CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Het belang van Cultuurstad Groningen

1 - RAADSVERGADERING 17 juni 2021, gemeente MeppelBij agendapunt: Toekomst schouwburg Ogterop22.619 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 3.8 Creatieve klasse 32%

Creatieve klasse als percentage van de beroepsbevolking

30% 28% 26% 24% 22% 20% 18% 16% Groningen

G27

universiteitssteden

G9

grensregio's

Bron: Atlas voor gemeenten o.b.v. data CBS

Figuur 3.9 Creatieve bedrijfstakken 6%

Aantal banen in de creatieve bedrijfstakken als percentage van het totaal aantal banen

5%

4%

3%

2%

1%

0% Groningen

G27

universiteitssteden

G9

grensregio's

Bron: Atlas voor gemeenten o.b.v. data Lisa

47

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Figuur 3.10 Starters Aantal startende ondernemingen als percentage van de beroepsbevolking

2,0%

1,5%

1,0%

0,5%

0,0% Groningen

G27

universiteitssteden

G9

grensregio's

Bron: Atlas voor gemeenten o.b.v. data KvK/CBS

Figuur 3.11 ZZP’ers 8%

Aantal zelfstandingen zonder personeel als percentage van de beroepsbevolking

7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% Groningen

G27

universiteitssteden

G9

grensregio's

Bron: Atlas voor gemeenten o.b.v. data KvK/CBS

48

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Op basis van de regressiemodellen die ten grondslag lagen aan de figuren 1.1 en 1.2 in hoofdstuk 1 is het mogelijk om een globale inschatting te maken van de structurele werkgelegenheidseffecten die – indirect, op basis van de hierboven beschreven mechanismen – van het culturele aanbod in Groningen uitgaan. Dat is overigens alleen mogelijk voor de podiumkunsten omdat de culturele sector de enige is waarvoor dat mechanisme overtuigend is aangetoond. De coëfficiënt voor de relatie tussen het aantal uitvoeringen in de podiumkunsten in een stad en de omvang van de creatieve klasse is 0,0099. In Groningen zijn (en waren) er jaarlijks ongeveer 9,6 uitvoeringen in de podiumkunsten per 1.000 inwoners. Als gevolg van dat aanbod aan podiumkunsten behoort in Groningen dus ongeveer 9,5% van de beroepsbevolking extra tot de creatieve klasse dan als er geen cultuur in de stad zou zijn. De totale beroepsbevolking in Groningen is ruim 90.000 personen. Dat betekent dat 8.500 ‘leden’ van de creatieve klasse in Groningen daar niet hadden gewoond als er geen cultuur zou zijn. 25

De coëfficiënt voor de relatie tussen de omvang van de creatieve klasse en de werkgelegenheidsgroei over tien jaar is 0,69. Dat betekent dat Groningen in tien jaar tijd (tussen 1996 en 2005) 6,5% meer werkgelegenheidsgroei heeft gekend als gevolg van de aanwezige voorraad human capital die het gevolg is van het culturele aanbod in de stad. Dat zijn ruim 6.000 banen. De totale groei over die periode bedroeg bijna 20.000 banen. Dat betekent dat bijna een derde deel van de banengroei in de stad Groningen indirect het gevolg is geweest van het grote culturele aanbod in de stad. Ofwel: dat deel van de banengroei had niet plaatsgevonden als de stad geen groot en divers aanbod aan cultuur had gehad. 26

Behalve die indirecte werkgelegenheidseffecten in andere sectoren is de culturele sector zelf ook een belangrijke werkgever voor de stad. Met de culturele sector in de stad Groningen zijn ruim 2.000 banen gemoeid. Dat is bijna 2% van de totale werkgelegenheid in de stad. Met name in de podiumkunsten is dat aantal banen de laatste jaren gestaag toegenomen (zie figuur 3.12).

25 26

G.A. Marlet, 2009: De aantrekkelijke stad (VOC Uitgevers Nijmegen), p.320. G.A. Marlet, 2009: De aantrekkelijke stad (VOC Uitgevers Nijmegen), p.146.

49

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Figuur 3.1 2 Werkgelegenheid in de culturele sectoren 1.800 Werkgelegenheid in Groningen 1.600 1.400 1.200 1.000 Podiumkunsten Musea en monumentenzorg

800 600 400 200 0 2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

Podiumkunsten is inclusief festivals Bron: Atlas voor gemeenten o.b.v. data Lisa

Tot slot leveren ook de bestedingen van de bezoekers aan de culturele evenementen in de stad Groningen de stad extra werkgelegenheid op. Dat deel van de economische effecten van cultuur is echter zeer gering van omvang, en komt in het volgende hoofdstuk aan bod. Deze berekeningen leiden dus tot een globale schatting van het aantal banen waarvoor de culturele sector in de stad Groningen direct en indirect verantwoordelijk is. Dat zijn in totaal naar schatting ruim 8.000 (zesduizend plus tweeduizend) van de in totaal ruim 120.000 banen in de stad, ofwel 7% van het totale banenaanbod in de stad. Als de culturele sector er niet zou zijn, kost dat Groningen vanzelfsprekend weer een deel van die banen. Dat zal – net als bij de sluiting van een fabriek – tijdelijk tot extra werkloosheid en verlies van productiviteit leiden. Maar economen gaan ervan uit dat de economie op termijn haar evenwicht hervindt, en iedereen elders (in een andere sector of elders in het land) weer aan het werk komt, of zich anderszins ten dienste stelt van de maatschappij. Daarom mag het werkgelegenheidseffect dat direct of indirect van de culturele sector uitgaat niet (volledig) als economisch (welvaarts)effect aan

50

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

de culturele sector in Groningen worden toegerekend. Alleen als mensen zonder die culturele sector, en de werkgelegenheidseffecten die daarvan uitgaan, structureel werkloos zouden zijn, én niet productief zouden zijn als vrijwilliger of in het informele circuit, is er sprake van een welvaartseffect dat aan de culturele sector mag worden toegeschreven. In het volgende hoofdstuk wordt verder op die welvaartseffecten van cultuur ingegaan.

51

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

4

De maatschappelijke waarde van cultuur in Groningen In de vorige hoofdstukken werd het culturele aanbod in Groningen in kaart gebracht, en werd het effect daarvan op de cultuurdeelname in de stad en de aantrekkingskracht en de economische vitaliteit van de stad berekend. Maar die effecten zijn niet hetzelfde als – en tellen niet altijd mee in – de maatschappelijke waarde en de welvaartseffecten van cultuur. Veel studies die de maatschappelijke impact van cultuur berekenen doen dat wel, beperken zich tot de economische effecten van cultuur, die ze vervolgens overschatten. Bij het berekenen van de maatschappelijke waarde en de welvaartseffecten van cultuur voor een stad is het van belang alleen die effecten mee te nemen die niet zouden optreden als er geen cultuur zou zijn. Want anders is er sprake van een overschatting van het maatschappelijke belang van cultuur. Bovendien is het van belang om alle maatschappelijke waarden en welvaartseffecten van cultuur mee te nemen, en niet alleen de zuiver economische waarden. Want anders is er sprake van een (forse, zoals in dit hoofdstuk zal blijken) onderschatting. In dit hoofdstuk worden de maatschappelijke waarde en de welvaartseffecten van het culturele aanbod in Groningen berekend.

Voor dergelijke berekeningen moet een breed welvaartsbegrip worden gehanteerd, zoals gangbaar is in maatschappelijke kosten-batenanalyses, en in de beleidseconomie. Alle maatschappelijke effecten die gevolgen hebben voor de welvaart van consumenten (consumentensurplus) en bedrijven (producentensurplus) worden in kaart gebracht. Het gaat dus niet alleen om financiële baten die als klinkende munt meetellen in het bruto stedelijk product. Voor een deel van de effecten zal dat wel het geval zijn, bijvoorbeeld de winst op de toeristische bestedingen die zijn toe te rekenen aan cultuur (producentensurplus). Voor een ander deel, bijvoorbeeld het genot dat consumenten ontlenen aan een theaterbezoek, is dat niet het geval.

52

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

In een eerdere studie naar de maatschappelijke waarden van cultuur zijn vijf categorieën cultuurwaarden onderscheiden. Die categorieën zijn samengevat in figuur 4.1. 27

Figuur 4.1 De maatschappelijke waarden van cultuur in Groningen

Bron: G. Marlet, J. Poort, 2011: De waarde van cultuur in cijfers (Atlas voor gemeenten, Utrecht)

27

G. Marlet, J. Poort, 2011: De waarde van cultuur in cijfers (Atlas voor gemeenten, Utrecht).

53

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Allereerst is er de gebruikswaarde. Mensen hebben het ervoor over om een kaartje te kopen voor een optreden of bezichtiging, een reis af te leggen en een bepaalde tijd te verblijven. Die kosten voor reis en verblijf weerspiegelen een deel van de waarde die mensen aan het culturele aanbod hechten. De meeste mensen hebben namelijk meer voor het optreden of de bezichtiging over dan het ze feitelijk kost. Het verschil is het consumentensurplus, de eerste maatschappelijke waarde van het culturele aanbod in Groningen. Hierbij geldt dat vanuit het perspectief van de stad Groningen logischerwijs alleen de gebruikswaarde van de inwoners van de stad Groningen mogen worden meegeteld. De gebruikswaarde van de bezoekers die elders uit het land komen wordt als welvaartswinst voor de rest van Nederland beschouwd. Ook de mogelijkheid om cultuur te bezoeken, los van de vraag of dat bezoek ook echt plaatsvindt, heeft een waarde. Mensen die graag naar een culturele uiting gaan, zorgen ervoor dat ze in de buurt van dat culturele aanbod wonen. Mensen en bedrijven zijn bereid een hogere prijs te betalen voor een locatie in een stad of wijk met een groot cultureel aanbod. Op die manier waarderen ze de aanwezigheid van cultuur in hun woonomgeving en anticiperen ze op de positieve effecten die van cultuur(deelname) uitgaan. De optiewaarde slaat neer in de waarde van grond op dergelijke woonlocaties.

Die residuele grondwaarde levert een inschatting op van de optiewaarde van het culturele aanbod in Groningen, en wordt berekend met de zogenoemde hedonische prijsmethode. Ook hier geldt dat voor de stad Groningen alleen de optiewaarde van de inwoners meetelt. Een deel van die optiewaarde van het culturele aanbod in de stad Groningen slaat namelijk neer in de rest van de provincie, omdat ook de inwoners van de omliggende gemeenten baat hebben bij de nabijheid van cultuur in de stad Groningen. Daarnaast heeft het culturele aanbod in Groningen een indirecte economische waarde. Die waarde bestaat uit de bestedingen van toeristen die de stad bijvoorbeeld vanwege het Groninger Museum bezoeken. Daarnaast gaan van de culturele sector directe en indirecte werkgelegenheidseffecten uit. In het vorige hoofdstuk zijn die al berekend. In dit hoofdstuk wordt de vraag gesteld of en in hoeverre die als welvaartseffect aan de culturele sector in Groningen mogen worden toegeschreven. Hierbij wordt zowel naar buitenlandse toeristen als Nederlandse bezoekers uit andere gemeenten gekeken. Hierbij geldt voor de komst van Nederlandse bezoekers dat er voor de stad Groningen sprake is

54

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

van extra economische waarde. Voor de andere steden in Nederland is er er juist sprake van een welvaartsverlies door de komst van Nederlandse bezoekers naar Groningen. Vanuit het perspectief van Nederland maakt het niet uit (per saldo nul): het gaat immers alleen om verplaatsing van economische bestedingen die anders in de eigen woonstad (of in een andere stad) waren gedaan. Tot slot heeft cultuur een sociale waarde. Zo zal het culturele aanbod in Groningen bijdragen aan de cultuureducatie op scholen en daarbuiten. Op die manier zorgt cultuur voor betere onderwijsprestaties en een hogere productiviteit onder de bevolking, en mogelijk zelfs voor een betere gezondheid en minder leefbaarheidsproblemen in de buurt. Daarnaast vertegenwoordigt de simpele aanwezigheid van cultuur in Groningen een waarde (de bestaanswaarde), omdat het kan bijdragen aan de lokale identiteit en trots. Voor dit onderzoek wordt uitgegaan van deze vijf waarden en de bijbehorende grondslagen en welvaartseffecten. De ervaring leert dat de gebruikswaarde, optiewaarde en economische waarde van cultuur samen verreweg de grootste bedragen vertegenwoordigen.

Bovendien zijn de bestaanswaarde en de sociale waarde van cultuur moeilijk geïsoleerd te kwantificeren, omdat daar geen goede methodes en gegevens voor zijn, maar vooral ook omdat ze door anticiperend gedrag hoogstwaarschijnlijk grotendeels terechtkomen in de optiewaarde. Daarom beperkt de berekening van de maatschappelijke waarde van cultuur in Groningen zich in dit hoofdstuk tot de gebruikswaarde, de optiewaarde (inclusief bestaanswaarde en sociale waarde) en de economische waarde. Het onderzoek beperkt zich overigens tot de culturele sectoren waarvoor voldoende data beschikbaar waren: podiumkunsten (paragraaf 4.1), culturele festivals (pragraaf 4.3) en musea (paragraaf 4.2). In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een inschatting gemaakt van het maatschappelijke effect van de voorgenomen bezuinigingen op de podiumkunsten in Groningen. Wat leveren die besparingen de belastingbetaler op? En wat kosten ze maatschappelijk, in termen van welvaartsverlies?

55

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

4.1

Podiumkunsten

Groningen heeft op dit moment volgens de database van Atlas voor gemeenten achttien podia waarvan er – volgens de door de gemeente aangeleverde gegevens – vier subsidie van het rijk en/of de gemeente krijgen. Het gezamenlijk subsidiebedrag bedroeg € 7,3 miljoen, waarvan verreweg het grootste deel van de gemeente komt. De achttien podia vormen 1,8% van het totale aantal podia in Nederland. De Groningse podia verzorgden in 2009 in totaal 1.991 uitvoeringen. Dat komt neer op zo’n 10 uitvoeringen per 1.000 inwoners. De uitvoeringen in de podiumkunsten in Groningen trokken in 2009 gezamenlijk zo’n 490.000 bezoekers. 28

4.1.1

Gebruikswaarde

Het uitgangspunt bij de gebruikswaarde is het zogenoemde consumentensurplus: wat hebben mensen meer over voor een bezoek aan een uitvoering in de podiumkunsten dan ze er feitelijk voor betalen? Voor het berekenen van dat consumentensurplus zijn de inspanningen die mensen zich – in tijd en geld – getroosten voor het reizen naar en het verblijven in een theater of concertzaal leidend. In figuur 4.2 is de herkomst van de bezoekers van de Oosterpoort/Stadsschouwburg weergegeven, en afgezet tegen de herkomst van de bezoekers van het Groninger Museum. Bezoekers van het museum komen gemiddeld van verder dan de bezoekers van het podium. Daardoor zal de gebruikswaarde van het museum hoger zijn dan die van het podium. Maar daar staat tegenover dat de optiewaarde van het podium weer hoger zal zijn dan die van het museum. Het feit dat de gemiddelde bezoeker van een podium minder ver reist dan de gemiddelde bezoeker van het museum komt namelijk omdat meer mensen bij de keuze van een woonplaats rekening houden met de nabijheid van podia dan met de nabijheid van musea.

28

N. van den Berg, G. Marlet, R. Ponds, C. van Woerkens, 2011: Podiumpeiler 2011. Jaarlijkse monitor voor de podiumkunsten en de muziekindustrie (MCN/TIN, Amsterdam).

56

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Figuur 4.2

Oosterpoort/Stadsschouwburg vs Groninger Museum

7% percentage van het aantal bezoeken 6% Oosterpoort/Stadsschouwburg Groninger Museum

5%

4%

3%

2% reistijd in minuten 1%

0% 0

20

40

60

80

100

120

140

160

180

200

Bron: Atlas voor gemeenten

Voor de Oosterpoort/Stadsschouwburg en voor Vera is de herkomst van de bezoekers bekend. Van de Nederlandse bezoekers aan de Oosterpoort/Stadsschouwburg komt 49% uit de stad Groningen en 51% uit de rest van Nederland. Voor Vera is dat respectievelijk 75% en 25%. Voor de andere podia is deze herkomst niet bekend waardoor er met schattingen is gewerkt. De aanname daarbij was dat de herkomst van de (Nederlandse) bezoekers verdeeld is volgens het gewogen gemiddelde van de Oosterpoort/Stadsschouwburg en Vera: 54% uit de stad Groningen en 46% uit de rest van Nederland. Hiernaast zal een deel van de bezoekers uit het buitenland komen. Exacte gegevens hierover waren alleen voor de Oosterpoort/Stadsschouwburg bekend. Daarom is op basis van de Toeristisch-Recreatieve Ontwikkelingsmonitor (TROM) berekend wat de motieven zijn van (buitenlandse) dag- en verblijfsbezoekers in Groningen. Gemiddeld bleek

57

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

0,7% van de buitenlandse verblijfsbezoekers en 1,4% van de buitenlandse dagbezoekers het bezoek van een theatervoorstelling of een concert als belangrijkste motief te hebben aangegeven. Op een totaal van ruim 345.000 buitenlandse bezoekers (waarvan 311.000 dagbezoekers) betekent dat ruim 4.600 buitenlandse bezoekers (iets meer dan 1% van het totaal aantal bezoekers aan de podia). 29

Voor de berekening van de gebruikswaarde van de Groningse podiumkunsten is ervan uitgegaan dat 53,5% van bezoekers uit de stad Groningen komt, 45,5% uit de rest van het land en 1% uit het buitenland. Vervolgens is de gemiddelde reisafstand en -tijd voor een inwoner uit Groningen en een inwoner uit de rest van Nederland bepaald. Deze bezoekersgegevens waren bekend voor de Oosterpoort/Stadsschouwburg (gemiddeld 7,8 minuten voor een inwoner van Groningen en 50,4 minuten voor een inwoner uit de rest van Nederland). Er wordt van uitgegaan dat een kwart van de bezoekers per fiets of te voet reist, en daarvoor niets betaalt. Voor die bezoekers blijven alleen de kosten voor reistijd over. Verder is het uitgangspunt dat mensen gemiddeld € 15 voor hun kaartje betalen, en twee uur in het theater verblijven. 30

De reistijdwaardering voor een uur reistijd is gebaseerd op cijfers van Rijkswaterstaat, en bedragen € 6,20 per uur voor reizen per auto en € 5,55 per uur voor reizen per OV. Voor de berekening is een gemiddelde tijdwaardering van € 6 per uur genomen. Voor de kosten van reizen per OV is uitgegaan van de staffel waarmee NS werkt, 12 cent per kilometer. Voor de auto is de fiscale aftrek van 19 cent per kilometer gebruikt. Bij vervoer per auto is bovendien uitgegaan van een gemiddelde bezetting van anderhalve persoon per auto. De gemiddelde kosten per kilometer voor een reis naar een podium per auto en OV komen dan op 12,5 cent. 31

Dat brengt de gemiddelde gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten voor een bezoeker die van buiten Groningen komt op € 53,38 per bezoek aan een 29

Dit zijn genormaliseerde percentages. Omdat er meerdere motieven per ondervraagde konden worden aangegeven, tellen de percentages niet op tot boven de 100% (tot 150% voor verblijfsbezoekers en 141% voor dagbezoekers) en zijn ze genormaliseerd op 100% 30 Gebaseerd op gemiddelde recette per bezoeker in 2003. Bron: C. Langeveld, 2006: Economie van het theater. Vestiging, prijsvorming en economies of scale in een wereld met bezieling (Langeveld Consultancy BV, Breda), p. 279. 31 De reden dat reistijd per OV lager gewaardeerd wordt, is dat de tijd in het openbaar vervoer nuttiger kan worden besteed dan in de auto. Mogelijk speelt ook een verschil in het gemiddelde inkomsten van OV-reizigers en automobilisten een rol.

58

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

podium. Dat bedrag bestaat uit € 7,75 aan reiskosten, € 5,93 aan kosten voor reistijd, € 24,70 aan kosten voor verblijfstijd, en € 15 entreeprijs. De bereidheid om te betalen voor zo’n bezoek ligt echter nog hoger. Algemeen wordt aangenomen dat het consumentensurplus voor culturele activiteiten 25% bedraagt, wat in dit geval overeenkomt met bijna € 13,35 per bezoek (25% van € 53,38). 32

De vraag is welk deel van het consumentensurplus van bijna € 13,35 per bezoek mag worden ingeboekt als welvaartswinst van de Groningse podia. Economen gaan ervan uit dat het consumentensurplus van een dergelijke tijdsbesteding 25% hoger ligt dan dat van een alternatieve tijdsbesteding. Als er geen podia zouden zijn, zouden dezelfde mensen iets anders gaan doen, waar ze ook van genieten, maar minder dan van het bezoek aan het podium (anders zouden ze daar niet in eerste instantie voor kiezen). Dat betekent dat van het consumentensurplus van € 13,35 per bezoek € 3,34 (25% van € 13,35) mag worden aangemerkt als welvaartswinst van de Groningse podia. Bij een totaal van bijna 254.000 Nederlandse bezoekers van buiten de stad Groningen komt dat op een bedrag van ruim € 0,8 miljoen per jaar. 33

Voor de bezoekers uit de stad Groningen komen de gemiddelde kosten per bezoek op € 41,82 (€ 0,92 reistijd, € 1,20 reiskosten, € 24,70 verblijfstijd en € 15 entreeprijs). De welvaartswinst is hiervan € 2,61. Bij een totaal aantal bezoekers uit de stad Groningen zelf van bijna 231.000 bedraagt de jaarlijkse welvaartswinst ruim € 0,6 miljoen per jaar. Culturele Festivals

Groningen kent verschillende culturele festivals op het gebied van podiumkunsten. In het kader van dit onderzoek zijn er zes meegenomen: Eurosonic Noorderslag; Noorderzon; Bevrijdingsfestival; Jonge Hartenfestival; TakeRoot en Rythm & Blues Night. Gezamenlijk trokken zij ruim 265.000 bezoekers in 2010. De herkomst van de bezoekers is met uitzondering van de voorverkoopgegevens van Noorderzon niet bekend. Daarom is gebruik gemaakt van de gegevens over motieven en herkomst van dag- en

32

J.N.T. Weda, I.J. Akker, J.P. Poort, C.C. Koopmans, 2009: MKBA Erfgoed en Locatie. Locatiegerelateerde consumptie van cultureel erfgoedinformatie (SEO, Amsterdam), p.26. Ibidem.

33

59

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

verblijfsbezoekers uit Toeristisch-Recreatieve Ontwikkelingsmonitor (TROM). Hieruit blijkt dat 5,3% van verblijfsbezoekers en 5,0% van de dagbezoekers specifiek voor een evenement of festival zijn gekomen. Op basis van een totaal van ruim 1,5 miljoen dagbezoekers en 133.000 verblijfsbezoekers zijn dit ruim 84.000 toeristen (77.000 dagbezoekers en bijna 7100 verblijfstoeristen). Als alle dagbezoekers en verblijfstoeristen die voor een cultureel evenement zijn gekomen, kan van deze getallen worden uitgegaan. Er zijn echter ook andere dan culturele evenementen die bezoekers trekken, zoals de Meikermis en de 4 Mijl van Groningen. Gezamenlijk trekken alle evenementen in de stad Groningen ruim 1,4 miljoen bezoekers waarvan de culturele evenementen er 19% (265.000) trokken. Als het aandeel dag- en verblijfstoeristen bij alle evenementen even groot zou zijn, zou het aantal van 84.000 dus met 19% moeten worden vermenigvuldigd om het totaal aantal dag- en verblijfstoeristen bij culturele evenementen te bepalen. Dat zijn er dan een kleine 16.000. De vraag is echter of dat terecht zou zijn; sommige attracties zoals de Meikermis (175.000 bezoekers) of Koniginnenacht (150.000) zullen waarschijnlijk meer lokale en minder nationale en internationale bezoekers trekken dan culturele evenementen als Eurosonic Noorderslag (totaal 30.000 bezoekers).

Hiermee wordt rekening gehouden door de aanname dat het aantal dag- en verblijfsbezoekers precies tussen beide uitersten inzit. Dat leidt tot een globale schatting van in totaal ruim 50.000 bezoekers van buiten de stad aan de Groningse culturele festivals. Hiervan is naar verwachting een kleine 40.000 afkomstig uit de rest van Nederland en 10.000 uit het buitenland. Dit maakt het mogelijk een schatting te maken van de totale verdeling van de herkomst van bezoekers aan de culturele festivals: 216.000 uit de stad Groningen (81%); 40.000 uit de rest van Nederland (15%) en 10.000 uit het buitenland (4%). De gebruikswaarde is op dezelfde manier berekend als bij de podia. Alleen is ervan uitgegaan dat de gemiddelde entreeprijs, omdat een deel van de festivals gratis is, een stuk lager ligt (€ 8) en dat de gemiddelde reistijd van de bezoekers juist veel hoger ligt. Bezoekers aan een festival in Groningen van buiten de stad zullen dit bezoek als een dagje uit beschouwen. Daarom is hier niet gerekend met de reistijd van podiumbezoek, maar van

60

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

museumbezoek: gemiddeld bijna twee uur per bezoeker van buiten de stad Groningen. Het consumentensurplus of gebruikerswaarde komt hiermee op € 2,16 per bezoeker uit de stad Groningen en € 3,34 voor een bezoeker uit de rest van Nederland. Dit brengt jaarlijkse welvaartswinst voor de inwoners van Groningen van culturele festivals op € 0,5 miljoen en voor de inwoners van de rest van Nederland op een kleine € 0,2 miljoen. Tabel 4.1 vat de resultaten van de berekening van de gebruikswaarde samen. In totaal bedraagt de jaarlijkse welvaartswinst van podia en festivals via de gebruikswaarde € 1,2 miljoen voor (de inwoners van) de stad Groningen, en € 0,9 miljoen voor (de inwoners van) de rest van Nederland. Uitgaande van een reële groeivoet van 1,5% en een discontovoet van 5,5%, bedraagt de Netto contante waarde van dit effect (gemeten over dertig jaar) respectievelijk € 20 miljoen en € 16 miljoen.

Tabel 4.1 Welvaartswinst als gevolg van gebruikswaarde van podia en festivals (in € miljoen, per jaar) Groningen Rest van Nederland Podia

0,7

0,7

Festivals

0,5

0,2

Totaal – jaarlijkse welvaartswinst

1,2

0,9

Totaal – NCW

20

16

NCW = Netto Contante Waarde

4.1.2

Optiewaarde

Voor het berekenen van de optiewaarde van de podiumkunsten in Groningen is het van belang om te weten op welke plek in de stad de (uitvoeringen op de) podia zich bevinden, en of mensen bereid zijn om meer te betalen als zij in de buurt van die uitvoeringen wonen. Om dat te kunnen berekenen is gekeken hoeveel uitvoeringen in de podiumkunsten

61

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

zich in de nabijheid bevinden van (alle) woonlocaties in Groningen (en daarbuiten). Er is rekening gehouden met de bereidheid om te reizen voor een concert of theatervoorstelling. Hierbij geldt dat voor de culturele festivals geen additionele optiewaarde wordt verondersteld. Dit heeft twee redenen: allereerst zijn evenementen tijdelijk, waardoor er in tegenstelling tot een vast podium dus geen ‘eeuwig’ durende optie is om elke dag van het jaar naartoe te gaan. Dit betekent dat de optiewaarde – mocht deze er zijn - zeer klein zal zijn in vergelijking met dat van een vast podium. Hiernaast geldt dat een groot deel van de voorstellingen in de culturele festivals plaatsvindt op bestaande podia. Mocht er een (kleine) optiewaarde uitgaan van culturele festival dan zit deze voor een belangrijk deel verdisconteerd in de optiewaarde van de vaste podia. 34

Die indicator voor de nabijheid van podiumkunsten is vervolgens met regressieanalyses in verband gebracht met de grond- en huizenprijzen op de woonlocaties in Groningen, en daarbuiten. Daarbij is gebruikgemaakt van de hedonische prijsmodellen uit eerder onderzoek naar de aantrekkingskracht van steden, en uit een recent samenwerkingsproject met het Centraal Planbureau over de waarde van ‘stad en land’. 35

36

Uit die modellen bleek dat de nabijheid van podiumkunsten een belangrijke verklaring biedt voor de verschillen in grond- en huizenprijzen tussen woonlocaties. In figuur 4.3 is dat resultaat gestileerd weergegeven: hoe meer uitvoeringen in de podiumkunsten in de buurt, hoe groter de bereidheid om te betalen voor de grond op zo’n woonlocatie. Met de uitkomsten uit die modellen is het mogelijk om de optiewaarde van de podiumkunsten in Groningen te bepalen. De waarde van de uitvoeringen op Groningse podia loopt tussen beide modellen echter nogal uiteen. Op basis van de analyse met grondprijzen is het totale aanbod aan podiumkunsten in Groningen meer dan eens zoveel waard, dan op basis van het model met de huizenprijzen.

34

Vanuit het perspectief van de inwoner van Groningen maakt het immers niet veel uit of een bepaalde voorstelling via een vast podium is georganiseerd of dat dat via de projectorganisatie van een festival gaat. 35 Zie: A. Marlet, 2009: De aantrekkelijke stad (VOC Uitgevers, Nijmegen). 36 H. de Groot, G. Marlet, C. Teulings, W. Vermeulen, 2010: Stad en land (Cpb, Den Haag).

62

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Er is voor gekozen om voor dit onderzoek uit te gaan van de laagste waarde uit het huizenprijsmodel, omdat daarmee zo goed mogelijk wordt voorkomen dat er als gevolg van een omitted variable basis in de modellen, sprake is van een overschatting van de waarde van de podiumkunsten. Van dat resultaat is ook nog het prijsopdrijvende effect van de hypotheekrenteaftrek op de woningmarkt afgetrokken, omdat dat deel van de huizenprijzen terugkomt via de fiscus, en dus niet als de nettobereidheid om te betalen voor een woonlocatie mag worden aangemerkt.

Figuur 4.3 Nabijheid van podia uit zich in hogere grond- en huizenprijzen 10.000 2

grondprijs (euro/m )

1.000

100

10

nabijheid podiumkunsten 1 1

10

100

1.000

10.000

Bronnen: Atlas voor gemeenten en H. de Groot, G. Marlet, C. Teulings, W. Vermeulen, 2010: Stad en land (Cpb, Den Haag).

Dat brengt de totale optiewaarde van de Groningen podiumkunsten op € 207 miljoen voor de stad Groningen, en € 33 miljoen voor de inwoners van de rest van Nederland (vooral in de direct omliggende gemeenten). Dat is eerder een conservatieve inschatting dan een overschatting. Niet alleen omdat het model met de laagste uitkomst is gekozen, maar ook omdat de bereidheid om te betalen voor de nabijheid van podia voor huurders niet is meegenomen. Die waarde is waarschijnlijk (veel?) lager dan de waarde die mensen met een koopwoning hechten aan de nabijheid van een podium, maar die waarde is niet nul.

63

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

De bereidheid om te betalen voor een huis in de buurt van de Groningse podia is dus € 207 miljoen in de stad zelf, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse welvaartswinst van bijna € 12 miljoen. Op basis van het totaal aantal huishoudens van 109.976 in 2010 betekent dit dat het totale aanbod aan podiumkunsten in de stad een waarde vertegenwoordigt van zo’n € 2.000 per huishouden/woning – hetgeen overeenkomst met een welvaartswinst per jaar per huishouden in Groningen.van € 109. De jaarlijkse welvaartswinst van de podiumkunsten in Groningen voor de rest van Nederland bedraagt € 1,9 miljoen.

4.1.3

Economische waarde

Als de gebruikswaarde en de bestaanswaarde van de Groningse podia samen worden genomen, is het totale aanbod aan podiumkunsten dus al € 227 miljoen waard, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse welvaartswinst van € 13,2 miljoen; daar komt dan nog de economische waarde van de podia bij. Die economische waarde bestaat uit de bestedingen van mensen die Groningen bezoeken vanwege de podia en festivals. In de paragraaf 4.1.1 werd duidelijk dat bijna 15.000 buitenlandse bezoekers Groningen aandoen vanwege een optreden op een podium of een cultureel evenement. Hiervan is ruim 1.300 verblijfstoerist en ongeveer 13.500 dagtoerist. 37

De Groningse podia trokken bijna 223.000 bezoekers uit de rest van Nederland. Omdat bezoekers in (bijna) alle gevallen vooraf een kaartje moeten kopen wordt de aanname gedaan dat al deze bezoekers zonder het bestaan van podia niet naar Groningen waren gegaan. De festivals trokken gezamenlijk 40.000 bezoekers uit de rest van Nederland waarmee het totaal aantal bezoekers uit de rest van Nederland op bijna 263.000 komt. Hiervan is naar verwachting 93% (243.000) dagbezoeker en 7% (19.000) verblijfsbezoeker. Volgens de gegevens in de TROM besteedt de gemiddelde dagtoerist in Groningen € 37,80 per dag en de verblijfstoerist € 73,20 per dag. Gemiddeld verblijft de verblijfstoerist tweeënhalve dag in Groningen. Hiermee komen 37

De schatting van de verdeling in dag- en verblijfstoeristen is gebaseerd op gegevens uit TROM.

64

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

de totale bestedingen van de Nederlandse bezoekers die voor podiumkunsten naar Groningen komen € 12,7 miljoen. De totale besteding van de buitenlandse bezoekers komt op € 0,8 miljoen. Gezamenlijk dus € 13,5 miljoen. Bestedingen zijn echter niet hetzelfde als welvaartswinst. Onder welvaartswinst wordt verstaan: de additionele winst (na aftrek van alle kosten) van bedrijven en de belastingopbrengsten voor gemeente en rijk. In lijn met eerder onderzoek naar de maatschappelijke baten van cultuur, is ervan uitgegaan dat 15% van de totale bestedingen welvaartswinst is. Daarvan is 10% belasting. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om belastingen zoals de btw en accijnzen, die in de landelijke schatkist vloeien. 38

Een beperkt deel komt via de kosten van accommodatie als toeristenbelasting in de gemeentekas. De resterende 5% welvaartswinst komt als bedrijfswinst bij ondernemers in de gemeente terecht. Het gaat hier overigens niet om de bruto winstmarge op de verkoop, maar de nettooverwinst na aftrek van alle vaste kosten en kapitaallasten. De welvaartswinst voor de stad Groningen komt in totaal uit op € 0,7 miljoen. Hiervan is het grootste deel (€ 650.000) additionele winst voor het bedrijfsleven en de rest zijn extra toeristenbelastinginkomsten voor de gemeente. Van deze € 650.000 additionele winst (en van de toeristenbelasting) is het grootste deel afkomstig van binnenlandse bezoekers. Voor de rest van Nederland is dat deel juist welvaartsverlies omdat deze bestedingen anders elders in Nederland waren gedaan. Hoewel er nog wel additionele inkomsten voor het rijk zijn vanuit de belastingopbrengsten van bestedingen door buitenlands bezoekers (€ 70.000) is het nettoresultaat voor de rest van Nederland negatief: € -0,6 miljoen. Dit maakt het nettoresultaat voor Nederland als geheel net positief: € 0,1 miljoen. De economische waarde voor de stad Groningen staat hiermee in geen verhouding tot gebruiks- en de optiewaarde van podiumkunsten. Tabel 4.2 vat de resultaten samen en geeft de netto contante waarde van de jaarlijkse welvaartswinst. 38

G. Marlet, J. Poort en C. van Woerkens, 2011: De Schat van de Stad (Atlas voor gemeenten en Seo, in opdracht van de Nederlandse Museumvereniging).

65

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Tabel 4.2 Welvaartseffecten van economische waarde van podiumkunsten in Groningen Stad Groningen Rest Nederland Nederland totaal Jaarlijkse welvaartswinst

0,7

-0,6

0,1

Netto contante waarde

12

-10

2

Behalve voor toeristenbestedingen zorgen de podiumkunsten ook voor direct en indirecte werkgelegenheidseffecten. In paragraaf 3.3 werd berekend dat de stad Groningen minstens 8.000 banen (7% van het totaal) te danken heeft aan de podiumkunsten. De vraag is welke welvaartseffecten daarvan uitgaan en welke mogen worden toegeschreven aan de podiumkunsten in Groningen. Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat dit soort werkgelegenheidseffecten niet mogen worden meegerekend in een maatschappelijke effectenstudie. Het uitgangspunt daarbij is dat als die banen er niet zouden zijn geweest, mensen elders in het land aan het werk zouden komen, of in Groningen in een andere sector. Hiervoor zijn twee redenen. Allereerst het feit dat inwoners van de stad Groningen in de hypothetische situatie dat er geen cultuur zou zijn iets anders in hun vrij tijd zouden doen (bijvoorbeeld extra naar een restaurant of naar de sportschool gaan). Deze bestedingen zouden dan voor extra vraag naar arbeid hebben gezorgd, waardoor bijvoorbeeld de cateringmedewerker van de stadsschouwburg in dit geval in een restaurant zou hebben gewerkt. Op de tweede plaats mag het deel van de banen dat bezet wordt door hoger opgeleiden en dat wegvalt, ook niet tot de welvaartseffecten worden gerekend. Deze mensen zijn in Groningen komen wonen en werken als gevolg van de aanwezige culturele voorzieningen.

Als deze er niet zouden zijn (geweest) zouden ze dus elders hebben gewoond en dus ook niet werkloos zijn geweest in Groningen. Door het wegvallen van culturele 66

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

voorzieningen zou er uiteraard wel welvaartsverlies zijn vanwege het verlies van aantrekkelijkheid van de stad voor deze hoger opgeleiden. Maar dat is reeds gekwantificeerd in de optiewaarde, anders zou deze redenering leiden tot een dubbeltelling.

4.1.4

Conclusie

Dat brengt de totale maatschappelijke waarde van de Groningse podiumkunsten op € 277 miljoen. Het grootste deel daarvan komt in de stad zelf terecht: € 239 miljoen (zie tabel 4.3). Een klein deel (€ 38 miljoen, zie tabel 4.4) van de waarde van de Groningse podiumkunsten komt in de rest van het land terecht, via de belastingen en via de gebruikswaarde van bezoekers van buiten de stad. Die € 239 miljoen komt overeen met een jaarlijkse welvaartswinst van ongeveer € 14 miljoen voor de stad Groningen (zie tabel 4.3). De maatschappelijke baten van de podiumkunsten voor de stad zijn dus hoger dan de maatschappelijke kosten in de vorm van de subsidies die door de gemeente Groningen aan de podiumkunsten in Groningen worden uitgekeerd: een kleine € 12 miljoen per jaar.

Tabel 4.3 De maatschappelijke waarde van de Groningse podiumkunsten voor de stad Jaarlijkse Netto contante waarde (€ miljoen) welvaartswinst (€ miljoen) Gebruikswaarde 20 1,2 Economische waarde

12

0,7

Optiewaarde

207

12

TOTAAL

239

14 Bron: Atlas voor gemeenten

Voor de rest van Nederland is het jaarlijkse welvaartseffect van de Groningse podia ruim € 2 miljoen (zie tabel 4.4). Het welvaartsverlies door de negatieve economische waarde van de binnenlandse bezoekers naar Groningen wordt ruimschoots gecompenseerd door de gebruikswaarde van deze bezoekers en de optiewaarde. 67

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Tabel 4.4 De maatschappelijke waarde van de Groningse podiumkunsten voor de rest van Nederland Netto contante waarde Jaarlijkse (€ miljoen) welvaartswinst (€ miljoen) Gebruikswaarde 16 0,9 Economische waarde

-10

Optiewaarde

33

2

TOTAAL

38

2,2

-0,6

Bron: Atlas voor gemeenten

De provincie Groningen subsidieert de Groningse podia op dit moment met zo’n € 0,5 miljoen. Omdat onduidelijk is hoe de maatschappelijke waarde verdeeld is tussen de provincie Groningen en de andere provincies in Nederland, kan dit bedrag echter niet worden vergeleken met de maatschappelijke waarde in tabel 4.4. Hetzelfde geldt voor de rijkssubsidies aan gezelschappen als het Noord Nederlands Orkest. Deze bedragen ruim € 12 miljoen, maar zijn niet direct toe te rekenen aan de stad, dan wel aan de rest van Nederland. Enerzijds omdat deze gezelschappen door heel Nederland spelen. Anderzijds omdat er ook rijksgesubsidieerde gezelschappen uit andere delen van het land op Groningse podia spelen. In hoofdstuk 5 wordt daar verder op ingegaan.

4.2

Musea

Volgens de Nederlandse Museumvereniging zijn er in Groningen zes museale instellingen. Dat is 0,48% van het totaal van 1254 museale instellingen in Nederland. Van die zes museale instellingen zijn er vijf aangesloten bij de Museumkaart. Van vier daarvan zijn de bezoekersaantallen bekend: 290.000 bezoeken in 2009. Onder die vier musea bevinden zich de grootste musea in Groningen. Van de overige twee Groningse musea zijn gegevens gebruikt uit het statistisch jaarboek van de afdeling Onderzoek en Statistiek van de gemeente Groningen. Dat brengt 39

40

39

G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht). Bron: Nederlandse Museumvereniging.

40

68

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

het totaal aantal bezoeken aan Groningse musea op 310.000 in 2009. Hiervan trekt het Groninger Museum met ruim 230.000 verreweg de meeste bezoekers. Van het Groninger Museum is de herkomst van de binnenlandse bezoekers bekend: 10% uit de stad Groningen en 90% van elders uit Nederland. Van de overige musea was dit niet bekend. Om hier een schatting van te maken is wederom gebruik gemaakt van de gegevens van de TROM. Het (genormaliseerde) percentage buitenlandse bezoekers aan de stad Groningen dat aangeeft dat het museum tot de belangrijkste motieven voor het stadsbezoek behoort, bedraagt 6% voor de dagtoeristen en 8,7% voor de verblijfstoeristen (waarvan 8% voor Groninger Museum). Onder de aanname dat deze toeristen ook daadwerkelijk gegaan zijn, betekent dit dat ruim 20.000 buitenlandse dagbezoekers en ruim 3.000 buitenlandse verblijfstoeristen naar de Groninger musea zijn gegaan (gezamenlijk ruim 7% van het totaal aantal museumbezoekers)

4.2.1

Gebruikswaarde

Voor de in totaal ruim 287.000 binnenlandse bezoeken is berekend welke waarde die mensen hechten aan dat bezoek, bovenop de totale prijs die ze voor dat bezoek hebben moeten betalen. Voor de berekening van dat consumentensurplus is ervan uitgegaan dat de binnenlandse bezoekers aan de Groningse musea gemiddeld even ver en lang reizen als de gemiddelde museumbezoeker aan het Groninger Museum. Hierbij is, net als bij de podiumkunsten, een onderscheid gemaakt tussen een inwoner van Groningen en bezoekers uit de rest van Nederland. Verder is aangenomen dat de bezoekers gemiddeld een even hoge entreeprijs betalen als gemiddeld in Nederland. Op basis van die uitgangspunten ‘betalen’ de Groningse bezoekers aan de Groningse musea gemiddeld € 29,51 per bezoek (zie tabel 4.4) en de bezoekers uit de rest van Nederland € 57,93 – wat een gemiddeld consumentensurplus oplevert van respectievelijk € 1,84 en € 3,62 per bezoek. 41

41

Bron: G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht).

69

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Tabel 4.4 De gebruikswaarde van de Groningse musea per bezoek

Reistijd Reiskosten Verblijfstijd Entreeprijs Totaal Consumentensurplus

Bezoeker uit Groningen

Bezoeker uit de rest van Nederland

€ 0,82 € 1,08 € 24,70 € 2,91 € 29,51 € 1,84

€ 13,13 € 17,19 € 24,70 € 2,91 € 57,93 € 3,62 Bron: Atlas voor gemeenten

Hiermee komt het totale consumentensurplus van bezoekers uit de stad Groningen uit op € 53.000 per jaar, wat een netto contante waarde vertegenwoordigt van € 0,9 miljoen. Het consumentsurplus van de bezoekers uit de rest van Nederland komt uit op € 0,9 miljoen per jaar, wat een netto contante waarde heeft van € 16 miljoen.

Tabel 4.5 Welvaartseffecten van gebruikswaarde van podiumkunsten in Groningen (in € miljoen) Stad Groningen Rest Nederland Nederland Jaarlijkse welvaartswinst

0,01

0,9

0,9

Netto contante waarde

0,9

16

17

De totale gebruikswaarde van de Groningse musea bedraagt € 17 miljoen. Dit resultaat moet beschouwd worden als een ondergrens van de totale gebruikswaarde van de Groningse musea omdat het virtuele bezoek (via internet) niet is meegeteld.

4.2.2

Optiewaarde

Net als bij de podiumkunsten is er ook sprake van een significante samenhang tussen de nabijheid van musea (voor cultuurhistorie en 70

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

beeldende kunst) en de grond- en woningprijzen op woonlocaties in de buurt. Dat duidt erop dat mensen waarde hechten aan de mogelijkheid om een museum te bezoeken, of dat ze er waarde aan hechten dat familie, vrienden en andere gasten zo’n museum kunnen bezoeken, of dat ze simpelweg identiteit en status ontlenen aan een woning in de buurt van een museum voor beeldende kunst. Hoe dan ook, het simpele feit dat er musea in de buurt zijn wordt door sommige mensen gewaardeerd. Op basis van de hedonische prijsmethode – en gecorrigeerd voor de invloed van de hypotheekrenteaftrek – is de bereidheid om te betalen voor een huis in de buurt van de Groningse musea bijna € 43 miljoen. Dit bedrag slaat volledig neer in de stad zelf. 42

Dat is een veel minder groot bedrag dan de optiewaarde van de podiumkunsten in Groningen, die bijna vijf keer zo hoog was (zie paragraaf 4.1). De reden daarvoor is zoals gezegd dat de meeste mensen bereid zijn om verder te reizen voor musea dan voor podiumkunsten, waardoor ze daar in hun verhuisbeslissing veel minder rekening mee hoeven te houden. Museumbezoek is voor de meeste mensen een uitje, een dagtrip, terwijl het bezoek aan een concert of theatervoorstelling tot het periodieke uitgaansleven van de stedelijke bevolking behoort. Daarom houden de meeste mensen bij hun woonplaatskeuze meer rekening met de nabijheid van podia dan met de nabijheid van musea voor beeldende kunst. Maar ook de simpele aanwezigheid van musea vertegenwoordigt dus een waarde, los van het gebruik ervan. Die optiewaarde is gebaseerd op de waarde die mensen hechten aan een museum in de nabijheid van hun woonlocatie, omdat ze er gebruik van kunnen maken, of omdat ze anticiperen op de sociale effecten die ervan uit kunnen gaan.

4.2.3

Economische waarde

Naast de waarde die mensen aan de Groningse musea hechten, en het effect van musea op de aantrekkingskracht van de stad Groningen, gaan van die musea ook nog indirecte economische effecten uit.

42

G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht).

71

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

De Groningse musea vormen een van de beweegredenen voor binnen- en buitenlandse toeristen om Groningen te bezoeken. Zonder die musea zou een substantieel deel van de toeristen kiezen voor een andere bestemming, of zijn verblijf aan Nederland bekorten. Het is plausibel te veronderstellen dat de toeristen die museumbezoek tot de belangrijkste motieven voor een verblijf in Groningen noemen, weg zouden blijven wanneer Groningen geen musea te bieden zou hebben. Van de ruim 23.000 buitenlandse bezoekers waren er ruim 3.000 verblijfstoeristen en 20.000 dagbezoekers. In totaal gingen bijna 260.000 bezoekers uit de rest van Nederland naar de Groningse musea. Aangenomen dat deze bezoekers zonder de musea niet naar Groningen waren gekomen komt het aantal binnenlandse dagbezoekers (als gevolg van het museum) op 234.000 en het aantal verblijfsbezoekers op ruim 25.000. Een verblijfsbezoeker verblijft gemiddeld tweeënhalve dag in Groningen en besteed € 73,20. Een dagbezoeker besteedt gemiddeld € 37,80. Hiermee komen de totale bestedingen van de buitenlandse bezoekers als gevolg van musea op € 1,3 miljoen en die van de binnenlandse bezoekers op € 13,4 miljoen. Net als bij de podiumkunsten geldt dat bestedingen niet gelijk zijn aan welvaartswinst. Onder de aanname van 5% nettowinst en 10% belastingopbrengst (rijk en gemeente) is de totale welvaartswinst voor de stad Groningen € 0,9 miljoen.

Van dit bedrag is ruim € 0,7 miljoen winst voor bedrijven en € 0,2 miljoen komt binnen in de vorm van toeristenbelasting. Hiermee is de economische waarde van de musea dus ruim 25% hoger dan die van de podiumkunsten. Voor de rest van Nederland is er sprake van een netto welvaartsverlies van € -0,7 miljoen. De belastingopbrengst voor het rijk van de buitenlandse toeristen bedraagt ruim € 0,1 miljoen, maar het welvaartsverlies voor bedrijven elders in het land en de andere gemeenten bedraagt € 0,8 miljoen. De netto welvaartswinst voor Nederland bedraagt hiermee € 0,2 miljoen en is, net als bij de podiumkunsten, volledig het resultaat van de buitenlandse bezoekers. De netto contante waarde bedraagt € 16 miljoen voor de stad Groningen en € 4 miljoen voor Nederland als geheel.

72

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Tabel 4.6 Welvaartseffecten van economische waarde van musea in Groningen (in € miljoen) Stad Groningen Rest Nederland Nederland Jaarlijkse welvaartswinst

0,9

-0,7

0,2

Netto contante waarde

16

-12

4

4.2.4

Conclusie

Dat brengt de totale maatschappelijke waarde van de Groningse musea voor de stad Groningen op € 59 miljoen, hetgeen overeenkomt met een jaarlijkse welvaartswinst van ruim € 3 miljoen (zie tabel 4.7). De gemeente Groningen geeft gemiddeld jaarlijks ruim € 3,5 miljoen subsidie, waardoor de maatschappelijke kosten van de Groningse musea voor de stad iets hoger zijn dan de maatschappelijke baten.

Tabel 4.7 De maatschappelijke waarde van de Groningse musea voor de stad Groningen Jaarlijkse Netto contante waarde welvaartswinst (€ miljoen) (€ miljoen) Gebruikswaarde 1 0,05 Economische waarde

15

1

Optiewaarde

43

2

TOTAAL

59

3 Bron: Atlas voor gemeenten

Het grootste deel van de totale maatschappelijke waarde van de musea is de optiewaarde, hoewel die duidelijk lager is dan bij de podiumkunsten. De optiewaarde slaat in eerste instantie neer bij de inwoners van de stad zelf, maar die geven die waarde weer door aan de particuliere huiseigenaren, de woningcorporaties en, via lokale belastingen, de gemeente Groningen.

73

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

De economische waarde van de Groningse musea is hoger dan van de podiumkunsten, en komt vooral terecht in de toeristische industrie en via de toeristenbelasting bij de gemeente. Door het relatief lage aandeel bezoekers uit de stad Groningen zelf is de gebruikswaarde van de Groningse musea veel lager dan van de podiumkunsten. Maar die gebruikswaarde vormt met € 16 miljoen juist wel de grootse welvaartswinst van de Groningse musea voor de rest van Nederland (zie tabel 4.8). Dat komt door de vele bezoekers uit de rest van Nederland die de Groningse musea bezoeken. Daar staat wel een welvaartsverlies van € 12 miljoen tegenover als gevolg van de verplaatste bestedingen uit andere delen van het land naar Groningen. Per saldo zijn de Groningse musea voor de rest van Nederland dus € 4 miljoen waard, hetgeen overeen komt met een jaarlijkse welvaartwinst van € 0,2 miljoen (zie tabel 4.8).

Tabel 4.8 De maatschappelijke waarde van de Groningse musea voor de rest van Nederland Jaarlijkse Netto contante aarde welvaartswinst (€ miljoen) (€ miljoen) Gebruikswaarde 16 0,9 Economische waarde

-12

-0,7

Optie waarde

0

0

TOTAAL

4

0,2 Bron: Atlas voor gemeenten

4.3

Conclusie

De totale maatschappelijke waarde van het Groningse museum- en podiumkunstenaanbod bedraagt bijna € 300 miljoen voor de stad Groningen. Over een periode van dertig jaar en bij een reële rente van 4% komt dat overeen met een jaarlijkse welvaartswinst van € 17 miljoen (zie tabel 4.9).

74

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

Tabel 4.9 Maatschappelijke waarde van het Groningse aanbod podiumkunsten en musea in € miljoen Groningen Rest van Nederland Jaarlijkse welvaartswinst

Netto contante waarde

Jaarlijkse welvaartswinst

Netto contante waarde

Podiumkunsten

14

239

2,2

38

Musea

3

59

0,2

4

Totaal

17

298

2,4

42

Die welvaartswinst ten gevolge van het culturele aanbod in Groningen is in cash uit te drukken, zoals in de bestedingen van de binnen- en buitenlandse toeristen die op het culturele aanbod in Groningen afkomen; maar de welvaartswinst bestaat ook het uit het in geld uitgedrukte ‘nut’ dat inwoners van Groningen aan het culturele aanbod in Groningen ontlenen. Dat is het gemonetariseerde genot en geluk dat mensen ontlenen aan een bezoek aan de cultuur in Groningen, maar ook het woongenot van mensen die graag in Groningen willen wonen vanwege het culturele aanbod, en de sociale effecten die daar mogelijk van uitgaan. Een totale jaarlijkse welvaartswinst van € 17 miljoen voor de stad zou een evengrote jaarlijks bedrag aan overheidsuitgaven rechtvaardigen vanuit de gemeente. In werkelijkheid wordt door de gemeente echter minder aan podiumkunsten en musea in Groningen uitgegeven, namelijk ruim € 15 miljoen, waardoor het netto maatschappelijk resultaat voor de stad positief is. 43

Naast de maatschappelijke welvaartswinst in de stad Groningen zelf profiteert ook de rest van Nederland van het Groningse aanbod. De waarde hiervan bedraagt € 42 miljoen wat een jaarlijkse welvaartswinst van € 2,4 miljoen betekent. Een deel van deze winst loopt via de gebruikswaarde van de binnenlandse bezoekers die naar de Groningse theaters, festivals en musea gaan. Een ander deel loopt via de optiewaarde van de mensen die vooral in de omgeving van Groningen wonen. 43

Som van subsidies aan de podia (zoals Oosterpoort/Stadsschouwburg en Martiniplaza), podiumkunstfestivals (zoals Noorderzon en Noorderslag) en musea (vooral het Groninger museum).

75

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

En tot slot profiteert de rest van Nederland van de belastingopbrengsten voor de schatkist, afkomstig van de extra buitenlandse bezoekers die door het Groningse aanbod naar Nederland zijn gekomen. Deze economische waarde moet echter worden verminderd met de verplaatste bestedingen van de binnenlandse bezoekers in Groningen; de euro die in Groningen is uitgegeven zou zonder het culturele aanbod daar elders in Nederland zijn uitgegeven. Provincie en rijk geven jaarlijks ruim € 14 miljoen subsidie aan de Groningse musea en podiumkunstinstellingen. Een vergelijking met de jaarlijkse welvaartswinst van € 2,4 miljoen (zie tabel 4.9) gaat hier echter mank omdat een belangrijk deel van de provinciale subsidies en de Rijkssubsidies naar de Groningse gezelschappen gaat, die ook buiten de stad Groningen spelen, en daar dus een welvaartswinst genereren die in deze berekening niet is meegenomen. In het volgende hoofdstuk wordt daar verder op ingegaan.

76

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

77

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

5

De impact van bezuinigingen op podiumkunsten Het grote en diverse culturele aanbod in Groningen is een van de twee pijlers onder de aantrekkingskracht en economische vitaliteit van de stad – de universiteit is de andere pijler. Behalve de stad zelf, profiteert ook de regio van het gevarieerde culturele aanbod; bovendien zal de regio hierdoor in de toekomst minder kans lopen op bevolkingskrimp. Dat was de hoofdconclusie uit de analyses in dit rapport. De gemeente Groningen is zich daarvan bewust, en is, in tegenstelling tot veel andere gemeenten in Nederland, waarschijnlijk niet van plan om te bezuinigen op de culturele sector in de stad. Maar de voorgenomen bezuinigingen van het rijk zullen de culturele sector in Groningen wel degelijk raken. Dat geldt ook voor de btw-verhoging voor kunst en cultuur. Wel bezuinigt de provincie Groningen waarschijnlijk op een aantal instellingen in de stad Groningen maar vooral op de musea en niet zozeer de podiumkunsten. 44

45

Het grootste effect zullen de bezuinigingen van het rijk op de gezelschappen hebben. Op dit moment is alleen nog onduidelijk welke instellingen uiteindelijk geen rijkssubsidie meer zullen krijgen en welke wel. De reden hiervoor is dat gezelschappen die uit de BIS vallen (zoals bijvoorbeeld het gezelschap Noord Nederlands Dans) een beroep zullen doen op middelen uit het Fonds Podiumkunsten. Omdat het budget voor dit fonds lager zal worden en het aantal gezelschappen dat een beroep gaat doen op het fonds juist groter wordt, is het onvermijdelijk dat verschillende gezelschappen geen rijkssubsidie zullen krijgen. Het is nu echter nog niet te voorspellen welke gezelschappen dit zullen zijn. Wel is duidelijk dat hierdoor het aanbod van uitvoeringen door gezelschappen zal dalen en daarmee het aanbod in de podia. De podia (in Groningen en andere steden) zijn waarschijnlijk niet in staat om het weggevallen aanbod van gesubsidieerde gezelschappen te compenseren met aanbod uit de markt. Daardoor zal het aantal uitvoeringen in de podiumkunsten in Groningen als gevolg van de rijksbezuinigingen 44

Zie bijvoorbeeld: G. Marlet, R. Ponds, 2011: De waarde van kunst en cultuur in Amsterdam (Atlas voor gemeenten, Utrecht). 45 Zie de Conceptnota Cultuurbeleid Provincie Groningen 2013-2016: Naast beperkte bezuinigingen op de podiumkunsten (zoals verlaging van het budget voor Noorderslag) blijkt de provincie haar bijdrage voor het Groninger Museum sterk te verlagen van € 1,6 miljoen naar € 1,0 miljoen.

78

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

afnemen. Dat raakt de stad, maar ook het land als geheel. De vraag die in dit hoofdstuk wordt beantwoord is wat de voorgenomen besparingen op cultuur in Groningen de belastingbetaler opleveren, en wat het ze het land kosten in termen van welvaartsverlies. Ook wordt berekend wat de impact van de bezuinigingen van rijk en provincies is op de aantrekkingskracht en economische vitaliteit van de stad Groningen. De vraag in dit onderzoek is dus tot slot welk deel van de waarde van cultuurstad Groningen verloren gaat als gevolg van de voorgenomen bezuinigingen – en waar dat verlies terecht komt. Er wordt een inschatting gemaakt van het maatschappelijke effect van de voorgenomen (rijks)bezuinigingen op de podiumkunsten. Wat is het welvaartsverlies voor (de inwoners van) Groningen als gevolg van die bezuinigingen? En wie lijdt daarvan de meeste schade? Dat welvaartsverlies wordt in euro’s uitgedrukt, en afgezet tegen de besparing op overheidsuitgaven (de bezuinigingen). Het berekenen van de impact van de voorgenomen bezuinigingen wordt hier overigens alleen voor de podiumkunsten gedaan, maar zou eventueel later ook voor de andere sectoren kunnen worden uitgevoerd.

5.1

De voorgenomen bezuinigingen

Op de podiumkunsten wordt door OCW (de BIS en de fondsen) € 17,8 miljoen bezuinigd. Hierbovenop zal de provincie Groningen waarschijnlijk ook gaan bezuiningen. Omdat de maatschappelijke baten van het culturele aanbod in Groningen hoger zijn dan de maatschappelijke kosten (zie hoofdstuk 4) is het verleidelijk om te denken dat de voorgenomen bezuinigingen per definitie welvaartsverlagend zijn. Maar zo vanzelfsprekend is dat niet. Om het welvaartsverlies van de bezuinigingen te kunnen inschatten zijn modellen ontwikkeld, waarmee het effect van die bezuinigingen op het culturele aanbod in Groningen zo goed mogelijk kan worden ingeschat. De uitkomst uit die modellen is een afname van het aanbod van, en bezoekers aan, de culturele instellingen in Groningen. De uitkomst kan vervolgens worden vertaald in een welvaartsverlies op basis van de in hoofdstuk 4 berekende maatschappelijke waarden van de Groningse cultuur.

79

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

De modellen zijn ontwikkeld voor alle podia in Nederland en de gesubsidieerde gezelschappen die daar spelen. De reden om deze modellen ook voor Groningen toe te passen is dat – zoals aangegeven – voor een belangrijk deel onduidelijk is welk gezelschap exact zal worden getroffen door de bezuinigingen. Beslissingen hierover zullen pas in 2013 worden genomen. Onder de aanname dat de stad Groningen evenredig wordt getroffen wordt daarom op basis van de gemiddelde landelijke impact een schatting gemaakt voor Groningen. De voorgenomen bezuinigingen van het rijk hebben in de modellen impact op het aanbod aan podiumkunsten in Groningen via de producerende gezelschappen die voorstellingen aan die podia aanbieden. De gezelschappen zijn ‘toeleveranciers’ van de podia. De uitvoeringen van gezelschappen vinden immers (voor een belangrijk deel) plaats in theaters. Als door bezuinigingen gezelschappen minder uitvoeringen kunnen aanbieden hebben podia zelf ook weer minder aan te bieden. De podia in Groningen zelf hebben niet (of nauwelijks) te maken met bezuinigingen. De enige uitzondering is de verhoging van de btw van 6% naar 19% (een prijsverhoging van +12,3%). Dit effect is eveneens doorberekend. Het effect van deze bezuinigingen op het aanbod van gezelschappen en theaters in Groningen is zoals gezegd berekend aan de hand van een model.

In dit model staan de kosten en opbrengsten van gezelschappen en podia centraal. Door een lagere subsidie aan de gezelschappen zullen de (vaste) inkomsten lager worden. Omdat zonder subsidie een gemiddelde voorstelling verlieslatend is, zal het aantal voorstellingen van gezelschappen lager worden. Er zijn immers minder vaste inkomsten om de verliesgevende voorstellingen mee te kunnen compenseren. Dit lager aantal voorstellingen leidt logischerwijs tot minder bezoekers en daarmee tot welvaartsverlies. Of dit verlies opweegt tegen de winst van lagere uitgaven bepaalt vervolgens of er een nettowelvaartsverlies of -winst optreedt. Tot slot is het de vraag wat de reactie zal zijn van de gezelschappen – misschien kunnen zij een deel van de bezuinigingen opvangen met efficiënter werken of door meer sponsoren aan te trekken. In dat geval kan het zijn dat er minder voorstellingen hoeven te worden geschrapt. Daarom is een aantal scenario’s doorgerekend.

80

Het belang van cultuurstad Groningen [Atlas voor gemeenten]

5.2

Achtergrond van het model

De basis van het model ligt in een kosten- en een opbrengstenfunctie. Deze functie is in feite een beschrijving van hoe de kosten en opbrengsten van een gezelschap (en theater) zijn opgebouwd en waar ze van afhangen. Beide functies bestaan uit twee elementen: vaste kosten/opbrengsten en variabele kosten/opbrengsten. Variabele kosten en opbrengsten ‘schalen’ mee met het aantal voorstellingen dat wordt aangeboden: de recettes en de reis- en opbouwkosten zijn voorbeelden van respectievelijk variabele opbrengsten en kosten. Onder vaste kosten worden de kosten verstaan die onafhankelijk zijn van het aantal voorstellingen dat een theater aanbiedt. Hier worden bijvoorbeeld de kosten van het theatergebouw onder verstaan. Aan de opbrengstenkant gaat het hier ondermeer over subsidies en sponsoring, oftewel opbrengsten die niet direct veranderen als een theater besluit minder voorstellingen aan te bieden. De centrale aanname in het model is dat theaters niet streven naar winstmaximalisatie maar naar outputmaximalisatie: gegeven de opbrengstenen kostenfuncties wordt er gestreefd naar een zo groot (en breed) mogelijk aanbod van podiumkunsten. Er is dus geen winstdoelstelling, hetgeen overigens vaak ook een expliciete of impliciete eis is van verstrekkers van subsidies en giften. 46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=1bc9dd30-403d-4b60-a4e0-0770e92083e7