CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

September 2024 BOPA onderbouwing Nijeveen, Dorpsstraat 57,59

1 - RAADSVERGADERING 26 september 2024, gemeente MeppelBij agendapunt: Adviesrecht omgevingsvergunning Dorpsstraat 57-5914.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. Het streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem met een goede waterkwaliteit. Hierbij wordt aandacht besteed aan een zo groot mogelijke voorraad zoet grondwater van een goede kwaliteit, beschikbaar voor mens, landbouw en natuur en daarbij een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Een robuust watersysteem, dat zodanig is ingericht dat de risico’s op wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Een goede kwaliteit van het oppervlaktewater, gebaseerd op de normen van de KRW. En een zodanige kwaliteit van het grondwater dat het zonder ingrijpende en kostbare zuivering geschikt is voor de bereiding van drinkwater. 7.1.4

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2022-2026, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd middels de digitale watertoets. Uit de watertoets, die is opgenomen in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing, is gebleken dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Het voornemen betreft het uitbreiden van de bestaande zorgvilla met zeven extra wooneenheden en bijbehorende voorzieningen. Met het voornemen wordt circa 344 m² extra verharding gerealiseerd. Ten zuiden van het projectgebied ligt een sloot. Initiatiefnemer bespreekt graag de mogelijkheden met de gemeente en het waterschap of er mogelijkheden bestaan deze sloot door te trekken richting De Veurdele. Zodra overleg heeft plaatsgevonden worden de afspraken hieronder bijgevoegd. PM

7.4

Conclusie

Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie projectgebied

Wegverkeerslawaai Met het voornemen is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Om het geluid ter plaatse van de gevels van de nieuwe wooneenheden te bepalen is door BJZ.nu een akoestisch

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2. Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 59 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Er wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 70 uit het Bkl. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Ten tijde van de vergunningaanvraag dient een bouwakoestisch onderzoek te worden bijgevoegd waarin wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de vereiste binnenwaarde. Dit betekent dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen is te realiseren. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Railverkeerslawaai Ten oosten van het projectgebied ligt de spoorlijn Steenwijk-Meppel. Echter, ligt het projectgebied niet binnen het geluidaandachtsgebied van dit spoor, aangezien de afstand tot het projectgebied circa 1,1 km betreft. Railverkeerslawaai vormt daarmee geen belemmering.

Industrielawaai Het projectgebied ligt niet op of nabij een gezoneerd industrieterrein. Het aspect ‘industrielawaai’ is dan ook niet aan de orde. Solitaire bedrijvigheid Ten aanzien van geluidhinder van omliggende bedrijvigheid wordt opgemerkt dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een geluidgevoelig gebouw. Ten opzichte van de bestaande situatie vindt er geen wijziging plaats in de milieusituatie ter plaatse. Hiermee kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van het toestaan van de beoogde activiteiten. 8.1.4

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie projectgebied

In de huidige situatie zijn de gronden reeds bestemd voor de functie ‘wonen’. In de gewenste situatie zal deze functie blijven bestaan. Aangezien er geen wijzigingen plaatsvinden ten opzichte van de functie wordt geconcludeerd dat de bodem past bij het (toekomstige) gebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 8.2.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 8.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en de omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIMB zoals omschreven in artikel 5.54 Bkl kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’.

8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •

Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen; Randvoorwaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) 8.4.2

Situatie projectgebied

De meest nabijgelegen geurbron betreft het agrarisch bedrijfsperceel aan de Dorpsstraat 89. Dit perceel bevindt zich op circa 370 meter ten oosten van het projectgebied. Op basis van het geldende planologisch regime kunnen hier landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Hiervoor geldt op basis van artikel 5.112 Bkl een aan te houden afstand van 100 meter ten opzichte van een geurgevoelig gebouw. Deze afstanden worden gemeten vanaf het emissiepunt van de geurbelastende activiteit. Aangezien de afstand tussen het bouwvlak van dit agrarisch perceel tot het projectgebied ruim 370 meter bedraagt, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake van een onaanvaardbare geurhinder ter plaatse van het projectgebied. Tevens wordt opgemerkt dat het projectgebied reeds mag worden gebruikt voor bewoning, waardoor er al sprake is van een geurgevoelig gebouw. Hierdoor worden de omliggende functies niet (verder) in hun bedrijfsvoering belemmerd. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.5

Trillinghinder

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Er bevindt zich in de directe omgeving van het projectgebied geen spoorlijn die voor enige trillinghinder kan zorgen. De spoorlijn Steenwijk-Meppel ligt op voldoende afstand van het projectgebied. Het aspect ‘trillingen’ vormt dan ook geen belemmering.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 8.6.2

Situatie projectgebied

Met het voornemen wordt een uitbreiding van de bestaande zorgvilla mogelijk gemaakt. Specifiek worden er zeven extra wooneenheden gerealiseerd, met bijbehorende voorzieningen als bergingen en parkeerplaatsen. Met het voornemen worden nieuwe bouwwerkzaamheden uitgevoerd. De bouwwerkzaamheden zijn echter van korte duur en er zal geen langdurig nadelig effect zijn op de gezondheid van omwonenden. Daarnaast zijn de woningen gelegen in een rustige leefomgeving waar ook op omliggende percelen gewoond wordt. Er is voor het aspect gezondheid geen specifiek beleid voor de gemeente Meppel. Zoals in hoofdstuk 6, 7, 8, 9, 10 en 11 is toegelicht is er op basis van de verschillende omgevingsaspecten sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat de uitbreiding van de zorgvilla past binnen de omgeving, en dat er sprake is van een gezond woon- en leefklimaat. Het voornemen houdt daarom in voldoende mate rekening met de gezondheid. 8.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 9

BESCHERMING VAN DE NATUUR

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

9.1

Gebiedsbescherming

9.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

9.1.2

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3

Situatie projectgebied

Natura 2000 Het projectgebied ligt niet in of nabij een Natura 2000 gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied betreft het ‘De Wieden’, op circa 3,3 kilometer ten westen van het projectgebied. Gelet op de afstand is directe hinder in de vorm van geluid, verstrooiing van licht etc. uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om de mogelijke indirecte effecten te toetsen is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder kort genoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3. Resultaten AERIUS-berekening Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN gebied bevindt zich op circa 3,1 kilometer ten westen. Gelet op deze afstand kunnen negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten.

9.2

Soortenbescherming

9.2.1

Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • • 9.2.2

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. Situatie projectgebied

Het voornemen gaat gepaard met bouwwerkzaamheden die negatieve effecten op het leef- en/of foerageergebied van beschermde soorten met zich mee kunnen brengen. Gezien de mogelijke effecten op het leef- en/of foerageergebied van beschermde soorten is door Ecofect een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4. Resultaten quickscan flora en fauna Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vleermuizen Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.

9.3

Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 10

10.1

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

10.2

Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op basis van het geldende planologische regime geldt de bestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op deze bestemming mag uitsluitend worden gebouwd indien de aanvrager de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate heeft vastgesteld. In voorliggend geval is daarom door Laagland Archeologie een onderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5. Resultaten Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. In de top van het dekzand in de ondergrond kunnen resten van voor de veenvorming worden verwacht; dit gaat om resten uit de periode LaatPaleolithicum tot en met Vroeg-Neolithicum (middelhoge verwachting). Voor de tussenliggende periode (Midden-Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen) kan een lage verwachting worden aangehouden.

Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een opgebracht pakket dat in dikte varieert van circa 50 cm tot ongeveer 170 cm of meer. Er zijn sterke aanwijzingen dat hier in (sub)recente tijden grootschalige bodemingrepen hebben plaatsgevonden. Een aantal boringen zijn in de opgebrachte laag gestagneerd. In de resterende boringen is onder het opgebrachte pakket een dun veenlaagje gezien met daaronder een intacte podzolbodem. In het zuidelijke plangebied – ter hoogte van de huidige bebouwing en de historische ontginningsas – maakt het dekzand een scherpe opduiking van ongeveer 60 cm. Op grond van het booronderzoek zijn geen resten van vanaf de Late Middeleeuwen meer te verwachten. Bewoning uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum kan niet worden uitgesloten. Met name het zuidelijke deel van het plangebied is kansrijk vanwege de hoge ligging van het dekzand. Hier zijn geen ingrepen voorzien. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

10.3

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich enkele cultuurhistorisch waardevolle objecten, circa 315 meter ten oosten van het projectgebied bevinden zich twee rijksmonumenten. Daarnaast wordt de Dorpsstraat gebruikt als landelijke fietsroute. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt gesteld dat er geen negatieve gevolgen plaatsvinden voor de cultuurhistorische waarden in de omgeving.

10.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 11

11.1

M.E.R.- BEOORDELING

Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.

de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

11.2

Situatie projectgebied en conclusie

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van de bestaande zorgvilla aan de Dorpsstraat 57/59 in Nijeveen. Op basis van kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit geldt voor deze ontwikkeling een m.e.r.-beoordelingsplicht indien er sprake is van een aanleg, wijziging of uitbreiding. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan de omliggende wegenstructuur deze toename verkeersveilig verwerken. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Tevens blijkt uit de voorgaande hoofdstukken dat de voorliggende ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 12

12.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

12.2

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

12.3

Situatie projectgebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

HOOFDSTUK 13

13.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. PM

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Nijeveen, Dorpsstraat 57, 59 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Bijlage 1

Watertoets

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

AERIUS-berekening

Bijlage 4

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage 5

Archeologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=c0b9e6e1-47ae-444c-98f3-a3bd35265f36