CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

College 1.14.10 Bijlage 7 - Groen gas in Drenthe NEC 2022

1 - RAADSVERGADERING 30 maart 2023, gemeente MeppelBij agendapunt: Categorie 1: Voor kennisgeving aannemen14.541 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Groen gas in Drenthe EEN HANDELINGSPERSPECTIEF Ruud Paap | Thomas Nielsen | 11-11-2022

Voorwoord De gemeentes in de RES-regio Drenthe hebben recent warmtevisies opgesteld. Hierin wordt beschreven hoe de gebouwen in de periode tot 2050 overstappen op het gebruik van duurzame energie voor het verwarmen. In de meeste gemeentelijke warmtevisies is beschreven dat hiervoor gebruik gemaakt gaat worden van duurzame gassen zoals groen gas en groene waterstofgas. In opdracht van het werkbureau van de RES-regio Drenthe is een handelingsperspectief beschreven met als doel er voor te zorgen dat de hier beschikbare biogrondstoffen worden gebruikt om groen gas te produceren voor het verwarmen van de gebouwde omgeving in de RES-regio Drenthe. Bij het doornemen van het rapport is van belang dat er enige basiskennis is over groen gas en haar rol in de energietransitie. Aangenomen is dat deze kennis bij de lezer aanwezig is maar indien dit niet zo mocht zijn is het verstandig om eerst kennis te nemen van het Panorama Groen Gas. Het rapport is geschreven door Thomas Nielsen en Ruud Paap van de New Energy Coalition.

8

Samenvatting Drentse biogrondstoffen hebben gezamenlijk een energie-inhoud van 14 PJ, een aanzienlijk deel daarvan is niet beschikbaar voor energiedoeleinden. Indien daar voor gecorrigeerd wordt blijft 4,6 PJ over. In 2030 zal dat vermoedelijk zijn afgenomen tot 4 PJ, vooral vanwege de veranderingen in de veehouderij. Drenthe verwacht in 2030, na besparingen door o.a. isolerende maatregelen, 11,9 PJ (3,3 TWh) nodig te hebben om de gebouwde omgeving te verwarmen. Energie uit biomassa zal dus maximaal 34% kunnen bijdragen aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Op dit moment staan in Drenthe op 11 locaties vergisters die gezamenlijk maximaal 2,1 PJ/jaar leveren. Deze zouden samen maximaal 17% van de benodigde warmte in de gebouwde omgeving kunnen leveren. Deze energie wordt nu geleverd als stroom en/of warmte (30%) of groen gas (70%). Samen hebben deze installaties ca. 835.000 ton biomassa nodig waarvan minimaal 320.000 ton mest. Er zijn ook 21 projecten in ontwikkeling die samen maximaal 3,6 PJ zullen gaan leveren. Voor het overgrote deel (94%) betreft dit groen gas projecten. Samen hebben deze nieuwe installaties ca. 1.592 kton biomassa nodig waarvan minimaal 1.162 kton mest. Samengevat:

Alle biogasinstallaties gezamenlijk leveren maximaal 5,7 PJ en daarmee zou 48% van de Drentse warmtebehoefte in de gebouwde omgeving ingevuld kunnen worden. De realiteit is echter dat op dit moment slechts een zeer beperkt deel van deze energie voor het warmhouden van de Drentse gebouwde omgeving wordt gebruikt. De hoeveelheid energie die uit Drentse reststromen geproduceerd kan worden is met maximaal 4.3 PJ onvoldoende om alle huidige en geplande installaties van biomassa te voorzien. Drentse projecten zullen biomassa moeten importeren. Vergisting van dagverse mest gecombineerd met stalmaatregelen kunnen leiden tot aanzienlijke reducties van zowel de stikstof als methaanemissies uit mest. Afhankelijk van zowel het type vee (melkvee, kalveren of varkens) als gekozen maatregelen kunnen de mogelijke reducties oplopen tot 75% voor ammoniak en 83% voor methaan.1 De gebouwde omgeving wordt op de korte termijn gezien als de meest efficiënte plek om opschaling van groen gas te bewerkstelligen. Dit blijkt onder andere uit de Kamerbrief over bijmengverplichting groen gas van begin juli 2022. Om dit te bewerkstelligen is een bijmengverplichting aangekondigd. Voor de mobiliteit geldt al een bijmengverplichting en dat resulteert in een bepaalde prijsvorming.

Zodra schaarste optreedt zullen beide regelingen met elkaar concurreren en zal de gebouwde omgeving alleen in staat zijn om groen gas aan te trekken als zij bereid is minstens evenveel te

1 Opgemerkt moet worden dat bij melkvee 60% van de methaanemissies niet uit de mest maar uit de bek van het

dier komt. 83% reductie van methaan uit mest betekent dan 33% reductie op de totale methaanuitstoot.

9

betalen als de transportsector. Hierdoor kunnen prijzen snel oplopen, het kabinet heeft dat onderkend en denkt na over maatregelen om dit effect te dempen. Wat is, gelet op al deze ontwikkelingen, het handelingsperspectief van de verschillende RES partijen (Provincie Drenthe, gemeenten, waterschappen)? Indien lokale overheden ambitieuzer zijn dan de bijmengverplichting en meer dan 20% groen gas in de gebouwde omgeving willen zien zijn daarvoor een aantal mogelijkheden maar de meeste daarvan vallen af omdat ze zeer complex of onpraktisch zijn of lastig in overeenstemming zijn te brengen met bestaand en toekomstig beleid. Wel kunnen ze een belangrijke faciliterende rol spelen in het vergroten van het groen gas productievolume. Door samen te werken met een energie coöperatie kunnen eventuele prijsvoordelen mogelijk terugvloeien naar de lokale bevolking maar het beleid is nog onvoldoende concreet om daar nu al mee aan de slag te gaan. Door te werken aan vraagreductie en door bestaande overheidstaken zo in te vullen dat het bijdraagt aan het vergroten van het groen gas aanbod kunnen overheden echter alsnog een belangrijke rol spelen.

10

Inhoudsopgave Voorwoord ............................................................................................................................................... 8 Samenvatting ............................................................................................................................................ 9 1 Inleiding ............................................................................................................................................... 12 1.1 Rapport indeling ...................................................................................................................... 12 2 Biogrondstoffen ................................................................................................................................... 13 2.1 Biogrondstoffen nu .................................................................................................................. 13 2.2 Biogrondstoffen in de toekomst .............................................................................................. 14 3 Productie ............................................................................................................................................. 15 3.1 Huidige productie ....................................................................................................................

15 3.2 Toekomstige productie ............................................................................................................ 16 4 Effecten op methaan- en stikstofemissie ............................................................................................ 18 4.1 Inleiding ................................................................................................................................... 18 4.2 Manieren om de uitstoot te verminderen ............................................................................... 18 4.2.1 Rundveebedrijven ................................................................................................................. 18 4.2.2 Varkenshouderijen ................................................................................................................ 20 4.2.3 Kalverhouderijen................................................................................................................... 21 5 Gebruik ................................................................................................................................................ 22 5.1 Mobiliteit .................................................................................................................................

22 5.2 Elektriciteitsproductie .............................................................................................................. 25 5.3 Industrie ................................................................................................................................... 26 5.4 Gebouwde omgeving ............................................................................................................... 26 6 Analyse ................................................................................................................................................ 28 7 Handelingsperspectief voor de RES partijen ....................................................................................... 31 7.1 Perspectief 1: Geen sturing...................................................................................................... 31 7.2 Perspectief 2: Sturing biogrondstoffen .................................................................................... 32 7.3 Perspectief 3: Sturing productie .............................................................................................. 33 7.4 Perspectief 4: Sturing afname.................................................................................................. 34 7.5 Perspectief 5: Sturing locaties .................................................................................................

35 8 Conclusies en aanbevelingen............................................................................................................... 36 8.1 Conclusies ................................................................................................................................ 36 8.2 Aanbevelingen ......................................................................................................................... 37 Bijlage I: Correctie biogrondstoffen voor hoogwaardigere toepassingen. ............................................. 40 Bijlage II: Prognose biogrondstoffenbeschikbaarheid in de toekomst ................................................... 44

11

1 Inleiding Groen gas staat midden in de belangstelling; door een combinatie van factoren is de aardgasprijs gestegen naar een historisch hoog niveau en staat de leveringszekerheid ervan onder druk. Groen gas kan daar een bescheiden bijdrage aan leveren. Zowel op Europees als nationaal niveau zijn de groen gas ambities hoog met doelen van 35 BCM respectievelijk 2 BCM 2 in 2030. De vraag is wat de RES organisatie Drenthe kan doen om hieraan bij te dragen met inachtneming van haar eigen ambities en doelstellingen op het gebied van groen gas. Voor de Provincie Drenthe is al veel informatie beschikbaar over de potentie van groen gas. Dit is vooral gebaseerd op de in de eigen Provincie aanwezige biogrondstoffen. Tussen de aanwezigheid van biogrondstoffen en de beschikbaarheid ervan zit een groot verschil. Zo wordt in Drenthe veel mest aangevoerd vanuit andere regio’s om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden maar staat de intensieve veehouderij onder druk. Ook zijn in de Provincie al veel biogasproducenten actief die een beroep doen op die grondstoffen en worden nieuwe projecten ontwikkeld die ook biogrondstoffen nodig hebben. Aan de afzetzijde voor het groene gas is ook veel beweging. De bijmengverplichting in de transportsector oefent een forse trekkracht uit op het groene gas.

De industrie kan sinds kort groen gas inzetten om haar CO2 uitstoot onder een ETS regime te reduceren en er is een bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving op komst. Groen gas producenten kunnen dus kiezen voor meerdere afzetkanalen, ieder met een ander verdienmodel. Dankzij garanties van oorsprong is de groenwaarde ontkoppeld van het fysieke product en kan het groene gas overal, binnen en buiten Nederland, ingezet worden. De RES partijen moeten ondertussen voor haar RES 2.0 aangeven waar ze dit jaar mee aan de slag zal gaan. Alvorens iets zinnigs te kunnen zeggen over de rol van groen gas hierin is noodzakelijk dat er meer gevoel ontstaat bij de impact van al deze ontwikkeling op de mogelijke inzet van groen gas in de RES 2.0. M.a.w. wat is, gelet op al deze ontwikkelingen, het handelingsperspectief van de verschillende RES partijen (Provincie Drenthe, gemeenten, waterschappen).

1.1 Rapport indeling Het rapport volgt de groen gas waardeketen waarbij hoofdstuk 2 de situatie op het gebied van biogrondstoffen beschrijft en in zal gaan op methaan en stikstofemissies. Hoofdstuk 3 gaat in op de huidige en toekomstige productie in de Provincie Drenthe. Hoofdstuk 4 beschrijft de effecten op de emissie van stikstof en methaan. Vervolgens zal in hoofdstuk 5 aangegeven worden wat de belangrijkste gebruikerssectoren zijn. Ook wordt daar aangegeven hoe die zich tot elkaar verhouden. Vervolgens wordt aangegeven welk instrumentarium er, nu en in de toekomst, beschikbaar is om de inzet in bepaalde sectoren te stimuleren. Op dat moment is heel veel informatie gedeeld, deze informatie wordt in hoofdstuk 6 geanalyseerd. De verschillende handelingsperspectieven worden in hoofdstuk 7 besproken en de conclusies en aanbevelingen staan in hoofdstuk 8.

2 BCM: Billon Cubic Meter oftewel miljard kubieke meter.

12

2 Biogrondstoffen Zonder biogrondstoffen geen groen gas. Om iets te kunnen zeggen over de rol van groen gas in de Provincie Drenthe moet daarom een goed beeld zijn van de biogrondstoffen situatie. Tijdens meerdere onderzoeken is daar naar gekeken, de volgende paragrafen maken daar dankbaar gebruik van. De basis voor dit hoofdstuk zijn de resultaten van het Europese S2Biom project. Dit project heeft als doel het ondersteunen van de duurzame levering van non-food biomassagrondstoffen op lokaal, regionaal en pan-Europees niveau. Binnen dit project zijn strategieën, routekaarten en geharmoniseerde datasets ontwikkeld op lokaal, regionaal, nationaal en pan-Europees niveau. Deze gegevens zijn aangevuld met CBS data over zuiveringsslib, mest en VGI-stromen en worden gespiegeld aan de informatie die is gevonden in de volgende rapporten: Kansen voor mestvergisting in Drenthe (CCS-2020) Potentieel van lokale biomassa en invoedlocaties van groengas (CE Delft-2020) Inventarisatie biogrondstoffen Drenthe (E&E Advies – 2021)

2.1 Biogrondstoffen nu S2Biom maakt onderscheid in een aantal biogrondstoffen en geeft van ieder type de technische beschikbaarheid. Technisch beschikbaar betekent dat de getoonde waarde weergeeft hoeveel van de betreffende biogrondstof vrijkomt in de Provincie. Het kan dus zijn dat de biogrondstof vrijkomt op een plaats of in een vorm waar of waarin het niet nuttig kan worden toegepast. Voor dit onderzoek is vooral de economische beschikbaarheid van belang voor de toepassing als grondstof voor groen gas. Een grondstof is economisch beschikbaar voor groen gas als de kosten voor het inkopen en gebruiken ervan terugverdiend kunnen worden met de opbrengst, i.c. het SDE basisbedrag. Door de gehanteerde afbakening binnen S2Biom zijn zuiveringsslib, mest en VGI-stromen niet meegenomen. Die zijn in dit rapport toegevoegd door gebruik te maken van de CBS Statline. E.e.a leidt tot het volgende overzicht: Tabel 1: Technische beschikbaarheid biogrondstoffen Biogrondstof

Droge stof (kton)

Energie-inhoud (TJ)

Productiehout uit bossen

62

1.030

Hout reststromen uit bossen

19

320

Stro, bietenblad en bermgras

170

2.637

Houtafval van industrie

12

195

ONF en Gft-afval

81

613

Afvalhout huishoudens

35

566

RWZI slib

14

215

Mest

383

7.367

VGI stromen

69

1.180

Totaal

14.018

13

Biogrondstoffen dienen, als dat kan, op een zo hoogwaardig mogelijke manier ingezet te worden. Daarvoor moet worden gecorrigeerd, in bijlage I wordt aangegeven hoe. Dit is daarvan het resultaat: Tabel 3: Economische beschikbaarheid biogrondstoffen Biogrondstof

Droge stof (kton)

Energie-inhoud (TJ)

Productiehout uit bossen

16

258

Hout reststromen uit bossen

11

175

Stro, bietenblad en bermgras

73

1.169

Houtafval van industrie

9,6

100

ONF en Gft-afval

100

181

Afvalhout huishoudens

28

290

RWZI slib

14

168

Mest

358

1.794

VGI stromen

27

472

Totaal

4.607

2.2 Biogrondstoffen in de toekomst Demografische, technische en maatschappelijke ontwikkelingen zorgen er voor dat het aanbod aan biogrondstoffen niet stabiel is. In bijlage II worden per biogrondstof de belangrijkste ontwikkelingen besproken en het effect ervan geschat voor de komende 10 jaar. Dit leidt tot het volgende overzicht. Tabel 4: Toekomstige economische beschikbaarheid biogrondstoffen (2030) Biogrondstof

Reductie/toename (%)

Droge stof (kton)

Energie-inhoud (TJ)

Productiehout uit bossen

10%

-

-

Hout reststromen uit bossen

10%

11

175

Stro, bietenblad en bermgras

5%

77

1227

Houtafval van industrie

20%

12

120

ONF en Gft-afval

3%

103

186

Afvalhout huishoudens

5%

29

305

RWZI slib

3%

14

173

-28%

266

1292

3%

28

486

Mest VGI stromen Totaal

3.964

14

3 Productie Een deel van de biogrondstoffen in, en van buiten, Drenthe wordt al gebruikt door bestaande installaties. Daarnaast zijn ook nog installaties in ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van deze installaties en een indicatie gegeven van de hoeveelheid biomassa die ze nodig hebben. Daarbij is de via de SDE++ beschikte hoeveelheid maatgevend, sommige installaties produceren minder dan dat en andere meer. Beide hebben een effect op de biomassa. Ook is het exacte menu van de vergisters niet bekend waardoor ook hier enkele aannames gedaan zijn.

3.1 Huidige productie Op dit moment staan in Drenthe op 11 locaties vergisters die gezamenlijk maximaal 2.102 TJ/jaar leveren. Dit is gebaseerd op de gegevens van RVO3 over afgegeven SDE beschikkingen. Dit betreft de volgende installaties: Tabel 5: Bestaande productie installaties Bedrijf

Opgesteld vermogen (MW)

Type

Geanonimiseerd - Zuidvelde

0,50

Overige vergisting (HE 4)

Geanonimiseerd - Beilen

4,75

Verlengde levensduur co-vergisting (HEW 3)

Attero - Wijster

6,99

Overige vergisting (HG)

3,34

Allesvergisting hub (HG)

Hartlief Lammers - Donderen

2,16

Mestvergisting (HEW)

Landbouwbedrijf Kloosterman - Nieuweroord

4,88

Allesvergisting hub (HG3)

1,45

Verlengde levensduur allesvergisting (HEW)

4,88

Verlengde levensduur allesvergisting (HG)

Swart - Tynaarlo

3,36

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Drenthe Power - Witteveen

3,59

Verlengde levensduur co-vergisting (HEW)

De Drentse Hoeve Bioenergie Wezup

0,54

Vergisting en verbranding <= 10 MW (HE)

2,12

Mestvergisting (HEW)

Bio Energy Coevorden

26,25

Mestvergisting (HG)

Gasselte Bio Energie

2,63

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

Woagen – Tweede Exloërmond

0,68

Verlengde levensduur mestvergisting (HEW)

4,88

Verlengde levensduur mestvergisting (HG)

Totaal

73,00

3 RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Vergistingsinstallaties van waterschappen functioneren zonder

SDE en zijn daarom niet opgenomen in dit overzicht. 4 HE: Hernieuwbare elektriciteit | HEW Hernieuwbare elektriciteit en warmte | HG: Hernieuwbaar gas

15

Deze installaties leveren hun energie nu als stroom en/of warmte (30%) of groen gas (70%). Samen hebben deze installaties ca. 835.000 ton biomassa nodig waarvan minimaal 320.000 ton mest.

3.2 Toekomstige productie Op dit moment worden ook installaties ontwikkeld, sommige daarvan hebben al een SDE++ subsidie verworven en worden nu opgestart. Anderen moeten nog een SDE++ subsidie aanvragen en zullen pas over een paar jaar in staat zijn om te produceren. In totaal gaat het op dit moment over 21 projecten die samen maximaal 3.663 TJ zullen gaan leveren. Het is lastig om te voorspellen hoeveel van deze installaties uiteindelijk zullen gaan produceren, de ervaring leert dat niet alle projecten de eindstreep halen. Voor de bedrijven uit onderstaand overzicht geldt dat Green Create aan het opstarten is. Bio Energy Coevorden is aan het bouwen. De kleinere projecten hebben de benodigde vergunningen en SDE en gebruiken eigen mest dus kunnen gaan bouwen. Stercore en Northstar zijn aan het ontwikkelen, daar is de onzekerheid het grootst. Voor het overgrote deel (94%) betreft dit groen gas projecten. Samen hebben de nieuwe installaties ca. 1.592 kton biomassa nodig waarvan minimaal 1.162 kton mest. Het betreft de volgende installaties: Tabel 6: In ontwikkeling zijnde productie installaties Bedrijf

Gepland vermogen (MW)

Type

RWZI Echten

0,6

AWZI/RWZI thermische drukhydrolyse

Green Create Wijster

19,5

Monomestvergisting > 400 kW (HG)

6,0

Monomestvergisting > 400 kW (HEW)

3,8

Allesvergisting (HG)

3,6

Allesvergisting (HG)

14,6

Allesvergisting (HG)

Geanonimiseerd

1,4

Allesvergisting VL (HEW)

Coöperatie Groengas Koekange Echten

0,1

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,1

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,1

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,1

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,1

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

Bio Energy Coevorden

16

Tabel 6: In ontwikkeling zijnde productie installaties Bedrijf

Gepland vermogen (MW)

Type

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,3

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

Melkveebedrijf familie Bakker

0,2

Monomestvergisting <= 400 kW (HEW)

Melkveebedrijf Hoving

0,4

Monomestvergisting <= 400 kW (HG)

Stercore

28

Vergassing (HG)

Northstar

47

Allesvergisting (HG)

127

17

4 Effecten op methaan- en stikstofemissie 4.1 Inleiding Methaan is een sterk broeikasgas dat 25 maal krachtiger is dan CO 2. Het komt vrij tijdens het verteringsproces van met name herkauwers, en tijdens de opslag van mest. Van de Nederlandse methaanemissie komt 75% uit de veehouderij. Het grootste deel van deze emissies; ca. 60% komt uit de bek van herkauwers (in de vorm van boeren) en is lastig te beïnvloeden al wordt wel geëxperimenteerd met ander voer en supplementen. De overige 40% komt uit de mest en kan beïnvloed worden door deze zo snel mogelijk af te voeren uit de stal om er daarna in een vergister onder gecontroleerde omstandigheden methaan aan te onttrekken. De methaanreducties die hieronder zijn opgenomen hebben betrekking op die laatste categorie. De veehouderij veroorzaakt ook stikstofemissies wat zorgt voor aantasting van de biodiversiteit. Bij veehouderijen gaat het dan vooral over ammoniak, wat ontstaat als dieren eiwitten eten en na afloop urine en feces gemengd met elkaar in contact komen/gemengd worden opgeslagen. Rond 86% van de ammoniakuitstoot in Nederland komt uit landbouw en in onderstaande grafiek is te zien dat met name de veehouderij verantwoordelijk is. Grafiek 1: Emissie ammoniak door land- en tuinbouw per diercategorie

4.2 Manieren om de uitstoot te verminderen Op verschillende manieren kan de uitstoot van ammoniak en methaan verminderd worden. Wageningen University heeft hier onderzoek naar gedaan en verschillende maatregelen met elkaar vergeleken. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen melkvee- kalver- en varkenshouderijen waarbij voor de eerste groep gekeken is naar verwerking van mest op het erf en bij de andere twee naar externe verwerking.

4.2.1 Rundveebedrijven Het Wageningse onderzoek gaat uit van grotere bedrijven op zandgrond met 425 koeien waarvan 250 melkkoeien en 175 stuks jongvee. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen een intensief en extensief bedrijf. In 2021 waren in Drenthe 986 melkveehouderijen actief waarvan 265 bedrijven meer dan 200

18

koeien (melk- en jongvee) hadden en 15 meer dan 500. Er van uitgaande dat de groep bedrijven met meer dan 200 en minder dan 500 koeien evenredig is verdeeld qua grootte zullen in Drenthe ongeveer 80 melkveehouderijen zijn met meer dan 425 koeien die gezamenlijk ca. 40.000 koeien huisvesten. Dat is ongeveer 24% van het totaal aan koeien in Drentse melkveehouderijen. Het grootste deel van de melkveestapel wordt gehouden op kleinere bedrijven maar door samen te werken kunnen meerdere kleinere bedrijven de schaalgrootte vergroten en zo toch de methaan en stikstofemissie reduceren. Een samenwerking zoals bijvoorbeeld in Koekange-Echten of bij het Friese Wijnjewoude Energie Neutraal. De meest effectieve maatregel om de uitstoot van stikstof (i.c. ammoniak) terug te dringen is verdunnen met gestripte dunne fractie. In dit scenario zijn de melkkoeien op een roostervloer gehuisvest. De drijfmest wordt mechanisch gescheiden waarna ammoniak uit de dunne fractie wordt gestript door middel van het toevoegen van basisch materiaal. De ammoniak wordt daarna uit de lucht verwijderd met een luchtwasser. De ammoniumarme fractie wordt gebruikt om de roosters te spoelen, door middel van een mestrobot, en de drijfmest in de mestkelder te verdunnen. De gestripte ammoniak wordt in een luchtwasser opgevangen en kan als kunstmestvervanger worden ingezet en de dikke fractie wordt toegepast op het land.

Met deze maatregelen kan de ammoniakuitstoot met 47% worden gereduceerd bij extensieve bedrijven en met 50% voor intensieve bedrijven. Het zijn wel zeer dure maatregelen, zie onderstaande tabel. Ca. 30% van de jaarkosten komen voort uit het verbruik van natronloog voor het strippen van ammoniak en zwavelzuur van de luchtwasser. Tegenover de kosten staan beperkte opbrengsten uit vermeden mestafzetkosten en vermeden inkoop van kunstmest van 19 euro per melkkoe. Het uitdrijven van stikstof uit de dunne mestfractie biedt voor het extensieve bedrijf waar (nagenoeg) alle stikstof uit mest op het bedrijf kan worden benut nauwelijks voordeel ten aanzien van kosten voor mestaanwending en mestafzet. De hoeveelheid benodigde kunstmest stikstof verandert niet of nauwelijks. Tabel 5: Investeringen, jaarkosten en -opbrengsten voor verdunnen met gestripte dunne fractie Onderwerp

Eenheid

Waarde intensief

extensief

Investeringen

€

303.225

303.225

Besparingen

€/melkkoe/jaar

52

19

Kosten

€/melkkoe/jaar

335

323

Saldo

€/melkkoe/jaar

-284

-304

De methaanuitstoot uit mest wordt in deze scenario’s verminderd met ca. 33%. Wanneer gestreefd wordt naar maximale reductie van zowel methaan als ammoniakuitstoot scoort de combinatie van dagverse ontmesting, vergisten en strippen het beste5. Hierbij wordt drijfmest dagelijks verwijderd uit de stal en direct naar een vergister getransporteerd. Het digestaat wordt daarna gescheiden waarbij de dunne en dikke fractie op eenzelfde soort manier worden behandeld als bij het hierboven beschreven scenario. Wageningen heeft dit scenario alleen doorgerekend voor intensieve bedrijven. Voor extensieve bedrijven zijn, om onderstaande tabel te kunnen maken, de cijfers geschat op basis van de gegevens uit het rapport van Wageningen. Bij intensieve bedrijven komen de opbrengsten voort uit vermeden energiekosten, levering van energie, SDE-subsidie en vermeden mestafzetkosten 5 Deze route is wel wat gecompliceerder geworden door een recente uitspraak van de Raad van State. Hieruit

volgt dat, als sprake is van een industriële schaal, een vergister gecombineerd met een stripper als M.E.R. plichtige activiteit gezien moet worden.

19

en besparing van kunstmestinkoop. Bij extensieve bedrijven zijn de laatste twee posten verwaarloosbaar. Met deze maatregelen kan 41% van de ammoniakuitstoot voorkomen worden en 83% van de methaanuitstoot uit mest en 33% van de totale methaanuitstoot. De investeringen en kosten van deze maatregelen staan in de volgende tabel. Tabel 6: Investeringen, jaarkosten en -opbrengsten voor dagontmesting, vergisten en strippen Onderwerp

Eenheid

Waarde intensief

extensief6

Investeringen

€

660.000

660.000

Opbrengsten

€/melkkoe/jaar

683

583

Kosten

€/melkkoe/jaar

705

683

Saldo

€/melkkoe/jaar

-22

-100

4.2.2 Varkenshouderijen Om iets te kunnen zeggen over de ammoniak en broeikasgasemissies gerelateerd aan varkenshouderijen heeft Wageningen University een massabalansmodel mestverwerking en een emissie model opgesteld. Uit de gemodelleerde mestverwerking komen dan de gegevens voor ‘emissies uit mestverwerking’ en de samenstellingen van de producten met betrekking tot emissies tijdens het aanwenden. Op basis van de mestverwerking massabalansen zijn economische berekeningen uitgevoerd. De emissies zijn berekend op basis van externe verwerking in een installatie met een capaciteit van 250 kton drijfmest/jaar. Drenthe huisveste in 2021 ruim 215.000 varkens verdeeld over 102 bedrijven, gezamenlijk goed voor 164 kton mest. Het door Wageningen University doorgerekende scenario heeft dus meer mest nodig dan in Drenthe wordt geproduceerd en is daarmee niet heel representatief voor de Drentse situatie. De grootste reductie op ammoniak emissie op het boerenbedrijf wordt verkregen met emissiearme stalsystemen (zowel vloer als keldermaatregelen) of een luchtwasser, terwijl voor de broeikasgas emissies mestverwerking (vergisting) leidt tot verlaging. Waarbij de verlaging het grootst is bij een snelle afvoer van mest naar de vergister. Wanneer wordt gekeken naar zowel de totale broeikasgas- en ammoniakemissie, kan door het verwerken van dagelijks verwijderde drijfmest uit de stal i.c.m.

emissie reducerende maatregelen de grootste reductie van gasvormige verliezen worden behaald (75% voor NH3-emissie en 59% voor broeikasgasemissies). Er zijn twee varianten doorgerekend door Wageningen University: één waarbij groen gas wordt geproduceerd en er een SDE++ subsidie voor is verstrekt en één waarbij het groene gas als transportbrandstof wordt ingezet en er HBe’s mee worden verkregen. De bijbehorende investeringen en het effect op de poortprijs staan in de volgende tabel.

6 Dit scenario is niet doorgerekend door Universiteit Wageningen, deze cijfers zijn geschat met gebruikmaking

van de gegevens van Wageningen.

20

Tabel 7: Investeringen en effect op poortprijs van dagontmesting, verwerking en stalmaatregelen Onderwerp

Eenheid

Variant SDE

HBe

Investeringen

M€

25,3

25,3

Poorttarief7

€/ton

19

10

4.2.3 Kalverhouderijen Bij kalverhouderijen zijn emissies van ammoniak en methaan uit de kalverdrijfmest te reduceren door een combinatie van stalmaatregelen gevolgd door mestverwerking. De grootste reductie van ammoniakemissie wordt verkregen met emissiearme stalsystemen. Voor broeikasgasemissies leidt mestverwerking (vergisting) tot grootste reductie. De reductie van methaan is het grootst bij een snelle afvoer van mest naar de vergister. De emissies zijn berekend op basis van een externe installatie die 250 kton drijfmest per jaar verwerkt. Drenthe had 734 vlees- en weideveebedrijven met in totaal ruim 45.500 koeien. De Drentse vleeskalverenbedrijven produceerden in 2021 samen 128 kton mest, onvoldoende dus om bovengenoemde installatie volledig te vullen. Wanneer wordt gekeken naar zowel de totale broeikasgas- en ammoniakemissie kan de grootste reductie van gasvormige verliezen worden behaald door het verwerken van dagelijks verwijderde drijfmest uit de stal waarbij flinke verschillen bestaan tussen bedrijven met blankvleeskalveren (56% voor NH3emissie en 50% voor BKG emissies) en bedrijven met rosévleeskalveren (55% voor NH3emissie en 65% voor broeikasgasemissies uit mest). In dit scenario wordt drijfmest dagelijks verwijderd uit de stal en voor een week opgeslagen op het bedrijf alvorens het naar een centrale mestverwerking wordt getransporteerd.

De mest wordt vergist waarna het digestaat wordt gescheiden in een dikke en een dunne fractie. De dikke fractie wordt gedroogd en gekorreld en de dunne fractie wordt gesplitst in een stikstof en kali-deel. Tabel 8: Investeringen en effect op poortprijs van dagontmesting en centrale verwerking (blankvlees) Onderwerp

Eenheid

Variant SDE

HBe

Investeringen

M€

21,7

21,7

Poorttarief8

€/ton

18

12

Tabel 9: Investeringen en effect op poortprijs van dagontmesting en centrale verwerking (rosévlees) Onderwerp

Eenheid

Variant SDE

HBe

Investeringen

M€

25,3

25,3

Poorttarief8

€/ton

17

6

7 Minimaal benodigd poorttarief dus exclusief winst | Reguliere verwerking kost € 22/ton 8 Minimaal benodigd poorttarief dus exclusief winst | Reguliere verwerking kost € 22/ton

21

5 Gebruik Groen gas dat eenmaal is ingevoed in het aardgasnet kan aardgas in al haar toepassingen vervangen. Het kan dus worden ingezet voor de productie van stroom in gasgestookte centrales, als transportbrandstof in de vorm van bioCNG/-LNG, in de gebouwde omgeving, voor hoge temperatuurtoepassingen in de industrie of als grondstof in de chemische industrie. Figuur 1: Verschillende toepassingen groen gas

Electriciteitsproductie Grondstof C1-chemie HT warmte industrie

Groen gas

Gebouwde omgeving Mobiliteit

In de Routekaart groen gas wordt geschetst hoe de overheid de rol van groen gas ziet in de toekomst. Daarin staat dat groen gas in de gebouwde omgeving nodig zal zijn voor het leveren van piekvermogen in warmtenetten en voor de verduurzaming van buurten, zoals oude stadskernen en buitengebieden, waar warmtenetten of elektrificatie beperkt haalbaar zijn. In de industrie is groen gas nodig voor het leveren van hoge temperatuur proceswarmte en als industriële grondstof. In de mobiliteitssector zullen groen gas gebaseerde energiedragers nodig zijn om fossiele brandstoffen te vervangen in de zware mobiliteit. Tot slot zal groen gas in de elektriciteitsproductie een rol blijven spelen in het leveren van piekvermogen bij een hoge elektriciteitsvraag of bij lage elektriciteitsproductie door tegenvallende weersomstandigheden. Al deze toepassingen concurreren met elkaar om het schaarse groene gas. Verschillende stimuleringsmaatregelen maken de inzet voor bepaalde toepassingen extra aantrekkelijk maar veroorzaken tegelijkertijd een complex krachtenveld. In dit hoofdstuk wordt dit krachtenveld geschetst.

5.1 Mobiliteit De mobiliteit gebruikte in 2020 448 PJ waarvan een klein deel (3 PJ) in de vorm van gas9. Groen gas kan op twee manieren worden gebruikt als transportbrandstof; door het te comprimeren (bioCNG) en door het te vervloeien (bioLNG). In het eerste geval wordt het voornamelijk gebruikt voor licht transport, afvalinzameling en openbaar vervoer. In het tweede geval is het een geschikte brandstof voor zwaar transport en zee-, en binnenvaart.

9

Klimaat- en Energieverkenning, PBL 2021

22

De rol van groen gas in licht transport is beperkt en de markt is ook behoorlijk verzadigd, als nieuwe speler is het dan ook moeilijk om deze markt te bedienen. Daarbij komt dat groen gas in deze markt veel concurrentie ondervindt van elektrisch vervoer. Het is dan ook de verwachting dat op termijn de rol van groen gas hier uitgespeeld raakt. De rol van groen gas in zwaar transport groeit echter en nu ook zeevaart onder druk staat om over te stappen naar klimaat neutrale brandstoffen is die markt voorlopig niet verzadigd. De Europese Hernieuwbare Energie Richtlijn schrijft voor dat lidstaten maatregelen nemen om de klimaatimpact van transportbrandstoffen terug te dringen. Dat krijgt vorm via een zogenaamde bijmengverplichting; een ieder die benzine of diesel op de markt brengt wordt geacht een bepaalde hoeveelheid energie in de vorm van duurzame transportbrandstoffen aan te bieden. Dat kunnen ze doen door bepaalde biobrandstoffen bij te mengen zoals biodiesel (E10) of bioethanol (B10) maar ze kunnen er ook voor kiezen om een 100% biobrandstof op de markt te brengen. Onderstaande figuur laat zien hoe het werkt, HBe’s C, O & G worden verklaard in de tabel verderop. Figuur 2: Schematische weergave bijmengverplichting

Zodra hernieuwbare brandstoffen zijn geleverd aan transport vind een inboeking plaats in het register Energie voor Vervoer. Oliemaatschappijen voldoen hiermee aan hun wettelijke jaarlijkse verplichting. De bedrijven mogen hun ‘prestatie’ verhandelen met andere rekeninghouders in het register, zodat de nationale doelstelling zo kostenefficiënt mogelijk wordt gehaald. Bedrijven die meer hernieuwbare brandstoffen hebben geleverd dan verplicht was kunnen dat deel verkopen aan een bedrijf dat te weinig heeft geleverd. Dit mechanisme is bijzonder interessant voor bedrijven die groen gas leveren aan transport. Zij leveren immers geen benzine of diesel en hebben daarom zelf geen verplichting. Tegelijkertijd leveren ze wel een 100% biobrandstof en leveren daarmee wel een bijdrage aan die verplichting. Die bijdrage kunnen ze dus verhandelen. Voor iedere GJ aan hernieuwbare brandstof die wordt ingeboekt ontvangt de inboeker een Hernieuwbare Brandstof Eenheid (HBe). Er zijn verschillende HBe’s die ook verschillende waardes hebben. De verschillen komen voort uit de gebruikte grondstoffen. In de volgende tabel staat een overzicht van de verschillende soorten HBe’s en de wijze waarop ze worden gewaardeerd.

23

Tabel 10: Verschillende soorten HBe’s en hun waarde Soort HBe

Ontstaat door inboeking van

Nadere omschrijving

HBE-Geavanceerd (HBE-G)

Vloeibare of gasvormige geavanceerde biobrandstof (x2)

Biobrandstof geproduceerd uit grondstoffen vermeld in bijlage IX, deel A van de Richtlijn hernieuwbare energie.

HBE-Conventioneel (HBE-C)

Vloeibare of gasvormige conventionele biobrandstof (x1)

Biobrandstof geproduceerd uit landbouw- en energiegewassen.

Vloeibare of gasvormige biobrandstof uit vetten (x2)

Biobrandstof geproduceerd uit grondstoffen vermeld in bijlage IX, deel B van de Richtlijn hernieuwbare energie.

Vloeibare of gasvormige overige biobrandstof (x1)

Biobrandstof geproduceerd uit tussenteelt gewassen, of uit residuen van productie / verwerking van voedsel- en voedergewassen voor zover niet vermeld in bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie

HBE-Bijlage IX b (HBE-B)

HBE-Overig (HBE-O)

Vloeibare of gasvormige hernieuwbare brandstof (x2,5) Elektriciteit (x4)

Om het gebruik van tweede generatie biobrandstoffen te stimuleren en concurrentie tussen voedsel en brandstof te voorkomen tellen biobrandstoffen die niet concurreren met voedsel of voer dubbel mee in het bereiken van de doelstelling. Dit zijn de zogenaamde geavanceerde biobrandstoffen en die hebben daardoor ook een dubbele waarde. (Een goed voorbeeld van zo’n grondstof is mest.) Dit is de HBe categorie waar groen gas een belangrijke rol speelt. De HBe waarde laat een stijgende lijn zien en omdat de bijmengverplichting tot en met 2030 oploopt zal deze waardestijging ook wel doorzetten. Onderstaande tabel toont de percentages voor de verschillende HBe’s. Tabel 11: Verschillende soorten HBe’s en hun doelstelling 2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal HBE

17,9%

18,9%

19,9%

21,0%

22,3%

23,6%

25,0%

26,5%

28,0%

Min. aandeel geavanceerd

1,8%

2,4%

2,9%

3,6%

4,2%

4,9%

5,6%

6,3%

7,0%

Max. aandeel conventioneel

1,4%

Max. aandeel IX b

10%

Bedrijven met een jaarverplichting hebben een minimaal aandeel HBE Geavanceerd (HBE-G) nodig en mogen een maximaal aandeel HBE Conventioneel (HBE-C) en HBE Bijlage IX B (HBE-B) inzetten. Voor het resterende deel van de jaarverplichting, wordt HBE Overig (HBE-O) ingezet.

24

De waardeontwikkeling over de afgelopen jaren is te zien in onderstaande grafiek. Grafiek 2: Waardeontwikkeling HBe’s Geavanceerd (€/Nm³ groen gas) 10

€1,60 €1,40 €1,20 €1,00 €0,80 €0,60 €0,40 €0,20 €2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

In bovenstaande grafiek wordt de HBe waarde weergegeven voor geavanceerde biobrandstof waarin de dubbeltelling is meegenomen. Deze waarde ontstaat na het inboeken van de Hernieuwbare brandstof en staat los van de waarde van het product groen gas. Iemand die groen gas levert aan transport krijgt dus betaald door de afnemer van het product en kan daarnaast de HBe verhandelen aan een oliemaatschappij die aan de verplichting moet voldoen.

5.2 Elektriciteitsproductie Nederlandse elektriciteitsproducenten gebruikten in 2020 voor 382 PJ aan aardgas 9. Normaalgesproken wordt het overgrote deel van de in Nederland geproduceerde stroom opgewekt door aardgascentrales. Groen gas kan aardgas vervangen in deze toepassing maar omdat voor de productie van hernieuwbare stroom veel alternatieven voor handen zijn wordt deze toepassing niet gestimuleerd. Groen gas zou nog wel een rol kunnen spelen in het leveren van piekvermogen bij een hoge elektriciteitsvraag of bij lage elektriciteitsproductie door tegenvallende weersomstandigheden. De inzet van groen gas in elektriciteitscentrales kan profiteren van het Emissiehandelssysteem ETS. Sinds begin 2022 kunnen ETS bedrijven groen gas certificaten inzetten om hun CO 2 reductie terug te dringen. De huidige CO2 waarde van plm. €85/ton onder het ETS systeem correspondeert met een extra waarde voor een kubieke meter groen gas van ca. € 0,15/Nm³. In vergelijking met de HBe route is deze route op dit moment aanzienlijk minder interessant. Dat kan veranderen als de stroomprijzen fors stijgen.

10 De gegevens zijn afkomstig uit bilaterale contacten met brokers die bemiddelen in de handel in HBe’s.

25

5.3 Industrie Groen gas kan een rol in de industrie spelen als grondstof en als leverancier van (hoge temperatuur) warmte. Ongeveer een kwart van alle aardgas in Nederland (plm. 10 BCM) wordt gebruikt als grondstof in de chemische industrie. Het totale verbruikssaldo van de industrie is in 2020 circa 1.400 PJ en daarvan wordt 500 PJ gebruikt als grondstof9. Voor een deel wordt dit aardgas gebruikt als bron voor waterstofproductie. Dit deel zou in de toekomst goed vervangen kunnen worden door groene waterstof. Een ander deel van het aardgas wordt gebruikt in de koolstofchemie, daarvoor zijn koolstofatomen nodig en die kunnen niet door waterstof geleverd worden. Dit deel van de chemische sector heeft alleen groen methaan (of direct uit biomassa gewonnen syngas11) als reëel duurzaam alternatief voor aardgas. Gasgestookte centrales die gebruik maken van groen gas kunnen profiteren van de extra waarde die ontstaat onder het ETS systeem door terugdringen van de CO2 uitstoot. Zoals hierboven weergegeven correspondeert dat bij de huidige CO2 prijzen met een extra waarde van € 0,15/Nm³. Bij de chemische industrie die groen gas als grondstof wil inzetten kan onderscheid gemaakt worden tussen een deel dat groen gas gebruikt als waterstofbron en een deel dat groen gas gebruikt als koolstofbron.

De eerste categorie stoot CO2 uit en zal daarom ook onder het ETS systeem in staat zijn extra waarde te ontlenen aan de inzet van groen gas/syngas. Dit is echter ook de categorie waar groene waterstof op termijn een grote rol zal gaan spelen. De tweede categorie gebruikt het C-atoom waardoor die niet bijdraagt aan de CO2 uitstoot maar de C-atomen juist vastlegt in moleculen als grondstof voor de chemie. Afhankelijk van het gemaakte eindproduct en toepassing daarvan kan deze sector wel of niet in staat zijn om via het ETS systeem extra waarde te ontlenen aan de inzet van groen gas. De inzet van hernieuwbare waterstof in de industrie wordt wel gestimuleerd. Het ‘Fit for 55’ voorstel van de Europese Commissie bevat een bindend sectordoel voor de inzet van hernieuwbare waterstof ter hoogte van 50% van het finaal gebruik, energetisch én non-energetisch, van waterstof in de industrie in 2030.

5.4 Gebouwde omgeving De gebouwde omgeving gebruikte in 2020 voor 257 PJ aan aardgas9. Deze sector verschikt van de andere gebruikerssectoren omdat de vraag fors fluctueert binnen de dag en tussen de seizoenen. Dat brengt ook op het gebied van invoeding uitdagingen met zich mee. In de winter wordt veel gas gebruikt door de gebouwde omgeving en kan daarom ook veel groen gas worden ingevoed. In de zomer is dat een stuk lager. Begin juli heeft minister Jetten de kamer per brief geïnformeerd over zijn plannen voor een bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving. De huidige coalitie heeft zich in het Coalitieakkoord uitgesproken voor een bijmengverplichting ter hoogte van 20%, plm. 1,6 BCM in de gebouwde omgeving in 2030. Het kabinet kiest daarmee tot 2030 voor opschaling van groen gas in primair de gebouwde omgeving. Hiermee zal rekening gehouden worden bij nationaal beleid in andere sectoren. De bijmengverplichting zal verdeeld worden over de energieleveranciers van Nederland o.b.v. een verdeelsleutel gebaseerd op de gaslevering aan kleinverbruikers. De bijmengverplichting zal ingevuld worden met administratieve certificaten, waarbij het groen gas in het aardgasnet wordt ingevoed. Deze zullen vooralsnog alleen verkregen kunnen worden o.b.v. in Nederland geproduceerd groen gas.

11 Syngas ontstaat bij de vergassing van biomassa en bestaat uit een mengsel van waterstof en koolmonoxide en

is een belangrijke grondstof in de chemie.

26

Hier moet de Europese Commissie nog wel mee instemmen. Mogelijk kan in een later stadium ook geïmporteerd groen gas gebruikt worden. De verplichting zal ingaan per 2025, en zal een starthoogte hebben van 150 miljoen Nm³. Voorafgaand aan inwerkingtreding van de bijmengverplichting moet de verplichting wettelijk worden verankerd hiervoor moet ongeveer twee jaar worden uitgetrokken. Het mechanisme zal gelijkenis vertonen met die voor transportbrandstoffen waarbij voor de gebouwde omgeving gebruik gemaakt wordt van Groen Gas eenheden (GGe’s) in plaats van Hernieuwbare Brandstoffen eenheden. (HBe’s) Het is nog niet duidelijk of en hoe dan mogelijkheden ontstaat om, net als bij HBe’s, te handelen in deze GGe’s. Het is op dit moment lastig om iets te zeggen over de waardeontwikkeling binnen deze route omdat het beleid nog in ontwikkeling is. Wel is duidelijk dat er straks twee bijmengverplichtingen naast elkaar zullen bestaan; één voor de mobiliteit en één voor de gebouwde omgeving. Deze zullen met elkaar concurreren waarbij er voor de bijmengverplichting in de mobiliteit alternatieven voor groen gas bestaan en in de gebouwde omgeving niet. Dat zal vermoedelijk gaan betekenen dat de gebouwde omgeving minimaal evenveel zou moeten betalen voor groen gas als de mobiliteit. Dat zou tot forse prijsstijgingen kunnen leiden en dat wordt ook onderkend door het kabinet.

De insteek van het kabinet is daarom, om indien nodig, de jaarverplichting voor de mobiliteit in lijn te brengen met de bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving. Bijvoorbeeld door de hoeveelheid groen gas die voor de verplichting in de mobiliteit gebruikt mag worden naar beneden bij te stellen.

27

6 Analyse Warmtevraag De huidige warmtevraag in Drenthe is 7,03 TWh (circa 740 miljoen kubieke meter aardgas). Meer dan de helft (3,9 TWh) hiervan wordt gebruikt voor het verwarmen van de bebouwde omgeving. De RESregio Drenthe zet in op een besparing van 15 procent op het gebruik van warmte in de gebouwde omgeving in 2030. Hierdoor daalt het warmtegebruik van 3,9 TWh nu naar 3,3 TWh in 2030. 3,3 TWh correspondeert met 11,9 PJ. In hoofdstuk 2 is weergegeven dat de toekomstige economische beschikbaarheid in 2030 maximaal 3.964 TJ zal bedragen. Energie uit Drentse biomassa zal dus maximaal 34% kunnen bijdragen aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Het overige deel zal uit andere verduurzamingsopties moeten komen of uit import van biomassa. Productie De bestaande vergistingsinstallaties in Drenthe leveren maximaal 2.102 TJ/jaar, de installaties die in ontwikkeling zijn voegen daar maximaal 3.663 TJ aan toe. Samen dus 5.765 TJ en daarmee zou 48% van de Drentse warmtebehoefte in de gebouwde omgeving ingevuld kunnen worden. De realiteit is echter dat op dit moment hooguit een zeer beperkt deel van deze energie voor het warmhouden van de Drentse gebouwde omgeving wordt gebruikt.

De WKK12 installaties produceren stroom en warmte waarbij de warmte grotendeels voor de eigen processen wordt gebruikt, de stroom wordt verkocht aan energiebedrijven die het aan hun klanten leveren die in Drenthe kunnen wonen maar evengoed in Vlissingen. WKK installaties stoten ook flink wat NOx uit en dragen zo bij aan de stikstofuitstoot. De groen gas installaties leveren hun groene gas aan het aardgasnet maar de groenwaarde (garantie van oorsprong) ervan wordt verhandeld in heel Nederland en soms zelfs daarbuiten. Hoeveelheid biomassa De hoeveelheid energie die uit Drentse reststromen geproduceerd kan worden bedraagt op dit moment maximaal 4.607 TJ. Dat is onvoldoende om alle huidige en geplande installaties van biomassa te voorzien. Drenthe zal dus biomassa moeten importeren. Voor een deel gebeurt dal al; Drenthe gebruikt meer mest (als meststof) dan het produceert, ruim 1.000 kton mest wordt aangevoerd van buiten de provincie. Deze hoeveelheid bevat 985 TJ energie die slechts ten dele ontsloten kan worden via vergisting. Nog lang niet alle mest wordt vergist, op dit moment wordt ca. 6,5% van de in Drenthe gebruikte mest vergist in 2030 is dat maximaal 23,6%. Effecten op stikstof- en broeikasgasuitstoot Mest gebruiken voor energieproductie kan ook bijdragen aan het terugdringen van de uitstoot van ammoniak.

Door dagverse mest te vergisten en het digestaat te strippen kan de uitstoot van ammoniak en methaan met tientallen procenten gereduceerd worden. Uit recent onderzoek van Bioclear earth blijkt dat het gebruik van digestaat ook een positief effect heeft op schimmels die helpen bij stikstofopname plant; de zogenaamde Arbusculaire mycorrhiza. Gebruik Het kabinet ziet de gebouwde omgeving op de korte termijn de meest efficiënte plek om opschaling van groen gas te bewerkstelligen. Voor de sectoren ‘industrie’ en ‘mobiliteit’ wordt in eerste instantie gekeken naar de opschaling van waterstof en andere duurzame energiedragers. Voor de mobiliteit geldt al een bijmengverplichting en dat resulteert in een bepaalde prijsvorming. Zo lang voldoende groen gas beschikbaar is om aan beide verplichtingen te voldoen zal het groene gas waarschijnlijk 12

WKK: Warmte-Kracht koppeling. Een installatie die biogas omzet in stroom en warmte 28

eerst naar de hoogste bieder gaan en zodra die markt verzadigd is zal het restant elders worden ingezet. Zodra schaarste optreedt zullen beide regelingen met elkaar concurreren en zal de gebouwde omgeving alleen in staat zijn om groen gas aan te trekken als zij bereid is minstens evenveel te betalen als de transportsector. CE Delft heeft in haar studie “Bijmengverplichting groen gas | Ontwerpopties en effectenanalyse” een projectie van zo’n prijsontwikkeling gemaakt. Het idee is dat de verplichting niet fysiek hoeft te worden ingevuld maar leveranciers mogen ook vergroenen met certificaten (groengaseenheden: GGe’s). Deze GGe’s zijn enigszins vergelijkbaar met de HBe’s uit de transportsector. Niet elke leverancier hoeft dan contracten af te sluiten met groengasproducenten; een leverancier met een overschot aan GGe’s kan deze verkopen aan een leverancier met een tekort. Daarbij is uitgegaan van het scenario dat hierboven is geschetst, m.a.w. de HBe waarde is leidend voor de prijs van groen gas in de gebouwde omgeving. Grafiek 3 Waardeontwikkeling HBe’s en GGe’s (€/Nm³)13

In bovenstaande grafiek is te zien dat als dit scenario uit komt prijzen snel kunnen oplopen. Het kabinet heeft dat onderkend en denkt na over maatregelen om dit effect te dempen. Zo wordt nagedacht over het in lijn brengen van de bijmengverplichting voor transportbrandstoffen met de bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving om de potentiële beschikbaarheid van groen gas te vergroten en mogelijke winsten te dempen. Een leverancier moet straks aan de bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving voldoen. Er moet dan voldoende groen gas worden aangeboden om aan die verplichting te voldoen. Waar dat

13

Bron: Bijmengverplichting groen gas | Ontwerpopties en effectenanalyse, CE Delft, juli 2022

29

groene gas uiteindelijk terecht komt is lastig te sturen. Maatschappelijk gezien lijkt de inzet in zowel historische binnensteden als het buitengebied te prefereren. Onderzoeken van CE Delft laten dat zien. Ruimtelijke inpassing Provincies en gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de ruimtelijke procedures voor de inpassing van groen gas productielocaties. Deze procedures nemen gemiddeld vijf jaar in beslag en vormen een knelpunt voor een snelle opschaling naar 2 BCM groen gas in 2030. Ook het gebrek aan betaalbare en beschikbare productielocaties belemmert de groei van de groen gas sector. De ministers van Economische Zaken en Klimaat en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaan met de medeoverheden verkennen in welk bestaand samenwerkingsverband deze inpassingsopgave het best kan worden opgepakt. Wanneer alle Provincies in gelijke mate bij moeten gaan dragen aan de 2 BCM ambitie in 2030 en de oppervlakte maatgevend is zal Drenthe de productie van ca. 130 miljoen Nm³ groen gas moeten gaan huisvesten. Als alle huidige projecten op vol vermogen groen gas produceren en de projecten in ontwikkeling ook dan staat in Drenthe een productiecapaciteit van 164 miljoen Nm³ groen gas.

30

7 Handelingsperspectief voor de RES partijen Zoals hierboven beschreven wordt in Drenthe al veel biogas en groen gas geproduceerd en zal dat volume in de toekomst fors toenemen. Helaas betekent dat niet automatisch dat dit groene gas (i.c. de GvO’s) ook ter beschikking staat van de lokale bevolking en/of bedrijven. De vraag is dan ook welke invloed regionale overheden kunnen uitoefenen op de beschikbaarheid, productie en (lokale) toepassing van groen gas. Hierbij is ook gekeken naar de (on)mogelijkheden van lokale overheden. Het is van belang te beseffen dat de startanalyse van PBL ook een vorm van sturing bevat en wel op basis van zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Dat gebeurt door in elke buurt te berekenen wat de goedkoopste gasloze strategie is. Zo wordt een indicatie verkregen van de kosten die kunnen worden uitgespaard als daar wel groen gas beschikbaar zou zijn. Vervolgens worden alle buurten geordend naar oplopende ‘uitgespaarde kosten’ en wordt daarna groen gas toegewezen aan buurten met de hoogste ‘uitgespaarde kosten’, net zo lang tot de beschikbare hoeveelheid groen gas is uitgedeeld. Regionale sturing kan deze aanpak doorkruisen maar maatschappelijke kosten zijn slechts één criterium, ook aspecten als draagvlak en draagkracht dienen meegewogen te worden bij de uiteindelijke verdeling.

Verder is het goed te beseffen dat consumenten zelf kunnen kiezen met welke energieleverancier ze in zee gaan. (Zie kader gassysteem.) In een woonwijk kunnen wel tientallen verschillende leveranciers actief zijn met per leverancier verschillende contractopties. Het zijn dus de leveranciers die groen gas moeten leveren en vervolgens de individuele huishoudens die dan ook voor een groen gas contract moeten opteren. Dat maakt het overstappen naar groen gas voor een wijk behoorlijk complex, des te meer omdat bewoners niet verplicht kunnen worden om met een bepaalde leverancier in zee te gaan. Onder andere vanwege deze situatie heeft de overheid gekozen voor een algehele bijmengverplichting voor de gebouwde omgeving. Het gassysteem Het gassysteem begint bij de productie van aardgas en groen gas. Dit wordt gedaan door energieproducenten zoals bijvoorbeeld de N.A.M, Vermilion of door groen gas producenten. Een energieleverancier koopt het van de producent en levert het aan de consument, de netbeheerder zorgt ervoor dat de energie bij een gebruiker beland. In sommige gevallen is de energieleverancier zélf producent. De energieleverancier is verantwoordelijk voor de levering van stroom en gas. De consument kiest zelf de energieleverancier en het type energiecontract (vast of variabel tarief, korte of lange looptijd, grijze of groene energie).

De netbeheerder kan niet zelf gekozen worden, welke netbeheerder men heeft is afhankelijk van in welke regio men woont. In Drenthe zijn de netbeheerders RENDO en Enexis verantwoordelijk voor het transport van gas.

7.1 Perspectief 1: Geen sturing Handelingsperspectief 1 is simpelweg ‘niets doen’ door lokale overheden. Indien de gehele keten in handen is van private partijen is de invloed op de inzet van groen gas zeer beperkt. Producenten en afnemers opereren in een vrije markt die wordt gereguleerd vanuit de EU en het Rijk. Dit perspectief gaat er van uit dat: 1) 2)

Een centrale bijmengverplichting voldoende is voor de relatie tussen lokale productie en afname groen gas en dat de markt, geholpen door een verplichting voor leveranciers, zal zorgen voor voldoende productie van groen gas en afnemers die groen gas afnemen.

Dit perspectief past dus goed in een situatie waar een bijmengverplichting geldt, de leveranciers moeten er dan zelf voor zorgen dat ze over voldoende groen gas beschikken om aan de verplichting te

31

voldoen en de gebouwde omgeving wordt voor een bepaald deel van groen gas voorzien. De in het Coalitieakkoord aangekondigde bijmengverplichting koerst op een bijmengpercentage van 20% in 2030 voor de gebouwde omgeving. Zonder iets te ondernemen kunnen lokale overheden er dan van uit gaan dat in 2030 dat deel van de lokale gebouwde omgeving dat nog aardgas gebruikt voorzien wordt van een flink aandeel groen gas. Dat groene gas kan dan wel overal vandaan komen en is niet per definitie lokaal geproduceerd, er wordt zelfs nog onderzocht of geïmporteerd(e) groen gas (certificaten) ook bij kan/kunnen gaan dragen aan de Nederlandse bijmengverplichting. De Greft14 constateert terecht dat we het ons erg lastig maken door onder verduurzaming alleen het gebruiken van hernieuwbare energie te verstaan. Indien we daaronder ook het opwekken daarvan verstaan wordt het een stuk eenvoudiger. Lokaal opgewekte hernieuwbare energie, ook al wordt die elders gebruikt, draagt immers net zoveel bij aan de oplossing van het klimaatprobleem als wanneer deze wel lokaal wordt gebruikt.

7.2 Perspectief 2: Sturing biogrondstoffen Een andere handelingsperspectief, om meer grip te krijgen op de keten van de groen gasproductie kan zijn door een positie in te nemen in die keten. Bijvoorbeeld door de levering van biogrondstoffen (Gft-afval, bermmaaisel, natuurgras etc.) en/of de afname van digestaat. Ook kan er worden gekeken of er een financieel belang in een ander deel van de keten kan worden genomen. Immers door een rol in de keten te nemen wordt ook de invloed die op die keten kan worden uitgeoefend vergroot. Overheden hebben specifieke publieke taken, zoals het organiseren van de afvalverwerking. Hiervoor worden door lokale overheden, bijvoorbeeld op gemeentelijk niveau, collectieve oplossingen gezocht. Een goed voorbeeld is de inzameling en verwerking van afval; de gemeente bepaalt door wie en hoe het huishoudelijk afval van haar inwoners wordt verwerkt. Afvalstromen als Gft-afval en de organische fractie van het restafval zijn geschikt om te vergisten. Ook stromen als natuurgras, rioolslib, etc. kunnen hiervoor worden gebruikt. Voorbeelden van collectieve oplossingen zijn bijvoorbeeld te zien bij afvalverwerkers Omrin, HVC en Twence. De meest voorkomende vergisters zijn mest-covergisters. Deze mogen, naast mest, alleen grondstoffen accepteren die voorkomen op bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Van de afvalstromen waar lokale overheden over kunnen beschikken staan alleen natuurgras, bermgras en slootmaaisel op deze bijlage. Gft-afval en de organische fractie uit huishoudelijk afval mogen alleen verwerkt worden door zogenaamde Allesvergisters. Door de lokaal beschikbare biogrondstoffen aan te bieden aan lokale producenten van groen gas komt er lokaal meer groen gas beschikbaar. Met het beschikbaar stellen van biogrondstoffen, of eventueel zelfs de verwerking ervan, wordt bovendien een aandeel verkregen in de groen gas keten. Als aandeelhouder is deze betrokkenheid is echter wel grotendeels privaatrechtelijk. Hiervoor geldt dat er goed moet worden getoetst hoe en tot in hoeverre dergelijke privaatrechtelijke routes kunnen worden ingezet voor de realisatie van publieke doelen (zoals het ‘borgen’ van groen gas voor regionaal gebruik) in het kader van de ‘doorkruisingsleer’ (het gebruik van privaatrechtelijke middelen ten behoeve van publieke doelstellingen of taken). De wetgever zal zich doorgaans op het standpunt stellen dat indien via de publiekrechtelijke weg een vergelijkbaar resultaat te behalen als via de privaatrechtelijke weg wordt beoogd, dit een belangrijke aanwijzing vormt dat geen ruimte is voor het gebruik van het privaatrecht. Met de komst van een landelijke bijmengverplichting die eenzelfde doel

14

Verkenning directe koppeling lokale productie en consumptie van groen gas in Drenthe, Ignas de Greft, 2022 32

beoogt zal de wetgever de conclusie kunnen trekken dat het privaatrecht in dit geval dus niet gebruikt mag worden. Dit lijkt daarom geen realistische optie. Verder lezen: Doorkruisingsleer. Doorkruisingsleer in Perspectief (VNG).

Bij dit perspectief is de lokale overheid een ketenpartner en kan invloed worden uitgeoefend op de bestemming van het groene gas. Als afgesproken kan worden dat het groene gas (gedeeltelijk) beschikbaar moet komen voor de lokale gebouwde omgeving is de volgende vraag hoe dat dan te organiseren? Onderstaand kader ‘Groen gas en dan?’ geeft aan hoe dat zou kunnen. Groen gas en dan? Een lokale overheid kan beschikken over groen gas maar hoe krijg je dat dan bij de lokale gebouwde omgeving? Via bestaande leveranciers De route via bestaande leveranciers is vanwege dynamiek en complexiteit niet realistisch, er moeten dan immers afspraken gemaakt worden met meerdere leveranciers over relatief kleine volumes waarbij consumenten ook nog jaarlijks van leverancier kunnen wisselen. Via één leverancier Een alternatief kan zijn om in zee te gaan met één leverancier en vervolgens de bewoners te verleiden om ook met deze leverancier in zee te gaan. Bijvoorbeeld door afspraken te maken over de prijs. Door met een coöperatievorm te werken en volumes goed af te stemmen met bewoners kunnen 1-op-1 relaties tussen projecten en wijken gelegd worden met een eigen prijsstelling. Voor de leverancier voegt dit wel veel complexiteit toe en zal dit scenario niet de voorkeur genieten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=712f5a44-2d0b-4549-8ddd-b3139e771daa