CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

2.3 Bijlage bij de motivering - Quickscan flora en fauna

1 - RAADSVERGADERING 28 mei 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan “Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen”12.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen Projectnummer: 2024-1133 Datum: 29-11-2024 Versie 3.0 Opdrachtgever: 5.1.2e 5.1.2e

Adviseur Ecologie

Projectleider Ecologie

5.1.2e

5.1.2e

M 5.1.2e

@lycens.nl

M

5.1.1e

@lycens.nl 5.1.1e 5.1.1e

Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................ 4 1. Inleiding .................................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling ...................................................................................................................... 7 2.1. Plangebied ............................................................................................................................................................ 7 2.2. Voorgenomen activiteiten ................................................................................................................................. 8 2.3. Onderzoeksgebied ............................................................................................................................................ 10

3. Natuurwetgeving en -beleid .............................................................................................. 11 3.1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 11 3.2. Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 11 3.3. Soortenbescherming ........................................................................................................................................ 11 3.4. Houtopstanden .................................................................................................................................................. 15

4. Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 17 4.1. Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap .......................................... 17 4.2. Natura 2000 ......................................................................................................................................................... 18 4.3. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 19

5. Soortenbescherming ........................................................................................................... 20 5.1. Hypothese en bureauonderzoek ................................................................................................................... 20 5.2. Methode ............................................................................................................................................................... 20 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties .................................................................................................... 22 5.4. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 31

6. Houtopstanden ..................................................................................................................... 33 7. Conclusies en advies ........................................................................................................... 34 8. Bronnen .................................................................................................................................. 35 Bijlagen ......................................................................................................................................... 36 Bijlage 1: Foto’s ........................................................................................................................................................... 37 Bijlage 2: Toelichting Omgevingswet aanvullingswet natuur ........................................................................ 39

3

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de realisatie een familievakantiewoning aan Kolderveense Bovenboer 37 te Nijeveen (Drenthe). Het betreft een veehouderij welke meedoet aan de LBV+ regeling en een 'familievakantiewoning' wil realiseren. Om ruimte te creëren dienen de bestaande schuren gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet (aanvullingswet natuur) en kunnen consequenties ten aanzien van provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 5 september 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en Nationaal landschap Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap behoren.

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN en NL ten aanzien van het provinciaal beleid. De bescherming van het Ganzenrustgebied kent wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000- gebied kan worden uitgesloten. Of er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dient nader onderzocht te worden, derhalve wordt geadviseerd om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.

Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Voor de nestelende vogelsoorten in het onderzoeksgebied, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Om dit te voorkomen dient dan een broedvogelscan te worden uitgevoerd. De viooltjes in het plangebied mogen enkel verwijderd worden in de periode oktober t/m april en in de nieuwe situatie dient bij voorkeur het (wilde) moerasviooltje (Viola palustris) aangeplant te worden. Mocht dit niet haalbaar of wenselijk zijn, is een vervolgonderzoek om de aanwezigheid van zilveren maan uit te sluiten

4

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

verplicht. Wanneer de soort aangetroffen wordt dient er een vergunning van de Omgevingswet aangevraagd te worden. Mogelijk komen reptielen en algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen omgevingsvergunning voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten. In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast, maar de toekomstige situatie zal een verhoogde waarde als foerageergebied hebben. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden In het onderzoeksgebied worden geen bomen aangetast. Toetsing aan regels van het omgevingsplan of aan rijksregels over houtopstanden is niet aan de orde.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot consequenties in het kader van houtopstanden.

5

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

1.

Inleiding

Er zijn concrete plannen voor de realisatie van een familievakantiewoning aan Kolderveense Bovenboer 37 te Nijeveen (Drenthe). Het betreft een veehouderij welke meedoet aan de LBV+ regeling en een 'familievakantiewoning' wil realiseren. Om ruimte te creëren dienen de bestaande schuren gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet en provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen. In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties en de consequenties ten aanzien van provinciaal beleid bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Drenthe.

Doel van deze rapportage De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het omgevingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Omgevingswet overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Omgevingswet is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van het plangebied, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komen de conclusies en advies aan de orde. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar hoofdstuk 8. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.

6

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

2.

De ontwikkeling

2.1.

Plangebied

Situering Het plangebied is gesitueerd aan Kolderveense Bovenboer 37 te Nijeveen. De locatie ligt in het buitengebied ten westen van de woonkern Nijeveen. In figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied

Beschrijving Het plangebied bestaat uit vier schuren, beplanting, voedselrijke sloten en verharding. Binnen het plangebied zijn vier schuren aanwezig welke een agrarische functie hebben. Schuur 1 (zie figuur 2.2) beschikt over buitengevels van houten betimmering en het dak is gedekt met golfplaten. Er zijn geen dakplaten aan de binnenzijde van de schuur aanwezig. Aan alle kanten is houten betimmering aanwezig. Deze houten betimmering sluit nauw op elkaar en op de buitengevel aan. Schuur 2 (zie figuur 2.2) beschikt gedeeltelijk aan de kopse kanten over bakstenen buitengevels met luchtspouw, verder zijn de gevels voorzien van houten betimmering. Er zijn enkele gaten en scheuren in de bakstenen gevel en betimmering aanwezig. In de schuur staan enkele spullen opgeslagen. Het dak is gedekt met golfplaten.

7

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Schuur 3 (zie figuur 2.2) beschikt eveneens over buitengevels van houten betimmering en is geheel open aan de zuidzijde. Het dak is gedekt met golfplaten. Schuur 4 (figuur 2.2) is de grootste en nieuwste schuur op het plangebied. Het betreft een koeienstal. De wanden bestaan uit metalen damwandplaten en alleen aan de noordzijde is een gedeelte aanwezig dat beschikt over een bakstenen gevel met luchtspouw. Hier zijn geen stootvoegen aanwezig, maar wel ruimtes tussen de erboven gemonteerde damwandplaten en de bakstenen gevel. Ten noorden van het plangebied is kort gemaaid gazon aanwezig en ten zuiden van het plangebied is een groot weiland aanwezig. Een gedeelte van het plangebied bestaat uit verruigde vegetatie en in de (voedselrijke) sloten is voornamelijk rietvegetatie op de oever aanwezig met enkele andere plantensoorten en veel algen in de het water zelf. Voor een verbeelding van het plangebied wordt verwezen naar bijlage 1. In figuur 2.2 wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.

2 1 3

4

Figuur 2.2: Begrenzing van het plangebied

2.2.

Voorgenomen activiteiten

Initiatiefnemer is voornemens schuren 1, 2 en 4 te slopen ten behoeve van de nieuw te realiseren vakantiewoning. De sloten zullen behouden blijven, maar mogelijk wel verlengd worden. Ten behoeve van de woningen wordt daarnaast verharding verwijderd en opgeslagen spullen weggehaald. Na de realisatie wordt verharding aangelegd en worden de erven landschappelijk ingepast door de aanplant van beplanting. Figuur 2.3 geeft het wenselijke eindbeeld weer.

8

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Figuur 2.3: Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: 5.1.2e

)

De volgende flora- en fauna-activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: slopen schuren 1, 2 en 4; verwijderen verharding en beplanting; bouwrijp maken bouwplaats; bouwen familievakantiewoning; aanleggen verharding en beplanting.

9

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

2.3.

Onderzoeksgebied

Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden. Mogelijke permanente invloeden: mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten. Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect op het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit wordt invloedsfeer genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Vaststellen van het onderzoeksgebied Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten het plangebied te kijken.

In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarische percelen. Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan het plangebied. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het onderzoeksgebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties.

10

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

3.

Natuurwetgeving en -beleid

3.1.

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld, namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag. Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.

3.2.

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een omgevingsvergunning noodzakelijk op grond van artikel 11.1 uit het Bal. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland In de Omgevingswet is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.

De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het ‘nee, tenzij’-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van natuur en landschap in Drenthe zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Drenthe. In Drenthe worden de volgende gebieden beschermd door regels in de verordening van natuur en landschap: Natuurnetwerk Nederland (NNN), ganzenrustgebied (GR) en Nationaal landschap (NL).

3.3.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Onderstaand zijn deze drie beschermingsregimes weergegeven. Artikel 11.37 Soorten Vogelrichtlijn Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor vogels kan vanwege de Vogelrichtlijn een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

11

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Vergunningplicht Voor de volgende activiteiten geldt een vergunningplicht: Schadelijke handelingen bij vogels Commercieel bezit van vogels Niet-commercieel bezit van vogels Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen van vogels

Schadelijke handelingen bij vogels Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd. Onder schadelijke handelingen bij vogels vallen: Lid 1a het opzettelijk doden of vangen ervan; Lid 1b het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren; Lid 1b het opzettelijk wegnemen van hun nesten; Lid 1c het rapen en onder zich hebben van hun eieren; Lid 1d het opzettelijk storen ervan. Artikel 11.46 Habitatrichtlijn Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen kan een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

Vergunningplicht Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Het gaat om beschermde dieren en planten die staan in de Habitatrichtlijn. Ze kunnen ook staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Voor die soorten geldt een vergunningplicht bij: Schadelijke handelingen Bezit Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen Er kunnen ook vrijstellingen gelden.

Schadelijke handelingen bij dieren De bedoelde diersoorten zijn in het wild levende soorten (geen vogels) van: Bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn Bijlage II bij het Verdrag van Bern Bijlage I bij het Verdrag van Bonn Onder schadelijke handelingen bij dieren zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid 1a opzettelijk doden of opzettelijk vangen; Lid 1c opzettelijk hun eieren vernielen of rapen in de natuur; Lid 1b opzettelijk verstoren; Lid 1d hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen. Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’.

12

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Schadelijke handelingen met planten De bedoelde plantensoorten zijn soorten in het wild van: Bijlage IVb bij de Habitatrichtlijn Bijlage I bij het Verdrag van Bern Onder schadelijke handelingen bij planten zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid e het is voerboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 11.54 Andere soorten (soorten van het Bal) Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), kan een vergunningplicht gelden bij schadelijke handelingen. Die vergunningplicht geldt niet voor bepaalde dieren, als een andere wet de activiteit toestaat of als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is.

Vergunningplicht Soorten die in Nederland beschermd zijn, zijn in bijlage IX van het Bal weergegeven. Deze soorten staan niet in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Het gaat hierbij onder meer om soorten die ook kunnen staan op de rode lijsten van bedreigde of ernstig bedreigde dier- en plantsoorten. Ook gaat het om soorten die niet (ernstig) bedreigd zijn, maar vanwege hun intrinsieke waarde en maatschappelijke opvattingen in bijlage IX staan. Voor deze soorten geldt meestal een vergunningplicht voor schadelijke handelingen. Er kunnen namelijk ook vrijstellingen gelden zoals in de omgevingsverordening.

Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan Dieren Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen bij die dieren vallen: Lid 1a opzettelijk doden of vangen; Lid 1b opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen beschadigen of vernielen.

Planten Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij planten van bijlage IX, onder B van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Onder schadelijke handelingen bij die planten vallen: Lid 1c het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Rode lijsten met soorten dieren en planten De rode lijsten hebben geen juridische status. Dat wil zeggen dat rodelijstsoorten niet automatisch onder specifieke beschermingsregels vallen. Er geldt dus niet gelijk een vergunningplicht. Enkel wanneer een rodelijstsoort onder bijvoorbeeld een soort van nationaal belang van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of een vogel van de Vogelrichtlijn valt gelden specifieke beschermingsregels. Wanneer activiteiten nadelig zijn voor rodelijstsoorten geldt voor de betreffende flora- en fauna-activiteit de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 van het Bal).

13

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteiten kunnen nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken (BBT) gebruikt. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels.

Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven. Naast het Rijk kunnen andere overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen of omgevingsplannen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen. Bij het artikel in het Bal (artikel 11.27) over een specifieke zorgplicht staat meestal een verplichting in drie stappen. Hieronder staan drie stappen weergegeven waarbij de stappen is voorkeursvolgorde zijn genoteerd. Degene die een activiteit verricht is verplicht volgens artikel 11.27 lid 1: 1.

(a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die

2.

gevolgen te voorkomen. (b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

3.

(c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht conform artikel 11.27 lid 2 in ieder geval in dat: a.

Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van

1°. Van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°. Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3°. Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3, van de wet; en 4°. Voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;

14

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

b.

Als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;

c.

Als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;

d.

Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;

e.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en

f.

Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Algemeen verbod Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Het gaat niet om het verrichten of nalaten van activiteiten met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In artikel 1.3 van het Omgevingsbesluit staat wanneer sprake is van een aanzienlijk gevolg en voor welke gevallen het verbod geldt. Dit verbod is ook een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wél zijn, geldt het algemeen verbod niet meer. Bijvoorbeeld als een specifieke zorgplicht of andere algemene regel geldt of een vergunningvoorschrift. Het algemeen verbod is strafrechtelijk handhaafbaar.

3.4.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden.

Wanneer gelden de rijksregels over vellen en herbeplanten De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen welke te vinden zijn in artikel 11.111, Besluit activiteit leefomgeving (Bal).

Meldingsplicht voor vellen Indien rijksregels gelden over vellen dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk vier weken én niet eerder dan één jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal).

Herbeplantingsplicht Indien de houtopstand (deels) geveld is of op een andere manier verloren gegaan, zoals brand of storm, dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht.

Bosbouwkundig verantwoord

15

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Herbeplanting moet op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvinden. Dat betekent dat herbeplanting zich moet richten op: Een duurzame instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden Een adequate vervulling van de functies van die houtopstanden De bodem, het water en de lucht in de omgeving van die houtopstand Het is aan degene met een herbeplantingsplicht zelf om met eigen of andermans deskundigheid te bepalen wat hiervoor nodig is. Het is ook mogelijk dat het bevoegd gezag met maatwerk aangeeft wat onder ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’ valt. Bij een herplantingsplicht moet het herbeplanten binnen 3 jaar na het vellen plaatsvinden. Het is verplicht om beplanting die niet binnen 3 jaar gaat groeien, te vervangen. Verder moet het herbeplanten op dezelfde grond als het vellen plaatsvinden. Het is mogelijk om maatwerk op te stellen over de regels. Er zijn ook uitzonderingen op de meldingsplicht voor het vellen en de herbeplantingsplicht. Dit staat in artikelen 11.126, 11.129 en 11.131 van het Bal.

Binnen bebouwingscontour houtkap De rijksregels over het (deels) vellen van houtopstanden of herbeplanten gelden niet binnen de bebouwingscontour houtkap. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels in het omgevingsplan wil voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en voor welk doel van de Omgevingswet. Zo kunnen die regels voor natuurbescherming, veiligheid of een ander doel van de Omgevingswet zijn.

16

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

4.

Gebiedsbescherming

4.1.

Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN, GRG, NL Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap behoren. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren liggen op minimaal 900 meter afstand van het onderzoeksgebied (zie figuur 4.1). Gronden die tot Nationaal landschap, natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied behoren liggen op minimaal 10,8 kilometer afstand van het onderzoeksgebied.

Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN & NL

Effectbeoordeling en consequenties t.a.v. provinciaal beleid Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN en NL ten aanzien van het provinciaal beleid. De bescherming van het Ganzenrustgebied kent wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.

17

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

4.2.

Natura 2000

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied De Wieden is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en ligt op minimaal 895 meter afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het onderzoeksgebied weergegeven.

Natura 2000

Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000-gebied

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten en consequenties t.a.v. Omgevingswet De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied De Wieden bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen.

18

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Beoordeling stikstof in realisatie- en gebruiksfase en consequenties t.a.v. Omgevingswet Ten behoeve van de totale ontwikkeling is sprake van een aanleg- en gebruiksfase, waarbij sprake kan zijn van stikstofemissie. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Er dient nader onderzocht te worden of er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, derhalve wordt geadviseerd om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren.

4.3.

Slotconclusie

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, ganzenrustgebied en Nationaal Landschap behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en Nationaal landschap kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN en NL ten aanzien van het provinciaal beleid. De bescherming van het Ganzenrustgebied kent wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren.

19

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

5.

Soortenbescherming

5.1.

Hypothese en bureauonderzoek

Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en soorten welke op de rode lijst staan is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied mogelijk tot een geschikte groeiplaats voor (beschermde) plantensoorten en tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen: amfibieën; flora; grondgebonden zoogdieren; ongewervelden; reptielen; vleermuizen; vogels. Vissen en kreeftachtigen Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2019-2024) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

5.2.

Methode

Veldbezoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 5 september 2024 tijdens de daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren alweer verlaten (gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

20

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Flora De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar het de aanwezigheid van beschermde planten. In deze tijd van het jaar zijn doorgaans de meeste planten uitgebloeid en of afgestorven en is determinatie niet bij alle soorten meer mogelijk. Het onderzoeksgebied is beoordeeld op potentieel geschikte standplaatsen van planten. Beschermde planten komen hoofdzakelijk voor in de volgende biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieu ’s, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Nog maar weinig grondgebonden diersoorten hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.

Ongewervelden De onderzoeksperiode matig geschikt voor onderzoek naar beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden. In deze periode van het jaar zijn veel soorten uitgevlogen maar op zonnige herfstdagen zijn de 'laatvliegers' zoals de atalanta vaak in grote aantallen te zien. Ongewervelden komen voor in waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten voor beschermde ongewervelden zoals hooilanden, heidevelden en hoogveenmoerassen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en het voorkomen van essentiële waardplanten kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor ongewervelden. Reptielen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Afhankelijk van de weersomstandigheden bezetten de meeste reptielsoorten een winterverblijfplaats vanaf halverwege september/oktober tot en met halverwege april. Bij sommige soorten zijn de juvenielen iets later dan de adulten. Overwinteringsplaatsen worden, afhankelijk van de soort, bezet in onder andere grote gras- en zeggepollen, zandholen in de grond, onder boomstronken, in muizenholletjes en in zelf gegraven holletjes.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende reptielsoorten. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. De gebouwen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen.

21

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Slechts weinig vogels vertonen nog territorium/ nestindicerend gedrag en slechts enkele soorten hebben nog een bezet nest in deze tijd van het jaar. Veel trekvogels hebben de broedplaats reeds verlaten en zijn op weg naar de overwinteringsgebieden. In het onderzoeksgebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

5.3.

Resultaten en wettelijke consequenties

Amfibieën

Verspreiding en functie Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 20192024). Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Mogelijk vormen de verschillende sloten in het onderzoeksgebied geschikt voortplantingsbiotoop. Amfibieën kunnen daarnaast een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen vennen, poelen of kleine plasjes aanwezig, enkel sterk eutrofe sloten en daarnaast worden deze soorten op basis van de aanwezige terreinkenmerken niet verwacht.

Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten.

22

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Flora

Verspreiding en functie Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het onderzoeksgebied op basis van verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd voor het voorkomen van beschermde plantensoorten (NDFF, 2019-2024).

Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Conclusie Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor flora. Grondgebonden zoogdieren

Verspreiding en functie Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd en er zijn waarnemingen bekend van de bunzing, hermelijn, egel, steenmarter, wezel en woelrat (NDFF, 2019-2024). Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn woelrat, huisspitsmuis, egel, haas en konijn. De voorgenoemde muizensoorten bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. De steenmarter bezet geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied. Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en latrines. Bovendien zijn de schuren en stallen niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. Ook beschikken de bomen niet over geschikte holen. Mogelijk gebruikt de steenmarter het onderzoeksgebied als foerageergebied. Het onderzoeksgebied wordt niet als essentieel leefgebied beschouwd gezien de ligging en het relatief kleine oppervlakte. De woelrat komt met name voor in de buurt van schoon, stilstaand zoet water, zoals beken, rivieren, sloten, greppels en meren.

Hij heeft een voorkeur voor gebieden met een gelijkmatige waterstand met steile oevers die begroeid zijn en die meerdere vegetatielagen hebben. De oever moet maximaal 1 meter hoog zijn en het water minimaal 20 cm diep. Hij kan ook aangetroffen worden verder weg van het water, in boomgaarden en op akkerland, maar dan vaak ondergronds in gangenstelsels (Zoogdiervereniging, 2024). De woelrat zou voor kunnen komen in het onderzoeksgebied, maar is alleen in de provincie Gelderland strikt beschermd, in de overige provincies is deze vrijgesteld van verbodsbepalingen. Hierdoor is alleen de specifieke zorgplicht van kracht. In de omgeving van het onderzoeksgebied is een waarneming bekend van de bunzing, hermelijn en wezel. Kleine marterachtigen zijn sterk afhankelijk van beschutte landschapselementen welke met elkaar in verbinden staan. Voorbeeld hiervan zijn bosschages, dichtbegroeide oevers en houtwallen met onderbegroeiing. Kleine marterachtigen gebruiken deze elementen om te foerageren en om te migreren tussen foerageergebieden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Binnen het onderzoeksgebied is enkel vegetatie op het aangrenzende perceel aanwezig. Deze vegetatie ligt niet in verbinding met overige dekkende groenelementen. De vegetatie binnen het onderzoeksgebied ligt dan ook geïsoleerd en zijn te klein om een

23

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

functioneel leefgebied te vormen. Een vaste rust- en voortplantingsplaats kan dan ook worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied. Bovendien zal door de voorgenomen activiteiten het onderzoeksgebied enkel verbeterd worden als leefgebied voor marterachtigen. Voor de mogelijk incidenteel aanwezige kleine marterachtigen dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht. Overige beschermde soorten welke niet op de vrijstellingslijst van de provincie staan, zoals de eekhoorn en das, kunnen door het ontbreken van geschikt leefgebied in het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Daarnaast zijn eveneens geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de betreffende soorten aangetroffen.

Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. Ongewervelden

Verspreiding en functie In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen. Er zijn echter wel waarnemingen bekend van de aardbeivlinder, zilveren maan, groene glazenmaker, Kempense heidelibel en noordse winterjuffer nabij het onderzoeksgebied (NDFF, 2019-2024). Aardbeivlinder De aardbeivlinder heeft als waardplanten vooral tormentil (Potentilla) (in het binnenland) en dauwbraam (Rubus) (in de duinen). Soms bosaardbei (Fragaria) en moerasspirea (Filipendula). Deze soorten zijn niet aangetroffen in het onderzoeksgebied en kan op basis van voorliggend onderzoek dus uitgesloten worden. Wel wordt geadviseerd bovengenoemde waardplanten mee te nemen in het groenplan voor het nieuw te realiseren groen om de staat van instandhouding van deze vlinder te verbeteren. Zilveren maan Zilveren maan heeft het genusViola als waardplant, welke aanwezig is in het onderzoeksgebied (Figuur 5.1). De zilveren maan is een mobiele vlinder die geregeld meer dan vijfhonderd meter aflegt (De Vlinderstichting, z.d.). Gelet op de waarnemingen in de nabijheid van het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van de zilveren maan op basis van deze quickscan niet worden uitgesloten.

24

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-20

5.1.2e

Figuur 5.1: Viooltje in het plangebied (Viola)

De waardplant van de zilveren maan is vooral het moerasviooltje. Het vrouwtje heeft een voorkeur voor beschutte plaatsen waar de viooltjes op open plekken groeien en dus niet snel overwoekerd raken. Vaak worden de eitjes afgezet op de overgang van open naar begroeide plaatsen, mogelijk omdat de rupsen daar zowel beschutting, warmte en voedsel vinden. Ze worden afzonderlijk afgezet op de waardplant of in de directe omgeving daarvan. Soms gaat het vrouwtje zitten en schiet het eitje in de vegetatie of zij vliegt boven de vegetatie en laat het vallen. De rupsen zijn mobiel en verplaatsen zich gemakkelijk van het ene naar het andere viooltje. Ze eten vooral 's nachts aan de onderzijde van de bladeren. De rupsen overwinteren na de derde vervelling in een dor blad in de strooisellaag en worden pas weer actief in de loop van april. De verpopping vindt hangend aan een stengel plaats, laag in de begroeiing. (Turnbull 1979, Barends 1982, Bisterbosch 1991, Thomas & Lewington 1991). Hoewel de waardplant van de zilveren maan vooral het moerasviooltje is, worden andere soorten van het genus ook gebruikt worden als waardplant. Het habitat komt overeen met dat van het onderzoeksgebied, en daarnaast is de soort volgens de rode lijst met uitsterven bedreigt. Groene glazenmaker De groene glazenmaker is een erg zeldzame libel welke voornamelijk voorkomt in noord Nederland.

Habitat zijn stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden: plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. Het onderzoeksgebied is suboptimaal geschikt, maar er is geen krabbenscheer aangetroffen waardoor de groene glazenmaker wordt uitgesloten. Kempense heidelibel De Kempense heidelibel is een zeldzame libel welke voornamelijk voorkomt in de omgeving van het onderzoeksgebied. Habitat zijn ondiepe moerassen en brede verlandingszones van vennen en plassen. Vaak is er sprake van een kunstmatig lage waterstand in de winter, bijvoorbeeld in visvijvers. Het onderzoeksgebied voldoet niet aan deze eisen waardoor de aanwezigheid van kempense heidelibel kan worden uitgesloten. Noordse winterjuffer De noordse winterjuffer is een zeer zeldzame libel welke voornamelijk voorkomt in de omgeving van het onderzoeksgebied. Het voortplantingshabitat wordt gevormd door petgaten en sloten in laagveenmoerassen, meestal met lisdodde en riet. Daarnaast ook plassen met brede rietkraag of andere laagveenachtige vegetatie. Het overwinteringshabitat bestaat uit beschutte plaatsen in heidevelden, velden van pijpenstrootje, halfopen (moeras)bossen met ondergroei van pijpenstrootje. Het onderzoeksgebied vormt een geschikt voortplantingshabitat, maar dit wordt niet aangetast tijdens voorgenomen activiteiten waardoor negatieve effecten worden uitgesloten.

Na het afronden van de voorgenomen activiteiten is het onderzoeksgebied aanzienlijk verbetert ten aanzien van de huidige situatie.

25

Quickscan Flora & Fauna Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

29-11-2024

Wettelijke consequenties Zilveren maan De viooltjes in het plangebied mogen enkel verwijderd worden in de periode oktober t/m april en in de nieuwe situatie dient bij voorkeur het (wilde) moerasviooltje (Viola palustris) aangeplant te worden. Mocht dit niet haalbaar of wenselijk zijn, is een vervolgonderzoek om de aanwezigheid van zilveren maan uit te sluiten verplicht. Wanneer de soort aangetroffen wordt dient er een vergunning van de Omgevingswet aangevraagd te worden. Overige soorten Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen verdere beschermde ongewervelden aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Conclusie Op voorwaarde dat de viooltjes in het onderzoeksgebied enkel in de periode oktober – april verwijderd worden en het moerasviooltje (Viola palustris) aangeplant wordt in de toekomstige situatie, hoeft er geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van de zilveren maan uitgevoerd te worden; Uitvoering van de voorgenomen activiteiten buiten de kwetsbare periode leidt niet tot verdere wettelijke consequenties voor overige ongewervelden. Reptielen

Verspreiding en functie Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde reptielen aangetroffen. Er zijn echter waarnemingen van de ringslang ten noorden van het onderzoeksgebied bekend (NDFF, 2019-2024). De ringslang is gebonden aan waterrijke habitatten. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem. Door de ligging wordt het onderzoeksgebied gezien als een suboptimaal habitat voor de ringslang en wordt hierdoor niet verwacht in het onderzoeksgebied. Daarnaast zal de toekomstige situatie meer geschikt habitat vormen voor de ringslang. Van de ringslang zijn enkel de verblijfplaatsen beschermd en ze mogen niet gedood worden. Er zijn geen broedhopen aangetroffen in het onderzoeksgebied waardoor voortplantingsplaatsen worden uitgesloten in het onderzoeksgebied. Voor de incidenteel aanwezige ringslang geldt dus de specifieke zorgplicht: één kant op werken en buiten de kwetsbare periode te werk gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=76d7b960-1ccc-4809-b4a2-8863470d4aac