22-037 Bijlage 3 - Toelichting Sardijngeulstraat
Tekst van het document
Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR. Veelal wordt hiervoor het gebied gebruikt dat is gelegen binnen de 10-8-contour van het PR (het gebied dat wordt getroffen door een ongeval met een kans van één op honderd miljoen per jaar). Aangezien sommige ongevalscenario’s ook bij (nog) kleinere ongevalkansen nog tot dodelijke slachtoffers kunnen leiden, wordt in die gevallen het gebied gebruikt waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden (de zogenaamde 1%letaliteitsgrens). Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogt om duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico’s die dat transport mag veroorzaken. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water.
Op basis van het Bevt gelden de volgende normen: • De contour van het PR met een kans van 10‐6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De ligging ervan is te vinden in de bijlagen bij de Regeling Basisnet; • Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: - het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of; - het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt, of; - de oriëntatiewaarde wordt overschreden;
27
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
•
Bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.
Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen Op het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene voorschriften waaraan een exploitant van een buisleiding dient te voldoen. Het tweede deel bevat de instructieregels die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. De contour van het PR met een kans van 10‐6 per jaar geldt op grond van het Bevb als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet op grond van het Bevb worden bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in het invloedsgebied van de betreffende buisleiding. De Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) bevat een technische uitwerking van het Bevb. In artikel 2 van de Revb zijn onder andere aardgastransportleidingen met een diameter van 50 mm of meer en een werkdruk van 16 bar of meer aangewezen als leidingen waarop het Bevb van toepassing is. 4.4.2
ONDERZOEK In en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele (potentiële) risicobronnen. Het gaat om: 1. De spoorlijn Roosendaal – Vlissingen 2. Het Kanaal door Walcheren 3. De kerncentrale in Borssele. Spoorlijn Roosendaal - Vlissingen Aan de oostzijde van het plangebied ligt de spoorlijn Roosendaal - Vlissingen. Over de spoorlijn vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Kanaal door Walcheren. De planlocatie ligt niet binnen de 10–6 contour. Het Kanaal door Walcheren is niet in het Basisnet Water opgenomen. Dit betekent dat er geen maatregelen nodig zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Kerncentrale Borssele Aan de Zeedijk 32 in Borssele is een kerncentrale gesitueerd, waar productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water plaatsvindt. De afstand van het plangebied tot de kerncentrale bedraagt ruim 9,5 kilometer. Voor de kerncentrale van Borssele zijn veiligheidsmaatregelen getroffen mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen. Het gebied om de plaats van het ongeval is in drie zones ingedeeld; elke zone heeft een eigen maatregel. Dit betekent bijvoorbeeld voor de kerncentrale in Borssele: evacuatie tot op 5 kilometer van de kerncentrale; slikken van jodiumtabletten tot op 10 kilometer en schuilen tot op 20 kilometer.
Omdat de afstand van het plangebied tot de kerncentrale minder dan 10 kilometer bedraagt, is het plangebied gelegen binnen de zone waarin aan specifieke doelgroepen wordt geadviseerd jodiumtabletten te slikken, mocht zich onverhoopt een ongeval voordoen
28
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
(https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/straling/jodiumtabletten). De kerncentrale vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Verbrugge Zeeland Terminals Deze inrichting is aangewezen als 'niet-categoriale inrichtingen'. Het invloedsgebied van Verbrugge Zeeland Terminals reikt tot 7.200 meter. De geplande nieuwbouw ligt op ruim 4,5 kilometer afstand van Verbrugge Zeeland Terminals. Deze afstand is berekend voor het worstcasescenario (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden, dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland. Hierin staat beschreven, dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. 4.4.3
CONCLUSIE Het plan is door de gemeente reeds aan de Veiligheidsregio Zeeland ter advisering voorgelegd. Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor de realisatie van het bouwplan
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
W ETTELIJK KADER Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid.
Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen
29
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.5.2
ONDERZOEK In de huidige situatie dragen de gronden van het plangebied grotendeels een bedrijfsmatige bestemming. Als gevolg van de planontwikkeling worden ter plaatse van deze bestemming nu woningen gerealiseerd. De ontwikkeling vindt verder plaats in een gebied met voornamelijk woningbouw. Ten noorden van plangebied zijn op grotere afstand zijn een bedrijf en kantoren gesitueerd. Het betreft hier een gemaal en enkele kantoren. Deze activiteiten zijn zo weinig milieubelastend, dat deze direct naast woningen of nabij woningen toelaatbaar zijn.
4.5.3
CONCLUSIE Milieuhinder vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
W ETTELIJK KADER Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.
Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;
30
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
• de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.6.2
ONDERZOEK In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de Regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie tot maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend plan worden er maximaal 50 aaneen gebouwde woningen toegevoegd. Op basis van deze getallen kan gesteld worden, dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.6.3
CONCLUSIE De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).
4.7
Archeologie
4.7.1
W ETTELIJK KADER In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed was tot enige tijde geleden vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988, met een nadere uitwerking in de Wet op de Archeologische MonumentenZorg (Wamz) uit 2007. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden waarmee de Monumentenwet 1988 is vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
31
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
• •
verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Belangrijke uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988, zoals de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en het inpassen van archeologisch erfgoed in de ruimtelijke ordening en de financiering van onderzoek (‘de verstoorder betaalt’), blijven dus onverminderd van kracht. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden moet dan ook rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Daarom is het voor het opstellen van een bestemmingsplan noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre in betreffende gronden archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Gebieden waar resten aanwezig zijn, kunnen door middel van een dubbelbestemming voor archeologie door het bestemmingsplan worden beschermd. Voorafgaand aan werkzaamheden waarbij bodemingrepen plaatsvinden, dient dan in bepaalde gevallen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 4.7.2
ONDERZOEK Binnen het huidig projectgebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 m2 én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Door Transect is in dat kader een bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd (Bijlage 4). Op basis van het onderzoek is vastgesteld dat: • het plangebied zich van oudsher in een slecht bewoonbaar gebied bevindt. Al in de periode Laat-Mesolithicum tot Midden-Neolithicum heersten natte omstandigheden, waarbij in het plangebied getijde-/wadafzettingen in een nat en actief milieu zijn afgezet. Hierna heeft zich in het plangebied veen gevormd, maar dit veen is bij latere overstromingen grotendeels weggeslagen. Hierna zijn in het plangebied opnieuw wadafzettingen afgezet. De afzettingen duiden zelfs op aquatische omstandigheden, waardoor wordt vermoed dat het plangebied in zee kwam te liggen. Toen het plangebied weer is ingepolderd, hebben door de aanleg van verharding verstoringen opgetreden in de top van de wadafzettingen; • aan de hand van de resultaten van het veldonderzoek geen archeologisch relevante niveaus zijn vastgesteld. De top van het Laagpakket van Walcheren in het gebied is tot een diepte van ongeveer 50-100 cm -Mv omgezet. De top van het veen is door erosie zodanig aangetast, dat er hierin geen resten meer te verwachten zijn.
De wadafzettingen als onderdeel van het Laagpakket van Wormer zijn tot slot te slap voor bewoning en vertonen in de top geen kenmerken van bodemvorming of rijping, aanwijzingen dat ze ooit droog genoeg waren voor bewoning; • het plangebied in zijn geheel een lage archeologische verwachting heeft; • het uitvoeren van vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
4.7.3
CONCLUSIE Geconcludeerd kan worden, dat sprake is van een lage algehele verwachting. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor onderhavige planvorming en komt als dubbelbestemming voor deze gronden te vervallen.
32
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1
W ETTELIJK KADER Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is de Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Middelburg in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf Cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen / kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en / of archeologie verbonden worden.
4.8.2
ONDERZOEK De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied zijn geen bouwhistorische objecten aanwezig. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Een groot deel van de kern Middelburg is aangewezen als beschermd stadsgezicht. De planlocatie is niet als zodanig is aangewezen. Wel is buiten het plangebied een windmolen, te weten Molen de Hoop aan het Vlissings Bolwerk aanwezig. Deze molen is aangewezen als Rijksmonument. Aanvullend op de bescherming via het monumentenbeleid is het van belang dat de molen kan blijven functioneren. Hiervoor is een onbelemmerde windtoetreding nodig. Bebouwing en begroeiing in de nabijheid van een molen kunnen windbelemmeringen veroorzaken, waardoor rendementsverlies ontstaat. Daarnaast kunnen bebouwing en begroeiing leiden tot windturbulenties en tot wisselende windkrachten op het wiekenkruis en askop, waardoor schade kan ontstaan aan het mechaniek van de molen (wanneer deze in bedrijf is). Dit betekent dat in de omgeving van een molen beperkingen (moeten) worden gesteld aan de hoogte van obstakels. Het gebied waarbinnen deze hoogtebeperkingen gelden, wordt de molenbiotoop c.q. een molenbeschermingszone genoemd.
De molenbiotoop van de molen direct buiten het plangebied valt voor een zeer beperkt gedeelte over het plangebied
4.8.3
CONCLUSIE Gelet op de afstand tot de molen, de hoogte van de nieuwbouw en tussengelegen bebouwing, vormt onderhavige planontwikkeling geen belemmering voor het aspect cultuurhistorie. Voorts is in onderhavig bestemmingsplan het beschermingsregime ten aanzien van de molenbiotoop, overeenkomstig het huidige regime als dubbelbestemming op de verbeelding en in de planregels opgenomen en daarmee geborgd. Hiermee valt onderhavig plangebied onder de dubbelbestemming ‘Vrijwaringszone – Molenbiotoop’.
33
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
4.9
Water
4.9.1
W ETTELIJK KADER Per 1 november 2003 is door een wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Doel van het watertoetsproces is dat waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke plannen of besluiten. In Bijlage 5 is de Watertoets opgenomen. Onderstaand is de watertoetstabel verwerkt ter ondersteuning van de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan.
4.9.2
ONDERZOEK De watertoets is ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Scheldestromen. Op 20 februari 2020 heeft het Waterschap, na overleg, akkoord gegeven op de watertoets. Voorliggend plan maakt nieuwe bebouwing mogelijk. Onderstaand is de watertoets opgenomen, rekening houdend met de gewijzigde bebouwingsoppervlakte. . Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen
De ontwikkeling ligt niet binnen de keurzone van
Waarborgen van het veiligheidsniveau en reke-
primaire of regionale waterkeringen. Omdat het
ning houden met de daarvoor benodigde ruimte.
bouwen van gebouwen buiten deze zones op grond van de Keur van het waterschap zonder meer is toegestaan, treedt geen strijdigheid met de beleidsregels van het waterschap op.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van:
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om
huidige situatie
na realisatie
4675
3009
1
6764
6298
2
0
0
3
0
0
4
overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
dakoppervlak dichte bodemverharding doorlatende bodemverharding wateroppervlak
De toename van penseerd.
In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak met 2.113 m2 af, zodat er geen compenserende maatregelen dienen te worden getroffen. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking 34
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater van het projectgebied
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/
wordt aangesloten op de omliggende buitenriole-
RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen.
ring van het gescheiden systeem voor vuil- en
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken
schoonwater door middel van kunststofbuizen van
in verband met de reductie van hydraulische be-
gerecycled PVC. De woningen worden aangeslo-
lasting van de RWZI, het transportsysteem en
ten op de gemeentelijke riolering. Ook de HWA-
het beperken van overstorten.
aansluitingen worden aangesloten op de gemeentelijke schoonwaterriolering.
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Er wordt geen grondwater onttrokken. Regen-
Voorkomen en tegengaan van grondwaterover-
water kan over het maaiveld worden afgevoerd
last en -tekort. Rekening houdend met de gevol-
naar omliggende oppervlaktewateren De be-
gen van klimaatverandering. Beschermen van
oogde ontwikkeling is niet nadelig voor de wa-
infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
tervoorziening. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. De beoogde bebouwing leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde.
Grondwaterkwaliteit
Door het gebruik van duurzame niet uitlogende
Behoud of realisatie van een goede grondwater-
bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige ge-
kwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsge-
volgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het plan
bieden.
veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewa-
natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft
terkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van
derhalve geen nadelige gevolgen voor de wa-
het watersysteem. Toepassing van de trits
terkwaliteit. Door het gebruik van duurzame niet
schoonhouden, scheiden, zuiveren.
uitlogende bouwmaterialen wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt. Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert.
Volksgezondheid
Er is in de bestaande als in de toekomstige situa-
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten
tie geen sprake van open water. Het aspect is der-
en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-
halve niet relevant. Er worden geen water gerela-
risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
teerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht
Bodemdaling
Het peilregiem van het projectgebied is afgestemd
Voorkomen van maatregelen die (extra)
op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden
peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze
kunnen veroorzaken.
problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht.
35
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
Natte natuur
Het projectgebied grenst niet aan natte natuurge-
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevari-
bieden. Derhalve zijn er geen bijzondere maatre-
eerde en natuurlijk karakteristieke aquatische
gelen te treffen of beperkingen te verwachten
natuur. Onderhoud oppervlaktewater
Er liggen geen waterlopen binnen het projectge-
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
bied en er worden geen nieuwe waterlopen
worden. Rekening houden met obstakelvrije
voorzien. Derhalve is het aspect onderhoud van
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en op-
de waterlopen niet aan de orde.
gaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer
Uitwerking
Relatie met eigendom waterbeheerder
n.v.t
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap
In het projectgebied en in de direct omgeving
(alleen invullen voor zover van toepassing)
zijn geen waterschapswegen gelegen. De be-
* in de bouwfase:
staande wegen ondervinden voorts geen wijzi-
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen)
gingen, waardoor de goede bereikbaarheid en
plaats over waterschapswegen?
of veiligheid in het gedrang komt.
*na realisatie: verkeersaantrekkende werking
N.v.t.
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
na realisatie: bereikbaarheid
Ja, de Lingestraat zal worden doorgetrokken en
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voet-
op de Braakmanstraat voor zowel gemotori-
gangers uw plan kunnen bereiken.
seerd als langzaam verkeer worden ontsloten.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? na realisatie: parkeren
Het parkeren zal deels aan de nieuw te realise-
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
ren Verlengde Lingestraat (thans Sardijngeulstraat genaamd) in het openbare gebied als-
na realisatie: (ver)bouwen
mede deels gecentraliseerd in de aan te leggen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van
hofjes op eigen terrein worden gerealiseerd.
een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding
Nee
(gefundeerd).
4.9.3
CONCLUSIE Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het projectgebied.
36
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
4.10
Flora en fauna
4.10.1
W ETTELIJK KADER Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wetnatuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft: aardmuis, bastaardkikker/middelste groene kikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.
4.10.2
ONDERZOEK Quickscan flora en fauna Door Bec, Buijs Eco Consult B.v. is op 6 april 2021 een ‘Quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de onderstaande tekst is een samenvatting van de rapportage weergeven. In Bijlage 6 is het gehele onderzoek opgenomen. 37
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
Soortenbescherming De geplande ruimtelijke ontwikkelingen hebben alleen mogelijk een negatief effect op de vleermuizen, huismus, gierzwaluw en uilen (kerkuil). Omdat de aanwezigheid van deze soorten niet kon worden uitgesloten is geadviseerd om vervolgonderzoeken uit te voeren voor deze soorten om zo een overtreding van de Wet Natuurbescherming te voorkomen. Deze vervolgonderzoeken zijn uitgevoerd. Vooruitlopend op de uitkomsten van de vervolgonderzoeken zijn reeds mitigerende maatregelen getroffen. Concreet betekent dit, dat er voor de vleermuizen kraamkasten, kasten voor groot en klein verblijf, huismussenkasten en gierzwaluwkasten in de directe omgeving van het plangebied zijn opgehangen. De conclusie van het nadere onderzoek is, welk onderzoek als Bijlage 7 aan deze toelichting is gehecht, dat voor de voorgenomen ontwikkeling een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming, voor de soort gewone dwergvleermuis aangevraagd dient te worden; voor zowel het mogen vernietigingen van (in ieder geval diverse) verblijfplaatsen, als verstoren van exemplaren. Deze ontheffing is reeds bij het bevoegde gezag ingediend. Voor de overige vleermuissoorten, huismus, gierzwaluw, kerkuil en dakbroedende meeuwen zijn geen beschermde functies binnen het plangebied aangetroffen. Wel zijn enkele van deze soorten (vermoedelijk) in de omgeving van het plangebied aanwezig.
Met het planvoornemen gaan echter geen beschermde functies verloren. Om de weg te vallen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te compenseren dienen alternatieve verblijfplaatsen te worden gerealiseerd. Daarnaast dient men tijdens de werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te nemen. Dit houdt in dat er volgens normaal gebruik zorgvuldig gewerkt moet worden, waarbij indien mogelijk verstoring van fauna wordt voorkomen. Verder geldt voor de algemeen voorkomende soorten dat daarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het actief doden van dieren is altijd verboden. Gebiedsbescherming/Stikstofdepositie De realisatie van dit plan zorgt voor de emissie van stikstof doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen voorzien van verbrandingsmotoren op de bouwplaats in werking zijn. Na realisatie van dit plan zijn als emissiebronnen relevant: • de verkeersbewegingen die als gevolg van dit plan worden gegenereerd, en; • eventuele verbrandingsinstallaties die worden gebruikt om de woningen te verwarmen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is gelegen op ongeveer 4,4 kilometer afstand en betreft het gebied Westerschelde.
Gezien de afstand van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natura 2000 gebied en de lokale aard van de geplande maatregelen kan er van uit worden gegaan dat deze geen directe invloed hebben op het Natura 2000 gebied. Bij ontwikkelingen nabij Natura 2000 gebieden dient er echter ook gekeken te worden naar externe effecten. Met behulp van de Aerius Calculator, welke als Bijlage 8 aan deze onderbouwing is gehecht, is er berekend wat de stikstofdepositie van de beoogde toekomstige situatie is. Uit het resultaat van de berekening blijkt, dat geen sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Hieruit wordt geconcludeerd, dat de beoogde ontwikkeling wordt uitgezonderd van vergunningplicht. De onderzoekslocatie ligt voorts niet binnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Gelet op het feit dat het plangebied niet in de NNZ gebieden is gelegen en/of binnen de afwegingszone van 100 meter, uitgezonderd binnendijken, heeft de ontwikkeling daarop geen invloed.
38
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
4.10.3
CONCLUSIE Geconcludeerd kan worden, dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, indien de juiste adequate maatregelen en vervolgstappen worden genomen, geen belemmering vormt voor de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Voldoende aannemelijk is, dat voor onderhavige bestemmingsplanwijziging aan de Wet natuurbescherming kan worden voldaan. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen.
4.11
Verkeer en parkeren In deze paragraaf wordt nog ingegaan op de aspecten parkeren, bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
4.11.1
TOETSINGSKADER Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie (Toekomstbestendig parkeren, publicatienummer 381). Het kencijfer wordt bepaald aan de hand van de stedelijkheid (adressendichtheid). Het plangebied kan conform het CBS gecategoriseerd worden als ‘sterk stedelijk, rest bebouwde kom’. Van belang is echter aan te geven dat de parkeernormen van het CROW geen harde normen zijn, maar richtlijnen met een bandbreedte die per locatie verschilt. Bij het bepalen van de benodigde parkeerplaatsen is dus ruimte voor een locatie specifieke beoordeling.
4.11.2
ONDERZOEK De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer is goed. De nieuwe woonbuurt kan voor gemotoriseerd verkeer aan twee zijden; op de Braakmanstraat ten noorden en de Lingestraat ten zuiden worden ontsloten. Vervolgens wordt het verkeer primair via de Westerscheldestraat ten westen en secundair via de Nieuwe Vlissingseweg ten oosten de wijk in en uit geleid. Nabij en parallel aan het plangebied ligt ook de N661, eveneens de Nieuwe Vlissingseweg genaamd. Dit is de doorgaande gebiedsontsluitingsweg tussen Middelburg en Vlissingen. Om wijkvreemd verkeer zoveel mogelijk te vermijden is de route via de Stromenwijk minder toegankelijk gemaakt door onder meer de feitelijke verkeersmaatregelen die zijn getroffen. Voor alle direct aangrenzende wegen van het plangebied is een maximumsnelheid van 30 km/uur ingesteld. Ook op de nieuwe woonstraat zal een maximumsnelheid gaan gelden van 30 km/uur. De locatie is verder ook goed bereikbaar voor langzaam verkeer en met openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte is aan de Oosterscheldestraat op ongeveer 150 meter van het plangebied gesitueerd. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling is inzichtelijk gemaakt op basis van de kengetallen van het CROW (publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren'). Het gaat om 50 woningen, bouwwijze aaneengebouwd of twee-aaneen.
De totale verkeersgeneratie bedraagt uitgaande van de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ en woonmilieutype ‘rest bebouwde kom’ circa 300 mvt/etmaal tijdens een gemiddelde weekdag. 39
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
De bestaande ontsluitingsstructuur heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen inherent aan de woningbouwontwikkeling te kunnen verwerken. Nu het verkeer de stad zal binnenkomen en verlaten via de N661, zal het merendeel van het verkeer via de Braakmanstraat worden afgewikkeld. De verkeerseffecten van het aantal en soort verkeersbewegingen op de Braakmanstraat verband houdende met de beoogde woningbouwontwikkeling zal voorts -in relatie tot de thans (planologisch) toegelaten bedrijfsmatige functies- in beginsel gunstiger zijn. Immers, het (zware) verkeer met inbegrip van laden en lossen zal door onderhavige ontwikkeling komen te vervallen. Parkeren Aan de hand van de gespecificeerde parkeernormen is voor de verschillende typen woningen de parkeerbehoefte bepaald. De parkeerbehoefte is in onderstaande tabel weergegeven. Parkeervraag aantal Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Huur, huis, vrije sector Huur, huis, sociale huur Totaal afgerond
2 14 10 24 50
min. norm 1,6 1,4 1,4 1,1
gem. norm 2,0 1,8 1,8 1,5
min. vraag 3,2 19,6 14,0 26,4 63
gem. vraag 4,0 25,2 18,0 36,0 84
Gehanteerd wordt de gemiddelde parkeernorm voor het bepalen van de benodigde parkeerplaatsen voor het bouwplan op basis van CROW publicatie 381 ‘toekomstgericht parkeren’. Zie hiervoor de tabel “Parkeervraag”. Hiernaast is op deze tabel de aanwezigheidspercentage toegepast zoals geadviseerd wordt in bovenstaande CROW publicatie, dat inhoudt dat tijdens het maatgevende parkeerperiode minimaal 74 parkeerplaatsen benodigd zijn. In het stedenbouwkundige opzet is ruimte gereserveerd voor 80 parkeerplaatsen. Dit is inclusief bezoekersparkeren. Hiermee wordt ruimschoots aan de parkeernorm voldaan. Voorts wordt gelet op de ligging in de directe nabijheid van alle centrumvoorzieningen, het feit dat niet alle toekomstige bewoners over een eigen auto zullen beschikken én in de norm het bezoekers parkeren is openomen, op basis van deze uitgangspunten voor onderhavige ontwikkeling de aanleg van 80 parkeerplaatsen voldoende geacht. 4.11.3
CONCLUSIE De ontsluiting voor de verschillende vervoerswijzen is goed te noemen. De verkeersgeneratie leidt niet tot onacceptabel hoge verkeersintensiteiten op de omliggende toegangswegen. In het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.12
Niet-gesprongen explosieven Net als vele andere Nederlandse steden was Middelburg tijdens de Tweede Wereldoorlog (WOII) bezet door de Duitse overheersers en hierdoor het toneel van meerdere van grond- en luchtgevechten. Na de oorlog was sprake van een groot aantal op en in de (water)bodem aanwezige ontplofbare oorlogsresten (voorheen benoemd als conventionele explosieven of niet gesprongen
40
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
explosieven). Denk hierbij aan verschoten munitie en raketten, achtergelaten munitievoorraden, mijnenvelden maar ook allerhande soorten munitie die tijdens het gebruik in de oorlog niet naar behoren hadden gefunctioneerd. 4.12.1
ONDERZOEK EN CONCLUSIE Voor de planlocatie is een onderzoek gedaan om op beredeneerde wijze te komen tot een waarschijnlijkheidsuitspraak over de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in het rapport welke toegevoegd is als Bijlage 9 bij dit bestemmingsplan. Na analyse van de onderzoeksresultaten is gebleken dat er geen indicaties zijn om de planlocatie af te bakenen als verdacht gebied v.w.b. ontplofbare oorlogsresten. De werkzaamheden kunnen op reguliere wijze uitgevoerd worden. Tijdens de grondroerende werkzaamheden is het “protocol onverwacht aantreffen ontplofbare oorlogsresten” van toepassing (zie bijlage c van het onderzoeksrapport).
4.13
Duurzaamheid In de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025 geeft de gemeente per thema aan welke duurzame milieudoelen zij heeft voor de korte (tot 2025) en lange termijn (tot 2050). Het belangrijkste doel van de milieuvisie is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet kunnen worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. Enkele thema’s die relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling zijn ‘klimaat en energie’, ‘duurzaam gebouwde omgeving’, ‘emissies o.a. van geluid en stoffen’ en ‘duurzame mobiliteit’. Het streven is om zoveel mogelijk duurzaam te ontwikkelen. In het stedenbouwkundig ontwerp is uitgegaan van een zoveel mogelijk duurzame en klimaat-adaptieve inrichting van het terrein. Hierbij is voldoende ruimte gereserveerd voor openbaar groen. Dit groen zorgt voor een groene afscherming van het terrein richting zijn omgeving en draagt bij aan het voorkomen van hittestress en verdroging. Verder worden zoveel mogelijk duurzaamheidsmaatregelen toegepast teneinde te de woningen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen.
Hier wordt onder meer verstaan het toepassen van hoogwaardige isolatie, het realiseren van een luchtdichte schil, het aanbrengen van warmtepompen en zonnepanelen op de daken alsmede het installeren van een warmte terugwinsysteem, waardoor er geen energie wordt verspild. Door het toepassen en realiseren van deze maatregelen wordt bij de woningen een EPC van 0 of lager, minder energieverbruik, minder CO2uitstoot en 0-op-de-meter bereikt. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt kortom een bijdrage geleverd aan de doelen zoals beschreven in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025.
4.14
Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
41
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
c.
buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.2 1.
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
2.
Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
4.14.1
ONDERZOEK EN CONCLUSIE In of nabij het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarvoor het nodig is de zone daarvan planologisch te regelen in het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling
42
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
HOOFDSTUK 5
5.1
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatieeisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
5.1.1
BEOORDELING Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Derhalve dient de gemeenteraad een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Initiatiefnemer voert voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uit. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor dit bestemmingsplan is afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente Middelburg heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, waarin ook de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten is vastgelegd.
5.1.2
CONCLUSIE De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
PARTICIPATIEPROCES In oktober 2020 zijn twee digitale informatieavonden belegd voor deze ontwikkelingslocatie waar initiatiefnemer en ontwikkelaar het uitgewerkte bouwplan aan de direct omwonenden en belangstellenden nader hebben toegelicht. Tijdens deze avonden zijn vragen gesteld. Beide avonden zijn constructief verlopen. De aangedragen punten zijn door initiatiefnemer meegenomen en is aan omwonenden over een tweetal thema’s; speelvoorzieningen en aansluiting en inrichting van het plangebied, aangeboden dit in overleg met hen nader uit te werken. In de loop van 2021 wordt de nadere planuitwerking ter hand genomen. Tussentijds worden bewoners blijvend geïnformeerd over de planuitwerking en procedure.
43
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
Een verslag van de informatieavond is als separate bijlage (Bijlage 10) aan deze toelichting bijgevoegd. 5.2.2
VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN Artikel 3.1.1 van het Bro bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan het bevoegde gezag overleg voert met betrokken instanties en overheden. In het kader van het vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan verschillende belanghebbende organisaties en overheden toegezonden. Deze reacties zijn samengevat in het ‘Rapport beantwoording inspraak en vooroverleg bestemmingsplan Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’, dat als bijlage 11 aan deze toelichting is toegevoegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening voor eenieder in het kader van de zienswijzeprocedure ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode van ter inzagelegging wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar mening over het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. Het ontwerpplan is op drie manieren beschikbaar gesteld: • digitaal via www.ruimtelijkeplannen.nl • digitaal via www.middelburg.nl • analoog bij de Vakbalie in het Stadskantoor te Middelburg.
44
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
HOOFDSTUK 6
6.1
JURIDISCHE PLANOPZET
Plansystematiek Bij het opstellen van de planregels is enerzijds zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van bestemmen als bedoeld met het handboek. Actuele inzichten ten aanzien van het handboek zijn mede betrokken bij het opstellen van de planregels. Het geheel is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen (artikel 3 tot en met 5. Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 6 tot en met 9). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 10 en 11). De planregels zijn opgedeeld in: • de bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; • bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; • specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden en • het afwijken van de gebruiksregels.
6.2
Bestemmingen Hoofdstuk 1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. Vrijwel alle definities worden, soms met een enkele nuance, algemeen in den lande gehanteerd. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze, waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten. Hoofdstuk 2 Artikel 3 Groen In de bestemmingsomschrijving is bepaald dat de bestemming ‘Groen’ mag worden gebruikt voor speelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. In de bestemmingsomschrijving is tevens opgenomen dat evenementen mogelijk zijn. Hieraan is de voorwaarde gekoppeld dat deze alleen zijn toegelaten indien daarvoor een (omgevings)vergunning (op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verleend en aan die vergunning wordt voldaan. Artikel 4 Tuin Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan. Binnen deze bestemming zijn erfafscheidingen mogelijk. Verder is een mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan opgenomen om aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen in de voortuin toe te staan.
45
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
Artikel 5 Verkeer De openbare wegen, voet- en fietspaden in het plangebied zijn bestemd tot ‘Verkeer’. Binnen deze bestemming zijn tevens groenvoorzieningen toegestaan. Artikel 6 Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor het wonen en bijbehorende erven, toegangs- en achterpaden. Er zijn binnen de bestemming verschillende woningtypen mogelijk, te weten twee aaneen en aaneengebouwd. De woningtypen zijn voorzien van een bouwaanduiding. Middels een bouwvlak is daarnaast aangegeven waar in hoofdzaak hoofdgebouwen en bijgebouwen (binnen het bouwvlak) of uitsluitend bijgebouwen (erf, buiten het bouwvlak) zijn toegestaan. De diverse typen zijn specifiek middels een aanduiding op de verbeelding geregeld. In de specifieke gebruiksregels is opgenomen dat vrije beroepen zijn toegestaan. Door een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan zijn tevens een bedrijf aan huis en een bed & breakfast toegestaan. Tot slot is bepaald, dat voor ingebruikname er aantoonbaar aan de parkeerbehoefte op eigen terrein moet zijn voldaan. Hier kan onder voorwaarden vanaf worden geweken. Hoofdstuk 3 Antidubbeltelregel: Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels: Deze bepaling bevat algemene regels over ondergeschikte bouwdelen. Algemene aanduidingsregels: Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' op de verbeelding, zijn de gronden mede bestemd ter bescherming van de windvang van de molen. Hier gelden maximale bouwhoogtes en maximale hoogtes met betrekking tot het oprichten van bebouwing. Van de maximaal toegestane hoogte kan onder voorwaarden afgeweken worden. De formule is in de regels opgenomen. Algemene gebruiksregels: Met dit artikel wordt, in aanvulling op het algemene gebruiksverbod in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), benadrukt wat als strijdig gebruik binnen de bestemmingen wordt beschouwd. Algemene afwijkingsregels: Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen. Algemene wijzigingsregels: Er is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Overigens geldt dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.
46
Toelichting bestemmingsplan ‘Sardijngeulstraat (voorheen Braakmanstraat) Middelburg’
Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij nader inzien: • open water dat als zodanig is bestemd een andere vorm moet krijgen; • een bruggetje dat anders moet worden geconstrueerd of een stukje moet opschuiven; • een fietspad iets anders moet aansluiten op een kruising; • een detailhandelsbestemming moet worden aangepast om een betere entree van een of meer winkels mogelijk te maken. Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad. Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters Hoofdstuk 4 Overgangsrecht: In de overgangsregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerkingtreden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling.
Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of het strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Overgangs- en slotregels: Het overgangsrecht voor bouwen en gebruik is opgenomen overeenkomstig de tekst, zoals het Besluit ruimtelijke ordening voorschrijft. De slotregel geeft de naam van het plan aan.
47