De waarde van cultuurstad Utrecht
Tekst van het document
Tabel 8.1 Bezoekers uit de rest van Nederland en het buitenland Bezoekers rest Nederland
Bezoekers uit het buitenland
Musea
780.654
50.142
Podiumkunsten
658.775
48.855
Film
107.061
5.787
Cultuureducatie & amateurkunsteducatie
9.929
Totaal
1.556.418
104.785
Op basis van onderzoeken naar de bestedingen van dag- en verblijfstoeristen uit binnen- en buitenland blijkt dat de gemiddelde binnenlandse bezoeker aan Utrecht € 50,36 besteedt per bezoek en de gemiddelde buitenlandse bezoeker € 121,22 per dag. Als vervolgens ook rekening wordt gehouden met het feit dat een kleine 19.000 inwoners van Utrecht specifiek voor een uitvoering van een Utrechts gezelschap naar een podium buiten de stad zijn gegaan (zie ook het hoofdstuk gebruikswaarde) kan de omvang van de totale additionele bestedingen in de stad Utrecht worden geschat. Deze bedragen in totaal ruim € 90 miljoen, waarvan € 77,4 miljoen voor rekening komt van binnenlandse bezoekers en € 12,7 miljoen voor rekening van buitenlandse bezoekers (zie tabel 8.2). 66
67
66
Bronnen: NBTC NIPO, 2014: Continue vakantie onderzoek en NBTC, 2014: Onderzoek inkomend toerisme. De bedragen zijn een gewogen gemiddelde van de uitgaven van dagbezoekers en verblijfstoeristen. Buitenlandse dagbezoekers zijn (vaak) bezoekers die elders in Nederland verblijven (vaak Amsterdam) en ook een dag in Utrecht doorbrengen. 67 Hierbij zijn deze 19.000 bezoekers van de in totaal ruim 635.000 bezoekers van buiten de stad Utrecht afgetrokken en is voor de bestedingen dus gerekend met een ‘netto’ aantal van ruim 616.000 bezoekers.
78
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Tabel 8.2 Totale additionele bestedingen door bezoekers aan (gesubsidieerde) culturele instellingen Bezoekers rest Bezoekers uit Totaal Nederland buitenland Musea
€ 39,3 miljoen
€ 6,1 miljoen
€ 41,6 miljoen
Podiumkunsten
€ 32,2 miljoen
€ 5,9 miljoen
€ 36,8 miljoen
Film
€ 5,4 miljoen
€ 0,7 miljoen
€ 6,1 miljoen
Cultuureducatie & amateurkunsteducatie
€ 0,5 miljoen
€0
€ 0,5 miljoen
Totaal
€ 77,4 miljoen
€ 12,7 miljoen
€ 90,1 miljoen
Bestedingen zijn echter niet hetzelfde als welvaartswinst. Onder welvaartswinst wordt verstaan: de additionele winst (na aftrek van alle kosten) van bedrijven en de belastingopbrengsten voor gemeente en Rijk. In lijn met eerder onderzoek naar de maatschappelijke baten van cultuur is ervan uitgegaan dat 5% welvaartswinst is in de vorm van bedrijfswinst van ondernemers. Het gaat hier overigens niet om de bruto winstmarge op de verkoop, maar de netto overwinst na aftrek van alle vaste kosten en kapitaallasten. Buitenlandse bezoekers brengen hiernaast ook additionele belastingopbrengsten op, wat eveneens een welvaartswinst is. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om belastingen zoals de btw en accijnzen, die in de landelijke schatkist vloeien. Deze belastingopbrengsten gelden alleen als welvaartswinst bij bestedingen van buitenlandse bezoekers. Bij binnenlandse bezoekers gaat om het een verschuiving van de uitgaven, wat voor de landelijke schatkist niet uitmaakt. 68
De jaarlijkse welvaartswinst voor de stad Utrecht komt dan in totaal uit op € 4,5 miljoen (5% van de totale additionele bestedingen). Daarvan is € 3,6 miljoen afkomstig van binnenlandse bezoekers. Voor de rest van Nederland is dat deel juist welvaartsverlies omdat deze bestedingen anders elders in Nederland waren gedaan. Hoewel er nog wel additionele inkomsten voor het Rijk zijn vanuit de belastingopbrengsten van bestedingen door
68
G. Marlet, J. Poort en C. van Woerkens, 2011: De Schat van de Stad (Atlas voor gemeenten en SEO, in opdracht van de Nederlandse Museumvereniging).
79
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
buitenlandse bezoekers (€ 1,2 miljoen) is het netto resultaat voor de rest van Nederland negatief: -€ 2,6 miljoen.
Tabel 8.3 Welvaartswinst van bestedingen door bezoekers uit de rest van Nederland en het buitenland Stad Utrecht Rest Nederland Totaal Musea
€ 2,3 miljoen
-€ 1,4 miljoen
€ 0,9 miljoen
Podiumkunsten
€ 1,9 miljoen
-€ 1,0 miljoen
€ 0,9 miljoen
Film
€ 0,3 miljoen
-€ 0,2 miljoen
€ 0,1 miljoen
Cultuureducatie & amateurkunsteducatie
€ 25.000
-€ 25.000
€0
Totaal
€ 4,5 miljoen
-€ 2,6 miljoen
€ 1,9 miljoen
8.2
Directe werkgelegenheidseffecten
Naast het effect van bestedingen door toeristen en dagjesmensen gaan er van de culturele sector ook werkgelegenheidseffecten uit (zie hoofdstuk 4). Op basis van jaarverslagen en informatie op de websites blijkt dat van de 5000 banen (bij organisaties en bedrijven) in de culturele sector ongeveer 1050 banen direct bij de gesubsidieerde instellingen horen die zijn meegenomen in dit onderzoek. De overige 4000 banen zullen onder andere te vinden zijn bij niet-gesubsidieerde culturele instellingen (zoals het Beatrix Theater), instellingen die buiten deze MKBA vallen (zoals de bibliotheek), galerieën, bedrijven die specifieke diensten leveren aan culturele instellingen en ook ZZP-ers in de culturele sector. Deze ruim 1000 banen mogen niet zomaar worden meegerekend in een maatschappelijke effectenstudie. De cruciale vraag is wat de mensen in deze banen zouden hebben gedaan als de instellingen waar ze werken niet zouden hebben bestaan. Het is niet aannemelijk dat ze allemaal voor de rest van hun leven werkloos thuis zouden zitten. Sterker nog: het uitgangspunt is dat ze (zeker op lange termijn) in principe allemaal elders een andere baan zouden hebben gehad: buiten Utrecht of in een andere sector. De reden hiervoor is dat inwoners (en een deel van de bezoekers van de stad Utrecht) in de
80
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
hypothetische situatie dat er geen cultuur zou zijn iets anders in hun vrije tijd doen (bijvoorbeeld extra naar een restaurant gaan) en niet thuis op de bank gaan zitten. Deze bestedingen zouden dan ook voor extra vraag naar arbeid hebben gezorgd, waardoor bijvoorbeeld de cateringmedewerker van de Stadsschouwburg in dit geval in een restaurant zou hebben gewerkt. Er zal met andere woorden in de situatie zonder cultuur vooral een verschuiving van banen plaatsvinden naar andere sectoren. 69
Het is wel redelijk te veronderstellen dat werknemers die nu kiezen voor een baan in de culturele sector (bij één van de gesubsidieerde instellingen) daar kennelijk productiever zijn dan in een alternatieve baan. Het verschil in productiviteit is als welvaartswinst van een baan te beschouwen. De omvang van dat verschil wordt in een aantal studies geschat op 5% tot 10%. Uitgaande van een productiviteitsverschil van 5%, de gemiddelde toegevoegde waarde per arbeidsjaar en het gemiddeld aantal banen per voltijdsarbeidsjaar in de sector zou dat op een bedrag van bijna € 1800 per baan uitkomen (zie tabel 8.4) 70
71
72
Tabel 8.4 Inschatting gemiddelde welvaartswinst per baan Toegevoegde waarde per arbeidsjaar
€ 58.000
Verhouding arbeidsjaren – banen
0,62
Toegevoegde waarde per baan
€ 35.900
Productiviteitsverschil ten opzichte van eerste alternatieve baan
5%
Welvaartswinst per baan
€ 1.794
69
Zie ook G. Romijn en G. Renes, 2013: Algemene Leidraad voor maatschappelijke kostenbatenanalyse (CPB/PBL, Den Haag) - pagina 67. Zie o.a. B. Hof, J.A. Korteweg en J. Poort, 2006: Baten in beeld: Uitwerking ‘Kengetallen kostenbatenanalyse Beelden voor de toekomst’ (SEO, Amsterdam) en C. Koopmans e.a., 2017: Baten van Monumentenzorg (SEO/Atlas voor Gemeenten, Amsterdam/Utrecht). 71 Op basis van de totale bruto toegevoegde waarde en arbeidsvolume in de sector ‘Cultuur, recreatie en overige diensten’ voor de provincie Utrecht over het jaar 2015 (Bron: CBS). 72 Bron: CBS. 70
81
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Op een totaal van ongeveer 1050 banen betekent dat een welvaartswinst van € 1,9 miljoen. Tabel 8.5 laat de verdeling per sector zien. De economische waarde via de werkgelegenheid in de sector varieert van ruim € 0,1 miljoen in de film tot € 1,4 miljoen in de podiumkunsten.
Tabel 8.5 Economische waarde van de werkgelegenheid in de (gesubsidieerde) culturele sector Sector Waarde Musea
€ 0,6 miljoen
Podiumkunsten
€ 0,9 miljoen
Film
€ 0,1 miljoen
Cultuureducatie
€ 0,3 miljoen
Totaal
€ 1,9 miljoen
8.3
Totale economische waarde
De totale economische waarde van het gesubsidieerde cultuuraanbod in de stad Utrecht bedraagt van € 6 miljoen voor de stad Utrecht (zie tabel 8.6) waarvan het grootste deel is toe te schrijven aan de musea en podiumkunsten. Een deel van van deze economische waarde voor de stad is een verschuiving uit de rest van Nederland (zie paragraaf 8.1) waardoor er sprake is van een netto verlies van € 2,4 miljoen voor de rest van Nederland. Voor Nederland als geheel bedraagt de economische waarde € 3,7 miljoen. De economische baten voor de stad Utrecht zijn voor musea groter dan de gebruikswaarde. Dat is niet uitzonderlijk: omdat musea relatief veel bezoekers van buiten de stad trekken komt de gebruikswaarde voor een groot deel buiten de stad Utrecht terecht, maar daar staat de welvaartswinst over de bestedingen van die bezoekers tegenover. In veel steden geldt dat voor de podia de gebruikswaarde voor de stad juist veel hoger is dan de economische baten. In Utrecht is de economische waarde van de podia ook groter dan de gebruikswaarde – dat komt vooral omdat de Utrechtse podia relatief veel bezoekers van buiten de stad trekken. Dat is het gevolg is van de sterke regionale functie van het culturele aanbod in Utrecht. 82
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Tabel 8.6 De economische waarde van cultuur in Utrecht Utrecht
Rest Nederland
Totaal
Musea
€ 2,9 miljoen
-€ 1,4 miljoen
€ 1,5 miljoen
Podiumkunsten
€ 2,8 miljoen
-€ 1,0 miljoen
€ 1,8 miljoen
Film
€ 0,4 miljoen
-€ 0,2 miljoen
€ 0,2 miljoen
Cultuureducatie & amateurkunsteducatie
€ 0,3 miljoen
-€ 25.000
€ 0,3 miljoen
Totaal
€ 6,4 miljoen
-€ 2,6 miljoen
€ 3,8 miljoen
83
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
9
Sociale waarde De sociale waarde heeft betrekking op de effecten die cultuur (via bezoek of participatie) kan hebben op onder andere onderwijsprestaties, gezondheid, arbeidsproductiviteit en sociale cohesie of leefbaarheid. In het bijzonder worden deze effecten verwacht op het gebied van cultuureducatie op scholen en lessen/curssussen voor kinderen en volwassen in bijvoorbeeld wijkcultuurcentra. Dit laatste wordt ook wel amateurkunsteducatie genoemd.
9.1
Cultuureducatie en amateurkunsteducatie
In deze MKBA wordt zowel de sociale waarde van de amateurkunsteducatie als de sociale waarde van cultuureducatie (op scholen) van de gesubsidieerde culturele instellingen ingeschat. In figuur 9.1 is schematisch weergegeven wat wordt meegenomen in dit onderzoek. Op het gebied van (binnenschoolse) cultuureducatie worden twee onderdelen onderscheiden. Op de eerste plaats schoolbezoeken aan de culturele instellingen in de sectoren musea, podiumkunsten en film, ook wel ‘receptieve’ cultuureducatie genoemd. Dat is het blokje rechtsboven: de sociale waarde van musea, podiumkunsten en film. Op de tweede plaats ‘actieve’ cultuureducatie. Daarbij gaat het om lessen/workshops/cursussen die leerlingen doen in de school (waarbij medewerkers van instellingen op het gebied van cultuureducatie in de klas komen) of bij culturele instellingen zelf. De effecten daarvan worden weergegeven door het blokje rechts in het midden: de sociale waarde van cultuureducatie. 73
74
Op het gebied van amateurkunsteducatie gaat het om deelnemers (volwassen en kinderen) aan cursussen, lessen en workshops. Een belangrijk deel hiervan vindt plaats in of via de instellingen die genoemd zijn in het witte blok onderaan in de figuur. Deze instellingen bieden bijvoorbeeld 73
In de praktijk lopen actief en receptief veelal door elkaar heen en vormen ze (soms) onderdeel van een leerlijn cultuureducatie. 74 Een groot deel van de cultuureducatie die op scholen wordt gegeven bestaat uiteraard ook uit lessen die plaatsvinden met de eigen docent, muziekleraar enzovoorts. De sociale waarde hiervan is echter niet toe te schrijven aan de culturele instellingen, maar aan de scholen zelf. Wel kan er een indirect effect zijn als kunst- en cultuurdocenten bijvoorbeeld curssussen volgen bij instellingen op het gebied van cultuureducatie. Dit effect is naar verwachting relatief klein: het gaat dan immers om het additionele effect van deze cursussen op de omvang van de sociale waarde van cultuureducatie in een situatie zonder deze cursussen.
84
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
ruimtes voor uitvoeringen en oefening (zoals ZIMIHC), cursussen en amateurtoneel voor en door inwoners van specifieke wijken (zoals bijvoorbeeld Stut theater) of zowel ruimtes als cursussen (zoals bijvoorbeeld het UCK en het Wilde Westen). Omdat deelnemers aan deze activiteiten dit in principe in hun vrije tijd doen, leveren deze activiteiten ook een gebruikswaarde op (zie hoofdstuk 5). Dat geldt ook voor het bezoek aan bijvoorbeeld uitvoeringen van deelnemers aan deze cursussen. Bovenop deze gebruikswaarde is er sprake van een sociale waarde – en die staat centraal in dit hoofdstuk. Buiten amateurkunsteducatie via de gesubsidieerde instellingen vindt er ook amateurkunsteducatie plaats bij niet-gesubsidieerde instellingen (bijvoorbeeld zelfstandige muziekleraren met oefenruimtes aan huis). Deze zijn niet meegenomen in dit onderzoek maar wel in de sectorverkenning Amateurkunst van BMC. Ook de beoefening van amateurkunst in de vorm van het zingen in koren of het spelen in symfonie-orkesten is buiten beschouwing gelaten maar wordt wel meegenomen in de sectorverkenning. De kosten en baten van de amateurkunst in brede zin zijn daarmee buiten beschouwing gelaten van deze MKBA en zouden mogelijk onderwerp kunnen zijn van een aanvullende MKBA.
Figuur 9.1 Cultuureducatie en amateurkunsteducatie in deze MKBA Receptief: bezoek aan musea, podia, film
Sociale waarde musea, podiumkunsten en film
Actief: in de klas (buiten beschouwing) of bij een instelling
Sociale waarde cultuureducatie
Cursussen, muzieklessen, workshops etc door kinderen en volwassen in hun vrije tijd bij instellingen (en bezoekers daarvan)
Sociale en gebruikswaarde amateurkunstcultuureducatie
Cultuureducatie (binnenschools)
Amateurkunst -educatie
Amateurkunstbeoefening (buiten beschouwing)
Instellingen (ruimtes, activiteiten of beiden) Zihimc UCK Wilde westen Stut theater Cultuur19 De Vrijstaat C’huis Kanaleneiland
85
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
9.2
Inschatting van de sociale waarde
Het belang dat (een deel van de) mensen hechten aan cultuureducatie en amateurkunsteducatie is voor een deel gerelateerd aan de overtuiging of het idee dat cultuur een belangrijk onderdeel vormt van onderwijs voor kinderen en ontwikkeling in het algemeen – ongeacht de eventuele effecten op bijvoorbeeld schoolprestaties op andere gebieden. 75
De sociale waarde die in dit hoofdstuk centraal staat gaat juist wel over de effecten op bijvoorbeeld de gezondheid, onderwijsprestaties, welzijn of arbeidsmarktpositie. Er is een groot aantal studies verricht naar deze effecten. In vrijwel alle gevallen is de conclusie dat kinderen en volwassen die cultuureducatie of amateurkunsteducatie volgen of hebben gevolgd het ‘beter’ doen dan kinderen en volwassen die dat niet doen. Ook wordt veelal gekeken naar de mate waarin deelnemers meer zelfvertrouwen krijgen of betere sociale vaardigheden ontwikkelen. De conclusies van vrijwel alle studies is dat het aannemelijk is dat er een sociale waarde uitgaat van actieve cultuurparticipatie. 76
77
Voor een deel zijn deze conclusies echter ook gebaseerd op ‘wensdenken’. Er is een aantal overkoepelende studies die op systematische wijze deze onderzoeken vergelijken en veelal tot de conclusie komen dat de vermeende effecten van cultuureducatie of amateurkunsteducatie in de praktijk erg lastig aan te tonen zijn. Slechts weinig onderzoeken blijken daadwerkelijk uitgevoerd te zijn op een wetenschappelijk verantwoorde manier waardoor het echte bewijs van het bestaan van deze effecten zeer beperkt is. De voorzitter van de Engelse Education Endowment Foundation, die een uitgebreid onderzoek hiernaar liet uitvoeren, beschrijft dit in het voorwoord van deze studie als volgt: “The wider attainment gains sometimes claimed for arts 78
79
80
75
Tegelijkertijd zijn er ook veel mensen die hier een andere mening over hebben. Zie bijvoorbeeld: K. Loyd, 2017: Benefits of Art Education. A Review of the Literature. In: Scholarship and Engagement in Education 1 (1); B. Van Heusden, 2012: Wat leren we van cultuuronderwijs? (Kenniscentrum Cultuureducatie, Rotterdam); J. Ruiz, 2004: A literature Review of the evidence base for culture, the arts and sport policy (Social Research, Edinburgh). 77 Zie bijvoorbeeld P. Taylor e.a, 2015: A review of the Social Impacts of Culture and Sport. 78 Zie onder andere: E. Winner, T. Goldstein en S. Vincent-Lancrin, 2013: Art for art's sake? The impact of arts education. Centre for Educational Research and Innovation OECD (OECD, Parijs) en B. Huat See en D. Kokotsaki, 2015: Impact of arts education on the cognitive and non-cognitive outcomes of school-aged children. A review of evidence (Durham University, Durham). 79 Een non-profit organisatie gericht op het verbeteren van onderwijsprestaties van leerlingen uit huishoudens met lage inkomens. 80 B. Huat See en D. Kokotsaki, 2015: Impact of arts education on the cognitive and non-cognitive outcomes of school-aged children. A review of evidence (Durham University, Durham). 76
86
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
education are not as clear-cut as we might like them to be. The current state of the evidence-base linking arts education and attainment is weak.” Er zijn dan ook verschillende uitdagingen bij het goed vaststellen van de effecten van cultuureducatie of amateurkunsteducatie. Op de eerste plaats is het erg lastig om goed te corrigeren voor het feit dat deelnemers aan cultuureducatie of amateurkunsteducatie vaak ook op andere factoren (zoals opleidingsniveau, inkomen of opleidingsniveau ouders, kenmerken van de school waar de leerling naartoe gaat) een betere uitgangspositie hebben dan volwassen of kinderen die niet deelnemen. Er is sprake van een zogenaamd ‘selectie-effect’ waarbij mensen met een betere uitgangspositie ook vaker actief zijn op het gebied van amateurkunsteducatie. Het blijft dan altijd de vraag of de gemeten betere onderwijs- of arbeidsmarktprestaties daadwerkelijk het gevolg zijn van de gevolgde cursus of het museumbezoek of dat de gevolgde cursussen of het museumbezoek vooral een indicator zijn van gunstigere factoren op andere gebieden. Op de tweede plaats is het lastig om vast te stellen in hoeverre een alternatieve vrijetijdsbesteding (of invulling van een lesprogramma) zoals het beoefenen van een teamsport niet tot gelijke effecten zouden hebben geleid.
Het blijft daardoor lastig om te bepalen of bijvoorbeeld het effect van muzieklessen voor kinderen wordt gemeten of eerder het effect van buitenschoolse activiteiten in het algemeen. Om hier rekening mee te houden zouden idealiter mensen met zoveel mogelijke dezelfde achtergrond moeten worden vergeleken waarbij een deel wel en een deel niet heeft deelgenomen aan cultuureducatie of amateurkunsteducatie. Daarbij is het van groot belang dat rekening wordt gehouden met andere gevolgde activiteiten (zoals sport of opleiding), persoonskenmerken en kenmerken van de gevolgde lessen, workshops enzovoorts. Pas dan is het aannemelijk dat een gevonden verschil in bijvoorbeeld onderwijsprestaties ook daadwerkelijk toe te schrijven is aan cultuureducatie of amateurkunsteducatie. Voor het inschatten van de sociale waarde van de instellingen in Utrecht zou een dergelijke studie idealiter plaatsvinden door de (ontwikkeling van de) onderwijsprestaties, arbeidsparticipatie en gezondheid van de deelnemers aan cultuureducatie of amateurkunsteducatie in Utrecht te vergelijken met andere mensen in Utrecht. Voor een dergelijke studie zijn gedetailleerde data over deze deelnemers nodig, die niet tijdig voor dit onderzoek beschikbaar waren. Daarom wordt in dit onderzoek uitgegaan van kengetallen uit studies
87
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
waarin wel op wetenschappelijk verantwoorde wijze een effect van cultuureducatie of amateurkunsteducatie is vastgesteld. Daarmee is de impliciete aanname dat de gevonden gemiddelde effecten uit deze studies ook van toepassing zijn op de situatie in Utrecht. 81
In een recente studie onder Duitse adolescenten is gekeken naar de effecten van de mate waarin zij in hun vrije tijd hebben deelgenomen aan cultuuractiviteiten of sportactiviteiten of aan beide. Daarbij is op wetenschappelijk geavanceerde wijze gecorrigeerd voor andere kenmerken van deze adolescenten. Bovendien wordt er expliciet rekening gehouden met het feit dat vrije tijd besteed aan de ene activiteit (cultuur) ten koste gaat van de andere activiteit (sport) en de kenmerken van de ouders. Eén van de resultaten is dat actieve deelname aan cultuur een positief effect heeft op studieresultaten en het later behaalde opleidingsniveau. Een vergelijkbare studie in Engeland onder 16-18-jarigen, waarin eveneens rekening is gehouden met kenmerken van ouders en de leerling, komt tot vergelijkbare conclusies. 82
83
84
85
Omdat een hogere opleiding zich in de rest van het werkende leven naar verwachting vertaalt in een hoger loon (en voor de overheid hogere belastinginkomsten en lagere uitkeringen) kan dit effect worden gemonetariseerd. In de Engelse studie is dat ook gedaan en deze berekening kwam op een totale welvaartsbaat van een kleine 3200 pond - de Netto Contante Waarde van het levenslange voordeel. Omgerekend naar de voordelen per jaar en in euro’s komt dit op een jaarlijks terugkerend voordeel van rond de € 205 uit. Daar bovenop komt dan nog een jaarlijks terugkerende gezondheidsbaat. De totale sociale waarde bedraagt volgens deze studie dan een kleine € 220 per jaar. Voor de berekening van de sociale waarde van amateurkunsteducatie voor kinderen (tot en met 18 jaar) wordt daarom uitgegaan van € 220 per leerling per jaar. Voor volwassenen wordt uitgegaan van de helft van dit bedrag. De reden hiervoor is dat het aanleren 86
81
Dit betekent in de praktijk dat er zowel een over- als een onderschatting van het effect kan plaatsvinden. C. Cabane, A. Hille, en M. Lechner, 2016: Mozart or Pelé? The effects of teenagers' participation in music and sports, in: Labour Economics 41: pp 90-103. 83 Andere resultaten wezen er onder andere op dat de kans dat een adoloscent culturele activiteiten ontplooit sterk samenhangt met sociaal-economische kenmerken van de ouders. 84 D. Fujiwara e.a. 2015: Further analysis to value the health and educational benefits of sport and culture. DCMS Research Report (Department for Culture, Media and Sport, Londen). 85 Gecontroleerd voor allerlei andere kenmerken was de kans dat iemand een universitaire of hboopleiding volgt 1% hoger voor iemand die deel heeft genomen aan een vorm van cultuurparticipatie dan iemand die dat niet had gedaan. 86 Met de wisselkoers van december 2017. 82
88
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
van nieuwe vaardigheden bij volwassenen lastiger kan zijn, en dat er minder jaren zijn waarover dit effect zich voordoet. Voor cultuureducatie (binnenschools) worden de resultaten van een eerdere studie naar de maatschappelijke baten van de zogenoemde Brede School gebruikt. In dat onderzoek is gekeken naar het effect van die Brede School op onderwijsprestaties, schooluitval, productiviteit, gezondheid en leefbaarheid in de wijk. De uiteindelijke maatschappelijke baten van een jaar Brede School zijn in dat onderzoek ingeschat op gemiddeld ongeveer € 7500 per leerling per jaar. In lijn met de eerder aangehaalde studie in Engeland blijkt het grootste deel van die maatschappelijke baten het gevolg te zijn van lagere schooluitval en (mede als gevolg daarvan) een kleinere kans op werkloosheid en een hogere productiviteit in het werkzame leven. Daarnaast zijn er vermeden kosten van (minder criminaliteit als gevolg van) minder schooluitval. 87
De Brede School heeft als doel om optimale ontwikkelingskansen voor kinderen te creëren. Uit het genoemde onderzoek blijkt dat er daarbij vijf speerpunten zijn: veiligheid, leerprestaties (waaronder taalvaardigheid), sociale vaardigheid, sporten & bewegen en kunst & cultuur. Er is echter niet bekend welke speerpunten in welke mate bijdragen aan de maatschappelijke baten van de Brede School. Daarom is ervan uitgegaan dat elk speerpunt daar in gelijke mate aan bijdraagt. Dat leidt tot de aanname dat het cultuuronderwijs op de Brede School verantwoordelijk is voor eenvijfde van het maatschappelijke effect, ofwel circa € 1500 per leerling per jaar. Dat gaat echter over cultuuronderwijs in zijn geheel en niet specifiek over een bezoek aan een museum of theater of een workshop gegeven in de klas door een medewerker van een culturele instelling. Er wordt vanuit gegaan dat in het totale lesprogramma van dertig weken, één van deze dertig weken wordt ingevuld door een bezoek aan een museum of theater of een workshop in de klas. Dat zou betekenen dat in de praktijk eendertigste deel ofwel € 50 per leerling per jaar toe te schrijven is aan een bezoek aan een museum of theater of een workshop in de klas. 88
87
V. Larsen, G. Marlet (in samenwerking met Berenschot en Oberon), 2007: Maatschappelijke kosten-batenanalyse Brede School (Atlas voor gemeenten, Utrecht). 88 In de praktijk kan een workshop in de klas ook over meerdere lesweken verspreid zijn waardoor dit een onderschatting zou zijn. Daar staat tegenover dat ook docenten zelf en ontwikkelaars van lesmateriaal een bijdrage leveren aan het realiseren van dit effect, waardoor dit ook als een bovengrens zou kunnen worden gezien omdat hier nu geen rekening mee is gehouden.
89
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
9.3
Inschatting sociale waarde
Op basis van het aantal leerlingen en deelnemers en de eerder genoemde kengetallen is de totale sociale waarde globaal in te schatten. Deze blijkt op deze manier in totaal € 8,4 miljoen te bedragen (zie tabel 9.2). Het grootste deel daarvan komt voor rekening van de instellingen in de sector cultuureducatie en amateurkunstparticipatie. Deze €8,4 miljoen is echter niet hetzelfde als welvaartswinst – ook in een situatie zonder gesubsidieerd aanbod in Utrecht is het waarschijnlijk dat een groot deel van leerlingen in Utrechtse scholen musea of theaters hadden bezocht. Alleen zou dat in een andere stad zijn geweest. Ook voor deelnemers aan amateurkunsteducatie geldt dat waarschijnlijk een groot deel van deze mensen dan via een andere (private) aanbieder of via een instelling in een andere gemeente een cursus hadden gevolgd. Voor de berekening van de welvaartswinst is ervan uitgegaan dat dit voor 75% van de mensen (volwassenen, kinderen en leerlingen) het geval is. Wel is het aannemelijk dat onder andere vanwege langere reistijd de duur van een bezoek met leerlingen korter zou zijn en bijvoorbeeld de kans op aanvullende lesuren lager, waardoor het effect ook lager zou worden. Daarom is aangenomen dat het effect 75% bedraagt van het effect van een bezoek of cursus aan een in Utrecht gevestigde instelling.
Onder deze aannames komt de totale welvaartswinst via de sociale waarde uit op € 3,7 miljoen. Daarbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat deze berekening (als enige in dit onderzoek, omdat we niet over de benodigde gegevens van de betreffende instellingen konden beschikken) niet gebaseerd is op de Utrechtse empirie maar op kengetallen uit (internationale) studies en grove aannames. Deze uitkomst dient dan ook met voorzichtigheid te worden gehanteerd.
90
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Tabel 9.2 De sociale waarde Aantal
Kental
Waarde
Welvaartswinst
Musea
leerlingen
22.786
€ 50
€ 1,1 miljoen
€ 0,5 miljoen
Podiumkunsten
leerlingen
27.275
€ 50
€ 1,4 miljoen
€ 0,6 miljoen
Film
leerlingen
16.034
€ 50
€ 0,8 miljoen
€ 0,4 miljoen
Cultuureducatie & amateurkunsteducatie
leerlingen
25.606
€ 50
€ 1,3 miljoen
€ 0,5 miljoen
deelnemers (kinderen)
12.305
€ 219
€ 2,7 miljoen
€ 1,2 miljoen
deelnemers (volwassen)
10.694
€ 110
€ 1,2 miljoen
€ 0,5 miljoen
€ 8,5 miljoen
€ 3,7 miljoen
Totaal
Tabel 9.3 De sociale waarde voor de stad Utrecht en de rest van Nederland Utrecht
Rest Nederland
Musea
€ 0,3 miljoen
€ 0,2 miljoen
Podiumkunsten
€ 0,3 miljoen
€ 0,2 miljoen
Film
€ 0,2 miljoen
€ 0,2 miljoen
Cultuureducatie & amateurkunsteducatie
€ 2,1 miljoen
€ 0,2 miljoen
Totaal
€ 2,9 miljoen
€ 0,8 miljoen
Om de baten daarvan toe te kunnen delen aan inwoners van de stad Utrecht en daarbuiten is ook de herkomst van belang. De herkomst van de leerlingen bij de musea, podiumkunstinstellingen en de (gesubsidieerde) film is echter niet altijd bekend. Wel is bekend dat een deel van de Utrechtse scholen via het programma Cultuur en School naar deze instellingen is
91
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
gegaan. Dit zijn – per definitie – leerlingen van een school uit Utrecht. Van het totaal aantal leerlingen dat een instelling heeft bezocht is daarom eerst het aantal leerlingen dat via Cultuur en School is gekomen afgetrokken. Van de overige leerlingen is aangenomen dat 50% uit Utrecht kwam en 50% uit een andere gemeente. Uitgaande van deze aanname valt van de in totaal € 3,7 miljoen ruim € 2,9 miljoen toe aan de stad Utrecht en € 0,8 miljoen aan de rest van Nederland.
92
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
10
Maatschappelijke kosten en baten
Nu alle maatschappelijke baten van het culturele aanbod in Utrecht in beeld zijn, is het mogelijk om die in verband te brengen met de maatschappelijke kosten; de subsidies die de gemeente Utrecht, maar ook het Rijk, de provincie en andere partijen aan de Utrechtse instellingen verstrekken. De totale structurele uitgaven aan culturele instellingen vanuit de afdeling Culturele Zaken van de gemeente Utrecht bedroegen in 2016 bijna € 37 miljoen. Daarvan is € 35,5 miljoen gegaan naar instellingen die in deze MKBA zijn meegenomen (ruim 96%). In bijlage 3 is aangegeven welke instellingen zijn meegenomen in dit onderzoek en van welk subsidiebedrag daarbij is uitgegaan. Het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) – dat ook in dit onderzoek is meegenomen – wordt vanuit een andere afdeling (onderwijs) gesubsidieerd. Deze subsidie bedroeg in 2016 € 1,6 miljoen. De totale gemeentelijke (structurele) subsidie aan de instellingen die in dit onderzoek zijn meegenomen bedraagt daarmee € 37,1 miljoen (zie tabel 10.1). Van de € 1,4 miljoen aan niet meegenomen subsidies gaat het grootste deel naar RTV Utrecht en daarnaast naar instellingen in de letteren. 89
Tabel 10.1 Structurele subsidie (€ miljoen) van de gemeente Utrecht aan cultuur in 2016: totaal en meegenomen in dit onderzoek Totaal Meegenomen in Aandeel van onderzoek totale budget Structureel vanuit cultuur
36,9
35,5
96,3%
Vanuit onderwijs (UCK)
1,6
1,6
100%
Totaal
38,5
37,1
96,5%
Bron: gemeente Utrecht; Atlas voor gemeenten
89
Naast structurele subsidies zijn er in 2016 ook incidentele subsidies geweest (€ 2,3 miljoen) Daarnaast is er mogelijk sprake van indirecte subsidie in de vorm van lager dan marktconforme huren voor het maatschappelijke vastgoed van de gemeente Utrecht en de bijbehorende opportuniteitskosten. Het is echter niet goed mogelijk om daar een inschatting van te maken, waardoor hiermee in deze MKBA geen rekening is gehouden. Bovendien heeft TivoliVredenburg per 1 januari 2017 tot en met 2020 een huurverlaging op het pand (dat eigendom is van de gemeente) van een kleine € 1,9 miljoen per jaar ten opzichte van 2016. Omdat deze MKBA over de uitgaven in 2016 gaat is dat bedrag hier niet in opgenomen.
93
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Tegenover deze € 37,1 miljoen aan subsidies (de maatschappelijke kosten) staan de in de vorige hoofdstukken berekende maatschappelijke baten. De som hiervan zijn de totale maatschappelijke baten van het gesubsidieerde cultuuraanbod voor de stad Utrecht en die bedragen een kleine € 45 miljoen (zie tabel 10.2). Dat resulteert in een positief maatschappelijke saldo van € 7,5 miljoen. Het maatschappelijke rendement op de cultuuruitgaven van de gemeente is dan twintig procent; die uitgaven zijn vanuit welvaartseconomisch perspectief dan ook te rechtvaardigen. 90
Tabel 10.2 De totale maatschappelijke baten van het culturele aanbod in Utrecht voor de stad (€ miljoen) Podium- Film Musea (incl. Cultuur- en Totaal kunsten presentatie- amateurkunstinstellingen) educatie Gebruikswaarde
1,7
Optiewaarde
0,3 23,7
0,9
0,7
3,6
6,3
n.v.t.
30,0
Bestaanswaarde
n.v.t.
n.v.t.
1,7
n.v.t.
1,7
Economische waarde
2,8
0,4
2,9
0,3
6,4
Sociale waarde
0,3
0,2
0,3
2,1
2,9
13,0
3,1
44,6
Totale waarde
29,2
Bron: Atlas voor gemeenten
Naast de gemeente dragen ook het Rijk, de provincie en andere partijen zoals de universiteit en NS/Prorail een deel van de kosten – bijvoorbeeld in het geval van Museum Catharijneconvent, het Universiteitsmuseum en het Spoorwegmuseum. In totaal gaat dat voor de meegenomen instellingen om € 10,2 miljoen subsidies van het Rijk, € 0,7 miljoen subsidie van de provincie en € 5,8 miljoen van andere partijen: gezamenlijk € 16,7 miljoen. 91
90
Ook als de incidentele subsidies en de – in 2017 ingegane – huurverlaging voor TivoliVredenburg (in totaal € 4,2 miljoen) bij de maatschappelijke kosten worden gerekend is het maatschappelijke saldo nog steeds positief: € 4,3 miljoen, nog altijd ruimt tien procent van de kosten. 91 Indirect wordt een deel van deze subsidies via belastingen uiteraard ook door de inwoners en bedrijven uit de stad Utrecht betaald. In de gemeente Utrecht woont twee procent van alle Nederlanders. Uitgaande van dit aandeel zou dit betekenen dat ruim € 200.000 van de € 16 miljoen indirect door Utrecht zelf is opgebracht.
94
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Daar staat tegenover dat een deel van de baten ook terechtkomt in de rest van Nederland, in het bijzonder in de regio rond Utrecht – in totaal € 9,5 miljoen (zie tabel 10.3). Dit resulteert in een negatief maatschappelijk saldo voor de rest van Nederland € 7,2 miljoen. Het Rijk en de rest van Nederland zijn dus netto betalers van het culturele aanbod in Utrecht.
Tabel 10.3 De maatschappelijke baten van het culturele aanbod in Utrecht voor de rest van Nederland (€ miljoen) PodiumFilm Musea Cultuur- en Totaal kunsten amateurkunsteducatie Gebruikswaarde
2,4
0,4
Optiewaarde
5,7
2,8
0,0
5,6
0,0
n.v.t.
5,7
Bestaanswaarde
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
Economische waarde
-1,0
-0,2
-1,4
0,0
-2,6
Sociale waarde
0,2
0,2
0,2
0,2
0,8
1,6
0,2
9,5
Totale waarde
7,7
Voor Nederland als geheel is het maatschappelijke saldo van het culturele aanbod in Utrecht overigens wel positief: € 0,3 miljoen (zie tabel 10.4 en figuur 10.1)
Tabel 10.4 Maatschappelijke kosten en baten van het culturele aanbod in Utrecht voor Nederland als geheel (€ miljoen) Subsidies Baten Saldo Stad Utrecht
37,1
44,6
7,5
Rest van NL
16,7
9,5
-7,2
Totaal
53,8
54,1
0,3 Bron: Atlas voor gemeenten
95
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Figuur 10.1 Maatschappelijke kosten (subsidies) en baten van het culturele aanbod in Utrecht Subsidies en maatschappelijke baten in € miljoen 60
50
40
30 Rest Nederland Stad 20
10
0 Subsidies
Baten
Bron: Atlas voor gemeenten
96
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Bijlage 1: Indicatoren In deze bijlage zijn de indicatoren die zijn gebruikt voor het in kaart brengen van het culturele aanbod en de cultuurdeelname in Utrecht (hoofdstuk 3) uitgebreid beschreven. Ook is een definitie opgenomen van de creatieve klasse die in hoofdstuk 2 van dit rapport aan bod komt. Podiumkunsten
Het aantal theatervoorstellingen en concerten in de gemeente, opgesplitst in drie categorieën: theater, klassieke muziek en popmuziek. Onder de categorie theater vallen toneel, ballet, dans, cabaret, musical. Onder popmuziek vallen ook jazz, lichte muziek en wereldmuziek. Klassieke muziek bevat ook de categorie opera. Voor het aanbod podiumkunsten is gebruikgemaakt van het aantal voorstellingen in de theaters en poppodia die aangesloten zijn bij de Vereniging voor Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD), de Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals (VNPF), het Nederlands Uitburo of die opgenomen zijn in het bestand van EM-Cultuur en waarvoor de data bij de afzonderlijke instellingen verzameld zijn. Historische monumenten
Het aantal Rijksmonumenten (objecten) in de gemeente als percentage van het aantal woningen (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Archeologische monumenten
Het aantal archeologische monumenten (objecten) in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Cultuurhistorische musea
Het aantal cultuurhistorische musea in de gemeente per 100.000 inwoners gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging. 92
Musea beeldende kunst
Het aantal musea voor beeldende kunst in de gemeente per 100.000 inwoners gebaseerd op de data van de Nederlandse Museumvereniging. 93
92
Zie voor meer informatie: G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht). 93 Idem.
97
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Kunstenaars
Onder kunstenaars vallen schrijvers, ontwerpers en vormgevers, interieurarchitecten, componisten en musici, regisseurs, schilders en beeldhouwers, fotografen, dansers, artiesten en acteurs. Voor het bepalen van het aantal kunstenaars als percentage van de beroepsbevolking is gebruikgemaakt van de adresbestanden van verschillende Beroepsorganisatie Nederlandse kunstenaarsverenigingen, zoals Ontwerpers, GKf fotografen, Beroepsvereniging Nederlandse Interieurarchitecten, CNV Kunstenbond, Componisten 96, Gemeenschap Beeldende Kunstenaars, FNV KIEM, Nederlandse Kring van Beeldhouwers, Nederlandse Vakgroep Keramisten, Nederlandse Vereniging van Muziekinstrumentenmakers, Vereniging van Schrijvers en Vertalers en Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars. Uit de adresbestanden van die verenigingen is het aantal artistieke beroepen per gemeente samengesteld. Het aantal leden van de kunstenaarsbonden is daarvoor dus als indicatie genomen. Omdat die cijfers opgeteld lager uitkwamen dan het landelijke cijfer (de gebruikte lidmaatschapcijfers hebben natuurlijk geen 100% dekking), is dat aantal herschaald op basis van de provinciale cijfers die wel via het CBS verkrijgbaar zijn. Behalve het aantal kunstenaars in de stad als percentage van de beroepsbevolking is ook het ruimtelijke gemiddelde meegenomen waarin dus ook het aantal kunstenaars in de regio meetelt. Galerieën
Het aantal kunstgalerieën in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse Galerie Associatie, Gouden Gids, LISA). Bioscoopstoelen
Het aantal bioscoopstoelen per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse vereniging van Bioscoopexploitanten). Doeken in filmhuizen
Het aantal filmdoeken per 100.000 inwoners (bron: Nederlandse vereniging van Bioscoopexploitanten). Bibliotheken
Aantal (vestigingen van) bibliotheken per 1000 inwoners (bron: Vereniging van Openbare Bibliotheken).
98
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Boekwinkels
Het aantal boekwinkels in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Lijstenboek). Antiquariaten
Het aantal antiquariaten in de gemeente per 100.000 inwoners (bron: Gouden Gids, Boek en boek). Culturele evenementen
Het aantal publieksevenementen in de gemeente per 100.000 inwoners. Onder publieksevenementen vallen evenementen uit de categorieën beeldende kunst, maatschappij/sociaal/cultuur en podiumkunsten (bron: Respons). Daarvan zijn alleen de categorieën beeldende kunst en podiumkunsten meegenomen. Een publieksevenement wordt als volgt gedefinieerd: ‘Een gebeurtenis met een begin- en einddatum, die op één of meerdere locaties plaatsvindt, verplaatsbaar is en waarbij de bezoekers specifiek voor de activiteiten komen.’ In het overzicht van het aantal evenementen per gemeente is uitgegaan van evenementen die een minimum bezoekaantal hebben van 5000. Bezoek aan podiumkunsten
Het aantal keren dat inwoners van een gemeente naar verwachting een bezoek brengen aan een concert of theatervoorstelling. Daarbij zijn alle voorstellingen die vallen onder de podiumkunsten meegenomen: toneel, cabaret, dans, opera, musical en concerten (pop, jazz, klassiek). Het cultuurbereik is gebaseerd op de AVO-enquête (Aanvullend Voorzieningengebruik Onderzoek) van het SCP. Uit die enquête volgen behalve het jaarlijkse bezoek aan culturele instellingen, ook de persoonskenmerken van de respondent. Daarmee is een meervoudige regressieanalyse uitgevoerd. Uit die analyse blijkt dat het bezoek aan concerten en theatervoorstellingen zowel kan worden verklaard uit persoonskenmerken, vooral het opleidingsniveau, als uit het theateraanbod. Hoger of middelbaar opgeleiden bezoeken significant vaker een concert of theater. Datzelfde geldt voor jongeren tot 30 jaar. Tussen 30 en 50 jaar is de bezoekfrequentie significant lager, net als onder niet-westerse allochtonen. Ook het regionale aanbod podiumkunsten blijkt het cultuurbereik significant positief te beïnvloeden. Op basis van de coëfficiënten uit die 94
94
A. van den Broek, 2005: Cultuurminnaars en cultuurmijders. Trends in de belangstelling voor kunsten en cultureel erfgoed (Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag).
99
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
regressieanalyse en de bevolkingssamenstelling en het theateraanbod in de gemeente is het gemiddelde cultuurbereik per gemeente geschat. Museumbezoek
Zie definitie ‘Bezoek aan podiumkunsten’. Creatieve klasse
De creatieve klasse in een stad blijkt de beste indicator te zijn voor de voorraad human capital. Daarom is als indicator voor dat menselijk kapitaal de omvang van de creatieve klasse als percentage van de beroepsbevolking genomen. De Nederlandse creatieve klasse is gebaseerd op het werk van Richard Florida, dat door de samenstellers van de Atlas uitgebreid getoetst is voor en bijgesteld is op basis van de Nederlandse situatie. De Nederlandse creatieve klasse bestaat allereerst uit bedenkers van creatieve ideeën, zoals wetenschappers en onderzoekers, innovatieve ICT’ers, ingenieurs, architecten, tv-makers, journalisten en bohemians zoals musici, vormgevers, schrijvers en kunstenaars. Ook de uitvoerders van creatieve ideeën in kennisintensieve economische sectoren zijn tot de creatieve klasse gerekend: managers, specialisten, assistenten en verkopers van creatieve ideeën in de wetenschap, de geneeskunde, de high-tech en ICT, financiële, organisatorische, bedrijfskundige en juridische dienstverlening en creatieve sectoren zoals design en kunst. De cijfers over de beroepen die tot de creatieve klasse behoren zijn op gemeenteniveau verkregen uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS.
Voor het samenstellen van de Nederlandse creatieve klasse zijn niet de standaard beroepsgroepen van het CBS, maar alle 1211 beroepen die in de EBB-enquête voorkomen één voor één onderverdeeld in creatieve klasse, overheid, service klasse en arbeidersklasse. Omdat de enquête wordt gehouden onder een relatief klein deel van de bevolking, en ook de creatieve klasse maar een deel van de totale beroepsbevolking is, ontstaat een relatief grote statistische onzekerheid. Voor kleinere gemeenten vertoont het aandeel van de creatieve klasse om die reden relatief grote schommelingen door de tijd. Om die onzekerheden zo min mogelijk te laten doorwerken in de gepresenteerde data is een driejaarsgemiddelde gepresenteerd. 95
96
95
G.A. Marlet, C.M.C.M., van Woerkens, 2007: The Dutch Creative class and how it fosters urban employment growth, in: Urban Studies, 44, 13, pp. 2605-2626. 96 Zie: G.A. Marlet, C.M.C.M. van Woerkens, Het economisch belang van de creatieve klasse, in: ESB, 11-6-2004, pp. 280-283.
100