CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

20-039 Bijlage 2. Ingekomen stukken RM

Commissie Ruimte 8 april 2024, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken gemeenteraad (24-039 MZ/RM/AB)30.767 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Zij voeren daartoe onder meer aan dat het project een te grootschalig karakter heeft, dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de Natura 2000-doelen en de ontwikkeling van het NNN niet versterkt, dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de infrastructuur en dat het park niet van toegevoegde waarde is. 19.1. In paragraaf 4.1.2 van de plantoelichting is de raad ingegaan op de Gebiedsvisie. Zoals hiervoor is vermeld, is het plangebied daarin opgenomen als een zogenoemd pijplijnproject. Dit betekent dat, voor zover het plan niet in overeenstemming is met de uitgangspunten voor de Gebiedsvisie, het principe "agree to disagree" geldt. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat voor dit project van de uitgangspunten mag worden afgeweken. De raad heeft in dat kader toegelicht dat bij de uitwerking van het plan de algemene principes zoveel mogelijk in acht zijn genomen. Voor de door appellanten genoemde punten verwijst de Afdeling naar wat hiervoor is overwogen. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt

19

kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met de Gebiedsvisie. Het betoog slaagt niet. Verkeer 20. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en de VOF en anderen vrezen dat het plan zal leiden tot ernstige verkeersoverlast. Er zijn onjuiste uitgangspunten gebruikt bij de berekening van de verkeersprognose. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat geen adequate gebiedsontsluiting beschikbaar is. Zij stellen dat de feitelijke situatie het uitgangspunt moet zijn. Ook stellen zij dat de doorgaande weg in Arnemuiden (de Nieuwlandseweg) een capaciteit heeft van maximaal 1.500 motorvoertuigen per etmaal en dat dit aantal door de exploitatie van het park zal worden overschreden. [appellant sub 3] voert aan dat het verkeer dat via Goes/Wolphaartsdijk naar het park gaat langs zijn woning komt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3752, stelt hij dat de wegen rondom het park de verkeersintensiteiten niet aankunnen. Daarnaast voert hij aan dat bij de modellering van de verkeerstoename geen rekening gehouden mag worden met de planologische mogelijkheden die bestonden op het moment dat het plan werd vastgesteld. [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat de Oranjeplaatweg de hoeveelheid verkeer als gevolg van het plan niet aankan.

In dat kader wijzen zij tevens op de omstandigheid dat deze weg geen aparte voorziening heeft voor fietsers en voetgangers. De VOF en anderen voeren aan dat de verkeerseffecten als gevolg van het plan zijn onderschat, omdat de kencijfers van CROW niet kunnen worden toegepast op recreatiewoningen die ruimte bieden aan 24 personen. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de verkeersbewegingen van daggasten. 20.1. In onder meer paragraaf 5.2 van plantoelichting is ingegaan op het aspect verkeer. Ten behoeve van het plan zijn diverse verkeersonderzoeken uitgevoerd. De gevolgen van de verkeersgeneratie van het recreatiepark voor de verkeersafwikkeling zijn onderzocht in het "Achtergrondrapport verkeer, MER Waterpark Veerse Meer" van Goudappel Coffeng 30 maart 2020, dat als bijlage 3 bij de toelichting is gevoegd (hierna: het Achtergrondrapport). Daarin zijn de verkeerseffecten als gevolg van het plan beoordeeld op basis van de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig Parkeren" en is gebruikgemaakt van het verkeersmodel Walcheren. Daarbij zijn naast de huidige verkeerssituatie, de verkeersbeelden bepaald in drie situaties. In de eerste plaats is de 'Autonome situatie 2030' onderzocht, de verkeerssituatie als er niets aan de huidige situatie zou veranderen.

In de tweede plaats is het scenario uitgewerkt dat het vorige bestemmingsplan gerealiseerd zou worden (de Referentiesituatie 2030). In de derde plaats is de ontwikkeling onderzocht zoals die in het voorliggende plan wordt voorzien (het Plan Driestar Alternatief 2). In alle situaties is rekening gehouden met het hoogseizoen door op de gemiddelde werkdag 40% meer verkeer te berekenen. Aan de hand van de resultaten zijn de gevolgen beoordeeld voor onder meer de doorstroming, verkeersveiligheid en luchtkwaliteit. In het achtergrondrapport is de Nieuwe Kraaijertsedijk als potentieel knelpunt gesignaleerd. Daarin is gerekend met zogenoemde worstcase-aannames. Uit dit onderzoek is gebleken dat er binnen het gebied en met name in de kernen Wolphaartsdijk en Arnemuiden nu al verkeersknelpunten bestaan. Met de ontwikkeling ontstaat een toename van 2.502 verkeersbewegingen op een werkdag ten opzichte van de autonome situatie in 2030. Daarmee is het plan verkeerskundig gelijk aan de

20

situatie als de mogelijkheden in het vorige plan. Dit betekent dat in vergelijking met de autonome situatie alleen knelpunten ontstaan op de Nieuwe Kraaijertsedijk. Ter controle van de gehanteerde CROW kengetallen zijn bij het qua opzet en omvang vergelijkbare recreatiepark Hof van Saksen in Drenthe verkeerstellingen uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de werkelijke verkeersgeneratie van Hof van Saksen 58% lager ligt dan de berekende verkeersgeneratie. De verkeersintensiteit is 1,64 per recreatiewoning op een gemiddelde weekdag in het hoogseizoen, terwijl in het onderzoek van de voorziene ontwikkeling is gerekend met een norm van 2,8. Die norm is in het hoogseizoen met 40% opgehoogd. Om de gevolgen hiervan nader in beeld te brengen is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De resultaten staan in het rapport "Verkeersanalyse Waterpark Veerse Meer; actualisatie op basis van praktijkmetingen" van Goudappel Coffeng van 7 oktober 2020 (hierna: het Actualisatierapport). Dat is als bijlage 16 bij de plantoelichting gevoegd. In het Actualisatierapport zijn berekeningen gemaakt waarbij is uitgegaan van de actuele tellingen die zijn verricht bij Hof van Saksen. Het gespecificeerde kencijfer wordt onderbouwd in de notitie "Toetsing verkeersgeneratie vergelijkbaar park ten opzichte van CROW-kencijfer bungalow", die als bijlage 17 bij de toelichting is gevoegd.

Volgens het Actualisatierapport leidt het plan tot een toename van 1.370 verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag ten opzichte van de autonome situatie in 2030. Dit is ruim 1.100 motorvoertuigbewegingen per etmaal lager dan wat op basis van het vorige plan mogelijk is. Op basis van de actualisatie wordt in het rapport geconcludeerd dat het plan ten opzichte van de autonome situatie in 2030 geen effect heeft op de doorstroming, dat geen extra overschrijdingen van de streefwaarde van erftoegangswegen zullen plaatsvinden, dat het aantal wegvakken waar een overschrijding van die streefwaarde plaatsvindt niet toeneemt en dat er geen effecten zijn op de inrichting van fietsroutes. Ook is in het aanvullende rapport van 20 juni 2021 gereageerd op de opmerkingen van STAB over de verkeerssituatie op het noordelijke deel van de Nieuwe Kraaijertsedijk. Dat stuk is als bijlage 4 bij het verweerschrift gevoegd. Een van de ontsluitingsroutes van het recreatiepark loopt via de Nieuwe Kraaijertsedijk, een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximaal toegestane snelheid van 60 km/uur. De conclusie is dat het wegprofiel passend is bij het huidige en te verwachten gebruik van de Nieuwe Kraaijertsedijk Noord. De inrichting is daarmee voldoende veilig om het verkeer af te wikkelen. 20.2.

De Afdeling stelt voorop dat het voorliggende plan geen bijdrage hoeft te leveren aan het oplossen van een bestaand verkeersprobleem in het plangebied en de omgeving ervan, maar de bestaande overlast moet ook niet verergeren. De knelpunten als gevolg van de toename aan verkeer zijn erkend door de betrokken partijen en er is besloten om gezamenlijk naar dit probleem te kijken. De provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en onder meer de gemeente Middelburg hebben besloten tot het opstellen van een gebiedsontsluitingsvisie. Daarvoor is de "Gebiedsontsluitingsvisie Veerse Meer" vastgesteld. Met de uitgevoerde verkeersonderzoeken is nogmaals onderstreept dat er in het gebied diverse verkeersknelpunten zijn. Deze zijn bekend en worden niet veroorzaakt door het plan. Omdat de ontwikkeling gefaseerd wordt uitgevoerd, neemt de hoeveelheid verkeer als gevolg van het park geleidelijk toe. Tot aan het referentiejaar 2030 is er volgens de raad daarom voldoende tijd om maatregelen te treffen om het verkeer in goede banen te leiden en te starten met de uitbreiding van de weginfrastructuur die nodig is om in het gebied een robuuste ontsluiting te realiseren. De Afdeling zal hierna beoordelen of in zoverre inderdaad sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie. 20.3. Eerst wordt ingegaan op de bezwaren van appellanten ten aanzien van de uitgevoerde verkeersbeoordeling.

Appellanten stellen dat het aantal verkeersbewegingen is onderschat

21

en dat dus ook de verkeerseffecten als gevolg van het plan zijn onderschat. Zij hebben de uitgangspunten en de conclusies van de uitgevoerde beoordeling, zoals hiervoor is weergeven, bestreden, voor zover het betreft de gehanteerde kencijfers, de vergelijking van verschillende scenario’s en de geschiktheid van de wegenstructuur. In het aangevoerde bestaat echter geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersonderzoek zodanige gebreken bevat dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren. De Afdeling acht daarvoor het volgende van belang. 20.4. Voor zover de VOF en anderen stellen dat in dit geval de kencijfers van CROW niet kunnen worden toegepast, overweegt de Afdeling als volgt. In de onderzoeken is voor de berekening van de verkeersgeneratie gebruikgemaakt van kencijfers van het CROW. Er bestaat geen reden voor het oordeel dat de raad deze cijfers niet als uitgangspunt heeft kunnen hanteren. In het Actualisatierapport is afgeweken van die kengetallen van CROW, maar de raad heeft dat voldoende gemotiveerd. Daarvoor is van belang dat aansluiting is gezocht bij de tellingen van het qua opzet en omvang vergelijkbare recreatiepark Hof van Saksen. Het gespecificeerde kencijfer is onderbouwd in de notitie "Toetsing verkeersgeneratie vergelijkbaar park ten opzichte van CROW-kencijfer bungalow", die als bijlage 17 bij de toelichting is gevoegd.

Uit de tellingen volgt dat het kencijfer van CROW een overschatting is van de verkeersgeneratie die daadwerkelijk zal optreden. De raad concludeert op grond daarvan dat er geen reden is om aan te nemen dat de verkeersaantrekkende werking van het park onderschat is. De Afdeling overweegt dat dit standpunt niet onaannemelijk is. Voor dat oordeel is mede van betekenis dat, anders dan de VOF en anderen stellen, in de berekening ook de verkeersbewegingen in aanmerking zijn genomen die door de daggasten worden gegenereerd. Hier is specifiek onderzoek naar verricht door Goudappel. De resultaten daarvan staan in het memo "Verkeerseffecten openbaarheid voorzieningen Waterpark Veerse Meer" van 4 mei 2021 dat als bijlage 22 bij de toelichting is gevoegd. Zekerheidshalve is in artikel 5.3.5, onder a, van de planregels bepaald dat per week maximaal 300 motorvoertuigen van daggasten mogen worden toegelaten op het recreatiepark. Ook de stelling van de VOF en anderen dat de verkeerseffecten zijn onderschat omdat de kencijfers van CROW niet kunnen worden toegepast op recreatiewoningen die ruimte bieden aan 24 personen volgt de Afdeling niet. Daarbij is van betekenis dat slechts 7% van de accommodaties op het park ruimte bieden aan 14 personen of meer. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in dit geval gehanteerde kencijfers niet representatief zijn. 20.5.

Wat betreft de vergelijking van verschillende scenario’s overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het vorige plan niet als referentiesituatie gebruikt had mogen worden. In de onderzoeken is de situatie met het vorige plan als uitgangspunt genomen. Bij een onderzoek in het kader van een plan is het gebruikelijk om de plansituatie te vergelijken met de toekomstige referentiesituatie. Deze referentiesituatie is de situatie in 2030 inclusief de autonome groei van het verkeer en dus ook inclusief de concrete plannen die verkeer genereren. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan niet als referentiesituatie heeft mogen nemen. 20.6. Wat betreft het betoog dat de Nieuwlandseweg in Arnemuiden een capaciteit heeft van maximaal 1.500 motorvoertuigen per dag en dat dit aantal als gevolg van het plan zal worden overschreden, overweegt de Afdeling als volgt. In het verweerschrift staat dat de verkeerssituatie op de Nieuwlandseweg een bestaand knelpunt is dat met name wordt veroorzaakt door bestemmingsverkeer uit het dorp. Dat knelpunt bevindt zich aan het uiteinde van de Nieuwlandseweg, ten zuiden van de Arnestraat. Dat is buiten de bebouwde

22

omgeving. Verderop op de Nieuwlandseweg is sprake van een lagere verkeersintensiteit. Op het deel tussen de Arnestraat en de Clasinaweg wordt in het Achtergrondrapport een intensiteit berekend van 7.500 motorvoertuigen per etmaal in de Autonome situatie 2030 en 7.900 motorvoertuigen per etmaal in de Referentiesituatie 2030. Op het deel van de Nieuwlandseweg bij de Schuttershof wordt een lagere verkeersintensiteit berekend van 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Uit de berekeningen met het verkeersmodel is gebleken dat 8.000 motorvoertuigen per etmaal van de 10.000 die op de Nieuwlandseweg rijden een herkomst en/of bestemming hebben in de kern Arnemuiden. Het gaat hoofdzakelijk om het weggebruik door de bewoners zelf en niet het toeristisch verkeer. De resterende 2.000 voertuigen zijn doorgaand verkeer door de kern, dus richting de gebieden ten noorden van de kern alsook het toeristisch verkeer. Het aandeel toeristisch verkeer en met name ook het aandeel van het recreatiepark is beperkt. Het park heeft daarom een beperkte rol in het knelpunt op de Nieuwlandseweg. Waar nodig zullen maatregelen worden getroffen totdat de opwaardering van de weginfrastructuur in Arnemuiden is gerealiseerd. De uitvoering van deze maatregelen staat vermeld op het stappenplan dat bij de plantoelichting is gevoegd als bijlage 6.

Hierin staat dat de benodigde maatregelen getroffen zullen zijn voordat de beoogde ontwikkeling is gerealiseerd. 20.7. In het verweerschrift staat dat de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie van [appellant sub 3] aanvaardbaar zijn. Uit het Achtergrondrapport verkeer blijkt dat de verwezenlijking van het recreatiepark conform het Plan Driestar Alternatief 2 uitsluitend wezenlijke effecten heeft voor de verkeersintensiteiten op het zuidelijke en oostelijke deel van de Nieuwe Kraaijertsedijk. [appellant sub 3] woont aan de Muidenweg 100. Volgens het Achtergrondrapport kan worden uitgesloten dat [appellant sub 3] onaanvaardbare effecten zal ondervinden als gevolg van de te verwachten verkeerssituatie. Verder bestaat ook geen grond voor het oordeel dat er meer verkeer via de route Wolphaertsdijk/Goes gaat rijden. De verwachting is dat het verkeer zich evenredig zal verdelen over het beschikbare wegennet. Dit is aannemelijk. 20.8. Over het betoog dat de Oranjeplaatweg de hoeveelheid verkeer als gevolg van het plan niet aankan is in het verweerschrift nader toegelicht dat dit een doodlopende weg is waar 30 km/uur mag worden gereden en waarlangs uitsluitend de recreatiewoningen van onder meer [appellant sub 4] en anderen en het recreatiestrand kunnen worden bereikt. De weg wordt dus gebruikt voor bestemmingsverkeer.

De Oranjeplaatweg blijft ook in de toekomstige situatie openbaar toegankelijk, zodat de bereikbaarheid van de recreatiewoningen niet wordt beperkt. Het plan sluit weliswaar niet uit dat het recreatiepark deels wordt ontsloten op de Oranjeplaatweg, maar daarbij gaat het uitsluitend om het noordelijke deel van het park. De gevolgen van een dergelijke ontsluiting zijn onderzocht in het Achtergrondrapport. Bij het onderzoek is uitgegaan van de kencijfers voor bungalows van CROW en dus niet van de kencijfers die in het Actualisatierapport zijn opgenomen op basis van tellingen bij het Hof van Saksen. Voor dit scenario berekent Goudappel Coffeng dat de verkeersintensiteit op de Oranjeplaatweg toeneemt van 600 motorvoertuigen per etmaal naar 3.400. Deze berekende verkeersintensiteit bij een ontsluiting op de Oranjeplaatweg ligt ruim onder de streefwaarde die CROW hanteert voor erftoegangswegen. Ook als wordt gekeken naar de feitelijke inrichting van deze weg in het licht van de (toekomstige) functie en de te verwachten verkeersintensiteiten, wordt geconcludeerd dat de weg de berekende toename van het aantal motorvoertuigen kan verwerken. In het aangevoerde bestaat geen reden om aan deze conclusie te twijfelen. 20.9. Wat betreft het betoog dat de wegenstructuur niet geschikt is voor gemotoriseerd verkeer van een ontwikkeling als het recreatiepark, overweegt de Afdeling als volgt. Het

23

effect van de verkeerstromen op de mate van verkeersafwikkeling op de kruispunten is in beeld gebracht. De resultaten staan in het aanvullende rapport van 20 juni 2021 dat als bijlage 4 bij het verweerschrift is gevoegd. Hieruit blijkt dat in de plansituatie de onderzochte kruispunten met de huidige vormgeving het verkeer kunnen afwikkelen. Op elk kruispunt is restcapaciteit beschikbaar om eventuele pieken of een groei van verkeer op te vangen. De huidige vormgeving van de kruispunten is ook toereikend voor de verkeersafwikkeling. Aanvullend is een kruispuntanalyse gemaakt voor de aansluitingen van het park op het wegennet. Hieruit blijkt dat het probleemoplossend vermogen van de huidige verkeersstructuur in het plangebied te beperkt is om de knelpunten op te lossen. De sterke autonome groei is vooral het gevolg van de diverse reeds vastgestelde ontwikkelingen aan de zuidzijde van het Veerse Meer. Hoewel het plan planologisch gezien geen nieuwe verkeersproblematiek veroorzaakt, zijn de knelpunten als gevolg van de toename aan verkeer erkend door de betrokken partijen. In de gebiedsgerichte aanpak wordt een structuurplan opgesteld voor een robuuste gebiedsontsluiting voor het Veerse Meer-zuid gebied. Daarvoor verwijst de Afdeling naar wat hiervoor onder 20.2 is weergegeven. 20.10.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat ten gevolge van het plan geen onaanvaardbare toename van de verkeersdruk zal ontstaan. De betogen slagen niet. 21. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en de VOF en anderen betogen verder dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties. 21.1. In de Verkeersveiligheidsanalyse die als bijlage 10 bij de toelichting is gevoegd, heeft Goudappel gekeken naar de verkeersveiligheid. De Nieuwe Kraaijertsedijk is in het Achtergrondrapport onderverdeeld in drie wegvakken, te weten Zuid, Noord en Oost. De aandachtspunten op de weginfrastructuur die worden gesignaleerd, bevinden zich op de Nieuwe Kraaijertsedijk Noord. De percelen van [appellant sub 3] en de VOF en anderen liggen op grote afstand van de locatie waar de knelpunten zijn gesignaleerd, zodat kan worden uitgesloten dat zij onaanvaardbare negatieve effecten zullen ondervinden als gevolg van de te verwachten verkeerssituatie. Verder is in het aanvullende rapport van 20 juni 2021 nader ingegaan op de verkeersveiligheid. Op basis van het aanvullende verkeersonderzoek naar de Nieuwe Kraaijertsedijk stelt Goudappel dat het huidige wegprofiel passend is bij het huidige en te verwachten gebruik van de Nieuwe Kraaijertsedijk.

De huidige inrichting is voldoende veilig om het verkeer af te wikkelen. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid. Het betoog slaagt niet. Parkeren 22. [appellant sub 4] en anderen vrezen als gevolg van het plan voor parkeeroverlast. Daartoe voeren zij aan dat is uitgegaan van een te lage parkeernorm. Zo is geen rekening gehouden met daggasten en het personeel. Daarnaast voeren [appellant sub 4] en anderen aan dat de in het plan opgenomen parkeerregeling in strijd is met artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, omdat de verwijzing naar de CROW-publicatie niet kan worden aangemerkt als een gemeentelijke beleidsregel. 22.1. Artikel 10.3 van de planregels luidt: "Een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken en gebruik van de gronden ten dienste van de bestemming is

24

slechts toegestaan indien op het bouwperceel voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn die duurzaam in stand worden gehouden. Onder voldoende parkeerplaatsen wordt verstaan de normen zoals bepaald in de CROW publicatie 381, of diens rechtsopvolger." 22.2. In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect parkeren. In artikel 10.3 van de planregels is een zogenoemde dynamische verwijzing opgenomen naar de CROW Publicatie 381. Bij de uiteindelijke aanvraag voor de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning moet worden aangesloten bij de parkeercijfers van die publicatie of indien deze gewijzigd zijn bij de gewijzigde versie hiervan. Uit eerdere rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2851, blijkt dat deze wijze van normering ter bepaling van "voldoende parkeergelegenheid" niet rechtsonzeker is. Verder staat in de plantoelichting dat het parkeren voor het recreatiepark volledig op eigen terrein zal worden gefaciliteerd. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet gebruik heeft mogen maken van de kengetallen van het CROW. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast. Het betoog slaagt niet. Geluid 23.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 4] en anderen en de VOF en anderen betogen dat het plan leidt tot geluidhinder. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de geluidsbelasting van woningen niet mag worden uitgegaan van etmaalgemiddelden. [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek gedaan is naar de geluidsbelasting op hun recreatiewoningen als gevolg van het gebruik van het recreatiepark en wegverkeer. In het bijzonder wijzen zij op de cumulatie met het luchtvaartverkeerslawaai. De VOF en anderen voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting op de agrarische bedrijfswoning vanwege het gebruik van het recreatiepark. Er had niet mogen worden volstaan met een verwijzing naar de richtafstanden uit de VNGbrochure, omdat de voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de gevel van de agrarische bedrijfswoning wordt overschreden. Zij wijzen ter onderbouwing op de uitspraken van 23 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1958, 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1687, 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439 en 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8833. 23.1. In paragraaf 9.3 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect geluid. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is hiernaar onderzoek verricht.

Aan het plan zijn twee onderzoeken ten grondslag gelegd. Dit is het rapport "Achtergrondrapport verkeer, MER Waterpark Veerse Meer" van Goudappel Coffeng van 30 maart 2020 en het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" van KuiperCompagnons van 16 september 2020. De stukken zijn als bijlage 3 en 6 bij de toelichting gevoegd. De conclusie is dat de effecten van de ontwikkeling gelijk zijn aan de effecten wanneer de ontwikkelruimte in het voorgaande plan benut wordt. In de hiervoor genoemde onderzoeken is de specifieke situatie voor appellanten niet inzichtelijk gemaakt. Wel blijkt daaruit dat de geluidsbelasting vanwege de Oranjeplaatweg op de grens maximaal 41 dB zal bedragen. Omdat de recreatiewoningen van appellanten aan het einde van de weg liggen en verder van de weg af zijn gelegen, zal de geluidbelasting vanwege wegverkeer beperkter zijn. De geluidsbelasting zal daarmee ruim onder de

25

voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Volgens de raad is daarom sprake van een aanvaardbare geluidsituatie. De Afdeling acht dit standpunt aannemelijk. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de milieugevolgen vanwege het park op de bedrijfswoning van de VOF en anderen op het agrarische perceel heeft de raad aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. Tussen de recreatiewoningen en het plangebied liggen groene overgangszones, zodat de afstand van de uiterste situering van die woningen en de grens van het recreatiepark meer dan 50 m bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de maximale richtafstand die is opgenomen in de VNG-brochure. Het standpunt van de raad dat er van uit mag worden gegaan dat het stemgeluid van gasten als een voor kampeerterreinen en recreatieparken relevante geluidbron in deze richtafstand is meegenomen, acht de Afdeling niet onjuist. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de afstanden in de VNG-brochure. Verder wordt rondom de bedrijfswoning een bufferzone aangehouden van 50 m breed. Op grond van de eisen die het plan stelt aan de landschappelijke inpassing, moet de bufferzone worden voorzien van een grondwal. De grondwal heeft mede een geluiddempend effect.

In het rapport van 30 maart 2020 is een berekening gemaakt van de zogenoemde indirecte hinder die ter plaatse van woningen zal optreden door de ontwikkeling van het recreatiepark. In paragraaf 10.1.5 hiervan wordt geconcludeerd dat bij de ontwikkeling geen waarneembare toenames van de geluidsbelasting zijn te verwachten. In paragraaf 10.1.6 is weliswaar aangegeven dat na de ontwikkeling van het plangebied ter plaatse van 77 woningen sprake zal zijn van een toename van de geluidsbelasting, maar de agrarische bedrijfswoning van de VOF en anderen hoort daar niet bij. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat ter plaatse van de percelen van appellanten sprake is van onaanvaardbare geluidhinder. Het betoog slaagt niet. Water 24. [appellant sub 1] en anderen en de VOF en anderen vrezen voor verzilting van het grondwater als gevolg van het plan. [appellant sub 1] en anderen hebben twijfels bij het effect van de voorgestelde mitigerende maatregelen, met name het aanbrengen van een scherm van 10 m diep en het aanbrengen van folie in de kreken. Zij vragen zich af of het in de nabijheid van het plangebied gelegen zoetwatervoorkomen voldoende wordt beschermd. Zij betwijfelen of de maatregelen die in het rapport van Sweco zijn voorgesteld, effectief zullen zijn.

De VOF en anderen voeren aan dat de ontwikkeling van de kreken waarin het plan voorziet van invloed zal zijn op het zoetwatervoorkomen. 24.1. In paragraaf 7 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect water. Ten behoeve van het plan is geohydrologisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem op de omgeving. Daarnaast is het effect van zout water op de omgeving beschouwd. De resultaten staan in het rapport "Geohydrologisch onderzoek" van Sweco van 15 april 2020 dat als bijlage 7 bij de toelichting is gevoegd. Hieruit blijkt dat de grondwaterstanden als gevolg van het realiseren van kreken zullen dalen en het grondwater ter plaatse van het uitbreidingsgebied in beginsel zouter zou kunnen worden door menging van water vanuit de kreken met het zoete grondwater ter plaatse. Deze gevolgen zouden met maatregelen voorkomen kunnen worden. In de watertoetstabel zoals opgenomen in bijlage 11 bij de toelichting heeft het waterschap geconcludeerd dat naar verwachting de invloed op de zoetwatervoorkomens nihil is. Indien nodig zal in een eventuele procedure voor

26

een watervergunning de te realiseren waterhuishoudkundige inrichting van het plangebied met de daarbij behorende afspraken over de monitoring beoordeeld en geborgd worden. In zoverre heeft Sweco berekend dat het opzetten van het peil de meest efficiënte en goedkoopste maatregel is. Dit zou kunnen door het aanbrengen van folie of een kleilaag. Deze maatregel wordt toegelicht in een memo 27 juli 2022 die als bijlage 8 bij het verweerschrift is gevoegd. Verder heeft Sweco in een notitie van 28 november 2022, die als bijlage 9 bij het verweerschrift is gevoegd, gereageerd op de kanttekening van de STAB over dit aspect. Omdat enige beïnvloeding niet uitgesloten is, is monitoring ook noodzakelijk. Hiervoor is een monitoringsplan opgesteld, dat is goedgekeurd door het waterschap. Gelet op de gegeven toelichting heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat met het aspect water voldoende rekening is gehouden en dat niet voor onaanvaardbare wateroverlast als gevolg van het plan behoeft te worden gevreesd. Voor haar oordeel acht de Afdeling mede van betekenis dat het plan de aanleg van watervoorzieningen toelaat en dat het plan is voorgelegd aan het waterschap. Het betoog slaagt niet. Luchtkwaliteit 25. De VOF en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. 25.1.

In paragraaf 9.6 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. In het kader van de MER is onderzoek uitgevoerd naar de effecten op de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Ontwerp Achtergrondrapport verkeer - MER Waterpark Veerse Meer" van Goudappel Coffeng van 30 maart 2020 en het rapport "Luchtkwaliteit MER Waterpark Veerse Meer" van 29 april 2021. Deze zijn als bijlage 3 en 8 bij de toelichting gevoegd. Uit de berekeningen volgt dat de totale concentratie 20,9 μg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie ligt ruimschoots lager dan de grenswaarde van 40 µg/m³. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het betoog slaagt niet. Lichthinder 26. [appellant sub 4] en anderen en de VOF en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met lichthinder. In het bijzonder wijzen zij op de lichtmasten van 10 m hoog die binnen het plangebied mogen worden opgericht. In de planregels hadden bepalingen moeten worden opgenomen over onder meer het type verlichting, de maximaal toegelaten lichtsterkte en de situering van de lichtmasten. 26.1. Lichthinder zou kunnen optreden door de lichtmasten die binnen het plangebied mogen worden opgericht.

De hoogte van de lichtmasten in de groene overgangszones mag op grond van artikel 3.2.3, onder d, van de planregels 10 m zijn. Uit paragraaf 9.11.2 van de plantoelichting blijkt dat een "duisternis- en verlichtingsplan" is opgesteld. Dat plan is als bijlage 13 bij de toelichting gevoegd. Enerzijds is het uitgangspunt om zo min mogelijk lichtuitstraling te genereren. Anderzijds dient het park voldoende verlichting te hebben om het park sociaal veilig te houden. Volgens de raad is het niet aannemelijk dat de verlichting tot buiten het plangebied zal reiken of dat die een merkbaar effect zal hebben op de verlichting die in het gebied rondom de recreatiewoningen aanwezig is. Daar komt bij dat de recreatiewoningen van [appellant sub 4] en anderen op ruim 35 m van de grens van het park

27

liggen. Ook ligt tussen de recreatiewoningen en het recreatiepark de Oranjeplaatweg, die voorzien is van straatlantaarns. Het is volgens de raad daarom niet nodig om in het plan nadere regels te stellen over verlichting. Om tegemoet te komen aan de zorgen van [appellant sub 4] en anderen is in artikel 10.2, onder f, van de planregels een verbod opgenomen om rondstralende verlichting aan te brengen. De lichtmasten kunnen niet uitstijgen boven de grondwallen die op basis van artikel 10.4 van het plan en de inrichtingsvereisten gerealiseerd worden. Gelet op de vormgeving van de groene overgangszone alsmede de bufferzone die rondom het perceel is aangehouden, zal ter plaatse van de agrarische bedrijfswoning van de VOF en anderen geen sprake zijn van enige lichthinder. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten concluderen dat het plan leidt tot onaanvaardbare lichthinder. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid plan - Flora en fauna 27. [appellant sub 4] en anderen betogen dat onvoldoende vaststaat dat het plan uitvoerbaar is, omdat op grond van de Wnb ontheffing nodig is voor de gewone dwergvleermuis, de buizerd, de kerkuil, de huismus, het konijn en de haas en die ontheffingen niet kunnen worden verleend. 27.1.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Maar de raad mag het plan niet vaststellen indien en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 27.2. In hoofdstuk 6 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect ecologie. Daaruit volgt dat ten behoeve van het plan onderzoek is gedaan naar de mogelijke effecten van het plan op de flora en fauna. De resultaten zijn neergelegd in de rapporten die als bijlage 4a bij de plantoelichting zijn gevoegd. In het rapport van 23 november 2020 met betrekking tot het zuidelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd om nader onderzoek te verrichten. In het rapport van 23 oktober 2020 met betrekking tot het noordelijke deel van het plangebied wordt eveneens geadviseerd om nader onderzoek te verrichten. De resultaten van het nader onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Rapportage aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming, Waterpark Veerse Meer" van 29 april 2021. Hieruit blijkt dat ten behoeve van het plan een ontheffing nodig is voor de gewone dwergvleermuis, kerkuil, huismus, konijn en haas.

Wanneer de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van de buizerd of buiten 75 m van een nest plaatsvinden, is een ontheffing niet nodig. Voor de overige soorten is geen ontheffing nodig. In een aanvullend memo van 12 mei 2022 dat als bijlage 16 bij het verweerschrift is gevoegd, staat dat door de toepassing van maatregelen kan worden voorkomen dat de beschermde soorten effecten van de ontwikkeling zullen ondervinden en de benodigde ontheffingen kunnen worden verleend. Anders dan appellanten stellen, worden die maatregelen pas geborgd met de benodigde ontheffing op grond van de Wnb. Zij hebben verder geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de bevindingen en conclusies van de hiervoor genoemde rapporten. De raad heeft zich daarop mogen baseren. Onder verwijzing daarnaar heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

28

Het betoog slaagt niet. - Bodem 28. [appellant sub 4] en anderen en de VOF en anderen betogen dat in dit geval onvoldoende onderzoek is gedaan naar de bodemkwaliteit. Dat had niet doorgeschoven mogen worden naar de vergunningenfase. De VOF en anderen voeren, onder verwijzing naar de uitspraken van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4327, en van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:339, aan dat de gemeente geen eigenaar is van de gronden en in het plan moet worden geborgd dat voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden onderzoek moet worden verricht naar de aanwezigheid van explosieven. Verder voeren zij aan dat de omvang van de verontreiniging ter plaatse niet is vastgesteld. 28.1. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand had moeten inzien dat de aanwezigheid van bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Vergelijk onder meer de uitspraak van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3404.

In paragraaf 9.10 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect bodem. Voor het zuidelijk deel van het plangebied is onderzoek verricht door Greenhouse Advies. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Diverse onderzoeken Muidenweg 3 te Arnemuiden Waterpark Veerse Meer" van 12 december 2018 dat als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd. Daarin wordt geconcludeerd dat een groot deel van het terrein niet verdacht is waar het gaat om de aanwezigheid van verontreinigingen en dat voor een klein deel sprake is van een lichte tot matige verontreiniging. Greenhouse Advies heeft ook onderzoek verricht naar de bodemkwaliteit van de gronden binnen het noordelijk deel van het plangebied. De resultaten staan in het rapport "Milieuhygiënisch Vooronderzoek Waterpark Veerse Meer (deelgebied 2)" van 9 juni 2020 dat als bijlage 20 bij de toelichting is gevoegd. De conclusie is dat zich een aantal verdachte locaties voor mogelijke verontreinigingen in het plangebied bevinden. Er wordt geadviseerd om verkennend onderzoek uit te voeren als watervoerende watergangen of greppels worden gedempt. In het aangevoerde bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Dat met een nader onderzoek de omvang van de verontreiniging nog nader in beeld moet worden gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog slaagt niet. 28.2. Verder is ten behoeve van de ontwikkeling onderzoek verricht naar het risico op het aantreffen van explosieven. De resultaten staan in het rapport "Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied: Oranjeplaat te Arnemuiden" van 2 april 2019, dat rapport als bijlage 12 bij de plantoelichting is gevoegd. De conclusie is dat het onderzoeksgebied verdacht is op het aantreffen van verschoten geschutsmunitie en een deel van het gebied verdacht is op het aantreffen van afwerpmunitie. Verder staat in de plantoelichting dat voorafgaand aan de werkzaamheden op basis van de ontgravingscontouren nader onderzoek zal plaatsvinden. Uit de genoemde uitspraak van 18 december 2019 volgt niet dat in de planregels moet worden geborgd dat nader onderzoek moet worden verricht naar niet-gesprongen explosieven. In die uitspraak is

29

geoordeeld dat de raad geen voorwaardelijke verplichting met deze strekking hoefde op te nemen omdat het plangebied in eigendom was van de gemeente, maar daar kan omgekeerd niet uit worden afgeleid dat de noodzaak daartoe wel bestaat als de gronden niet in eigendom van de gemeente zijn. Verder is in dit geval in artikel 10.5 van de planregels geborgd dat een omgevingsvergunning voor bouwen pas zal worden verleend indien uit (nader) onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Gelet hierop en omdat de oppervlakte van de verdachte locaties beperkt is, bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van explosieven binnen het plangebied. Het betoog slaagt niet. - Financiële uitvoerbaarheid 29. [appellant sub 4] en anderen betogen dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Daartoe voeren zij aan dat het kostenverhaal niet verzekerd is met de gesloten anterieure overeenkomst, omdat de initiatiefnemer geen eigenaar is van de gronden binnen het plangebied. Er had een exploitatieplan moeten worden vastgesteld. 29.1. Volgens de raad is de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd. Dit is toegelicht in paragraaf 10 van de plantoelichting.

Daarin staat dat eventuele kosten voor rekening van de initiatiefnemer zijn en dat hierover afspraken gemaakt zijn in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Weliswaar blijkt uit de stukken dat de gronden in handen zijn van diverse eigenaren, maar in het verweerschrift is aangegeven dat met die eigenaren onderhandelingen plaatsvinden en met de Staat overeenstemming bereikt is over de grondverwerving. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen concrete aanknopingspunten om te betwijfelen dat de initiatiefnemer de kosten zal kunnen dragen. Het betoog slaagt niet. Staatssteun 30. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] en anderen betogen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun, omdat de initiatiefnemer hiervoor gronden zal gebruiken die in eigendom zijn van de gemeente. 30.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:192, kan de vraag of sprake is van ongeoorloofde staatssteun in een procedure als deze slechts indirect aan de orde komen en wel in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel vormt voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van een plan. De vraag of sprake is van staatssteun is immers niet relevant in het kader van de beoordeling van de ruimtelijke effecten van het plan.

De Afdeling ziet zich in het licht hiervan gesteld voor de vraag of aan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] en anderen ten aanzien van het betoog over de staatssteunregels uit het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) het in artikel 8:69a van de Awb vervatte relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat artikel 108, derde lid, van het VWEU strekt tot bescherming van de belangen van concurrenten (vergelijk de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2904). Het belang van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] en anderen is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Verder hebben zij gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij zijn onderworpen aan een heffing die integrerend onderdeel uitmaakt van de door hen gestelde steunmaatregel. Gelet hierop is de conclusie

30

dat artikel 108, derde lid, van het VWEU kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belang. Dat betekent dat deze grond niet kan leiden tot vernietiging van het herstelbesluit. De Afdeling ziet af van een inhoudelijke bespreking van het betoog over staatssteun. Overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen 31. [appellant sub 1] en anderen hebben verder nog diverse gronden aangevoerd. Deze zijn echter niet ruimtelijk relevant of betreffen aspecten die niet in het plan hoeven te worden geregeld. Alleen al daarom kunnen die gronden niet slagen. Overige beroepsgronden van [appellant sub 4] en anderen - Bereikbaarheid percelen 32. [appellant sub 4] en anderen vrezen dat zij hun woningen vanwege het plan niet meer goed kunnen bereiken, omdat de enige toegangsweg door het plangebied loopt en de weg ten noorden van het park komt te vervallen. 32.1. Uit de plantoelichting blijkt dat de recreatiewoningen ontsloten worden via de Oranjeplaatweg. Deze weg blijft ook na de realisatie van het park openbaar toegankelijk, zodat de recreatiewoningen van [appellant sub 4] en anderen bereikbaar blijven. Het betoog mist daarmee feitelijke grondslag. - Veiligheid vaarverkeer 33.

Verder voeren [appellant sub 4] en anderen aan dat de veiligheid van het vaarverkeer in het geding is, omdat het aantal pleziervaartuigen zal toenemen door het grotere aantal ligplaatsen dat op grond van het plan is toegestaan. 33.1. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van het aantal ligplaatsen ten opzichte van het vorige plan. Op grond daarvan waren 246 ligplaatsen toegestaan op de gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied. Op grond van dit plan zijn 245 ligplaatsen toegestaan. Dat is ook vastgelegd in artikel 5.3.4 van de planregels. Ter waarborging van het woon- en leefklimaat van omwonenden en het verblijfsklimaat is in artikel 5.3.1 van de planregels een zelfstandige exploitatie van de jachthaven uitgesloten. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in verband met de veiligheid van het vaarverkeer niet heeft mogen vaststellen. Het betoog slaagt niet. - Duidelijkheid planregels 34. [appellant sub 4] en anderen betogen dat de planregels een innerlijke tegenstrijdigheid bevatten. Zij wijzen erop dat het op grond van artikel 5.1 is toegestaan om een jachthaven aan te leggen, maar dat dat niet is te rijmen met de artikelen 5.3.1, onder c, en 7.3.1 van de planregels.

Verder stellen zij dat artikel 5.2.1, aanhef en onder a, van de planregels onzeker is, omdat niet duidelijk is wat moet worden verstaan onder de term 'vlakken'. 34.1. De bepaling dat een zelfstandige, bedrijfsmatige exploitatie van een jachthaven niet is toegestaan, waarborgt dat de exploitatie daarvan op basis van artikel 5.1, onder k, van de planregels ten dienste staat van het park. Wat betreft de mogelijkheid om pleziervaartuigen aan te meren, maakt het plan in de artikelen 1.6 en 1.52 van de planregels onderscheid tussen aanlegplaatsen en ligplaatsen. Deze bepalingen zijn niet tegenstrijdig. Verder volgt uit het plan dat met 'overige vlakken' wordt gedoeld op gronden met de bestemming "RecreatieVerblijfsrecreatie" die niet tevens de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 1" hebben. In

31

artikel 5.2.3, onder c, van de planregels is ook vastgelegd dat het maximum aantal recreatiewoningen en recreatie-appartementen 822 bedraagt. Er is dus geen sprake van onbeperkte bebouwingsmogelijkheden. De betogen slagen niet. - Wijzigingsvoorwaarden 35. [appellant sub 4] en anderen betogen dat de wijzigingsvoorwaarden van artikel 13.1 van de planregels te ruim zijn geformuleerd. Op grond van dat artikel kan de recreatiebestemming met 11,5 ha worden uitgebreid en deze uitbreiding kan binnen de groenstroken plaatsvinden. 35.1. Uit artikel 13.1 van de planregels volgt dat de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid alleen kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat het van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel als het noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. Gelet hierop bestaat in het summiere betoog geen grond voor het oordeel dat de wijzigingsvoorwaarden te ruim zijn geformuleerd. Het betoog slaagt niet. Overige beroepsgronden van de VOF en anderen - Definitiebepalingen 36. De VOF en anderen betogen dat verschillende definitiebepalingen in het plan onjuist zijn. Zo kunnen daardoor meer bedrijfswoningen gerealiseerd worden dan noodzakelijk is.

Ook moeten de begrippen 'kampeermiddelen', 'chalet', 'recreatie-eenheid', 'recreatiepark' en 'verblijfsrecreatie' worden aangepast, zodat permanente bewoning daarin expliciet wordt uitgesloten. 36.1. De Afdeling stelt voorop dat de definitiebepalingen in de planregels geen zelfstandige betekenis hebben. Die bepalingen moeten in samenhang worden gelezen met de desbetreffende bouw- en gebruiksregels. Overigens is in artikel 5.3.1, onder a, van de planregels permanente bewoning van grondgebonden recreatiewoningen, chalets, kampeermiddelen en recreatie-appartementen uitgesloten. Er bestaat daarom geen noodzaak om dit ook in de definitiebepalingen tot uitdrukking te brengen. Het betoog slaagt niet. Conclusie 37. De beroepen tegen het herstelbesluit zijn ongegrond. 38. De raad moet, vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb onder 12.2 van deze uitspraak, op na te melden wijze de proceskosten van VOF en anderen vergoeden. De raad hoeft de proceskosten van de overige appellanten niet te vergoeden. Beroepen gericht tegen het oorspronkelijke besluit 39. Ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Awb staat vervanging van een besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener daarbij belang heeft. Niet is gebleken dat appellanten nog belang hebben bij de behandeling van hun beroepen tegen het inmiddels vervangen besluit van 7 juli 2021.

De beroepen gericht tegen het oorspronkelijke besluit zijn

32

daarom niet-ontvankelijk. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen tegen het besluit van 7 juli 2021 niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen tegen het herstelbesluit van 15 december 2022 ongegrond; III. veroordeelt de raad van de gemeente Middelburg tot vergoeding van bij [appellante sub 5] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.187,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; IV. gelast dat de raad van de gemeente Middelburg aan [appellante sub 5] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage € 360,00, vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Dinleyici, griffier. w.g. Ten Veen voorzitter w.g. Dinleyici griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024 909

33

062. Nieuwsbrief OLAZ ZRD gemeenteraden

Het bestand 062. Nieuwsbrief OLAZ ZRD gemeenteraden kon niet correct worden ingeladen, het is mogelijk corrupt of beschadigd. Het originele bestand kunt u hier vinden: https://middelburg.raadsinformatie.nl/document/13886299/1/062_+Nieuwsbrief+OLAZ+ZRD+gemeenteraden

Aan: Onderwerp: Datum: Onze ref.: Uw ref.

Alle fracties der Gemeenteraad Middelburg Omgevingsvisie 15-02-2024 Energiehub St. Jooslandsche Polder Amendement 24-009/agendapunt 14.a.1

Geachte dames en heren fractieleden der gemeente Middelburg, Tijdens ons inspreken, 22 januari j.l., op het geagendeerde onderwerp ‘Omgevingsvisie’ hebben wij u erop willen attenderen dat het zogeheten zoekgebied niet of deels niet overeenkomt met het vingerende beleid. En dat naar onze mening dit zoekgebied niet is ingegeven door goed rentmeesterschap maar door de macht van het grote geld. Wellicht is u dat door alle commotie rond de woningbouwlocaties enigszins ontgaan? Welnu, hier is het eerste bewijs waarom wij om uw aandacht vroegen! De Middelburgse omgevingsvisie is nog niet vastgesteld of de eerste uitnodiging tot het bijwonen van een informatiebijeenkomst door Lightsource BP ligt er al. Informatie aangaande de realisatie van een groot zonnepark op de akker tussen de Krukweg, de N254 en de Europaweg; aangrenzend aan het zoekgebied zoals aangegeven in de Middelburgse omgevingsvisie. Wij geloven niet in toeval, u wel? Dit is wat wij bedoelden met ‘de macht van het grote geld,’ respectievelijk de op winst beluste partijen, en anderzijds uw en ons streven naar verduurzaming van onze samenleving. Bezint alstublieft eer u begint! Wat is het argument van deze buitenlandse investeerder? We kunnen er slechts naar raden. Maar winstbejag lijkt meer de hand liggend dan verduurzaming. Winst nog wel met subsidie, betaald door ons allen.

Winst die op deze manier wegvloeit naar het buitenland en ons het nakijken laat. Is dit wat wij met elkaar voorstaan? Eerder, in december 2019, werd dit project door de gemeente Vlissingen nog afgewezen. Of dit nu weer het geval zal zijn, valt te bezien. Het zal u duidelijk zijn dat wij als dorpsvereniging Nieuw- en St. Joosland in een dergelijke aanvraag een bedreiging zien van uw en onze leefbaarheid. Wij hopen dan ook van harte op uw steun en u als gemeente er niet voor kiest om in te gaan op dergelijke grootschalige initiatieven. ‘Hoe dan wel?’ zult u misschien denken. Wij denken dat er reële kansen liggen door te focussen op de realisatie van meerdere kleinschalige projecten en daartoe uw zoekgebied uit te breiden. De oplossing komt daardoor ook dichterbij de verbruiker te liggen en zal ons stroomnet minder belasten. Wij gaan graag met u overleg om alle mogelijkheden toe te lichten. Laten we kiezen voor een aantoonbaar, actuele en duurzame oplossing. Zoals bedoelt in de RES 2.0. Met vriendelijke groet Interim voorzitter

Secretaris

P. Joosse.

A. Westeneng.

Burgerberaad woningbouw locaties 2030 - 2040. Evaluatie van een deelnemer: mijn visie op het proces, resultaat, advies voor verbetering. Vooraf dit: ik ben geograaf (met pensioen) en landschapskundige. Levenslang natuurvriendin. Met die ogen kijk en keek ik ook naar ontwikkelingen in eigen stad. Toen ik werd uitgenodigd deel te nemen aan het burgerberaad twijfelde ik daarom over deelname. Ik kon me niet voorstellen dat een burgerberaad an sich tot een mooie, zinnige lokale planvorming zou kunnen leiden. Immers: bewoners missen deskundigheid op gebied van (onder meer) stedenbouw, technische zaken (veiligheid, geluidsnormen), natuur en landschap. En bestaande afspraken, structuren. De belofte dat het bewonersadvies zwaarwegend zou zijn, was dus a priori een gewaagde belofte. Na overleg met de organisatie toch besloten tot deelname, en ik gaf eea het voordeel van de twijfel. Hoe ging de burgerraadpleging in zn werk ? Najaar 2023. Op de eerste middag werden, na wat inleidende zaken, de persoonlijke bewonerswensen ongeremd geinventariseerd: allen mochten 5 bolletjes plaatsen op een grote lege kaart. Die puur persoonlijke bewonerswensen werden op de tweede bijeenkomst gestroomlijnd, deskundiger gemaakt, door " de expert": onze leidsman van de 2 middagen: de architect Derk Thijs. Hij focuste vooral op beperkingen inzake stedenbouwkundige aspecten en groene longen.

Hierna werd eea na discussie opnieuw in stemming gebracht, en zo ontstond een mijns inziens "best wel aardig", d.i. nuttig, bruikbaar advies, met ruimte voor ongeveer 2 keer de benodigde hoeveelheid woningen. Ik vond het een mooie proces, zinnig en gezellig. Er is veel en goed overlegd, en er zijn vanuit de bewoners mooie ideeen opgeborreld. De resulterende kaart gaf een bruikbaar advies weer, maar nog steeds niet op alle onderdelen. Daar overheen kwam in november het ambtelijk advies, wat zou zorgdragen voor de aangescherpte lokatie-beperkingen zoals genoemd in tweede alinea: Stedenbouw, technische zaken, natuur en landschap. Daarnaast werd ook advies ingevoerd uit makelaardij, projectontwikkelaars en/of stecgroep: de Vraag naar woningen, van plek tot plek. Dit onder het motto: je gaat niet bouwen waar de Markt geen vraag ervaart. Het resultaat was een kaart met minder dan de helft van de door bewoners aangegeven mogelijkheden. Dat was schrikken !! Ambtelijk van de kaart verwijderd zijn Grote lokaties bij Arnemuiden en Nieuw en St Joosland, waarop juist het merendeel van de bewonersgroep hadden gestemd (resp 72 en 85 %). Deze verwijdering gebeurde op basis van de beperkte Woonwensen: advies van makelaardij en Stecgroep. Rond Arnemuiden en Nieuw en St Joosland zou volgens deze inbreng alleen gebouwd moeten worden voor groei eigen volk.

Hiermee vervallen heel veel potentiele woningen. B en W nam deze inkrimping 1 op 1 over. Herstructurering binnenstad leverde ook veel minder plekken op dan de bewonersgroep beoogde. Maar dat is cijfermatig moeilijker te onderbouwen (zie hierna: 600 ipv 200)

Alles bijeen bleven er na het ambtelijk advies te weinig hooggestemde (meer dan 70 %) lokaties over, en is ook gekozen voor de bij het burgerberaad minder favoriete gebieden, zoals Cleene Hooge (slechts 59 %). Inmiddels trouwens weggestemd door de Raad. Zelfs de lokatie Brigdamse weg (door het burgerberaad bewust Niet opgenomen als potentiele locatie vanwege Groene Long en aaneengroeien met St. Laurens) werd van stal gehaald. Over dat laatste wil ik vanuit mijn expertise het volgende zeggen: De lokatie Brigdamse weg is niet alleen een groene long, maar ook nog eens de open omlijsting van het eeuwenoude Brigdamse padje. Een kerkepad wat vroeger tot in de binnenstad liep, en inmiddels bijna helemaal door woningbouw is opgeslokt. In de wijk Klarenbeek loopt nog een smal donker padje, wat een relict is van dat binnenste deel (het "Nieuwenhovense voetpad"). Er is erg veel fantasie voor nodig om in dat laatste nog een oud kerkepad te herkennen.... Het Brigdamse padje ligt op de grens van (droge) Kreekrug en natte, laag gelegen Poelgrond. De poelgrond werd vroeger gebruikt voor turfsteken en zoutwinnen, het zgn moerneren. Door het relief wat zodoende ontstond in tact te laten is uit de poelgrond een natuurgebiedje ontstaan met dras en plas, waar veel vogels foerageren. Beschermd natuurgebied.

Het Brigdamse padje in nauwe zin is cultuurhistorisch een parel, en essentieel daarvoor is dat ter linker en rechterzijde Lucht en Uitzicht wordt gelaten. Wat betreft het natuurgebied aan stadszijde is dat inmiddels evident. Aan de buitenzijde is de bolle, hoger gelegen kreekrug nog mooi zichtbaar in het landschap en (uitzonderlijk !!!) niet vereffend door ruilverkavelingen. Fraai zicht over het veld naar de toren van Gapinge. Als er eens iemand moeite voor doet komt het in de boeken als Aardkundig Monument. Zodra je daar, op de kreekrug, huizen gaat bouwen, al is het extensief ("in landschapsstijl") ben je het gave beeld kwijt. "Overgangszone" als argument is planologische flauwekul. Als er ooit voor woningbouw gekozen gaat worden doe dat dan met open vizier, en zorg vooral voor een fraaie en waardige inpassing van het bestaande. Het is zelfs denkbaar om het Brigdamse padje landschappelijk te versterken door bijvoorbeeld een flinke, aanpalende, strook te gaan gebruiken als tuinen of tuintjes (voor de bewoners ?), en dwars op het padje een mooie zichtlijn te creeren, waardoor de toren van Gapinge nog steeds in het zicht blijft !!! Zolang ik leef denk ik graag mee aan een vormgeving daarvan. Ordinaire "landschapsstijl" walst alles plat. Echter: Niet bebouwen, en de ruimte elders halen, blijft vooralsnog verkieslijk ! Einde inzet lokatie Brigdamse weg.

Veel bewoners-stemmen waren ook voor herbestemmen van panden in de binnenstad. 93 % !! Kijk ook naar de bolletjes op het Abdijplein, van de eerste middag. Niet alleen het wonen boven winkels, maar ook panden die steeds vrijkomen. Daar zit, bleek uit de discussies, veel meer ruimte in dan de nu resulterende 200. Maar daar moet je als gemeentebestuur moeite voor doen: Niet weer omzetten in het zoveelste hotel voor toeristen. Deels leegstaande kantoren creatief herbestemmen. Natuurlijk vergt herbestemmen meer moeite, geld, en politieke moed. En zijn deze locaties minder geschikt voor jonge gezinnen. Maar starters (en sommige ouderen) zouden er zeker mee zijn geholpen. De geschatte 200 woningen in 10 jaar als streefgetal is dan veel te weinig ambitieus. Het kost wat meer moeite/geld/creativiteit, maar daar zit m.i. nog een hoop rek in. Maak er maar 600 van. Dat levert

zomaar een plus van 400 woningen, en een betere stad. Tot slot wil ik nog het volgende kwijt over recente stedenbouw in Middelburg: de laatste maanden lezen we steeds in de krant dat de woningnood de Stad noopt tot inbreiden, verdichten (het verschil ?). Groene overhoekjes verdwijnen, een laatste gaatje Lucht verdwijnt. Ik zou ervoor willen pleiten hierin toch vooral maat te houden, en naast woningbouw ook een expliciet Groenplan voor de stad te maken: niet alles volproppen met stenen. Wat nu dreigt is rucksichtlos volbouwen tot de laatste trottoirtegel. Ik schrik bijvoorbeeld van de manier waarop Veersepoort 5 bijna in je gezicht snijdt, als je probeert er langs te fietsen. En in een woonwijk hoort ook groen, struiken, bomen. Ook in de binnenstad: een enkel groen pleintje (of bestaand plein vergroenen !!!). Stedebouwkundigen en architecten hebben hier vast leuke oplossingen voor, er is genoeg literatuur over. Laat dit niet aan projectontwikkelaars-alleen over, want dan krijg je een stenige stad want Massa=Kassa. Een vriendelijk verbod van gemeentewege! om voortuintjes te verstenen, en achtertuinen tot een bepaald percentage zou ook dienstig zijn. Een bolwerk bebouwen is trouwens historisch ook zeer gewaagd, en zou alleen met de grootste omzichtigheid moeten worden verkend. Mijn idee: dit niet doen teneinde volume te creeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13962819/1