De waarde van cultuurstad Utrecht
Tekst van het document
€ 1,99
€ 1,89
Reiskosten
€ 0,25
€ 0,28
Totaal per bezoek
€ 2,24
€ 2,17
Waardering reistijd
€ 6,71
€ 5,42
Reiskosten
€ 5,69
€ 4,30
Totaal per bezoek
€ 12,40
€ 9,72
De gebruikswaarde per sector
Op basis van de gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten per bezoek en het aantal bezoekers is vervolgens de gebruikswaarde per sector uit te rekenen. Dat wordt gedaan door de totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten per sector te berekenen. Vervolgens wordt daarvan het consumentensurplus ingeschat: wat is het de bezoekers meer waard dan de totale reis- en verblijfskosten? Als laatste stap wordt het verschil tussen het consumentensurplus van het bezoek aan cultuur en het consumentensurplus van een alternatieve besteding ingeschat: de gebruikswaarde. 37
5.4.1
Musea
De totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten van bezoekers uit de stad Utrecht aan de musea bedragen ruim € 14 miljoen en voor bezoekers uit de 37
De berekende bedragen zijn in de tabellen afgerond op honderdduizenden of tienduizenden euro’s omwille van de leesbaarheid. Bovendien zijn alle berekeningen inschattingen waarbij heel gedetailleerde bedragen tot schijnnauwkeurigheid zouden kunnen leiden.
46
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
rest van Nederland bijna € 45 miljoen (zie tabel 5.4). De Nederlandse bezoekers van de Utrechtse musea hebben er gezamenlijk dus ten minste € 59 miljoen voor over om van dit aanbod te genieten, ongeveer 7 keer het bedrag dat wordt betaald voor de entreekaarten (in totaal naar schatting ruim € 8 miljoen). Het totale bedrag dat alle mensen bereid zouden zijn te betalen voor het bezoeken van de musea – het consumentensurplus – ligt nog hoger. Algemeen wordt aangenomen dat dit consumentensurplus voor culturele activiteiten 25% van de gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten bedraagt, wat overeenkomt met € 3,6 miljoen voor de bezoekers uit Utrecht en ruim € 11,2 miljoen voor bezoekers uit de rest van Nederland. Verder wordt aangenomen dat dit consumentensurplus weer 25% hoger ligt dan het consumentensurplus van een alternatieve tijdsbesteding (die mensen zouden hebben ondernomen in een situatie zonder Utrechtse musea). Daarmee komt de gebruikswaarde van de Utrechtse musea uiteindelijk op € 0,9 miljoen voor de bezoekers uit Utrecht en een kleine € 2,8 miljoen voor bezoekers uit de rest van Nederland. 38
Tabel 5.4 De gebruikswaarde van musea (en presentatie-instellingen) in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Uit Utrecht Uit rest Nederland Kosten verblijf en bezoek
€ 44,76
€ 44,76
Kosten reis
€ 2,24
€ 12,40
Totaal
€ 47,00
€ 57,15
Aantal bezoekers
305.578
780.654
Totale reis- en verblijfskosten
€ 14,4 miljoen
€ 44,6 miljoen
Consumentensurplus
€ 3,6 miljoen
€ 11,2 miljoen
Netto gebruikswaarde
€ 0,9 miljoen
€ 2,8 miljoen
38
G. Marlet, J. Poort, 2011: De waarde van cultuur in cijfers (Atlas voor gemeenten, Utrecht).
47
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
5.4.2
Podiumkunsten
De gebruikswaarde van de podiumkunsten valt in drie subsectoren uiteen: podia, gezelschappen en (podiumkunst)festivals. Een deel van de uitvoeringen op deze festivals en van deze gezelschappen vindt plaats op de gesubsidieerde podia. De gebruikswaarde van de podia, festivals en gezelschappen kunnen daarom niet zomaar bij elkaar worden opgeteld. De gebruikswaarde van dezelfde uitvoering en de bezoekers daaraan zouden dan immers twee keer worden meegeteld in het totaal. Voor zowel de podia, als de festivals en gezelschappen worden daarom eerst de baten los berekend, vervolgens wordt bepaald welk deel van deze baten additioneel is, waarna de totale gebruikswaarde voor de podiumkunsten kan worden bepaald. Podia
In tabel 5.5 wordt de gebruikswaarde van de Utrechtse podia berekend op een vergelijkbare wijze als voor de musea. De totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten bedragen ruim € 22 miljoen voor bezoekers uit de stad en bijna € 29 miljoen voor bezoekers uit de rest van Nederland. De uiteindelijke gebruikswaarde en bijdrage aan de totale welvaartwinst daarvan is € 1,4 miljoen voor de stad Utrecht en € 1,8 miljoen voor de rest van Nederland. Tabel 5.5 De gebruikswaarde van de podia in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Uit Utrecht Uit rest Nederland Kosten verblijf en bezoek
€ 39,27
€ 39,27
Kosten reis
€ 2,17
€ 9,72
Totaal
€ 41,44
€ 49,00
Aantal bezoekers
536.517
584.825
Totale reis- en verblijfskosten
€ 22,2 miljoen
€ 28,7 miljoen
Consumentensurplus
€ 5,6 miljoen
€ 7,2 miljoen
Netto gebruikswaarde
€ 1,4 miljoen
€ 1,8 miljoen
48
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Gezelschappen
Om de gebruikswaarde van de bezoekers aan de gezelschappen te berekenen is informatie gebruikt over de speellocaties van de gezelschappen. Gezelschappen uit de stad Utrecht treden immers niet alleen op in de stad zelf maar ook daarbuiten – meestal zelfs vaker buiten de stad dan in de stad. Uitvoeringen van gezelschappen in de stad Utrecht trekken zowel bezoekers vanuit de stad Utrecht als van daarbuiten. Omgekeerd is het mogelijk dat inwoners van Utrecht niet in Utrecht naar een uitvoering van een Utrechts gezelschap gaan kijken, maar in een andere stad (bijvoorbeeld omdat ze met vrienden uit die stad gaan, omdat het in Utrecht uitverkocht was of omdat ze op het moment dat het in Utrecht was niet konden). Voor vijf gezelschappen zijn gegevens bekend over speellocaties en de herkomst van bezoekers. Deze informatie is gebruikt om dit ook voor de andere negen gezelschappen in te schatten. Volgens opgave van de gemeente en/of de gezelschappen zelf vindt 67% van de uitvoeringen plaats op de podia die zijn meegenomen onder gesubsidieerde podia en 33% op de overige podia (zoals bijvoorbeeld het theater Paardenkathedraal van Theater Utrecht). Op basis daarvan is het aantal bezoekers te verdelen naar speellocatie en herkomst – zie tabel 5.6.
Tabel 5.6 Bezoekers aan de Utrechtse gezelschappen naar herkomst en speellocatie van de gezelschappen (exclusief buitenland) Bezoekers uit Utrecht Bezoekers uit de rest van Nederland Speellocatie: Utrecht
44.426
48.426
- waarvan in podia die zijn meegenomen in de analyse
16.096
17.546
- waarvan elders in Utrecht
28.329
30.880
Speellocatie: rest Nederland
18.614
105.645
De gebruikswaarde voor de inwoners van de stad Utrecht en inwoners van de rest van Nederland is vervolgens berekend op basis van de gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten per bezoek. Daarbij is voor de 49
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
uitvoeringen op podia buiten de stad Utrecht ervan uitgegaan dat de gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten voor een bezoeker woonachtig in Utrecht gelijk zijn aan die van een bezoeker van buiten Utrecht aan de stad Utrecht. De gebruikswaarde van bezoekers uit Utrecht aan gezelschappen uit Utrecht (na correctie voor dubbeltelling) bedraagt uiteindelijk € 130.000 (waarvan € 70.000 door bezoeken aan uitvoeringen in de stad Utrecht en € 60.000 door bezoeken aan uitvoeringen elders in het land). Voor bezoekers van buiten de stad Utrecht is de totale gebruikswaarde € 370.000 (€ 95.000 door bezoeken aan uitvoeringen in de stad Utrecht en € 275.000 door bezoeken elders in het land).
Tabel 5.7 De gebruikswaarde van de gezelschappen in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Bezoekers Uit Utrecht Uit rest Uit Uit rest Nederland Utrecht Nederland Locatie
Utrecht
Utrecht
Rest Nederland
Rest Nederland
Aantal (na correctie dubbeltelling) Reis- en verblijfskosten per bezoek
28.329
30.880
18.614
105.645
€ 41,44
€ 49,00
€ 49,00
€ 41,44
Totale reis- en verblijfskosten
€ 1,2 miljoen
€ 1,5 miljoen
€ 0,9 miljoen
€ 4,4 miljoen
Consumentensurplus
€ 290.000
€ 380.000
€ 230.000
Gebruikswaarde
€ 70.000
€ 95.000
€ 60.000
€ 1,1 miljoen € 275.000
Festivals
In tabel 5.8 is de gebruikswaarde van de festivals berekend. De gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten per bezoek zijn hoger dan die voor een gemiddeld bezoek aan een podium of gezelschap. De gemiddelde betaalde entree is weliswaar lager maar de verblijfstijd juist wat langer (zie tabel 5.2). De totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten bedragen ruim € 5 miljoen voor bezoekers uit de stad en voor bezoekers uit de rest van Nederland ruim € 4,5 miljoen. De gebruikswaarde en bijdrage aan de totale 50
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
welvaartwinst daarvan is € 0,3 miljoen voor de stad Utrecht en € 0,3 miljoen voor de rest van Nederland. Als vervolgens wordt gecorrigeerd voor het feit dat naar opgaaf van de gemeente en festivals zelf 49% van de uitvoeringen plaatsvindt op de podia die al zijn meegenomen is de netto gebruikswaarde € 0,2 miljoen voor de stad en € 0,2 miljoen voor de rest van Nederland.
Tabel 5.8 De gebruikswaarde van de festivals in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Uit Utrecht Uit rest Nederland Kosten verblijf en bezoek
€ 46,22
€ 46,22
Kosten reis
€ 2,17
€ 9,72
Totaal
€ 48,39
€ 55,94
Aantal bezoekers
107.434
82.775
Totale reis- en verblijfskosten
€ 5,2 miljoen
€ 4,6 miljoen
Consumentensurplus
€ 1,3 miljoen
€ 1,2 miljoen
Gebruikswaarde
€ 320.000
€ 290.000
Waarvan dubbeltelling
€ 120.000
€ 140.000
Netto gebruikswaarde
€ 200.000
€ 150.000
Podiumkunsten totaal
De totale gebruikswaarde voor de podiumkunsten in de stad Utrecht bedraagt daarmee uiteindelijk ruim € 4,1 miljoen. Hiervan komt € 1,7 miljoen terecht bij (bezoekers uit) de stad Utrecht en € 2,4 miljoen bij (bezoekers uit) gemeenten uit de rest van Nederland, waarvan het grootste deel bij gemeenten in de directe omgeving van Utrecht (zie figuur 5.2 tot en met 5.5).
51
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Tabel 5.9
De gebruikswaarde van de podiumkunsten in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Utrecht Rest Nederland
Podia
€ 1,4 miljoen
€ 1,9 miljoen
Gezelschappen (additioneel) Festivals (additioneel) Totaal
€ 130.000
€ 370.000
€ 200.000
€ 150.000
€ 1,7 miljoen
€ 2,4 miljoen
5.4.3
Film
De totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten van bezoekers uit de stad Utrecht aan de gesubsidieerde film bedragen € 4,9 miljoen voor bezoekers uit Utrecht en ruim € 5,7 miljoen voor bezoekers uit de rest van Nederland (zie tabel 5.10). De gebruikswaarde over het consumentensurplus hiervan bedraagt € 0,3 miljoen voor bezoekers uit de stad Utrecht. Voor bezoekers uit de rest van Nederland is dat een kleine € 0,4 miljoen.
Tabel 5.10 De gebruikswaarde van film in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Uit Utrecht Uit rest Nederland Kosten verblijf en bezoek
€ 43,35
€ 43,35
Kosten reis
€ 2,17
€ 9,72
Totaal
€ 45,52
€ 53,07
Aantal bezoekers
108.652
107.061
Totale reis- en
€ 4,9 miljoen
€ 5,7 miljoen
Consumentensurplus
€ 1,2 miljoen
€ 1,4 miljoen
Netto gebruikswaarde
€ 0,3 miljoen
€ 0,4 miljoen
verblijfskosten
52
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
5.4.4
Cultuureducatie en amateurkunsteducatie
In tabel 5.11 en 5.12 staan de berekeningen voor de gebruikswaarde van de instellingen die onder de sector cultuureducatie en amateurkunsteducatie vallen. Zoals eerder aangegeven in dit hoofdstuk gaat het hierbij om zowel de gebruikswaarde van de deelnemers die in hun vrije tijd bijvoorbeeld cursussen volgen of repeteren (tabel 5.11) als om de bezoekers van bijvoorbeeld uitvoeringen of festivals in deze instellingen (tabel 5.12).
Tabel 5.11 De gebruikswaarde van amateurkunsteducatie in Utrecht voor deelnemers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Uit Utrecht Uit Utrecht Uit rest Uit rest Nederland Nederland Volwassen
Kinderen
Volwassen
Kinderen
Kosten verblijf en bezoek
€ 35,02
€ 19,83
€ 35,02
€ 19,83
Kosten reis
€ 2,17
€ 1,23
€ 9,72
€ 7,01
Totaal per les/bijeenkomst
€ 37,19
€ 21,05
€ 44,75
€ 26,84
Deelnemers
10.179
10.592
515
1.712
Aantal lessen/ bijeenkomsten per deelnemer
17,2
5,3
17,2
5,3
Totale reis- en verblijfskosten
€ 6,5 miljoen
€ 1,2 miljoen
€ 400.000
€ 245.000
Consumentensurplus
€ 1,6 miljoen
€ 300.000
€ 100.000
€ 60.000
Gebruikswaarde
€ 410.000
€ 75.000
€ 25.000
€ 15.000
De totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten van de deelnemers (volwassen en kinderen) uit Utrecht bedraagt ongeveer € 7,7 miljoen, wat een gebruikswaarde van een kleine € 0,5 miljoen vertegenwoordigt. Voor de deelnemers uit de rest van Nederland bedragen de totale gegeneraliseerde reis- en verblijfskosten ongeveer € 0,6 miljoen, wat een gebruikswaarde van 53
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
rond € 40.000 vertegenwoordigt. Daar bovenop komt dan nog de gebruikswaarde van de bezoekers (tabel 5.12). Deze bedraagt voor bezoekers uit de stad Utrecht ongeveer € 170.000 (volwassenen en kinderen) en van buiten de stad ruim € 16.000. Dat brengt de totale gebruikswaarde van amateurkunsteducatie op € 650.000 voor de stad Utrecht en € 56.000 voor de rest van Nederland.
Tabel 5.12 De gebruikswaarde van amateurkunsteducatie in Utrecht voor bezoekers uit de stad Utrecht en uit de rest van Nederland Uit Utrecht Uit Utrecht Uit rest Uit rest Nederland Nederland Volwassen
Kinderen
Volwassen
Kinderen
Kosten verblijf en bezoek
€ 26,54
€ 11,63
€ 26,54
€ 11,63
Kosten reis
€ 2,17
€ 1,23
€ 9,72
€ 7,01
Totaal
€ 28,70
€ 12,86
€ 36,26
€ 18,64
Bezoekers
91.132
9.307
6.873
828
Totale reis- en verblijfskosten
€ 2.615.826
€ 119.666
€ 249.234
€ 15.437
Consumentensurplus
€ 653.956
€ 29.916
€ 62.309
€ 3.859
Gebruikswaarde
€ 163.489
€ 7.479
€ 15.577
€ 965
5.5
De totale gebruikswaarde van het culturele aanbod
Tabel 5.13 toont het overzicht van de resultaten van de berekeningen in de vorige paragraaf. De totale gebruikswaarde van het (gesubsidieerde) aanbod in de stad Utrecht bedraagt € 9,2 miljoen. Omdat de gebruikswaarde samenhangt met het aantal bezoekers komt het grootste deel hiervan voor rekening van de podiumkunsten en de musea (respectievelijk € 4,1 miljoen en € 3,7 miljoen).
54
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Het grootste deel (€ 5,6 miljoen) van de gebruikswaarde komt buiten de stad terecht. Dat is vooral het gevolg van het grote aantal bezoekers van buiten de stad Utrecht dat vooral naar de musea en de podiumkunsten komt. Voor een belangrijk deel komt deze gebruikswaarde terecht in gemeenten in de omgeving van Utrecht. Van de € 3,6 miljoen van de gebruikswaarde die in de stad zelf terechtkomt is ongeveer de helft voor rekening van de podiumkunsten. De gebruikswaarde van cultuureducatie en amateurkunsteducatie voor de stad is met een kleine € 0,7 miljoen vergeljkbaar met die van de musea. Waar bij de musea een groot deel van de gebruikswaarde voor rekening komt van bezoekers uit de rest van Nederland geldt voor cultuureducatie en amateurkunsteducatie juist dat vrijwel de volledige gebruikswaarde in de stad zelf neerslaat.
Tabel 5.13 De gebruikswaarde van cultuur in Utrecht Utrecht
Rest Nederland
Totaal
Musea
€ 0,9 miljoen
€ 2,8 miljoen
€ 3,7 miljoen
Podiumkunsten
€ 1,7 miljoen
€ 2,4 miljoen
€ 4,1 miljoen
Film
€ 0,3 miljoen
€ 0,4 miljoen
€ 0,7 miljoen
Cultuureducatie en amateurkunsteducatie
€ 0,7 miljoen
€ 0,05 miljoen
€ 0,7 miljoen
Totaal
€ 3,6 miljoen
€ 5,6 miljoen
€ 9,2 miljoen
55
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
6
Optiewaarde Uit hoofdstuk 2 bleek dat cultuur over het algemeen een prominente rol speelt in de concurrentiepositie van steden. Steden met een groot en gevarieerd cultureel aanbod zijn over het algemeen ook populaire woonsteden. Die steden hebben de grootste aantrekkingskracht op verhuizende huishoudens, met in hun kielzog bedrijven. Zo gaat het in die steden ook economisch vaak beter. Het feit dat mensen graag in steden wonen met een groot en gevarieerd cultureel aanbod komt voort uit de optiewaarde; de waarde die mensen hechten aan de mogelijkheid om (spontaan, op elk moment van de dag en week) een culturele activiteit te beleven. Die optiewaarde vertaalt zich in een grotere betalingsbereidheid voor een (woon)locatie in de buurt van culturele instellingen en activiteiten en kan worden uitgerekend met de zogenoemde hedonische prijsmethode.
6.1
De hedonische prijsanalyse
De hedonische prijsmethode is de wetenschappelijk gangbare methode om de (positieve of negatieve) waarde van amenities, waarvoor geen eigen markt bestaat waarop een prijs tot stand komt, in te schatten. De hedonische prijsmethode gaat ervan uit dat mensen de voor- en nadelen van een bepaalde woonlocatie meewegen in hun bereidheid om te betalen voor een woning op zo’n locatie. De aanwezigheid van kunst, cultuur en erfgoed in de (nabijheid van de) woonomgeving zijn factoren die de woningprijzen positief kunnen beïnvloeden. 39
40
Om de optiewaarde van het culturele aanbod in Utrecht te kunnen berekenen is zo’n hedonische prijsanalyse uitgevoerd. Daarmee is gekeken naar de verschillen in huizenprijzen op alle woonlocaties (op 4-positiepostcodeniveau) in Nederland. Met een regressieanalyse is vervolgens 39
De onderzoekers die dit onderzoek hebben uitgevoerd hebben op deze manier eerder bijvoorbeeeld met succes het effect van overstromingsrisico op de huizenprijzen in Nederland geïsoleerd van het prijseffect van andere kenmerken, zie; M. Bosker, H. Garretsen, G. Marlet, C. van Woerkens, 2017: Nether Lands. Evidence on the price and perception of rare natural disasters, in: Journal of the European Economic Association (accepted). 40 S. Rosen, 1974: Hedonic prices and implicit markets: product differentiation in pure competition, in: Journal of Political Economy, 82, pp.34-55; J. Roback, 1982: Wages, rents, and the quality of life, in: Journal of political economy, 90, p.1257-1278.
56
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
achterhaald welke factoren die verschillen verklaren. Daarmee wordt niet alleen duidelijk welke factoren (statistisch significant) samenhangen met de verschillen in huizenprijzen tussen woonlocaties, maar ook wat de bereidheid van mensen is om voor die factoren – zoals (culturele) voorzieningen – te betalen (Willingness To Pay; WTP). Daarmee vormt het hedonische prijsmodel een onmisbaar ingrediënt voor een berekening van de maatschappelijke baten van cultuur in Utrecht. Als basis voor dit deel van het onderzoek is een model gebruikt uit eerder onderzoek naar de aantrekkingskracht van steden, en uit een samenwerkingsproject met het Centraal Planbureau over de waarde van ‘stad en land’. De laatste versie van de resultaten uit dat model zijn recent gepubliceerd in Regional Studies. Aan dat model zijn – voor zover nodig – verschillende indicatoren voor het culturele aanbod in steden toegevoegd. Daarvan is gekeken of en in welke mate die een bijdrage leveren aan de verklaring van verschillen in huizenprijzen in Nederland. Het resultaat is gestileerd weergegeven in tabel 6.1. 41
42
43
44
41
G.A. Marlet, 2009: De aantrekkelijke stad (VOC Uitgevers, Nijmegen); H. Garretsen, G. Marlet, 2016: Amenities and the Attraction of Dutch Cities, in: Regional Studies, pp. 1-13. 42 H. de Groot, G. Marlet, C. Teulings, W. Vermeulen, 2010: Stad en land (CPB, Den Haag). 43 H. Garretsen, G. Marlet, 2017: Amenities and the Attraction of Dutch Cities, in: Regional Studies, 51, 5, pp. 724-736. 44 Voor uitgebreide modelspecificaties en de bijbehorende coëfficiënten wordt verwezen naar bovenstaande studies.
57
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Wat bepaalt de huizenprijsverschillen in Nederland? Staaf in figuur 6.1
Tabel 6.6
ECONOMIE Bereikbaarheid van banen Nabijheid treinstation WOONOMGEVING Woningen Aandeel vrijstaande woningen Aandeel tweekappers Aandeel tussenwoningen Aandeel appartementen Aandeel sociale huurwoningen Cultuur en erfgoed Nabijheid uitvoeringen podiumkunsten Nabijheid musea voor beeldende kunst Nabijheid cultuurhistorische musea Nabijheid filmhuizen Historisch erfgoed (aandeel Rijksmonumenten) Overige voorzieningen Nabijheid van het centrum van de stad Nabijheid winkels voor dagelijkse boodschappen Nabijheid winkels voor mode en luxe Aantal cafés Culinaire kwaliteit Aanwezigheid universiteit Natuur Nabijheid Noordzeekust Nabijheid natuurgebieden Oppervlakte water in de woonomgeving OVERLAST EN ONVEILIGHEID Overlast en onveiligheid (samengestelde index) Geweldsmisdrijven
Statistische samenhang met verschillen in huizenprijzen (op 4-positiepostcodeniveau)
2
+
2
+
6
+
6
+
6
-
6
-
6
-
3
+
3
+
3
+
3
+
4
+
5
+
5
+
5
+
5
+
5
+
8
+
7
+
7
+
7
+
9
-
9
-
Een + betekent dat die factor positief samenhangt met de aantrekkingskracht van een stad. Een - betekent dat die factor daar negatief mee samenhangt. Met cijfers is aangegeven bij welke categorie (welk staafje) in figuur 6.1 een bepaalde indicator meetelt.
58
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Uit die modelschatting blijkt dat naast de bereikbaarheid van banen (en de nabijheid van een treinstation) ook diverse stedelijke voorzieningen ertoe doen bij het verklaren van verschillen in huizenprijzen tussen woonlocaties in Nederland. Zo bieden de nabijheid van culturele voorzieningen, de nabijheid van winkels, het aantal cafés en de culinaire kwaliteit van de restaurants in de stad een significante verklaring. Daarnaast doet ook de ligging van een stad – en daarmee de bereikbaarheid van natuur vanuit de stad – er toe. Van de zogenoemde disamenities blijken vooral de indicatoren voor geweld in de stad en overlast en onveiligheid in de directe woonomgeving een negatieve invloed te hebben op de huizenprijzen. Het culturele aanbod is dus een van de factoren die de verschillen in huizenprijzen – en dus de aantrekkingskracht van steden – bepaalt. Daarbij blijkt het vooral te gaan om het aanbod aan uitvoeringen in de podiumkunsten en arthousefilm en om de nabijheid van musea voor beeldende kunst en cultuurhistorische musea. Ook de aanwezigheid van historisch erfgoed, afgemeten aan het aantal Rijksmonumenten in de buurt, biedt een significante verklaring voor de waarde van een woonlocatie. De nabijheid van commerciële bioscopen en de aanwezigheid van culturele festivals in de stad bleken niet statistisch significant samen te hangen met de verschillen in huizenprijzen.
In het geval van commerciële bioscopen heeft dat mogelijk te maken met het feit dat deze voorzieningen behoren tot de basisinfrastructuur in steden, waardoor steden zich er niet mee onderscheiden. Om dezelfde reden blijkt de aanwezigheid van zwembaden en andere sportvoorzieningen bijvoorbeeld ook geen significante invloed te hebben op de huizenprijzen in de buurt. Dat geldt waarschijnlijk ook voor de centra voor cultuureducatie, waarvoor geen landsdekkende data beschikbaar waren, en die dus niet in de regressieanalyse konden worden meegenomen. Ook daarvoor is géén effect te verwachten omdat beleid er meestal juist op is gericht om dit aanbod voor iedereen in de stad beschikbaar te maken, waardoor de centra over de stad zijn verspreid en er weinig onderscheid is tussen verschillende woonlocaties (zie kaart 6.1). Wel hebben die centra waarschijnlijk een relatief hoge sociale waarde voor de (mensen in de) wijken (zie hoofdstuk 9). Bij culturele festivals heeft het ontbreken van een statistisch significant verband waarschijnlijk te maken met het tijdelijke karakter; het is moeilijk
59
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
voorstelbaar dat mensen vanwege een jaarlijks terugkerend festival in een bepaalde stad gaan wonen. Bovendien zijn festivals vaak meer gericht op bezoekers van buiten de stad dan op de inwoners van de stad zelf. Daardoor is de optiewaarde waarschijnlijk nihil, maar daar staat tegenover dat die festivals voor de stad een relatief hoge economische waarde vertegenwoordigen (zie hoofdstuk 8).
Kaart 6.1
De nabijheid van centra voor cultuureducatie in Utrecht
nabijheid locaties amateurkunsteducatie 7,8 tot 8,3 7,3 tot 7,8
6,8 tot 7,3 6,3 tot 6,8
5,9 tot 6,3 5,4 tot 5,9 4,9 tot 5,4 4,4 tot 4,9
3,9 tot 4,4
3,4 tot 3,9
2,9 tot 3,4
2,4 tot 2,9 1,9 tot 2,4 1,4 tot 1,9 0,9 tot 1,4 minder dan 0,9
Bron: Atlas voor gemeenten
6.2
Aantrekkingskracht
Het culturele aanbod in een stad verklaart dus een deel van de verschillen in huizenprijzen en is daarmee van groot belang voor de aantrekkingskracht van de stad – waarvoor het huizenprijsniveau immers de belangrijkste indicator is. Dat maakt het tevens mogelijk om op basis van de hedonische prijsanalyse de aantrekkingskracht van de stad Utrecht nader te analyseren. Op basis van de uitkomsten uit dat model kan die aantrekkingskracht (op basis van huizenprijsverschillen) worden vergeleken met andere steden in Nederland. Ook kan op die manier worden onderzocht welke factoren de relatieve aantrekkingskracht van Utrecht ten opzichte van die andere steden 45
45
W. Vermeulen, C. Teulings, G. Marlet, H. de Groot, 2016: Groei & Krimp. Waar moeten we bouwen - en waar vooral niet? (VOC Uitgevers, Nijmegen).
60
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
verklaren, en welke rol het culturele aanbod daarin speelt. Daarmee wordt de vraag beantwoord wat het belang van cultuur is voor de aantrekkingskracht van Utrecht. De in tabel 6.1 getoonde indicatoren zijn gemiddeld van invloed op de verschillen in aantrekkingskracht tussen Nederlandse steden. De vraag is dan welke van die factoren specifiek voor Utrecht van belang zijn bij het verklaren van de bovengemiddelde aantrekkingskracht van de stad. Om daar een uitspraak over te kunnen doen zijn de modeluitkomsten die in de vorige paragraaf werden gepresenteerd vertaald naar de specifieke situatie in Utrecht. De uitkomsten daarvan staan in figuur 6.1.
Figuur 6.1 De relatief grote aantrekkingskracht van Utrecht verklaard 700 600 500 400 300 200 100
u re sid
id ar he le ef ba
rs ite iv e un
lig tu ur li
jk e
vo na
in g w on
it
gi ng
d
ng e en i vo
or zi
bi n er ig e ov
hi st or isc he
or ra a
n
ne ns ta d
en in g
ne n vo
or zi en
ba rh ei d
lt u re le
aa cu
re ik b be
aa
nt re k
ki ng
-100
sk ra ch t
0
Op de y-as staat de gemiddelde prijs per vierkante meter. De linkerstaaf laat zien in welke mate de prijzen van woningen in Utrecht afwijken van het gemiddelde van de Nederlandse steden (de 50 grootste gemeenten). De overige staafjes laten zien hoe die afwijking te verklaren is. Staafje omhoog: biedt positieve verklaring voor de relatieve aantrekkingskracht van de stad Utrecht. Staafje naar beneden: biedt negatieve verklaring voor de relatieve aantrekkingskracht van de stad Utrecht. Zie tabel 6.1 voor de indicatoren die bij de verschillende staafjes zijn meegeteld.
Het linkerstaafje in figuur 6.1 laat zien dat de aantrekkingskracht van Utrecht op verhuizende huishoudens (afgemeten aan de gemiddelde huizenprijzen) veel groter is dan het gemiddelde van de steden (de 50 grootste gemeenten) in Nederland. De overige staafjes in de grafiek laten zien hoe die relatief grote aantrekkingskracht van Utrecht te verklaren is. 61
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Opgestapeld zijn die negen staafjes precies even hoog als het linkerstaafje in de grafiek. Uit figuur 6.1 blijkt dat vooral de gunstige geografische ligging van Utrecht een positief effect heeft op de aantrekkingskracht van de stad. Door die ligging is er voor de (potentiële) inwoners van Utrecht meer natuur in de buurt en zijn er veel meer banen binnen acceptabele tijd te bereiken dan gemiddeld voor de inwoners van de andere steden in het land. Daardoor zijn ook de carrièrekansen voor de (potentiële) inwoners van Utrecht groter dan gemiddeld. Behalve de geografie heeft ook de geschiedenis Utrecht een relatief grote aantrekkingskracht opgeleverd. De aanwezigheid van de universiteit en de historische binnenstad in Utrecht dragen bij aan de bovengemiddelde aantrekkingskracht van de stad. Ook het culturele aanbod levert een belangrijke bijdrage aan de aantrekkingskracht van Utrecht en is de enige pijler die met gemeentelijk beleid op substantiële wijze te beïnvloeden is. Op de overige stedelijke voorzieningen scoort Utrecht benedengemiddeld. Dat geldt ook voor de woningvoorraad en de leefbaarheid. In zijn totaliteit verklaart het model de relatieve aantrekkingskracht van Utrecht goed; het onverklaarde deel (het zogenoemde residu; het laatste staafje in figuur 6.1) ligt maar net boven nul. 46
De conclusie uit dit deel van de analyse is dat Utrecht haar bovengemiddelde aantrekkingskracht vooral te danken heeft aan factoren die buiten de invloedssfeer van de stad liggen; de gunstige ligging ten opzichte van grote concentraties banen en natuurgebieden. Daarnaast vormen ook de universiteit, de historische binnenstad én het culturele aanbod in de stad belangrijke fundamenten onder de relatief grote aantrekkingskracht van de stad Utrecht.
6.3
Optiewaarde
Vervolgens kan op basis van de resultaten uit het model uit paragraaf 6.1 worden berekend wat de optiewaarde van het culturele aanbod in Utrecht de stad en haar omgeving jaarlijks aan welvaartswinst oplevert. Uit de 46
Er zijn natuurlijk voorbeelden van steden die hun historische binnenstad hebben zien verdwijnen of verpauperen, of die juist hebben opgeknapt. En met investeringen in bereikbaarheid zijn ook de voor- en nadelen van geografische ligging te beïnvloeden, maar beide – monumentenzorg en grote infrastructurele projecten – zijn hoofdzakelijk Rijksbeleid.
62
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
hedonische prijsanalyse volgt dat mensen bereid zijn om meer te betalen voor een huis in de buurt van podia en gesubsidieerde filmhuizen en van musea. Op basis van dat resultaat kan de optiewaarde van die culturele sectoren in Utrecht worden ingeschat. Een complicatie daarbij is dat uit de regressieanalyse bleek dat de indicatoren voor de nabijheid van uitvoeringen in de podiumkunsten en voor filmvoorstellingen in gesubsidieerde filmhuizen sterk met elkaar samenhangen (de correlatiecoëfficiënt is 0,75, terwijl die tussen de nabijheid van uitvoeringen in de podiumkunsten en de nabijheid van musea slechts 0,28 is). Kennelijk bevinden die podia en filmhuizen zich in veel steden bij elkaar in de buurt, waardoor een statistisch onderscheid lastig wordt. Om die reden is de optiewaarde voor de podiumkunsten en de filmhuizen samen berekend. Podiumkunsten en arthousefilm
Voor het berekenen van de optiewaarde van de podiumkunsten en arthousefilm in Utrecht is gekeken hoeveel uitvoeringen op gesubsidieerde podia en hoeveel zalen in gesubsidieerde filmhuizen zich in de nabijheid bevinden van (alle) woonlocaties (op 4-positie-postcodeniveau) in Utrecht en daarbuiten. Er is daarbij rekening gehouden met de bereidheid om te reizen van de mensen die daar wonen voor een concert, theater- of filmvoorstelling. Per woonlocatie in Utrecht en daarbuiten is vervolgens – op basis van de coëfficiënt uit het model in paragraaf 6.1 – uitgerekend wat de bijdrage van de nabijheid van die uitvoeringen is aan de woningwaarde op die locaties. Dat is de optiewaarde van de nabijheid van het culturele aanbod. Omdat in een regressieanalyse wordt gecorrigeerd voor zoveel mogelijk overige factoren die van invloed zijn op huizenprijzen, wordt de kans zo klein mogelijk gemaakt dat het effect wordt overschat, maar honderd procent zekerheid bestaat er niet. Daarom is de optiewaarde alleen uitgerekend op basis van de voorraad koopwoningen, en niet voor de huurwoningen. Bovendien is gecorrigeerd voor het prijsopdrijvende effect van de hypotheekrenteaftrek in Nederland. De totale optiewaarde van de Utrechtse gesubsidieerde podia en filmhuizen die in deze MKBA zijn meegenomen komt uit op € 404 miljoen voor de stad Utrecht en € 24,3 miljoen voor de omliggende gemeenten.
De bereidheid
63
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
om te betalen voor een huis in de buurt van de gesubsidieerde Utrechtse podia en filmhuizen is in totaal dus circa € 428 miljoen. Deze optiewaarde is de waarde die mensen hechten aan het bestaan van dit aanbod in de stad, nu en in de toekomst; het is de zogenoemde Netto Contante Waarde van de meerwaarde om in de buurt van het aanbod podiumkunsten te wonen. Omgerekend naar welvaartswinst per jaar bedraagt die optiewaarde: € 23,4 miljoen per jaar voor de inwoners van de stad. De jaarlijkse welvaartswinst van de podiumkunsten en filmhuizen in Utrecht voor de rest van Nederland (voornamelijk gemeenten in de directe nabijheid) bedraagt € 1,4 miljoen per jaar. 47
De optiewaarde van de gezelschappen slaat neer op de speellocaties van de podia waar de uitvoeringen plaatsvinden. Voor de stad is dat (voor een belangrijk deel) al gemeten in de optiewaarde van de Utrechtse podia. Maar de gezelschappen spelen voor een groot deel ook buiten de stad en genereren daarmee in andere gemeenten optiewaarde. De omvang van de optiewaarde van de uitvoeringen is ingeschat aan de hand van het aantal bezoekers en de gemiddelde optiewaarde per bezoeker. Op basis van de ruim 28.000 bezoekers uit de stad Utrecht aan uitvoeringen van (Utrechtse) gezelschappen zou dit een optiewaarde opleveren die overeenkomt met een jaarlijkse welvaartswinst van € 0,3 miljoen. Op basis van nationale gemiddelden over de optiewaarde in relatie tot het aantal bezoekers is ook een inschatting gemaakt van de optiewaarde die de gezelschappen genereren in andere gemeenten. Daarbij komt nog een beperkte waarde van het aanbod in de stad Utrecht dat een optiewaarde vertegenwoordigt in de buurgemeenten. Gezamelijk bedraagt deze optiewaarde naar schatting € 4,3 miljoen per jaar. 48
49
50
Musea
Net als bij de podiumkunsten is er ook sprake van een significante samenhang tussen de nabijheid van musea voor beeldende kunst en de grond- en woningprijzen op woonlocaties in de buurt, zo bleek uit paragraaf
47
Hierbij is het totale bedrag van € 404 miljoen omgerekend naar de waarde per jaar door gebruik te maken van een reële discontovoet van 4% en uit te gaan van een periode van 30 jaar. 48 Concreet is het totaal aantal bezoekers vermenigvuldigd met de verhouding tussen de totale optiewaarde van de podia en het totaal aantal bezoekers uit Utrecht aan de podia. 49 Zie hiervoor: G. Marlet, J. Poort, 2011: De waarde van cultuur in cijfers (Atlas voor gemeenten, Utrecht). 50 Gebaseerd op de verhouding tussen totale optiewaarde en totaal aantal bezoekers aan de podiumkunsten in Nederland vermenigvuldigd met de ruim 127.000 bezoekers uit de rest van Nederland aan uitvoeringen buiten Utrecht.
64
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
6.1. Dat duidt erop dat mensen waarde hechten aan de mogelijkheid om een museum te bezoeken, of dat ze er waarde aan hechten dat familie, vrienden en andere gasten zo’n museum kunnen bezoeken, of dat ze simpelweg identiteit en status ontlenen aan een woning in de buurt van een museum. Hoe dan ook, het simpele feit dat er musea in de buurt zijn wordt door sommige mensen dus gewaardeerd. De mensen voor wie dit geldt, blijken vervolgens wel relatief dicht bij dat museum te willen wonen. De optiewaarde van musea is veel lokaler dan voor podia en doet zich volledig binnen de gemeentegrenzen voor. 51
Op basis van de resultaten uit het model uit paragraaf 6.1 en op dezelfde wijze berekend als hierboven voor de podiumkunsten werd gedaan, komt de bereidheid om te betalen voor een huis in de buurt van de Utrechtse musea uit op circa € 110 miljoen, wat overeenkomt met een jaarlijkse welvaartswinst van € 6,3 miljoen. Dit bedrag slaat volledig in de stad zelf neer. Dat brengt de totale welvaartswinst die voortvloeit uit de optiewaarde die mensen hechten aan het culturele aanbod in Utrecht op ruim € 35 miljoen per jaar, waarvan 30 miljoen neerslaat in de stad en ruim 5 miljoen daarbuiten (zie tabel 6.2). 52
Tabel 6.1 De optiewaarde van het culturele aanbod in Utrecht (in miljoenen euro’s) Stad Utrecht Rest Nederland 1. Podiumkunsten 23,7 5,7 - Waarvan door gesubsidieerde podia en filmhuizen - Waarvan door gesubsidieerde gezelschappen
23,4
1,4
0,3
4,3
2. Musea
6,3
0,0
TOTAAL
30,0
5,7
51
Zie hierover ook: G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht). 52 Hierbij is het totale bedrag van € 110 miljoen omgerekend naar de waarde per jaar door gebruik te maken van een reële discontovoet van 4% en uit te gaan van een periode van 30 jaar.
65
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
De analyses in dit hoofdstukken lieten zien dat de optiewaarde van het culturele aanbod in Utrecht zich beperkt tot de gesubsidieerde podiumkunsten en filmhuizen enerzijds en de musea anderzijds. Bovendien bleek dat die optiewaarde van de Utrechtse musea veel minder hoog is dan de optiewaarde van de podiumkunsten. De reden daarvoor is dat de meeste mensen bereid zijn om verder te reizen voor musea dan voor podiumkunsten, waardoor ze daar in hun verhuisbeslissing veel minder rekening mee hoeven te houden. Museumbezoek is voor de meeste mensen een uitje, een dagtrip, terwijl het bezoek aan een concert of theatervoorstelling tot het reguliere uitgaansleven van de stedelijke bevolking behoort. Daarom houden de meeste mensen bij hun woonplaatskeuze meer rekening met de nabijheid van podia dan met de nabijheid van musea en leveren musea buiten de woonplaats geen meetbare optiewaarde op (zie tabel 6.1). Voor de mensen die daar wel rekening mee houden geldt dat ze wel in de directe omgeving van een museum willen wonen – terwijl een podium ook wat verder mag staan. Dat zorgt ervoor dat de optiewaarde van musea veel dichter bij de locatie van de musea neerslaat dan bij podia. Maar toch wordt ook aan het bestaan van die musea – los van de locatie – nog extra waarde gehecht. Die bestaanswaarde komt in het volgende hoofdstuk aan bod.
66
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Bestaanswaarde
7
Behalve de hiervoor berekende gebruiks- en optiewaarde wordt specifiek aan (de collectie van) musea mogelijk nog extra waarde toegekend, los van (de optie op) het gebruik van de musea als attractie; de zogenoemde bestaanswaarde. Mensen die naar het museum gaan hechten daar een waarde aan die hoger is dan de kosten die ze maken om het museum te bezoeken. Dat werd de gebruikswaarde genoemd (hoofdstuk 5). Daarnaast hechten mensen waarde aan de mogelijkheid om een museum te bezoeken; die zogenoemde optiewaarde kwam in hoofdstuk 6 tot uitdrukking in hogere huizenprijzen in de buurt van die musea. Die twee maatschappelijke waarden van musea zijn locatieafhankelijk en worden bepaald door mensen die het museum bezoeken en/of in de buurt van een museum gaan wonen om frequent bezoek te vereenvoudigen. Het is mogelijk dat daarmee voor wat betreft de Utrechtse musea niet het hele verhaal verteld is. De maatschappelijke waarde van (de collectie van) de musea is mogelijk groter dan de genotswaarde die de bezoekers eraan toekennen op basis van hun daadwerkelijke (website)bezoek en de mogelijkheid daartoe (de optiewaarde). Zelfs wanneer De Nachtwacht nooit meer te zien zou zijn – ook niet digitaal – zouden veel Nederlanders vermoedelijk waarde hechten aan het feit dat deze bestaat, en wellicht ook aan het feit dat deze in het bezit is van het Rijksmuseum.
Het schilderij draagt bij aan onze nationale identiteit en ons gedeelde verleden. Naar verwachting hangt dit effect met name samen met de canon van de Nederlandse museale collecties – een aantal topstukken van wereldfaam. Voor het overige – en vermoedelijk ook voor de Utrechtse musea – zal een eventuele bestaanswaarde grotendeels een lokaal karakter hebben. 53
In dit hoofdstuk wordt geprobeerd om de bestaanswaarde van de Utrechtse musea te isoleren van de reeds berekende gebruikswaarde en optiewaarde. De cruciale vraag is daarbij wat de extra maatschappelijke waarde is van het in publieke handen hebben en houden van de collectie van die musea. Voor een Fins museum is op basis van een enquête al eens uitgezocht dat de gemiddelde bereidheid om te betalen voor het bestaan en/of in stand houden van dat museum hoger ligt dan de feitelijke bijdrage van de (lokale) 53
Dit is een beknopte weergave van de theorie achter de bestaanswaarde van musea uit: G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht); een uitgebreide beschrijving daarvan staat in hoofdstuk 6 van die publicatie.
67
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
belastingbetaler, en veel hoger dan wat aan de kassa van dat museum aan kaartjes wordt verkocht. Dat bewijst allereerst vooral het bestaan van een consumentensurplus (gebruikswaarde) en optiewaarde. Echter, van mensen die in die enquête aangaven nooit naar het museum te gaan, was de helft bereid om te betalen voor het in stand houden van dat museum. Dat duidt vermoedelijk op een ‘bestaanswaarde’ van musea, al kan deze uitkomst ook nog (deels) een uitdrukking zijn van de optiewaarde. 54
Cijfers over de bestaanswaarde van de (collectie van de) Nederlandse musea zijn er niet. Daarom is geprobeerd om de bestaanswaarde van (de collecties van de) Utrechtse musea te bepalen aan de hand van een nieuwe enquête, naar Fins voorbeeld. In die enquête is gevraagd naar de bereidheid van Utrechters om te betalen om een eventuele (hypothetische) sluiting van de Utrechtse musea te voorkomen (zie bijlage 2 voor de complete vragenlijst). De opzet van die enquête was er op gericht om onderscheid te kunnen maken tussen de gebruikswaarde en optiewaarde enerzijds en de pure bestaanswaarde anderzijds. Daarvoor was het van belang om verschil te maken tussen de bereidheid om te betalen voor het voorkomen van sluiting van de Utrechtse musea, waarbij de collectie ondergebracht zou worden bij een museum elders in het land, en de bereidheid om te betalen voor voorkoming van vernietiging of het uiteenvallen en in private handen komen van de collectie van die musea. Omdat het niet goed voor te stellen is dat de collectie van de Utrechtse musea in geval van sluiting wordt vernietigd, is in dat deel van de enquête niet gevraagd naar de bereidheid om te betalen voor het voorkomen van de vernietiging van de collectie van Utrechtse musea maar van de feitelijk plaatsgevonden vernietiging van het tempelcomplex in het Syrische Palmyra en van drie schilderijen uit de Rotterdamse Kunsthal in 2012.
Uit de antwoorden op die vragen bleek allereerst dat van de mensen die aangaven (waarschijnlijk) niet van plan te zijn geweest om Palmyra ooit te bezoeken de meesten het niettemin (heel) erg vonden dat het tempelcomplex verwoest is, en bereid waren om te betalen voor het voorkomen daarvan. Dat duidt erop dat dat culturele erfgoed voor mensen in Utrecht een bestaanswaarde heeft die los staat van het (voorgenomen of 54
T. Tohmo, 2004: Economic value of a local museum: Factors of williness-to-pay, Journal of SocioEconomics, 33, pp. 229-240.
68
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
feitelijke) gebruik ervan (de bezichtiging). De bereidheid om te betalen onder deze groep lag wel circa 75% lager dan gemiddeld. Dat zou erop kunnen wijzen dat de bestaanswaarde voor een additionele maatschappelijke waarde zorgt in de orde van een kwart van de totale maatschappelijke waarde (op basis van de gebruikswaarde, optiewaarde, economische waarde en sociale waarde van cultuur). Ook de meeste mensen die (waarschijnlijk) niet van plan waren geweest om de gestolen schilderijen uit de Kunsthal te gaan bekijken vonden het (heel) erg dat die schilderijen zijn verbrand. De bereidheid om te betalen om de vernietiging van die schilderijen uit de Kunsthal te voorkomen bleek tussen 4% (via de belastingen/overheid) en 16% (eigen bijdrage) van de betalingsbereidheid voor het voorkomen van diefstal en vernietiging te liggen. Dat is dus de bestaanswaarde los van publiek bezit; de waarde van de wetenschap dat de schilderijen nog ergens – maar op een voor het publiek onzichtbare plek – bestaan. Dat onderdeel van de bestaanswaarde zal dus minstens 4% van de totale maatschappelijke waarde van dit deel van de museale collectie uitmaken. 55
In de rest van de enquête is gevraagd naar de bereidheid van Utrechters om te betalen om sluiting van zes Utrechtse musea (Centraal Museum, Museum Speelklok, Museum Catharijneconvent, het Spoorwegmuseum, het Universiteitsmuseum en het Volksbuurtmuseum) te voorkomen. Daarmee is geprobeerd te achterhalen wat het Utrechters waard is dat die collecties in publieke handen en in Utrecht te bewonderen zijn, het tweede onderdeel van de bestaanswaarde waarnaar we op zoek zijn (1. de waarde die mensen hechten aan het bestaan van cultureel erfgoed, waar dan ook en 2. de waarde die mensen hechten aan het in stedelijk of nationaal bezit zijn van dat erfgoed).
55
Deze bestaanswaarde staat in principe los van de marktwaarde van de verbrande schilderijen omdat deze vanuit maatschappelijk perspectief ook verloren gaat als de schilderijen niet verbrand worden maar voorgoed op een geheime en voor het publiek ontoegankelijke plek komen: ze zijn immers gestolen. Wel is het goed denkbaar dat respondenten het nominale bedrag dat ze in dit scenario noemden relateren aan de marktwaarde. Merk in het verlengde daarvan tevens op dat de marktwaarde van de collecties van de Utrechtse musea en de toename daarvan in de tijd geen additionele kosten en baten opleveren voor dit onderzoek. Tegenover de (toename van de) marktwaarde staan immers de zogeheten ‘opportuniteitskosten’ van het in publiek bezit houden van de collecties. Als deze opportiniteitskosten specifiek bepaald worden voor de aard van de ‘belegging’, zijn ze per definitie gelijk aan de gemiddeld verwachte waardeontwikkeling. Zie voor een uitvoeriger bespreking van dit punt: G. Marlet, J. Poort, C. van Woerkens, 2011: De schat van de stad. Welvaartseffecten van de Nederlandse musea (Atlas voor gemeenten, Utrecht), p. 64-66.
69
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
De meeste geënquêteerden zouden het ‘erg’ of ‘heel erg’ vinden als de Utrechtse musea zouden verdwijnen, en zijn bereid om flink te betalen om dat te voorkomen, met name voor het Centraal Museum, Museum Speelklok, Museum Catharijneconvent en het Spoorwegmuseum, waar de gemiddelde bereidheid om te betalen om sluiting te voorkomen tussen de 120 en de 150 euro ligt (zie figuur 7.1).
Figuur 7.1 De bereidheid van Utrechters om te betalen om een eventuele sluiting van de Utrechtse musea te voorkomen 200
Gemiddelde bereidheid om te betalen om sluiting te voorkomen (in euro's per geenqueteerde)
180 160
Spoorwegmuseum Museum Speelklok
140
Museum Catharijneconvent Centraal Museum
120 100
Universiteitsmuseum
80 Volksbuurtmuseum
60 40 20
Aandeel van de geenqueteerden dat het (heel) erg zou vinden als het museum wordt gesloten
0 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
Die bereidheid om te betalen om sluiting te voorkomen is echter niet hetzelfde als de bestaanswaarde. Mensen die bereid zijn om te betalen om sluiting te voorkomen, zijn namelijk ook vrijwel allemaal mensen die de Utrechtse musea bezoeken of van plan zijn dat te gaan doen. In hun bereidheid om te betalen om sluiting te voorkomen zit dus ook waarde die zij hechten aan (toekomstig) gebruik: toekomstige gebruikswaarde en optiewaarde. Ten dele zal dat ook het geval zijn wanneer de collectie verhuist naar een museum elders in het land. Daar komt bij dat het om twee redenen minder betrouwbaar is om deze eurobedragen zonder meer over te nemen. In de eerste plaats kunnen ‘vrijblijvende’ betalingsbereidheden in enquêtes nogal eens een forse
70
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
overschatting opleveren. In de tweede plaats is het aannemelijk dat liefhebbers van kunst en cultuur oververtegenwoordigd zijn onder de respondenten van de enquête. Vanwege de nieuwe privacyrichtlijnen van de gemeente kon echter geen poststratificatie van de respons worden uitgevoerd om dit verder te onderzoeken en een eventueel effect daarvan (deels) te corrigeren op basis van een aantal persoonskenmerken. Daarom worden alleen de gemiddelde verhoudingen tussen de antwoorden op de twee scenario’s gebruikt om een schatting af te leiden van de bestaanswaarde van de musea. Op die manier zijn de uitkomsten minder vatbaar voor de twee genoemde beperkingen. Toch blijft het plausibel dat selectieve respons tot een overschatting van de bestaanswaarde ten opzichte van de totale waarde heeft geleid. Om de waarde die mensen hechten aan het in publiek bezit zijn van de Utrechtse collectie te kunnen berekenen is specifiek naar de betalingsbereidheid voor het in stand houden van de (collectie van de) Utrechtse musea gevraagd (zie de vragenlijst in bijlage 2). De bereidheid om te betalen voor het in publiek bezit houden van de collectie van het Centraal Museum in een museum elders in het land, bleek 33% van de totale waarde (de betalingsbereidheid voor het voorkomen van sluiting) te zijn.
Voor de overige Utrechtse musea ligt dat percentage hoger (zie figuur 7.2), wat betekent dat het behouden van de collectie in publiek bezit in een museum elders in het land voor die musea belangrijker gevonden wordt dan het feit dat die musea in Utrecht (blijven) staan. 56
56
Omdat sommige respondenten niet alle vragen naar betalingsbereidheid hebben ingevuld is hier allereerst per respondent de verhouding bepaald tussen de bereidheid om te betalen voor het voorkomen van sluiting en de bereidheid om (in geval van sluiting) te betalen voor het in publieke handen houden van de collectie in een ander museum in Nederland. Van die verhoudingen is vervolgens het gemiddelde genomen. Zie bijlage 2 voor een verantwoording.
71
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Figuur 7.2 De bereidheid om te betalen voor het in stand houden van (de collectie van) de Utrechtse musea 200
bereidheid te betalen om sluiting van het museum te voorkomen
180
bereidheid te betalen voor in publiek bezit houden van collectie in museum elders in het land
160 140 120 100 80 60 40 20
id de ld e
um
um
em G
U ni ve rs ite
its m
us e
us e rt m Vo lk sb uu
Sp ee lk
lo k
m M us eu m
us eu Sp oo rw eg m
ne c Ca th ar ij
M us eu m
Ce
nt ra a
lM us eu
on ve n
t
m
0
De bereidheid om te betalen voor het in publieke handen houden van de collectie van het Centraal Museum in een museum elders in het land is 33% van de bereidheid om te betalen voor het voorkomen van sluiting. Maximaal is dat 70% (Museum Catharijneconvent en Universiteitsmuseum) en gemiddeld over alle musea 59%. Als bij verhuizing van de collectie naar een museum elders in het land in de ogen van de respondenten de gehele gebruiks- en optiewaarde verloren gaan, zou dat gemiddelde van 59% impliceren dat de bestaanswaarde van het publieke bezit van de collectie groter is dan de gebruikswaarde en optiewaarde samen. 57
Dat is echter niet aannemelijk. Zeker tegen de achtergrond van de vraagstelling van de enquête zullen respondenten bij verhuizing van de collectie naar een andere stad het nog altijd als mogelijkheid zien de collectie te bezoeken. Ze moeten er alleen verder voor reizen. Bij de meer plausibele aanname dat respondenten bij verhuizing van de collectie naar een andere stad gemiddeld de helft van de huidige gebruikswaarde en optiewaarde verwachten, komt de bestaanswaarde die samenhangt met het publieke bezit
57
De bestaanswaarde is dan immers 59% en de gebruikswaarde en optiewaarde samen dus 41%.
72
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
op gemiddeld 20% van bestaanswaarde en optiewaarde samen. Daar komt dan nog de waarde van het voorkomen van vernietiging van de collectie bij; minstens 4%, zie hierboven. In totaal komt de bestaanswaarde daarmee op ongeveer een kwart van de gebruikswaarde en optiewaarde samen. Bij een gebruikswaarde voor Utrechters van € 0,9 miljoen (hoofdstuk 5) en een optiewaarde van € 6,3 miljoen komt dat op een bestaanswaarde van € 1,7 miljoen per jaar. Dat brengt de totale jaarlijkse welvaartswinst van de Utrechtse musea op € 8,9 miljoen. Daar komen dan de economische en sociale waarde van de Utrechtse musea (zie hoofdstuk 8 en 9) nog bij. 58
59
58
Bij behoud van 60% of meer van de huidige gebruiks- en optiewaarde wordt de resulterende bestaanswaarde van publiek bezit nihil. 59 Merk op dat deze uitkomst met de nodige onzekerheid is omgeven doordat geen poststratificatie kon worden uitgevoerd en als gevolg van de gevoeligheid van de aanname over het deel van de gebruikswaarde en de optiewaarde dat bij verhuizing behouden blijft.
73
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
8
Economische waarde De economische waarde van kunst en cultuur bestaat voor een belangrijk deel uit de bestedingen van toeristen en dagjesmensen die zonder het aanbod kunst en cultuur niet naar de stad Utrecht waren gekomen. Daar bovenop komen dan nog werkgelegenheidseffecten van de sector zelf, hoewel deze maar voor een beperkt deel mogen worden meegerekend bij de maatschappelijke effecten. In de eerste paragraaf van het hoofdstuk wordt ingegaan op de effecten van bestedingen door toeristen en dagjesmensen, in de tweede paragraaf op de werkgelegenheidseffecten en de laatste paragraaf laat het overzicht van de totale economische waarde van het gesubsidieerde culturele aanbod in Utrecht zien.
8.1
Bestedingen door toeristen en dagjesmensen
Het aanbod cultuur is, naast bijvoorbeeld winkelen of horecabezoek, één van de belangrijkste redenen voor mensen om een stad te bezoeken. Dat geldt zeker voor Utrecht, zo blijkt uit het zogenaamde Continue Vakantie Onderzoek uit 2015. In dit enqûete-onderzoek is aan toeristische bezoekers van een stad (die elders in Nederland wonen) onder andere gevraagd wat de belangrijkste ondernomen activiteiten en belangrijkste redenen voor het bezoek waren. 60
Een omvangrijk deel van de bezoekers (van buiten de stad) aan Utrecht bezoekt een culturele instelling of activiteit. Figuur 8.1 laat zien dat 11% van de bezoekers een museum bezoekt en 9% een theater of concert. Daarnaast gaat 12% van de bezoekers naar een evenement (wat zowel een cultureel evenement als het Nederlands Filmfestival kan zijn als een verzamelaarsbeurs in de Jaarbeurs) en 5% naar een bioscoop. Voor een omvangrijk deel vormt het bezoeken van een culturele instelling dus één van de activiteiten die ze in de stad hebben ondernomen. Veel bezoekers combineren uiteraard activiteiten: bijvoorbeeld door behalve een bezoek aan een museum ook te gaan lunchen of dineren in een restaurant. Het is dan ook lastig om op basis van figuur 8.1 te bepalen welk aandeel van de bezoekers niet was gekomen zonder cultuur: mensen die 60
NBTC – NIPO research, 2015: Toeristisch bezoek aan steden 2014.
74
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
aangeven bijvoorbeeld ook een museum te bezoeken waren wellicht zonder dat museum wel gaan winkelen in de stad.
Figuur 8.1 Activiteiten61 die worden ondernomen door bezoekers aan de stad Utrecht (2014)62 Ondernomen activiteiten bezoekers Utrecht 47%
Winkelen voor plezier 37%
Restaurant 25%
Terras Stadswandeling
12%
Evenement
12%
overig
11%
Museum
11% 9%
Theater/concert Nachtleven/uitgaan
5%
Bioscoop
5%
0%
20%
40%
60%
Bron: CVO 2015
Figuur 8.2 laat zien wat de belangrijkste reden voor het bezoek aan de stad was. Hierbij is het aannemelijk dat dit een indicatie geeft welk deel van de bezoekers zonder het cultuuraanbod of het winkelaanbod niet naar Utrecht zou zijn gekomen. Als de belangrijkste reden voor het bezoek aan een stad immers winkelen of een bezoek aan een theater is, dan is het waarschijnlijk dat zonder winkels of theaters deze mensen naar een andere stad zouden gaan waar dat aanbod er wel is. Het aandeel mensen dat als belangrijkste reden een bezoek van een museum of theater/concert geeft is respectievelijk 9% en 8%. Daarmee verschilt dit nauwelijks van het aandeel mensen dat aangeeft dat het bezoeken van een museum of theater/concert één van de ondernomen activiteiten was (respectievelijk 11% en 9%). Dit impliceert dat voor bezoekers van buiten 61
De categorie ‘overig’ bestaat uit het bezoeken van een sportwedstrijd, attractie, spa/wellness en de brede categorie ‘overig’ (waaronder vrienden of familiebezoek) of geen specifieke reden. 62 Omdat een bezoeker veelal meer dan één activiteit onderneemt zijn meerdere antwoorden mogelijk. De percentages tellen dan ook niet op tot 100%.
75
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
de stad die een culturele instelling bezoeken dit vrijwel altijd ook de belangrijkste reden was voor dit bezoek. Daarmee is het aannemelijk dat zonder het culturele aanbod (het grootste deel van) deze bezoekers niet waren gekomen. Dat is op zich goed te verklaren want voor een theatervoorstelling of concert moet over het algemeen van te voren een kaartje worden gekocht. Een museumbezoek is in veel gevallen een hoofddoel voor een dagje uit en vaak niet iets dat spontaan als extra activiteit naast het winkelen of naar een restaurant gaan wordt bedacht. Voor het bezoeken van een restaurant, winkelen voor plezier of het zitten op een terras is het verschil in percentages tussen figuur 8.1 en 8.2 veel groter: dat zijn dus activiteiten die mensen vaker ook hebben ondernomen terwijl ze voor een ander doel kwamen (bijvoorbeeld het bezoeken van cultuur).
Figuur 8.2 Belangrijkste reden63 voor een bezoek aan de stad Utrecht (2014) Belangrijkste reden om Utrecht te bezoeken 31%
Winkelen voor plezier 19%
overig 11%
Evenement
10%
Restaurant
9%
Museum
8%
Theater/concert Terras
4%
Stadswandeling
4%
Nachtleven/uitgaan
3%
Bioscoop
3%
0%
20%
40%
60%
Bron: CVO 2015
Naast bezoekers uit de rest van Nederland zijn er ook buitenlandse toeristen die een bezoek brengen aan culturele instellingen in Utrecht. Het culturele aanbod en de historie zijn voor een deel van de buitenlandse toeristen de 63
De categorie ‘overig’ bestaat uit het bezoeken van een sportwedstrijd, attractie, spa/wellness en de brede categorie ‘overig’ (inclusief familie of vriendenbezoek) of geen specifieke reden.
76
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
belangrijkste reden om naar Nederland te komen. Zo bezoekt 41% van alle internationale toeristen een museum en vormt museumbezoek de belangrijkste ondernomen activiteit voor 6% van alle toeristen. Dat impliceert dat zonder het culturele aanbod (in dit geval musea) in Nederland een deel van de buitenlandse toeristen waarschijnlijk niet was gekomen. Tegelijkertijd betekent dit ook dat een deel van de buitenlandse toeristen dat een museum heeft bezocht ook zonder dat museum wel was gekomen maar bijvoorbeeld minder lang was gebleven of wat anders was gaan doen. Van de internationale toeristen die de stad Utrecht bezoeken, is bekend dat 8% zijn of haar vakantie zou typeren als een cultuurvakantie en 38% als stedentrip. Van deze bezoekers is het aannemelijk (cultuurvakantie) of mogelijk (stedentrip) dat zij zonder het culturele aanbod niet of in elk geval minder lang in Utrecht (of zelfs Nederland) zouden zijn geweest. Ook hier lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat een deel van de buitenlandse toeristen niet of minder lang in Utrecht zou zijn geweest als er geen cultureel aanbod zou zijn geweest. 64
65
In totaal trok het gesubsidieerde culturele aanbod in Utrecht in 2016 ruim 1,5 miljoen bezoekers uit de rest van Nederland en meer dan 100.000 buitenlandse bezoekers (zie tabel 8.1). Het grootste deel van hen bezocht een museum of een uitvoering in de podiumkunsten. Het is aannemelijk dat de bezoekers uit de rest van Nederland zonder cultureel aanbod niet naar Utrecht zouden zijn gekomen, maar naar een andere stad waren gegaan. Zoals gezegd is voor verreweg de meeste bezoekers van culturele instellingen dat bezoek ook de belangrijkste reden om naar de stad te komen. Voor de buitenlandse bezoekers is dat minder eenduidig. Een deel van de buitenlandse bezoekers zal specifiek voor het culturele aanbod zijn gekomen (zoals bijvoorbeeld het festival Le Guess Who? of Japanse toeristen die specifiek voor het Nijntje Museum komen). Zonder cultureel aanbod zouden deze toeristen niet naar Nederland of in elk geval niet naar Utrecht zijn gekomen. Voor een ander deel van de toeristen zal het bezoek aan een museum onderdeel zijn van een stedentrip naar Utrecht of onderdeel zijn van een dagje Utrecht binnen een vakantie in Nederland. Zonder cultureel aanbod zou het verblijf in Utrecht dan mogelijk korter zijn geweest maar het is niet aannemelijk dat zij zonder cultureel aanbod helemaal niet in 64 65
NBTC, 2016: De internationale bezoeker: Cultuur (NBTC, Den Haag). Toerisme Utrecht, 2014: Samenvatting Inkomend Toerisme.
77
De waarde van cultuurstad Utrecht [Atlas voor gemeenten]
Nederland of Utrecht waren geweest. Daarom is er niet vanuit gegaan dat de buitenlandse bezoekers aan de culturele instellingen helemaal geen vakantie in Nederland of Utrecht zouden hebben gevierd zonder cultureel aanbod, maar dat hun verblijf een dag korter zou zijn geweest