21-051 Bijlage 2 d. Bijlagenboek Ontwerp bp Adriaen Lauwereyszstraat 6
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Bijlagen bij toelichting
Adriaen Lauwereyszstraat 6
Gemeente Middelburg
Datum: 2 december 2020 Projectnummer: 170136 ID: NL.IMRO.0687.BPBREALAU-ON01
INHOUD
Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Archeologisch onderzoek Bijlage 4: Verkennend (asbest) bodemonderzoek Bijlage 5: Quick scan bedrijven en milieuzonering Bijlage 6: Quick scan natuur Bijlage 7: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 8: Nader natuuronderzoek Bijlage 9: Quick scan externe veiligheid Bijlage 10: Akoestisch onderzoek Bijlage 11: Parkeerbalans
Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
Adriaen Lauwereyszstraat 6
Gemeente Middelburg
Datum: 20 november 2020 Projectnummer: 170136
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Het plan Leeswijzer
3 3 4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
5
2.1 2.2 2.3 2.4
Stedelijke ontwikkeling Marktgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied
5 6 7 11
3
Conclusie
13
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
1.2
Het plan Op het adres Adriaen Lauwereyszstraat 6 te Middelburg bevindt zich kerkgebouw ‘De Morgenster’. Sinds enkele jaren is het gebouw niet meer als zodanig in gebruik en heeft het plangebied te maken met leegstand. Het voornemen bestaat nu om de bestaande kerk te slopen en ter plaatse een woningbouwontwikkeling met maatschappelijke dienstverlening mogelijk te maken. De westzijde van het plangebied wordt ingericht met maximaal 8 geschakelde senior patiowoningen. Deze woningen zullen uit maximaal 2 bouwlagen bestaan en zijn levensloopbestendig. Dit betekent dat de woningen hun slaap-, bad- en woonkamer op de begane grond hebben. Op de tweede bouwlaag is nog ruimte voor extra slaapkamers. Deze woningen richten zich op de seniorendoelgroep.
SAB
3
De oostelijke zijde van het plangebied wordt ingericht met een appartementengebouw. 2 In dit gebouw is ruimte om 12 appartementen (gemiddeld 50 m ) te realiseren, evenals een levendige plint met maatschappelijke dienstverlening. Gelet op de grootte van de beoogde appartementen in het plangebied zullen voornamelijk senioren, starters en andere kleinere huishoudensvormen als doelgroep worden aangesproken. In totaal zal het 2 plangebied ruimte bieden voor maximaal 20 nieuwe woningen en maximaal 230 m aan maatschappelijke dienstverlening. De exacte invulling van de maatschappelijke dienstverlening is nog niet duidelijk, maar gedacht wordt aan het realiseren van openbare zorgfuncties die een gezamenlijk een zorgpunt voor de wijk kunnen vormen. Tussen beide plandelen is parkeergelegenheid op maaiveld voorzien. De oost- en zuidzijde van het plangebied kennen, evenals in de huidige situatie, een meer open en groen karakter. Dit maakt dat voorliggend plan in een groenstedelijk karakter voorziet.
Impressie beoogde situatie plangebied (Bron: Kolpa Architecten).
De gronden van het plangebied kennen momenteel een maatschappelijke bestemming, waarbinnen de beoogde woningen niet zijn toegestaan. Daarom wordt voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In dat bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst bepaald worden of en, zo ja, waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.
SAB
4
2
Toets Ladder voor duurzame verstedelijking
2.1
Stedelijke ontwikkeling
2.1.1
Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.
2.1.2
Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal maximaal 20 woningen 2 en maximaal 230 m aan maatschappelijke dienstverlening. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in ver1 gelijking met het voorgaande plan. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen 2 wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling . Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Breeweg - ’t Zand’. Dit bestemmingsplan is op 27 september 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Middelburg. Het bestemmingsplan voorziet ter plaatse in de bestemming ‘Maatschappelijk’.
De bestemming ‘Maatschappelijk’ staat ter plaatse bibliotheken, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, religie, verenigingsleven en voorzieningen in zake zorg en welzijn met de daarbij behorende voorzieningen op het gebied van water, parkeren en dergelijke toe. Gebouwen mogen enkel binnen het bouwvlak worden gebouwd en dienen ook te voldoen aan de maximum goothoogte en maximum bouwhoogte zoals op de verbeelding is weergegeven. Voor het plangebied betreft het een maximum goothoogte van 10 meter en maximum bouwhoogte van 14 meter voor het westelijk deel van het bouwvlak en 6 respectievelijk 10 meter voor het oostelijk deel van het bouwvlak. Tot slot geldt dat er per maatschappelijke voorziening ten hoogste één bedrijfswoning is toegestaan.
1
Zie hiervoor o.a. de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).
2
Zie hiervoor o.a. de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).
SAB
5
Gelet op het feit dat het geldende bestemmingsplan reeds maatschappelijke dienstverlening ter plaatse toestaat, wordt gesteld dat deze functie geen stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in het Bro. Voor de beoogde woningbouwontwikkeling uit dit plan geldt echter dat functioneel gezien sprake is van een dusdanige wijziging ten opzichte van het geldende planologische beslag dat wordt gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 2.1.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende woningbouwontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.
2.2
Marktgebied
2.2.1
Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.
2.2.2
Toetsing De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Middelburg worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat ongeveer de helft van alle gevestigde personen uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Middelburg in 2017
Verhuisbewegingen Middelburg
Aantal
Aandeel (%)
Binnen gemeente Middelburg
3.063
50,0%
Vanuit andere gemeenten
2.631
42,9%
Vanuit het buitenland Totaal aantal verhuizingen
432 6.126
7,1% 100%
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
SAB
6
Daarnaast zijn er in eerste instantie verhuisrelaties met de gemeenten uit de regio Walcheren, namelijk de gemeenten Vlissingen en Veere. Vervolgens zijn er ook verhuisrelaties te vinden met andere Zeeuwse gemeenten, zoals Goes, Terneuzen en Borsele. Opvallend is dat Middelburg, ondanks de geografische afstand, ook een relatief grote verhuisrelatie met Noordenveld, Cranendonck en Amsterdam heeft. Navolgende tabel laat de meest relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Middelburg vanuit andere gemeenten zien. Tabel: Verhuisbewegingen naar Middelburg naar herkomst in 2017
Gemeente
Aantal
Aandeel (%)
Middelburg
3.063
50,0%
Vlissingen
633
10,3%
Veere
301
4,9%
Noordenveld
190
3,1%
Goes
118
1,9%
Cranendonck
90
1,5%
Terneuzen
77
1,3%
Rotterdam
73
1,2%
Borsele
70
1,1%
Schouwen-Duiveland
54
0,9%
Amsterdam
53
0,9%
47 1.357 6.126
0,8% 22,2% 100%
Noord-Beveland Elders Totaal Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.
2.2.3
Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het marktgebied zich primair richt op de gemeente Middelburg. Gelet op de aard en ligging van de beoogde ontwikkeling en de verhuisafstanden uit het verleden, geldt de verwachting dat de woningbouwontwikkeling geen bovengemeentelijke aantrekkingskracht heeft.
2.3
Behoefte
2.3.1
Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.
2.3.2
Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door de demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Voor de gehele provincie Zeeland is in 2019 het Kwalitatief WoningmarktOnderzoek Zeeland 2019. In een factsheet heeft de
SAB
7
Stec Groep dit voor de gemeente Middelburg verder samengevat op gemeenteniveau en is daarbij onder meer ingegaan op de toekomstige huishoudensontwikkeling.
Uit: Factsheet KWOZ Middelburg van Stec Groep
Uit de demografische gegevens is af te leiden dat de gemeente Middelburg de komende jaren een positieve huishoudensontwikkeling kent. De verwachting is dat het aantal huishoudens tot aan 2040 met circa 2.940 zal toenemen naar in totaal circa 25.960 huishoudens. Regionale woningmarktafspraken Walcheren 2016-2026 De Walcherse gemeenten Middelburg, Vlissingen en Veere hebben voor de periode 2016-2026 gezamenlijk woningmarktafspraken gemaakt. Kwantitatief gezien geldt dat de regio een woningbouwopgave voor zich ziet van 3.532 woningen. Daarbij wordt onder andere rekening gehouden met geplande onttrekkingen en een berekende inhaalvraag.
Berekening behoefte en Ladderruimte regio Walcheren (Bron: Regionale woningmarktafspraken Walcheren 2016-2026).
Wanneer deze woningbouwopgave wordt afgezet tegen de harde plancapaciteit wordt geconcludeerd dat er nog 1.427 aan ‘Ladderruimte’ is. Met deze Ladderruimte wordt
SAB
8
gedoeld op de ruimte die er is om nieuwe woningbouwplannen toe te voegen aan de harde plancapaciteit. In principe heeft de regio Walcheren een overaanbod aan zachte plancapaciteit om deze Ladderruimte in te vullen. Opgemerkt dient te worden dat deze zachte plancapaciteit nog geen juridisch-planologische status kent en het daarmee deels nog onzeker is of de volledig weergegeven zachte plancapaciteit uiteindelijk ook gerealiseerd zal worden. Voorliggend plan is met haar 20 woningen reeds regionaal afgestemd. Woonvisie 2016 – 2020 Voor de gemeente Middelburg geldt dat er in de periode 2015-2030 ruim 2.400 woningen onderdeel uitmaken van de plancapaciteit. Zo’n 37% van deze capaciteit is slechts ‘hard’. Dit betekent dat nog een ruime hoeveelheid woningbouwplannen uit de plancapaciteit onzeker is op het gebied van uitvoering.
Plancapaciteit in de gemeente Middelburg, naar woonmilieu (Bron: Woonvisie Middelburg 20162020).
SAB
9
Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Middelburg, het feit dat er onvoldoende harde plancapaciteit op regionaal en gemeentelijk niveau is en voorliggend plan reeds regionaal kwantitatief is afgestemd, wordt geconcludeerd dat het plan past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.3.3
Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de huishoudenssopbouw qua samenstelling en leeftijd. Voor de gemeente Middelburg geldt dat de meeste doelgroepen zowel op de korte (2019-2029) als lange termijn (2029-2040) te maken hebben met een positieve ontwikkeling. Uitzondering hierop vormen de groepen alleenstaanden en stellen tot 35 jaar (zowel op korte als lange termijn een negatieve prognose) en alleenstaanden en stellen tussen de 35 en 65 jaar (op lange termijn een negatieve prognose). De groepen gezinnen en ouderen (65+) hebben een positieve prognose op zowel korte als lange termijn. De hierna opgenomen tabel brengt in beeld.
Uit: Factsheet KWOZ Middelburg van Stec Groep
Woonvisie 2016 – 2020 Kwalitatief wil de gemeente Middelburg de focus leggen op het toevoegen van stedelijke woonmilieus. Dit betekent volgens de gemeente: flexibele huurvormen, appartementen en andere nultredenwoningen, dichtbij voorzieningen en stedelijke activiteiten, en goed bereikbaar voor diverse vervoersmodaliteiten. Daarnaast geldt een ambities om een levensloopvriendelijke gemeente te worden. Gelet op het beoogde woonprogramma wordt grotendeels de seniorendoelgroep met dit plan aangesproken, hetgeen ook aansluit bij de ambitie om meer stedelijke woonmilieus toe te voegen aan de woningvoorraad van Middelburg. Herijking van de Kwaliteitsatlas De gemeente Middelburg streeft op het gebied van wonen naar kwalitatief goede woonmilieus en goede woningen in een aantrekkelijke omgeving. De gemeente wil dit onder andere bereiken door op diverse locaties in Middelburg gedifferentieerde nieuwbouw aan te bieden, complementair aan de bestaande woningvoorraad. Ook zet de
SAB
10
gemeente in op het op peil houden van goede stedelijke voorzieningen op zakelijk, medisch en cultureel gebied. Ondanks het feit dat voorliggend plangebied niet in de Kwaliteitsatlas wordt genoemd als woningbouwlocatie in Middelburg, voorziet voorliggend plan wel in de toevoeging van nieuw, aanvullend woonaanbod door onder andere levensloopbestendige woningen te realiseren. Ook wordt met de beoogde maatschappelijke dienstverlening een bijdrage geleverd aan het op peil houden van de stedelijke voorzieningen op medisch gebied. Conclusie Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling in de gemeente Middelburg kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de demografische ontwikkelingen. Het programma zet immers in op een groen stedelijk woonmilieu met aandacht voor de doelgroep senioren. Daarbij komt dat met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij één van de speerpunten uit de gemeentelijke woonvisie om een levensloopbestendige gemeente worden en het aanbod stedelijke woonmilieus in Middelburg te vergroten. Ook sluit het plan aan bij de gemeentelijke ambities uit de Kwaliteitsatlas. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied. 2.3.4
Conclusie De beoogde woningbouwontwikkeling van het plangebied voorziet in een behoefte van het marktgebied. Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling, het tekort aan harde plancapaciteit op regionaal en gemeentelijk niveau en het feit dat het plan reeds regionaal is afgestemd maakt dat sprake is van een kwantitatieve behoefte. Daarnaast anticipeert de ontwikkeling op de demografische ontwikkelingen en volkshuisvestelijke ambities in Middelburg door in te zetten op een groenstedelijk woonmilieu, bestaande uit woningen (voornamelijk) gericht op de doelgroep senioren. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling van het plangebied voorziet in een behoefte van het marktgebied.
2.4
Bestaand stedelijk gebied
2.4.1
Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.
2.4.2
Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Middelburg. Momenteel is het plangebied ingericht als kerk en kent het een maatschappelijke bestemming. De omgeving van het plangebied wordt vrijwel volledig gevormd door woningen en andere bebouwing/stedelijke functies. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke
SAB
11
structuren en bebouwing rondom het plangebied en de ter plaatse geldende bestemming, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. Er wordt immers ingezet op een woonontwikkeling met maatschappelijke dienstverlening in een woonomgeving met hier en daar een aantal maatschappelijke voorzieningen. Ook wordt de ontwikkeling ruimtelijk gezien ingepast in de ruimtelijke structuren van de omgeving, bijvoorbeeld door qua maat en schaal aan te sluiten bij de bebouwing in de omgeving. 2.4.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling is voorzien in bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.
SAB
12
3
Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte die binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.
SAB
13
Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Adriaen Lauwereyszstraat 6
Gemeente Middelburg
Datum: 6 mei 2019 Projectnummer: 170136
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer
3 4 6
2
Kenmerken van het project
7
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Beschrijving project Omvang van het project Overige kenmerken van het project
7 7 8 9
3
Plaats van het project
10
3.1 3.2 3.3
Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
10 10 11
4
Kenmerken van het potentiële effect
16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Inleiding Archeologie Natuur (flora en fauna) Verkeer Geluid Luchtkwaliteit
16 17 18 20 21 21
5
Conclusie
25
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op het adres Adriaen Lauwereyszstraat 6 te Middelburg bevindt zich kerkgebouw ‘De Morgenster’. Sinds enkele jaren is het gebouw niet meer als zodanig in gebruik en staat het leeg. Het voornemen bestaat om de bestaande kerk te slopen en ter plaatse een woningbouwontwikkeling met maatschappelijke dienstverlening mogelijk te ma2 ken, bestaande uit 20 woningen en maximaal 230 m aan maatschappelijke dienstverlening. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Breeweg - ’t Zand’. Binnen de maatschappelijke bestemming en de vormgeving van het aanwezige bouwvlak is de realisatie van de gewenste woningen niet toegestaan. Om die reden is een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding.
Globale ligging projectgebied (gele stip) in relatie tot Middelburg (Bron: PDOK viewer).
De beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r, namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige project blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden. Om die reden is formeel een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist.
3
Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.rbeoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag (college of raad) voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het project en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit project.
1.2
De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegde gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegde gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegde gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. 4
Sinds een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegde gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegde gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig project (de realisatie van woningen en een appartementengebouw met maatschappelijke dienstverlening ter plaatse van een bestaande kerk in de kern van Middelburg) past binnen een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” Onderhavig project betreft zoals gesteld kortweg de realisatie van een nieuw woon/zorggebouw. Het projectgebied is in totaal circa 0,35 hectare groot. Het maximaal aantal te realiseren woningen betreft 20. Gezien het voorgaande blijft onderhavige activiteit ver onder de drempelwaarde en is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegde gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee aan de gemeenteraad een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan.
Criteria voor toetsing In het voorliggende rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde project ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r., ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: kenmerken van de activiteit; plaats waar de activiteit wordt verricht; kenmerken van de gevolgen van de activiteit.
5
Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de kenmerken van het project, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en in hoofdstuk 4 komen de kenmerken van het potentiële effect aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.
6
2 2.1
Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving project Het project betreft de sloop van het leegstaande kerkgebouw De Morgenster en de realisatie van woningbouw en maatschappelijke dienstverlening. In de beoogde situatie wordt het plangebied als het ware in twee delen opgesplitst. De westzijde van het plangebied wordt ingericht met maximaal acht geschakelde patiowoningen bedoeld voor senioren. Deze woningen bestaan uit maximaal twee bouwlagen en zijn levensloopbestendig. De oostelijke zijde van het plangebied wordt ingericht met een appartementengebouw. In dit gebouw is ruimte om 12 appartementen en een levendige plint van maximaal 2 230 m met maatschappelijke dienstverlening. Het gebouw zal uit maximaal drie bouwlagen bestaan. Tussen beide plandelen is parkeergelegenheid op maaiveld voorzien. Ook aan de noord- en westzijde van het plangebied zijn parkeervoorzieningen beoogd. Met de parkeergelegenheid in het midden van het plangebied is beoogd het parkeren zo veel mogelijk uit het zicht te voorzien. De oost- en zuidzijde van het plangebied kennen, evenals in de huidige situatie, een meer open en groen karakter.
7
Impressie beoogde situatie projectgebied (Bron: Kolpa Architecten).
2.3
Omvang van het project De oppervlakte van het totale projectgebied bedraagt circa 0,35 hectare. Het project beslaat zoals gesteld 20 woningen, waarvan 8 patiowoningen met twee bouwlagen en 12 appartementen in een gebouw bestaande uit maximaal 3 bouwlagen. Daarnaast worden in het appartementengebouw maatschappelijke dienstverlening gerealiseerd 2 met een oppervlakte van maximaal 230 m . De bouwhoogte van de nieuwbouw ligt tussen de hoogte van de bestaande appartementengebouwen en de bestaande grondgebonden woningen in de omgeving van het plangebied en sluit hierdoor aan bij de omvang van de bebouwing in de omgeving.
8
2.4
Overige kenmerken van het project
2.4.1
Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt daarom geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid.
2.4.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het projectgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruikgemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en de te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het project maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het projectgebied. In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
2.4.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de realisatie van de nieuwbouw wordt tijdelijk gewerkt met stikstof- en fijnstofemitterende materieel (machines, et cetera). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De nieuwe woningen hebben een beperkte verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).
2.4.4
Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee. Er worden geen objecten gerealiseerd die kunnen leiden tot rampen en crises (zoals voorkomend op een risicokaart).
9
3 3.1
Plaats van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Middelburg en maakt onderdeel uit van de westelijke uitbreiding van Middelburg buiten de veste. Deze uitbreiding van Middelburg heeft als eerste vanuit een tweetal oude linten, de Breeweg en Koudekerkseweg, vorm gekregen. Vervolgens heeft er een aantal planmatige uitbreidingen plaatsgevonden. De omgeving van het plangebied kent een divers en overwegend kleinschalig karakter. In de omgeving van het plangebied komen zowel woonfuncties als maatschappelijke functies voor. De bebouwing in de omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit grondgebonden woningen, ten zuiden van de Adriaen Lauwereyszstraat zijn appartementengebouwen aanwezig. De navolgende afbeelding geeft de ruimtelijke situatie in en rondom het projectgebied weer.
Topografische kaart ruimtelijke situatie rondom het plangebied (globaal rood omlijnd). (Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl).
10
Het projectgebied bevindt zich concreet op het adres Adriaen Lauwereyszstraat 6. Binnen het projectgebied bevindt zich het kerkgebouw De Morgenster, die sinds enkele jaren leeg is komen te staan. De bebouwing is daarentegen nog steeds op de locatie aanwezig en wordt aan alle zijden begrensd door wegen. De voorzijde van het gebouw met bijbehorende entree bevindt zich aan de Adriaen Lauwereyszstraat. Dit maakt ook dat de bebouwing hier representatief is. De west- en oostzijde kennen een groen, maar gesloten karakter. Voor de noordzijde van het kerkgebouw geldt dat sprake is van een gesloten en stenig karakter, mede door de aanwezige muur en parkeervoorzieningen. Het gebouw bestaat uit diverse onderdelen met ieder een eigen goot- en bouwhoogte. In de volgende afbeelding is de bestaande situatie weergegeven.
De zuid- (links) en noordzijde (rechts) van het plangebied (Bron: SAB).
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hieronder beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
11
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied Wetlands
Juridisch kader Conventie van Ramsar
Kustgebieden
3.3.2.1
Berggebieden en bosgebieden
Wet natuurbescherming
Reservaten en natuurparken: Nationale Landschappen Nationale parken
Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte Nationale Parken zijn onderdeel van de NNN (voorheen EHS). Wet natuurbescherming
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Relevantie voor de activiteit In of in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig. Het projectgebied is niet gelegen in een kustgebied. Het projectgebied is niet gelegen in een bosgebied. Het projectgebied ligt niet in een Nationaal Landschap. Het projectgebied ligt niet in een Nationaal Park. In de omgeving van het projectgebied liggen Natura 2000gebieden (zie verder onder 1).
Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, kaderrichtlijn Water)
Het projectgebied ligt niet in gebieden waar op basis van communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden.
Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid
Provinciale verordening
Landschappen van historisch belang cultureel belang o beschermd stads- en dorpsgezicht archeologisch belang
Het projectgebied is niet gelegen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid. Het projectgebied heeft een hoge en middelhoge verwachtingswaarde (zie verder onder 2). In het projectgebied zijn geen historische bouwwerken, monumentale panden of structuren met een cultuurhistorische of beeldbepalende waarde te benoemen.
Verdrag van Valletta Monumentenwet Gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan
12
1. Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Gezien dit feit is het zinvol de gevolgen voor de natuur in beeld te brengen. Het projectgebied ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied ‘Westerschelde en Saeftinghe’ ligt op een afstand van 5,8 kilometer van het projectgebied en andere Natura 2000-gebieden liggen nog verder weg.
Globale ligging van het projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (weergegeven in geel en groen). Bron: calculator.aerius.nl.
Een deel van de bebouwde kom van Middelburg ligt tussen het projectgebied en de omliggende Natura 2000-gebieden in. Daarnaast is er slechts sprake van een kleine toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee stikstofemissie vanuit het plangebied. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de geplande werkzaamheden of functies in het projectgebied negatieve effecten hebben op dit Natura 2000-gebied. Het is daarom op voorhand uit te sluiten dat met onderhavig project negatieve milieueffecten ontstaan op de Natura 2000-gebieden; dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet meer nader onderzocht.
13
2. Archeologie Op grond van het gemeentelijke archeologische beleid ligt het projectgebied in een zone met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
Locatie projectgebied op de beleidsadvieskaart van de gemeente Middelburg.
Gezien de ligging van het projectgebied in een gebied met een hoge en middelhoge archeologische verwachting, komt het aspect ‘archeologie’ nader aan de orde in hoofdstuk 4. 3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid.
14
Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur)
Provinciale verordening
Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 3).
Weidevogelgebied en ganzerustgebied
Provinciale verordening
Het projectgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied
Stiltegebied
Wet milieubeheer Provinciale verordening
Het projectgebied is niet gelegen in een stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het projectgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
Gebied geschikt voor beschermde soorten
Wet natuurbescherming
Het projectgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).
3. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het projectgebied bevindt zich op ongeveer 480 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN. Een deel van de bebouwde kom van Middelburg ligt tussen het projectgebied en het NNN in. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de geplande werkzaamheden negatieve effecten hebben op het NNN. Het is daarom op voorhand uit te sluiten dat met onderhavig project negatieve milieueffecten ontstaan op de NNN; dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 niet nader onderzocht. 4. Beschermde soorten In het projectgebied kunnen zich mogelijk beschermde dier- of plantensoorten bevinden, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
15
4 4.1
Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningbouw. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de herontwikkeling van een bestaande locatie in de bebouwde kom van Middelburg betreft. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het projectgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. Zo zijn er mogelijk archeologische waarden in het projectgebied aanwezig, gezien de hoge en middelhoge archeologische verwachting. Ook is het denkbaar dat zich binnen het projectgebied beschermde soorten hebben ontwikkeld.
Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: archeologie: het gehele projectgebied heeft op grond van het gemeentelijk archeologische beleid een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Het project kan leiden tot negatieve milieueffecten op archeologische waarden. natuur (flora en fauna): het project kan leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Negatieve effecten op beschermde gebieden worden evenwel op voorhand niet verwacht. verkeer: de nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. geluidshinder: het project heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.
Om alle aspecten nog kort langs te lopen: landschap: er kan geen sprake zijn van negatieve effecten op eventuele bestaande landschappelijke waarden: het projectgebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied en er is geen sprake van specifieke landschappelijke waarden ter plekke.
16
water: Er is met het project geen sprake van een wezenlijke toename van de bebouwing c.q. verharding. Het realiseren van compenserende waterberging is daarom niet noodzakelijk. De nieuwe woonfunctie is verder niet van dien aard, dat deze mogelijk gevolgen heeft voor de waterhuishouding of de kwaliteit van het oppervlakte- of grondwater. De gevolgen op de waterhuishouding zijn dus op voorhand zeer beperkt tot niet bestaand. externe veiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot externe veiligheidseffecten. bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals besproken in de navolgende paragrafen is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.
4.2
Archeologie
4.2.1
Huidige situatie Op navolgende kaart is het projectgebied aangeduid op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Middelburg. Het plangebied ligt hierop in een zone met een hoge en middelhoge archeologische verwachting.
17
Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Zeeuws-Zuidhollands kleigebied'. De top van het Pleistoceen bestaat uit dekzanden. Dit niveau ligt tussen -6 en -7 m NAP. Het bodemprofiel bestaat in hoofdlijnen uit het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op het Laagpakket van Wormer. Elk van deze stratigrafische eenheden vormen een potentieel archeologisch niveau. De top van het veen ligt in het midden en oosten van het plangebied tussen -181 en -206 cm NAP. 4.2.2
Effecten ontwikkeling Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van onderhavig project (Bureau voor Archeologie 2019. Adriaen Lauwereyszstraat 6, Middelburg, gemeente Middelburg: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase. ISSN: 2214-6687. Rapport 765. 31 maart 2019). Uit het onderzoek blijkt dat in het projectgebied op meer dan 195 cm-mv archeologische resten aanwezig kunnen zijn. In het Laagpakket van Wormer en het Laagpakket van Walcheren zijn geen ontkalkte en gerijpte bewoningsniveaus aangetroffen. In die pakketten zijn waarschijnlijk geen archeologische waarden aanwezig. De top van het veen is in het midden en oostelijke deel van het plangebied (deels) intact. In de top van het veen kunnen in dit deel van het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Indien de graafwerkzaamheden dieper dan 195 cm-mv reiken, dan wordt aanbevolen om een proefsleuven onderzoek uit te voeren. Wanneer rekening wordt gehouden met de aanwijzingen in de handreiking ‘Paalfundering archeologie vriendelijk bouwen’ van de RCE, wordt het plaatsen van funderingspalen wel als toelaatbaar beschouwd. De aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden in het bestemmingsplan beschermd middels een archeologische dubbelbestemming. Hierdoor kunnen zonder vervolgonderzoek geen werkzaamheden dieper dan 195 cm-mv worden uitgevoerd.
Wat betreft archeologie is hierdoor geen sprake van een negatief milieueffect.
4.3
Natuur (flora en fauna)
4.3.1
Huidige situatie Het projectgebied bestaat uit een leegstaand kerkgebouw, met daar omheen een gemaaid en bemest kruidenarm grasland. Er zijn enkele struiken en bomen aanwezig en in het noorden is een deel van het terrein afgeschermd door een stenen muur. De navolgende luchtfoto brengt de bestaande situatie in beeld.
18
Luchtfoto van het projectgebied
4.3.2
Effecten ontwikkeling In het kader van het bestemmingsplan is een quick scan natuur uitgevoerd. In de quick scan natuur is onder andere gekeken naar beschermde soorten. Uit het onderzoek blijkt dat voor de meeste beschermde soorten er geen effecten worden verwacht. Wel is mogelijk sprake van de verstoring van enkele soorten. Naar deze soorten zal nog nader soortonderzoek plaatsvinden. Mocht hieruit vervolgens blijken dat inderdaad sprake is van de verstoring van de betreffende soorten, dan zal hiervoor een ontheffing moeten worden aangevraagd en in dit kader zal een mitigatieplan moeten worden opgesteld. In dit plan moet worden uitgewerkt op welke wijze de gevolgen kunnen worden geminimaliseerd (gemitigeerd). Deze maatregelen zullen vervolgens als voorwaarde bij de verleende ontheffing worden gevoegd. Ervan uitgaand dat de voornoemde werkwijze wordt gevolgd en de eventueel benodigde nadere maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, dan kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven. Hiernaast kan er van worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect.
In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu. Conclusie Gezien voorgaande is op zijn hoogst sprake van een beperkt negatief milieueffect dat niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu kan worden gekwalificeerd.
19
4.4
Verkeer
4.4.1
Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft een binnenstedelijke locatie in Middelburg waar momenteel een kerk is gevestigd met de bijbehorende verkeersaantrekkende werking. De bestaande verkeersintensiteiten worden in paragraaf 4.4.2 in beeld gebracht.
4.4.2
Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie zal de bestaande kerk plaats maken voor 8 grondgebonden 2 woningen, 12 appartementen en 230 m aan maatschappelijke dienstverlening. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegene1 reerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op het feit dat het plangebied middenin een woonwijk ligt, worden de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden. De gemeente Middelburg wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘sterk stedelijk’ gebied. Om te kunnen bepalen welk effect de planontwikkeling heeft op de omliggende infrastructuur is in onderstaande tabel een vergelijking gemaakt tussen de verkeersgeneratie in de huidige situatie en de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie. De verkeersgeneratie is voortgekomen uit de CROW-kencijfers. Voor een kerk zijn geen kencijfers ten aanzien van verkeersgeneratie bekend. Daarom is de categorie ‘sportzaal’ aangehouden, aangezien ook bij deze functie sprake is van reguliere bezoekersstromen.
Volgens gegevens uit de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) 2 kent de bebouwing een oppervlakte van 1.288 m . Voor de toekomstige situatie is gekeken naar de kencijfers voor ‘koop, huis, tussen/hoek’, ‘koop, appartement, duur’ en ‘gezondheidscentrum’. De kencijfers voor een gezondheidscentrum zijn per behandelkamer. In voorliggende situatie wordt uitgegaan van maximaal 4 behandelkamers. Huidige verkeersgeneratie 2 (1.288 m kerk)
Toekomstige verkeersgeneratie (8 grondgebonden, 12 apparte2 menten & 230 m zorg)
Verschil
Minimaal
11,2 x 12,88 = 144,256
6,7 x 8 & 6,7 x 12 & 16,0 x 4 = 198
+ 54
Maximaal
13,5 x 12,88 = 173,88
7,5 x 8 & 7,5 x 12 & 20,2 x 4 = 230,8 + 57
Tabel verkeersgeneratie huidige en toekomstige situatie (motorvoertuigbewegingen per etmaal)
Zoals uit bovenstaande tabel is af te leiden neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie in geringe mate toe ten opzichte van de huidige situatie. Dit leidt nauwelijks tot effecten op de omgeving alsmede op de infrastructuur. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht.
1
CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernor-
men. 20
4.5
Geluid
4.5.1
Huidige situatie De locatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, waar verwacht kan worden dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een relatief hoger geluidsniveau van omringende wegen. Bovendien betreft het plan een herontwikkeling van een bestaande kerk. Deze bestaande bedrijfsfunctie brengt in de huidige situatie verkeer en hiermee enige geluidshinder met zich mee.
4.5.2
Effecten ontwikkeling In de toekomstige situatie maakt de kerk plaats voor woningen en maatschappelijke dienstverlening. Zoals in paragraaf 0 bij ‘Verkeer’ is beschreven, zal het verkeer aansluiten op diverse woonstraten in de omliggende woonwijk. Hier bevinden zich reeds bestaande woningen. Bij deze bestaande woningen zal de geluidsbelasting dus kunnen toenemen als gevolg van de realisatie van het plan. Zoals in paragraaf 0 is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op maximaal 57 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersaantrekking is zeer beperkt. In het kader van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek zijn op basis van verkeersgegevens van de gemeente Middelburg de huidige verkeersintensiteiten op de omliggen wegen bepaald. De verkeersintensiteiten op de aansluitende woonstraten bedragen minimaal 200 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet Geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40%. Bij dit plan is evenwel te verwachten dat de verkeerstoename veel lager zal zijn dan 40%. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst ca. 28,5%. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename.
Hiermee is geen sprake van een negatief milieueffect op het gebied van geluid.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende kaarten brengen de achtergrondconcentraties in beeld.
21
Kaart achtergrondwaarden stikstofdioxide (NO2) (Bron:AtlasLeefomgeving)
Kaart achtergrondwaarden fijnstof (PM10) (Bron:AtlasLeefomgeving)
Kaart achtergrondwaarden zeer fijnstof (PM2,5) (Bron:AtlasLeefomgeving)
22
Uit voorgaande kaarten blijkt dat sprake is van betrekkelijk hoge achtergrond3 concentraties voor wat betreft stikstofdioxide (NO2). Deze ligt op circa 16-20 µg/m . De achtergrondconcentraties bij (zeer-)fijnstof zijn evenwel laag: deze ligt bij fijnstof 3 3 (PM10) op circa 15-17 µg/m en bij zeer fijnstof (PM2,5) op circa 8-10 µg/m . In de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer) zijn wettelijke grenswaarden genoemd voor de betreffende stoffen; die bedraagt voor de jaargemiddelde immissie3 3 concentraties 40 µg/m voor NO2 en PM10 en 25 µg/m voor PM2,5. In alle gevallen blijven de achtergrondwaarden ver beneden deze grenswaarden. 4.6.2
Effecten ontwikkeling 2
Onderliggend project voorziet in de realisatie van 20 woningen en 230 m aan maatschappelijke dienstverlening. In paragraaf 4.4.2 is reeds besproken dat wordt uitgegaan van een verkeerstoename van maximaal 57 motorvoertuigen per etmaal. Dit is ingevoerd in de NIBM-tool. In de navolgende tabel is de berekening met de NIBM-tool weergegeven.
Uitgaande van een aandeel voor vrachtverkeer van 2% (een veilige en ‘ruime’ aan3 3 name), leidt dit tot een maximale bijdrage van 0,05 µg/m NO2 en 0,01 µg/m voor PM10. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van het project kleiner is dan de NIBM-grens van 1,2 µg/m³. Daardoor zal het project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wm niet noodzakelijk. Op basis hiervan kan ook worden geconcludeerd dat geen sprake is van een negatief milieueffect, of ten hoogste van een zeer beperkt negatief milieueffect. Toets grenswaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet daarnaast worden gekeken naar de blootstelling, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Uit de hiervoor opgenomen inventarisatie van de bestaande achtergrondconcentraties en de toetsing aan de NIBM-tool kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 23
3
De bijdrage inzake stikstofdioxide (NO2) bedraagt 0,05 µg/m . De 3 achtergrondconcentraties voor wat betreft stikstofdioxide ligt op circa 16-20 µg/m . Deze achtergrondconcentratie neemt als gevolg van onderhavig project dus slechts zeer beperkt toe. 3 De bijdrage inzake fijnstof (PM10) en bedraagt 0,01 µg/m . De 3 achtergrondconcentraties bij fijnstof (PM10) ligt op circa 15-17 µg/m . Deze achtergrondconcentratie neemt als gevolg van onderhavig project dus slechts zeer beperkt toe. Wat betreft zeer fijnstof (PM2,5) is de planbijdrage niet berekend (dit is niet mogelijk via de NIBM-tool). Als de planbijdrage inzake fijnstof reeds beperkt is kan evenwel worden aangenomen dat de planbijdrage van zeerfijnstof ook zeer beperkt is. De achtergrondconcentraties bij zeerfijnstof (PM2,5) bedragen 3 momenteel 8-10 µg/m . Er kan worden verwacht dat de achtergrondconcentratie als gevolg van onderhavig project dus slechts zeer beperkt toeneemt.
Uit voorgaande blijkt dat de achtergrondconcentraties van alle beoordeelde stoffen als gevolg van onderhavig project slechts zeer beperkt toenemen. In alle gevallen kan een overschrijding van de grenswaarden met zekerheid worden uitgesloten. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Dat de achtergrondconcentraties inclusief planbijdrage ver onder deze grenswaarden blijven, is een sterke aanwijzing dat er niet kan worden gesproken van een negatief milieueffect. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.
24
5
Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de herontwikkeling van het leegstaande kerkgebouw De Morgenster naar woningen en maatschappelijke dienstverlening belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Archeologie
Natuur (soortenbescherming)
Verkeer
Geluid
Lucht
Beoordeling milieueffecten Uit het uitgevoerde archeologische onderzoek blijkt dat er beneden 195 cm-mv archeologische waarden worden verwacht. Deze waarden worden in het bestemmingsplan beschermd middels een dubbelbestemming. Van een negatief milieueffect op dit aspect is hierdoor geen sprake. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat wat betreft de meeste beschermde soorten geen negatieve effecten worden verwacht. Wat betreft de soorten waarbij negatieve effecten niet worden uitgesloten zijn in het kader van de verleende ontheffing maatregelen voorgeschreven waarmee deze zoveel mogelijk worden beperkt. Hiermee zijn de negatieve effecten op zijn hoogtst minimaal. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. De nieuwe woon- en zorgontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeersaantrekkende werking en deze kan zonder afwikkelingsproblemen worden aangesloten op de bestaande woonwijk. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Als gevolg van de nieuwe woon- en zorgontwikeling zal er sprake zijn van een beperkte verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de omringende wegen is echter overal ruim minder dan 40%.