Transitievisie warmte
Tekst van het document
Dit is onder andere afhankelijk van de temperatuur van de warmte en de leverings-zekerheid. Bij leveringszekerheid gaat het om de beschikbaarheid van warmte gedurende het hele jaar en met name in de winter. Ook is de betrouwbaarheid van de bron voor de langere termijn van belang. De industrie is ook aan het verduurzamen(waaronder besparen). Dus het is de vraag hoe lang er sprake is van voldoende restwarmte. Restwarmte wordt getransporteerd via warmtenetten. Het huidige gasnet is hiervoor niet bruikbaar. Er zal dus een nieuw net aangelegd moeten worden. Een rendabel warmtenet kan gerealiseerd worden indien de bron zo dicht mogelijk bij een buurt of wijk ligt en er voldoende woningen op aansluiten. Op deze manier wordt warmteverlies beperkt en aanlegkosten gereduceerd. Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) Een studie van ROM3D naar de potentie van TEO als warmtebron in Meppel laat zien dat circa 30 procent van de warmtevraag mogelijk kan worden ingevuld met TEO. Omgerekend is dat circa 220.000 GJ. Bij TEO is de locatie van de warmtebron van groot belang. Deze moet binnen een kilometer de gebouwde omgeving die het dient te voorzien van warmte, omdat een warmtenet kostbaar is en het warmte verliest tijdens het transport. Ten opzichte van de andere waterbronnen (afval- en drinkwater) is TEO het meest kansrijk.
Conclusie Bodemwarmte en omgevingswarmte zijn de warmtebronnen die de warmtevraag van de gebouwde omgeving in de gemeente Meppel voor het grootste deel kunnen gaan invullen. Waarbij bodemtechniek alleen geschikt is in ruim opgezette wijken (of het buitengebied) en omgevingswarmte wanneer de woning goed geïsoleerd is. Biogas is geschikt als warmtebron in de transitie naar een aardgasvrij Meppel. Het is een mogelijke oplossing voor woningen die nog niet voldoende geïsoleerd zijn voor een volledige all-electric oplossing. TEO heeft potentie maar is nog relatief nieuw en moet nader worden onderzocht. Diepe geothermie valt af vanwege de bodemopbouw van Meppel. Restwarmte uit de industrie is slechts beperkt aanwezig. Het is de moeite waard om onderzoek hiernaar te doen om tot een goede energiemix te komen. Veel technieken vragen naast een warmtebron ook elektriciteit. Dit vraagt om duurzaam opgewekte elektriciteit en verzwaring van het elektriciteitsnet. Bij de aanpassing van de elektriciteits- en warmte-infrastructuur dient naast de levering ook gekeken te worden naar mogelijkheden voor opslag. 5.3.
Marktrijpheid van de technieken
In figuur 8 is te zien in hoeverre de hiervoor genoemd bronnen marktrijp zijn en een logische keuze voor woningen in Meppel. Deze algemene inzichten helpen bij het maken van een eerste inschatting van goede alternatieven voor aardgas voor de wijken in Meppel. We benutten dit overzicht wel voor de routekaart van Meppel in de volgende paragraaf.
P a g i n a 18 | 53
Figuur 8 Techniekkeuze getoetst op marktrijpheid, DWA. 2020
P a g i n a 19 | 53
5.4.
Techniekkeuze naar gebied
In paragrafen 5.1, 5.2 en 5.3 zijn verschillende analyses gedaan die de warmtevraag en het potentiële warmteaanbod in beeld brengen. Dit heeft inzicht gebracht in de mogelijkheden binnen de gemeente. Een vervolg stap is om deze kennis toe te passen per wijk, op basis van de clustering die in de sprintsessie is gemaakt. Per wijk doorlopen we de drie stappen uit hoofdstuk 4. Stap 1. We typeren de woningen Stap 2. We schetsen de beschikbare en marktrijpe bronnen per wijk Stap 3: We inventariseren de meekoppelkansen m.b.t. initiatieven
Aan de hand van deze stappen beschrijven we elke wijk. Na deze stappen volgt per wijk een conclusie over het meest logische alternatief voor aardgas. Zie bijlage 7 voor een huidig overzicht van de meest logische technieken. We toetsen het alternatief aan de leidraad van het PBL. Nieuwveenselanden (cluster E) Stap 1: De wijk Nieuwveenselanden is een nieuwbouwlocatie. De woningen zijn gebouwd vanaf 2014, met als ambitie: aardgasvrij en energieleverend. De woningen zijn goed geïsoleerd en het reeds gerealiseerde deel van de wijk heeft een hoge dichtheid. In de eerste fase naar een aardgasvrij Nieuwveenselanden is er een aansluiting via een hoge temperatuur warmtenet op een biomassa installatie aangelegd. Stap 2: Om een energieleverende wijk te worden is zon op het dak een vereiste aangevuld met een zonneweide. Op de korte termijn zet de gemeente in op een landschappelijk zorgvuldig ingepast zonnepark van 2 hectare. Dit sluit aan bij de ambitie om volgende fases in te zetten op een all-electric oplossing. Deze oplossingsrichting scoort goed qua marktrijpheid. Ten westen van dit gebied ligt de Bremenbergerplas en is TEO wellicht beschikbaar. Naar de toekomst toe zou eventueel nog gekeken kunnen worden naar de aanwezigheid van restwarmte en in de verre toekomst mogelijk waterstof. Stap 3: De wijk is reeds van het aardgas af. Er spelen geen meekoppelkansen.
Conclusie Een isolatieopgave is onnodig, omdat de woningen in deze nieuwbouwlocatie al goed geïsoleerd zijn. In deze wijk wordt na afronding van het warmtenet voor volgende fases ingezet op een individuele all-electric oplossing. De Startanalyse kiest in Nieuwveenselanden voor de strategie individuele warmtepompen. In deze nieuwbouwwijk ligt geen aardgasnet waardoor een (duurzaam) gasoptie al een onlogische keuze is als we kijken naar de laagste nationale kosten, gezien hiervoor forse investeringen in een aardgasnet nodig is. De wijk is al compleet aardgasvrij. De keuze voor individuele warmtepompen wordt ook in de routekaart gemaakt. Nieuwveenselanden wil energieleverend zijn en gaat een zonneweide plaatsen als toevoeging op de zonnepanelen op de daken. Deze energie kan gebruikt worden o.a. voor de openbare ruimte, warmtepompen en wellicht mobiliteit.
P a g i n a 20 | 53
Galgenkamp en Oude Vaart (onderdeel van transformatiegebied Noordpoort), Cluster F Stap 1: Noordpoort is een transformatiegebied, nieuwe gebouwen worden in ieder geval aardgasvrij gebouwd. De markt wordt uitgedaagd om tot een CO2-neutrale voetafdruk te komen. In dit gebied is voornamelijk zware bedrijvigheid te vinden (Oude Vaart), maar ook een aantal kleine woonbuurten (Galgenkamp) en er liggen woonboten waarvoor wellicht weer speciale technieken toegepast kunnen worden. De woonwijken bestaan voornamelijk uit laagbouw, zoals rijtjeswoningen met variërende bouwjaren (veel uit de periode 1925 – 1960). Naast de kleine woonwijken is het een mix van relatief nieuwe bedrijvigheid/utiliteiten(na 2000) en reeds lang gevestigde bedrijven. Op sommige plekken is sprake van een zwaar verouderd bedrijventerrein. De woningen zijn voor een groot deel corporatiebezit. Bij een wijkgerichte aanpak sluit de bebouwing aan de Nijeveenseweg beter aan bij dit cluster dan bij het buitengebied dan wel Nieuwveenselanden. De Nijeveense weg kenmerkt zich door een hoge bebouwingsdichtheid, veel particulier eigendom, grondgebonden en veel vooroorlogse bouw. Stap 2: Het gebied wordt doorsneden door de Drentse Hoofdvaart. Een lage temperatuurbron, die op dit moment nog niet heel kansrijk lijkt. Eerste verkennende onderzoekt wijst hier nog niet op gezien de beperkte doorstroming van de Drentse Hoofdvaart.
Een individuele oplossing ligt daarom voor de hand. De warmtepomp is een marktrijpe techniek voor de nieuwbouw. Stap 3: Het bestemmingsplan maakt een mix van lichte bedrijvigheid met bijzonder wonen, recreatie en groen mogelijk. Dit is geen echte koppelkans, maar biedt wel aanknopingspunten voor initiatieven. Initiatieven kunnen zorgen voor meekoppelkansen voor bestaande bouw. Mocht er bij nieuwbouw toch worden gekeken naar een warmtenet dan kan er wellicht een koppeling worden gemaakt met de bestaande bouw. Daarnaast is het van belang om, gezien het grote aandeel corporatiebezit, te inventariseren welke vastgoedinvesteringen de woningbouwcorporatie in de planning heeft. Conclusie Bestaande woningen dienen goed geïsoleerd te worden en uitgerust worden met een (hybride)warmtepomp. Mogelijk aangevuld met zonnepanelen, zonneboiler. Hierbij past duurzaam gas als tussenoplossing. In dit gebied wordt de markt uitgedaagd om met nieuwe, slimme technieken te komen. De transformatie voor dit gebied loopt al, de ontwikkelingen die nu lopen zijn al aardgasvrij en gebouwen worden goed geïsoleerd gerealiseerd. Hierdoor is een individuele oplossing met gas, zoals een hybride warmtepomp, voor de nieuwbouw geen logische keuze. Voor een all-electric oplossing is een verzwaring van het elektriciteitsnet een vereiste.
De Startanalyse komt uit op groengas met hybride warmtepomp in Galgenkamp en een warmtenet met LT-bron voor Oude Vaart. De achterliggende resultaten in Oude Vaart tonen aan dat het overgrote deel (> 80%) van de woningaansluitingen individuele warmtepompen zijn bij deze strategie, waarmee die strategie (individuele WP) leidend is voor Oude Vaart. Voor Galgenkamp geeft een hybride warmtepomp op groengas de laagste nationale kosten; een hybride vorm past goed bij de woning- en buurtkenmerken. Dit komt als eindoplossing overeen met de routekaart uit dit rapport. De routekaart zet voor bestaande bouw echter vooralsnog in op een hybride oplossing(dit is dan ook de terugvaloptie). Gezien de leeftijd van de woningen vraagt een volledige all-electric oplossing nog wel de nodige isolatiemaatregelen. Voor het juiste ambitieniveau moet ook aansluiting worden gezocht bij de investeringen van de corporatie.
P a g i n a 21 | 53
Berggierslanden (Cluster P) Stap 1: In deze wijk staan relatief veel nieuwe woningen. De oudste woningen zijn van 2005. Deze woningen zijn goed geïsoleerd en staan in een ruim opgezette wijk. Stap 2: Gezien de bouwjaren leent de wijk zich voor een individuele all-electric oplossing. De ligging langs de omgelegde Hoogeveense Vaart maakt TEO in combinatie met warmtekoudeopslag en warmtenet mogelijk interessant, maar omdat de wijk ruim opgezet is en de huizen relatief ver uit elkaar, is een LT-warmtenet financieel minder haalbaar dan een all-electric variant. Ook het hoge percentage eigenwoningbezit, maakt all-electric aantrekkelijker. Immers, elke woningeigenaar kan zijn eigen tempo bepalen en dat vergroot het draagvlak. Stap 3: Bij een groot aantal woningen is de komende jaren de CV-ketel aan vervanging toe. Dit is een natuurlijk moment om over te stappen op een andere techniek. Er is een buurtinitiatief voor de gezamenlijke inkoop van warmtepompen. Ook is er een VvE die zich oriënteert op de verduurzaming van het complex welke wellicht kan aansluiten bij het lopende initiatief. Deze oplossingsrichting scoort goed als je kijkt naar marktrijpheid. Conclusie Er is een beperkte isolatieopgave. De woningen in de wijk zijn nu al grotendeels geschikt voor lage temperatuur verwarming. Een all-electric alternatief ligt voor de hand.
Eventueel kunnen bewoners kiezen voor een kleinschalig collectief warmtenet, maar dat kan bij het wijkuitvoeringsplan nader onderzocht worden. Rijwoningen (waaronder corporatiebezit) zouden zich hier voor kunnen lenen. Grootschalig collectief valt af vanwege de ruime opzet van de wijk en de lopende initiatieven. Bij het opstellen van het WUP moet ook gekeken worden welke aanvullende maatregelen woningeigenaren nog kunnen nemen om hun woning te verduurzamen. Dat is nodig om tot een goede financiële afweging te kunnen komen tussen de verschillende technieken. Een direct uitvoerbare “no-regret” oplossing is een hybride warmtepomp. Dit is een terugvaloptie. Deze hybride warmtepomp geeft direct een besparing op het aardgasverbruik. Voor de hybride warmtepomp als tussenstap moet goed gekeken worden naar de terugverdientijd. In veel gevallen blijkt de stap om toch in één keer naar all-electric over te gaan de meest voordelige stap op de langere termijn. Voordat iedereen van het gas af kan, moet het net verzwaard worden. Er is een impactanalyse (via Enexis) uitgevoerd voor deze wijk. Dit geeft een beeld van de maatregelen die genomen moeten worden aan het elektriciteitsnet. En de voorwaarden voor gesloten bodemwarmte opwek moet nader worden onderzocht. Denk hierbij ook aan het opstellen van een bodemenergieplan.
Omdat de woningen relatief makkelijk de overstap naar aardgasvrij kunnen maken en omdat er al actieve bewoners zijn, zou er in deze wijk gestart kunnen worden om Meppel aardgasvrij te maken. Uit de Startanalyse van het PBL is voor dit gebied een individuele warmtepomp als resultaat aangegeven. Dit komt overeen met de analyse die is gedaan in dit rapport, waarbij een grootschalig collectief lijkt af te vallen en uit wordt gegaan van een all-electric oplossing waarbij een luchtwarmtepomp de meest voordelige optie is voor dit gebied. Bodemwarmtepomp lijkt om praktische en financiële redenen minder voor de hand te liggen. Koedijkslanden, Slingenberg en Reestlanden(Clusters O en N) Stap 1: In Koedijkslanden, Slingenberg en Reestlanden zijn de meeste woningen tussen 1965 en 1975 gebouwd met een vrij hoge dichtheid. Er zijn veel huurwoningen(ruim 40%) in de Koedijkslanden. Dit zijn woningen die lastig te isoleren zijn tot een geschikt energielabel voor een volledig elektrische warmtepomp. De woningbouwcorporatie past op een tweetal inbreidingslocaties verschillende vormen van aardgasvrij bouwen toe. Reestlanden bestaat uit enigszins solitair gelegen vrijstaande grondgebonden koopwoningen met nabij gelegen ouderen woonvoorzieningen ((huur)appartementen).
Slingenberg is een oud buurtschap en bevat daardoor ook vooroorlogse bouw maar bestaat hoofdzakelijk uit grondgebonden koopwoningen die zijn gebouwd in de periode 1970-1980. Stap 2: Ten noorden van de wijk ligt industrieterrein Oevers. Hier is restwarmte beschikbaar. De oplossing van restwarmte uit industrie scoort op de schaal voor marktrijpheid, maar vraagt wel om een goed onderzoek naar onder meer leveringszekerheid, ook in de toekomst. Ook de temperatuur van de restwarmte is van belang om te kunnen beoordelen of er een sluitende businesscase te maken is. Mocht restwarmte niet haalbaar zijn, dan is zal verder worden gekeken naar andere collectieve en individuele oplossingen als terugvaloptie. Gezien het bouwjaar zal het hier gaan om een hybride oplossing en zal er nog fors moeten worden geïnvesteerd in isolatie en opwek alvorens over te kunnen stappen op all-electric. Deze individuele hybride techniek is ook marktrijp. Slingenberg en Reestlanden liggen dusver van de bedrijvigheid vandaan dat de kans groot is dat een eventueel warmtenet niet zo ver rijkt. Hiervoor is de terugvaloptie van belang. Waarbij voor Reestlanden nader moet worden onderzocht hoeveel isolatiemaatregelen al zijn genomen aan de woningen om zo wellicht over te kunnen stappen op all-electric.
Stap 3: De renovatie van het corporatiebezit is een meekoppelkans voor de isolatie van andere woningen in de straten waar de corporatie aan de slag gaat. Ook de verduurzaming van de nabijgelegen bedrijvigheid is een kans mede in combinatie met het traject dat loopt in het kader van de circulaire havens ‘Port of Zwolle’. Conclusie Gezien het bouwjaar van de woningen is de isolatie opgave groot. Daarom is een HT-oplossing gewenst in deze gebieden. Voor een deel van het gebied Hesselingen ligt dit gezien het bouwjaar wellicht net wat anders. Daar kan mogelijk makkelijker de stap worden gemaakt naar een lage temperatuur oplossing. Voor deze gebieden is een collectief warmtenet een geschikte hoofdtechniek om de woningen te verwarmen. Het warmtenet kan wellicht worden gevoed met de restwarmte van bedrijven uit het industrieterrein Oevers. Als een warmtenet, HT/MT, niet realistisch blijkt dan is ook een individuele optie mogelijk. Ook zijn meer kleinschalige collectieve oplossingen het uitzoeken
P a g i n a 22 | 53
waard. Maar vanwege de complexe isolatieopgave van de woningen ligt in zijn algemeenheid, bij een individuele oplossing de voorkeur bij allereerst een hybride stap(terugvaloptie) in plaats van direct all-electric. Verzwaring van het elektriciteitsnet is dan een vereiste. Een eerste stap is om, waar mogelijk, te isoleren en te investeren in opwek. De kansen hiervoor moeten in het WUP nader worden uitgewerkt. De Startanalyse van het PBL geeft aan dat all-electric een goede optie is voor Hesselingen en Reestlanden en groengas voor de Schildersbuurt. In Koeberg kiest het model voor een warmtenet met een MT-bron. We onderzoeken in de routekaart echter eerst een brede collectieve oplossing met daarin een mogelijke rol voor restwarmte. Lukt dit niet dan komen individuele allelectric oplossingen in beeld met mogelijk een hybride variant als tussen of eindoplossing; dit komt overeen met de uitkomsten van de Startanalyse. Oosterboer & Ziekenhuis (cluster L) Stap 1: De wijk Oosterboer kent een lange ontwikkelingsperiode en heeft woningen in de bouwjaren tussen 1975 en 2000. Dit betekent dat er voor de oudere woningen, van voor 1992, sowieso een grote isolatieopgave ligt. De Vlinderbuurt in het noordoosten is het jongere deel van de wijk met goed geïsoleerde woningen. Het nieuwe ziekenhuis is het eerste all-electric ziekenhuis van Nederland en wordt momenteel gebouwd nabij de Oosterboer.
Stap 2: De meest voordelige techniek voor de nieuwere woningen met goede isolatie (Vlinderbuurt) is all-electric. In de Vlinderbuurt zijn al all-electric woningen aanwezig. Er lijken kansen om voor Vledenbuurt TEO toe te passen. Met een midden temperatuuroplossing kunnen de aanpassingen aan de woning beperkt worden. Uit eerste verkennende onderzoeken lijkt er sprake te zijn van een redelijk interessante (lage) bijdrage aansluitingskosten (BAK). Hoe lager deze kosten zijn, hoe haalbaarder het warmtenet. In het kader van het wijkuitvoeringsplan moet een realistischere inschatting worden gemaakt. Dit vereist nader onderzoek. Daarnaast moet goede afstemming plaatsvinden met het waterschap. Het gaat daarbij om de aspecten van waterkwantiteit en waterkwaliteit. Ook zal de markt geconsulteerd moeten worden om te beoordelen of er een businesscase van te maken valt. Mocht TEO niet haalbaar lijken, dan kan er teruggevallen worden op individuele oplossingen. Voor de oudere woningen die minder goed te isoleren zijn kan voorlopig overgegaan worden op een hybride warmtepomp eventueel in combinatie met zonnepanelen en een zonneboiler. Stap 3: De aanwezigheid van 500 woningen van de woningbouwcorporatie kunnen wellicht een goed vliegwiel zijn voor een warmtenet, omdat er dan al een gegarandeerde afname van warmte is.
Voor de woonwijk wordt momenteel samen met inwoners een wijkaanpak uitgedacht. Het gaat dan onder meer om de ruimtelijke kwaliteit van de wijk, zoals het groen. Dat is een geschikt moment om bewoners te stimuleren om de warmtetransitie te starten. In de Vlinderbuurt zijn al all-electric woningen. In die buurt ligt het voor de hand om deze keuze verder te verbreiden. Conclusie Voor de oudere woningen heeft een MT- oplossing de voorkeur, omdat de isolatieopgave dan minder groot is. In de wijk Oosterboer lijken er kansen te zijn voor een midden of lage temperatuur warmtenet met TEO. Dit vraagt om nader onderzoek door het waterschap en een goede financiële onderbouwing. Mocht een warmtenet niet haalbaar zijn, dan is een individuele oplossing de terugvaloptie. De oudere woningen kunnen overgaan op een hybride warmtepomp, die in de toekomst mogelijk gevoed wordt met duurzaam gas als transitiemiddel. Voor de nieuwere, goed geïsoleerde woningen is een LT- oplossing logisch. Voor deze woningen in Oosterboer is een individuele all-electric oplossing de meest voordelige techniek. Dit speelt met name in de Vogelbuurt en Vlinderbuurt. De Startanalyse koerst ook op deze all electric oplossing. Wel zal in tegenstelling tot de startanalyse goed moeten worden gekeken naar de isolatieopgave om wellicht eerst een stap te maken naar hybride.
Voor heel Oosterboer kiest de Startanalyse voor groengas met hybride warmtepomp als strategie met de laagste nationale kosten. Dat betekent dat volgens het model de andere strategieën relatief duur zijn om toe te passen. Dat terwijl er in Oosterboer veel nieuwbouw is met een nabijgelegen laagtemperatuur-bron. Voor de nieuwbouw is een laagtemperatuur oplossing goed toe te passen en heeft dit de voorkeur. Het is efficiënter om de beperkt beschikbare hoeveelheid groengas in buurten toe te passen die dat meer nodig hebben. De uitkomsten van de Startanalyse in Oosterboer komen niet overeen met de routekaart. De routekaart geeft een voorkeur naar een MT-warmtenet zodat de aanpassingen in de woningen worden beperkt. Gezien de ligging tov de Hoogeveensevaart moet ook goed worden gekeken of de Verzetsbuurt gekoppeld zou kunnen worden aan een eventueel warmtenet. Het Nieuwe Isala ziekenhuis wordt all-electric op lage temperatuur warmte middels een WKO systeem en met zonnepanelen op het dak Nijeveen – kern(cluster B) Stap 1: De kern van Nijeveen bestaat voornamelijk uit grondgebonden woningen met een grote variatie in ouderdom. Er is een groot aandeel (30%) aan nieuwere woningen met een bouwjaar tussen 1992 en 2010 (Danninghe Erve). Daarnaast wordt er ook nog bijgebouwd op Danninghe Erve. De kern van Nijeveen is over het geheel genomen divers in woningtype en bouwjaar.
De bouwjaren in de Griftebuurt en Vogelbuurt variëren van de jaren 50 tot de jaren 90. En er is in de kern nog de vooroorlogse lintbebouwing. Ongeveer een derde is sociale huur. Verduurzaming van dit gebied wordt een complexe opgave vanwege deze hoge diversiteit.
P a g i n a 23 | 53
Stap 2: Voor Nijeveen is er, gezien het goede contact met omliggende melkveehouders, interesse in biogas. Knelpunt hierbij is wel de beperkte beschikbaarheid regionaal en landelijk gezien. Op de schaal voor marktrijpheid scoort deze oplossing gemiddeld of neutraal. Andere specifieke bronnen zijn er niet in de buurt. Daarom is een individuele oplossing met of zonder (duurzaam) gas een logische keuze. Stap 3: In Nijeveen is een groep actieve bewoners die zich hebben georganiseerd in de energiecoöperatie Duurzaam Nijeveen (ECDN). De energiecoöperatie beschikt over de nodige kennis en ervaring. De gemeente wil deze groep faciliteren en de kennis en ervaring die hier op wordt gedaan ook gebruiken voor andere gebieden in Meppel. Naast de beweging die vanuit de energiecoöperatie in gang wordt gezet zijn er ook meer individuele ontwikkelingen en wordt er al gasloos gebouwd op Danninghe Erve. Sommige bewoners hebben al een (hybride)warmtepomp aangeschaft. Ook ondernemers hebben hun nieuwbouw niet meer op het gasnetwerk aangesloten. De ervaringen zijn wisselend en het is dan ook van belang om hiervan te leren en deze kennis te benutten voor andere panden/ wijken. Conclusie De nieuwere woningen(Danninghe Erve o.a.) in de kern zijn goed geïsoleerd en kunnen daarom goed overstappen op een LToplossing.
Er zijn in de kern echter nog veel woningen die veel isolatie vragen, voordat zij over kunnen stappen op een lage temperatuur warmtebron. Met name in het gebied Griftebuurt/Vogelbuurt. De gemeente Meppel wil met name in dit gebied eerst inzetten op deze zware isolatieopgave en opwek met een wijkgerichte aanpak. Hier ligt de prioriteit voordat dit gebied van het aardgas af gaat. Door de grote diversiteit in de woningen in de kern is een individuele oplossing een geschikte keus. Dit biedt namelijk alle kans om maatwerk te leveren. Er wordt gewerkt naar een all-electric oplossing met een lucht-warmtepomp en met een hybride warmtepomp voor de woningen die nu nog slecht te isoleren zijn. De all-electric optie kan op lage temperatuur gerealiseerd worden en is goed te combineren met zonnepanelen en een zonneboiler. Er is onvoldoende duurzaam gas beschikbaar om al deze woningen van warmte te voorzien en met duurzaam gas is nog steeds sprake van CO2 uitstoot. Daarom wordt de hybride warmtepomp gecombineerd met duurzaam gas als tussenoplossing gezien in de transitie naar een aardgasvrije wijk en krijgt allelectric de voorkeur waar dat kan. Er moet dus ingezet worden op bewustwording, isolatie, opwek en de stap (via hybride, tevens de terugvaloptie) naar all-electric. Voor een toekomstige all-electric kern van Nijeveen zal het elektriciteitsnet verzwaard moeten worden.
De Startanalyse kiest voor de buurten in Nijeveen met veel nieuwbouw voor individuele warmtepomp als strategie. Het model kiest voor groengas met hybride warmtepomp voor de Griftebuurt en Vogelbuurt vanwege de oudere woningen in deze buurten. Hiervoor geldt conform de routekaart van dit rapport dat ingezet moet worden op een hybride oplossing, eventueel op duurzaam gas op de langere termijn, als stap naar all-electric.
Haveltermade en Ezinge(Clusters I en M) Stap 1: De meeste woningen in Haveltermade zijn gebouwd tussen 1946 en 1964. De mate waarin woningen geïsoleerd zijn, verschilt sterk. Een aantal straten/woningcomplexen in de Heinsiusbuurt en Staatsliedenbuurt worden momenteel door de woningbouwcorporatie verduurzaamd (aanbrengen zonnepanelen en isoleren). Over het algemeen is de isolatieopgave groot. De wijk bevat ongeveer 60% huurwoningen. Ezinge is een wijk met grondgebonden woningen van net voor en net na de oorlog. Het is een wijk met hoofdzakelijk verouderde rijwoningen die over het algemeen slecht geïsoleerd zijn. Het zijn zowel koop- alsook huurwoningen (50/50%). De woningbouwcorporatie is momenteel bezig met het realiseren van aardgasvrije woningen op een inbreidingslocatie tussen de wijk en het naastgelegen scholencomplex. Naast woningen bevat de wijk een onderwijspark en sportaccommodaties. Stap 2: Haveltermade: Mogelijke bronnen voor warmte zijn de Drentse Hoofdvaart westelijk van de wijk en TEA vanuit de RWZI. Als er een warmtenet met TEO/TEA wordt aangelegd, dan is een collectieve of individuele warmtepomp nodig om tot een hoge temperatuur te komen. Gezien de isolatiewaarde van de woningen is de inschatting dat het dan wel om een midden tot hoge temperatuur oplossing zou moeten gaan. De beschikbaarheid van deze bronnen moet nader onderzocht worden.
Het benutten van restwarmte uit de nabijgelegen RWZI biedt kansen. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) staat positief tegenover het gebruik maken van restwarmte uit de RWZI en de afstand naar de woningen in Haveltermade is gunstig. Een kleinschalig warmtenet behoort hiermee tot de mogelijkheden. Tussen de RWZI en Haveltermade loopt echter een provinciale weg; dat is ongunstig (en kostbaar) voor het aanleggen van een warmtenet. Dit zal in het kader van een wijkuitvoeringsplan nader moeten worden onderzocht. Deze oplossing scoort hoog op de schaal voor marktrijpheid. Lukt dit niet dan kom je uit op dezelfde optie als in Haveltermade: de hybride variant. Stap 3: Woonconcept heeft 1300 woningen in Haveltermade in bezit. Een deel hiervan zal worden gerenoveerd vóór 2030. Een aantal straten/woningcomplexen in de Heinsiusbuurt en Staatsliedenbuurt worden verduurzaamd. In Ezinge is Woonconcept ook al bezig met een project voor het verduurzamen van haar bezit. Er is op dit moment bij de woningbouwcorporatie nog geen financiële ruimte om volledig van het aardgas af te gaan of over te stappen op een hybride variant in deze wijken. De ambitie ligt er wel, maar financiële middelen ontbreken. Conclusie In deze gebieden zijn de meeste woningen niet goed geïsoleerd en zijn ze lastig te isoleren. Daarom ligt hier een MT/HT-oplossing voor de hand.
Doordat de woningbouwcorporatie veel bezit heeft zou een collectieve variant kunnen worden verkend.
P a g i n a 24 | 53
Voor deze gebieden is een collectieve HT-oplossing een goed alternatief voor aardgas. De bron voor het warmtenet is TEO uit de Drentse Hoofdvaart. Dit vraagt nog nader onderzoek. Gezien de uitkomsten van het verkennende onderzoek is de kans klein dat er voldoende water en doorstroming is voor TEO. Mocht dit geen alternatief zijn dan moet de stap gemaakt worden naar een hybride oplossing. De eerste stap voor deze wijken is isoleren waar mogelijk, om de woningen voor te bereiden op een individuele of collectieve MT/HT-warmtepomp, dan wel de hybride variant. Een verzwaring van het elektriciteitsnet is een vereiste. Samen met de woningbouwcorporatie kan gekeken worden of een collectieve aanpak tot de mogelijkheden behoort. De Startanalyse geeft als resultaat voor de Heinsiusbuurt (Haveltermade) een warmtenet met een MT-bron als optie met de laagste nationale kosten (na groengas). Dit komt overeen met de nader te onderzoeken TEO oplossing. Voor de Staatsliedenbuurt kan een deel (het oudere deel) wellicht mee worden genomen in het onderzoek naar een collectieve oplossing. Het beter geïsoleerde deel van de wijk zou mogelijk voor een all-electric oplossing kunnen gaan. Dit komt overeen met de oplossing waar in de routekaart voor wordt gekozen. Mocht er geen collectieve oplossing komen dan is het isoleren en het maken van de stap naar hybride een goede terugvaloptie.
In Ezinge komt de Startanalyse uit op een warmtenet met een LT-bron (Onderwijs-sportpak) en MT-bron (Bloemenbuurt). Dit komt niet helemaal overeen met de resultaten uit dit rapport, omdat we hier lijken uit te komen op individuele oplossingen; allelectric en een hybride variant. Als warmtebron voor het MT-warmtenet gebruikt het model de restwarmte van FrieslandCampina. Deze restwarmte zal echter elders in Meppel worden ingezet. De nadruk ligt daarom op individuele oplossingen in Ezinge. Industriegebied Oevers (Cluster Q) Stap 1: In dit gebied staan vooral grote bedrijfspanden en weinig woningen. De Oevers wordt in een aantal deelgebieden opgedeeld. Het gebied wordt doorsneden door het Meppelerdiep. Oevers A is een traditioneel en gemengd bedrijventerrein dat in 2008 mooi is vernieuwd. Het terrein ligt gunstig aan het Meppelerdiep. Op Oevers A zijn zowel ondernemers gevestigd die afhankelijk zijn van vervoer over water als ondernemers die gebruik maken van het wegennet. Oevers B is een van de oudere gemengde bedrijventerrein van Meppel. In 2008 is het industrieterrein vernieuwd. Daardoor is de bereikbaarheid van de bedrijven sterk verbeterd. Het terrein ligt gunstig aan het Meppelerdiep, heeft havenfaciliteiten en is in trek bij ondernemers die afhankelijk zijn van vervoer over water en over de weg. Oevers C is een langgerekt bedrijventerrein aan het Meppelerdiep.
Het is een gemengd terrein voor de lichte tot middelzware bedrijvigheid. Het terrein is gewild bij ondernemers die gebruik maken van het water en die binnen enkele minuten in het centrum van de stad willen zijn. Oevers D kenmerkt zich door een grootschalige opzet met oog voor de ruimtelijke kwaliteit. Het terrein is ruim van opzet. Met de kwaliteit die op Oevers D wordt geboden is het een voorbeeld van een bedrijventerrein dat voldoet aan de eisen die ondernemers vandaag de dag stellen. Bedrijventerrein Oevers E ligt op een paar minuten fietsen vanaf het centrum van Meppel, maar ook nabij het buitengebied. Omdat hier sprake is van een nadrukkelijke woonfunctie, ziet Oevers E er niet uit als een bedrijventerrein. De inrichting en het onderhoud van de wijk passen bij een woonwijk. Er zijn aparte fietspaden aangelegd en er is veel groen. Stap 2: De grote hoeveelheden bedrijfspanden produceren mogelijk voldoende restwarmte om naastgelegen panden van warmte te voorzien. Restwarmte op hoge temperatuur is zeer marktrijp, midden of lage temperatuur is wat minder marktrijp. Wanneer er onvoldoende restwarmte aanwezig is voor de gebouwgebonden warmte zijn warmtepompen mogelijk een geschikt alternatief. Stap 3: Het oostelijke deel van Oevers C behoort tot Transformatiegebied Noordpoort. Deze gebiedsontwikkeling biedt wellicht meekoppelkansen. Het water zou koppelkansen kunnen bieden.
En de hiervoor genoemde restwarmte in combinatie met de verduurzaming van bedrijfsprocessen en het project circulaire Port of Zwolle biedt kansen. Conclusie Voor de verwarming van de bedrijfspanden op de Oevers A en B ligt het voor de hand om eerst te onderzoeken of dat kan gebeuren met de restwarmte van de bedrijven zelf. Dit is dan onderdeel van het plan zoals dat wordt opgesteld voor de Koedijkslanden. Een deel van de bedrijfspanden is voldoende geïsoleerd om verwarmd te worden met een lage temperatuurbron. De leidraad van het PBL raadt echter geen collectieve maar een individuele oplossing (warmtepomp) aan. Daar waar het kantoren betreft en er geen collectieve oplossingen zijn, zou een individuele WKO installatie kunnen worden verkend. Als collectief niet lukt dan zijn individuele oplossingen een goede terugvaloptie. De Startanalyse kiest voor het Industriegebied Oevers voor individuele warmtepompen en een warmtenet met een LT-bron. In de Startanalyse wordt voor dit cluster niet gekeken naar restwarmtebronnen, maar naar geothermie als MT/HT-bron. Een aandachtspunt bij een LT-warmtenet is het kanaal dat door het gebied loopt. Het is kostbaar om warmtenetleidingen onder een waterweg te laten lopen. Oevers C en D zijn een lastigere opgave voor een collectieve oplossing doordat deze aan de andere kant van het kanaal liggen. Aan die kant is geen restwarmte aanwezig.
Voor Oevers C en D is echter wel een individuele warmtepomp een optie. Veel zal ook afhangen van de exacte bedrijfsvoering en het type pand. Gezien de aanwezigheid van water kan ook bij individuele oplossingen op Overs At/m D ook worden gekeken naar TEO. Voor Oevers E is gezien de nieuwbouw een all-electric oplossing meer voor de hand liggend dan aansluiting op een collectief warmtenet. Er wordt hier al aardgasvrij bebouwd. Rogat (Cluster R) Stap 1: In Rogat staan de woningen verspreid en zijn van verschillende bouwjaren. De helft hiervan is vooroorlogs. Overige woningen hebben hele diverse bouwjaren. De woningen zijn hoofdzakelijk vrijstaand, grondgebonden en koop. De isolatieopgave is hier heel groot.
P a g i n a 25 | 53
Stap 2: Doordat de woningen verspreid liggen, is een individuele aanpak en oplossing het meest logisch. De Hoogeveense Vaart bevat potentie voor TEO. Echter door de verspreide ligging en de relatief kleine warmtevraag ligt het niet voor de hand dat hier een rendabele businesscase te maken valt voor een warmtenet. Isolatie en de hybride warmtepomp zijn voor bestaande woningen no-regretmaatregelen die op die manier de gas- en warmtevraag beperken. Dit is een marktrijpe techniek. Mogelijk is er nog restwarmte van nabijgelegen industrie. Maar ook hier lijkt het lastig om een sluitende businesscase te krijgen. Stap 3: Er zijn nog geen meekoppelkansen. Conclusie De grote diversiteit aan goed en slecht te isoleren woningen is heel groot waardoor een mix mogelijk is van een LT- en HToplossing. De isolatiewaarde van de woning geeft aan of hier een hybride of een all-electric oplossing een logische keuze zal zijn. Hierbij is isolatie en een hybride warmtepomp voor de bestaande woningen een no-regretmaatregel (terugvaloptie als all electric niet kan). Ook voor de nieuwere woningen die nog beter geïsoleerd kunnen worden, wordt dit geadviseerd. Het elektriciteitsnet moet hier verzwaard worden. De Startanalyse kiest voor Rogat individuele warmtepompen als strategie voor alle woningen en panden.
Dit komt door de lage bebouwingsdichtheid en door het relatief grote aandeel nieuwbouw in deze buurt. Dit komt overeen met de resultaten uit voorliggende visie. In deze visie wordt echter onderscheid gemaakt tussen een hybride oplossing voor woningen die moeilijk te isoleren zijn naar een laagtemperatuur oplossing of all-electric oplossing voor woningen waarvoor dat wel mogelijk is; dat geldt ook voor woningen en panden in Rogat. Meppel centrum (Cluster J) Stap 1: Veel gebouwen in het centrum en daaromheen zijn oud en monumentaal. Dit maakt aanpassingen in en om de woningen lastig. Ook in de openbare ruimte is weinig plek. Het beperken van de warmtevraag en isoleren is daarom heel belangrijk. Monumentenspecialisten kunnen adviseren over het isoleren van deze panden. Door de verscheidenheid aan functies en type bebouwing vraagt de warmtetransitie in het centrum bij uitstek om maatwerk. Stap 2: Gezien de lastige isolatieopgave lijkt het centrum bij uitstek in aanmerking te komen voor een hybride oplossing. Het moet nog verkend worden welke opwek van duurzaam gas gekoppeld kan worden aan het centrum. De beschikbaarheid van duurzaam gas is tenslotte een mogelijk knelpunt. Duurzaam gas scoort redelijk op de schaal voor marktrijpheid. Stap 3: Op dit moment is nog onbekend wat de impact is van corona op de ondernemers in de binnenstad.
Gezien de relatie tussen huurder en verhuurder zal dit ook zijn effect hebben voor de vastgoedeigenaren. Het moet voorzichtig verkend worden wat het goede moment is om de warmtetransitie bij eigenaren van winkels o.a. onder de aandacht te brengen en te kijken naar meekoppelkansen. Een gedeelte in het noordwesten van het centrum valt nog onder Transformatiegebied Noordpoort. Deze gebiedsontwikkelingen biedt misschien meekoppelkansen. Conclusie Hoge temperatuurverwarming is in het centrum van Meppel de logische keus vanwege de vele oude woningen. In deze woningen is de isolatieopgave heel complex en is niet altijd mogelijk. Het gebrek aan openbare ruimte maakt het lastig en bijna onmogelijk om een collectieve oplossing te kunnen realiseren. Hierdoor zal een individuele oplossing een veel logischere oplossing zijn. Vanwege de monumentale panden en oude gebouwen is hoge temperatuur met bestaande leidingen voorlopig het meest voor de hand liggend. Een hybride warmtepomp met duurzaam gas wordt daarom een logische keus. Hiervoor zal het elektriciteitsnet verzwaard moeten worden. De Startanalyse van het PBL kiest twee strategieën voor het centrum van Meppel: een warmtenet met een MT/HT-bron en een warmtenet met een LT-bron.
Uit ons onderzoek is gebleken dat een collectief warmtenet al afvalt vanwege de beperkte openbare ruimte, daarnaast zorgt de complexe isolatieopgave dat LT in veel van de gevallen niet geschikt is. De genoemde LT-bron (TEO) ligt voor deze wijk niet voor de hand. Verder wordt in de routekaart uit dit rapport wel een individuele hybride warmtepomp meegenomen. Dit zien we ook als terugvaloptie. Indien het uiteindelijk niet lukt om panden klaar te maken voor een LT oplossing dan is wellicht een HT-warmtepomp wellicht een optie. Gezien de beperkte beschikbaarheid kiezen we niet voor een volledige groen gas oplossing voor het centrum. Daar is onvoldoende groen gas potentie voor en ook in het centrum willen we inzetten op een bepaalde mate van beperken/ isoleren. Monumenten in het centrum van Meppel waarvoor een volledige all-electric oplossing niet haalbaar blijkt, zien we wel als panden die we in dat geval zouden willen koppelen aan de beperkte voorraad groen gas. Desondanks is het onzeker of er groen gas beschikbaar is voor deze panden.
Bedrijventerrein Blankenstein (Cluster K) Stap 1: Blankenstein is ruim opgezet met veel groen, aparte fietspaden en mooie waterpartijen. De structuur doet denken aan een parkomgeving. De grootte van de nog beschikbare kavels varieert van 2000 m2 tot ruim 15.000 m2. Op Blankenstein staan met name kantoren zonder restwarmte. Deze kantoren zijn gebouwd vanaf 1990, en zijn dus vrij nieuw. De panden zijn al voornamelijk goed geïsoleerd. Enkele panden stammen uit de periode rond 1885 en die zullen lastiger te isoleren zijn. Stap 2: Hier is geen collectieve lokale warmtebron beschikbaar. Een individuele all-electric oplossing is daarom een logische keuze. Een elektrische warmtepomp scoort op de schaal voor marktrijpheid vrij goed. Stap 3: Er zijn hier nog geen meekoppelkansen ontdekt.
P a g i n a 26 | 53
Conclusie Voor de nieuwe goed geïsoleerde panden is een LT-oplossing mogelijk. Voor de oude panden zouden is een tussenstap naar een individuele hybride oplossing logisch(terugvaloptie). Een all-electric oplossing kan gecombineerd worden met een individuele WKO. Vanwege de ruime opzet vanhet terrein is dat heel geschikt voor met name kantoren. De oudere panden zouden eerst over kunnen gaan op een hybride warmtepomp. Hiervoor zal het elektriciteitsnet verzwaard moeten worden. Isoleren is een goede eerste stap. De Startanalyse kiest voor een warmtenet met een LT-bron. Echter, de achterliggende resultaten tonen aan dat bij deze strategie bijna alle woningaansluitingen individuele warmtepompen zijn, waarmee die strategie (individuele WP) leidend is voor dit gebied. Dit komt overeen met de routekaart uit dit rapport. Industriegebieden Noord I en II (Cluster G) Stap 1: Industriegebied Noord is nog vrij nieuw. Het terrein is ruim opgezet en onderscheidt zich van de oudere bedrijventerreinen door de groene uitstraling. De grote bedrijfspanden zijn vanaf het jaar 2000 gebouwd. Het terrein wordt verdeeld in Noord I en Noord II. Het bedrijventerrein is de moderne opvolger van de Oevers en is er speciaal voor lichte tot middelzware bedrijvigheid. De bedrijvigheid is gericht op groothandel en transport en productie en ambacht.
Stap 2: Hier is in de eerste verkenningen als enige potentiële bron warmte uit afvalwater van de RWZI benoemd. Dit kan nog nader worden verkend in het kader van het wijkuitvoeringsplan. Een individuele oplossing lijkt over het algemeen de meest voor de hand liggende oplossing voor een industrieterrein. Stap 3: Er komen mogelijk nog mee-koppelkansen. Naast TEA vanuit de RWZI zijn er bij het waterschap ook nog ambities rondom waterstofopwek. Dit is echter nog in een heel pril stadium en er valt nog niet te zeggen of de RWZI locatie Meppel hiervoor ook in beeld is. Wellicht dat dit in de toekomst nog wel gaat spelen. De gemeentewerf heeft verduurzamingsplannen maar dit is nog in de onderzoeksfase. Conclusie Net als Blankenstein heeft Noord onvoldoende restwarmte beschikbaar. Gezien het bouwjaar van de panden is een LT-oplossing wellicht mogelijk. Voor dit gebied is een individuele all-electric oplossing de meest logische keuze. Bij kantoorpanden is een combinatie met een WKO-systeem gewenst en geschikt. De juiste individuele techniek is naast het type pand erg afhankelijk van het bedrijfsproces. De Startanalyse kiest voor de individuele warmtepomp als geschikte strategie voor dit gebied. Dit komt overeen met de routekaart uit dit rapport. Hybride lijkt de meest logische terugvaloptie. Buitengebied (Cluster H) Stap 1: In het buitengebied is een lage bebouwingsdichtheid.
Ook is er een grote variatie in ouderdom en isolatiewaarde van de woningen. Hier is maatwerk nodig. Per woning zal de geschikte oplossing verschillend zijn. Stap 2: In het buitengebied is, met uitzondering van duurzaam gas, geen collectieve warmtebron beschikbaar of geschikt om de woningen mee te verwarmen. Een individuele oplossing krijgt hier de voorkeur. Inzet is om bij deze individuele oplossing , gezien de beperkte beschikbaarheid van duurzaam gas, vooral gebruik maken van omgevingswarmte of bodemwarmte. Deze oplossingen scoren beide hoog op de schaal voor marktrijpheid. Stap 3: Doordat de woningen hier zo verspreid liggen, is het best om aan te sluiten op natuurlijke momenten om de transitie naar een aardgasvrije woning te maken. Daarnaast volgen we de pilot ‘kleine windmolens’ om te kijken welke kansen dit gaat bieden. Bij natuurlijke momenten gaat het om de vervanging van een installatie, een verbouwing of een verhuizing. De bewoners hier kunnen zelf bepalen wanneer de transitie voor hen het voordeligst uit komt. Conclusie In het buitengebied is er sprake van een hoge variatie in ouderdom en isolatiewaarde van de woningen. De mate van isolatie bepaalt hier of een LT-oplossing of HT-oplossing (als tussenoplossing nodig is) geschikt is voor de staat en mogelijkheden van de woningen. Het streven is een LT-oplossing.
Vanwege de grote afstanden tussen de woningen, is alleen een individuele oplossing haalbaar. Op basis van de isolatiewaarde van de woning kan gekeken worden of een all-electric oplossing mogelijk is, of dat een hybride oplossing in combinatie met groengas als tussenstap nodig is. De Startanalyse kiest in het buitengebied voor groengas als strategie met de laagste nationale kosten en individuele warmtepompen als het één na goedkoopste alternatief. Dit komt overeen met de routekaart uit dit rapport waarin we inzetten op individuele oplossingen in het buitengebied. Voor de woningen hier is maatwerk vereist, omdat de verschillen heel groot zijn. Als een LT-oplossing niet mogelijk blijkt dan is een HT-warmtepomp een optie maar ook een hybride variant met groen gas kan een oplossing zijn. Er is beperkte beschikbaarheid van groen gas maar er valt wat voor te zeggen om het groene gas ook daar te benutten waar het wordt opgewekt wanneer er geen goed alternatief is. De hoeveelheid bebouwing in het buitengebied van Meppel is beperkt en betekent dus ook maar een beperkte claim op het groene gas. Desondanks is onzeker of er groen gas beschikbaar is voor deze panden. Nijeveen – lintbebouwing (Cluster A)
P a g i n a 27 | 53
Stap 1: In het lint rondom Nijeveen staan veel oudere woningen met lage energielabels. Hier zijn de kosten voor isolatie hoog. Dit zijn vooral vrijstaande woningen met veel ruimte om de woning. De woningen staan zeer verspreid van elkaar. Stap 2: Duurzaam gas is een collectieve warmtebron die mogelijk beschikbaar is in de directe omgeving. Deze oplossing scoort redelijk op de schaal voor marktrijpheid. Stap 3: De meekoppelkansen zouden kunnen ontstaan bij initiatief vanuit de ECDN. Conclusie Vanwege de ouderdom van de woningen, gaan we voor de lintbebouwing van Nijeveen uit van een HT-oplossing. Omdat de woningen verspreid zijn is een collectieve oplossing niet mogelijk, maar zijn individuele aanpassingen nodig. Een hybride warmtepomp is de meest voordelige oplossing voor de woningen in dit gebied. Hiervoor kan als tussenoplossing gekeken worden naar duurzaam gas opties. Het isoleren van de lintbebouwing is een grote opgave maar is wel nodig om de warmtevraag te beperken. Isolatie moet zodanig gestimuleerd worden dat ook hier uiteindelijk de overstap naar all-electric mogelijk is. Op lange termijn is volledig groengas namelijk niet haalbaar. Daarnaast is de CO2-uitstoot bij de productie van groen gas blijvend. De Startanalyse kiest in het buitengebied voor groengas als strategie met de laagste nationale kosten en individuele warmtepompen als het één na goedkoopste alternatief.
Dit komt overeen met de routekaart uit dit rapport waarbij we uitgaan van een hybride warmtepomp als tussenstap voor op den duur een all-electric oplossing. Voor panden waar een LT-oplossing niet tot de mogelijkheden behoort is er wellicht een groen gas oplossingsrichting zoals ook genoemd bij het buitengebied (cluster H).
5.5.
Routekaart Meppel
In de voorgaande paragraaf is per wijk beschreven wat de meest voor hand liggende techniek is. De volgende stap is te bepalen wat een goede prioritering en snelheid is. Hiervoor maken we gebruik van de uitgangspunten uit hoofdstuk 2. Aan het einde van deze paragraaf beoordelen we ook het eindplaatje. In figuur 9 is een eerste schets gemaakt van de planning de WUP’s en de uitvoering naar aardgasvrije wijken tot 2040. Het tempo bij het volgen van de route We zetten in op een gezamenlijk proces en draagvlak (uitgangspunt 2), ruimte voor innovatie, initiatief van onderaf en flexibiliteit (uitgangspunt 4). Daarnaast gaat het leerproces en kwaliteit boven snelheid (uitgangspunt 5). We focussen ons eerst op één wijk. Dit is ook het tempo dat de gemeenteraad heeft aangegeven tijdens de opiniërende ronde en datgene wat is vastgelegd in de startnotitie. De ervaringen die worden opgedaan in deze eerste wijk kunnen toegepast worden voor de wijken die de transitie nog moeten doorlopen. Dit tempo is goed afgestemd met de ambities van stakeholders (uitgangspunten 4 en 7). Een gematigd tempo maakt het relatief makkelijker om te anticiperen op onverwachte koppelkansen en toekomstige ontwikkelingen (uitgangspunt 6). Met gepaste snelheid beginnen vraagt om een versnelling na 2030 om tot CO2-neutraliteit te komen in 2040.
Bij de 5 jaarlijkse herziening van de transitievisie warmte moet het tempo steeds tegen het licht worden gehouden. Bij de totstandkoming van wijkuitvoeringsplannen en de uitvoering ervan kan een nauwkeurigere inschatting worden gemaakt van het tempo dat daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. De prioritering De routekaart wordt grotendeels bepaald door de techniekkeuze. Ook spelen een aantal andere fysieke en sociale uitgangspunten een rol. Bij de prioritering kijken we aanvullend en verdiepend naar: de contracteerbaarheid in de wijk; de keuzevrijheid van de gekozen techniek; de civiele en infrastructurele koppelkansen; koppelkansen door geplande particuliere of gemeentelijke maatregelen aan panden; de homogeniteit van de gebouwen; de uitkomsten aan een eerder gemeentelijk onderzoek(Houkema, 2019) naar de prioritering. In dit onderzoek is geprioriteerd door te kijken naar demografische parameters (onder meer WOZ waarde, leeftijd, gemiddeld inkomen per wijk (Cbs), aantal inwoners en burgerbelevingsonderzoek 2018); daarnaast is in dit onderzoek gekeken naar fysiek/ruimtelijke aspecten van de wijk zoals leegstand, het aantal woningen, het energielabel en het bouwtype. Op deze manier komen we tot een weloverwogen prioritering, die is opgenomen in onderstaande tijdslijn.
In deze tijdslijn, de routekaart, is aangegeven wanneer wordt begonnen met het opstellen van een wijkuitvoeringsplan en is de termijn geschetst waarin idealiter grote stappen in de transitie worden gezet. Tijdens het opstellen van het wijkuitvoeringsplan moet het exacte tijdspad naar een aardgasvrije wijk bepaald worden. In sommige gevallen, bijvoorbeeld daar waar voor een warmtenet wordt gekozen, zal een harde aardgasvrij datum genoemd kunnen worden. In andere gevallen kan besloten worden de landelijke richtlijn van 8 jaar los te laten en de aardgasvrijdatum verder vooruit te schuiven. In bijlage 8 is de tijdlijn op paginavullend formaat opgenomen.
P a g i n a 28 | 53
Figuur 9 Fasering aardgasvrije wijken. TAUW, 2021
2021 Dit jaar zal vooral in het teken staan van het vaststellen van de transitievisie warmte. Benodigde onderzoeken over de technieken, participatie en uiteindelijk de besluitvorming. Parallel zullen ook voorbereidingen getroffen worden voor de start met zowel het wijkuitvoeringsplan in Berggierslanden als het ‘geen spijtmaatregelen spoor’ in 2022. Gelijk met deze wijkgerichte aanpak en de focus op isolatie zetten we de lijn door die we al in hebben gezet. Dit is de lijn van het actief te faciliteren van initiatieven. 2022 Wijkuitvoeringsplan Berggierslanden Wat gaan we doen? Het eerste WUP stellen we op in 2022. We starten met een WUP voor Berggierslanden. Het doel is dat Berggierslanden in 2030 aardgasvrij is. We zetten in op deze wijk omdat: er sprake is van een homogeen woningbestand; vergelijkbare bouwjaren en veelal dezelfde energielabels; de techniekkeuze (all-electric) is hierdoor overzichtelijk er is al een bewonersinitiatief om gezamenlijk warmtepompen in te kopen; er is een natuurlijk (meekoppel)moment, omdat de eerste woningen langzaam maar zeker toe zijn aan de vervanging van de eerste Cv-installatie Onder meer de financieringsvormen en betaalbaarheid zijn nog wel punten van nader onderzoek. Uit het eerdere onderzoek (Houkema) bleek Berggierslanden vanuit zowel fysiek/ruimtelijk als ook demografisch oogpunt een zeer geschikte startwijk.
Qua energetica is de wijk minder geschikt omdat dit een wijk is met relatief lage energielasten en dus ook relatief weinig CO2reductie bij de transformatie. Het huidige gasnet hier is nog relatief nieuw en gaat nog jaren lang mee, om kapitaalvernietiging te voorkomen blijft het gasnet voorlopig nog onder de grond. Hoe gaan we het doen? In deze wijk willen de gemeente Meppel een gezamenlijke aanpak gaan faciliteren van een individuele organische transitie. De techniek en aanpak lijkt het in zich te hebben dat er iets te kiezen valt voor de eigenaren. We kiezen bewust voor deze wijk en niet voor een wijk met overwegend de wat smallere beurs. Al bevat Berggierslanden ook sociale huur via de woningbouwcorporatie en is er ook sprake van particuliere verhuur. We kiezen er voor de wijken met een overwegend smallere beurs op dit moment niet belasten met een dergelijke ambitie. Deze wijken laten we meeliften op ervaringen van deze eerste wijk. Voor wijken met een smallere beurs willen we juist in zetten op de geen spijt maatregelen, hierover later meer onder hoofdstuk 7.
P a g i n a 29 | 53
2023 Uitvoeringsplannen Oevers en Koedijkslanden Wat gaan we doen? Bedrijven op de Oevers hebben restwarmte tot hun beschikking. De inzet van de gemeente Meppel is om dit gefaseerd te gaan benutten met behulp van een te realiseren warmtenet geschikt voor zowel het bedrijventerrein als mogelijk een aantal woningen hieromheen. We verwachten dat de bedrijven komende jaren de productieprocessen vors zal verduurzamen. Hiervoor wordt onder meer ingezet op het maken van prestatieafspraken met de industrie. De omslag bij de industrie is een meekoppelmoment voor een warmtenet. De restwarmte willen we gefaseerd gaan benutten. We zullen hierbij allereerst kijken naar de koppeling aan omliggende bedrijfskavels(kantoren Oevers A en B) en grote warmtevragers zoals het zwembad Hesselingen. We zien ook de eerste kansen door een koppeling aan de appartementencomplexen van de woningbouwcorporatie in de Koedijkslanden (contracteerbaarheid). Hoe gaan we het doen? In komende jaren spelen koppelkansen. Denk aan de uitvoering van het project Circulaire havens binnen de regiodeal Zwolle (uitvoering tot en met 2023), en de verduurzamingsopgave die Woonconcept heeft in de Koedijkslanden in 2023. We zullen hierbij moeten anticiperen op de snelheden van de verschillende koppelkansen zoals hier genoemd. Dat vraagt ook van de gemeentelijke organisatie om te acteren als het moment daar is.
De verwachting is dat het wijkuitvoeringsplan Koedijkslanden er in 2023 moet liggen. We zullen daarbij gefaseerd tot uitvoering over willen gaan. Van daaruit kijken we of er zich nog meer koppelkansen voor doen. Uit het onderzoek van Houkema blijkt dat energetisch gezien Koedijkslanden een interessantere wijk is dan Berggierslanden. Fysiek en sociaal gezien komt deze wijk in het onderzoek als minder voor de hand liggend naar voren. Het is dan ook belangrijk om gefaseerd te werk te gaan om zo goed maatwerk te kunnen leveren. Bij het opstellen van het wijkuitvoeringsplan zal nader moeten worden onderzocht hoe de fasering er uit komt te zien. Dan zal ook kunnen worden gekeken of ook andere wijken kunnen aansluiten op dit Traject (Slingenberg, Reestlanden). 2023-2024 Oosterboer Wat gaan we doen? De wijkverbeteringsopgave in Oosterboer gaat vermoedelijk in 2023-2024 van start. Onderdeel daarvan is mogelijk de warmtetransitie voor huishoudens. (De gemeenteraad moet hierover (inhoud en planning) nog een definitief standpunt innemen.) De verwachting is dat goed geïsoleerde nieuwere woningen sneller van het gas af kunnen en de oudere woningen starten met een isolatieopgave en hybride(met eigen opwek) oplossingen. Onderzoek naar TEO maakt nadrukkelijk onderdeel uit van de totstandkoming van het wijkuitvoeringsplan en is mede aanleiding om niet als eerste te starten in deze wijk.
In het wijkuitvoeringsplan moet ook gekeken worden naar de laadinfrastructuur. Er zit veel kennis in de wijk en ook veel positieve energie bij bewoners om met dit onderwerp te starten. Er is een bewonersinitiatief. De wijk bevat ook al voorbeelden van allelectric oplossingen. De wijk Oosterboer scoort in het onderzoek van Houkema goed op de sociale parameters en laat uitdagingen zien op het ruimtelijk/fysieke vlak. Hoe gaan we het doen? Oosterboer voor 2030 van het gas afhalen waarschijnlijk niet mogelijk vanwege o.a. de gewenste minimale doorlooptijd tussen de vaststelling van een WUP en het afsluiten van de gaskraan. Ook speelt de capaciteit van het elektriciteitsnet een rol. Samen met Enexis dient gekeken te worden tot welke mate de transitie nu al mogelijk is. Dit speelt overigens bij iedere wijkaanpak met een elektrische oplossingsrichting. 2024-2025 Wijkuitvoeringsplannen Nijeveen en Blankenstein Wat gaan we doen? Voor Nijeveen kern en bedrijventerrein Blankenstein wordt een WUP opgesteld in 2024-2025. In Nijeveen is een ambitieuze en actieve energiecoöperatie. Een deel van de woningen zijn relatief nieuw en goed geïsoleerd. Voor deze woningen is all-electric een logische keuze. Echter, er zijn ook veel woningen die nog niet klaar zijn om op een all-electric over te gaan. Voor deze woningen is voorlopig een hybride optie een meer logische keuze.
Het streven is dan om uiteindelijk ook all-electric te worden. Er lijkt in het dorp vooral de ambitie om in de eerst komende jaren vooral in te zetten op de geen spijt maatregelen (besparen, opwek en hybride). Er zijn ook wat negatieve ervaringen met de all-electric oplossing in het dorp. Het is goed om daar van te leren alvorens te starten met een dorp-brede aanpak. Op bedrijventerrein Blankenstein zijn er op dit moment ook initiatieven om de bedrijfspanden te verduurzamen. Individuele technieken (warmtepompen) lijken op dit moment voor veel panden een geschikte techniek te zijn. Wanneer wordt gestart met het WUP wordt bekeken welke technieken nog meer kansrijk zijn. Hoe gaan we het doen? Er kan geleerd worden van het traject in Berggierslanden, dit sluit aan bij uitgangspunt 5, uit hoofdstuk 2. Dit ambitieniveau sluit ook aan bij het onderzoek van Houkema waar uit naar voren komt dat vanuit sociale kenmerken Nijeveen zich er goed voor leent om te beginnen maar qua fysieke kenmerken het een lastige opgave is die om meer verkenning en ervaringen vraagt. Voor het wijkuitvoeringsplan Nijeveen moet ook worden onderzocht wat de begrenzing wordt. Gezien de sociale structuur zou het, ondanks de technische verschillen, wenselijk kunnen zijn om een deel van het buitengebied en de linten mee te nemen in de aanpak.
2026 Eerste herziening In dit jaar start een eerste herziening van de transitievisie warmte . Dit gebeurt elke vijf jaar. Hierin anticiperen we op de ontwikkeling van de hoofdinfrastructuur voor energie. In deze periode hopen we duidelijk te hebben waar het elektriciteitsnetwerk verzwaard moet worden en hoeveel all-electric het netwerk voor die tijd aan kan. We zetten voor deze periode in op meer duidelijkheid rondom de inzet van waterstof en groengas. Tevens zal bij deze herziening ook nader onderzoek moeten worden verricht voor een aantal wijken. Voor Haveltermade/Industrieterrein Noord moet duidelijk zijn of inzet van TEO/TEA of het meeliften op energie-ambities van het waterschap (RWZI) tot de mogelijkheden behoren. Voor Ezinge ontstaat er meer inzicht in de fysieke kenmerken van het vastgoed. In deze herziening beoordelen we ook de kansen rondom technieken en gebieden
P a g i n a 30 | 53
waarover nu nog veel vraagtekens zijn. Hoe zien we de transitie in het buitengebied verlopen? En hoe in het centrum? Hoe staat het met de hybride oplossingen en de zoektocht naar duurzame gassen. In deze fase kijken we ook wat we hebben geleerd van de eerste WUP’s. Hierbij inventariseren we ook of er nieuwe (collectieve) energie- initiatieven zijn ontstaan. Dit is ook een moment om te kijken naar het tempo waarmee de wijken ook daadwerkelijk van het aardgas af gaan. 2026-2030 We stellen de volgende serie wijkuitvoeringsplannen op. De prioritering is op dit moment nog lastig te bepalen. Wellicht stellen we voor Haveltermade en Ezinge in 2026-2027 en Rogat in 2028-2029. De nieuwe ontwikkelingen die opgenomen zijn in de TVW worden hier in meegenomen om nieuwe kansen te benutten. Aan het einde van deze periode gaan de laatste woningen in Berggierslanden, van het gas af (2030). Na 2030 In 2040 zijn alle woningen en gebouwen van het aardgas afgesloten, mogelijk middels technieken die we nu nog niet als kansrijke technieken zagen. Daarom wordt de Transitievisie warmte elke 5 jaar herzien, om zo ook de complexere woningen vanaf 2030 van het aardgas af te krijgen. Voor nu lijkt het te gaan om de woningen in en rondom het centrum van Meppel, woningen in het buitengebied en bedrijventerreinen Noord.
Deze gebieden zullen pas later de transitie doorlopen zodat ondertussen van de minder complexe gebieden geleerd kan worden, zoals aangegeven in uitgangspunt 5 uit hoofdstuk 3. Dit zijn complexere gebieden doordat hier veel maatwerk nodig is en er een beperkte ruimte in het centrum is met veel oude, lastig te isoleren, gebouwen. Daarnaast heeft de monumentenbouw een beperkte hoeveelheid aanpassingen die mogelijk zijn i.v.m. de monumentenwet. Ook dit maakt isoleren lastig. Hier is ook geen collectief mogelijk waardoor je snel veel gebouwen aardgasvrij kunt maken.