CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Het belang van Cultuurstad Groningen

1 - RAADSVERGADERING 17 juni 2021, gemeente MeppelBij agendapunt: Toekomst schouwburg Ogterop22.619 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het aanbod wordt bepaald door het aantal voorstellingen waarop ‘breakeven’ wordt gedraaid: de kosten zijn gelijk aan de opbrengsten. Hierbij is ervan uitgegaan dat bij een gemiddelde voorstelling de variabele kosten hoger zijn dan de variabele opbrengsten. De vaste inkomsten na aftrek van de vaste kosten creëren als het ware een reserve waarmee voor een gemiddelde voorspelling het verschil tussen variabele kosten en opbrengsten wordt gecorrigeerd. Als de subsidies lager worden, is die compensatie voor een aantal voorstellingen niet meer toereikend en zal het aanbod lager worden.

46

Zie ook: M. Kerste, J. Poort, N. Rosenboom, J. Weda, 2011: Cultuur naar vermogen. Aard, gebruik en toepasbaarheid van generiek instrumentarium voor ondersteuning van de Nederlandse cultuur. SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam.

81

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

In het model wordt (impliciteit) uitgegaan van een constante vraagfunctie; meer voorstellingen leiden automatisch tot meer publiek. In de praktijk is de vraag uiteraard niet oneindig, maar omdat de aangekondigde bezuinigingen naar alle waarschijnlijkheid zullen leiden tot een lager aanbod is de aanname van een constante vraagfunctie aanvaardbaar. De kans is immers klein dat bij een lager aanbod de vraag naar voorstellingen sterker zal dalen dan het aanbod. In het basismodel kan vervolgens de impact van de bezuinigingen en de btw-verhoging worden geïntroduceerd. Zowel de bezuinigingen als de btwverhoging hebben impact op de opbrengstenfunctie. De bezuinigingen op subsidies zorgen voor een daling van de vaste inkomsten. De btw-verhoging heeft tot gevolg dat de variabele inkomsten lager worden. Per voorstelling wordt nu immers minder geld opgehaald. Theaters hebben twee ‘uitersten’ om met de btw-verhoging om te gaan. Enerzijds kan deze volledig door worden belast aan het publiek, wat leidt tot een hogere prijs en – afhankelijk van de prijselasticiteit – tot een daling van het gemiddeld aantal bezoekers per voorstelling. Anderzijds kan door de theaters worden besloten om de prijs voor bezoekers gelijk te houden, waarmee de recette per bezoeker en daarmee per gemiddelde voorstelling lager worden.

In beide gevallen is de impact exact dezelfde: een daling van de variabele inkomsten van de theaters. Door beide maatregelen ontstaat er een nieuw break-even punt, met minder voorstellingen en lagere totale kosten en opbrengsten. Bij een gelijkblijvende kostenstructuur, en zonder additionele inkomsten, zorgen lagere subsidies aan gezelschappen en een btw-verhoging dus voor een lager aanbod aan uitvoeringen in de podiumkunsten in Groningen.

5.3

De impact op het gedrag van gezelschappen

De aanname dat theaters en gezelschappen helemaal niet reageren op de bezuinigingen lijkt echter niet realistisch. De sector zal naar verwachting proberen te anticiperen op de bezuinigingen door kosten te verlagen en alternatieve inkomstenbronnen aan te boren. Omdat alleen de gezelschappen direct worden geraakt door de bezuiningen (de podia in Groningen worden immers alleen met een btw-verhoging geconfronteerd)

82

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

wordt in deze paragraaf een aantal mogelijke acties van gezelschappen bediscussieerd. Gezelschappen kunnen verschillende acties ondernemen die zowel de kosten- als de opbrengstenfunctie veranderen. Op de eerste plaats kan worden geprobeerd om efficiënter te werken. Dit kan op twee manieren: door de vaste kosten te verlagen (bijvoorbeeld. door te besparen op personeelskosten in de overhead) en door een efficiëntere bedrijfsvoering rond voorstellingen, waarmee de variabele kosten per voorstelling lager worden. Op de tweede plaats kunnen gezelschappen proberen de eigen verdiencapaciteit te verhogen. Hiermee kan mogelijk (een deel van) de daling van de vaste inkomsten uit subsidies worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld door het aantrekken van (extra) sponsoren of mecenaat. Verder kan worden geprobeerd de variabele inkomsten te verhogen door bijvoorbeeld meer prijsdifferentiatie in te voeren. Het gevolg van deze reacties is dat de kosten- en opbrengstenfuncties weer veranderen. Er zal een nieuw break-even punt ontstaan met een hoger aantal uitvoeringen in de podiumkunsten ten opzichte van het aanbod na de bezuinigingen. Met andere woorden: door efficiëntieverbeteringen en meer eigen inkomsten kan een deel van de maatschappelijke impact van de bezuinigingen worden ondervangen.

Omdat onduidelijk is welke acties wel en niet zullen worden ondernomen worden zes verschillende scenario’s met uiteenlopende type acties nader beschouwd.

5.4

De impact op gezelschappen

Omdat de allocatie van de landelijke bezuinigingen onbekend is wordt zoals vermeld een schatting gemaakt van de impact van het aanbod van alle gezelschappen in Nederland. Door de bezuinigen zal het totale aanbod uitvoeringen dalen. De vraag is welk deel hiervan in Groningen terecht zal komen. De aanname is dat dit naar rato van het huidige aantal gesubsidieerde uitvoeringen is. Dus als voor Nederland als geheel het aanbod met 10% daalt zal dit in Groningen naar verwachting ook zo zijn.

83

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Het totale aanbod gesubsidieerde uitvoeringen in Nederland bedroeg in 2009 ruim 17.700 op een totaal aantal uitvoeringen in de podiumkunsten van bijna 67.000. De aanname is dat deze verhouding (27%) ook geldt voor de uitvoeringen in Groningen. Dit zou betekenen dat er in Groningen 537 (27% van 1991) gesubsidieerde uitvoeringen plaatsvinden.

5.4.1

De impact op het aanbod

Op basis van het hierboven beschreven bezuinigingenmodel zijn vervolgens percentuele inschattingen gemaakt van het effect op het aanbod in Nederland; die cijfers zijn vertaald naar de Groningse situatie. In deze paragraaf worden zes verschillende scenario’s van mogelijke effecten beschreven. Het eerste scenario is ‘niets doen’ en beschrijft de situatie als de enige reactie van de gezelschappen bestaat uit het schrappen van voorstellingen net zo lang tot ze weer ‘quitte’ draaien. De andere vijf scenario’s geven acties weer waardoor gezelschappen extra inkomsten verwerven en/of kosten weten te besparen. Scenario 2 gaat bijvoorbeeld uit van een situatie waarbij gezelschappen in staat zijn om de sponsorinkomsten met 20% te verhogen en het mecenaat met 5%. Scenario 3 betreft het besparen op de kosten van uitvoeringen. Gezelschappen weten in dit scenario een efficiëntiewinst van 5% te realiseren door bijvoorbeeld te bezuiningen op overhead of samen te werken op het gebied van inkoop en ateliers. Scenario 4 gaat uit van een inkomstenoptimalisatie: naast extra sponsoring van 20% en 5% mecenaat, worden extra inkomsten gegenereerd via prijsbeleid (+5%) en via overige directe (+10%) en indirecte inkomsten (+5%). Slimmer prijsbeleid kan direct voor een verhoging van de opbrengsten zorgen.

Hiermee wordt niet een directe verhoging van de standaardprijs bedoeld, maar een veel sterkere differentiatie van prijzen. Gezelschappen kunnen hiernaast mogelijk de directe inkomsten laten toenemen door bijvoorbeeld actief merchandise te verkopen rond uitvoeringen of en indirecte inkomsten via het geven van workshops aan organisaties, verhuur van bepaalde decorstukken of kledingstukken aan derden. In scenario 5 wordt efficiëntiewinst (-5% kosten) gerealiseerd naast extra sponsorinkomsten (+10%) en een hogere opbrengst per bezoeker (+5% via

84

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

de introductie van effectief prijsbeleid. Scenario 6 is het ‘best case’ scenario waarin de inkomsten worden geoptimaliseerd en efficiëntiewinst wordt behaald (combinatie van scenario 3 en 4). Tabel 5.1 laat de daling van het aantal uitvoeringen voor elk van de scenario’s zien.

Tabel 5.1 Impact van bezuinigingen op rijksgesubsideerde gezelschappen onder verschillende scenario’s

Efficiency en inkomsten optimalisatie

6

Efficiency; prijsbeleid en sponsoring

5

Inkomsten optimalisatie

4

Efficiency

3

Sponsoring

2

Geen reactie

1

Percentage van aanbod gesubsidieerde gezelschappen

-30%

-29%

-27%

-23%

-21%

-20%

Absoluut aantal uitvoeringen

-161

-156

-145

-124

-113

-108

Percentage totaal aanbod podiumkunsten Groningen

-8%

-8%

-7%

-6%

-5,5%

-5%

Impact

Als eerste wordt de landelijke daling van het aanbod in procenten weergegeven. Dit varieert van -30% (scenario ‘niets doen’) tot -20% (het beste scenario). Het effect voor Groningen varieert tussen de -161 en -108 voorstellingen (procentuele daling tussen de -8% en -5%).

85

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

5.5

De impact op de podia

De Groningse podia worden niet geconfronteerd met een verlaging van de exploitatiesubsidie maar wel met een btw-verhoging. Podia kunnen op twee manieren omgaan met deze prijsverhoging: volledig doorbelasten aan de consument, wat zal leiden tot een prijsverhoging van +12,3% (en daardoor een daling van het aantal bezoekers), of volledig ten laste leggen van de eigen opbrengsten uit kaartverkoop, wat leidt tot een lagere opbrengst per bezoeker. In beide gevallen worden podia geconfronteerd met lagere (variabele) inkomsten. Net als in het geval van de gezelschappen kunnen podia allerlei acties ondernemen om extra inkomsten te verwerven of te bezuinigingen op andere kosten en zo het aantal te schrappen uitvoeringen te minimaliseren. Gegeven een prijselasticiteit van -0,32 is te verwachten dat de prijsverhoging volledig wordt doorbelast aan de consument. In het geval dat de Nederlandse podia geen enkele additionele acties ondernemen is er sprake van een daling van het aanbod van -1,1%. Wat in de Groningse situatie een daling van 22 uitvoeringen zou betekenen en een welvaartsverlies van bijna € 150.000 voor de stad en een kleine € 25.000 voor de rest van Nederland. 47

Het verlies van deze 22 voorstellingen mag echter niet worden opgeteld bij het verlies van 108 tot 161 voorstellingen als gevolg van de bezuinigingen op de gezelschappen. De gezelschappen zijn immers de ‘toeleveranciers’ van de podia. Als gezelschappen 108 tot 161 voorstellingen in Groningen schrappen doen de podia dat automatisch ook. De 22 voorstellingen die de podia zelf al zouden schrappen als gevolg van de btw-verhoging zijn dan een deel van die 161 tot 108 voorstellingen die geschrapt worden als gevolg van de bezuinigingen op de gezelschappen.

Goudriaan, R. e.a. 2008: Nieuwe schattingen van de prijsgevoeligheid van het bezoek aan culturele sectoren. APE – in opdracht van het ministerie van OC&W.

47

86

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

5.6

De impact op de maatschappelijke welvaart

De rijksbezuinigingen op de podiumkunsten werken door in Groningen via een lager aanbod uitvoeringen door gezelschappen die minder subsidie krijgen. Omdat op dit moment is onduidelijk welk gezelschap wel of niet getroffen wordt. Daarom is op basis van alle gezelschappen in Nederland geschat wat het effect op het aanbod is. Dit blijkt – afhankelijk van de reacties van de gezelschappen – een daling van tussen de 20% en 30% van het gesubsidieerde aanbod te zijn. Voor de stad Groningen betekent dat een verlies van tussen de 108 en 161 uivoeringen per jaar (zie tabel 5.1). Als de stad Groningen als gevolg van die bezuinigingen jaarlijks 161 uitvoeringen in de podiumkunsten verliest (in scenario 1, zie tabel 5.1) kost dat de maatschappij jaarlijks ongeveer € 1,2 miljoen. Bij een verlies van 108 uitvoeringen per jaar (in scenario 6, zie tabel 5.1) is dat verlies € 0,8 miljoen per jaar. Het grootste deel van dat verlies (€ 0,7 tot € 1,05 miljoen) leidt de stad zelf. Een klein deel van het verlies (€ 0,1 tot € 0,15 miljoen) komt in de rest van het land terecht. Voor deze inschatting van het maatschappelijk welvaartsverlies van de rijksbezuinigingen is ervan uitgegaan dat de geschrapte voorstellingen ‘gemiddelde voorstellingen’ betreffen.

De welvaartswinst van een gemiddelde voorstelling is bepaald door de welvaartswinst van de podiumkunstvoorstellingen op vaste podia in de stad Groningen én die in de rest van Nederland te delen door het totaal aantal uitvoeringen in de podiumkunsten. Door het verlies aan voorstellingen in de verschillende scenario’s (zie tabel 5.1) te vermenigvuldigen met de gemiddelde welvaartswinst per voorstelling is het welvaartsverlies ingeschat. De vraag is of dat verlies opweegt tegen de welvaartswinst in de vorm van lagere overheidsuitgaven. In totaal wordt er € 17,3 miljoen bezuinigd op het gehele gesubsidieerde aanbod in Nederland. Welk deel van de opbrengst van deze bezuiniging kan worden toegeschreven aan het lagere aanbod in Groningen? Er is aangenomen dat de bezuinigingen proportioneel over het totaal aantal te schrappen voorstellingen wordt verdeeld. En er is reeds aangenomen dat de te schrappen voorstellingen op basis van het huidige aanbod proportioneel over de gemeenten in Nederland worden verdeeld.

87

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Het Groningse aanbod vormt 3% van het totale aanbod in Nederland. Dit zou betekenen 3% van de € 17,3 miljoen te schrappen voorstellingen aan Groningen valt toe te wijzen. Hiermee komt de maatschappelijke besparing op € 0,5 miljoen per jaar. In dat geval kosten die bezuinigingen maatschappelijk dus meer dan ze opleveren: € 0,8 tot € 1,2 miljoen maatschappelijke kosten tegenover € 0,5 miljoen maatschappelijke baten. In de berekeningen van deze maatschappelijke impact is er echter vanuit gegaan dat de podia in Groningen geen alternatief aanbod programmeren in plaats van het weggevallen aanbod van de gesubsidieerde gezelschappen. Dat lijkt geen realistische aanname te zijn. Als de podia er in slagen om de helft van het verloren aanbod (op kwalitatief vergelijkbare wijze) te compenseren met ander aanbod pakken de rijksbezuinigingen voor Groningen per saldo al neutraal uit. Als meer dan de helft op die manier wordt gecompenseerd zijn de bezuinigingen per saldo welvaartsverhogend. Het uiteindelijke welvaartseffect van de voorgenomen bezuinigingen is dus afhankelijk van hoe de gezelschappen (en de podia) zelf (kunnen) inspelen op die bezuinigingen. Wel zal in alle scenario’s het aanbod in Groningen dalen.

Het voornemen van de gemeente Groningen om niet te bezuinigen op de podia in de stad zorgt er in ieder geval voor dat ondanks de rijksbezuinigingen het aanbod aan podiumkunsten in de stad naar verwachting relatief groot blijft; en daarmee het belang van Cultuurstad Groningen.

88

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Bijlage: beschrijving van de gebruikte indicatoren In deze bijlage zijn de indicatoren die zijn gebruikt voor het in kaart brengen van het culturele aanbod en de cultuurdeelname in Groningen (zie hoofdstuk 2) uitgebreid beschreven. Podiumkunsten

Het aantal theatervoorstellingen en concerten in de gemeente, opgesplitst in drie categorieën: theater, klassieke muziek en popmuziek. Onder de categorie theater vallen toneel, ballet, dans, cabaret, musical. Onder popmuziek vallen ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek. Klassieke muziek bevat ook de categorie opera (bron: VSCD, VNPF, Nationaal Popinstituut, Nederland Uitburo). Voor het aanbod podiumkunsten is gebruikgemaakt van gegevens over het aantal voorstellingen in theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren (VSCD), de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF) en Muziek Centrum Nederland (MCN), of die zijn opgenomen in het theaterbestand van Theaterinstituut Nederland (TIN) en de VSCD en waarvan de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn. Daarbij zijn niet alleen zelfstandige podia meegeteld, maar ook andere locaties waar meer dan 25 uitvoeringen in de podiumkunsten per jaar plaatsvinden. Het culturele aanbod per gemeente is gecorrigeerd voor het aantal inwoners. Cultuurhistorische musea

Het aantal cultuurhistorische musea in de gemeente per 100.000 inwoners gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging. 48

Musea beeldende kunst

Het aantal musea voor beeldende kunst in de gemeente per 100.000 inwoners gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging. 49

Historisch erfgoed

Het aantal rijksmonumenten (objecten) in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

48

Zie voor meer informatie: G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht). Idem.

49

89

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Archeologische monumenten

Het aantal archeologische monumenten (objecten) in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Bioscoopstoelen

Het aantal bioscoopstoelen per 1.000 inwoners (bron: Nederlandse vereniging van Bioscoopexploitanten). Filmdoeken

Het aantal filmdoeken per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse vereniging van Bioscoopexploitanten). Culturele evenementen

Het aantal publieksevenementen in de gemeente per 100.000 inwoners. Onder publieksevenementen vallen evenementen uit de categorieën beeldende kunst, maatschappij/sociaal/cultuur en podiumkunsten (bron: Respons, zie: www.respons.nl). Daarvan zijn alleen de categorieën beeldende kunst en podiumkunsten meegenomen. Een publieksevenement wordt als volgt gedefinieerd: ‘Een gebeurtenis met een begin- en einddatum, die op één of meerdere locaties plaatsvindt, verplaatsbaar is en waarbij de bezoekers specifiek voor de activiteiten komen.’ In het overzicht van het aantal evenementen per gemeente is uitgegaan van evenementen die een minimum bezoekaantal hebben van 5.000. Voor de gegevens over deze evenementen is waar mogelijk uitgegaan van bezoekaantallen die bekend waren over 2010. Waar nog bezoekaantallen ontbraken, is uitgegaan van gegevens over 2009 of eerder. De bezoekaantallen zijn, voor zover het de gratis toegankelijke evenementen betreft, schattingen van de bij de evenementen betrokken organisaties en instanties. Het aantal evenementen per gemeente kan afwijken van dat uit eerdere edities van de Atlas, omdat een aantal evenementen met meerdere edities per jaar zijn samengevoegd, zodat het nu alleen om unieke evenementen gaat. Respons heeft zoveel mogelijk getracht om, door middel van het raadplegen van meerdere bronnen, tot een zo betrouwbaar mogelijke schatting te komen.

Iedereen die van oordeel is dat de getoonde aantallen (aantoonbaar) onjuist zijn kan contact opnemen met Respons (www.respons.nl).

90

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Bibliotheken

Aantal (vestigingen van) bibliotheken per 1.000 inwoners (bron: Vereniging van Openbare Bibliotheken). Boekwinkels

Het aantal boekwinkels in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Lijstenboek). Galerieën

Het aantal kunstgalerieën in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse Galerie Associatie, Gouden Gids, LISA). Antiquariaten

Het aantal antiquariaten in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Gouden Gids, Boek en boek). Culturele Index

In de Culturele Index zijn de volgende vijftien indicatoren voor het culturele aanbod in een stad gecombineerd: Indicator

Wegingsfactor

Podiumkunsten 1. Aantal popconcerten (per inwoner per jaar) 2. Aantal klassieke concerten (inw/jr) 3. Aantal theatervoorstellingen (toneel en dans)

28% 14% 9% 5%

Beeldende kunst 4. Aantal musea voor beeldende kunst 5. Aantal kunstgaleries (per inwoner) 6. Aantal kunstenaars (per inwoner)

17% 8% 3% 6%

Letteren 7. Aantal literaire boekwinkels (per inwoner) 8. Aantal antiquariaten (per inwoner) 9. Aantal bibliotheken (per inwoner)

16% 6% 3% 7%

Erfgoed 10. Aantal rijksmonumenten (per inwoner) 11. Aantal archeologische monumenten (per inwoner)

17% 12% 2%

91

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

12. Aantal cultuur-historische musea

3%

Film 13. Aantal doeken in bioscopen en filmhuizen (p/inw) 14. Aantal bioscoopstoelen (per inwoner)

11% 6% 5%

Festivals 15. Aantal culturele festivals (per jaar)

11% 11%

De scores zijn niet zomaar opgeteld, maar gewogen op basis van de maatschappelijke waarde die een bepaalde culturele sector vertegenwoordigt. Die maatschappelijke waarde is bekend voor de podiumkunsten, de beeldende kunst, de letteren en het erfgoed in Nederland. Voor de filmsector is die waarde niet bekend. Daarom krijgt film in de Index vooralsnog (totdat daar meer over bekend is) de laagste wegingsfactor. Hetzelfde geldt voor de culturele festivals. Voor architectuur, cultuureducatie en community arts waren onvoldoende data beschikbaar om ze überhaupt in de index te kunnen opnemen. Uiteindelijk bestaat de Culturele Index dus uit een gewogen combinatie van vijftien indicatoren voor het culturele aanbod in een stad op het gebied van podiumkunsten, beeldende kunst, erfgoed, letteren, film en festivals. 50

Bezoek aan podiumkunsten

Het aantal keren dat inwoners van een gemeente naar verwachting een bezoek brengen aan een concert of theatervoorstelling. Daarbij zijn alle voorstellingen die vallen onder de podiumkunsten meegenomen: toneel, cabaret, dans, opera, musical en concerten (pop, jazz, klassiek). Het cultuurbereik is gebaseerd op de AVO-enquête (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek) van het SCP. Uit die enquête volgen behalve het jaarlijkse bezoek aan culturele instellingen, ook de persoonskenmerken van de respondent. Daarmee is een meervoudige regressieanalyse uitgevoerd. Uit die analyse blijkt dat het bezoek aan concerten en theatervoorstellingen zowel kan worden verklaard uit 51

50

G. Marlet, J. Poort, 2011: De waarde van cultuur in cijfers (Atlas voor gemeenten, Utrecht); G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht); N. van den Berg, G. Marlet, R. Ponds, C. van Woerkens, 2011: Podiumpeiler 2011. Jaarlijkse monitor voor de podiumkunsten en de muziekindustrie (MCN/TIN, Amsterdam); G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De waarde van cultuur voor de stad, in: Atlas voor gemeenten 2011 (VOC Uitgevers, Nijmegen). 51 A. van den Broek, 2005: Cultuurminnaars en cultuurmijders. Trends in de belangstelling voor kunsten en cultureel erfgoed (Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag).

92

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

persoonskenmerken, vooral het opleidingsniveau, als uit het theateraanbod. Hoger of middelbaar opgeleiden bezoeken significant vaker een concert of theater. Datzelfde geldt voor jongeren tot 30 jaar. Tussen 30 en 50 jaar is de bezoekfrequentie significant lager, net als onder niet-westerse allochtonen. Ook het regionale aanbod podiumkunsten blijkt het cultuurbereik significant positief te beïnvloeden. Op basis van de coëfficiënten uit die regressieanalyse en de bevolkingssamenstelling en het theateraanbod in de gemeente is het gemiddelde cultuurbereik per gemeente geschat.

93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=1bc9dd30-403d-4b60-a4e0-0770e92083e7