College 1.14.10 Bijlage 7 - Groen gas in Drenthe NEC 2022
Tekst van het document
Certificaten afboeken Een andere manier om groen gas lokaal in te zetten is door niet te interveniëren in de klant-leverancier relatie maar door de groen gas certificaten die door de lokale overheid verworven zijn af te boeken. Dan ontstaat immers de situatie dat de groen gas invoeder een hoeveelheid gas heeft ingevoed in het lokale net en de inwoners hebben gas afgenomen uit hetzelfde net. Als de hoeveelheid ingevoed gas even groot is als de hoeveelheid afgenomen gas hebben alle, op dit net aangesloten inwoners groen gas gebruikt ongeacht hun leverancier. Als de inwoners ook via hun leverancier een groen gas contract hebben en/of de bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving van kracht is zouden deze inwoners meer dan 100% groen gas gebruiken. Nadeel van deze oplossing is dat de waarde van de groen gas certificaten (ca. 0,35/Nm³) niet gewaardeerd wordt. Certificaten verkopen De laatste optie lijkt op de vorige maar dan worden de certificaten verkocht aan de lokale gebouwde omgeving. ‘Vergroenjegas’ bood deze optie aan maar is daar inmiddels weer mee gestopt omdat volgens hun inmiddels voldoende aanbieders op de markt zijn die groen gas aanbieden. Via deze weg kunnen lokale burgers en bedrijven groen gascertificaten kopen en zo, ongeacht hun leverancier, hun gasverbruik vergroenen.
Vooralsnog lijkt het niet mogelijk om dit te verplichten maar dat zou kunnen veranderden op het moment dat de volledige warmtevraag van de gebouwde omgeving duurzaam moet zijn. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de keuze voor een bijmengverplichting door de overheid nu gemaakt is waardoor een dergelijke verplichting waarschijnlijk via de leverancier wordt vormgegeven.
7.3 Perspectief 3: Sturing productie Zoals hierboven aangegeven kan naast de invloed op de herkomst en de inzet van biogrondstoffen ook een verdergaande invloed op de keten worden verkregen door bijvoorbeeld het investeren in collectieve oplossingen, zoals bijvoorbeeld rondom afvalverwerking. Om maximale invloed te kunnen uitoefenen op de beschikbaarheid van groen gas en daarnaast de bestemming van de GvO’s kan overwogen worden om het project zelf (mede) te ontwikkelen en realiseren, of door financieel te participeren (al dan niet met subsidies) in projecten. Voorbeelden van dergelijke ‘projecten’ zijn veelal 33
te vinden bij de collectieve afvalverwerkers, zoals Omrin, Twence, of HVC. Ook kan er mogelijk worden geïnvesteerd in of subsidie gegeven worden aan een coöperatie (zoals Wijnjewoude Energie Neutraal of Nieuwborgen). Ook kan het ruimtelijk beleid worden ingericht om de productie van groen gas te stimuleren. Overheidsbedrijven, afvalverwerking en energieopwekking Omrin (Fryslân, Groningen, Gelderland, Zuid Holland) Omrin, met Friese, Groningse, Gelderse en Zuid Hollandse gemeenten als aandeelhouders, produceert groen gas. Dit gas wordt deels ingezet voor hun eigen wagenpark. Wat overblijft wordt in het net ingevoed en is naar eigen zeggen voldoende voor zo'n 10.000 afnemers. Recent is de groen gas productie capaciteit fors uitgebreid. De bij Omrin geproduceerde GvO’s worden deels ingezet voor vergroening eigen energiebehoefte (het wagenpark), deels aangeboden bij aandeelhouders tegen marktprijs en deels verhandeld op de certificatenmarkt. Twence (regio Twente) Twence, opgericht door 14 Twentse gemeenten, produceert biogas voor de opwek van elektriciteit en warmte. De opgewekte elektriciteit wordt via een energieleverancier ook aan de aandeelhoudende gemeenten geleverd. Twence werkt momenteel ook aan een groen gas installatie, waarmee voor zo'n 3000 huishoudens groen gas kan worden geproduceerd.
Voor de aanvoer van biogrondstoffen heeft Twence een mestverwerkingsprogramma, waarbij varkensmest wordt verwerkt en (lokale) veehouderijen worden ontzorgd in hun mestverwerkingsplicht tegen een ‘concurrerend vast maandbedrag’. HVC (regio Noord- en Zuid-Holland) HVC, energie- en afvalbedrijf van 44 gemeenten en 6 waterschappen, heeft een groen gas installatie in Middenmeer, Noord-Holland. Hiermee kunnen volgens HVC zo'n 2000 huishoudens van groen gas worden voorzien. HVC heeft daarvoor ook al sinds 2010 een leveranciersvergunning. Hiermee kan HVC ook zelf de levering van gas aan kleinverbruikers verzorgen. Afnemers kunnen dus ook daadwerkelijk rechtstreeks via HVC (groen) gas afnemen, indien voldoende beschikbaar. Als de vraag groter is dan het aanbod groene gas, zal HVC gas en GvO's moeten inkopen op de handelsmarkten om te kunnen voldoen aan de leveringsplicht en leveringszekerheid.
Een rol spelen in de productie kan ook financieel interessant zijn. De bijmengverplichting veroorzaakt naar verwachting een flinke waardestijging van het groene gas.
7.4 Perspectief 4: Sturing afname Als vierde en laatste strategie kan worden gestuurd op de afname van groen gas. Indien gemeenten hechten aan de inkoop van groen gas door haar bewoners en daar zelf ook een stimulerende factor in zouden willen zijn kan er bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van subsidies om de bewoners te stimuleren (lokaal) groen gas af te nemen bij zijn/haar leverancier. Ook de provincie zou dergelijke subsidie kunnen onderzoeken. Onderzocht kan worden of er op effectieve en efficiënte wijze een subsidie zou kunnen worden geboden die groen gas gebruik stimuleert. Hiervoor kan ook gedacht worden aan aanvullende verduurzamingssubsidies of gunstige leningen, bijvoorbeeld voor het isoleren van woningen, het aanschaffen van (hybride) warmtepompen, etc. Bij dergelijke subsidies kan worden gekeken naar voorwaarden rondom het gebruikte gas, indien gas wordt gebruikt voor verwarming. Hierbij moet ook worden gekeken naar de huidige ISDE-subsidies vanuit het Rijk. Mogelijk dat in deze subsidies ook rekening gehouden kan worden met lokale omstandigheden en plannen. Belastingen om het gebruik van ‘grijs’ gas te ontmoedigen zijn niet waarschijnlijk, omdat een wettelijke grondslag voor dergelijke belasting lijkt te ontbreken op Provinciaal en Gemeentelijk niveau. Tevens zijn er landelijk al belastingen georganiseerd met hetzelfde doel, namelijk een
34
verhoogde energiebelasting op het gebruik van aardgas. Uitgangspunt is dat er voor hetzelfde niet twee keer belast kan worden. Bij de huidige Energiebelasting wordt geen onderscheid gemaakt tussen grijs en groen (zowel voor elektriciteit als gas). Ook ‘stuurt’ dergelijke landelijke belasting niet op lokaal gebruik, maar louter op nationaal gebruik van (groen) aardgas. Belastingen zijn dus geen waarschijnlijk middel om groen gas te stimuleren, of voor bijvoorbeeld het voorzien van budget voor het aankopen van GvO's voor lokale borging van groen gas. Mogelijk dat aanpassingen in de landelijke Energiebelasting (of de Opslag Duurzame Energie) nog stimulansen zouden kunnen bieden in de toekomst.
7.5 Perspectief 5: Sturing locaties Als laatste kunnen regionale overheden een belangrijke rol spelen in relatie tot ruimtelijke inpassing en draagvlak. Deze aanpak zagen we ook bij de totstandkoming van de Regionale Energie Strategieën. Deze zijn immers opgesteld door regionale samenwerkingsverbanden van gemeenten, provincies, waterschappen, maatschappelijke partners en het rijk. Elke regio beschrijft waar en in welke mate er plek is voor de opwek van duurzame energie. Op dit moment wordt op nationaal niveau nagedacht hoe en door wie deze opgave voor groen gas het beste ingevuld kan worden.
35
8 Conclusies en aanbevelingen 8.1 Conclusies De RES-regio Drenthe zet in op een besparing van 15 procent op het gebruik van warmte in de gebouwde omgeving in 2030, hierdoor daalt het warmtegebruik naar 11,9 TJ. De toekomstige economische beschikbaarheid van biogrondstoffen in 2030 zal maximaal 4 PJ bedragen. Dit is een inschatting gebaseerd op een flink aantal aannames. Energie uit biomassa zal daarom maximaal 34% kunnen bijdragen aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. De overige 66% zal moeten worden ingevuld door vraagvermindering en door andere opties zoals all-electric en warmtenetten. De bestaande vergistingsinstallaties in Drenthe en de installaties die in ontwikkeling zijn kunnen gezamenlijk maximaal 5,8 PJ leveren en daarmee zou 48% van de Drentse warmtebehoefte in de gebouwde omgeving ingevuld kunnen worden. Voor een deel (30%) betreft dit WKK installaties die stroom en warmte produceren waarbij de warmte grotendeels voor de eigen processen wordt gebruikt. Hun groene stroom en ook het groen gas van de andere installaties wordt weliswaar ingevoed op het lokale net maar de groenwaarde (garantie van oorsprong) ervan wordt verhandeld in heel Nederland en soms zelfs daarbuiten. De hoeveelheid energie die uit Drentse reststromen geproduceerd kan worden bedraagt op dit moment maximaal 4,6 PJ. Dat is dus minder dan de 4 PJ die in de toekomst geproduceerd kan worden.
Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de krimp van de veestapel. Deze hoeveelheid energie is nu al onvoldoende om alle huidige en geplande installaties van biomassa te voorzien en met een inkrimping van de veestapel in het verschiet zal dat tekort in de toekomst toenemen. Om de installaties in Drenthe op vol vermogen te laten draaien zal dus biomassa geïmporteerd moeten worden. Ook op dit moment wordt biomassa van buiten Drenthe aangevoerd om vergist te worden. Onderstaande tabel toont de economische beschikbaarheid van biogrondstoffen. Tabel 12: Economische beschikbaarheid biogrondstoffen Biogrondstof
Droge stof (kton)
Energie-inhoud TJ
MNm³ groen gas
Productiehout uit bossen
16
258
4,7
Hout reststromen uit bossen
11
175
3,2
Stro, bietenblad en bermgras
73
1.169
16
Houtafval van industrie
9,6
100
2,8
ONF en Gft-afval
100
181
5,1
Afvalhout huishoudens
28
290
8,2
RWZI slib
14
168
4,8
Mest
258
1.794
51
VGI stromen
27
472
9,5
Totaal
521
4.607
106
36
Vergisting van dagverse mest gecombineerd met stalmaatregelen kunnen leiden tot aanzienlijke reducties van zowel de stikstof als methaanemissies van veehouderijen. Afhankelijk van het type vee (melkvee, kalveren of varkens) en gekozen maatregelen kunnen de mogelijke reducties uit mest oplopen tot 75% voor ammoniak en 83% voor methaan. Groen gas, en de daarvoor benodigde biogrondstoffen, zijn schaars en vanuit verschillende sectoren in binnen- en buitenland wordt er aan getrokken. Dankzij de bijmengverplichting voor transportbrandstoffen is deze sector op dit moment in staat om de hoogste prijs te betalen voor groen gas. Dat doen ze in de vorm van een premium (de HBe waarde) bovenop de gasprijs, deze HBe waarde kon in de eerste helft van 2022 oplopen tot ca. € 36/GJ of € 1,14/Nm³ boven op de gasprijs die begin 2022 ook bijzonder hoog is. De verwachting is dat de HBe waarde de komende jaren verder zal stijgen. De in het Coalitieakkoord aangekondigde bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving moet er voor gaan zorgen dat ook de gebouwde omgeving in de toekomst over groen gas kan beschikken. In 2030 moet ca. 20% van al het gas dat door de gebouwde omgeving wordt gebruikt groen zijn; daarvoor is dan 1,6 miljard Nm³ groen gas per jaar nodig. Beide bijmengverplichtingen concurreren met elkaar om het beschikbare groen gas te krijgen.
Zo lang er voldoende groen gas beschikbaar is om aan beide verplichtingen te voldoen zal eerst de bijmengverplichting voor transportbrandstoffen bediend worden omdat daar de hoogste prijs wordt betaald. Wat niet in transport ingezet kan worden zal in de gebouwde omgeving gebruikt worden. Zodra er spanning ontstaat tussen vraag en aanbod van groen gas zal de prijs die de gebouwde omgeving moet betalen toe bewegen naar de prijs in de transportsector. Met hoge prijzen als gevolg. Om die prijzen te dempen zijn middelen gereserveerd voor compenserende maatregelen en ook wordt nagedacht over andere manieren om de prijzen niet te veel te laten stijgen. Het is zeer wel mogelijk dat lokale overheden een rol krijgen in het aanwijzen van locaties voor de productie van groen gas, net zoals eerder in de RES is gezien. Nu draagt Drenthe al behoorlijk wat bij. Wanneer alle Provincies in gelijke mate bij moeten gaan dragen aan de 2 BCM ambitie in 2030 en de oppervlakte maatgevend is zal Drenthe de productie van ca. 130 miljoen Nm³ groen gas moeten gaan huisvesten. Een leverancier moet straks zorgen dat aan de bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving wordt voldaan. Er moet dus voldoende groen gas worden aangeboden om aan de verplichting te voldoen. Waar dat groene gas uiteindelijk terecht komt is lastig te sturen.
Maatschappelijk gezien lijkt de inzet in zowel historische binnensteden als het buitengebied te prefereren.
8.2 Aanbevelingen Ook zonder ingrijpen van de lokale overheid zal in 2030 20% van het gasverbruik van de lokale gebouwde omgeving met groen gas ingevuld gaan worden. Indien lokale overheden ambitieuzer zijn en meer dan 20% groen gas in de gebouwde omgeving willen zien zijn daarvoor weliswaar een aantal mogelijkheden maar de meeste daarvan vallen af omdat ze zeer complex of onpraktisch zijn of lastig in overeenstemming zijn te brengen met bestaand en toekomstig beleid. Aanpak De aangekondigde bijmengverplichting voor groen gas in de gebouwde omgeving krijgt op dit moment vorm. Uit de brief aan de kamer van juli 2022 blijkt dat de komende periode gebruikt zal worden om de verplichting in te vullen en zal meer duidelijkheid ontstaan. Dat maakt het lastig om nu aanbevelingen te doen maar op basis van hetgeen nu bekend is kan de volgende strategie gevolgd worden.
37
Groen gas is schaars en er is, ook in de toekomst, onvoldoende om de gehele gebouwde omgeving warm te houden. Vraagreductie is daarom de eerste stap. Lokale overheden kunnen burgers stimuleren om maatregelen te treffen die leiden tot een lager gasverbruik. Dat kunnen maatregelen zijn zoals het isoleren van woningen of de aanschaf van een hybride warmtepomp. Voor de hybride warmtepomp geldt dat daar al landelijke subsidieregelingen voor zijn waar lokaal goed gebruik van gemaakt kan worden. Hier kan de gemeente wel een rol spelen in het aangeven van het toekomstperspectief voor de bewoners, het zou immers vervelend zijn indien bewoners een hybride warmtepomp aanschaffen om vervolgens een paar jaar later afgesloten te worden van het gasnet. De grootste winst in vraagreductie wordt gerealiseerd op het moment dat de wijken die op een alternatieve manier verwarmd kunnen worden zijn afgekoppeld van het gasnet. Wijken dus die allelectric verwarmd kunnen worden of die aangesloten kunnen worden op een warmtenet. De PBL startanalyse biedt daarvoor een goed vertrekpunt. Een tweede rol die goed past bij de lokale overheden is het vergroten van de vraag door het stimuleren van groen gasproductie. Daartoe heeft de lokale overheid meerdere mogelijkheden: -
-
als eigenaar van biomassa (zoals: Gft-afval, bermgras, zuiveringsslib) kan zij invloed uitoefenen op de verwerking ervan en zo zorgen dat er groen gas van gemaakt wordt; zodra sprake is van zeggenschap over de bestemming van certificaten maar de prijs nog te hoog is voor de gebouwde omgeving kan de lokale overheid overwegen een optie te nemen op het groene gas. Die kan worden uitgeoefend zodra er een gelijk speelveld is ontstaan 14; ze hebben al een belangrijke rol in relatie tot ruimtelijke inpassing en draagvlak; lokale overheden kunnen een stimulerende rol vervullen om er voor te zorgen dat nieuwe initiatieven ontwikkeld worden. Bijvoorbeeld door energie coöperaties en/of veehouders aan te sporen of te ondersteunen.
Op die manier dragen lokale overheden bij aan de groei van het groen gasvolume. Daarbij is, de route via energie coöperaties uitgezonderd, niet direct een relatie met de gebouwde omgeving. De vraag is of dat erg is. Op korte termijn zal een deel van het groene gas dan waarschijnlijk haar weg vinden in de transportsector. Zodra de verplichting voor de gebouwde omgeving een feit is zullen de prijzen die in beide sectoren betaald worden naar elkaar toe bewegen en ontstaat vanzelf een moment waarop groen gas inzetten in de gebouwde omgeving minstens even aantrekkelijk wordt. Er is dan sprake van een gelijk speelveld. Dat heeft dan wel een impact op de prijs. Het is aan de Rijksoverheid om die prijsstijging zoveel mogelijk te dempen. In de Kamerbrief over de bijmengverplichting is te lezen dat daar al over wordt nagedacht. Er zijn projecten die streven naar de inzet van meer dan 20% groen gas in de gebouwde omgeving. In die situaties waarbij PBL’s Startanalyse voorschrijft dat groen gas de beste optie is valt daar ook best iets voor te zeggen. De praktische invulling ervan stuit helaas wel op enkele bezwaren. Zo zal er een leverancier nodig zijn om het groen gas te leveren maar lokale gebruikers hebben een leverancierskeuzevrijheid en kunnen niet verplicht worden om zaken te doen met één bepaalde leverancier.
Ze kunnen wel verleid worden in daar kunnen lokale coöperaties wel een rol spelen. Sommige aanbieders, waaronder Energie VanOns, betalen een wederverkopersvergoeding die lokale coöperaties kunnen inzetten voor verdere verduurzaming. Ze zouden zelfs uitgekeerd kunnen worden aan de bewoners (al is dat niet echt de bedoeling). Ook winsten worden uitgekeerd aan de lokale coöperaties. Zoals het nu lijkt wordt een leverancier straks verplicht om voldoende groen gas en/of groen gas certificaten in te kopen om aan de verplichting te voldoen. Als een leverancier teveel groen gas heeft ingekocht kan hij die certificaten verkopen aan een leverancier die te weinig heeft. Als hij besluit ze te houden heeft hij weliswaar meer groen gas geleverd dan verplicht maar is het nog maar de vraag of het dan bijdraagt aan de landelijke doelstelling. Waarschijnlijk niet en dan ontstaat de eigenaardige situatie dat er wel extra groen gas is geleverd aan de gebouwde omgeving maar dat dit
38
extra volume niet bijdraagt aan de doelstelling en daardoor onnodig leidt tot extra schaarste. Zolang niet duidelijk is hoe deze route ingevuld gaat worden verdient deze daarom niet de voorkeur. Vorm Op basis van de huidige beschikbare informatie lijkt het niet verstandig om, als leverancier, meer te doen dan de verplichting voorschrijft. Dat laat onverlet dat het voor lokale projecten wel interessant kan zijn om te streven naar 100% groen gas. Zo lang de leverancier in haar totale gas portfolio niet boven de verplichting uitkomt kan zij daar zonder bezwaren aan bijdragen. Voor energieleveranciers is het lastig, om lokaal afwijkende prijzen te hanteren waardoor het moeilijk wordt om eventuele prijsvoordelen bij de lokale bevolking te laten landen. Door samen te werken met Energie coöperaties wordt dat iets eenvoudiger, leveranciers als ‘Energie vanOns’ of ‘Samen om’ werken nauw samen met coöperaties. Op dit moment zijn al enkele bestaande coöperaties actief aan de slag om te proberen groen gas in de gebouwde omgeving in te zetten:
Gebiedscoöperatie Zuidwest Drenthe heeft plannen om groen gas te gaan produceren uit berm- en natuurgras; EnergieKAnsen werkt aan de productie van groen gas uit mestvergisters. Energiecoöperatie Groengas Koekange Echten wil samen met veehouders groen gas gaan produceren uit mest.
Deze projecten worden alle drie al in meer of mindere mate gesteund door de lokale overheden en hebben al veel kennis opgedaan over wat wel en niet mogelijk is. Kennis die ook aanwezig is bij projecten als Nieuwborgen en Wijnjewoude Energie Neutraal. Bijna alle projecten die werken aan groen gas voor de gebouwde omgeving spreken elkaar zo’n 4 keer per jaar in het webinar ‘Groen gas voor de gebouwde omgeving’ waarin informatie gedeeld wordt. Het Webinar wordt georganiseerd door Nieuwborgen en het Platform Groen Gas. Ook lokale overheden kunnen deelnemen aan dit webinar.
39
Bijlage I: Correctie biogrondstoffen voor hoogwaardigere toepassingen. In hoofdstuk 2 is aangegeven dat de Drentse biogrondstoffen een energie-inhoud vertegenwoordigen van 14 PJ. Echter een aanzienlijk deel van deze grondstoffen is niet beschikbaar voor energieproductie omdat ze hoogwaardiger kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld als grondstof/materiaal, voedsel of voer. Onderstaan is weergegeven hoe hier voor is gecorrigeerd. Productiehout uit bossen Deze biogrondstof wordt grotendeel hoogwaardig toegepast als materiaal. Volgens Probos wordt op dit moment echter nog 25% van deze stroom gebruikt voor de opwekking van energie. Hout reststromen uit bossen Dit zijn reststromen als top- en takhout die vrijkomen en niet als materiaal kunnen worden ingezet, ze zijn dus beschikbaar voor energie. E&E Advies geeft op basis van landelijke cijfers aan dat deze stroom in Drenthe maximaal 280 TJ vertegenwoordigd. Deze cijfers worden vergeleken met cijfers van Staatsbosbeheer die laten zien dat deze stroom maximaal 74 TJ aan energie vertegenwoordigt. In het rapport wordt deze 74 TJ aangehouden voor de beschikbaarheid voor energieproductie. CE Delft heeft in haar onderzoek alle houtstromen (dus ook afvalhout van huishoudens en industrie) samengevoegd en komt op een technische groen gas potentieel van maximaal 28 MNm³ groen gas.
Teruggerekend naar technische beschikbaarheid komt dit neer op 1.539 TJ, alle houtstromen uit bovenstaande tabel tellen op tot 2.110 TJ. Het deel dat als economisch beschikbaar voor energieproductie wordt beschouwd is volgens CE Delft aanzienlijk lager met maximaal 330 TJ. Staatsbosbeheer geeft aan dat 13% van het materiaal dat bij het kappen van bomen ontstaat wordt ingezet voor de productie van energie. S2Biom becijfert dat uit productiebossen 81 kton materiaal komt, 13% daarvan is 11 kton en dat vertegenwoordigt een energie-inhoud van 175 TJ. De enige manier om groen gas uit hout te produceren is via vergassing, deze technologie heeft een rendement van biomassa naar groen gas van 64% waardoor uit deze stroom maximaal 112 TJ (3,2 MNm³) groen gas gemaakt kan worden. Stro, bietenblad en bermgras Voor stro geeft E&E Advies aan dat de opbrengst in Drenthe ongeveer 49 kton DS per jaar is met een energie-inhoud van circa 880 TJ. Stro kent verschillende toepassingen, vanuit deze toepassingen is er in Nederland meer vraag dan aanbod waardoor het niet beschikbaar is voor energieproductie. CE Delft gaat er ook van uit dat stro niet beschikbaar zal zijn voor energieproductie. S2Biom gaat uit van 121 kton droge stof aan stro in Drenthe met een energie-inhoud van 1.908 TJ. Bietenblad is een gewasrest die nu nog op het land achterblijft om aan de bodemvruchtbaarheid bij te dragen.
Bij E&E Advies is deze stroom onderdeel van gewasresten en die hebben een omvang van 88 kton droge stof waaruit maximaal 1.590 TJ energie gewonnen kan worden. Bij CE Delft valt deze stroom onder de categorie ‘Overige natte biomassa’ waarvoor een technisch groen gas potentieel genoemd wordt van 177 MNm³ groen gas. Omdat uitgegaan wordt van een
40
efficiëntie van biomassa naar groen gas van 35% komt dit neer op een technische beschikbaarheid van meer dan 17.786 TJ. S2Biom gaat uit van 42 kton droge stof aan bietenblad in Drenthe met een energie-inhoud van 625 TJ. Omdat S2Biom alleen bietenblad meeneemt en niet andere gewassen wordt in het vervolg van dit onderzoek gerekend met de cijfers van E&E Advies voor gewasresten. Zowel CE Delft als E&E Advies nemen voor de akkerbouw als uitgangspunt dat 30% van de gewasresten op het land achter moet blijven om de grond vruchtbaar te houden en bij glastuinbouw zelfs 50%. Bermgras is een lastig substraat dat afhankelijk van de zuiverheid is in te zetten. Het kan erg vervuild zijn wat de afzet van digestaat bemoeilijkt. Droog gras vraagt extra voorbewerking omdat het anders gaat drijven in de vergister wat ongewenst is. Bermgras maakt bij E&E advies deel uit van de categorie ‘Berm, natuur en slootmaaisel’ met een omvang van 17 kton droge stof en een maximale energie-inhoud van 185 TJ. Bij CE Delft valt ook deze stroom onder de categorie ‘Overige natte biomassa’. S2Biom gaat uit van 6,5 kton droge stof aan bermgras in Drenthe met een energie-inhoud van 104 TJ. In deze rapportage wordt uitgegaan van een beschikbaarheid voor energie van 0% stro voor energietoepassingen, 70% van de natte gewasresten uit de tuinbouw, 100% van het bermmaaisel en 50% van natuurgras en slootmaaisel.
Dat betekent dat gewasresten 61 kton droge stof en 985 TJ kunnen leveren, dat bermmaaisel 6,5 kton droge stof en 104 TJ kan leveren en natuurgras en slootmaaisel 5 kton en 80 TJ. Gezamenlijk 1.169 TJ. De meest geëigende manier om groen gas uit deze stromen te produceren is via vergisting, deze technologie heeft een rendement van biomassa naar groen gas van 71% voor bietenblad en 60% voor maaisel waardoor uit deze stroom maximaal 552 TJ (16 MNm³) groen gas gemaakt kan worden. Houtafval van de industrie E&E Advies heeft deze stroom niet meegenomen in haar onderzoek. CE Delft heeft in haar onderzoek alle houtstromen samengevoegd en komt hiervoor op een technische beschikbaarheid van 1.649 TJ en een economische beschikbaarheid voor energieproductie van maximaal 330 TJ. S2Biom gaat uit van 12 kton en 195 TJ. Ongeveer 20% van het houtafval wordt als materiaal hergebruikt, de rest is beschikbaar voor energietoepassingen. Voor Drenthe betekent dit dat van deze stroom 9,6 kton beschikbaar is en dat daaruit 156 TJ energie gewonnen kan worden. De enige manier om groen gas uit hout te produceren is via vergassing, deze technologie heeft een rendement van biomassa naar groen gas van 64% waardoor uit deze stroom maximaal 100 TJ (2,8 MNm³) groen gas gemaakt kan worden. ONF en Gft-afval ONF is de afkorting voor Organisch Natte Fractie en wordt in Wijster gescheiden uit het restafval.
In het rapport van E&E Advies wordt vermeld dat Drenthe 74 kton Gft-afval produceert waaruit maximaal 562 TJ energie gewonnen kan worden. Voor ONF worden geen hoeveelheden genoemd. Bij CE Delft valt ook deze stroom onder de categorie ‘Overige natte biomassa’.
41
S2Biom rekent met 81 kton droge stof aan ONF en Gft-afval met een energie-inhoud van 613 TJ. Voor dit onderzoek gebruiken we de cijfers van CBS die aangeven dat in 2020 81 kton Gft-afval is ingezameld in Drenthe en 76 kton restafval. Sorteeranalyses laten zien dat 32% van het restafval uit ONF bestaat. Hiermee komt de ONF fractie in Drenthe op 24 kton. De beschikbaarheid voor energieproductie is 100% voor beide stromen. Samen dus 100 kton met een energie-inhoud van 461 TJ. De meest geëigende manier om groen gas uit deze stromen te produceren is via vergisting, deze technologie heeft een rendement van biomassa naar groen gas van 45% voor ONF en 35% voor Gftafval waardoor uit deze stroom maximaal 181 TJ (5,1 MNm³) groen gas gemaakt kan worden. Afvalhout huishoudens E&E Advies geeft aan dat in 2019 in Drenthe via de milieustraten 15 kton A- en B-hout is ingezameld en 3 kton C-hout. Samen goed voor 9 kton droge stof met een totaal energetisch potentieel van 80 TJ. CE Delft heeft in haar onderzoek alle houtstromen samengevoegd en komt hiervoor op een technische beschikbaarheid van 1.649 TJ en een economische beschikbaarheid voor energieproductie van maximaal 330 TJ. S2Biom geeft voor deze stroom een hoeveelheid van 35 kton met een energie-inhoud van 566 TJ. CBS rapporteert over 2020 18 kton A&B hout en 3 kton C-hout dat werd ingezameld via de milieustraten.
Daarnaast zal een deel van deze stroom ingezameld worden door commerciële inzamelaars. In dit rapport wordt uitgegaan van een totale afvalhoutstroom van 35 kton droge stof met een energie-inhoud van 566 TJ. Ongeveer 20% van het houtafval wordt als materiaal hergebruikt, de rest is beschikbaar voor energietoepassingen waardoor de totale beschikbare hoeveelheid uitkomt op 28 kton met een energie-inhoud van 453 TJ. De enige manier om groen gas uit hout te produceren is via vergassing, deze technologie heeft een rendement van biomassa naar groen gas van 64% waardoor uit deze stroom maximaal 290 TJ (8,2 MNm³) groen gas gemaakt kan worden. RWZI slib Uit een door E&E Advies georganiseerde enquête blijkt dat de waterschappen in Drenthe samen ongeveer 12,7 kton droge stof RWZI slib produceren met een energie-inhoud van ongeveer 140 TJ. Bij CE Delft valt ook deze stroom onder de categorie ‘Overige natte biomassa’. Deze stroom zit niet in de S2Biom database. CBS Statline heeft wel data, hieruit blijkt dat in Drenthe 7,1 kton droge stof zuiveringsslib vrijkomt bij RWZI’s en 6,7 kton droge stof bij AWZI’s. Samen goed voor 14 kton droge stof met een energie-inhoud van 215 TJ. De meest geëigende manier om groen gas uit deze stromen te produceren is via vergisting, deze technologie heeft een rendement van biomassa naar groen gas van 78% maximaal 168 TJ (4,8 MNm³) groen gas gemaakt kan worden.
Deze stroom is in potentie beschikbaar voor biogasproductie en een groot deel wordt daar nu ook al voor gebruikt. Mest Mest is met afstand de grootste biogrondstof in de Provincie Drenthe.
42
E&E Advies geeft aan dat in 2019 in Drenthe ongeveer 4.300 kton drijfmest is geproduceerd met 320 kton DS en een energie-inhoud van circa 5.400 TJ. CE Delft berekende voor Drenthe een maximaal technisch groen gas potentieel van 79 MNm³. Omdat uitgegaan wordt van een efficiëntie van biomassa naar groen gas van 35% komt dit neer op een technische beschikbaarheid van 7.838 TJ CBS rapporteert ook over de hoeveelheden mest in Drenthe waarbij onderscheid wordt gemaakt in rundvee, varkens en pluimvee. Onderstaande tabel toont hoeveelheden en energie-inhoud. Tabel 2: Stalmest in Drenthe Mesttype
Hoeveelheid nat (kton)
Energie-inhoud (TJ)
Rundveemest
3.574
5.147
Varkensmest
182
175
Pluimveemest
101
2.046
3.907
7.368
Totaal
CCS Energy gaat er in haar onderzoek vanuit dat vanwege bedrijfseconomische redenen in Drenthe zo’n 1.500 kton mest werkelijk beschikbaar is voor de productie van biogas. Deze hoeveelheid levert dan zo’n 830 TJ aan groen gas op. Wanneer boeren een gezamenlijke vergister en/of een gezamenlijke opwaardeerinstallatie gaan exploiteren kunnen ook kleinere veehouders hun mest omzetten in groen gas. Op die manier zou uit Drentse mest maximaal 1.794 TJ energie gewonnen kunnen worden oftewel 51 MNm³ groen gas. VGI stromen VGI staat voor Voedings- en Genotsmiddelen Industrie, de afvalstromen uit deze sector zijn lastig te alloceren naar Provincies omdat CBS alleen landelijke cijfers registreert. Zowel E&E Advies als CE Delft hebben om die reden geen gegevens opgenomen voor deze stroom. VGI stromen zijn over het algemeen behoorlijk substantieel met een hoge energetische dichtheid. Om die reden is gepoogd toch een indicatie te verkrijgen omtrent de omvang van deze stroom in Drenthe. CBS rapporteert dat deze stroom in Nederland in 2020 6.482 kton bedroeg. Omdat het een industriële activiteit betreft zullen deze bedrijven voornamelijk op industrieterreinen gevestigd zijn. CBS rapporteert wel over het oppervlakte van industrieterreinen per provincie. Ca. 3% van alle Nederlandse bedrijventerreinen bevinden zich in Drenthe.
Onder de aanname dat VGI bedrijven evenredig verdeeld zijn over alle bedrijventerreinen kan een indicatie verkregen worden over de omvang de VGI afvalstromen in Drenthe. Die zal dan ca. 226 kton bedragen, met een droge stof gehalte van 30% komt dit neer op 69 kton droge stof met een energie-inhoud van 1.180 TJ. VGI stromen bevatten veel energie en zijn daarom erg gewild als substraat voor vergisters. De markt voor deze stromen is nationaal en zeer energierijke stromen worden zelfs internationaal verhandeld. DNV GL geeft in haar studie aan dat 40% van dit volume beschikbaar is voor energieproductie. Daarmee komt de economische beschikbaarheid op 27 kton droge stof met een energie-inhoud van 472 TJ. Dit kan omgezet worden naar groen gas via vergisting met een rendement van 71% waardoor het 9,5 MNm³ groen gas kan opleveren.
43
Bijlage II: Prognose biogrondstoffenbeschikbaarheid in de toekomst De beschikbaarheid van biogrondstoffen kan veranderen in de loop van de tijd. Hieronder is aangegeven welke veranderingen verwacht worden en welk effect ze hebben op de beschikbaarheid van biogrondstoffen. Productiehout uit bossen Als onderdeel van het Klimaatakkoord is een bossenstrategie opgesteld die zal leiden tot een groei van het bosareaal met 10%. Het gebruik van hout voor energiedoeleinden wordt afgebouwd waardoor in deze studie is aangenomen dat deze stroom in 2030 niet meer beschikbaar is voor energieproductie. Hout reststromen uit bossen De bossenstrategie zal ook leiden tot meer hout reststromen. Omdat het gebruik voor energiedoeleinden wordt afgebouwd zal die groei niet volledig beschikbaar zijn. Het lijkt logisch dat de inzet van het materiaal uit de vorige categorie als eerste wordt afgebouwd en dat dat voor deze categorie wat weerbarstiger is. Daarom is aangenomen dat tot 2030 de groei van het bosareaal en de afbouw van de inzet voor energie elkaar bij deze categorie in evenwicht houden. Stro, bietenblad en bermgras Een groot deel van het in Nederland geteelde stro wordt geteeld om als veevoer gebruikt te worden. Een afname van de veestapel lijkt onafwendbaar waardoor de behoefte aan veevoer ook zal verminderen.
Het aandeel stro zal vermoedelijk teruglopen en vervangen worden door andere gewassen. Omdat stro nu niet gebruikt wordt voor energieproductie en gewasresten mogelijk wel zal dit een positief effect kunnen hebben op de beschikbaarheid voor vergisting. Suikerbiet is één van de gewassen die daar van zou kunnen profiteren maar de suikersector is streng gereguleerd waardoor op dit punt weinig groei te verwachten is. Bietenblad blijft nu nog vaak op het land achter om zo bij te dragen aan de bodemvruchtbaarheid. Bij stijgende groen gasprijzen wordt het interessant om deze stroom te gaan vergisten. Daarna kan het digestaat alsnog weer teruggegeven worden aan de bodem. Met betrekking tot bermgras worden geen grote wijzigingen verwacht. Houtafval van de industrie Het gebruik van hout als materiaal profiteert van de aandacht voor alles wat biobased is. Daarbij komt dat er ook steeds meer aandacht is voor het CO2 vastleggende karakter van hout. Afvalhout is onderhevig aan internationale handel. In recente jaren is bijvoorbeeld een houttekort ontstaan in Europa door beleidswijzigingen m.b.t. de verbranding ervan in de Verenigde Staten. De toepassing van houtresten en vezelhout kan daardoor verschuiven, bijvoorbeeld in de richting van samengestelde houtproducten in plaats van naar energieproducten zoals houtpellets en briketten.
De verwachting is dat de komende jaren het gebruik van hout hierdoor een groei zal laten zien en daarmee ook het volume afvalhout.
44
ONF en Gft-afval De hoeveelheid ONF en Gft-afval is nauw gelieerd aan de ontwikkeling van de bevolking en die groeit nog steeds. Als gevolg daarvan zal ook de hoeveelheid ONG en Gft-afval toenemen. Daarnaast zijn er ontwikkelingen op technisch gebied die er voor zorgen dat een groter deel van het ONF beschikbaar komt voor vergisting. Afvalhout huishoudens De hoeveelheid afvalhout van huishoudens is nauw gelieerd aan de ontwikkeling van de bevolking en die groeit nog steeds. Als gevolg daarvan zal ook de hoeveelheid afvalhout toenemen. RWZI slib De hoeveelheid zuiveringsslib is nauw gelieerd aan de ontwikkeling van de bevolking en die groeit nog steeds. Als gevolg daarvan zal ook de hoeveelheid zuiveringsslib toenemen. Mest De Nederlandse veehouderij is een belangrijke stikstofbron en staat daardoor onder druk. De komende jaren moet de stikstofuitstoot zover teruggedrongen worden dat een afname van de veestapel niet te vermijden lijkt. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekende dat deze ingreep moet leiden tot dertig procent minder koeien, twintig procent minder pluimvee en tien procent minder varkens in Nederland. In dit rapport wordt uitgegaan van een reductie van de hoeveelheid mest met deze percentages.
VGI stromen Met een toenemende bevolking zal de hoeveelheid VGI stromen ook toenemen terwijl aan de andere kant er ook een druk is op grondstoffen waardoor de hoeveelheid afval zal verminderen. In dit rapport wordt aangenomen dat beide ontwikkelingen elkaar in evenwicht houden de komende 10 jaar.
45