het ontwerp qua woningbouw/inrichting, conform de (concept) verbeelding bij dit bestemmingsplan is leidend. Om wel een inschatting van de oppervlaktes van de grondgebonden woningen en het appartementencomplex in de toekomstige situatie te maken, zijn er percentages bepaald op basis van het aangeleverde (concept) verbeelding. De verdelingen van de percentages zijn weergegeven in de onderstaande tabellen 1 en 2 en op basis van deze percentages zijn oppervlaktes bepaald van het verharde deel van de grondgebonden woningen en het appartementencomplex. De verdeling van de oppervlaktes ten opzichte van de huidige en toekomstige situatie zijn weergegeven in tabel 3. Bij de berekening is uitgegaan van de regel dat er een bergingseis van 75 mm geld voor het totaal toekomstig verhard oppervlak. Tabel 1: Oppervlakte percentages van de grondgebonden woningen in de toekomstige situatie
Tabel 2: Oppervlakte percentages van het appartementencomplex in de toekomstige situatie
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
29 - 40
Op basis van de bovenstaande berekeningen is het verhard oppervlak van de grondgebonden woningen 2.699 m2 en van het appartementencomplex 2.108 m2. Tabel 3: Oppervlakteverdeling bestaande vs. toekomstige situatie
Op basis van deze gegevens is er sprake van een verhardingstoename van 3.453 m2, en een toekomstig verhard oppervlak van 5.343 m2. Het bestaande verhard oppervlak is afgenomen omdat de bestaande tijdelijke weg in het plangebied is komen te vervallen. De overige verharding bij de toekomstige situatie bestaat uit de bestaande Mozartweg. Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is vaak sprake van een toename van het verhard oppervlak en daarmee een afname van het infiltratieoppervlak. Hierdoor zal hemelwater versneld worden afgevoerd naar de riolering of het oppervlaktewater. Dit is ongewenst en dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Uitgangspunt is dat het hemelwater zoveel mogelijk in het plangebied blijft. De wijze waarop kan per situatie verschillen en is gebiedsafhankelijk. De gemeente Middelburg hanteert als beleid voor watercompensatie dat in het geval van nieuwe bebouwing het totale toekomstig verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden met waterberging op eigen terrein. Met een toekomstig verhard oppervlak van 5.343 m2 is er vanuit de gemeente Middelburg een verplichting tot het aanbrengen van een bergingsvoorziening volgens de norm 75 mm/m2. Voor het plangebied van fase 13 is de rekensom te maken: 5.343 m2 * 75 mm = 400,7 m3.Voor Mortiere is dit reeds gecompenseerd binnen het totale project/uitbreidingsplan Mortiere.
Dit wordt niet meer op individueel (particulier) eigen terrein verwacht.
5.8.2 Conclusie Het aspect water is geen belemmering voor het planvoornemen.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
30 - 40
5.9 Ecologie 5.9.1 Wettelijk kader Voor een beoordeling van de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op de beschermde natuurwaarden in het plangebied en op effecten die instandhoudings-doelstellingen voor aangewezen natuurgebieden nadelig kunnen beïnvloeden is de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten van belang. Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met 1 wet en minder regels wordt het makkelijker om de wet toe te passen. Bescherming van dieren en planten Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten.
5.9.2 Onderzoek Stantec heeft een quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd en deze is als Bijlage 9 toegevoegd aan deze toelichting. 5.9.2.1 Gebiedsbescherming Natura-2000 Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Veerse Meer bevindt zich op een afstand van 3,2 km ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Uitzondering hierop is het effect van stikstofemissies op omringende Natura-2000 gebieden. Een AERIUS-berekening is voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase verplicht dan wel noodzakelijk. Zie paragraaf 5.4. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Er is geen ruimtebeslag op het NNN. Gezien de aard van de werkzaamheden en afstand van tenminste 0,2 kilometer tussen het NNN-gebied en het plangebied, worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. 5.9.2.2 Soortenbescherming Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt.
Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
31 - 40
Uit de tabel blijkt dat nader onderzoek niet benodigd is, mits de maatregelen zoals in bovenstaande tabel omschreven opgevolgd worden. Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
32 - 40
ieder geval de maatregelen voorgesteld zoals weergegeven in onderstaande tabel. Deze maatregelen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
33 - 40
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
34 - 40
5.9.3 Conclusie In het plangebied komen beschermde natuurwaarden voor, maar door het treffen van mitgerende maatregelen en het ecologische werkprotocol zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.10 Archeologie en cultuurhistorie In Europees verband is het zogenaamde "Verdrag van Malta" tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de bestaande regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. De provincie Zeeland en gemeente Middelburg streven naar een versterking van de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening. In de geest van het Verdrag van Malta is in 2007 een wijziging van de monumentenwet 1988 in de vorm van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) van kracht geworden. Een belangrijk onderdeel van de WAMZ was dat de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed bij de gemeenten komt te liggen. In de WAMZ werd geregeld dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
Volgens de wet kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij een bestemmingsplan worden bepaald dat de aanvrager van een aanleg- en bouwvergunning een rapport dient over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.
Vooruitlopend op de WAMZ hebben de Walcherse gemeenten in 2006 een eigen archeologiebeleid geformuleerd en vastgesteld die in 2016 is geactualiseerd in de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren evaluatie 2016-2022. Deze laatste nota schrijft het vigerende archeologiebeleid binnen de gemeente Middelburg voor. Bij dit beleid horen de Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren. De kaart betreft een inventarisatie van archeologische vindplaatsen, andere waarden en verwachtingsgebieden en is gemaakt op basis van het Rijks Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), waarin alle bekende archeologische waarden zijn opgenomen, en op basis van verschillende ter zake doende kaarten. Op basis van de Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren is de Archeologische beleidsadvieskaart Walcheren opgesteld, om ervoor te zorgen dat het archeologisch erfgoed wordt beschermd en er bij ruimtelijke afwegingen rekening wordt gehouden met archeologische waarden. De vrijstellingsregeling behorende bij het Walchers archeologiebeleid gaat uit van deze laatste kaart.
5.10.1 Onderzoek Naar aanleiding van het planvoornemen heeft de Walcherse Archeologische Dienst een beperkte bureaustudie uitgevoerd naar de te verwachten archeologische waarden in het gebied en al eerder uitgevoerde onderzoeken. Bij het verkennende archeologische onderzoek is geen archeologische vindplaats aangetroffen. Het advies is dan ook
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
35 - 40
dat in beide plangebieden verder geen archeologische vervolgonderzoeken noodzakelijk zijn. Dit geldt ook voor het cultuurhistorische aspect. Cultuurhistorie Het oorspronkelijke dijktalud langs de rand van de golfbaan is van cultuurhistorisch belang. Het markeert de dijk van het oorspronkelijke kanaal tussen de Westerschelde en het stadscentrum. In het gebied Mortiere zijn geen andere specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig die bescherming behoeven.
5.11 Bezonningsstudie Er is voor het planvoornemen is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 10. Uit deze studie blijkt dat de hoogbouw alleen in het voor- en najaar in de ochtend voor schaduwwerking zorgt bij de rijwoningen aan de Poproute. Verder zijn verder negatieve effecten uitgesloten. Conclusie Het aspect bezonning is geen belemmering voor het planvoornemen.
5.12 Eindconclusie Op basis van de onderzochte informatie worden geen belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Uit de voorgaande beschreven milieuaspecten (5.1 Toetsing aan mer-wetgeving, 5.2 Geluid, 5.3 Luchtkwaliteit, 5.4 Stikstof, 5.5 Bedrijven en milieuhinder, 5.6 Externe veiligheid en 5.7 Bodem) kan worden geconcludeerd dat er geen verslechtering optreedt op het woon- en leefklimaat van de (omliggende) woningen en dat er ten aanzien van de omgevingsaspecten (5.8 Water, 5.9 Ecologie, 4.3.2 Parkeren, 5.10 Archeologie en cultuurhistorie en 5.11 Bezonningsstudie) er geen belemmeringen optreden.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
36 - 40
Hoofdstuk 6
Juridische planopzet
6.1 Inleiding Bij het opstellen van de planregels is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen zoals dat uitgevoerd is bij bestemmingsplan 'Mortiere'. De regels van het bestemmingsplan 'Mortiere' dienen als basis van de planregels in dit bestemmingsplan voor fase 13.
6.1.1 Uitgangspunten De beleidsuitgangspunten uit de voorafgaande hoofdstukken vormen de onderlegger voor bestemmingen en begrenzingen op de verbeelding en voor de planregels. Deze uitgangspunten voor de bestemmingsregeling (verbeelding en regels) kunnen als volgt worden samengevat. a. Het uitgangspunt is op de eerste plaats de verkavelingsschets voor de fase 13. Hiervoor zijn de kaders in dit bestemmingsplan opgenomen. b. In het bestemmingsplan is gestreefd naar het toepassen van soepele / ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de grenzen van de uit te werken bestemming uit het bestemmingsplan 'Mortiere'; c. De ruimtelijke kwaliteit van het plangebied noodzaakt een zorgvuldige afstemming van bouwmogelijkheden. Bij het leggen van bestemmingen, het bepalen van bouwgrenzen en opstellen van flexibiliteitbepalingen heeft steeds een zorgvuldige afweging plaatsgevonden van de aanwezige belangen en is rekening gehouden met hedendaagse eisen en gebruikerswensen. Binnen de marges van het beleid is gezocht naar versoepeling in de bestemmingsregeling als bedoeld onder a en b; d. De bestemmingsregeling dient in ieder geval de ontwikkelingen van de nu aanwezige verkavelingsschets mogelijk te maken; e. De regeling is zo uniform mogelijk ten einde een zo groot mogelijke rechtsgelijkheid te kunnen bieden.
Dit neemt niet weg dat, gelet op de ruimtelijke karakteristiek van het plangebied en hedendaagse eisen, specifieke (beperkende) bepalingen gewenst zullen zijn. f. Zoals vermeld onder a en d is voor de bestemmingsregeling in beginsel uitgegaan van de feitelijk geplande situatie. Als randvoorwaarde voor de nieuwe bestemmingsregeling is ook gehanteerd dat er flexibiliteit binnen het plan dient te zijn, om eventueel in te kunnen springen op een veranderende marktvraag.
6.1.2 Planvorm De planvorm van bestemmingsplan Mortiere fase 13 is een gedetailleerd bestemmingsplan. Dit betekent dat op basis van dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend.
6.1.3 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) Het voorliggende bestemmingsplan is, overeenkomstig het bestemmingsplan 'Mortiere' opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012.
6.1.4 Opzet bestemmingsregeling Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) in dit bestemmingsplan is het volgende van belang. Voor het plan geldt dat wordt aangesloten bij de systematiek van bestemmen van het bestemmingsplan 'Mortiere'. De regels van het bestemmingsplan 'Mortiere' dienen als basis van de planregels in dit bestemmingsplan voor fase 13. 6.1.4.1 Opzet verbeelding Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Binnen dit bestemmingsplan komen 5 bestemmingen voor. Door middel van bouwvlakken op de verbeelding zijn de locaties voor de bouw van hoofdgebouwen (woningen) aangegeven.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
37 - 40
Aanduidingen In dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van bouwaanduidingen, waarmee specifieke bouwregels worden bepaald. Daarnaast worden maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding aangegeven zoals de maximaal toegestane hoogtemaat (goot- en bouwhoogte). 6.1.4.2 Opzet planregels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde. In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden (indien nodig) alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de plankaart voorkomen nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene ontheffings- of wijzigingsbevoegdheden. Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en benoemt de titel van het plan.
6.2 Gehanteerde bestemmingen Artikel 3 Groen Het bestaande structurele groen is bestemd tot Groen. In de bestemmingsomschrijving is voorts bepaald dat de gronden mogen worden gebruikt voor speelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Artikel 4 Tuin Voortuinen en zijtuinen van hoekwoningen aan de openbare ruimte zijn bestemd als Tuin. Binnen deze bestemming mag slechts zeer beperkt gebouwd worden. Om accenten mogelijk te maken op belangrijke plekken in het stedenbouwkundig plan is op specifieke plaatsen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - accent" opgenomen. Binnen deze bestemming zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan, met uitzondering in voortuinen van tussenwoningen. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van de bestemming Tuin in de bestemming Wonen om het mogelijk te maken de voorgevelrooilijn naar voren te plaatsen. Dit kan alleen na goedkeuring van de supervisor en als er geen afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid, de parkeerbalans, de architectonische en/of stedenbouwkundige kwaliteit van Mortiere en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Artikel 5 Verkeer De Mozartweg en het naastgelegen trottoir hebben deze bestemming toegekend gekregen. In aansluiting op de naastgelegen bestemmingsplannen.
Artikel 6 Water De bestemming Water is toegepast ter plaatse van de Mannezeese Watergang, aansluitend op de naastgelegen bestemmingsplannen, zodat deze als zodanig behouden dient te blijven. Artikel 7 Wonen In de verbeelding zijn de bouwblokken aangegeven met een bouwvlak. De bouwhoogte is op de verbeelding gemaximeerd. Binnen deze bestemming zijn ook tuinen, erven, parkeervoorzieningen, ontsluitingspaden en wegen toegestaan, om de gewenste flexibiliteit te behouden. Binnen de bestemming zijn de verschillende woningtypen mogelijk gemaakt en een specifieke aanduiding opgenomen voor het gestapelde deel van de bebouwing. Hiermee wordt de positie van appartementengebouw bepaald.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
38 - 40
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
7.1 Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is geregeld in de vorm van de grondexploitatieregeling zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro): zie onder 7.1.1.
7.1.1 Exploitatieplanplicht en verplichting tot kostenverhaal In deze wet is verplicht kostenverhaal door de gemeente geregeld. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag: via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dient te worden. Ook kan het gemeentelijke kostenverhaal geregeld worden via een anterieure overeenkomst over grondexploitatie met de initiatiefnemer / ontwikkelaar, zoals bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Wanneer de gemeente zelf eigenaar is van de gronden, dan is het (separaat) verhalen van kosten op anderen niet nodig. De kosten worden dan gedekt door de verkoop van bouwrijpe grond. De in dat kader gesloten overeenkomsten gelden ook als anterieure overeenkomsten over grondexploitatie. Nieuwe ontwikkelingen De gemeente heeft samen met het consortium volledig grondeigendom in het plangebied. Met het consortium is een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal voor de gemeente. De financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is dan ook gewaarborgd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 14 december 2023 tot en met woensdag 24 januari 2024 ter inzage gelegen. Gelijktijdig met de zienswijzeperiode is het wettelijk overleg conform artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met de overlegpartners uitgevoerd. Er zijn 10 zienswijze ontvangen. Tevens is 1 zienswijze/reactie ontvangen van een wettelijke overlegpartners. De zienswijzen zijn samengevat en van een passende beantwoording voorzien in de nota van beantwoording zienswijzen. De nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijziging is toegevoegd aan Bijlage 11.
7.2.1 Participatie Aanvullend hebben voor dit bestemmingsplan twee participatieavond plaatsgevonden. De eerste avond was een gesprek met de direct omwonenden van het appartementengebouw om het bestemmingsplan toe te lichten en te spreken over de verschillende modellenstudies. Tijdens deze avond is voornamelijk gesproken over: De afstand van de toren tot de bestaande woningen. De positie van de ontsluiting van de parkeerplaatsen behorende bij de ontwikkeling. De volumeopbouw van de toren en de mogelijkheid van een schuin dak. De tweede avond was een brede informatieavond voor de hele wijk Mortiere, waarbij direct omwonenden met een brief zijn uitgenodigd. Er waren tijdens de avond ongeveer 50 participanten. Ook op deze avond is het bestemmingsplan toegelicht en zijn de verschillende modellenstudies gepresenteerd. Tijdens deze avond is voornamelijk gesproken over: De verschillende modellen en kon de voorkeur voor één van de modellen worden uitgesproken. De positie van de toren in de wijk Mortiere ten opzichte van de entree, de Mannezeese Watergang en de hoogbouw die gepland is op het eiland in het park. De inrichting van de openbare ruimte in andere delen van Mortiere. De voortgang van de bouw en ontwikkeling van andere delen van Mortiere.
In de uitwerking van het appartementengebouw, de openbare ruimte en de architectuur zal aandacht worden besteed aan de opmerkingen van de participanten over de volume opbouw, de ontsluiting en de inrichting van de openbare ruimte.
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
39 - 40
(vastgesteld) Mortiere fase 13 NL.IMRO.0687.BPMORF13-VG01
40 - 40