CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting - Ontwerpbestemmingsplan Zegelhorstweg 4

1 - RAADSVERGADERING 25 april 2024, gemeente MeppelBij agendapunt: Ongewijzigd vaststellen ontwerpbestemmingsplan 'Meppel - Buitengebied, herziening Zegelhorstweg 4'15.648 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen Ter beperking van geluidshinder worden in de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones gedefinieerd rondom belangrijke geluidsbronnen (gezoneerde industrieterreinen, verkeerswegen en spoorwegen). Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied, waar voor bouwplannen en bestemmingsplannen een akoestische toetsing dient te worden uitgevoerd.

5.6.2 Wegverkeerslawaai Beoordelingskader Met de nieuwbouw van de woning wordt er een geluidsgevoelige functie toegevoegd aan de omgeving. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat langs wegen geluidszones liggen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. De voor het plangebied relevante wegen liggen in buitenstedelijk gebied. De breedte van de geluidszones is als volgt: • • •

één of twee rijstroken: 250 meter; drie of vier rijstroken: 400 meter; vijf of meer rijstroken: 600 meter

Voor wegen waar een maximum snelheid van 30 km/h geldt kennen geen geluidszones. De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook van de weg tot de gevel van het gebouw. Onderzoek In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is ter plekke van de geluidgezoneerde wegen in de omgeving van het plangebied een gebiedsaanduiding ’48 dB contour wegverkeerslawaai’ opgenomen. De bijbehorende regeling stelt dat in geval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging of vrijstelling of herbouw van een woning elders op een bouwvlak, de woning (inclusief aanbouwen) – ter beperking van geluidshinder – niet mag worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven 48 dB-contour wegverkeerslawaai. De contouren van de omliggende geluidgezoneerde wegen (Zegelhorstweg, Nijentapperweg, Meenteweg, N371) reiken niet over de grenzen van het plangebied. Derhalve kan worden gesteld dat, uitgaande van een minimale geluidwering van de schilconstructie van 20 dB overeenkomstig het Bouwbesluit, zonder het treffen van aanvullende voorzieningen voldaan kan worden aan de benodigde binnengrenswaarde van 35 dB. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.6.3 Railverkeerslawaai Onderzoek De spoorlijn Arnhem – Leeuwarden heeft een zonebreedte van 300 meter aan weerszijden van de spoorlijn, gemeten vanuit de (buitenste) spoorstaaf. Het plangebied ligt op circa 2 kilometer van de spoorlijn en valt hiermee buiten de geluidzone. Conclusie railverkeerslawaai Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.6.4 Industrielawaai Onderzoek In paragraaf 5.4 is reeds een inventarisatie gemaakt van omliggende bedrijven en functies die mogelijk voor hinder kunnen zorgen ter plekke van de beoogde woning aan de Zegelhorstweg 4. Uit deze inventarisatie blijkt dat de beoogde nieuwbouwwoning niet binnen de richtafstanden voor geluid ligt ten opzichte van omliggende bedrijven en functies. Derhalve is een akoestisch onderzoek industrielawaai niet nodig.

Conclusie industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een richtafstand voor geluid en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante lawaai producerende bedrijven. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.6.5 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Beoordelingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.

Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Meppel Met deze Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Meppel. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Meppel aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Het toetsingskader voorkomt afwegingen en besluiten op ad hoc basis en brengt consistentie door heldere uitgangspunten en reële ambities.

De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het in dit document weergegeven externe veiligheidsbeleid in acht. De uitgangspunten uit deze visie worden verder toegepast bij alle gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol speelt (o.a. vergunningverlening en handhaving, routering gevaarlijke stoffen, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie). Uitgangspunt onderzoek De nieuwbouw van de beoogde woning dient afgewogen te worden in het kader van de externe veiligheid. Met de uitvoering van de beoogde ontwikkeling wordt een nieuw kwetsbaar object (1 woning, conform artikel 1, lid 1 sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen) toegevoegd aan de bebouwde omgeving. In het bestemmingsplan dat dit nieuwe kwetsbare object mogelijk maakt dient te worden afgewogen of risicovolle activiteiten in de omgeving een gevaar vormen voor dit object. 5.7.2 Onderzoek Op onderstaande afbeelding zijn de risicovolle objecten in de omgeving van het plangebied aangegeven.

Uitsnede van de risicokaart, met rood omkaderd het plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Inrichtingen In de omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor. Transportroutes gevaarlijke stoffen Ten westen van het plangebied is de N371 Assen – Meppel gelegen, een provinciale weg waarover risicovolle stoffen worden vervoerd. Voor deze risicobron geldt een PR10-6 risicocontour van 0 meter. Gezien de afstand van de transportroute tot het plangebied (circa 720 meter) kan worden geconcludeerd dat de N371 geen risico vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder ten westen is tevens de A32 gelegen. Ook over deze autosnelweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Gezien de afstand van de autosnelweg tot de grens van het plangebied (circa 1,2 kilometer) kan worden gesteld dat er geen gevolgen zijn voor de ontwikkeling van het plan. Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een aardgastransportleiding (NEN 3650-leiding). Deze aardgasleiding heeft een diameter van 203 mm en een maximale werkdruk van 95 bar. Daartoe geldt een PR10-6 risicoafstand van 40 meter tot de leiding. Het plangebied is gelegen op circa 1,3 kilometer afstand van deze buisleiding. De betreffende buisleiding vormt derhalve geen risico voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.7.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen);

•

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •

CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).

5.8.2 Onderzoek De voornomen ontwikkeling bestaat uit de bouw van 1 woning; het aantal ontsluitingswegen verandert ten opzichte van de bestaande situatie niet. Deze ontwikkeling valt onder de Regeling NIBM. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Omgekeerd dient te worden nagegaan of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van de woning voor wat betreft de luchtkwaliteit. Hiertoe is de NSL-monitoringstool geraadpleegd. Daaruit blijkt dat ten aanzien van NO2, PM10, PM2.5, en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied (peiljaar 2020). Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft luchtkwaliteit ter plekke van het plangebied.

5.8.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' bestemmingsplan.

vormt

geen

belemmering

voor

de

uitvoerbaarheid

van

het

5.9 Water 5.9.1 Watertoets Het doel van de watertoets is om in een vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. De watertoets is op 28 februari 2023 uitgevoerd op www.dewatertoets.nl. Op basis hiervan heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta een wateradvies uitgebracht. Op basis van de ingevoerde gegevens concludeert het Waterschap dat er sprake is van een waterbelang bij de voorgenomen ontwikkeling. De samenvatting van de watertoets is als bijlage 5 opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. 5.9.2 Waterparagraaf Advies waterschap Op basis van de digitaal ingediende watertoets heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta een formeel wateradvies uitgebracht. Het wateradvies gaat op diverse thema's met betrekking tot het wateraspect in. De belangrijkste aandachtspunten zijn hieronder beschreven. A-watergang Aan de voorzijde van het toekomstige erf bevindt zich evenwijdig aan de Zegelhorstweg een Awatergang. Er zal geen nieuwe overkluizing van deze watergang plaatsvinden, aangezien de toerit van het toekomstige erf op dezelfde situatie gesitueerd zal zijn als de huidige inrit. Verder dient de beheerstrook van de watergang toegankelijk te blijven. B-watergangen (schouwsloten) Aan de randen van het plangebied bevindt zich een B-watergang.

B-watergangen (of schouwsloten) hebben een belangrijke functie voor de waterafvoer- en berging. Deze watergangen staan op de legger van het waterschap en de Keur is van toepassing. Volgens de Keur zijn alle activiteiten die plaatsvinden in, op of langs watergangen van het waterschap vergunningsplichtig. Voor minder ingrijpende activiteiten zijn algemene regels vastgesteld. Langs de randen van het perceel is beplanting voorzien ten behoeve van de afscherming van het erf. De Keur stelt in artikel 6 kaders voor het toepassen van beplanting langs oppervlaktewaterlichamen; voor het beplanten langs watergangen als bedoeld in dit artikel geldt een meldingsplicht. Afhankelijk van het materieel dat waterschap inzet voor het onderhoud van de betreffende watergang (smal- of breedspoormachine) kan op basis van het houden van afstand tot de watergang een vrijstelling worden verleend voor de genoemde meldingsplicht. Bij het tot uitvoering brengen van het landschappelijk inpassingsplan zal met het waterschap moeten worden afgestemd gedurende het vooroverleg. Overbelasting watersysteem Uitgangspunt is dat hemelwaterberging wordt gerealiseerd in de vorm van ondergrondse berging (in de kelder van de voormalige stal). In de huidige situatie zijn geen specifieke voorzieningen voor waterberging aangelegd.

Daarnaast neemt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie substantieel af (zie ook paragraaf 5.9.3). Er komt hiermee meer ruimte binnen het plangebied vrij om water te infiltreren in de bodem. Door de kelder van de voormalige stal in te zetten als waterbergingsvoorziening wordt een plus gerealiseerd op het gebied van omgang met hemelwater. Tevens is voldoende ruimte binnen het plangebied aanwezig om te voorzien in de benodigde berging ten gevolge van de oppervlakteverharding die de nieuwe functie teweeg brengt.

Om grondwateroverlast bij de nieuwe bebouwing te voorkomen geeft het waterschap de volgende adviezen (in voorkeursvolgorde): 1. kruipruimteloos bouwen; 2. ophogen van het plangebied. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte geadviseerd van de vloer van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld). Om wateroverlast en schade in de woning te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. De hoogte van het maaiveld van het plangebied ligt op circa 1,4 m + NAP. De bodem bestaat voornamelijk uit kalkloze zandgronden. De GHG ligt op circa 20 tot 40 cm onder het maaiveld. Locatiekeuze Het plangebied is gelegen in het Beekdal. Bouwen in het Beekdal is niet gewenst. De beekdalen zijn van nature de laagste plekken in het watersysteem. Bij extreme neerslag zijn deze gebieden het meest kwetsbaar voor wateroverlast. Onderhavig plan betreft vervangende nieuwbouw, waarbij een substantiële afname aan bebouwd oppervlak gerealiseerd wordt. gezien de functie (wonen) dient het vloerpeil op een hoogte van GHG + 80 cm te worden aangelegd.

Waterkwaliteit Geadviseerd wordt om in het ontwerp geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken en duurzaam gebruik te maken van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. 5.9.3 Klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen Invloed op de waterhuishouding Het planvoornemen ziet toe op de sloop van de bestaande agrarische stal aan de westzijde van de Zegelhorstweg en de vervangende nieuwbouw van één woning op dezelfde locatie. De voormalige stal heeft een oppervlakte van circa 850 m2. De toekomstige levensloopbestendige woning zal een oppervlakte krijgen van circa 7,5 bij 13 meter, oftewel circa 100 m2 grondoppervlak. Hiermee neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied af. Hittestress Door de ligging van het plangebied in het grotendeels onbebouwde buitengebied speelt hittestress in de huidige situatie al geen grote rol. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied af en zal het erf verder groen worden ingericht. Hiermee neemt het risico op hittestress ter plekke van het plangebied alleen maar verder af. Wateroverlast Binnen het plangebied is in de huidige situatie reeds weinig sprake van wateroverlast; water op straat ten gevolge van een extreme bui komt eigenlijk niet voor en ook bestaat er geen overstromingsrisico ten gevolge van een dijkdoorbraak (zie onderstaande afbeeldingen).

In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied af. Hiermee zal er geen toename aan wateroverlast binnen het plangebied ontstaan.

Wateroverlast op straat na extreme bui (plangebied rood omlijnd) (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Overstromingsrisico ter plekke van het plangebied (rood omkaderd) (bron: Atlas voor de Leefomgeving) Droogte Het aspect ‘droogte’ speelt ter plaatse van het plangebied geen grote rol. Uit onderstaand kaartbeeld blijkt dat de risico’s op aantasting van de fundering als gevolg van langdurige droogte binnen het plangebied beperkt zijn. Daarnaast heeft droogte slechts in zeer beperkte mate effect op de beoogde functie van het perceel (‘wonen’).

Gebieden met kwetsbare fundering door droogte (plangebied rood omlijnd en aangeduid als 'niet kwetsbaar - )-20%) (bron: Atlas voor de Leefomgeving) 5.9.4 Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.10 Ecologie 5.10.1 Beoordelingskader Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Verder zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland regels opgenomen ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. 5.10.2 Onderzoek Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken is door Gras Advies een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. Het ecologisch onderzoek is als bijlage 6 opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit de quickscan zijn als volgt: 1.

De aanwezigheid van beschermde soorten kan worden uitgesloten. Een vervolgonderzoek naar beschermde soorten hoeft dan ook niet uitgevoerd te worden. 2. Het plangebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen in de directe omgeving en de struiken in het plangebied als broedlocatie gebruiken. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om wordt gewerkt of onder voorwaarde dat eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet worden verstoord. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van de

weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Mocht er binnen het broedseizoen werkzaamheden gepland staan dan moet het gebied maximaal drie dagen vóór aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog worden vrijgegeven middels een broedvogelinspectie. Tijdens de werkzaamheden wordt aangeraden mitigerende maatregelen te treffen om het gebied broedvrij te houden. 3. De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur. AERIUS-berekening Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen is voor de aanlegfase en de gebruiksfase door Gras Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage van de AERIUS-berekening is als bijlage 7 opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. De realisatie- en gebruiksfase resulteren in een maximale toename van 0,00 mol N/ha/jr op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hiermee is een significant negatief effect op Natura 2000gebieden uitgesloten.

Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. 5.10.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie 5.11.1 Archeologie Beoordelingskader Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De nieuwe Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. In het kader van een ruimtelijk plan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de betreffende gronden van archeologische waarde kunnen zijn. De uitkomsten hiervan worden door het bevoegde gezag meegenomen in de belangenafweging. Onderzoek Ter plekke van het plangebied is in het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Derhalve zijn er geen archeologische waarden in de bodem te verwachten. Daarnaast wordt de beoogde woning gebouwd binnen de contouren van de bestaande stal en, indien bouwkundig mogelijk, op de fundering van de stal. Met het voorgenomen plan worden geen archeologische waarden in de grond geschaad. Conclusie archeologie Het aspect 'archeologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.11.2 Cultuurhistorie Beoordelingskader Volgens artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven

welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. De gemeente Meppel heeft een rijk verleden en wil zich dan ook inzetten om de cultuurhistorische waarden te behouden en waar mogelijk te benutten. Om hier inhoud en vorm aan te geven heeft de gemeente een cultuurhistorisch beleidskader met een uitvoeringsprogramma opgesteld. Het kader is vastgelegd in het rapport ‘Cultuurhistorische inventarisatie en waardestelling gemeente Meppel'. Onderzoek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorps- of stadsgezicht. De in het plangebied aanwezige bebouwing is niet aangewezen als een rijks- of gemeentelijk monument. In de directe omgeving van het plangebied komen geen aangewezen rijks- of gemeentelijke monumenten voor. De bebouwing aanwezig in het deel van het plangebied waar ruimtelijke ontwikkelingen gaan plaatsvinden heeft geen bijzondere cultuurhistorische of architectonische waarde, die behouden dient te worden. Conclusie cultuurhistorie Het aspect ‘cultuurhistorie’ bestemmingsplan.

vormt

geen

belemmering

voor

de

uitvoerbaarheid

van

het

5.11.3 Conclusie Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.12 Duurzaamheid Een duurzame omgeving is een omgeving die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaand is uitgelegd wat gewenst is en waar dat op is gebaseerd. 5.12.1 CO2-reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Aardgasloze verwarming Om de vereiste reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten.

Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is. Duurzame mobiliteit Om de vereiste reductie in CO2 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, is het wenselijk om in het aantal voertuigen in centrum stedelijk gebied te verlagen om daarmee de leefbaarheid in groeiende steden overeind te houden.

Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen, smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten. Warmte- en energiebesparing Om tot de vereiste CO2-reductie te komen, moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. Duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, is energieneutraal zijn een opgave. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die wordt gebruikt, bij voorkeur binnen de grenzen van de eigen gemeente of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op het gebied van zonne-energie zijn er kansen. 5.12.2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Het streven is om afvalloos te woorden waarbij producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden.

(Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. De rijksambitie is om in 2050 een circulaire economie te hebben. Geen afval Het doel is om 0% restafval te hebben. In eerste instantie zal hierbij worden in gezet op het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval. Flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, is het aan te raden om bij het ontwerp al rekening te houden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw. In onderhavig plan is initiatiefnemer voornemens om op basis van een prefab-methode de beoogde woning te realiseren. Deeleconomie De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

5.12.3 Natuur Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? Biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ecologische versnippering moet worden voorkomen.

Oppervlakte groen Het streven is om zoveel mogelijk groen in de openbare ruimte toe te passen en daar waar mogelijk te versterken, ook op of aan gebouwen. 5.12.4 Sociale basisbehoeften Bij de ruimtelijke component van sociale basisbehoeften gaat het over klimaatadaptatie, gezonde verstedelijking, bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (maatschappelijk verantwoord). Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Risico op schade in de nabije toekomst moet worden beperkt. Ten aanzien van hemelwater is de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen dragen bij aan een lagere bergingscapaciteit en dragen teven bij aan het voorkomen van hittestress. Gezonde verstedelijking Hieronder wordt verstaan: gezonde lucht, bodem en water, beperkte geluidsoverlast, externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. Betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen Inwoners worden steeds beter betrokken bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten.

De ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen. 5.12.5 Conclusie CO2 reductie De beoogde nieuwbouw wordt gasloos gerealiseerd, verwarmen van de woning zal geschieden middels een warmtepomp. Initiatiefnemer is voornemens om, indien technisch haalbaar, verwarming van het water ten behoeve van de warmtepomp te realiseren middels aansluiting op de ondergrondse ruimtes van de voormalige mestkelder. Indien het bouwkundig mogelijk is zal de bestaande fundering van de voormalige stal voor de bouw van de woning worden gebruikt. Tot slot is initiatiefnemer voornemens om middels een duurzame prefab methode het beoogde huis te bouwen. Met bovengenoemde maatregelen wordt een substantiële bijdrage geleverd aan CO2 reductie. Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem waarin kringlopen worden gesloten. Er wordt bewust nagedacht over de herkomst en de toekomst van materialen. Bij onderhavige ontwikkeling wordt, indien mogelijk, gebruik gemaakt van de bestaande fundering van de stal om de nieuwbouwwoning op te bouwen. Ook wordt nagegaan in hoeverre de voormalige mestkelder geschikt is om water ten behoeve van de warmtepomp te verwarmen. Beide ingrepen dragen bij aan duurzaam hergebruik van bestaand materiaal.

Natuur Binnen het plangebied wordt middels het voorgestelde landschappelijk inpassingsplan een diversiteit aan beplanting toegevoegd. Hiermee wordt de biodiversiteit van het buitengebied verhoogd.

Sociaal Het initiatief draagt tot slot bij aan een sociale basisbehoeften; door de toevoeging van een levensloopbestendige woning voor initiatiefnemer zijn er mogelijkheden voor diens kinderen om in de nabijheid te wonen en zo zorg te dragen voor elkaar.

5.13 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten De milieu- en omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

6 Besluit Milieueffectrapportage 6.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken is een besluit in het kader van artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk, in casu een bestemmingsplan. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing.

6.2 Beoordelingskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel.

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn, is vastgelegd in het Besluit m.e.r. De activiteiten zijn onderverdeeld in: • •

activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij.

6.3 Procedure In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden: 1. de initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

6.4 Toetsing Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D11.2, de aanleg,

wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft immers de netto toevoeging van één nieuwe woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. Kenmerken van het project; 2. Plaats van het project; 3. Kenmerken van de potentiële effecten. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

6.5 Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

7 Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan 'Zegelhorstweg 4, Meppel’ worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat de bouw van één nieuwe woning ter plekke van de bestaande stal en de bewoning van de bestaande woning aan Zegelhorstweg 4 als reguliere burgerwoning wordt mogelijk gemaakt.

Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Buitengebied‘ en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

7.2 Opzet van de regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •

artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Op de verbeelding zijn bouwhoogten en soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen. 7.2.2 Bestemmingsregels hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); Gebruiksregels: welke vormen van gebruik zijn toegestaan en welke niet; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.

In paragraaf 7.3 van de toelichting worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht. 7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

• •

artikel 5 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 6 Algemene bouwregels: in de algemene bouwregels zijn bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakken en bouwregels beschreven die zonder afwijkingsprocedure toegestaan zijn. In het verleden waren voor zulke geringe overschrijdingen wel afwijkingsprocedures nodig. Maar in de praktijk bleken de in dit artikel opgesomde overschrijdingen altijd een omgevingsvergunning te krijgen. Daarom zijn ze in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt 'bij wijze van recht'. Dat komt de helderheid vooraf ten goede en kan de proceduredruk verminderen. artikel 7 Algemene gebruiksregels: in de algemene gebruiksregels is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. artikel 8 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kunnen Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn.

Bedoeld worden onder meer geringe afwijkingen van bouw- of bestemmingsgrenzen;

7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 9 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 10 Slotregels geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer en de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

7.3 Nadere toelichting op de bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt

over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Ten behoeve van de beoogde woonfunctie is ter plaatse van de toekomstige woning, het bijgebouw en het voormalig grondvlak van de schuur de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Ter plaatse van de woning is een bouwvlak met maatvoeringsaanduiding opgenomen; uitsluitend binnen het bouwvlak zijn hoofdgebouwen toegestaan. De overige gronden in het ten westen van de Zegelhorstweg gelegen perceel zijn bestemd als ‘Agrarisch’ ten behoeve van de landschappelijke inpassing en teneinde de vergunningsvrije bouwmogelijkheden enigszins te beperken. Het agrarische bouwvlak ter plaatse is volledig verwijderd, evenals de aanduiding ‘zonder woning’. Voor het perceel ten oosten van de Zegelhorstweg waar zich de bestaande woning bevindt is ter plekke van woning en bijgebouwen eveneens de bestemming ‘Wonen’ toegekend.

Ook hier is ter plaatse van de bestaande woning een bouwvlak met maatvoeringsaanduiding opgenomen. De overige gronden zijn als ‘Agrarisch’ zonder bouwmogelijkheden bestemd. Ook voor dit perceel is het agrarisch bouwvlak verwijderd zodat toekomstige agrarische bedrijfsmogelijkheden zijn uitgesloten. Tot slot is aan de woning de aanduiding 'internetwinkel' toegekend, waarmee ter plekke de reeds aanwezige internetwinkel (tot maximaal het bestaande vloeroppervlak) wordt toegestaan.

8 Uitvoerbaarheid 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.

8.2 Financiële uitvoerbaarheid en exploitatie De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) gaat ervan uit dat bij het bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld tenzij het kostenverhaal anders verzekerd is. De voor dit bouwplan en bestemmingsplan te maken kosten, waaronder eventuele tegemoetkoming in schade, zijn voor rekening van de betrokken initiatiefnemer. Met hem zijn hierover bindende afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Om die reden maakt een exploitatieplan geen deel uit van dit bestemmingsplan.

9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).

9.2 Overleg en inspraak Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening zal dit bestemmingsplan worden toegestuurd aan bevoegde instanties. Eventuele reacties worden in deze paragraaf opgenomen. Waterschap Het waterschap heeft middels indiening van de digitale watertoets gereageerd op het plan. De adviezen en opmerkingen zijn in de toelichting van dit bestemmingsplan in de waterparagraaf opgenomen. Provincie Drenthe De provincie Drenthe heeft het plan in het kader van vooroverleg beoordeeld. Hieruit volgden een tweetal aanpassingsvoorstellen: • •

De woning in lijn met de verkaveling van het landschap zetten; De groene inpassing van het erf ook aan de voorzijde langs de Zegelhorstweg doortrekken.

Beide opmerkingen zijn in het landschappelijk inpassingsplan verwerkt.

9.3 Zienswijzen Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft van 20 december 2023 tot en met 30 januari 2024 ter inzage gelegen, zodat belanghebbenden een zienswijze konden indienen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Derhalve wordt het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=27549216-5935-4a61-84a9-6a44c3a89376