CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

2.3 Bijlage - Motivering - TAM-IMRO omgevingsplan ‘Inlussing station Meppel Noord’

1 - RAADSVERGADERING 28 mei 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan ‘Inlussing station Meppel Noord’14.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5. Geluid Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en functies die een zekere mate van rust nodig hebben anderzijds. Ruimtelijke plannen en projecten moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke Omgevingsplan, het Bkl (Bkl) en onderliggende besluiten en regelingen.

1. Toetsingskader Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat (onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan) bevat de regels over geluid door een activiteit op of in geluidsgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De Omgevingswet maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde en bronnen met basisgeluidemissie. Het is aan het Bevoegd Gezag om het geluidsniveau van wegen, spoorwegen en industrieterreinen te beoordelen conform artikel 3.20 van het Bkl. Het Rijk stelt voor een aantal aangewezen geluidsgevoelige gebouwen en stiltegebieden specifieke regels op. Voor geluidgevoelige functies zoals wonen, onderwijs of zorg is artikel 3.20 van het Bkl bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming op basis van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Bij het toelaten van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw langs een (spoor)weg of nabij een industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp), moet de gemeente rekening houden met het geluid door de bron.

2. Resultaten De realisatie van het project kent een beperkte geluidsproductie in de aanlegfase. Hier worden indien nodig, vergunningen aangevraagd. In de gebruiksfase wordt geen geluid geproduceerd.

26

3. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

6. Luchtkwaliteit 1. Toetsingskader Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Bkl (Bkl). De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 microgram/m3.

2. Resultaten Het project wat met het TAM-Omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt leidt niet tot een substantiële toename van verkeer (periodiek onderhoud en reparaties zorgen voor enkele beperkte vervoersbewegingen). De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de inlussing genereren tijdelijk extra verkeer. Vanwege de beperkte omvang en het tijdelijke karakter van de werkzaamheden kan op voorhand geconcludeerd worden dat de grenswaarden voor de relevante componenten ook in de aanlegfase niet overschreden worden. In de gebruiksfase vinden geen emissies plaats. In het plangebied liggen de huidige concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de EU-grenswaarden (zie tabel 6.1). Het project beïnvloedt niet in betekenende mate de 27

luchtkwaliteit omdat de uitstoot in zowel de aanleg- als de gebruiksfase beperkt en tijdelijk is en de huidige achtergrondwaarden in het projectgebied ruim onder de grenswaarden liggen. Tabel 4.1 Huidige concentraties in het plangebied (Atlas Leefomgeving, geraadpleegd 17 april 2025)

Stof

Grenswaarde EU

Concentratie (2023)

PM2,5

25 microgram/m3

7,0 microgram/m3

PM10

40 microgram/m3

13,7 microgram/m3

NO2

40 microgram/m3

12,7 microgram/m3

3. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het project. De huidige achtergrondwaarden liggen ruim onder de grenswaarden en daarmee zal het project niet in betekende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7. Geur 1. Toetsingskader Regels over geur zijn onderverdeeld in de verschillende Amvb’s van de Omgevingswet. Het verschilt per inrichting en activiteit waar de regels zijn opgenomen. Indien er geen aanpassingen hebben plaatsgevonden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. De regels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 van het Bal. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Het is aan het Bevoegd Gezag om te beoordelen of de geurhinder aanvaardbaar is gelet op het Bkl en het omgevingsplan.

2. Resultaten In en nabij het plangebied zijn geurgevoelige objecten aanwezig. Daarnaast geld in een groot deel van het plangebied de bestemming ‘buitengebied’, en is het aannemelijk dat er activiteiten aanwezig zijn met geuremissie. De activiteiten uit onderhavig TAMOmgevingsplan veroorzaken geen geurhinder. De regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan zijn van toepassing, maar gelet op de afwezigheid van geurbronnen wordt voldaan aan de regels.

28

3. Conclusie Het project heeft geen geurbelasting tot gevolg. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

8. Trilling In deze paragraaf wordt behandeld op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect trilling. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er eisen gesteld aan de maximale trillingsniveaus die als aanvaardbaar worden beschouwd. Trilling kan onder andere veroorzaakt worden door de uitvoering van werkzaamheden nabij spoorverkeer, wegverkeer of industriële activiteiten. Er dient getoetst te worden of de trillingsniveaus ter plaatse van het project niet worden overschreden.

1. Toetsingskader Om het aspect trilling te toetsen dient er eerst bepaald te worden of het project een geluidgevoelige locatie, ruimte, of gebouw betreft. Hierna kan er getoetst worden of de gestelde normen niet worden overschreven en het project dus aanvaardbaar is in het kader van een goede fysieke leefomgeving. De geldende wet- en regelgeving rondom het aspect trillingen is voornamelijk te vinden in het Bkl (Bkl) en de Bruidsschat. Het beoordelen van trilling heeft 3 doelen: 1 beoordelen of activiteiten in trilling gevoelige gebouwen op een locatie wenselijk of toelaatbaar zijn; 2 beoordelen of maatregelen nodig zijn om trillinghinder te voorkomen; 3 beoordelen of activiteiten of werkzaamheden voldoen aan de normen voor trillingen.

2. Resultaten De inlussing produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter aanlegwerkzaamheden plaats die trillingen in de bodem kunnen veroorzaken. Dit zijn mogelijke heiwerkzaamheden voor funderingen en boringen voor de aanleg van kabels. De bodem in en rondom het projectgebied bestaat voornamelijk uit zandgronden. Dit zijn weinig trillingsgevoelige grondsoorten. In de regel wordt voor dit soort gronden nader onderzoek aanbevolen voor woningen of andere trillingsgevoelige objecten binnen 100 m van de trillingsbron. Op meer dan 250 m van de trillingsbron zijn voor zandgronden de effecten van trillingen verwaarloosbaar. Gezien de afstand van het werkterrein (exclusief toegangsweg) tot de dichtstbijzijnde woning (Haakswold 24, circa 495 m van mast 18a) is de verwachting dat trillingen op deze afstand geen negatief effect hebben. Daarnaast kunnen trillingen in de bodem een negatief effect hebben op de stuw in de Oude Vaart. Voor het aanleggen van kabels onder de Oude Vaart zijn boringen benodigd die trillingen op de stuw kunnen veroorzaken. Dit kan effecten hebben op de constructieve 29

veiligheid en de bewegende onderdelen van de stuw, bijvoorbeeld als gevolg van scheurvorming. Ter bescherming van de stuw geldt ook een beschermingszone van 10 meter radius waarbinnen geen kabels mogen worden aangelegd. Hier wordt met de aanleg van de kabels buiten gebleven om negatieve effecten op de stuw te voorkomen.

3. Conclusie Tijdens de gebruiksfase zijn geen noemenswaardige trillingen te verwachten, en ook tijdens de aanlegfase worden negatieve effecten op de omgeving, zoals woningen of de stuw in de Oude Vaart, voorkomen door passende maatregelen en voldoende afstand. Daarmee worden trillingsrisico’s voor zowel mens als infrastructuur als verwaarloosbaar beschouwd. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

9. Bodem Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelig locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden.

1. Toetsingskader In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl.

30

2. Resultaten Om inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit zijn een vooronderzoek bodem en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In onderstaande paragraaf zijn de resultaten en conclusies hiervan samengevat. De volledige rapportages zijn opgenomen in bijlage I en XI. Bodem De bodem in het plangebied bestaat uit midden en fijn zand en varieert sterk in kleur en kalkhoudendheid. De grondwaterstroming is zuidwestelijk. De bodem in het plangebied heeft als kwaliteitsklasse Industrie en landbouw/natuur. De ontgravingskwaliteit is gelijk aan de achtergrondwaarde. In het plangebied zijn diverse dammen aangetroffen die mogelijk bron zijn van bodembelasting (zware metalen, asbest en PAK’s). Er zijn geen aanwijzingen voor overige beïnvloeding door (historische) activiteiten. Vanuit de beschikbare bodemkwaliteitsgegevens worden maximaal licht verhoogde gehaltes van verontreiniging verwacht. Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat voor de voorgenomen werkzaamheden het niveau van ‘basishygiëne’ van toepassing is. De voorgenomen werkzaamheden vallen onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde’. Met het uitganspunt dat geen sprake is van tijdelijke uitname geldt enkel een informatieplicht voorafgaand aan de werkzaamheden.

Waterbodem Voor waterbodem is er naar verwachting sprake van een beperkte diffuse belasting met zware metalen (agrarisch gebruik) en PFAS via de lucht in het stroomgebied. Uit het verkennend onderzoek volgt dat de onderzochte mengmonsters op basis van de standaard parameters en PFAS voldoen aan de klasse ‘Landbouw/Natuur’ tot klasse ‘Industrie’ bij toepassen op landbodem. Bij toepassing in oppervlaktewater voldoen de standaard parameters en PFAS aan de klasse ‘Altijd toepasbaar’ tot klasse ‘Licht verontreinigd’. De waterbodem is eveneens verspreidbaar op landbodem. Voor het baggeren van watergangen dient vier weken voor aanvang van de werkzaamheden een melding gedaan te worden. Voor het toepassen van baggerspecie op land- of waterbodem is een melding aan het bevoegd gezag nodig, minimaal een week voor aanvang via het DSO, tenzij het om een grootschalige bodemtoepassing (GBT) gaat, waarvoor een termijn van vier weken geldt. De melding moet een milieuverklaring bodemkwaliteit bevatten, waarvoor de bestemming en hoeveelheden per kwaliteitsklasse bepaald moeten worden.

3. Conclusie Voor dit TAM-omgevingsplan is de bodemkwaliteit voldoende in beeld. Op basis van de aanbevelingen van het verkennend bodemonderzoek volgt welke meldingen en informatieplichten benodigd zijn in aanloop naar de uitvoering. Hiermee is dit thema geen belemmering voor de uitvoering van dit project. 31

Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

10.

Omgevingsveiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico's met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico's voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare objecten. Deze objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van een nieuw omgevingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico's, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

1. Toetsingskader Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (1 op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de 32

indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Meppel heeft ook een eigen beleidsvisie externe veiligheid (dd. 15 januari 2009). Hierin is voor verschillende gebiedstypen het beleid ten aanzien van externe veiligheid beknopt uitgewerkt. De gebiedstypen zijn als volgt: binnenstad en centrum; woonwijken; buitengebied; bedrijventerreinen; en transportzones spoor, weg en water. Het beleid ziet voornamelijk op het toestaan van bepaalde bedrijven en functies met een risico voor externe veiligheid, en de aanwezigheid van kwetsbare functies hierbij.

2. Resultaten Het nieuwe opstijgpunt en de ondergrondse 110 kV-verbinding vallen niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Het betreffen geen risicovolle inrichtingen en geen (beperkt) kwetsbare objecten. Het project past ook binnen het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Meppel. Derhalve is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van de plannen. Het project zorgt verder niet voor een toename van de kans op een incident bij risicobronnen (plaatsgebonden risico en groepsrisico) of een toename van de effecten van een mogelijk incident. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

3. Conclusie Gezien het feit dat het TAM-omgevingsplan geen externe veiligheidsrisico's met zich meebrengt voor gevoelige functies in de nabijheid van het plangebied en het feit dat het bestemmingsplan niet voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van nieuwe kwetsbare objecten in de nabijheid van risicovolle bronnen of transportroutes vormt het thema externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het project. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

11.

Water

1. Toetsingskader Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen water en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De weging van het waterbelang vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van water te borgen in de ruimtelijke plannen.

33

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van een omgevingsplan de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Dit volgt uit de instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3. van het Bkl (Bkl). Voor een goede weging van het waterbelang dient de initiatiefnemer van een plan vroegtijdig af te stemmen met de waterbeheerder. De initiatiefnemer is in dit geval de gemeente Meppel; de waterbeheerder is het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Onderstaande paragraaf vormt het resultaat van de weging van het waterbelang.

2. Resultaten Door Witteveen+Bos is een Weging van het waterbelang opgesteld (bijlage II). Om met het ontwerp de belangen van het waterschap niet te schaden, moet rekening worden gehouden met een aantal uitgangspunten. Specifiek voor de ontwerpers is het zaak om aandacht te besteden aan de volgende punten: - afstand tot de stuw: beschermingszone van 10 meter radius voor en achter de stuw waarbinnen geen kabels mogen worden aangelegd; - kruisen van een waterkering: kruising op een diepte van minimaal 3,00 m onder de waterkering door (aantonen met boortekening); - kruisen van een watergang: 1 m onder de bodem van de watergang of onder een duiker door; - leggen kabels parallel aan een watergang: 1 m uit de insteek van de watergang; - toename verhard oppervlak: er moet ruimte zijn voor 80 mm berging voor compensatie van elke m2 verhard oppervlak. Met de realisatie van het opstijgpunt wordt grind als verharding toegepast (800 m2). Door de hoge porositeit heeft grind een hogere infiltratiecapaciteit dan de huidige zandondergrond. Daarom hoeft er niet gecompenseerd te worden. Dit is een aandachtspunt bij de uitwerking van het opstijgpunt. Indien de ondergrond minder doorlatend wordt uitgevoerd, moet er wel worden gecompenseerd. Het waterschap heeft als uitgangspunt meegegeven dat bij gestuurde boringen de mantelbuis waterdicht moeten worden afgedicht.

Normaliter laat TenneT de mantelbuizen niet waterdicht afdichten. In de basisontwerpfase moet dit uitgangspunt worden besproken met het waterschap. Daarnaast loopt door het plangebied een drinkwaterleiding die als nevenfunctie is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. De gestuurde boring kruist de waterleiding op een afstand van bijna 17 meter. Negatieve effecten op de waterleiding worden hiermee voorkomen. Tot slot geldt voor bemalingen een meldingsplicht bij het Waterschap. Indien meer dan 70.000 m3 wordt onttrokken, is een vergunning benodigd.

3. Conclusie Het waterbelang wordt middels bovenstaande uitgangspunten en maatregelen geborgd in de uitwerking van het ontwerp van de inlussing. Daarmee is sprake van een evenwichtige 34

toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

12.

Stedelijke en landschappelijke inpassing

1. Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan gebieden in de planvorming dient rekening te worden gehouden met het aspect stedelijke en landschappelijke inpassing. Hierbij gaat het om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en natuurwaarden in de omgeving.

2. Resultaten Het plangebied ligt in het voormalige beekdal van de Oude Vaart. Daaromheen ligt het Noord-Nederlands veenontginningslandschap. Beide landschapstypen worden hier gekenmerkt door openheid. Aan de zuidwestkant van het plangebied ligt het besloten, stedelijk gebied van Meppel. Vanuit de omgevingsvisie van provincie Drenthe is het plangebied aangeduid als esdorpenlandschap (noord) en wegdorpenlandschap van de laagveenontginning (zuid). In beide landschapstypen is het beleid gericht op behouden van de openheid. Daarnaast is behoud van karakteristieke beplanting in het esdorpenlandschap en behoud van verkavelingsstructuur in het wegdorpenlandschap van belang. Tijdens de aanleg van het opstijgpunt zullen er tijdelijke masten worden aangelegd om de hoogspanningsverbinding om te leiden. Deze leiden tijdelijk tot een voller beeld in het landschap. Met een zakelijke, terughoudende vormgeving en materiaalgebruik zijn opstijgpunten in open landschappen goed in te passen en niet dominant aanwezig. Als hekken nodig zijn, en deze terughoudend worden vormgegeven, is de aantasting van het open landschap relatief klein. Als het nieuwe opstijgpunt op deze manier wordt ingericht, is het effect op het landschapsbeeld beperkt, omdat de nieuwe mast 18a zich tussen de bestaande mast 18 en 19 in staat en daarmee in dezelfde lijn die al in het landschap aanwezig is.

Daarnaast zijn er geen effecten op beplanting en verkavelingsstructuur.

3. Conclusie Het project heeft effecten op het landschap. In verband met het tijdelijk omleiden van de hoogspanningsverbinding leidt de aanleg van het opstijgpunt tijdelijk tot een voller beeld in het landschap. Ook kan de aanwezigheid van het opstijgpunt dominant aanwezig zijn. Met de benoemde maatregelen kunnen deze effecten beperkt worden. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

35

13.

Cultureel erfgoed

1. Toetsingskader Bij aanpassingen aan het Omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels uit het Bkl en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

2. Resultaten Voor archeologie en cultuurhistorie zijn op de projectlocatie bureauonderzoeken uitgevoerd. De volledige rapportages hiervan zijn bijgevoegd als bijlagen III en IV. Daarnaast is voor archeologie een verkennend booronderzoek uitgevoerd, welke bijgevoegd is als bijlage XII. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen. Archeologie Het plangebied bevindt zich in een vlakte van smeltwaterafzettingen die bedekt zijn geraakt met dekzand. Op hoge en droge locaties in het dekzand was bewoning mogelijk vanaf het Laat-Paleolithicum tot aan de vorming van het laagveen tussen 5500 en 3830 v Chr. In dit gebied geldt een middelhoge verwachting op nederzettingsresten en sporen van landgebruik uit deze periode. Op het veen zelf was enkel bewoning mogelijk in ontwaterde delen, die gekenmerkt worden door veraard veen. Hiervoor geldt eveneens een middelhoge verwachting tot de ontginning van het veen vanaf de 10e/11e eeuw. Vanaf deze periode werd het veen actief ontwaterd en werd de omgeving van het plangebied in gebruik genomen voor landbouw. Vanaf deze periode geldt een hoge verwachting op resten van bewoning in het zuidoosten van het plangebied, waar een historische bewoningsas ligt. Tijdens eerder booronderzoek is aangetoond dat in het noorden van het plangebied het beekdal van het Oude Diep aanwezig is.

Door middel van kartering is aangetoond dat er geen archeologische vindplaats aanwezig is langs de randen van dit beekdal. Desondanks kunnen in het beekdal zelf nog wel water-gerelateerde resten voorkomen, zoals voorden, bruggen, fuiken, visweren, afvaldumps en rituele deposities. Middels een verkennend booronderzoek is de archeologische verwachting nader getoetst. Dit onderzoek concludeert dat er geen kans is op intacte archeologische waarden en dat nader archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Er wordt aan de gemeente geadviseerd het plangebied vrij te geven.

36

Cultuurhistorie In het gebied zijn geen aardkundige en historisch-bouwkundige waarden aanwezig. Het aanleggen van de ondergrondse kabels heeft geen effecten op de aanwezige historischgeografische waarden. Kavelpatronen en waterlopen worden immers behouden en ontzien met een gestuurde boring.

3. Conclusie Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat geen sprake is van intacte archeologische waarden en dat geen nader onderzoek benodigd is. Daarnaast zijn er geen effecten op het gebied van cultuurhistorie. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

14.

Natuur

1. Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het natuurbeschermingsrecht regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten (soortenbescherming); 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000gebieden (gebiedsbescherming); 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt het wetonderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond.

Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder 37

de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Omgevingswet de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Natura 2000-activiteit Activiteiten die invloed hebben op Natura 2000-gebieden worden onder de Omgevingswet Natura 2000-activiteiten genoemd.

Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied.’ Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplicht op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow). Activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit. Passende Beoordeling In paragraaf 8.6.1 van het Bkl (Bkl) is het toetsingskader voor een Natura 2000-activiteit opgenomen.

Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de Passende Beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het 38

gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen. Echter, wordt een Passende Beoordeling enkel opgesteld wanneer significante effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Stikstofdepositie Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20191 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De bescherming van het NNN is geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen. Houtopstanden Het vellen van houtopstanden is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben.

2. Resultaten Voor het thema natuur is in het kader van dit project een Quickscan natuur uitgevoerd op de projectlocatie. De volledige rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage V. Daarnaast is een Memo vleermuisgeschiktheidsonderzoek holtes opgesteld (bijlage VI) en een Soortgericht onderzoek vleermuizen uitgevoerd (bijlage VII) naar aanleiding van potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen in een boom met holtes binnen het plangebied. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen van deze onderzoeken. Soortenbescherming Op basis van de Quickscan natuur wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden verstorend kunnen werken voor overvliegende en foeragerende vleermuizen, algemene broedvogels en jaarrond beschermde nesten. Met de maatregelen uit tabel 4.2 kunnen deze effecten gemitigeerd worden.

1

ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.

39

Tabel 4.2 Overzicht maatregelen soortenbescherming uit Quickscan natuur

Effect

Maatregel

verstoring overvliegende en foeragerende vleermuizen

- werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer - werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen - werkzaamheden voor het broedseizoen starten en continu doorwerken - plangebied ongeschikt maken voor broedvogels - heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren, of; - funderingspalen schroeven of drukken

verstoring broedparen algemene broedvogels

verstoring vogels jaarrond beschermde nesten

Met betrekking tot verblijfplaatsen voor vleermuizen is in het soortgericht vleermuisonderzoek geconcludeerd dat in de onderzochte boom geen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn, en dat de boom geen onderdeel is van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied van vleermuizen. Desondanks wordt in het onderzoek geadviseerd de volgende maatregelen op te volgen bij het uitvoeren van de werkzaamheden: - werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten het broedseizoen (doorgaans 15 maart t/m eind augustus); - voer altijd vlak voorafgaand aan de werkzaamheden een last-minute check uit op het voorkomen van de aanwezig natuurwaarden. In de tussenliggende periode kan de situatie altijd veranderen; - werk bij voorkeur bij daglicht en maak geen of minimaal gebruik van (bouw-) verlichting; - maak voorafgaand aan de werkzaamheden een plan van uitvoering waarbij dieren de kans krijgen tijdig te vluchten.

Dit kan bijvoorbeeld door van de ene zijde naar de andere zijde te werken en geen dieren op te sluiten door vanaf twee zijden naar het midden te werken; - als onverhoopt toch bijzondere of beschermde natuurwaarden worden aangetroffen, staak dan direct de werkzaamheden en neem contact op met een ecologisch deskundige om te bespreken wat eventuele vervolgstappen kunnen zijn; - het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is. Gebiedsbescherming N2000 Het optreden van (in)directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, verdroging of vernatting kan als gevolg van de afstand (4,8 km) tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand (4,8 en 6,6 kilometer) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied(en) (‘Wieden’ en 40

‘Holtingerveld’) zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden dienen met een AERIUSberekening inzichtelijk gemaakt te worden. In maart 2026 is een stikstofonderzoek uitgevoerd naar de aanlegfase van de inlussing (zie bijlage VIII). Een berekening van de gebruiksfase is hierbij niet benodigd omdat de gebruiksfase geen activiteiten bevat die kunnen leiden tot stikstofemissies. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan op voorhand uitgesloten worden dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden ten gevolge van stikstofdepositie. Natuurnetwerk Het plangebied ligt buiten het NNN. Voor gronden die buiten het NNN liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Er zijn daarom geen beperkingen vanuit het provinciaal beleid. Kaderrichtlijn Water (KRW) De activiteit vindt plaats buiten een KRW-waterlichaam, en heeft geen mogelijke uitstralingseffecten naar een KRW-waterlichaam. Houtopstanden In het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig.

3. Conclusie De beoogde werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de inlussing leiden tot geen verbodsbepaling omtrent soortenbescherming. Wel dient rekening gehouden te worden met de maatregelen ten behoeve van soortenbescherming zoals weergegeven in tabel 4.2. Daarnaast blijkt uit het stikstofonderzoek dat er geen negatieve effecten op Natura 2000gebieden optreden ten gevolge van stikstofdepositie. Tot slot worden geen bomen en/of houtopstanden gekapt, gerooid of geveld. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

15.

Magneetvelden

1. Toetsingskader Het omgevingsplan moet een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bevatten. De gemeente moet daarbij de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarborgen. Onder de Omgevingswet krijgt dat een bredere invulling waarin het belang van gezondheidsbescherming meegenomen wordt. Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. Er is geen algemeen toetsingskader. Per gemeente dient vastgesteld worden of en hoe er getoetst dient te worden.

41

2. Resultaten In het Omgevingsplan van gemeente Meppel is opgenomen dat degene die een activiteit verricht - en er nadelige gevolgen kunnen zijn voor belangen- verplicht is om preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van de gezondheid. Rondom hoogspanningsverbindingen ontstaat een magnetisch veld. Sinds 2023 hanteert TenneT het voorzorgsbeleid dat, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, voorkomen wordt dat burgers langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastructuur en groter zijn dan 0,4 microtesla. Dit is strenger dan de Europese blootstellingslimiet van 100 microtesla. De netbeheerder treft hiervoor maatregelen die zorgen voor een verlaging van de magneetveldsterkte. Om ongerustheid over magneetvelden bij bewoners te voorkomen heeft TenneT in het verleden bij diverse hoogspanningsstations en ondergrondse kabelverbindingen onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daaruit volgt dat de contour van 0,4 microtesla (jaargemiddeld) voor ondergrondse kabelverbindingen op minder dan 25 m uit het hart van de kabel ligt. Voor opstijgpunten geldt dat deze contour op minder dan 40 m van het hek van een opstijgpunt ligt. In de directe omgeving van de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding zijn geen woningen aanwezig. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op 470 m vanaf het tracé (Haakswold 24).

3. Conclusie Magneetvelden vormen geen belemmeringen voor dit project. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit thema vormt geen belemmering voor realisatie van het project.

16.

Windhinder

1. Toetsingskader Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Ow). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld, gemeenten hebben de vrijheid om dit zelf in te vullen. Gemeente Meppel heeft geen regels opgenomen in haar Omgevingsplan om windhinder tegen te gaan.

2. Resultaten De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: - gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; - beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; 42

- onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Het TAM-Omgevingsplan omvat enkel wind-doorlatende bouwwerken, geen gebouwen. Het is niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden door het project van dit TAMomgevingsplan.

3. Conclusie Er zal geen windhinder optreden als gevolg van het project. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt het thema wind geen belemmering voor realisatie van het project.

17.

Slagschaduw

1. Toetsingskader In de bruidsschat van het Omgevingsplan zijn regels opgenomen voor de bescherming van slagschaduwgevoelige gebouwen tegen slagschaduw door windturbines.

2. Resultaten Het onderhavig TAM-Omgevingsplan bevat geen activiteiten die slagschaduw veroorzaken, noch de bouw van slagschaduwgevoelige gebouwen.

3. Conclusie Slagschaduw is niet relevant voor het project.

43

5. Juridisch kader TAM-omgevingsplan 1. Toepassing TAM-IMRO Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheerverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen. De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAMIMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAMIMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan.

Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan. Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Een hoogspanningskabel op deze locatie is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAMomgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (22c) toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (voormalige bruidsschat). Daarom is er in de regels van onderhavig TAMomgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22c van het omgevingsplan.

2. Toelichting regels TAM-omgevingsplan 1. Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Meppel. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op het project. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek 44

relevant zijn voor het project. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente Meppel (voormalige bruidsschat).

2. Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor het plangebied beschreven. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP), en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor het TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan van de gemeente Meppel. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

3. Hoofdstuk 3 - Algemene regels over functies Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor de gehele locatie.

4. Bijlagen bij de regels Dit zijn de bijlagen waarnaar in de regels wordt verwezen. De overige bijlagen zijn als bijlagen aan de toelichting toegevoegd.

3. Toelichting verbeelding De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijkeplannen.nl komt.

45

6. Uitvoering, toezicht, handhaving, kostenverhaal en evaluatie 1. Uitvoering Onder de Omgevingswet hoeft een gemeente niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Dat is minder verstrekkend. Pas als zich een concreet initiatief aandient, dat past binnen de toegedeelde functie, wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. In een omgevingsplan moet de gemeente wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

2. Toezicht en handhaving Het omgevingsplan is bindend voor overheid en burger. Het omgevingsplan biedt het juridisch kader waaruit de bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie kunnen worden afgeleid. Tegelijkertijd kan de gemeente naleving van het omgevingsplan afdwingen door handhavend op te treden tegen strijdig gebruik en/ of illegale bebouwing. De raad bepaalt ieder jaar in de begroting waar de handhavingsprioriteiten liggen. Handhaving is daarbij geen doel op zich, maar een van de instrumenten om een leefbare en veilige leefomgeving te creëren. Door toe te zien op de naleving van regelgeving wordt een bijdrage geleverd aan de verschillende doelen van de gemeente op het gebied van de veiligheid en leefbaarheid. Buiten de handhavingsprioriteiten heeft de gemeente in beginsel ook een handhavingsplicht als er een handhavingsverzoek wordt ingediend (de beginselplicht tot handhaving). De gemeente kijkt dan eerst of de overtreding te legaliseren valt. Is dat niet zo, dan wordt overgegaan tot handhaving.

3. Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.

46

Voor dit project wordt geen anterieure overeenkomst afgesloten. Er worden enkel leges geheven voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot wijzigen omgevingsplan. Hiermee is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.

4. Evaluatie Er zijn geen planregels rondom omgevingswaarden opgenomen. Monitoring en evaluatie van omgevingswaarden is daarmee niet van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan.

47

7. Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. De initiatiefnemer doorloopt een participatietraject op niveau informeren en raadplegen. Het is belangrijk om de omgeving en belanghebbenden te betrekken bij de voorbereiding van dit plan. We voeren (individuele) gesprekken met eigenaren van percelen rondom het plangebied. Deze gesprekken vervangen niet de wettelijke mogelijkheden om te reageren (zoals zienswijzen en beroep). Het is een mogelijkheid voor direct betrokkenen (bijvoorbeeld grondeigenaren) om hun opvattingen over de wijziging van het omgevingsplan kenbaar te maken. Het doel van deze gesprekken is om, de perceeleigenaren mee te nemen in het proces, de planningen en om inzicht te krijgen in ieders belang. Daarmee kan het plan mogelijk verbeterd worden en kunnen keuzes gemotiveerd worden. Het gaat er niet om dat iedereen het met de wijzigingen van het omgevingsplan eens is of wordt. De directe omwonenden worden schriftelijk meegenomen in de algemene communicatie rondom de werkzaamheden.

Een overzicht van de participatiemomenten die al plaats hebben gevonden is te zien in tabel 7.1. In bijlage IX is een verslag opgenomen van de uitgevoerde participatie. Het ontwerp-omgevingsplan heeft van 19 november 2025 tot en met 30 december 2025 voor eenieder ter inzage gelegen. Een ieder kon in deze periode zienswijzen indienen. Op het plan zijn twee zienswijzen binnengekomen, waarvan er een na constructief overleg is ingetrokken. Op de behandeling van de resterende zienswijze wordt nader ingegaan in de reactienota zienswijze welke is opgenomen als bijlage XIII.

48

Tabel 7.1 Overzicht participatiemomenten

49

8. Overgangsrecht en inwerkingtreding Dit TAM-omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het vaststellingsbesluit bekend heeft gemaakt.

50

9. Overzicht bijlagen Nr. I

Bijlage Vooronderzoek bodem

II

Weging van waterbelangen

III

Bureauonderzoek archeologie

IV

Bureauonderzoek landschap en cultuurhistorie

V

Quickscan natuur

VI

Memo vleermuisgeschiktheidsonderzoek holtes

VII

Soortgericht onderzoek vleermuizen boom Oude Vaart Meppel

VIII

Stikstofonderzoek

IX

Participatieverslag

X

Aanmeldnotitie

XI

Verkennend bodemonderzoek

XII

Verkennend booronderzoek archeologie

XIII

Reactienota zienswijzen

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=21aa0a65-3c39-41ef-8351-93bb4cd41465