CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

220630 COA Ruimtelijk Functioneel PvE 3 0 - toezegging wethouder Louws AB

Commissie Algemeen Bestuur 9 april 2024, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Verslag14.425 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Datum: Opgesteld door: Versie: Status

2021 Vastgoed en Facilitair 3.0 Definitief concept

AFKORTINGEN AA ac amv AU azc bo CAI COA col DT&V EU fte GZA GGD Glo IBIS ibo ICT IND IOM MS NEN O&B OLc pol RFPvE RVA ROV Rvt tbc TCO TPvE vbl V&F vp VWN

Algemene Asielprocedure Aanmeldcentrum Alleenstaande minderjarige vreemdelingen Aanmeld Unit Asielzoekerscentrum Beschermde opvang Centrale Antenne Inrichting Centraal Orgaan opvang asielzoekers Centrale ontvangstlocatie Dienst Terugkeer en Vertrek Europese Unie Full time-équivalent Gezondheidszorg Asielzoekers Gemeentelijke Gezondheidsdienst Gezinslocaties Integraal Bewoners Informatie Systeem Intensief begeleide opvang Informatie en Communicatie Techniek Immigratie- en Naturalisatiedienst International Organization for Migration Management Services Nederlandse Norm Opvang en Begeleiding Openleercentrum Proces opvanglocaties Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen Regeling Verstrekkingen Asielzoekers, betreft zak-, eet, kleedgeld. Regeling Onthoudingen Verstrekkingen, zijn strafmaatregelen. Rust- en voorbereidingstijd Tuberculose Total Cost of Ownership Technisch Programma van Eisen Vrijheidsbeperkende locatie Vastgoed en Facilitair Vreemdelingenpolitie (AVIM) VluchtelingenWerk Nederland

1

INHOUDSOPGAVE

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

AFKORTINGEN ............................................................................................................ 1 INLEIDING ..................................................................................................................... 4 Aanleiding ............................................................................................................................. 4 Doelstelling van het Ruimtelijk Functioneel PvE ................................................................. 4 Gebruik van het RFPvE ........................................................................................................ 5 Beschrijving opvangmodaliteiten.......................................................................................... 5 Totstandkoming aanpassingen .............................................................................................. 5 Samenwerking vreemdelingenketen ..................................................................................... 6 Evaluatie en revisie Programma’s van Eisen ........................................................................ 7 Leeswijzer ............................................................................................................................. 7 2. OPVANGPROCES ..................................................................................................

8 Centrale ontvangst locatie (col) ............................................................................................ 8 Proces opvang locatie (pol) ................................................................................................... 9 Asielzoekerscentrum (azc) .................................................................................................. 10 Vrijheid beperkende locatie (vbl)........................................................................................ 11 Gezinslocatie (glo) .............................................................................................................. 12 Beschermde opvang (bo) .................................................................................................... 12 Intensief begeleidende opvang (ibo) ................................................................................... 13 3. KADERS................................................................................................................. 15 Missie & visie ..................................................................................................................... 15 Strategie ..............................................................................................................................

15 Organisatie .......................................................................................................................... 15 Beleidsmatig kader .............................................................................................................. 16 Kwantitatief kader ............................................................................................................... 17 Financieel kader .................................................................................................................. 18 Wetgevend kader................................................................................................................. 18 Uitgangspunten ................................................................................................................... 18 4. LOCATIEOPZET ................................................................................................. 23 Relatieschema locatieopzet ................................................................................................. 23 Wonen en logies .................................................................................................................. 24 Dienstengebouwen ..............................................................................................................

25 Het terrein ........................................................................................................................... 26 Bereikbaarheid externe voorzieningen ................................................................................ 27 Toegankelijkheid gebouwen ............................................................................................... 27 5. RUIMTELIJKE EISEN BIJ OPVANGVORMEN ............................................ 29 Asielzoekerscentrum (azc) .................................................................................................. 29 Centrale ontvangst locatie (col) .......................................................................................... 36 Proces opvang locatie (pol) ................................................................................................. 38 Vrijheid beperkende locatie (vbl)........................................................................................ 38 Gezinslocatie (glo) .............................................................................................................. 38 2

5.6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

Intensief Begeleide Opvang (ibo) ....................................................................................... 38 6. KLEURTOEPASSING IN FUNCTIE VAN HET WELZIJN ........................... 40 Kleur, beleving en welzijn voor deze doelgroep ................................................................. 40 Het terrein ........................................................................................................................... 40 De entree ............................................................................................................................. 41 De gangen ........................................................................................................................... 41 De woonruimte .................................................................................................................... 41 De kinderruimte/ speelruimte .............................................................................................. 42 De recreatieruimte ............................................................................................................... 43 7. Bijlage 1: COA ruimtestaten 2021 versie 1.5 .. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 8. Relatieschema’s ...................................................................................................... 45

3

INLEIDING 1.1

Aanleiding Met de herontwikkeling van de locaties Dronten, Luttelgeest en Ter Apel is voortschrijdend inzicht opgedaan ten tijde van de update van het programma van eisen 2016. Ook hebben er in de tussentijd ontwikkelingen op het gebied van de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) en de intensief begeleidende opvang (ibo) plaatsgevonden. Tenslotte is in die versie wet- en regelgeving geactualiseerd als gevolg van gewijzigd Bouwbesluit. Genoemde ontwikkelingen zorgden voor een update ruimtelijk functioneel programma van eisen in 2016. Door een hoeveelheid verschillende oorzaken is deze destijds niet door het bestuur vastgesteld. Wel binnen de afdeling Vastgoed en Facilitair (V&F) en Opvang en Begeleiding (O&B). De versie 2020 is daarom bijgewerkt naar de hedendaagse inzichten en input van locatiemanagers uit de referentielocaties en medewerkers van diverse units. Tevens heeft er eveneens nog een bijeenkomst met een brede groep medewerkers in Ter Apel plaatsgevonden. Hier is met name ervaringsdeskundigheid opgehaald onder andere met betrekking tot de toegepaste bouwvorm en woonappartementen. Ondertussen is er een duidelijke tendens naar meer aandacht voor de mens in zijn omgeving wat onder andere heeft geresulteerd in het belang van sociale veiligheid en een afzonderlijk hoofdstuk over kleurgebruik.

RFPvE in relatie met Technisch PvE; geconcludeerd kan worden dat in de samenhang met dit PvE, het TPvE ook een update ondergaat. Daarmee zijn beide PvE’s up-to-date en wederom toepasbaar in de praktijk.

1.1.1

Aanleiding integreren van logiesfunctie Na de update van begin 2020 is het Ruimtelijk Functioneel programma van eisen eind 2020 verder aangevuld met de omschrijving van de logiesfunctie. Deze aanvulling geeft het COA meer flexibiliteit in het realiseren van woonoplossingen die passen bij de situatie en de doelgroep. De logiesfunctie is ook aanvullend opgenomen in het Technisch Programma van Eisen. Voor het COA is de logiesfunctie niet onbekend, de logiesopvang kenmerkte zich door middel van lange gangen met kamers en met gezamenlijke kook- en sanitaire voorzieningen. Dit leverde regelmatig onwenselijke situaties op, waarop werd besloten de logiesfunctie niet meer toe te passen. Nu, enkele jaren later, komt het COA tot het inzicht dat de logies behoefte noodzakelijk is voor optimalisatie van onze capaciteit. Dit keer met de geleerde lessen uit het verleden met als belangrijkste inzichten: rekening houdend met privacy, zo worden de badkamer en toilet niet meer centraal in de gang gesitueerd en de keuken wordt met maximaal 64 bewoners gedeeld. De uitwerking van de logiesfunctie staat beschreven in dit programma van eisen.

1.2

Doelstelling van het Ruimtelijk Functioneel PvE Het RFPvE is bestemd voor diverse typen opvanglocaties die het COA nodig heeft om opvang te bieden aan asielzoekers. Het geeft een beschrijving van de ideale situatie van een asielzoekerscentrum en de overige opvangmodaliteiten en verschaft het beeld van de huisvestingbehoefte van het COA in ruimtelijk-functionele zin. Hiermee dient het RFPvE:

4

• •

1.3

Als eisenpakket bij nieuwbouw op nieuwe locaties of bij grootschalige herontwikkeling van bestaande locaties. Als richtlijn en ambitieniveau bij het verwerven van bestaand vastgoed dat voor korte of middellange termijn gebruikt gaat worden voor opvang.

Gebruik van het RFPvE Het RFPvE wordt toegepast bij nieuwe locaties en locaties die herontwikkeld worden. Bestaande locaties worden niet bij voorbaat ge-update naar dit nieuwe RFPvE. Mocht men op een locatie vastlopen in het proces en bepaalde taken niet meer uit kunnen voeren, dan vindt er overleg plaats tussen de locatiemanager en vastgoed en/of projectregisseur, die dan in gezamenlijkheid kijken naar een oplossing. Mocht deze niet binnen de bestaande gebouwcontouren te realiseren zijn, dan wordt er een functionele aanpassing voorgelegd. Dit RFPvE beschrijft de huidige opvangmodaliteiten van het COA en het voldoet aan vigerende weten regelgeving. Het geeft het beeld van de huisvestingsbehoefte van het COA en het beschrijft de ideale situatie. Het is een toetsdocument voor zowel nieuw te realiseren, als te herontwikkelen locaties. Voor nieuwe locaties met bestaand vastgoed dat (deels) hergebruikt wordt, alsmede bij grootschalige renovaties, wordt per situatie beoordeeld in hoeverre de ideaalsituatie gerealiseerd kan worden. De ruimtestaat bevat het voorwaardelijke aantal vierkante meters voor wonen-, werken en recreëren.

1.4

Beschrijving opvangmodaliteiten De volgende opvangmodaliteiten worden beschreven in dit RFPvE: - Asielzoekerscentrum (azc) - Centrale ontvangstlocatie (col) - Proces opvanglocatie (pol) - Vrijheid beperkende locatie (vbl) - Gezinslocatie (glo) - Beschermde opvang (bo) - Intensief begeleide opvang (ibo) De opvangmodaliteiten zijn omschreven aan de hand van proceskenmerken (hoofdstuk 2) en hun ruimtelijke eisen (hoofdstuk 5). Het aantal en de omvang van de ruimtes zijn te vinden in de ruimtestaten in de bijlagen. De opvangmodaliteit-amv is sinds 2018 vervat in separate PvE’s.

1.5

Totstandkoming aanpassingen De ontwikkeling van dit RFPvE is tot stand gekomen in twee fases. In 2016 is input verkregen via werkgroepen waarin locatiemanagers, medewerkers van de afdeling Vastgoed en Facilitair, beleidsmedewerkers en externe adviseurs zitting hadden. Inspanningen gedaan in de tweede fase 2017-18, de versie van 2016 op een paar kleine onderdelen geactualiseerd. De werkgroepen verantwoordelijk voor de aanpassing van 2016, zorgden voor specifieke thema’s en is voor het ruimtelijk functionele deel, alsmede voor het technische gedeelte, informatie gedeeld verzameld en vastgesteld in het beschreven document. De actualisatie 2018 heeft plaatsgevonden door interne review binnen de unit, adviseur P&C, bezoek en interviews loma en medewerkers in Ter Apel en in afstemming met de vertegenwoordigers uit de Referentielocaties.

5

In 2020 zijn de aanvullingen ten behoeve van de logiesfunctie opgehaald in sessies met de afdelingen Vastgoed en Facilitair en Opvang en Begeleiding. De sessies waren zowel gericht op de ruimtelijkfunctionele als de technische aspecten. Eveneens zijn, diverse inhoudelijke experts betrokken. De sessies en aanpassingen zijn verricht door Brink Management / Advies.

1.5.1

Bouwnorm Ervaring leert dat een locatie nooit voor 100% bezet kan zijn. Om de bestuurlijke capaciteit zoveel mogelijk uit te nutten, worden technisch meer plaatsen gerealiseerd. Het bestuur heeft ingestemd met het aanhouden van een bezettingsgraad van 91%, waarmee we dus een technische capaciteit realiseren van

1 0,91

𝑥 de bestuurlijke overeengekomen capaciteit. Dit is bijna 10% hoger. Hiermee behalen we

enig schaalvoordeel, zowel wat betreft de huisvestingskosten, alsook de kosten vanuit Opvang en Begeleiding. In de ruimtestaten wordt een bouwgrootte van 110 % aangehouden. Het resultaat van een dergelijk besluit is een logische koppeling tussen feitelijke financiering en huisvesting, maar is voornamelijk terug te vinden als schaalvoordeel.

1.5.2

Rijks brede werkpleknorm Voor de toewijzing van het aantal werkplekken op de kantoren van het COA wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde P-formatie calculatie model. Tegelijkertijd speelt de ontwikkeling van de Rijks brede aanpassing van de werkpleknorm naar 0,7 werkplek per fte. Bijvoorbeeld een azc heeft een grootte van 400. Daarvoor heeft P&C voorgeschreven dat het aantal fte voor deze locatie is berekend op 14,77 + 1,26= 16 fte (norm 2018). Tevens worden per opvanglocatie (ongeacht grootte en modaliteit) 5 flexwerkplekken toegevoegd. Dit zijn geen éénpersoonskamers. Dit betekent dat er 14 werkplekken worden gerealiseerd (16 x 0,7 = 11 + 5 flex = 16). Bij het ontwerp van de werkplekken moet men rekening houden met de inrichting van een beperkt aantal éénpersoonswerkplekken: de locatiemanager en managementassistent. Medewerkers technische dienst (huismeesters) hebben werkplekken nabij de technische/ opslagruimten. Bij grotere locaties kan besloten worden het aantal éénpersoonswerkplekken op te hogen. Daar wordt dan de extra ondersteuning geplaatst voor de locatiemanager. (≥ 800 1 SMO). Bij de inrichting van de meerpersoonswerkplekken kan besloten worden, bij een bepaalde grootte, de werkruimte te delen door middel van een geluidswerende wand.

1.6

Samenwerking vreemdelingenketen Als gevolg van ontwikkelingen in de kleine keten zijn uitvoeringsorganisaties intensiever gaan samenwerken en synergievoordelen gaan benutten. Deze voordelen zitten met name vooraan in de processen van de keten. Zo kunnen opvanglocaties met col- en pol functies van het COA en aanmeldlocaties van de IND op hetzelfde terrein worden gesitueerd. DT&V en IND maken op dit moment, waar mogelijk, gebruik van gezamenlijke werkplekken op locaties van het COA (alleen indien er ruimten beschikbaar en bruikbaar zijn). Hierbij is herkenbaarheid voor onze bewoners wenselijk. Dit zou bereikt kunnen worden door onder andere kleurdifferentiatie aan te brengen tussen de diensten. Bij voorkeur zijn de diverse diensten in afzonderlijke afdelingen gesitueerd.

6

1.6.1

Convenanten Met externen heeft COA in het verleden convenanten voor ruimtegebruik op onze opvanglocaties afgesloten. Hierin worden ruimtegebruik en verplichtingen benoemd die partners over en weer naar elkaar hebben. In de ruimtestaat worden de partners benoemd waarvoor COA de verplichting is aangegaan om hen werkplekken te bieden. Partners die niet worden benoemd in de ruimtestaat, maar toch werkplekken wensen op onze opvanglocaties, treden hiervoor in overleg met de projectregisseur van Huisvesting. Dan kan op bestaande locaties bezien worden of er ruimten geschikt zijn voor eventueel gebruik. Momenteel heeft het COA geen verplichting om voor externen ruimten te bouwen. Binnenkort wordt een projectgroep opgericht die zich met de herziening van de oude convenanten gaat bezighouden. Mochten andere verantwoordelijkheden als gevolg hiervan ontstaan, worden deze in een aangepast PvE opgenomen.

1.7

Evaluatie en revisie Programma’s van Eisen Het RFPvE en het TPvE worden periodiek gereviseerd. Op basis van relevante informatie en signalen uit de politiek-, bestuurlijke organisatie, ontwikkelingen in vingerende wet- en regelgeving, dan wel interne ontwikkelingen binnen onze organisatie, kunnen reden zijn om een revisie uit te voeren. Dit wordt echter in alle gevallen gedaan in samenwerking en afstemming met andere afdelingen binnen onze organisatie. De verantwoordelijkheid voor dit onderhoud ligt bij de afdeling Vastgoed en Facilitair.

1.8

Leeswijzer Dit document is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 geeft een inleiding waarin onder andere worden beschreven: de aanleiding, opzet en de totstandkoming van het document. Hoofdstuk 2 beschrijft het gehele opvangproces. De omschrijving betreft het moment dat een vreemdeling asiel aanvraagt tot het moment dat deze of een woning krijgt of het land verlaat. Hoofdstuk 3 geeft de eerste richtlijnen aan van het RFPvE in de vorm van kaders. Deze kaders variëren van beleidsmatige- en kwalitatieve kaders tot financiële- en wetgevende kaders. Missie visie en strategie en algemene uitgangspunten. Voorts komen belangrijke pijlers van het COA aan de orde. Hoofdstuk 4 beschrijft de locatieopzet. Hierin wordt globaal de opzet van een locatie beschreven; hoe de onderlinge samenhang en bereikbaarheid is, welke functies er zijn en hoe die zich tot elkaar verhouden. Hoofdstuk 5 beschrijft de ruimtelijke invulling per type opvang. Hierbij worden per opvangmodaliteit de bijzonderheden en ruimtelijk functionele eisen beschreven. Hoofdstuk 6 beschrijft tenslotte het welzijn en het goed functioneren van de mens in zijn omgeving. Hoe een doordacht kleurgebruik een positieve invloed heeft op sfeer in een ruimte; een gebouw en op de gemoedstoestand van de gebruikers.

7

2.

OPVANGPROCES Bij elke fase van het proces behoort een ander type opvangprogramma, de asielzoeker komt dus met verschillende opvangprogramma’s in aanraking. Paragraaf 2.1 tot en met 2.5 hebben betrekking op meerderjarige vreemdelingen en gezinnen. Zoals in de inleiding aangegeven worden de onderdelen betrekking hebbende op de amv, in een separaat PvE beschreven. Onderstaand schema geeft het proces van de meerderjarige vreemdeling op hoofdlijnen weer, op de volgende pagina’s wordt dit proces nader toegelicht.

ac

Eigen woning

INDaanmeldbalie

col

pol

azc

vbl ibo

glo

Zelfstandig vertrek / land van herkomst / andere bestemming

Verklaring afkortingen: col: centrale ontvangst locatie pol: proces opvang locatie ac: aanmeldcentrum ibo: intensief begeleidende opvang IND: Immigratie en Naturalisatiedienst

2.1

Centrale ontvangst locatie (col)

2.1.1

Proces

azc: vbl: vp: glo:

asielzoekerscentrum vrijheid beperkende locatie vreemdelingenpolitie gezinslocaties

Iedere vreemdeling die asiel wil aanvragen, moet zich registreren in de aanmeldunit van de Vreemdelingenpolitie/ IND. Deze aanmeldunit bevindt zich op of in de directe nabijheid van de col. Asielzoekers komen ook ’s nachts binnen en wachten dan tot de volgende ochtend. Dan start de aanmeldprocedure die in totaal vier uur in beslag neemt. Tevens vindt er een tbc-screening plaats. Omdat de vreemdeling op ieder tijdstip kan arriveren, is het mogelijk dat hij/ zij moet overnachten. Het COA faciliteert in die situatie alleen een eenvoudige voorziening, zoals stoelen en een babyruimte. De vreemdeling verblijft veelal twee tot drie dagen op de col.

2.1.2

Specifieke kaders In Nederland zijn momenteel meerdere col locaties gerealiseerd. De grootste bevindt zich in Ter Apel. Het korte verblijf van de asielzoeker op de col stelt aangepaste eisen aan de locatie.

8

De voeding wordt verzorgd door middel van catering. Op deze locaties worden voorlichtingsactiviteiten en gesprekken door het COA georganiseerd om de asielzoeker kennis te laten maken met verblijf, veiligheid en het proces. In de col vindt ook de ‘Verkorte medische intake ’plaats om mogelijke gezondheidsrisico’s voor de asielzoeker of zijn omgeving te beperken: Alle asielzoekers krijgen een medische intake aangeboden. Men kan weigeren; De medische intake mag de doorstroomsnelheid van de vreemdelingenprocedure op de col niet vertragen; De col bevat een ruimte ten behoeve van de eerste verstrekking. Tevens is op de col een registratieruimte ten behoeve van de IBIS-invoer benodigd. De aanwezige ketenpartners op een col zijn: Vreemdelingenpolitie, IND, GZA en de GGD (ten behoeve van de tbc-screening).

2.2

Proces opvang locatie (pol) Op een pol verblijven de asielzoekers idealiter 15-22 werkdagen, dus circa vier weken.

2.2.1

Proces In de asielprocedure is rust- en voorbereidingstijd gecreëerd voor asielzoekers. Deze vindt plaats voordat de betrokken asielzoeker zijn aanvraag heeft ingediend. Beoogd wordt dat de asielzoeker zich in deze periode in rust voorbereidt op de indiening van de asielaanvraag en daarmee de totale procedure verkort. De rusttijd start in de col en wordt voortgezet in de pol. Hiervoor is het COA afhankelijk van de doorlooptijd die de IND nodig heeft. Gedurende deze periode biedt het COA onderdak en begeleiding. De verblijfstijd in de pol is onderverdeeld in twee fasen. In de eerste fase wacht de asielzoeker tot het moment dat hij/ zij toegelaten wordt tot de algemene asielprocedure (AA). In de tweede fase is de asielzoeker al toegelaten tot AA. De doorstroom vanuit een col naar een pol is nagenoeg 100%. Fase 1 Een asielzoeker wordt in de een rust- en voorbereidingstermijn, mede door VWN bijgestaan. De COA-activiteiten beperken zich in deze fase tot het geven van groepsvoorlichting. De asielzoeker die net in Nederland is aangekomen, krijgt te maken met aspecten binnen de opvang en in de Nederlandse samenleving die hem vreemd zijn. Het COA besteedt aandacht aan de essentiële en basale aspecten binnen de opvang en de Nederlandse samenleving. Dit geeft duidelijkheid, rust en komt de leefbaarheid en veiligheid op de locatie ten goede.

Op deze locatie wordt door FMMU (Forensisch Medische Maatschappij Utrecht) een sociaal-medisch advies gegeven over de asielzoeker aan de IND (voorheen Medifirst). Dit onderzoek valt onder verantwoordelijkheid van de IND. Met het door de FMMU opgestelde medisch advies kan de asielzoeker worden beoordeeld op het aangaan van de asielprocedure.

9

Fase 2 In de aanmeldcentra wordt de AA-procedure gestart. Tijdens de AA-procedure verblijft de asielzoeker op een pol. De procedure duurt gemiddeld acht werkdagen. Na de afronding verhuizen de bewoners zo snel mogelijk naar een azc.

2.2.2

Specifieke kaders De pol locaties zijn gesitueerd nabij de aanmeldcentra van de IND. De reistijd tussen de pol en het aanmeldcentrum bedraagt, idealiter, niet meer dan dertig minuten. Tevens moet openbaar vervoer aanwezig zijn op dertig minuten lopen van de pol. De pol biedt voorzieningen die voor een deel overeenkomen met een azc. Deze voorzieningen worden ook door andere organisaties dan het COA gebruikt. Voor een asielzoeker verschilt het verblijf in een pol-locatie nauwelijks met een azc. Er wordt zelfstandig gekookt. Eveneens worden spullen voor persoonlijk onderhoud uitgereikt. De aanwezige ketenpartners op de pol zijn: VWN, IND en GZA.

2.3

Asielzoekerscentrum (azc)

2.3.1

Proces Op het azc verblijven asielzoekers die de AA hebben afgerond, ongeacht of het asielverzoek is afgewezen; de verlengde asielprocedure wordt gevolgd; of een vergunning tot verblijf is ontvangen. De verblijfstijd op het azc is afhankelijk van de beslissingen over het vergunningshouderschap. In geval van afwijzing zijn de verblijfstijden afhankelijk van het moment waarop dit besluit valt en de mogelijke vervolgprocedures. De kenmerken van het verblijf zijn afhankelijk van onder meer: • Iemand die in de AA is afgewezen heeft een verwachte verblijfstijd van circa vier weken. • In opdracht van het ministerie werkt het COA aan de uitwerking van maatregelen om het verblijf van de vergunninghouder in de opvang te beperken tot gemiddeld 3-6 maanden; • De asielzoeker voor wie geldt dat de asielaanvraag in de verlengde asielprocedure wordt afgewezen, mag de uitspraak in de rechterlijke procedure tegen deze negatieve beslissing in de opvang afwachten. Na een negatieve uitspraak in de rechterlijke procedure mag hij nog 28 dagen in de opvang verblijven. • In een azc wordt de bewoner een programma aangeboden dat afhankelijk is van de stand van zijn asielprocedure. Vergunninghouders volgen het programma in de inburgeringfase. • Bewoners die een negatief besluit hebben ontvangen in de asielprocedure, stromen de terugkeerfase in.

• Naast het COA, voert ook de DT&V een beperkt aantal vertrekgesprekken met de bewoner. • Voor ouders met opvoedingsvraagstukken worden in het kader van ondersteuning in de opvoeding, aanvullende programma’s georganiseerd. • Buiten de fase specifieke begeleiding krijgen de bewoners verschillende vormen van voorlichting gericht op het verhogen van veiligheid en leefbaarheid op- en buiten de locatie.

2.3.2

Specifieke kaders Op sommige azc’s worden naast de reguliere doelgroep ook andere doelgroepen opgevangen. Hier valt te denken aan alleenstaande minderjarige vluchtelingen (amv) en intensieve begeleidende opvang

10

(ibo). De azc’s bieden asielzoekers een langer verblijf als in de col pol en daarmee verschilt deze opvangvorm zich van andere opvangvormen mede in het aanbod in begeleiding en voorbereidend Nederlands. Het aanbod van activiteiten is meer gericht op de zelfredzaamheid van de asielzoeker. De asielzoeker zorgt zelf voor zijn persoonlijke voorzieningen. Ontvangt hiervoor eet-, kleed- en zakgeld. In de contacten met de COA-medewerkers wordt er veel aandacht geschonken aan het integreren en laten kennismaken met de Nederlandse samenleving. De meldplicht/ inhuisregistratie is eenmaal per week. De aanwezige partners op een azc zijn: VWN, GZA.

2.4

Vrijheid beperkende locatie (vbl)

2.4.1

Proces Als een vreemdeling volgens de Nederlandse wet geen recht heeft op opvang in een asielzoekerscentrum en hij kan nog niet in vreemdelingenbewaring worden geplaatst, dan wordt de vreemdeling geplaatst in en vrijheid beperkende locatie (vbl). Zij verblijven daar op basis van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000. De bewoners van de vbl zijn bezig met zelfstandig vertrek uit Nederland. Terugkeer is voor deze groep het enige perspectief. Er is een dagelijkse meldplicht/ inhuisregistratie (uitgezonderd zon- en feestdagen) en eenmaal per week wordt de verplichte meldplicht uitgevoerd door de vreemdelingenpolitie. Deze asielzoekers mogen zich niet buiten de gemeentegrenzen begeven van de plaats waar de opvang gevestigd is. De gewenste verblijfsduur is maximaal twaalf weken. Op deze locatie vinden ten minste een intakegesprek met de COA-casemanager en een intakegesprek met de COA-programmabegeleiders plaats, alles is gericht op terugkeer naar het land van herkomst. De DT&V ondersteunt hierbij, evenals de IOM. De bewoners ontvangen geen RVA op de vbl locatie. Het recht op opvang is formeel beëindigd. Een vbl is daarom een onderdaklocatie en geen opvanglocatie. Verzoeken voor over- en terugplaatsing worden niet gehonoreerd, vergoeding van buitengewone kosten vindt niet plaats en vergoeding van medische kosten alleen op basis van medisch noodzakelijke zorg.

De ROV is niet van toepassing in de vbl. In de vbl Ter Apel is als gevolg van de lokale situatie, gekozen voor onderwijs op locatie voor leerplichtigen. In afstemming met de beleidsadviseur van Uitvoeringsprocessen (d.d. 26-08-2019) blijkt dit niet verplichtend te zijn voor te ontwikkelen vbl-locaties.

2.4.2

Specifieke kaders Voor de vbl gelden voor de huisvesting geen specifieke voorzieningen. DT&V voert voor de vbl bewoners werkprocessen uit. Veelal verzoekt de DT&V om werkplekken. Dit is slechts mogelijk wanneer daarvoor ruimten vrij staan en geschikt zijn. Dan vindt hier onderling overleg plaats met DT&V, de projectregisseur en de locatiemanager. Voor deze opvangmodaliteit zijn de volgende ketenpartners aanwezig: GZA

11

2.5

Gezinslocatie (glo)

2.5.1

Proces Een gezinslocatie is een vrijheid beperkende locatie met als verbijzondering de aanwezigheid van minderjarige kinderen. De doelgroep bestaat uit asielzoekers met minderjarige kinderen voor wie de asielprocedure is afgerond. Zij zijn uitgeprocedeerd. Ook gezinnen met minderjarige kinderen die nog een procedure hebben lopen (reguliere of herhaalde aanvraag) maar waaraan geen recht op opvang is verbonden en waarvan door DT&V is beoordeeld dat het vertrek niet binnen twaalf weken is te realiseren, verblijven hier. Terugkeer is in deze opvangmodaliteit het enige perspectief. Er is een dagelijkse meldplicht /inhuisregistratie (uitgezonderd zon- en feestdagen) en eenmaal per week wordt de verplichte meldplicht uitgevoerd door de vreemdelingenpolitie. Deze asielzoekers mogen zich niet buiten de gemeentegrenzen begeven van de plaats waar de opvang gevestigd is. De verstrekkingen aan kinderen zijn dezelfde als die in een azc. De verstrekkingen aan ouders komen te vervallen, zij ontvangen slechts het eetgeld. De RVA is hierop dus niet van toepassing. Vergoedingen voor reiskosten worden niet uitgekeerd, uitzondering zijn kosten voor noodzakelijk medisch geïndiceerd vervoer. Ouders zorgen voor hun kinderen, er is geen kinderopvang of crèche op de glo. De leerplichtige kinderen volgen onderwijs en dit wordt dan ook geboden.

Het verblijf in een glo eindigt zodra het jongste kind 18 is geworden of wanneer vertrek naar land van herkomst mogelijk is.

2.5.2

Specifieke kaders Voor de glo gelden in gebouwopzicht geen specifieke voorzieningen, er wordt qua ruimten eenzelfde bouwmaat gerealiseerd als een azc. Het omklappen naar andere opvangmodaliteiten is daarmee mogelijk. Wel worden er minder voorzieningen aangeboden. Leslokalen worden niet gebruikt, maar worden omgevormd tot aangepaste speelruimten en voor de jeugd is er een jeugdhonk en eventueel een activiteitenruimte. Vanwege de dagelijkse meldplicht/ inhuisregistratie is een goede logistieke doorloop in deze ruimte een vereiste. Ingaande en uitgaande ‘verkeersstromen’ dienen gescheiden te worden. Door de aanwezigheid van een groot aantal kinderen in de glo zijn er meer wasmachines en drogers opgesteld (1:12 i.p.v. 1:16)

2.6

Beschermde opvang (bo) In deze opvangvorm worden alleenstaande minderjarige vreemdelingen opgevangen die mogelijk slachtoffer zijn of dreigen te worden van mensenhandel. Bij aankomst op Schiphol worden jongeren door de Koninklijke Marechaussee en de IND gescreend op signalen die wijzen op het risico op verdwijning en/of uitbuiting. Op basis daarvan wordt onder verantwoordelijkheid van het Nidos besloten of de jongere voor de beschermde opvang in aanmerking komt. De beschermde opvang bestaat uit kleinschalige woongroepen. Om vermissing zoveel mogelijk te voorkomen staan zij in ieder geval gedurende de eerste periode (drie maanden) van deze beschermde opvang, 24 uur per dag onder toezicht. Ook als zij naar school gaan of bijvoorbeeld boodschappen doen. De begeleiding van deze doelgroep is erop gericht hun kennis te vergroten en vaardigheden en weerbaarheid te ontwikkelen. In dit opzicht worden zij ook nadrukkelijk voorgelicht over mensenhandel, uitbuiting en prostitutie.

12

Deze beschrijving is voor de volledigheid opgenomen in het RFPvE, maar hiervoor zijn geen aparte ruimtestaten opgenomen.

2.7

Intensief begeleidende opvang (ibo)

2.7.1

Kaders De opvanglocatie voor asielzoekers met probleemgedrag is geconcentreerd op locatie te Schalkhaar. In de ibo verblijven asielzoekers die na een intakeprocedure vanuit een andere opvang, tijdelijk in de ibo zijn geplaatst. Doel van het verblijf op de ibo kan diverse doelstellingen hebben, namelijk: 1. Het versterken van competenties en vaardigheden van de bewoner zodat terugplaatsing in het azc weer mogelijk is; 2. Observatie om te beoordelen of een bewoner al dan niet moet worden doorverwezen naar de 3e lijn; 3. Langdurig verblijf op de ibo met intensieve begeleiding en/of behandeling om van hieruit uitgeplaatst te worden (dan wel naar een woning in geval van statushouders, dan wel in samenwerking met DT&V en vp terugkeer naar land van herkomst). Uitgangspunt van de indicatie voor plaatsing is dat deze plaatsing leidt tot een beter beeld van de persoon waardoor deze in de opvang kan terugkeren en hier (met de juiste aanpak) weer redelijk tot goed kan functioneren. Dit eventueel aangevuld met lokale ondersteuning (thuiszorg, ambulante GGZ en dergelijke) Specifieke kaders De ondersteuning van de GGZ-instelling (DIMENCE) voor ibo, vraagt om extra werkplekken Een aparte groep wordt gevormd door de crisisplaatsingen. Fase 1 De asielzoeker die in de eerste fase wordt opgevangen, verblijft op één afzonderlijke afdeling, op een 1-persoonskamer.

Er zijn 16 éénpersoonskamers op de afdeling alsmede een groeps-, woonkamer en een gemeenschappelijke keuken waar eventueel onder begeleiding wordt gekookt. De COAmedewerkers hebben hier centraal hun werkplek, met zicht op de gangen. Er zijn twee kantoren. Eén kantoor is 24/7 bezet en biedt m.n. zicht op de gangen/ afdeling, het andere is een kantoor voor management gesprekken/aansturing van het team. De afdeling is uitgerust met cameratoezicht. Vanuit de werkruimte zijn alle beelden van de diverse camera’s te observeren en is er zicht op de ernaast gelegen spreekkamers. Hier bevindt zich eveneens een balie. Zien en gezien worden zijn belangrijke aspecten in deze opvangmodaliteit. Dit vormt mede de basis voor veiligheid, voor bewoners alsook voor personeel. Fase 2&3 Slaapvertrekken bestaan uit 2 en 3-persoonskamers. Er bevindt zich ook een zogenaamde gezinskamer. Deze wordt gebruikt om de asielzoeker met onaangepast gedrag te begeleiden wanneer deze deel uit maakt van een sociale eenheid. De totale afdeling biedt plaats aan 34 personen. Er is een gezamenlijke keuken. Er zijn twee werkplekken voor de COA-medewerkers. Zij zijn hier niet 24 uur aanwezig. Het maken van keuzes in het specifieke gebruik van de afdelingen, levert voor de iboopvang de beste werkwijze en beheersbaarheid.

13

Keuken Deze dient om veiligheidsredenen afgesloten te kunnen worden tussen 22.00-06.00 uur.

14

3.

KADERS De kaders geven het raamwerk waarbinnen zowel het Ruimtelijk Functioneel-, als het Technisch Programma van Eisen ontwikkeld zijn. Zij zijn bepalend bij de interpretatie en verdere uitwerking van de eisen in ontwerpen en zijn geschreven op basis van vastgesteld beleid.

3.1

Missie & visie De missie en visie van de afdeling Vastgoed en Facilitair zijn als volgt geformuleerd: De afdeling Vastgoed en Facilitair is binnen het COA verantwoordelijk voor de ontwikkeling, realisatie en ontmanteling van opvanglocaties. Hiermee leveren we een bijdrage aan de brede COAdoelstellingen. We realiseren de opvanglocaties volgens vastgestelde kaders zodat uniformiteit ontstaat. Deze kaders bestaan uit (minimale) kwaliteitseisen ten aanzien van leefbaarheid, veiligheid- en gezondheidsnormen, waarbij we maatwerk niet uit het oog verliezen. Bij de ontwikkeling van opvanglocaties houden we rekening met de balans tussen de belangen van de bewoner en die van onze organisatie.

3.2

Strategie De vraag naar asielopvang fluctueert sterk en het aanbod van opvanglocaties is wisselend. Het COA richt zich in toenemende mate op strategisch vastgoedbeheer waarbij deze fluctuaties opgevangen kunnen worden door flexibele huisvesting. Dat betekent dat zij inspeelt op trends en ontwikkelingen die van invloed zijn op de vastgoedcapaciteit. Het COA streeft hierbij naar het ontwikkelen van een vastgoedvoorraad, die probleemloze opvang van asielzoekers in een veilige en beheersbare omgeving mogelijk maakt voor nu en in de toekomst.

3.3

Organisatie Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is opdrachtgever van het COA. Binnen het COA is Opvang & Begeleiding de gebruiker van de locatie en de afdeling Vastgoed en Facilitair verwerft, realiseert en beheert de locaties. Daarnaast is de stafafdeling concern-control belast met de financiële kaderstelling en is zij de toetsende partij. Zoals in hoofdstuk 2 is beschreven wordt het opvangproces georganiseerd in samenwerking met diverse ketenpartners en overige partijen die hieronder zijn weergegeven. Het COA faciliteert (onder bepaalde voorwaarden) de partijen aangegeven met een * op locatie: • Gezondheidszorg (GZA/GGD)* • Vluchtelingenwerk Nederland (VWN)* • Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V)* • Beveiliging- en receptieorganisatie (Trigion)* • Vreemdelingenpolitie (Avim) • International Organization for Migration (IOM) • Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND)

15

3.4

Beleidsmatig kader In deze paragraaf worden een aantal onderwerpen behandeld die een belangrijke rol spelen bij het COA en waar in het verleden beleid voor is ontwikkeld. Het zijn onderwerpen die te maken hebben met het specifieke karakter van opvang van asielzoekers.

3.4.1

Kinderen in de opvang Kinderen zijn een kwetsbare groep in de opvang, die extra aandacht verdient. De lezer van dit PvE dient zich hiervan bewust te zijn. Het COA wil zorgdragen voor het creëren van een veilige omgeving waarin een kind zich kan ontwikkelen. Een aantal uitgangspunten hierbij zijn: • Ouders en/of verzorgers van het kind blijven eerstverantwoordelijken voor het kind; • Het belang van het kind vormt altijd een overweging bij het nemen van beleidsbeslissingen en uitvoeringsbeslissingen; • Het COA draagt zorg voor het creëren van een veilige omgeving; • Het COA draagt zorg voor een omgeving waarin het kind zich kan ontwikkelen; • Op locaties waar veel kinderen aanwezig zijn wordt extra aandacht besteed aan voorzieningen (activiteitenruimtes speciaal voor kinderen en voldoende speelplekken/ speeltuinen buiten). Naast kinderen worden ook vrouwen als kwetsbare groep beschouwd. Mede daardoor moeten douches en toiletruimten afsluitbaar zijn. Deze mogen bovendien geen inkijkmogelijkheden hebben, evenals de activiteitenruimten voor vrouwen, slaapkamers en woonkamers.

3.4.2

Brandveiligheid Asielzoekers zijn niet altijd bekend met, of zich bewust van de gevaren van brand. Daarnaast is sprake van een hoge dichtheid van bewoners binnen een gebied of gebouw. Dit vraagt extra aandacht voor de brandveiligheid en vluchtwegen. De specifieke eisen omtrent brandveiligheid staan benoemd in het technisch programma van eisen.

3.4.3

Legionella Het COA is een prioritaire instelling zoals bedoeld in het Drinkwaterbesluit. Dit stelt specifieke eisen aan het ontwerp en het gebruik van drinkwaterinstallaties. De locaties dienen met betrekking tot drinkwaterinstallaties en legionella te voldoen aan de geldende wettelijke vereisten en voorschriften alsmede van toepassing zijn de normen en richtlijnen. Voor inhoudelijke informatie wordt verwezen naar het TPvE.

3.4.4

Mindervalide asielzoekers (miva) De opvang van minder valide asielzoekers die zelfredzaam zijn, wordt uitgevoerd door het COA. Hiervoor zijn ‘miva-woningen’ gebouwd. Het uitgangspunt hierbij is dat twee woningen op de 400 opvangplekken geschikt zijn voor de opvang van mindervaliden op de begane grond. De beschikbare capaciteit in deze woningen wordt optimaal benut door bijplaatsing van bewoners op de resterende vrije plaatsen (technische capaciteit per standaard woonunit = 8). Het COA vangt geen miva op die niet zelfredzaam zijn. Hiervoor worden zorg verlenende instanties ingeschakeld.

16

3.5

Kwantitatief kader

3.5.1

Landelijk Het vaststellen van het aantal benodigde opvangplaatsen wordt bemoeilijkt doordat de in- en uitstroom sterk fluctueert. De instroom wordt voornamelijk bepaald door ontwikkelingen buiten Nederland, die zich vaak onverwacht voordoen. De uitstroom wordt beïnvloed door het verloop van de procedures, taakstelling van projectgroepen en het aanbod van woningen. Deze fluctuatie wordt opgevangen door de beschreven flexibiliteit. Het COA is een landelijke organisatie. De opvanglocaties liggen verspreid over het land. Asielzoekerscentra moeten in de buurt van voorzieningen gelegen zijn. Daarbij wordt gestreefd naar een spreiding gelijkmatig over het land in zowel binnen- als buiten stedelijk gebied.

3.5.2

Locatie en gebouw De omvang (capaciteit) van een opvanglocatie ligt niet vast, deze wordt immers mede bepaald door de situatie ter plekke. In het nieuwe regeerakkoord wordt gestreefd naar lokale afstemming en toetsing op draagvlak van de gemeenschap. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt wordt gestreefd naar (nieuwbouw)locaties van minimaal 600 plaatsen. De ervaring is dat de TCO bij grotere locaties efficiënter is. Bij bestaande bouw of herontwikkeling wordt, gezien de beperkingen, een lagere capaciteit geaccepteerd. Hier ligt de ondergrens op 450 opvangplaatsen. Maar in extreme gevallen zoals bij hoge capaciteitsnood worden eveneens (tijdelijke) centra van 300 opgenomen in de portefeuille. Bovenal zijn de gemaakte afspraken met de gemeente bepalend voor de omvang van een locatie. De sfeer en uitstraling van een locatie beïnvloeden mede de leefbaarheid. De afspraken over de omvang van het aantal opvangplekken zijn vastgelegd in de bestuursovereenkomst met de gemeente.

3.5.3

Ruimteniveau Voor het bepalen van de minimale afmetingen van ruimten is het vigerende Bouwbesluit maatgevend. In dit ruimtelijk functioneel programma van eisen wordt uitgegaan van een verblijfsruimte bij wonen van 5 vierkante meter1 per persoon met als uitzondering de gebruiksoppervlakte van de eenpersoonsslaapkamers van 5,3 vierkante meter, dit in verband met de minimale lengte- en breedtemaat van de kamer op basis van de buitenmaten van het bed. Het Bouwbesluit kent verschillende gebruiksfuncties van gebouwen, die elk andere eisen stellen aan onder andere afmetingen en brandveiligheid. In de regel wordt voor de opvanglocaties uitgegaan van de woonfunctie. Dit betekent dat iedere woning dient te beschikken over een woonkamer van minimaal 11 vierkante meter bij een minimale breedte van 3 meter. De logiesfunctie beschikt niet over een woonkamer, de oppervlakte hiervan wordt verdeeld over de slaapkamers, deze wijken daarom iets af van de functie wonen. De exacte oppervlakten staan vermeld in de ruimtestaat (hoofdstuk 7).

1

De metrages in dit RFPvE zijn genoemd in m² nuttig vloeroppervlakte. Voor een vertaling naar bruto vloeroppervlakte wordt een factor 1,5 gehanteerd.

17

3.6

Financieel kader Uitgangspunt voor het financiële kader is de kostprijsvergoeding die het COA krijgt van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de opvang van asielzoekers. De investeringen in vastgoed worden beoordeeld op bedrijfseconomische doelmatigheid, doeltreffendheid op de lange termijn en gekeken wordt naar de integrale kosten over de totale gebruiksperiode: de zogenaamde ‘Total Cost of Ownership’.

3.7

Wetgevend kader Alle opvanglocaties moeten minimaal voldoen aan wet- en regelgeving waaronder het Bouwbesluit. De gemeente/ provincie stelt een bestemmingsplan vast en hierbij worden mogelijke gebruiksfuncties aangegeven. Het COA vraagt een gebruiksfunctie aan waarbij de woonfunctie het uitgangspunt is. Naast de woonfunctie kan in logiesfunctie worden voorzien. In bestaande situaties als een gebouw reeds een logiesfunctie heeft of in nieuwe situaties waarbij logiesfunctie kan worden aangevraagd, mocht het gebouw en de omstandigheden zich hier beter voor lenen dan een woonfunctie. Voorts kent het Bouwbesluit voor de opvang van asielzoekers enkele vrijstellingen: Een berging is niet verplicht; Een buitenruimte is niet verplicht; Er is een uitzondering gemaakt met betrekking tot de eisen om “overbevolking” tegen te gaan. Voor zover de eisen in het RFPvE en TPvE lager zijn dan het wettelijk vereiste niveau, is het wettelijk vereiste niveau bepalend. Het COA dient direct van de afwijking op de hoogte te worden gesteld.

3.8

Uitgangspunten De kwaliteitsverbetering in de vastgoedportefeuille is gebaseerd op drie belangrijke pijlers van het COA: 1. Veiligheid; 2. Leefbaarheid; 3. Beheersbaarheid. Bovenstaande pijlers dienen verenigd te worden met de volgende uitgangspunten: 4. Duurzaamheid; 5. Flexibiliteit; 6. Betaalbaarheid.

3.8.1

(Sociale) veiligheid Wat betreft de veiligheid kan deze in hoofdlijnen opgesplitst worden in de veiligheid van de asielzoeker en de veiligheid van het personeel. Veiligheid asielzoekers De ontwerper dient zich er bewust van te zijn dat asielzoekers uit zeer verschillende culturen komen en daarmee niet gewend zijn aan zaken die in Nederland gebruikelijk zijn. Zo is open water niet wenselijk omdat veel asielzoekers geen zwemdiploma hebben en moeten apparaten eenvoudig te bedienen zijn. Voorts mogen gebouwen, of onderdelen van gebouwen niet opklimbaar zijn. Kortom, er dient ontworpen te worden met een bewustzijn dat alles extra eenvoudig en veilig moet zijn.

18

Sociale veiligheid wordt voor de asielzoeker gerealiseerd door in de gebouwen overzicht, en een vriendelijke- en toegankelijke uitstraling te realiseren. Geen onoverzichtelijke, donkere gangen. Trappen waar spiegels zijn opgehangen om onverwacht en ongewenste contacten te voorkomen. De beveiliging van het centrum zelf, zoals permanente bewaking en plaatsing van eventuele hekken zijn in tegenstelling tot wat mensen vaak denken niet gericht op het binnenhouden van de asielzoeker, maar is juist meer gericht op het beschermen van de asielzoekers tegen ongewenste personen van buiten, bijvoorbeeld personen die asielzoekers ‘ronselen’. Het terrein, maar ook de toegangen van gebouwen dienen zo min mogelijk verholen hoeken of plekken te kennen waar men zich kan verbergen. Tegelijkertijd moet het wel leefbaar zijn. Dus geen kale vlakte, zichtlijnen moet niet-onderbroken zijn en de toegang van gebouwen dienen (zoveel mogelijk) vanuit een centraal punt te overzien zijn. Veiligheid personeel COA houdt rekening met de mogelijkheid dat er incidenten kunnen optreden daarom zijn er een behoorlijk aantal maatregelen om het personeel te beschermen en incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit heeft o.a. te maken met de omstandigheden, zoals het feit dat asielzoekers soms getraumatiseerd zijn, dan wel boos of wanhopig als de asielprocedure niet gunstig voor ze verloopt.

De veiligheid van personeel wordt in belangrijke mate gewaarborgd door logistieke maatregelen. Zo zijn er toegankelijkheidszones waar asielzoekers niet of slechts op verzoek mogen komen, zoals bij een afspraak met een arts. Uiteraard zijn er ook zones die geheel toegankelijk zijn, zoals recreatieruimtes en de ‘eigen’ woning. Het is van belang dat wij onze bewoners kennen zodat we vroegtijdig risico’s kunnen inschatten. Hiervoor maken wij bijvoorbeeld gebruik van de 6-domeinen methodiek. Bij dat alles zorgen we dat het belang van de bewoner in balans blijft met het belang van de medewerker. De COA-medewerker wordt getraind om de eigen veiligheid hoog in het vaandel te houden. Iedere locatie is verplicht om een Risico, Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) te maken. De RI&E voorziet in een uiteenzetting van de belangrijkste risico’s die op locatie gelopen wordt tijdens ons werk en welke maatregelen er zullen worden genomen om de geconstateerde risico’s aan te pakken. De overige maatregelen zijn vooral technisch van aard zoals (elektronische) sluiting van deuren, een portofoonsysteem, vluchtwegen en alarmering op spreekkamers etc. Zie hiervoor het Technisch PvE.

3.8.2

Leefbaarheid Het COA is bij wet belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers in een opvangcentrum. Het uitgangspunt hierbij is dat de opvang sober doch humaan is maar niet onderdoet voor de kwaliteit van de voorzieningen zoals in Nederland in het algemeen gebruikelijk. In die zin is er een sterk vergelijk met de sociale woningbouw; eenvoudig, betaalbaar en leefbaar. COA dient dan ook te voldoen aan het Bouwbesluit, m.u.v. de punten zoals beschreven in § 3.7. In de visie van het COA is de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de asielzoeker cruciaal. Onderzoek heeft aangetoond dat een prettig woon- en leefklimaat een voorwaarde is voor het nemen van verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. Hierbinnen worden een aantal speerpunten benoemd: o Privacy: asielzoekers hebben behoefte aan privacy, dit is onder andere vertaald in het hebben van een eigen afsluitbare kamer, maar ook bijvoorbeeld in de toepassing van glas. In de woning wil

19

o

o

o

3.8.3

de asielzoeker van buitenaf niet zichtbaar zijn, dus grote doorzichtige glasvlakken zijn niet wenselijk, dit wordt in de praktijk onmiddellijk afgeplakt. Herkenbaarheid: herkenbare architectuur is van belang voor het geheel, maar ook de herkenning van de eigen woning en/of slaapkamer. Het moet eenvoudig (sober) zijn, maar tegelijkertijd menselijk en van een menselijke schaal (‘Buurtjes of wijkjes’ vergroten de leefbaarheid en nemen de massaliteit weg op grotere centra zoals b.v. gerealiseerd in Ter Apel). Kleurgebruik: wat het COA uitdrukkelijk niet wil, zijn anonieme woonkazernes. Variatie is van belang en kan onder andere gezocht worden in steenkeuzes, kleuren, metselverbanden, details, versprongen gevels, et cetera. Een goed en doordacht kleurgebruik heeft een positieve invloed op de sfeer in een ruimte en de gemoedstoestand van de gebruikers. Dit doen we door te zorgen dat de ruimtes een betere aansluiting vinden op de doelgroep, met de focus op kleur en beleving. De kleurkeuze voor de gebouwen is bepaald per functie. Het oriënteren op de locatie wordt voor alle gebruikers maar met name voor kleine kinderen, vereenvoudigd. Voor het terrein geldt dat het kleurgebruik versterkend dient te zijn aan het leefklimaat; een prettig verblijf in de buitenruimte, maar eenvoudig te onderhouden en veilig. Zie hiervoor eveneens hoofdstuk 6.

Kwaliteit: kwaliteit van de omgeving, beïnvloedt het gedrag van de gebruiker. Dit gaat niet alleen op voor de eerdergenoemde menselijkheid en herkenbaarheid, maar geldt ook voor de onderhoudsstaat. Een omgeving die schoon en heel is, nodigt uit tot positief gedrag. Vanwege het intensieve gebruik dient elke plek binnen of buiten robuust en molestbestendig te zijn, bij schade of vervuiling moet dit eenvoudig bij te werken zijn.

Beheersbaarheid De kerntaak van het COA is het binnen de kaders en uitgangspunten, opvangen van asielzoekers. Daarbij hoort het zo goed mogelijk huisvesten van asielzoekers (de materiële opvang), zodat de gebruiker, het personeel, zich zoveel mogelijk kan concentreren op de immateriële opvang en het begeleiden van asielzoekers. Hoe minder aandacht er gaat naar het beheersen van de huisvesting, hoe beter. Vandaar de eisen voor robuustheid en soberheid zoals hierboven al toegelicht. Als het centrum onvoldoende humaniteit en leefbaarheid beschikt, wordt de beheersbaarheid juist weer lager. Balans tussen robuustheid, eenvoud tegenover menselijkheid, leefbaarheid is dus van belang. Dit gaat op voor zowel bewoners alsook voor personeel. De projectregisseur van de afdeling Vastgoed en Facilitair en de locatiemanager treden hierover in overleg en bepalen deze balans. Beheersbaarheid heeft ook een financieel aspect. Het COA is een maatschappelijke organisatie die in de basis gefinancierd wordt per gehuisveste asielzoeker. Het is daarom zowel maatschappelijk als financieel van belang om de onderhouds- en exploitatiekosten (energielasten) te beperken. Het Gebouw Beheers Systeem (GBS) is een middel om de beheersbaarheid van het centrum te verhogen. Het GBS geeft inzicht in het energieverbruik van onze bewoners, signaleert storingen in de installatie en geeft informatie over waterverbruik.

Deze gegevens zijn voor het COA van belang om een centrum zo efficiënt mogelijk te beheren en te kunnen sturen waar nodig. Maar ook de materiaalkeuzes van de gebouwen en de keuzes in de techniek zijn van groot belang. Ook hier is het COA op zoek naar balans. Uitgangspunt is een duurzaam centrum (zie ook het onderwerp duurzaamheid) maar tegelijkertijd dienen gebouwen en de woning voorzien te zijn van

20

een dusdanige robuuste en eenvoudige techniek, zodat onderhoud en actieve inmenging nauwelijks nodig zijn. Bijkomende factoren; kostenminimalisatie en beheersbaarheid.

3.8.4

Duurzaamheid Het COA is een maatschappelijk betrokken organisatie waardoor duurzaamheid één van de kernwaarden van het huisvestingsbeleid betreft. Duurzaamheid beperkt zich wat betreft de omvang niet alleen tot de bouw van het asielzoekerscentrum, maar ook de inrichting, gebruik en exploitatie van de volledige locatie (vastgoed en terrein) dienen in het kader van duurzaamheid in ogenschouw te worden genomen. Duurzaamheid betekent in dit kader een locatie met een lange levensduur met relatief lage exploitatiekosten en weinig aanpassingen. Er worden scherpe, doch realiseerbare duurzaamheidseisen gesteld die passen binnen de (financiële) projectkaders. Zoals eerder vermeld stuurt het COA actief op het vertalen van duurzaamheidsoplossingen. Anders gezegd, de te nemen duurzaamheidsmaatregelen dienen zichzelf terug te verdienen, waarbij de uiteindelijk totale kosten (TCO) bepalend zijn. Dit is een harde eis. In het technisch programma van eisen wordt dieper ingegaan op deze maatregelen. In 2020 is de ‘Routekaart Verduurzaming Vastgoed COA’ tot stand gekomen, deze routekaart beschrijft de mogelijkheden om de gebouw- en terrein-gebonden CO₂ uitstoot van de bestaande vastgoedportefeuille terug te brengen.

Enerzijds om te voldoen aan de eisen uit het Klimaatakkoord en overige nationale regelgeving, anderzijds omdat het COA dit belangrijk vindt als organisatie met een maatschappelijke functie. Meer informatie over duurzaamheid binnen het COA staat beschreven in de ‘Routekaart Verduurzaming Vastgoed COA’.

3.8.5

Flexibiliteit Het COA heeft te maken met zeer grote fluctuaties in de op te vangen aantallen asielzoekers. Als gevolg van externe invloeden kan vaak niet vooraf bepaald worden welke groepen asielzoekers wanneer in welke procedure zullen verblijven. Dit is één van de belangrijkste redenen dat het COA haar opvanglocaties moet kunnen ‘omklappen’. Hiermee wordt bedoeld dat gerealiseerde huisvesting met minimale aanpassingen, ingezet kan worden voor een andere modaliteit. Opvangcentra zijn zo multifunctioneel beschikbaar voor alle opvangvormen. Zodoende worden onnodige investeringen bij omklappen voorkomen. Voornamelijk in de col en pol opvangmodaliteiten is de instroom direct voelbaar. Aangezien er van deze opvangvormen maar een beperkt aantal zijn. Wanneer een lage instroom aanhoudt zal er een andere opvangvorm worden toegepast op één van deze opvangvormen voor een zo groot mogelijke effectiviteit van beschikbare plaatsen. Bij de herontwikkeling of nieuwbouw van opvanglocaties wordt ook rekening gehouden met de herbestemming. Zo krijgt de locatie een tweede bestemming, na gebruik COA. Tot slot streven we voor locaties in onze vaste portefeuille enige flexibiliteit in de capaciteit te hebben, bijvoorbeeld door bij hoge instroom gebruik te kunnen maken van overcapaciteit op de locatie.

Te denken valt aan leegstaande veldjes waar opvangcapaciteit kan worden gerealiseerd door bijplaatsen van caravans of units, leegstaande afdelingen/ delen van gebouwen. Zo kunnen we beter omgaan met onverwachte capaciteitsgroei.

21

Flexibiliteit dient zich verder te uitten in; • Eenvoudig uitschakelen van de installaties indien een woning tijdelijk buiten gebruik is, rekening houdend met Legionella beheersing; • Weinig dragende binnenwanden van de woningen, zodat een woning mogelijk anders ingedeeld kan worden, mocht dit wenselijk zijn; • Flexibiliteit wat betreft de indeling van de dienstengebouwen, vooral hier vinden relatief veel veranderingen plaats. Dit betekent dat bij het ontwerp rekening gehouden dient te worden met het verplaatsen van wanden en functies. Dit moet terug te vinden zijn in de bouwkundige ontwerpkeuzes, maar ook in de installatietechnische keuzes.

3.8.6

Betaalbaarheid Het is van primair belang dat de totale kosten werkelijk binnen het kostprijsmodel passen en dat er integraal nagedacht wordt over de balans tussen investerings-, exploitatie en onderhoudskosten. Een duurzame locatie vergt hogere investeringen dan een ‘reguliere’ locatie. Deze hogere investering dient dus minimaal terugverdiend te worden door lagere onderhouds- en exploitatielasten.

22

4.

LOCATIEOPZET Bij de locatieopzet speelt een aantal factoren een belangrijke rol, namelijk de herkenbaarheid van de verschillende voorzieningen voor de bewoners, de routing over het terrein en een goed overzicht ten behoeve van de veiligheid op de locatie. Kleurgebruik is eveneens van groot belang (§ 3.8.2 en hoofdstuk 6). In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op het functioneren van een locatie, aan de hand van de diverse functies en aanwezige relaties. De ruimtelijke eisen worden nader beschreven in hoofdstuk 5.

4.1

Relatieschema locatieopzet Zowel voor de veiligheid van de bewoners als de omgeving wordt een locatie bij voorkeur zover als mogelijk omheind. Binnen de omheining zijn diverse functies te onderscheiden, namelijk: - Wonen en logies; - Dienstengebouwen; - Ontvangen; - Opslag; - Speelterrein; - Sportveld; - Activiteiten gebouw; - Parkeren; - Fietsenstalling medewerkers.

Figuur 4.1 In bovenstaand schema zijn de onderlinge relaties weergeven tussen de verschillende functies en activiteiten op het terrein. Dit is een schematische weergave, in de praktijk zijn meerdere situaties mogelijk, van alle functies in één gebouw tot verspreid over het terrein. Dit verandert niets ten opzichte van de onderlinge relaties.

23

4.2

Wonen en logies De voornaamste functie op het centrum is ‘verblijven’, dit kan in de vorm van een woonfunctie of logiesfunctie. Voor nieuwbouw wordt uitgegaan van wonen, bij een herontwikkeling of renovatie wordt de afweging gemaakt tussen wonen of logies, afhankelijk van de locatie eigenschappen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de ruimtelijke verschillen om de juiste afweging te kunnen maken.

4.2.1

Woonfunctie Gebouw Bewoners wonen in zelfstandige eenheden (woningen of appartementen), deze wooneenheden zijn ingericht voor acht bewoners. Hier wordt onderscheid gemaakt in de 8-, en dubbel 4 woonmodaliteit. De douche, toilet, keuken en woonkamer worden gedeeld door maximaal acht bewoners van de desbetreffende wooneenheid. Vanuit de receptie is zoveel mogelijk zicht op de entrees van de woningen. In ieder geval dienen de entrees goed zichtbaar te zijn vanaf de wegen op het terrein.

Wooneenheden In het geval van zelfstandige grondgebonden woningen (huizen) of niet-grondgebonden woningen (appartementen) zijn er drie type woningen te onderscheiden: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14064466/1