CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie warmte

3 - RAADSCOMMISSIE ALGEMEEN 18 november 2021, gemeente MeppelBij agendapunt: Transitievisie Warmte27.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.6.

Het eindbeeld

In hoofdstuk 2 hebben we de uitgangspunten van de gemeente Meppel voor de warmtetransitie benoemd en toegelicht. We lopen deze uitgangspunten weer langs en geven kort terug hoe we deze gebruikt hebben bij de totstandkoming van de routekaart, zie figuur 10 en 11. Uitgangspunt 1: We starten met besparen, isoleren en opwekken Iedereen kan starten met de warmtetransitie door te besparen, te isoleren en zelf energie op te wekken. Dit uitgangspunt staat los van de routekaart. Zeker voor oudere woningen is besparen en isoleren altijd een goede eerste stap. Uitgangspunt 2: De transitie is betaalbaar en betrouwbaar Dit uitgangspunt is voor elk cluster het belangrijkste criterium geweest voor de techniekkeuze. Ook heeft dit uitgangspunt de prioritering van de clusters bepaald. Op dit moment is er over de betaalbaarheid van de transitie nog veel onduidelijk en wordt hier op landelijk niveau nog over nagedacht. Wel hebben we bij het bepalen van de voorkeursvolgorde een afweging gemaakt die deels gebaseerd was op de kosten zoals deze in de PBL Startanalyse zijn opgenomen. Uitgangspunt 3: We bieden ruimte voor innovatie, initiatief van onderaf en flexibiliteit Bij de prioritering is rekening gehouden met de wijken waar al energie zit en waar al actieve groepen bezig zijn om de warmtetransitie vorm te geven. Bijvoorbeeld in Berggierslanden , Slingenberg, Oosterboer en Nijeveen.

Voor wijken die moeilijker zijn aan te pakken, vanwege de ouderdom van de woningen, hebben we gekozen om die later aan te pakken, in de hoop dat er dan nieuwe bewezen technieken zijn, zodat ook voor deze wijken een betaalbaar alternatief komt. Uitgangspunt 4: Kwaliteit is belangrijker dan snelheid Dit uitgangspunt heeft ervoor gezorgd dat in de eerste jaren er ruimte is om ervaring op te doen. De komende tien jaar gaan er relatief minder woningen van het aardgas af en tussen 2030 en 2040 relatief meer. Toch legt de gemeente Meppel de lat erg hoog met de ambitie om de CO-reductie al in 2040 gehaald te hebben, in plaats van in 2050.

Uitgangspunt 5: We leren van huidige en toekomstige ontwikkelingen rond aardgasvrij bouwen Dit uitgangspunt is heel belangrijk. Daar waar we nu kennis opdoen kunnen we die later toepassen. De kennis die wordt opgedaan wordt gebruikt om de 5-jaarlijkse actualisatie van de warmtevisie aan te scherpen en om de wijkuitvoeringsplannen verder te brengen. Uitgangspunt 6: Contracteerbaarheid speelt een belangrijke rol bij de prioritering van wijken In de routekaart is ervoor gekozen om te beginnen bij de wijken waar al bewonersinitiatieven zijn. Met koedijkslanden zetten we juist in op contracteerbaarheid. Ook in de Oosterboer onderzoeken we die mogelijkheid. Uitgangspunt 7: We doen het samen, we zetten in op draagvlak Welke volgorde of technieken ook gekozen worden, dit uitgangspunt is altijd belangrijk. Draagvlak is essentieel bij de warmtetransitie, omdat gebouweigenaren uit eindelijk hun eigen afwegingen maken. Dit zegt op een andere manier iets over onze routekaart. Daarnaast zorgt het hoge percentage aan individuele maatregelen voor een grotere mate aan keuzevrijheid. Al blijft de gemeente de regie in handen houden en moeten er soms keuzes gemaakt worden om te kunnen garanderen dat iedereen binnen de gemeente van warmte kan worden voorzien.

P a g i n a 31 | 53

Waar

Wat

Wanneer

Waarom -

Nieuwveense Landen

Individueel 1) All-electric

Loopt al

-

Transformatiegebied Noordpoort

Individueel All-electric

Loopt deels (transformatielocatie)

-

-

-

-

Berggierslanden

Individueel 1) All-electric

Vóór 2030 -

-

-

Koedijkslanden (Slingenberg/Reestlanden)

Collectief 1) Individueel Hybride

HT-warmtenet (Restwarmte)

Vóór 2030 -

P a g i n a 32 | 53

Nieuwbouwgebied met goed geïsoleerde woningen Wordt nu al aardgasvrij gebouwd Zonneweide van 2 ha

Zware bedrijvigheid aanwezig (Oude Vaart) Aantal kleine woonbuurten (Galgenkamp) Woonboten vragen maatwerk Voornamelijk laagbouw bij de woningen, rijwoningen met variërende bouwjaren Groot deel corporatiebezit Doorstroming van de Drentsche Hoofdvaart beperkt de efficiëntie van een warmtenet tenzij uit nader onderzoek blijkt dat TEO hier kansrijk wordt Transformatiegebied Noordpoort streeft naar lage temperatuur inzet, all-electric RWZI stelt slib (restproduct) niet tot beschikking aan Noordpoort maar aan Echten Hoge repeteerbaarheid (Homogeen woonbestand; Vergelijkbare bouwjaren en veelal dezelfde energielabels) Lage bebouwingsdichtheid wat minder gunstig voor een collectief techniek Collectieve inkoopactie voor warmtepompen loopt al vanuit een bewonersinitiatief in de wijk De eerste woningen zijn al toe aan een vervanging van de cv-ketel Koppelkansen bij de verduurzaming van het industriegebied en corporatiebezit voor het aanleggen van een warmtenet Koppelkansen bij de uitvoering van het project “Circulaire havens binnen de regiodeal Zwolle” , loopt tot en met 2023 Relatief groot deel oudere woningen, meeste van voor 1992 Relatief veel corporatiebezit in Koedijkslanden Onderzoek naar mogelijkheid HTwarmtenet van restwarmte industrie van Koedijkslanden en Slingenberg/Reestlanden

Collectief 1)

Oosterboer

MT-warmtenet (TEO)

Individueel 2) All-electric 3) Hybride

Vóór 2030

-

-

-

Nijeveen – kern

Individueel 1) All-electric 2) Hybride

Vóór 2030

-

-

Bedrijventerrein Blankenstein

Individueel 1) All-electric/ WKO

Voor 2030

-

Figuur 10 Routekaart Meppel, WUP voor 2026, TAUW, 2021

P a g i n a 33 | 53

Goed geïsoleerde woningen kunnen als eerste van het aardgas af (all-electric) Oudere woningen starten met een isolatieopgave (Hybride) De woonwijk wordt de komende jaren gerevitaliseerd Relatief hoge warmtevraag en deel oudere woningen Mogelijke TEO optie voor een MTwarmtenet, beperkt de aanpassingen in de oudere woningen Ziekenhuis wordt nu al all-electric gebouwd In de vlinderbuurt zijn al all-electric woningen gerealiseerd 500 woningen in corporatiebezit Momenteel werken inwoners al samen aan een wijkaanpak Bewoners hebben al de eerste stappen genomen (aanschaf (hybride) warmtepomp) Op Danninghe Erve wordt gl gasloos gebouwd Geen collectieve bron aanwezig, alleen individuele optie is mogelijk Relatie met buitengebied: duurzaam gas als transitiemiddel? Kansen in het sociale structuur van Nijeveen, Energiecoöperatie Duurzaam Nijeveen (ECDN) Goed te isoleren woningen (Bouwjaar > 1974) een all-electric oplossing Slecht te isoleren woningen (Bouwjaar <1975) een hybride oplossing Voornamelijk kantoren in Blankenstein Beperkt lokale warmte beschikbaar Blankenstein alleen individuele oplossing mogelijk Ruim opgezet, veel groen Kantoren leveren onvoldoende restwarmte Individuele WKO doordat kantoren vaak ook een koudevraag hebben

Waar

Wat

Wanneer

Waarom -

Haveltermade Ezinge

Collectief 1)

HT-warmtenet (Restwarmte)

Na 2030

Individueel 2) Hybride

-

Industriegebied Oevers

Collectief 1) LT-warmtenet (Restwarmte)

Na 2030

-

Koppelkansen bij de verduurzaming van het industriegebied en corporatiebezit voor het aanleggen van een warmtenet Relatief groot deel oudere woningen, meeste van voor 1992 Relatief veel corporatiebezit in Haveltermade Ezinge voornamelijk grondgebonden woningen van net voor en na de oorlog Drentse Hoofdvaart is een mogelijke warmtebron Industriële restwarmte van bedrijven Gebied wordt doorsneden door het Meppelerdiep maakt een warmtenet door voor gehele gebied ongunstig Eerst eigengebruik van restwarmte, overig kan door woningen benut worden Lopende verduurzaming van bedrijfsprocessen en het project circulaire Port of Zwolle

-

Rogat

Individueel 1) All-electric 2) Hybride

Na 2030

-

-

Meppel Centrum

Individueel 1) Hybride

Na 2030

-

-

Industriegebied Noord I en II

Collectief 1)

TEA RWZI

Na 2030

-

-

Buitengebied Nijeveen – lintbebouwing

Individueel 1) All-electric 2) Hybride

Natuurlijke momenten

-

Figuur 11 Routekaart Meppel, WUP na 2026 TAUW, 2021

P a g i n a 34 | 53

All-electric voor nieuwere woningen Hybride warmtepomp met duurzaam gas voor oudere woningen Lage bebouwingsdichtheid en warmtevraag maakt een collectieve oplossing ongunstig Grote diversiteit aan goed en slecht te isoleren woningen Groot deel oudere en monumentale woningen met weinig ruimte voor veel isolatiemaatregelen Met de beperkte isolatiemogelijkheden van deze panden is een HT oplossing het meest gunstig Komt als eerste in aanmerking voor duurzaam gas in Meppel gezien de complexe isolatieopgave Voornamelijk groothandel en transport en productie en ambacht in Noord I en II Ruim opgezet, veel groen Kantoren leveren onvoldoende restwarmte RWZI interessant om te onderzoeken Individuele WKO doordat kantoren vaak ook een koudevraag hebben Overstap mogelijkheden op natuurlijke momenten voor bewoners Oplossingen afhankelijk van woningtype, bouwjaar, energielabel en warmtevraag Lintbebouwing Nijeveen is niet rendabel te isoleren naar LT-warmte, daarom hybride met duurzaam gas als voorkeur Lage bebouwingsdichtheid maakt een collectieve oplossing ongunstig

6. Financiering en betaalbaarheid Betaalbaarheid van de energietransitie voor alle bewoners, ondernemers en andere gebruikers is één van de uitgangspunten voor de warmtetransitie van de gemeente Meppel. Het streven daarbij is dat de woonlasten, los van de externe kosten en ontwikkelingen, zoveel mogelijk gelijk blijven. Er zijn verschillende subsidiemogelijkheden en de financiering van de warmtetransitie is volop onderwerp van gesprek op landelijk niveau. 6.1 Financieringsmogelijkheden In het Klimaatakkoord staat dat ‘de verduurzaming voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook gefinancierd (moet) kunnen worden. Ook voor degenen die daar nu geen toegang toe hebben’. Met betrekking tot de financiering van het aardgasvrij maken is woonlastenneutraliteit voor inwoners het uitgangspunt. Waar dat niet lukt, zullen we met gerichte ondersteuning moeten komen. Inmiddels is een aantal belangrijke stappen gezet om woonlastenneutraliteit voor de meest kwetsbare groepen te borgen. In het Sociaal Huurakkoord is afgesproken dat bij verduurzaming de gemiddelde reële besparing op de energierekening niet lager is dan de stijging in huur of servicekosten bij renovatie. Voor eigenaar-bewoners zonder leenruimte wordt in de eerste helft van 2021 geregeld dat zij woonlastenneutrale financiering kunnen krijgen via het Nationaal Warmtefonds.

Er komt voor deze groep een energiebespaarhypotheek waarbij wordt betaald naar draagkracht, waarbij mensen zonder leenruimte geen maandelijkse financieringslasten hebben en waarbij wordt zeker gesteld dat aan het einde van de looptijd geen restschuld overblijft. Daarnaast is er voor iedereen subsidie beschikbaar voor de aansluitkosten bij de overstap naar een warmtenet, voor isolatiemaatregelen en warmtepompen. En is er via het Nationaal Warmtefonds voor iedereen aantrekkelijke financiering beschikbaar met een lange looptijd en lage rente (looptijd van 20 jaar tegen 2% rente), waardoor de maandelijkse financieringslasten voor investeringen in verduurzaming dalen en woonlastenneutraliteit voor een groter deel van de maatregelen bereikt kan worden.

Financieringsconstructies kunnen de drempel tot het treffen van verduurzamingsmaatregelen voor bewoners een stuk verlagen. Het kabinet werkt daarom aan een financieringsfonds dat moet bijdragen aan een woonlastenneutrale warmtetransitie. Dit is specifiek voor het verduurzamen van de eigen woning voor particuliere woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren. Het kabinet maakt de komende periode middelen vrij om gemeenten te ondersteunen bij de transitie naar aardgasvrije gebieden. Financieringsconstructies warmtetransitie Nu de politiek op veel niveaus vol inzet op de warmte- en energietransitie, zijn er meerdere fondsen (in ontwikkeling) voor het stimuleren van verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het Nationaal Energiebespaarfonds, het warmtefonds, maar ook regionale initiatieven zoals het Warmteparticipatiefonds in de provincie Zuid-Holland zijn enkele voorbeelden. Ook pensioenfondsen en een aantal banken hebben investeringsfondsen opgericht om (een deel) te financieren. Voor nietgrondgebonden woningen is er voor de komende jaren een eerste oplossing in de vorm van een lening (met een looptijd van maximaal 30 jaar) via het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF). Voor grondgebonden woningen is deze oplossing er nog niet. Het duurt naar verwachting nog enkele jaren voordat er een breed toepasbaar financieringsaanbod op nationale schaal is voor grondgebonden woningen.

Subsidie- en financieringsregelingen Ook zijn er enkele subsidie- en financieringsregelingen beschikbaar voor particulieren en bedrijven. Zo was de Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) vanaf september 2019 opnieuw (tijdelijk) opengesteld en is er anno september 2021 de ISDE subsidie voor zowel huiseigenaren als VVE’s. De ISDE geeft bewoners een tegemoetkoming op de investering in duurzame installaties. De SDE+ en SDE++ (Stimulering Duurzame Energieproductie/Energietransitie) regelingen van de afgelopen jaren legden de nadruk op het gebruik van hernieuwbare bronnen voor het opwekken van elektriciteit en CO2 reductie. In het najaar van 2021 opent de nieuwe SDE++ regeling, waarbij de focus ligt op de energietransitie. Hiernaast moeten er nieuwe financieringsmogelijkheden uitgewerkt worden. Denk aan de mogelijkheid van gebouwgebonden financiering met een lange looptijd als uitgangspunt. De lening is in dit geval gekoppeld aan de woning en niet, in tegenstelling tot een hypothecaire lening, aan een persoon. Op deze manier kan een bewoner investeren in verduurzaming van zijn woning maar het blijft de lening op de woning. Hierdoor is het voor meer mensen toegankelijk en aantrekkelijk. Met een lange looptijd is het effect op de maandlasten in de meeste gevallen niet of slechts beperkt hoger.

6.2 Betaalbaarheid van de warmtetransitie Gemeente Meppel gaat uit van een CO2-neutrale energievoorziening. Deze moet betaalbaar en toegankelijk zijn voor alle inwoners en vastgoedeigenaren. Daarbij moeten de kosten voor de maatschappij en de woningeigenaar in een juiste balans zijn. De transitie moet niet alleen voor de maatschappij betaalbaar blijven, maar ook voor de wooneigenaar. Een eerlijke verdeling tussen de “wie betaalt wat”. Niet alle technieken leveren genoeg kostenbesparing op om de investering terug te verdienen. De kosten kunnen verschillen van woning tot woning. Het is afhankelijk van de isolatiewaarde, onderhoud en de elektriciteitsaansluiting. Zowel de investeringen voor isolatie en installaties, als voor de warmtebron lopen uiteen. Bij het vaststellen van de WUP’s worden de kostenberekening geconcretiseerd en hoe dit gefinancierd gaat worden.

P a g i n a 35 | 53

6.3 Berekening van de kosten Om de betaalbaarheid van de warmtetransitie in de gemeente Meppel te toetsen moet onderscheid gemaakt worden tussen de maatschappelijke kosten, de eenmalige investeringskosten en de jaarlijkse terugkerende gebruikerskosten voor de bewoners. Voor deze transitievisie warmte worden de berekeningen gebaseerd op kengetallen. Er is bij iedere uitkomst een vergelijking gemaakt met de landelijke leidraad waarin de laagste maatschappelijk kosten als uitgangspunt zijn genomen. Een duidelijk overzicht van alle kosten wordt per gebied beschreven in de WUP’s. Om een eerste indruk te krijgen is, uitsluitend indicatief, een eerste inzicht gemaakt om gevoel te krijgen bij het aspect ‘eindgebruikerskosten’. De kostentabel In de kostentabel op de volgende pagina is het eerste inzicht weergegeven van de verwachte kosten. We maken onderscheid tussen de woningen die gebouwd zijn vóór 1992, tussen 1992 en 2010, en na 2010. Hoewel de exacte kosten per woning vraagt om maatwerk, geeft het bouwjaar een goed inzicht over de verwachte maatregelen en welke kosten hier bij passen. We zien per bouwperiode al bij welke installaties een berekening is gemaakt, zie; hybride warmtepomp, all-electric (lucht of bodem) warmtepomp en aquathermie. We zien twee soorten kosten die hierop aansluiten: de maatschappelijke kosten en exploitatiekosten.

De maatschappelijke kosten geven aan wat de totale kosten zijn voor de maatschappij als geheel (dus voor zowel de inwoner als andere partijen zoals de netbeheerder en gemeente) om te kunnen investeren in deze techniek. De exploitatiekosten geven aan welke kosten er later nog bij komen nadat deze technieken zijn gerealiseerd. Dit gaat onder andere om de kosten voor het elektriciteitsgebruik, het warmtegebruik en het onderhoud van de installatie. De eindgebruikerskosten zijn niet expliciet in de tabel opgenomen, maar worden gevormd door de som van zowel een aantal maatschappelijke als exploitatiekosten. De bouwkundige maatregelen, installatiekosten en exploitatiekosten worden vrijwel allemaal doorbelast aan de eindgebruiker (de woningeigenaar).Het moment waarop verschilt echter. Zo moet bij de aanschaf van een warmtepomp (installatiekosten) veelal direct worden betaald, terwijl de kosten van een warmtenet vaak over een periode van meerdere jaren worden verspreid. Onder het kopje energiegebruik is af te lezen wat het gemiddelde energiegebruik is van deze woning wanneer deze wordt aangesloten op een alternatief verwarmingssysteem. Voorbeeld bij een oudere woning (vóór 1992) We zien in de tabel een aantal geschatte prijzen per techniek.

Wanneer er als voorbeeld wordt gekeken naar een hybride warmtepomp bij een oudere woning liggen de maatschappelijke kosten tussen de € 30.000 en € 40.000. Deze kosten worden voor een groot deel in de woning gemaakt. Tussen de € 10.000 en € 20.000 is nodig om de woning te isoleren en daarmee bouwkundig geschikt te maken voor verwarming middels een hybride warmtepomp. De warmtepomp zelf kost vervolgens ongeveer € 5.000. Hier komen de kosten van de aanpassingen in het warmtesysteem, zoals de aanleg van vloerverwarming of grotere radiatoren, van € 9.000 dan nog bij. De netbeheerder moet, afhankelijk van de situatie in de wijk en de hoeveelheid warmtepompen die hier worden aangeschaft, vervolgens het elektriciteitsnet verzwaren wat ook kosten met zich mee brengt (in dit geval is hier een aanname gedaan van € 4.000). Uiteraard kan het zo zijn dat er in een woning de afgelopen jaren al de nodige maatregelen genomen zijn, waardoor de kosten lager uitvallen dan in de tabel weergegeven. Wanneer we deze woning met een hybride warmtepomp verwarmen zien we extra kosten ontstaan door een toename van het elektriciteitsgebruik (bij een verbruik van 3.600kWh), de onderhoudskosten (die zijn in dit geval voor de woningeigenaar omdat het gaat om een individuele techniek) en kosten voor vastrecht.

Vastrecht is een vast bedrag dat u per maand, kwartaal of jaar aan uw energieleverancier betaalt voor de levering en het transport van energie. Bij een hybride warmtepomp betaald u dus vastrecht voor zowel gas als elektra. Uw gasverbruik gaat echter omlaag, waardoor u hier geld op bespaard. De kentallen die we hebben gebruikt bij deze berekening staan onder het kopje “Inschatting huidige situatie”. Voor aquathermie zien we dat deze techniek nog volop in ontwikkeling is en dat de kosten sterk verschillen. Hierdoor is het nog niet mogelijk om een goede inschatting te maken van de verwachte kosten, dit is met PM ingevuld in de tabel.

P a g i n a 36 | 53

Oudere woningen (vóór 1992)

Woningen na 1992 All-electric (luchtwarmtepomp)

All-electric (bodemwarmtepomp)

€ 10.000 – € 20.000

€ 15.000 € 25.000

€ 15.000 € 25.000

€ 5.000

€ 7.500

€ 15.000

€ 9.000

€ 9.000

€ 9.000

€ 4.000 € 30.000 - € 40.000

€ 4.000 € 700 € 35.000 € 45.000

€ 4.000 € 700 € 45.000 € 55.000

€ 700

€ 1.100

€ 800

€ 200 € 465 € 1.400

€ 200 € 465 € 1.800

€ 200 € 465 € 1.500

0 0

0 0

0 0

3.600

5.800

4.600

Hybride warmtepomp

Woningen na 2010 All-electric (luchtwarmtepomp)

Aquathermie

All-electric (bodemwarmtepomp)

Aquathermie

Maatschappelijke kosten Bouwkundig (isolatiemaatregelen) Warmtepomp TEO en WKO systeem Warmtenet Aanpassing afgiftesysteem Verzwaren elektriciteitsnet Afsluiten gasnet Totaal

€ 15.000 € 25.000 € 2.000 € 5.000 € 5.000 € 10.000 € 10.000 € 15.000

0

0

0 € 2.000 € 5.000 € 5.000 € 10.000 € 10.000 € 15.000

€ 7.500

€ 15.000

€ 9.000

€ 9.000

€ 9.000

€ 9.000

€ 4.000 € 700 € 45.000 € 70.000

€ 4.000 € 700

€ 4.000 € 700

€ 21.000

€ 29.000

€ 4.000 € 700 € 30.000 € 45.000

PM PM

€ 1.100

€ 800

PM PM

PM PM PM

€ 200 € 465 € 1.800

€ 200 € 465 € 1.500

PM PM PM

34 0

0 900

0 0

2.600

5.800

4.600

Exploitatiekosten Elektriciteitsgebruik Warmtegebruik Onderhoudskosten warmteopwekker Vastrecht Totaal

Energiegebruik Warmtegebruik (GJ) Gasgebruik (m3) Elektriciteitsgebruik (kWh) Inschatting huidige situatie Elektriciteitsgebruik

2.600

kWh

Gemiddeld gasverbruik

1.200

m3

Omrekening warmte

34

GJ €/kWh

Tarief Elektra € 0,18

7. Vervolgstappen In de transitievisie warmte is onderzocht welke alternatieve aardgasvrije oplossingen toegepast kunnen worden in de gemeente Meppel. Deze visie moet vertaald worden naar concrete wijkuitvoeringsplannen. Voor elke wijk moet daarom een uniek op maat gemaakt plan van aanpak komen.

P a g i n a 37 | 53

7.1 Wijkuitvoeringsplannen Voor wijken waarvan de transitie voor 2030 gepland is, moet de komende jaren een WUP worden opgesteld. Een WUP hoeft niet door de Raad te worden vastgesteld, maar mag worden vastgesteld door het college van Burgemeesters & Wethouders (B&W). Veel gemeenten kiezen er echter wel voor om een WUP door de Raad vast te laten stellen. Een WUP gaat niet perse over een officiële wijk, maar kan ook gaan om een deel van een wijk of een combinatie van wijken. Dit is afhankelijk van de samenhang die er is. Samen met bewoners en andere stakeholders willen wij met een participatief proces een gedragen plan tot stand brengen over hoe het gebied van het aardgas af gaat. In het WUP bepaalt de gemeente met de betrokken stakeholders de warmtebron en -techniek voor het gebied en op welke datum de levering van aardgas daadwerkelijk beëindigd wordt. Daarnaast zijn belangrijke onderdelen in het WUP de financiering van de transitie en communicatie & participatie. Als uitgangspunt willen we de wijkuitvoeringsplannen starten met het organiseren van een actieve groep bewoners (een duurzaam netwerk), die in het gehele proces meewerken aan de totstandkoming en de uitvoering van het WUP. Het format van een WUP is nog vrij, een voorbeeld van onderdelen die in een WUP terug kunnen komen zijn: -

Een uitgesproken bestuurlijke ambitie Een business case Participatieproces: welke vorm en welke doelgroepen? Technisch inzicht: welke warmtebronnen en wat betekent dat voor de woningen? Meekoppelkansen in beeld: welke benut je wel en welke benut je niet? Een risicoanalyse Inzicht in de gebouwgebonden financiering (type financieringsconstructies) Financieringsmogelijkheden Organisatie van de transitie Een planning

7.2 Het ‘geen spijt maatregelen’ spoor Naast dat er in 2022 in Berggierslanden wordt gestart met een WUP starten we elders in de gemeente met het ‘geen spijt maatregelen’ spoor. Dit spoor heeft een gemeentebrede focus die hier en daar vertaald wordt naar wijkspecifieke acties met als doel het stimuleren van isolatiemaatregelen. Voor de oudere wijken is vaak nog geen geschikt aardgasvrij alternatief voorhanden. Tegelijkertijd zijn dit wel de wijken waar de meeste CO2-winst te behalen valt. Door in deze wijken de focus te leggen op isolatie wordt niet alleen de warmtevraag en daarmee de CO2 -uitstoot omlaag gebracht ook krijgen we zo beter zicht op wat er nog moet gebeuren om uiteindelijk aardgasvrij te worden. Dit ‘geen spijt maatregelen’ spoor wordt zowel in wijken als op bedrijventerreinen doorlopen. Want ook daar ligt vaak nog een grote isolatieopgave. 7.3 Waarmee kunnen bewoners al aan de slag? In deze visie is de Trias Energetica benoemd als belangrijk uitgangspunt. De eerste stap daarin is het terugdringen van de energie- en warmtevraag. Stap 1: Verzamel gegevens over je woning. Kijk op de website www.milieucentraal.nl voor een algemeen advies over je woning. Neem contact op met een energie initiatief in de wijk. Kijk of je mee kan doen aan acties in de wijk zoals een warmtescan actie. Stap 2: Win onafhankelijk advies in via het DEL.

En treed in contact met een Meppeler energiecoach. Via het DEL en met de transitievisie warmte in het achterhoofd kan handelingsperspectief worden geboden. zonder dat precies duidelijk is wat de alternatieve warmtebron gaat worden(geen spijt maatregelen). Deze geen-spijt-maatregelen zijn de maatregelen die hoe dan ook bijdragen aan een duurzamer huis en niet hoeven te worden teruggedraaid wanneer duidelijk is wat de alternatieve warmtebron en techniek zal zijn. Voorbeelden zijn rendabel isoleren, waterzijdig inregelen van de CV, slimme meter of ventilatie, plaatsen zonnepanelen i.c.m. zonneboiler en elektrisch koken. In verband met de extremere weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering moet niet alleen gekeken worden naar warmte, maar moeten ook de mogelijkheden om koude te leveren worden meegenomen. Daarnaast kunnen inwoners ook wanneer hun wijk niet als startwijk is aangewezen ervoor kiezen om al op de korte termijn aardgasvrij te worden. In onderstaande tabel is indicatief inzichtelijk gemaakt welke maatregelen genomen kunnen worden gericht op de isolatiegraad van de woning.

P a g i n a 38 | 53

Gewenste temperatuur geen-spijtmaatregelen

Aanvullende maatregelen

Na 1992 en goed geïsoleerde woningen LT

1975-1992

1940-1975

Vooroorlogs

Monument

LT/MT

MT/HT

HT

HT

Vloerverwaming Zonnepanelen Inductie koken

HR++ glas Zonnepanelen Inductie koken

HR++ glas Zonnepanelen Inductie koken

Zonnepanelen Inductie koken

Inductie koken

HR+++ glas Mechanische ventilatie Warmtepomp

HR+++ glas Vloerverwarming Mechanische ventilatie (hybride) warmtepomp

Vloer-/gevel isolatie Hybride warmtepomp

Vloer-/gevel-/dak isolatie Hybride warmtepomp

Isolatie(waar mogelijk) Hybride warmtepomp

Stap 3: Vraag bij het DEL om namen van goedgekwalificeerde partijen voor de uitvoering. Er wordt in samenwerking met het DEL ook gewerkt aan een lokaal energie loket voor Meppel (www.bespaar-lokaal.nl). Dit is een open platform van lokale ondernemers (met kwaliteitseisen) die inwoners van Meppel en omgeving kunnen helpen bij de uitvoering. Informeer hier naar via het DEL of bekijk de site. 7.4 Lokale initiatieven ondersteunen en stimuleren De gemeente wil bestaande, maar ook nieuwe initiatieven ondersteunen, faciliteren en verder helpen. Welke rol en middelen wij daarin hebben zal per initiatief verschillen. We willen vooral rechtstreek contact in een zo vroeg mogelijk stadium om dit gezamenlijk te verkennen. We willen initiatieven ook met elkaar in contact brengen en met ondersteunende instanties. Het starten van een initiatief willen we zo aantrekkelijk mogelijk en daarom laagdrempelig houden. Hierover zullen we duidelijk communiceren via lokale media en het DEL. 7.5 Initiatief vanuit de gemeente De gemeente ondersteunt initiatieven vanuit de samenleving. Daarnaast werkt de gemeente actief aan bewustwording bij de inwoners van Meppel. De gemeente wil via verschillende communicatiekanalen voor het voetlicht brengen wat de reden is van de warmtetransitie, wat inwoners en ondernemers in Meppel zelf kunnen doen. De gemeente stimuleert geen-spijtmaatregelen.

Op de website www.milieucentraal.nl kan iedereen zelf al checken wat goede maatregelen voor hun woning. We zetten in op diverse vormen van acties specifieke voor Meppel(b.v. warmtescans) dan wel aansluitend bij landelijke en provinciale kansen. We werken samen met wonincorporaties en bewoners aan een Meppeler organisatie rondom de energiecoaches. We organiseren bijeenkomsten over warmtepompen en isolatie. Ook bieden we bewoners handelingsperspectief door lokale ondernemers die de krachten bundelen rondom deze thema’s te faciliteren. De gemeente wil gericht aandacht hebben voor woningbezitters met een laag inkomen en relatief hoge energielasten. Voor de wijken waar veel mensen hoge energielasten hebben vanwege een slechte isolatiegraad, wil de gemeente met prioriteit inzetten op geen-spijtmaatregelen, zodat de energierekening sneller omlaag gaat en het wooncomfort stijgt. Zo wordt direct ook relatief veel CO2-reductie bereikt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan acties die reeds lopen of hebben plaatsgevonden zoals het aanbieden van warmtescans, adviezen op maat en bespaarpakketten voor kleine maatregelen. Energiecoaches begeleiden bewoners in het verlagen van hun energierekening. Hierbij werken we ook samen met het sociaal domein. Wijkgericht zouden we wellicht kunnen starten in Haveltermade, het centrum, Transformatiegebied of Ezinge.

Deze wijkgerichte (componentsgewijze)aanpak moet nog worden uitgewerkt. Afstemming met de woningbouwcorporatie is wederom van belang. De ervaringen in de eerste wijk, van bewoners, gemeente en andere partijen, benutten we voor het bepalen van de vervolgstappen en de start in een volgende wijk.

P a g i n a 39 | 53

BIJLAGE 1 ZES BEWONERS DOELGROEPEN Hieronder staan de zes doelgroepen beschreven die te maken krijgen met de Transitievisie Warmte. 1. Mensen die de wereld willen verbeteren Deze mensen maken zich zorgen om de klimaatverandering en willen hun steentje bijdragen aan een betere wereld. Ze willen vanuit idealisme hun huis aardgasvrij maken. Ze zijn er al mee bezig en ontdekken wat wel en niet werkt. Deze mensen kunnen ambassadeur zijn voor de warmtetransitie, door te laten zien hoe ze hun huis hebben aangepast en hun ervaringen te delen. Hun valkuil is dat ze drammerig kunnen overkomen als ze anderen willen overtuigen van hun mening. Communicatie en participatie bij deze doelgroep is gericht op het delen van kennis en ervaringen. Deze groep kan goed betrokken worden bij pilots en planvorming. Deze groep kan ook benut worden om voorbeelden te laten zien, bijvoorbeeld in een duurzame huizenroute “Gluren bij de buren”. 2. Mensen die nieuwe dingen willen uitproberen Deze mensen investeren in hun woning als dat waarde toevoegt of als het hen status oplevert. Ze houden van nieuwe snufjes en technieken. Ze kijken graag de kunst af van de idealistische voorlopers als het gaat om isolatie of vervanging van een oude ketel. Ze zijn goede ambassadeurs, omdat ze goed kunnen vertellen wat de winst is van de warmtetransitie en daar een realistisch beeld van kunnen geven.

Communicatie en participatie bij deze doelgroep is gericht op het laten zien van voorbeelden en de geleerde lessen van de 1e groep. Ook is het goed om de communicatieboodschap toe te spitsen op het voordeel of de waarde die isolatie of een andere installatie oplevert. Deze groep is een geschikte ambassadeur voor de volgende groep. 3. Mensen die samen activiteiten willen ondernemen Deze mensen vinden het leuk om samen met de straat aan de slag te gaan. Ze zijn gericht op gezelligheid. Ze zijn niet echt bezig met de warmtetransitie, maar als dit leidt tot gezamenlijke activiteiten, dan doen ze zeker mee. Denk bijvoorbeeld aan gezamenlijke inkoop- of klusacties. Ze vinden het leuk om samen bij anderen te kijken wat ze hebben gedaan in hun woning. Communicatie en participatie bij deze groep is gericht op sociale cohesie en gezamenlijke activiteiten. Het aardgasvrij maken van een clubhuis kan bijvoorbeeld aanleiding zijn om met de woningen van deze groep aan de slag te gaan. Ook een duurzame huizenroute of het werken met energiecoaches kan een goed communicatiemiddel zijn. 4. Mensen die de wereld willen ontdekken Deze mensen houden van avontuur en nieuwe dingen. Ze maken zich zorgen om de aarde, maar zijn nog te druk met hun eigen ontwikkeling om concreet actie te ondernemen naar een aardgasvrije wijk.

Bovendien hebben ze over het algemeen een huurwoning en leggen ze de verantwoordelijkheid voor de warmtetransitie bij hun verhuurder. Communicatie en participatie bij deze groep is gericht op de natuurlijke momenten, bijvoorbeeld als mensen uit deze groep een woning gaan aanschaffen. Betrouwbare informatie door makelaar of installateur is belangrijk, evenals informatie via de website of social media van de gemeente is belangrijk. 5. Mensen die het liefst alles bij het oude laten Deze mensen vragen zich af of het wel nodig is om van het aardgas af te gaan en twijfelen aan de noodzaak (en mogelijkheid) om de CO2-uitstoot te verminderen. Ze hechten waarde aan hoe het nu is. Ze willen serieus genomen worden in hun weerstand. Deze groep zal zich waarschijnlijk niet laten overtuigen van het belang om van het aardgas af te gaan. De overheid is een onbetrouwbaar instituut die ze niet snel zullen geloven. Een ambassadeur kan laten zien dat er in wezen niet zo veel verandert. Communicatie en participatie bij deze groep moet erop gericht zijn dat de warmtetransitie eenvoudig is en dat veel bij hetzelfde blijft. Er verandert niet veel. Ambassadeurs kunnen dat laten zien, zodat de boodschap geloofwaardig is.

P a g i n a 40 | 53

6. Mensen die moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen Deze mensen hebben andere dingen aan hun hoofd dan de klimaatverandering of de warmtetransitie. Ze hebben regelmatig geldzorgen en zijn bezig om zelf het hoofd boven water te houden. Deze groep woont overwegend in huurwoningen. De woningcorporatie zorgt voor de warmtetransitie van hun woningen. Bij de mensen uit deze doelgroep met een koopwoning kan sprake zijn energiearmoede. Zij hebben ondersteuning nodig bij en informatie nodig over betaalbare en financierbare oplossingen. Communicatie en participatie bij deze groep moet erop gericht zijn dat de mensen ontzorgd worden. Ook moet duidelijk in beeld gebracht worden wat de financiële consequenties zijn. Deze groep mensen kan een goede ambassadeur zijn voor de vorige groep. De communicatie- en participatiestrategie voor de warmtevisie wordt uitgewerkt als onderdeel van de communicatie- en participatiestrategie voor het programma Duurzaamheid. Zo borgen we dat er samenhang is in de communicatie uitingen en participatie initiatieven van de gemeente Meppel.

P a g i n a 41 | 53

BIJLAGE 2 ALTERNATIEVEN VOOR AARDGAS In hoofdstuk 3 zijn de verschillende alternatieve warmte-opties vanuit de drie varianten in infrastructuur beschreven: warmtenetten, elektriciteitsnetten en gasnetten. Hieronder staat een toelichting op de warmtebronnen die bij de drie varianten in infrastructuur horen. Daarna lichten we het verschil in temperatuur en collectief/individueel toe. Warmtenetten Warmtenetten zijn netwerken van warm water om gebouwen mee te verwarmen. Mogelijke energiebronnen zijn aardwarmte (geothermie), biomassa, restwarmte van bedrijven en vormen van aquathermie. Afhankelijk van de bron en de mate van isolatie kan de leveringstemperatuur van een warmtenet verschillen van hoge temperatuur (ca. 70-90⁰C) tot middentemperatuur (ca. 50-70⁰C) tot lage temperatuur (ca. 20-50⁰C). Bij een warmtenet moeten leidingen aangelegd worden in de straat, en gaat de warmteleiding ook de woning in. Afhankelijk van de leveringstemperatuur kan het nodig zijn om (op buurtniveau of individueel) met warmtepompen de temperatuur op te hogen. Bron: Geothermie Geothermie is warmte afkomstig uit de bodem en aarde en kan middels verschillende technieken een woning van warmte voorzien. Met geothermie in de warmtetransitie bedoelt men meestal het gebruik van warmte uit diepe aardlagen dat gebruikt kan worden voor de verwarming van water in een warmtenet.

In diepe aardlagen (dieper dan 500 meter) wordt de aarde niet langer verwarmd door de zon, maar door de kern van de aarde. Hierdoor kunnen we ‘onbeperkt’ grondwater uit deze diepe lagen oppompen en hier afgekoeld water voor terug in de plaats stoppen. Dit afgekoelde water warmt vervolgens op den duur vanzelf weer op en de warmte die vrijkomt gebruiken we om een hoge temperatuur warmtenet te realiseren. In Nederland kunnen we echter niet overal in de grond boren en niet elke aardlaag is geschikt voor geothermie. Daarnaast zijn de investeringen voor het oppompen van water uit diepe aardlagen hoog, waardoor er veel woningen dichtbij de bron nodig zijn om het betaalbaar te houden. Een warmtenet gevoed door geothermie is daarom lang niet overal mogelijk. Bron: Aquathermie Aquathermie gaat over het gebruiken van warmte uit oppervlaktewater (TEO), drinkwater (TED) en afvalwater (TED). Warmte uit drinkwater ontstaat bij het afkoelen van drinkwater, voordat het in het net gaat. Warmte uit oppervlaktewater en afvalwater kan direct uit de bron (rivier, rioolwaterzuivering) worden gewonnen. De warmte van deze drie bronnen zorgt voor de verwarming van een lage temperatuur warmtenet. Bij oppervlaktewater wordt hierbij vaak een koppeling gemaakt met een WKO, omdat de warmte in de winter nodig is, maar vooral in de zomer aanwezig is en daarom opgeslagen moet worden.

Bron: Restwarmte Warmte kan ook afkomstig zijn van bedrijven. In dit geval spreken we vaak van restwarmte. Bij industriële processen ontstaat er soms warmte dat een bedrijf zelf niet meer nuttig kan gebruiken en een warmtenet van warmte kan voorzien. Voordat een restwarmtebron als bron voor een warmtenet wordt gekozen moet er altijd een garantie komen dat ook als het bedrijf weg gaat een andere bron het net van warmte kan voorzien. Dit in verband met de leveringszekerheid. Daarnaast is van veel bedrijven onvoldoende bekend hoeveel restwarmte er in potentie beschikbaar is en hoe zich dat in de toekomst ontwikkelt. Restwarmte is daarom als warmtebron voor een warmtenet organisatorisch vaak complexer te realiseren dan bijvoorbeeld aqua- of geothermie. Bron: Biomassa Biomassa is plantaardig en dierlijk restmateriaal (GFT, mest, snoeiafval, etc.) dat gebruikt kan worden om warmte uit te krijgen. Door biomassa, vooral snoeiafval, in een biomassacentrale te verstoken ontstaat warmte. Doordat er bij dit proces fijnstof vrijkomt en er geen ongelimiteerde biomassavoorraad is wordt deze warmtebron, bij voldoende aanbod van andere hoge temperatuur bronnen, minder snel gekozen. Elektrische oplossingen(warmtepompen) In het geval van elektrische verwarmingssystemen worden woningen geheel of deels elektrisch verwarmd, meestal met een warmtepomp.

Warmtepompen verwarmen met een lage temperatuur, waardoor deze techniek vaak vraagt om de nodige isolatie. De bron voor deze techniek is de temperatuur uit de buitenlucht of uit de bodem. Het wordt vaak op individueel woningniveau toegepast, maar is ook mogelijk op grotere schaal (collectief). Een wijk all-electric maken vraagt meestal om een verzwaring van het elektriciteitsnet. Daarnaast is het voordelig om zelf extra duurzame elektriciteit middels zon en wind te produceren. Elektrische warmtepomp (luchtwarmtepomp of bodemwarmtepomp)

P a g i n a 42 | 53

Een warmtepomp maakt het elektrisch verwarmen van een goed geïsoleerde woning mogelijk. Het brengt warmte afkomstig uit lucht, bodem of grondwater middels elektriciteit naar een hogere temperatuur geschikt voor het verwarmen van een woning en het leveren van warm water. Omdat ook na het elektrisch verwarmen de warmte nog steeds een lage temperatuur betreft, is een goed geïsoleerd huis noodzakelijk om onnodig veel elektriciteitsgebruik te voorkomen. Een woning moet geschikt zijn of gemaakt worden voor lage temperatuur verwarming. Dit houdt in dat je een groter oppervlak nodig hebt die warmte uitstraalt. Vloerverwarming of andere radiatoren zijn dan noodzakelijk om voldoende warmte in de woning te krijgen. Hybride warmtepomp Een hybride warmtepomp werkt net als een elektrische warmtepomp, maar dan in combinatie met een gas cv-ketel. Dit gas kan eerst nog aardgas zijn en op latere termijn een duurzaam gas. Wanneer een gebouw nog onvoldoende geïsoleerd is voor een lage temperatuur warmte met een elektrische warmtepomp, kan een hybride warmtepomp een interessante tussenoplossing zijn. Dit bespaart al veel aardgas en geeft tijd om meer isolatiemaatregelen door te voeren. Met een hybride warmtepomp wordt de woning hoofdzakelijk met elektriciteit verwarmd en wordt bij koude dagen overgeschakeld op aardgas of een duurzaam gas. Collectieve WKO i.c.m.

bodemwarmtepomp per woning Op ondiepe schaal kan middels een collectieve warmte-koude-opslag (WKO) met warmtenet een kantoorpand of een woonwijk verwarmd worden. Een WKO is als het ware een opslagvat onder de grond dat warmte vast kan houden. Een WKO zorgt voor opslag van warmte in de zomer dat in de winter gebruikt kan worden en opslag van koude in de winter dat in de zomer gebruikt kan worden. Het in balans houden van een WKO is essentieel. Dit betekent dat een collectieve WKO alleen geschikt is voor wijken of gebieden die naast een warmtevraag ook te maken hebben met een koudevraag, waardoor een WKO niet overal toepasbaar is. Daarnaast levert een WKO lage temperatuurwarmte waardoor woningen net als bij een elektrische warmtepomp geschikt moeten zijn voor lage temperatuur verwarming of de temperatuur collectief in de wijk naar een hogere temperatuur gebracht dient te worden. Duurzaam gas Gasnetten kunnen duurzame, hernieuwbare gassen en hoge temperatuur gassen als biogas, groen gas en waterstofgas naar woningen vervoeren. De toekomstige beschikbaarheid en de prijsontwikkeling van deze gassen is nog grotendeels onbekend. Zo is groengas schaars en speelt de vraag hoe het gas wordt verdeeld tussen regio’s en sectoren. Het gebruik van waterstof is nog niet marktrijp en zal eerst worden ingezet voor de industrie.

De verwachting is dat na 2030 waterstof een rol kan gaan spelen in het verwarmen van gebouwen. Voor woningen is de rol van waterstof na 2030 in eerste instantie ingevuld voor woningen die lastig met andere technieken te verwarmen zijn (zoals monumentale panden). De vraag naar (duurzaam) gas kan worden verminderd door het gebruik van hybride warmtepompen. Groen gas & biogas Groen gas en biogas ontstaat door het vergisten van biomassa. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van mest, GFT-afval en rioolslib. Door dit te vergisten ontstaat biogas. Biogas kunnen we echter niet zomaar in ons bestaande aardgasnet invoeren. De eigenschappen (calorische waarde) van biogas verschillen te sterk van aardgas. Daarom kan biogas worden opgewaardeerd naar groen gas. Door biogas te zuiveren en te drogen ontstaat een (groen) gas met dezelfde eigenschappen als aardgas, waardoor het in het bestaande gasnet kan worden ingevoerd. Biogas en groen gas zijn hoge temperatuur warmtebronnen. Doordat groen gas dezelfde eigenschappen als aardgas heeft, vraagt dit weinig aanpassingen aan de bestaande infrastructuur en woningen. We kunnen immers onze woning middels gas blijven verwarmen. Dit klinkt aantrekkelijk, maar de benodigde biomassa is slechts beperkt aanwezig, waardoor we zuinig om moeten gaan met de inzet van groen gas.

Dit betekent dat ook woningen die aangesloten blijven op een gasnet hun warmtevraag naar beneden moeten brengen. Dit kan door goed te isoleren en door gebruik te maken van een hybride warmtepomp. Hierbij zorgt elektriciteit voor verwarming op de warme dagen en wordt alleen het groen gas gebruikt als het buiten te koud is of voor verwarming van het water. De hoeveelheid beschikbare biogas in is te weinig voor een rendabele installatie en daarom ligt het niet voor de hand om dit te realiseren. Waterstofgas Waterstofgas is in tegenstelling tot alle eerder genoemde warmtebronnen geen bron die van nature voorkomt. Waterstof ontstaat op dit moment vooral door een chemische reactie waarbij aardgas wordt omgezet naar waterstof en CO2. Waterstof kan echter ook duurzaam worden verkregen door met veel elektriciteit water te splitsen, waarbij waterstof en zuurstof vrijkomt. In dit laatste geval spreken we over groene waterstof, een geschikt duurzaam alternatief voor aardgas. Productie van deze groene waterstof vindt op dit moment nog nauwelijks plaats. Of en hoe de productie en het gebruik van groene waterstof zich gaat ontwikkelingen is nog onbekend. Waarschijnlijk wordt een groot deel van de groene waterstofproductie door de industrie en infrastructuur sector gebruikt. Of en hoeveel er voor de woningen overblijft en

P a g i n a 43 | 53

tegen welke prijs is nog onzeker. Wij houden daarom de optie voor waterstofgas in de toekomst zeker open, maar kiezen daar waar andere opties beschikbaar zijn voor andere, meer toekomst zekere alternatieven voor aardgas. Andere alternatieven Naast bovengenoemde alternatieven zijn er nog andere alternatieven voor aardgas beschikbaar. Dit zijn veelal alternatieven die op individueel niveau en kleine schaal toegepast worden. Deze alternatieven worden daarom nooit voor een gehele wijk aangewezen, maar bieden op individueel niveau soms wel uitkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om de pelletkachel die hoge temperatuurwarmte kan leveren aan oude panden in het buitengebied, zolang de fijnstofuitstoot wordt beperkt. Of melkveehouders die warmte uit melk kunnen halen om hun woning te verwarmen. Daarnaast is het de verwachting dat er in de toekomst meerdere alternatieven voor aardgas geschikt worden voor de woningmarkt, zoals de hoge temperatuur warmtepomp. Individueel of collectief systeem Elke woning kan in principe zelf, dus individueel, over op een andere warmtealternatief. Dit is bijvoorbeeld een warmtepomp. Voor bepaalde woningtypen en gebieden kan het interessant zijn om naar een collectieve oplossing te kijken, zoals een warmtenet. Voor een collectieve oplossing is een bepaalde schaalgrootte nodig om het systeem financieel rendabel te maken.

In gebieden met lage bebouwingsdichtheden is dit vaak lastiger. Een combinatie van individueel en collectief is ook mogelijk. Zo kan een lage temperatuur warmtenet gecombineerd worden met een individuele warmtepomp om de temperatuur naar een hoger niveau te brengen, indien nodig. Temperatuur van warmtebronnen We maken een onderscheid tussen hoge en lage temperatuur warmtebronnen. De temperatuur van de warmtebron bepaalt welke isolatie en afgiftesysteem (radiatoren of muur- en vloerverwarming) de woning moet hebben. Voor HTwarmtebronnen zijn vaak geen tot weinig aanpassingen in de woning nodig, al hoewel ook voor deze woningen isoleren aan te bevelen is. Dit is daarom met name geschikt voor oudere woningen. Bij LT-warmtebronnen is een goed geïsoleerde woningen een vereiste. LT-warmtebronnen zijn daarom met name voor nieuwere woningen geschikt. Onderstaande afbeelding geeft het temperatuurniveau van diverse warmtebronnen weer op een schaal van LT (links) naar HT (rechts). Meer informatie over technieken is onder meer te vinden op de website van Milieu Centraal http://www.milieucentraal.nl Onderstaand schema geeft een overzicht van de technieken naar temperatuur weer (hoe donkerder, hoe lager de temperatuur)

P a g i n a 44 | 53

BIJLAGE 3 BELEIDSNOTA HOUTIGE BIOMASSA Duurzame bronnen zijn o.a. zon, wind en biomassa, maar ook warmte en -koude onttrekken aan de lucht, aardbodem of oppervlaktewater. Bij de opwekking van zon en wind komt geen CO2 vrij. Bij houtige biomassa ligt dat genuanceerder. Wanneer houtige biomassa wordt verbrand, komt er nog steeds CO2 vrij. Wanneer biomassa wordt vergist of vergast, dan levert biomassa “groen gas”. Ook bij de verbranding van “groen gas” (voor zowel verwarming als transport) komt nog steeds CO2 in de atmosfeer. Anderzijds komt er ook CO2 of nog sterker broeikasgas zoals N2O of CH4 vrij wanneer biomassa niet gebruikt wordt voor energieproductie (bijvoorbeeld wanneer resthout wegrot op de grond). Biomassa is dan ook wel hernieuwbaar, maar niet persé 100% CO2 neutraal. Er zijn internationale afspraken gemaakt over hoe hiermee om te gaan. De benutting van houtige biomassa voor de verduurzaming van de energievoorziening en de productie-industrie is aanleiding tot soms heftig debat. Desondanks krijgt het gebruik van biomassa zowel in de Warmtetransitievisie als de Regionale Energie Strategie een rol in de energietransitie toegewezen. Bovendien is houtige biomassa onderdeel van het Klimaatakkoord. Daarom is het wenselijk voor Meppel richting te geven aan lokaal beleid inzake het gebruik van biomassa voor de energievoorziening.

Dat gezegd hebbende, spreken wij in navolging van het SER-advies (Biomassa in Balans. Een duurzaamheidskader voor hoogwaardige inzet van biogrondstoffen. Juli 2020) liever van biogrondstoffen. Er zijn vele soorten biogrondstoffen, welke gebruikt worden voor verschillende toepassingen, gebruik makend van verschillende technologieën. Het is daarmee onmogelijk om alle gebruik van biogrondstoffen over één kam te scheren en dus is vooral een algemene beleidslijn op z’n plek. Overwegingen Dat het gebruik van biogrondstoffen voor energietoepassingen een uitwerking in lokaal beleid vraagt komt voort uit de volgende overwegingen: a)

b) c)

d) e)

f)

g)

h) i)

j)

k)

In het kader van het landelijk Klimaatakkoord wordt in 30 regio’s gewerkt aan een Regionale Energie Strategie (RES). Hierin wordt beschreven welke bijdrage de regio levert aan de landelijke doelstelling om in 2030 in Nederland 35 TWh duurzame energie op te wekken. Meppel maakt onderdeel uit van de RES-regio Drenthe. De RES richt zich vooral op duurzame elektriciteitsproductie en de elektriciteitsinfrastructuur, maar ook de Regionale Structuur Warmte maakt onderdeel uit van de RES. Daarin wordt voor biogrondstoffen een rol als transitiebrandstof voorzien. De provincie en gemeente gaan over de vergunningen die aan energieopwekkende projecten verleend worden. Dat geldt ook voor vergunningplichtige projecten waarbij biogrondstoffen in energie worden omgezet. Planbureau voor de Leefomgeving heeft in 2020 aangegeven dat biogrondstoffen noodzakelijk zijn voor de energietransitie. In de loop van 2020 volgde nog een rapport van de SER, enkele andere rapporten over duurzaamheidscriteria ten aanzien van biogrondstoffen en een ‘Routekaart Biogrondstoffen Nederland’. Deze rapporten zijn mede opgesteld omdat er veel maatschappelijke discussie bestaat over het duurzaam gebruik van biogrondstoffen. Er zijn vele soorten biogrondstoffen en vele soorten technieken voor bio-energie. Dit maakt dat iedere gebruikssituatie weer anders is.

Alles over één kam scheren kan daarom niet en een zorgvuldige, feitelijke afweging is daarom gewenst. Ook in Meppel. Duurzaam gebruik van biogrondstoffen voor energie is in 2018 in Europa vastgelegd in de Renewable Energy Directive (RED II). Deze wordt ook in Nederland doorgevoerd en bevat veel strengere normen dan nu het geval is. Duurzame productieketens, een uitgangspunt uit de RED II, formele rekenmodellen zoals BioGrace II en certificeringssystemen zoals Better Biomass, passen bij de Drentse Regionale Structuur Warmte. De gehele productieketen van biomassa (incl. gebruik) wordt meegenomen in de CO2-berekeningen van RED II. Voor uitvoeren van deze berekeningen kan gebruik worden gemaakt van rekenmodellen zoals BioGrace II. Het gebruik van biomassa voor elektriciteitsproductie, verwarming en koeling zal vanaf 2026 (gerekend over de gehele productieketen) moeten leiden tot minimaal 80% CO2-reductie (per 1 januari 2021 is dat nog 70%). Zonder certificering van deze CO2-reductie mag deze niet worden meegeteld voor de klimaatdoelen en komt het biomassaproject niet in aanmerking voor financiële ondersteuning vanuit de overheid (zoals bijvoorbeeld de SDE++). In de RED II is de mogelijkheid van lange afstand transport van biomassa beperkt door CO2-reductiecriteria. Daarbij geldt dan ook automatisch dat hoe natter de biomassa is, hoe minder groot de potentiele transportafstand is.

Ook het type transportmiddel is dan van belang: transport per schip stoot minder CO2 per tonkilometer uit dan transport met een vrachtwagen. Dit maakt het gebruik van alleen lokale biomassa vanuit CO2-oogpunt minder noodzakelijk. Meppel neemt de criteria in de RED II als uitgangspunt over en stimuleert hiermee een ketengerichte aanpak. In een circulaire economie worden plantaardige en dierlijke reststromen (biomassa) optimaal ingezet voor de productie van bijvoorbeeld bio-grondstoffen, biobrandstoffen, elektriciteit en warmte. In deze circulaire economie bestaat geen afval en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt. Gemeente Meppel heeft middels haar Programma Duurzaamheid de circulaire economie een centrale plaats in haar beleid gegeven. Bij toepassing van bio-energie dient ook maximaal te worden ingezet op gebruik bij benodigde hoge temperaturen en aanvullend cascadering van restwarmte. Bij prioritering van (rest)warmtegebruik moet nadrukkelijk ook gekeken worden naar een integrale aanpak. Speciaal aandachtspunt hierbij is de terugdringing van NOx uitstoot. Het verminderen van stikstof heeft immers een positieve invloed op natuurgebieden in de regio. Deze ruimtelijke impact dient te worden afgewogen bij prioritering van inzet van regionale warmtebronnen. Dit kan via de Regionale Structuur Warmte in de RES.

Veel argumenten tegen het gebruik van biogrondstoffen voor energie gaan over de uitstoot van emissies en het gebruik van de duurzame grondstof hout voor energieproductie. Hoe legitiem dergelijke argumenten ook zijn, ook hier geldt dat niet alles over 1 kam kan worden geschoren. Immers, 25% van het rondhout in NL (normaliter geschikt voor bijvoorbeeld het maken van bouwmaterialen of papier) gaat naar open haarden en houtkachels (bron: probos). Er zijn meer dan 1 miljoen open haarden en conventionele houtkachels in Nederland. Emissies hiervan (zoals fijnstof) zijn naar verhouding erger dan veel moderne biomassagestookte installaties en bovendien midden in

P a g i n a 45 | 53

l)

m)

n)

woonwijken. Een houtpellet gestookte kachel als sfeerelement voor in een woning heeft een hoger energetisch rendement, heeft dankzij het ruitje nog steeds een sfeer-effect en heeft meer dan 90% minder uitstoot van fijnstof. Een gasgestookte WKK (belangrijke energiebron voor veel warmtenetten en industrie in Nederland) mag 340 Mg NOx/m3 rookgas bevatten. Moderne biomassaketels kunnen minder dan 20 Mg NOx/m3 rookgas halen. Naast CO2winst is ook stikstof-winst derhalve een belangrijke factor bij het bepalen van toepassing van een duurzame warmtebron. Wanneer een keuze gemaakt kan worden tussen de duurzame vervanging van een CV-ketel (max. 70 mg NOx/m3 rookgas) of een WKK, zal op basis van stikstofemissie vervanging van een WKK serieus overwogen kunnen worden. Veel argumenten tegen het gebruik van biogrondstoffen voor energie gaan over het gebruik van hout, terwijl meer aanplant van bomen belangrijk is vanuit meerdere beleidsdoelstellingen. Dit dient wel in perspectief te worden gezien. Bijgroei in bossen is meer dan dat er geveld wordt. De hoeveelheid bomen per ha. bos neemt toe. Ca. 2/3 deel van houtkap is voor ontwikkeling van natuurwaarden (vaak i.v.m. internationale afspraken). Bosoppervlakte is toegenomen tussen 1990 en 2017 (en zal door de bossenstrategie verder toenemen). De gemiddelde leeftijd van bomen neemt toe. De hoeveelheid dood hout per ha. is meer dan verdubbeld.

Het aantal exemplaren van kenmerkende faunasoorten in bossen neemt de laatste 10 jaar toe. Meer dan 50% van de kap betreft individuele bomen (goed ingepast i.h.k.v. bosonderhoud), terwijl 4% kaalkap is (zoals gezegd dus meestal voor natuurontwikkeling). De potentie(lokale aanwezigheid) van houtige biomassa als energiebron is in Meppel beperkt.

Beleidsuitgangspunten duurzaamheid houtige biomassa 1) Energieprojecten waarbij biogrondstoffen voor energie worden gebruikt, worden op hun merites beoordeeld. Daarbij zijn de CO2-uitstoot in de productieketen (incl. gebruik) en de reductie van stikstofemissie belangrijke weegfactoren. 2) Gemeente Meppel volgt voor het gebruik van biogrondstoffen voor energieproductie de Europese en landelijke weten regelgeving. Daarbij wordt gekeken naar de gehele productieketen, inclusief gebruik, conform RED II, formele rekenmodellen zoals BioGrace II, normen zoals NTA8080 en certificeringssystemen zoals Better Biomass. Onderdelen die daarmee (bijvoorbeeld door audits bij certificeringen) ook aandacht krijgen zijn:       3) 4) 5)

herkomst en traceerbaarheid massabalans reductie van broeikasgasemissies concurrentie met voedsel en/of andere lokale toepassingen biodiversiteit & milieu welvaart & welzijn

Het gebruik van rondhout voor energieproductie in woningen wordt waar mogelijk ontmoedigd. Efficiëntere, schonere technologie wordt niet ontmoedigd en bij voorkeur ingezet ter vervanging van warmtebronnen met een grotere uitstoot van PM2,5 en PM10 fijnstof, CO2 en/of stikstof. Het gebruik van biogrondstoffen voor energietoepassingen op grotere schaal dan bij een individuele woning wordt alleen toegestaan wanneer daarbij gebruik wordt gemaakt van gecertificeerd hout volgens de NTA8080 norm (bijvoorbeeld via Better Biomass certificering). Daarmee worden zaken als biodiversiteit en herkomst geborgd. Bij de uitvoering van de bossenstrategie zal ook bosonderhoud plaats vinden, ten behoeve van bijvoorbeeld veiligheid, vergroting van biodiversiteit en ten behoeve van ruimte voor groei van individuele bomen. Bij bosonderhoud vrijkomend werkhout zal niet beschikbaar worden gesteld voor energieproductie. Top- en takhout is beschikbaar voor energieproductie wordt zoveel mogelijk lokaal ingezet of afgezet bij pelletfabrieken.

P a g i n a 46 | 53

In het kader van bovenstaande beschouwt gemeente Meppel in ieder geval de volgende documenten als basis voor lokaal beleid: 

  

  

Strengers, B. & H. Elzenga (2020), Beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa. Verslag van een zoektocht naar gedeelde feiten en opvattingen, Den Haag: PBL.: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2020-beschikbaarheid-en-toepassingsmogelijkheden-vanduurzame-biomassa-verslag-zoektocht-naar-gedeelde-feiten-opvattingen_4188.pdf Stand van zaken bos in Nederland, Factsheet ten behoeve van de werkbijeenkomsten Bossenstrategie op 20 en 22 november 2019, Stichting Probos, Wageningen, november 2019. https://www.probos.nl/rapporten-2019/1595-standvan-zaken-bos-in-nederland SER advies ‘Biomassa in balans’, juli 2020 https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2020/biomassa-inbalans.pdf Warmte uit aardgas of uit biomassa?, HaskoningDHV Nederland B.V., februari 2020 https://www.royalhaskoningdhv.com/nederland//media/royalhaskoningdhvcorporate/files/local/news/newsitems/warmte-uit-aardgas-of-uit-biomassa_6-mei2020.pdf?la=nl-nl “Kennisdocument Houtstook in Nederland”, https://www.rvo.nl/sites/default/files/2018/09/Kennisdocument%20houtstook%2020180910definitief.pdf https://groengas.nl/wp-content/uploads/2021/02/Panorama_Groen_Gas_2021.pdf http://co2emissiefactoren.nl

P a g i n a 47 | 53

BIJLAGE 4 BELEIDSNOTA DUURZAME GASSEN Een toekomstig all-electric energiesysteem met een grote rol voor warmtepomptechniek mag dan waarschijnlijk technisch wel mogelijk zijn; een energiesysteem waarbij er in een systeemanalyse op kosten geoptimaliseerd wordt ziet er heel anders uit. Opslag en transport van elektriciteit zijn relatief duur. Er blijven energiedragers nodig met een hoge energiedichtheid die relatief makkelijk kunnen worden opgeslagen of getransporteerd. Anders gezegd: Hier ziet de gemeente Meppel een rol weggelegd voor duurzame gassen. Waterstof gaat daarom een belangrijke rol spelen bij de verduurzaming van de Nederlandse industrie en het energiesysteem. Maar lang niet alle waterstof is duurzaam. Groene waterstof, geproduceerd met groene stroom, is duurzaam maar vooralsnog schaars. We moeten slimme keuzes maken over hoe en waar we (groene) waterstof gaan gebruiken. Hoe maken we die afweging? Dat is o.a. door Natuur & Milieu uiteengezet in de waterstofladder en deze waterstofladder wordt in sommige RES’sen ook overgenomen. Voor groengas gelden soortgelijke afwegingen. Overwegingen a) De lokale gasinfrastructuur is goed. Meppel ligt bovendien dichtbij de route waar in de toekomst een waterstofhoofdinfrastructuur voorzien is. b) De huidige gasinfrastructuur is complex net als iedere energie infrastructuur. Dit brengt uitdagingen met zich mee.

Neem bijvoorbeeld het fysiek verplaatsen van (duurzaam) gas van hoge druk naar lage drukleidingen en van productielocatie naar gebruikslocatie (hoeft niet aan hetzelfde deelnet te zitten). c) De uitgangspunten voor de waterstofladder zijn gebaseerd op de volgende vraagstukken:   

Is er een duurzamere oplossing? Is er een oplossing die efficiënter is qua energiegebruik? (hierbij wordt vooral de CO2-uitstoot over de gehele keten beschouwd; well-to-wheel, zie o.a. www.co2emissiefactoren.nl) Is er een maatschappelijk goedkopere oplossing?

Deze uitgangspunten zijn meegenomen in voorliggende warmtetransitievisie. Aanvullend stellen wij in Meppel de volgende vragen:    d) e)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=8e8a820a-8a58-43f9-9773-cb2026de338b