CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening fysieke leefomgeving Meppel 2022 - geconsolideerde versie

1 - RAADSVERGADERING 18 juni 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Wijziging Verordening fysieke leefomgeving (Vfl)14.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel 2022) De raad van de gemeente Meppel, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 mei 2026 met nummer 3617750; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikelen 10.23, 10.24 lid 2, 10.25, 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 5.2 lid 4 van de Telecommunicatiewet; besluit: vast te stellen de: Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel 2022)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder: a. Aanbieder: aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet. b. Anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste marktplaats. c. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. d. Bijzondere markt: de door het college ingestelde jaarmarkt of soortgelijke markten. e. Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. f. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. g. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel. h. Dagplaats: de marktplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste marktplaats is toegewezen dan wel ingenomen. i. Gebouw: een gebouw als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. j. Gebruiksoppervlakte: De gebruiksoppervlakte als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

k. Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. l. Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. m. Gereedmelding: een melding van de netbeheerder aan het college dat de werkzaamheden zijn voltooid. n. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. o. Havengeldverordening: Havengeldverordening gemeente Meppel p. Havenverordening: Havenverordening gemeente Meppel q. Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het college is vastgesteld. r. Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft. s. Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen. t. Huisaansluiting: één of meer aansluitingen tussen een net en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken. u. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. v. Inrichting: meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die: a.

rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan of b. elkaar functioneel ondersteunen zoals bedoeld in artikel 5.58 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. w. Instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. x. Kabels en leidingen: één of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. y. Kamerverhuur: verblijfsruimten, voor individuele bewoning verhuurd of in gebruik gegeven aan derden. z. Kampeermiddel: a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten delen blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf . aa. Markt: de door het college ingestelde warenmarkt.

bb. Marktplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel. cc. Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college. dd. Monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving. ee. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. ff. NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm. gg. Netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. hh. NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm. ii. Omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. jj. Omroepnetwerk: omroepnetwerk als genoemd in artikel 1.1, onder o van de Telecommunicatiewet. kk. Openbaar telecommunicatienetwerk: telecommunicatienetwerk als genoemd in artikel 1.l, onder g, van de Telecommunicatiewet. ll. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. mm. Openbare gronden: openbare wegen en wateren, als genoemd in artikel 1.1. onder s, van de Telecommunicatiewet. nn.

Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. oo. Overige kabels en leidingen: kabels en leidingen niet zijnde een telecomkabel. pp. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. qq. Private netten: netwerken van natuurlijke- of rechtspersonen niet aangewezen bij wet of gemeentelijke verordening en niet vallend onder een werk of activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet of de Telecommunicatiewet. rr. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht. ss. Restafval: dat gedeelte van de afvalstroom dat overblijft nadat alle bruikbare en recyclebare afvalstromen van de hoofdstroom zijn gescheiden, niet zijnde grof huisvuil, gevaarlijk afval en bouw- en sloopafval. tt. Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan:

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 APV. uu. Straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. vv. Telecomkabel: een kabel als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet. ww. Vaste marktplaats: de marktplaats die voor een bepaalde langere tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder. xx. Vellen: rooien; kappen; verplanten; niet periodiek knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. yy. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. zz. Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1.2 Meest recente versie

Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Bebouwde kom Paragraaf 2.1.1 Terrassen

Gereserveerd Paragraaf 2.1.2 Marktplaatsen Artikel 2.1.2.1 Inrichting van de markt; branche-indeling

1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal marktplaatsen; b. de afmetingen van de marktplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke marktplaatsen worden toegewezen als vaste marktplaats en als standwerkersplaats. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches;

b. een maximumaantal marktplaatsen per branche. Afdeling 2.2 Water Paragraaf 2.2.1 Ligplaatsen

Gereserveerd Paragraaf 2.2.2 Historische schepen Artikel 2.2.2.1 Toepassingsgebied

1. Deze paragraaf is van toepassing op de bij deze regeling aangewezen vaste ligplaatsen voor historische schepen. De vaste ligplaatsen zijn ingetekend in de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT), als weergegeven in bijlage 4. 2. Er zijn negen vaste ligplaatsen voor historische schepen, die met een huisnummer zijn opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), te weten: a. Vaste ligplaats voor historisch schip 1: Heerengracht 18A b. Vaste ligplaats voor historisch schip 2: Heerengracht 20A c. Vaste ligplaats voor historisch schip 3: Heerengracht 23A d. Vaste ligplaats voor historisch schip 4: Oosteinde 3A e. Vaste ligplaats voor historisch schip 5: Keizersgracht 42 f. Vaste ligplaats voor historisch schip 6: Stoombootkade 11 g. Vaste ligplaats voor historisch schip 7: Sluisgracht 21A h. Vaste ligplaats voor historisch schip 8: Heerengracht 25A i. Vaste ligplaats voor historisch schip 9: Gasgracht 27A 3. Per vaste ligplaats is een maximum scheepslengte van toepassing: a. Vaste ligplaats 1: 25 meter b. Vaste ligplaats 2: 25 meter c. Vaste ligplaats 3: 25 meter d. Vaste ligplaats 4: 30 meter e. Vaste ligplaats 5: 23 meter f. Vaste ligplaats 6: 23 meter g. Vaste ligplaats 7: 23 meter h. Vaste ligplaats 8: 30 meter i. Vaste ligplaats 9: 30 meter Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed

Artikel 2.3.1 Van toepassing verklaring De regels van deze afdeling zijn niet van toepassing op de gronden die zijn voorzien van de locatie ‘nieuwe regels’ zoals opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Meppel. Paragraaf 2.3.2 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.3.2.1 Gemeentelijk erfgoedregister

1. Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien. 2. In het gemeentelijk erfgoedregister staat: a. Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten; b. Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat. Paragraaf 2.3.3 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Artikel 2.3.3.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument

1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit kan ze doen als de onroerende zaak of het terrein, vanwege zijn schoonheid, een waarde heeft voor de wetenschap of de cultuurhistorie. 2. Het college past in de uitvoering van de bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid, de selectiecriteria van de beleidsnota ‘Meppeler Erfgoed NU’ als bedoeld in bijlage 3 toe. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: a. Rijksmonumenten; b. Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel 2.3.3.2 Aanvraag tot aanwijzing

Een aanvraag tot aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument kan worden gedaan door: a. inwoners van de gemeente Meppel; b. belangenorganisaties die zich bezighouden met het behoud van cultureel erfgoed; c. eigenaren van de onroerende zaak of het terrein dat is gelegen in de gemeente Meppel. Artikel 2.3.3.4 Voornemen tot aanwijzing

1. Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak of terrein aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.

3. De bescherming van artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.1.3 zijn van toepassing op een voornemen tot aanwijzen van een onroerende zaak of terrein tot een beschermd gemeentelijk monument. 4. De bescherming van lid 3 vervalt als de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijke monument is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De bescherming vervalt ook wanneer de onroerende zaak of het terrein wordt opgeheven als zijnde een beschermd gemeentelijk monument of als de bestuursrechter het aanwijzingsbesluit vernietigd. Artikel 2.3.3.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1. Op het verzoek om een beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen beslist het college binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. In het aanwijzingsbesluit staat in ieder geval: a. de locatie van het beschermd gemeentelijk monument; b. de kadastrale gegevens van de onroerende zaak of het terrein dat als gemeentelijk monument is aangewezen; c. de datum dat de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen; d. een beschrijving van het beschermd gemeentelijk monument. Artikel 2.3.3.5 Voorlopige aanwijzing bij spoed

1. In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument. Er wordt aan de gemeentelijke adviescommissie geen advies gevraagd voor een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. De voorlopige aanwijzing vervalt na 52 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing. 3. Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.1.3 van deze verordening van toepassing. Artikel 2.3.3.6 Bekendmaking en registratie

1. De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.5, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 2.3.3.7 Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

1. Het college kan de aanwijzing als gemeentelijk monument en de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument wijzigen.

2. Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het register dan zijn artikelen 2.3.2.1 t/m 2.3.2.3, en 2.3.2.4 t/m 2.3.2.7 van overeenkomstige toepassing, tenzij de onroerende zaak of het terrein niet meer bestaat. 3. De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop de onroerende zaak of het terrein wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 4. De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Afdeling 2.4 Groen Paragraaf 2.4.1 Groene kaart Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand

In bijlage 1 (Groene Kaart) zijn beschermde houtopstanden aangewezen. Paragraaf 2.4.2 Bomenlijst Artikel 2.4.2.1 Aanwijzing monumentale bomen

In bijlage 2 (Bomenlijst) zijn monumentale bomen aangewezen. Afdeling 2.5 Afvalstoffen Paragraaf 2.5.1 Inzameldienst Artikel 2.5.1.1 Aanwijzing van de inzameldienst

1. Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Paragraaf 2.5.2 Inzamelplaats Artikel 2.5.2.1 Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar aan inwoners van de gemeente Meppel in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen

Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.1.1.2 Vergunningplicht

Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning. Paragraaf 3.1.2 Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn

1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2. Het college kan de termijn met maximaal zes weken verlengen. Artikel 3.1.2.2 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 3.1.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.1.2.4 Weigering, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de gezondheid; b. het behoud en de bescherming van cultureel erfgoed; c. de bescherming van het milieu. 2. Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend;

c. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt. Artikel 3.1.2.5 Termijnen

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 3.1.2.6 Uitzonderingen Lex Silencio Positivo

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (indien niet tijdig op een aanvraag wordt beslist, dan wordt de vergunning verleend conform aanvraag) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: a. Artikel 3.2.1.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument; b. Artikel 3.3.4.1. Dumpingsverbod; c. Artikel 3.4.1.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan; d. Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning; e. artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging; f. artikel 3.4.6.15 Tijdstip innemen marktplaats/aan- en afvoer goederen; g. Artikel 3.5.1.1. Verbodsbepalingen en vergunningen. Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten

Paragraaf 3.2.2 Kabels en leidingen in of op openbare gronden Paragraaf 3.2.2.1 Algemene regels kabels en leidingen Artikel 3.2.2.1.1 Toepasselijkheid 1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2. Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden. 3. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van private netten in openbare gronden is het bepaalde in deze paragraaf overeenkomstig van toepassing.

4. Daar waar wordt gesproken over netbeheerder wordt ook bedoeld de ‘aanbieder’ tenzij deze uitdrukkelijk uitgesloten wordt. Artikel 3.2.2.1.2 Het aanleggen van kabels en leidingen Het aanleggen van kabels en leidingen moet plaatsvinden op de wijze zoals is beschreven in bijlage 5. Artikel 3.2.2.1.3 Specifieke zorgplicht 1. De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen. 2. De netbeheerder is verplicht bij verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. Artikel 3.2.2.1.4 Bijzondere omstandigheden 1. Als sprake is van een gesloten sneeuwdek, langdurige vorst of extreme weersomstandigheden kan het bevoegd gezag bepalen dat het opbreken van verharding of graven in het openbaar gebied of het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen in het openbaar gebied tijdelijk is verboden. In het besluit staat voor welke locatie en voor welke periode het verbod geldt. 2. Het besluit wordt elektronisch bekend gemaakt, of op andere geschikte wijze. Paragraaf 3.2.2.2 Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan Artikel 3.2.2.2.1 Kabels en leidingen aanleggen - toegestaan Het is toegestaan kabels en leidingen aan te leggen als: a.

het werkzaamheden betreffen die door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak; of b. sprake is van spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een calamiteit die noodzakelijk zijn: i. om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen; ii. als gevolg van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening. Paragraaf 3.2.2.3 Kabels en leidingen aanleggen - informatieplicht Artikel 3.2.2.4 Kabels en leidingen aanleggen - informatieplicht De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen een gereedmelding bij het college. Paragraaf 3.2.2.4 Kabels en leidingen aanleggen - meldingsplicht

Artikel 3.2.2.4.1 Toepassingsbereik 1. Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 3.2.2.2.1. 2. Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt verstaan: a. het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; b. werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter; c. het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter. 3. Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt niet verstaan: a. werkzaamheden die langer duren dan één dag; b. werkzaamheden waarbij (water)wegen worden gekruist; c. werkzaamheden waarbij sprake is van boringen of persingen; d. werkzaamheden waarbij bovengrondse voorzieningen worden aangebracht dan wel worden vervangen; e. werkzaamheden waarbij handholes worden aangebracht; f. werkzaamheden in verband met de aanleg van private netten. Artikel 3.2.2.4.2 Kabels en leidingen aanleggen - meldingsplicht 1. Het is verboden zonder voorafgaande melding werkzaamheden van nietingrijpende aard uit te voeren. 2. De voorgenomen werkzaamheden worden ten minste vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden gemeld bij het college.

Artikel 3.2.2.4.3 Kabels en leidingen aanleggen - specifieke indieningsvereisten De melding als bedoeld in artikel 3.2.2.4.2 bevat in ieder geval: a. de naam, het adres, de contactgegevens en het factuuradres van de melder; b. wanneer de melder een aanbieder betreft: het ACM-registratienummer; c. het KvK-nummer en het KvK-vestigingsnummer; d. het adres, de kadastrale aanduiding of de ligging van het project; e. een omschrijving van de aard en omvang van het project; f. indien het een kabel ten behoeve van telecommunicatie betreft: een melding of het een openbaar netwerk of een niet openbaar netwerk betreft; g. indien de aanvraag of melding door een gemachtigde wordt ingediend, tevens: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de aanvraag of melding wordt ingediend, alsmede een afschrift van de machtiging;

h. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager of melder: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder; i. wanneer de werkzaamheden in de directe nabijheid van een boom plaatsvinden: een bomenwerkplan; j. een motivering, zo nodig aan de hand van een tekening, waaruit blijkt onder welk van de categorieën werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.2.2.4.1, tweede lid, zijn werkzaamheden vallen; k. voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op schaal, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is; l. voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: de tekeningen als bedoeld in artikel 3.2.2.4.3, onder k en de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied en maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten; m. indien mogelijke hinder optreedt voor weggebruikers: een verkeersplan; en n. de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding (KLIC-melding) niet ouder dan twee weken op het moment van indienen, met daarin het gewenste tracé en de nieuw te leggen kabels en/ of leidingen.

Artikel 3.2.2.4.4 Kabels en leidingen aanleggen - eisen aan tekeningen De tekening als bedoeld in artikel 3.2.2.4.3 moeten in ieder geval voldoen aan de volgende eisen: a. de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum; b. de tekeningen zijn voorzien van een noordpijl; c. de maatvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving (GBK); d. het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten, lengtes en diameters van de leidingen; e. objecten in de openbare ruimte zoals bomen, banken, openbare verlichting etc., die van invloed kunnen zijn op het tracé en/of de uit te voeren werkzaamheden, dienen aangegeven te zijn op de tekeningen; f. de ligging t.o.v. reeds aanwezige kabels en leidingen, zowel X- als Y richting. Paragraaf 3.2.2.5 Kabels en leidingen aanleggen - vergunningplicht Artikel 3.2.2.5.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, tenzij toepassing kan worden gegeven aan paragraaf 3.2.2.2 of paragraaf 3.2.2.4. Artikel 3.2.2.5.2 Kabels en leidingen aanleggen - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning of instemmingsbesluit kabels en leidingen aan te leggen.

Artikel 3.2.2.5.3 Kabels en leidingen aanleggen - specifieke aanvraagvereisten Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning of een instemmingsbesluit voor het aanleggen van kabels en leidingen worden in ieder geval de volgende gegevens aangeleverd: a. de gegevens als bedoeld in artikel 3.2.2.4.3, waarbij de tekening moet voldoen aan de eisen als bedoeld in artikel 3.2.2.4.4; b. voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: een tekening met het vastgestelde nutstracé; c. voor werkzaamheden waarbij gebruik wordt gemaakt van een gestuurde boring: een werkplan; d. voor werkzaamheden waarvan het college het noodzakelijk acht dat een werkplan wordt aangeleverd: een werkplan; e. het werkplan dient te bestaan uit de volgende onderdelen: i. een tekening van de indeling van het werkterrein; ii. een tekening van de plaats van de op te stellen apparatuur en voertuigen; iii. een tekening van de plaats waar de leiding(en) wordt uitgelegd; iv. een beschrijving van de wijze van aan- en afvoer van materiaal; v. een verkeersplan conform CROW 96b; vi. een boorplan inclusief ligging van bestaande kabels en leidingen opgenomen in het lengteprofiel; vii. de resultaten (foto’s) verkregen uit de gegraven proefsleuven; viii. een communicatieplan; ix.

een bereikbaarheidsplan met daarin minimaal opgenomen de wijze waarop percelen bereikbaar worden gehouden en afstemming met nood- en hulpdiensten. Artikel 3.2.2.5.4 Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels Het instemmingsbesluit of de omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het veilige en doelmatige gebruik van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd; b. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen niet onevenredig wordt belemmerd; c. het doelmatige beheer en onderhoud van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd; d. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte niet wordt belemmerd. Artikel 3.2.2.5.5 Kabels en leidingen aanleggen - beoordelingsregels private netten De omgevingsvergunning voor de aanleg van kabels en leidingen ten behoeve van private netten wordt alleen verleend als: a. voldaan wordt aan de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 3.2.2.5.4; b. het netwerk wordt ingeschreven in de openbare registers van het kadaster als onroerende zaak en het netwerk ten goede komt aan het algemeen nut;

c. de eigenaar van het netwerk voldoet aan de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon); d. het netwerk om de 3 meter wordt voorzien van een merklabel, waarbij in de opdruk de naam van de eigenaar staat aangeven. Artikel 3.2.2.5.6 Kabels en leidingen aanleggen - vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning of het instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 3.2.2.5.2 kan als vergunningsvoorschrift worden opgelegd: a. een termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten zijn voltooid; b. een wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen. Paragraaf 3.2.2.6 Kosten voor herstel, beheer onderhoud en degeneratie en nadeelcompensatie Artikel 3.2.2.6.1 Kosten voor herstel, beheer onderhoud en degeneratie 1. Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat. 2. Bij de berekening en het proces van afhandeling van de kosten voor herstel in oude staat worden de regels uit bijlage 6 in acht genomen.

Artikel 3.2.2.6.2 Nadeelcompensatie Het college kent een netbeheerder die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in artikel 3.2.2.7 tweede lid, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, wanneer de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en hem in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder Artikel 3.3.1.1 Melding incidentele festiviteiten

1. Het is verboden om festiviteiten te organiseren op een locatie waar bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd, zonder dit ten minste tien dagen voorafgaand aan deze festiviteiten te melden aan het college. 2. De melding bevat: a. Een beschrijving van de aard en omvang van de festiviteit in kwestie b. Een kaart met aanduiding van de locatie waar de festiviteit wordt gehouden. 3. Per afzonderlijke bedrijfslocatie is het onder voorwaarde van een melding toegestaan ten hoogste 12 festiviteiten per kalenderjaar te organiseren. 4. Artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Meppel is niet van toepassing op het houden van de gemelde festiviteiten.

5. Het is alleen toegestaan om bij het houden van een gemelde festiviteit muziek ten gehore te brengen, als dit binnen een gebouw met gesloten deuren en ramen gebeurt. 6. Op de dagen, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm uiterlijk om 01:00 uur beëindigd. Artikel 3.3.1.3 Overige geluidhinder

1. Buiten een inrichting is het niet toegestaan milieubelastende activiteiten te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving of de Provinciale omgevingsverordening. 4. Het college kan terreinen of wateren en categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is, als wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Artikel 3.3.1.4 Geluidhinder door dieren

Degene die hobbymatig de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat het dier voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder veroorzaakt. Artikel 3.3.1.5 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden hobbymatig met een motorvoertuig of een bromfiets op een manier te gedragen, op een zodanige wijze dat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Paragraaf 3.3.2 Afvalstoffen Artikel 3.3.2.1 Regulering van andere inzamelaars

1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college; b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 2.5.1.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.3.2.2 Algemene verboden

1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:

a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid; of c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.5.2.1. 2. Het is verboden om de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die de gemeente ter beschikking stelt te gebruiken voor het aanbieden van andere afvalstromen dan die waarvoor de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen bestemd zijn. Artikel 3.3.2.3 Afvalscheiding

1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2. In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: - groente-, fruit- en tuinafval (GFT); - papier en karton; - glas; - textiel; - plastic verpakkingen, metalen verpakkingen (blik) en drankenkartons (PMD); - elektrische apparaten (tot 10 kg); - frituurvet; - luiers en incontinentiemateriaal. 3. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten. Artikel 3.3.2.4 Gescheiden aanbieding

1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.3.2.3, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 2.5.2.1. 2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.3.2.5 Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 3.3.2.6 Wijze en plaats van aanbieding

1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij of nabij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel; c. aanbieden bij afvalbrengstation. 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 3.3.2.5, buiten een perceel te laten staan. 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 3.3.2.7 Gegevensverwerking bij afvalinzameling

Het college verwerkt bij het inzamelen van afval slechts persoonsgegevens met het oog op de volgende doelen: a. behalen van landelijke en gemeentelijke milieudoelstellingen b. efficiënte afvalinzameling c. de inning en berekening van afvalstoffenheffing d. voorkomen van afvalstortingen door niet inwoners of door bedrijven bij voorzieningen voor huishoudens e. controle op de naleving van en handhaven van de gemeentelijke afvalstoffenverordening f. communicatie en verstrekken van informatie over afvalinzameling g. het geven van voorlichting over afvalstoffen en milieu h. analyseren van de (effectiviteit van de) inzameling van afvalstoffen i. naleving van wettelijke verplichtingen en rechterlijke bevelen Paragraaf 3.3.4 Zwerfafval en overige Artikel 3.3.4.1 Dumpingsverbod

1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of

voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 ; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 3.3.4.2 Zwerfafval in de openbare ruimte

1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, worden terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel 3.3.4.3 Ongeadresseerd reclamedrukwerk

1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of samples die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: b. een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners/gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten; c. drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties; d. huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, en waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigenverspreidingsgebied, niet zijnde reclame; 2. Ongeadresseerd reclamedrukwerk mag uitsluitend bezorgd worden of laten worden bij een woning, bedrijf of woonschip als de bewoner of gebruiker kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan; 3. Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een woning, bedrijf of woonschip, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel 3.3.4.4 Zwerfafval rondom inrichtingen

1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het het Omgevingsplan gemeente Meppel. Artikel 3.3.4.5 Afval en verontreiniging op de weg

1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 3.3.4.6 Geen opslag van afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 3.3.4.7 Vrijstelling in verband met bouw woningen

Er kan vrijstelling worden verleend voor gebieden waar vanwege de bouw geen ruimte is voor het houden van minicontainers. Paragraaf 3.3.5 Overige milieubelastende activiteiten Artikel 3.3.5.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

1. In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten , in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voerof vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c. voertuigen als bedoeld in artikel 3.4.5.1. of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het is niet toegestaan op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Artikel 3.3.5.2 Natuurlijke behoefte doen

Het is niet toegestaan om binnen de bebouwde kom, buiten de daarvoor bestemde plaatsen, op een openbaar toegankelijke plaats een natuurlijke behoefte te doen. Artikel 3.3.5.3 Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen

1. In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon. 2. Het is niet toegestaan een (wens)ballon op te laten of in de lucht te brengen. Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf 3.4.1 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten Artikel 3.4.1.1 Voorwerpen op of aan de weg

1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. Evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV;

b. Standplaatsen als bedoeld in artikel 1.1; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 5. Het verbod is voorts niet van toepassing op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 3.4.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; b. door het college in overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht en in uitvoering van een publieke taak van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewetals paragraaf 3.2.2 van deze verordening van toepassing is. Artikel 3.4.1.3 Vergunningplicht aanleggen of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitweg te veranderen. 2. Het verbod geldt niet bij het uitvoeren van een publieke taak in opdracht van de overheid. Artikel 3.4.1.4 Aanvraagvereisten aanleggen of veranderen van een uitweg Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg naar de openbare weg of het veranderen van een bestaande weg worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.

een tekening of foto met daarop de gewenste ligging van de uitweg; b. een foto van de bestaande situatie; c. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; d. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

e. de te gebruiken materialen; f. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen; en g. voor zover het een aanvraag voor een extra uitweg bij een bedrijf betreft: de motivering waarom een extra uitweg nodig is voor een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering. Artikel 3.4.1.5 Beoordelingsregels aanleggen of veranderen van een uitweg De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.1.3 wordt slechts verleend als: a. door de aanleg van de uitweg geen verkeersonveilige situatie ontstaat; b. deze niet ten koste gaat van een openbare parkeerplaats, zonder dat dat nodig is; c. het openbaar groen door de uitweg niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. de activiteit niet de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het uiterlijk aanzien van de omgeving, op onaanvaardbare wijze aantast; en e. het perceel niet al door een andere uitweg wordt ontsloten, tenzij: i. de extra uitweg niet ten koste gaat van openbaar groen of een openbare parkeerplaats; of ii. bij bedrijven is aangetoond dat één uitweg een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering belemmert. Artikel 3.4.1.6 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water. 2. Degene die het voornemen heeft een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water te plaatsen, doet daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 4. Het college maakt kenbaar dat er een melding is ingediend op de gebruikelijke wijze. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of volgens de Telecommunicatiewet. Artikel 3.4.1.7 Gemotoriseerde vaartuigen

1. In het belang van de veiligheid op het water, ter bescherming van het milieu of ter voorkoming of opheffing van overlast is het niet toegestaan gebruik te maken van gemotoriseerde voertuigen. Dit verbod is van toepassing op de door het college aangewezen gebieden. 2. In de aangewezen gebieden is het niet toegestaan om: a. vaartuigen aan te leggen aan bomen of struiken; b. op de een of andere manier schade toe te brengen aan oevers en gewassen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het noodzakelijke onderhoud aan watergangen of oevers, welke wordt uitgevoerd door of namens de beheerders. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor elektromotoren met een vermogen tot maximaal 1.000 Watt. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel 3.4.1.8 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is niet toegestaan om afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben in de openlucht, buiten inrichtingen Wet milieubeheer. 2. Als er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale verordening. Paragraaf 3.4.2 Terrassen

Reserveren Paragraaf 3.4.3 Stadsschoon en handelsreclame Artikel 3.4.3.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of het Omgevingsplan gemeente Meppel. Artikel 3.4.3.2 Reclamevoertuigen

1. Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het ogenschijnlijk doel daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf 3.4.4 Voertuigen Artikel 3.4.4.1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 3. Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: a. drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3.4.4.2 Defecte voertuigen

Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd. Artikel 3.4.4.3 Staat voertuigen

1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en/of dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 3.4.4.4 Ontdoen van autowrakken

Het is niet toegestaan om een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken, achter te laten. Artikel 3.4.4.5 Grote voertuigen

1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigen ten behoeve van recreatieve doeleinden, die niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Artikel 3.4.4.6 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 2. Het verbod is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel 3.4.4.7 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1. Het is niet toegestaan om in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht; c. voertuigen waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3.4.4.8 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan

1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht. Artikel 3.4.4.9 Overlast van fietsen of bromfietsen

1. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente aangewezen plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen. 2. Het is niet toegestaan om fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken in door het college aangewezen gebieden te laten staan. Artikel 3.4.4.10 Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is niet toegestaan om op een openbare plaats een fiets of bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, een gevel van een gebouw of de ingang van een portiek als de gebruiker van het gebouw of de portiek heeft aangegeven dit niet te willen of als daardoor de ingang versperd wordt. Artikel 3.4.4.11 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is niet toegestaan zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, evenement, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Paragraaf 3.4.5 Kampeermiddelen Artikel 3.4.5.1 Kampeermiddelen en andere voertuigen

1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt of een ander voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college niet mogelijk is in verband met de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod genoemd in lid 1, aanhef en onder a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=25bbaaf0-6233-47e0-a5ca-914ddc86e2e1