CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Verordening fysieke leefomgeving Meppel 2022

1 - RAADSVERGADERING 28 oktober 2021, gemeente MeppelBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Meppel 202213.165 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysiek leefomgeving gemeente Meppel) De raad van de gemeente Meppel, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum] met nummer 1544127; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 8 van de Woningwet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikelen 10.23, 10.24 lid 2, 10.25, 10.26 van de Wet milieubeheer, artikel 5.2 lid 4 van de Telecommunicatiewet; besluit: vast te stellen de: Verordening van de raad van de gemeente Meppel houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Meppel)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder: a. Aanbieder: aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een omroepnetwerk. b. Anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste marktplaats. c. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. d. Bijzondere markt: de door het college ingestelde jaarmarkt of soortgelijke markten. e. Binnenstad: gebied dat wordt omgrensd door: Kifhoek, Koekoekstraat, Noteboomstraat (oneven), Vledderstraat (even), Marktstraat (oneven tot 11) en (even tot 6), Prinsengracht, Keizersgracht, Zuideindigerpad, Stoombootkade (bebouwde kant oneven), Kleine Oever (oneven) Grote Oever (oneven) en gedeelte Zuideinde vanaf Zuiderbrug tot Weerdstraat. Dit gedeelte omvat de huisnummers 1 t/m 33 (oneven zijde) en huisnummers 2 t/m 40 (even zijde). f. Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouwen woningtoezicht. g. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

In deze verordening wordt mede verstaan onder: - bouwwerk een gedeelte van een bouwwerk; - gebouw een gedeelte van een gebouw. h. Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. i. College: college van burgemeester en wethouders. j. Dagplaats: de marktplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste marktplaats is toegewezen dan wel ingenomen. k. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet. l. Gebruiksoppervlakte: De gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit. 1

m. Gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Telecommunicatiewet. n. Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. o. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. p. Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens het college is vastgesteld. q. Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft. r. Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen. s. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. t. Inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer. u. Instemmingsbesluit: besluit van het college als bedoeld in artikel 5.2. derde lid, aanhef en onder b. van de Telecommunicatiewet. v. Kabels: kabels, genoemd in artikel 1.1, onder r, van de Telecommunicatiewet. w. Kamerverhuur: verblijfsruimten, voor individuele bewoning verhuurd of in gebruik gegeven aan derden. x.

Kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. y. Markt: de door het college ingestelde warenmarkt. z. Marktplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel. aa. Marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het college. bb. Monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving. cc. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. dd. NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm. ee. NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm. ff. Omroepnetwerk: omroepnetwerk als genoemd in artikel 1.1, onder o van de Telecommunicatiewet. gg. Openbaar telecommunicatienetwerk: telecommunicatienetwerk als genoemd in artikel 1.l, onder g, van de Telecommunicatiewet. hh. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. ii.

Openbare gronden: openbare wegen en wateren, als genoemd in artikel 1.1. onder s, van de Telecommunicatiewet. jj. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. kk. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. ll. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht. mm. Restafval: dat gedeelte van de afvalstroom dat overblijft nadat alle bruikbare en recyclebare afvalstromen van de hoofdstroom zijn gescheiden, niet zijnde grof huisvuil, gevaarlijk afval en bouw- en sloopafval. 2

nn. Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden. oo. Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a.een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b.een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:8 APV. pp. Standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel. qq. Straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. rr. Vaste marktplaats: de marktplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder. ss.

Vellen: rooien; kappen; verplanten; niet periodiek knotten of kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. tt. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. uu. Wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste marktplaats. vv. Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ww. Werkzaamheden: werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op open bare gronden. Artikel 1.2 Meest recente versie

Bij het toepassen van artikelen uit deze verordening die verwijzen naar documenten buiten deze verordening, wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie van die documenten, tenzij anders is aangegeven.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 2.1 Bebouwde kom Paragraaf 2.1.1 Terrassen Reserveren Paragraaf 2.2.2 Marktplaatsen

3

Artikel 2.2.2.1 Inrichting van de markt; branche-indeling

1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal marktplaatsen; b. de afmetingen van de marktplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke marktplaatsen worden toegewezen als vaste marktplaats en als standwerkersplaats. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches; b. een maximumaantal marktplaatsen per branche. Afdeling 2.2 Water Paragraaf 2.2.1 Ligplaatsen Reserveren Paragraaf 2.2.2 historische vaartuigen Reserveren Afdeling 2.3 Cultureel erfgoed Paragraaf 2.3.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.3.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister

1. Het college houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij waarin het op grond van deze verordening aangewezen cultureel erfgoed is opgenomen. Dit register kan door iedereen worden ingezien. 2. In het gemeentelijk erfgoedregister staat: a. Gegevens over de inschrijving van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed, waaronder de beschermde gemeentelijke monumenten; b. Gegevens waaruit blijkt om welk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed het gaat. Paragraaf 2.3.2 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument Artikel 2.3.2.1 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument

1. Het college kan, eventueel op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit kan ze doen als de onroerende zaak of het terrein, vanwege zijn schoonheid, een waarde heeft voor de wetenschap of de cultuurhistorie. 2. Het college stelt nadere regels op voor uitvoering van deze bevoegdheid. 3. Dit artikel is niet van toepassing op: a. Rijksmonumenten; b. Monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van de provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel 2.3.2.2 Aanvraag tot aanwijzing

Een aanvraag tot aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument kan worden gedaan door; 4

a. inwoners van de gemeente Meppel; b. belangenorganisaties die zich bezig houden met het behoud van cultuurhistorie; c. eigenaren van de onroerend zaak of het terrein dat is gelegen in de gemeente Meppel. Artikel 2.3.2.3 Voornemen tot aanwijzing

1. Als het college het voornemen heeft om een onroerende zaak of terrein aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, maakt zij dit schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. 3. De bescherming van artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.2.3 zijn van toepassing op een voornemen tot aanwijzen van een onroerende zaak of terrein tot een beschermd gemeentelijk monument. 4. De bescherming van lid 3 vervalt als de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijke monument is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De bescherming vervalt ook wanneer de onroerende zaak of het terrein wordt opgeheven als zijnde een beschermd gemeentelijk monument of als de bestuursrechter het aanwijzingsbesluit vernietigd. Artikel 2.3.2.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1. Op het verzoek om een beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen beslist het college binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. In het aanwijzingsbesluit staat in ieder geval: a. de locatie van het beschermd gemeentelijk monument; b. de kadastrale gegevens van de onroerende zaak of het terrein dat als gemeentelijk monument is aangewezen; c. de datum dat de onroerende zaak of het terrein als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen; d. een beschrijving van het beschermd gemeentelijk monument. Artikel 2.3.2.5 Voorlopige aanwijzing bij spoed

1. In spoedeisende gevallen kan het college een onroerende zaak of terrein aanwijzen als voorlopig beschermd gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6.2.1.1 wordt aan de gemeentelijke adviescommissie om advies gevraagd voor aan aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. De voorlopige aanwijzing vervalt na 52 weken of op het moment dat het college een definitief besluit neemt over de aanwijzing. 3. Zodra een belanghebbende schriftelijk in kennis is gesteld van het besluit van het college tot voorlopige aanwijzing van een onroerende zaak of terrein als beschermd gemeentelijk monument, zijn artikelen 3.5.1.1 t/m 3.5.2.3 van deze verordening van toepassing. Artikel 2.3.2.6 Bekendmaking en registratie

1. De aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.2.1, eerste lid, en in artikel 2.3.2.5, eerste lid, wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op die onroerende zaak die genoemd staan in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 5

2. Wanneer een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 2.3.2.7 Wijzigen gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

1. Het college kan de aanwijzing als gemeentelijk monument en de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument wijzigen. 2. Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het registeren dan zijn artikelen 2.3.2.1 t/m 2.3.2.3, 6.2.1.1 en 2.3.2.4 t/m 2.3.2.7 van overeenkomstige toepassing, tenzij de onroerende zaak of het terrein niet meer bestaat. 3. De aanwijzing van een beschermd gemeentelijk monument vervalt met ingang van de dag waarop de onroerende zaak of het terrein wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. 4. De intrekking of het vervallen van de aanwijzing van het beschermd gemeentelijk monument wordt in het gemeentelijk erfgoedregister aangetekend. Paragraaf 2.3.3 De aanwijzing tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht Artikel 2.3.3.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, onroerende zaken aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na de adviesaanvraag, bedoeld in artikel 6.2.2.1. 3. Een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. De gemeenteraad stelt een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro vast ter bescherming van een aangewezen gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht wordt hier een termijn voor gesteld. 5. Het college bepaalt bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht of de geldende bestemmingsplannen als beschermende plannen kunnen worden aangemerkt, dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wro kan worden vastgesteld. 6. Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vierde of vijfde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge de Wro, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening vaststellen. 7.

Als een beschermd stads- en dorpsgezicht is aanwezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening, kunnen deze niet worden aangewezen als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht. Artikel 2.3.3.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.3.3.1 eerste lid, wijzigen of intrekken. Hierop zijn artikel 2.3.3.1, tweede lid, en artikel 6.2.2.1, van overeenkomstige toepassing, tenzij het gaat om een aanpassing van ondergeschikte betekenis, of het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig niet meer bestaat. 6

2. Een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stadsgezicht op grond van een provinciale verordening. 3. Wanneer de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat direct opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling 2.4 Groen Paragraaf 2.4.1 Groene kaart Artikel 2.4.1.1 Aanwijzing beschermde houtopstand

Reserveren Paragraaf 2.4.2 Bomenlijst Artikel 2.4.2.1 Aanwijzing beschermde houtopstand

Reserveren Afdeling 2.5 Afvalstoffen Paragraaf 2.5.1 Inzameldienst Artikel 2.5.1.1 Aanwijzing van de inzameldienst

1. Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Paragraaf 2.5.2 Inzamelplaats Artikel 2.5.2.1 Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar aan inwoners van de gemeente Meppel in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Paragraaf 2.5.3 Bedrijfsafvalstoffen Binnenstad

7

Artikel 2.5.3.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 2.5.1.1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens Verordening reinigingsheffingen verschuldigde heffing is voldaan.

Hoofdstuk 3 Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 3.1 inleidende bepalingen Paragraaf 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1.1.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.1.1.2 Vergunningplicht

Activiteiten waarvoor op grond van deze verordening een vergunning nodig is, mogen niet worden uitgevoerd zonder of voordat die vergunning is verleend, of in afwijking van de verleende vergunning. Paragraaf 3.1.2 Bepalingen ten aanzien van vergunningen Artikel 3.1.2.1 Beslistermijn

1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2. Het college kan de termijn met maximaal acht weken verlengen. 3. Als beslist wordt op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, en een vergunning als bedoeld in artikel 3.4.4.3, tweede lid uit deze verordening, is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Artikel 3.1.2.2 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 3.1.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 3.1.2.4 Weigering, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 8

2. Als de aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend, kan deze ook worden geweigerd als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. voor het verkrijgen daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. na het verlenen van de vergunning of ontheffing de omstandigheden of inzichten zijn veranderd waardoor het noodzakelijk is deze te wijzigen of in te trekken vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend; c. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden niet worden nageleefd; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn, of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt. Artikel 3.1.2.5 Termijnen

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald, of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 3.1.2.6 Uitzonderingen Lex Silencio Positivo

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (indien niet tijdig op een aanvraag wordt beslist, dan wordt de vergunning verleend conform aanvraag) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: a. Artikel 3.2.1.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument; b. Artikel 3.3.4.1. Dumpingsverbod; a. Artikel 3.4.1.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan; b. Artikel 3.4.6.2 Marktplaatsvergunning ; c. artikel 3.4.6.14 Ontheffing en vervanging; d. artikel 3.4.6.15 Tijdstip innemen marktplaats/aan- en afvoer goederen; e. artikel 3.4.6.16 Vergunning bijzondere markten; f. Artikel 3.5.1.1. Verbodsbepalingen en vergunningen. Afdeling 3.2 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Paragraaf 3.2.1 Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloop activiteiten Artikel 3.2.1.1 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

1. Het college kan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden, als zij van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 2. Voor het vormen van dit oordeel maakt het college van een onderzoeksrapport en/of andere bij haar bekende onderzoeksresultaten zoals bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, dan wel een saneringsplan op grond van artikel 39, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming. 9

3. Deze voorwaarden kunnen worden gesteld naast de voorwaarden uit artikel 3.2.1.2 en artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht. Artikel 3.2.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

Er mag niet worden gebouwd op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar voor de gezondheid van de gebruikers is te verwachten, voor zover dat bouwen betrekking heeft op: a. een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Het moet dan tevens gaan om een bouwwerk dat de grond raakt, of waarvan het ter plaatse toegestane gebruik wordt gewijzigd. Artikel 3.2.1.3 Het onderzoek naar bodemverontreiniging

1. Het onderzoek met betrekking tot de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. 2. Als op basis van het vooronderzoek de aanleiding bestaat te veronderstellen dat er asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, wordt het onderzoek ook uitgevoerd volgens NEN 5707, uitgave 2003. 3. De verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van de in deze artikelen genoemde hoogtebepalingen. 4. Als voor toepassing van artikel 3.2.1.2 bij het college al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, staat het college het toe geheel of gedeeltelijk af te wijken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 5.

Als voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is, dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig onderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen, kan het college toestaan dat gedeeltelijk wordt afgeweken van de verplichting om een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht in te dienen. 6. Als er niet kan worden begonnen met bouwen nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek worden uitgevoerd nadat is gesloopt, maar voordat is begonnen met de bouw. Artikel 3.2.1.4 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning beschermd stads- of dorpsgezicht

1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk in een aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht, zoals bedoeld in artikel 2.2 lid 1 aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als volgens het college niet voldoende duidelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 10

3. De artikelen 3.5.1.2 en 3.5.1.3 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Artikel 3.2.1.5 Tijdstip van melding van voorgenomen werkzaamheden

Een aanbieder die werkzaamheden wil verrichten, meldt in ieder geval acht weken voor de aanvang van de werkzaamheden het voornemen daartoe bij het college. Artikel 3.2.1.6 Melding werkzaamheden

1. Voor de melding maakt de aanbieder gebruik van een daartoe door het college vastgesteld formulier. 2. Bij de melding verstrekt de aanbieder in ieder geval de volgende gegevens: a. de door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit afgegeven registratie; b. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; c. naam, adres en telefoonnummer van degene die de kabel in eigendom heeft, degene die de kabel beheert en degene die de kabel exploiteert; d. een opgave van de soort kabel en het beoogde gebruik; e. welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en de aard van de werkzaamheden; f. een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: - een opgave van het gewenste tracé; - een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de situering daarvan; - een omschrijving van eventuele opbrekingen; de doorsnede van de kabel of kabelgoot; - de lengte en breedte van de kabelsleuf; - de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare gronden aanwezige kabels en leidingen; - het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; - naam, adres en telefoonnummer van de aannemer(s) of onderaannemer(s) die belast is (zijn) met de werkzaamheden en van een contactpersoon ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. 3.

Indien de werkzaamheden mede betrekking hebben op grond en van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige. 4. Het college kan nadere regels stellen inzake de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel 3.2.1.7 Voorschriften en beperkingen bij instemming

1. Het college kan aan het instemmingsbesluit voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van a. de open bare orde; b. het voorkomen of beperken van schade of overlast; c. de bruikbaarheid van de openbare gronden; d. het veilig en doelmatig gebruik van de openbare gronden; e. het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare gronden; f. de belemmering van doelmatig beheer en onderhoud van de open bare gronden; g. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; h. de bescherming van groenvoorzieningen. 11

2. Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid, kan het college in ieder geval aan het instemmingsbesluit voorschriften of beperkingen verbinden over het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, en een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit. 3. De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en medegebruik van voorzieningen dient te geschieden conform de Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her)straatwerkzaamheden. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op het instemmingsbesluit. Artikel 3.2.1.8 Zakelijk karakter instemmingsbesluit

Indien de kabel wordt overgedragen aan een nieuwe aanbieder gaan de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel van de oude aanbieder over op de nieuwe aanbieder. Artikel 3.2.1.9 Melding wijziging

De aanbieder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel verandert of het feit dat de kabel niet langer ten dienste staat van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in of op open bare gronden. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 3.3.1 Festiviteiten en geluidhinder Artikel 3.3.1.1 Melding incidentele festiviteiten

1. Als de houder van een inrichting het college minstens twee weken van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 2. Als de houder van een inrichting het college minstens 10 werkdagen van tevoren op de hoogte heeft gesteld van de festiviteit, mag de inrichting maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar houden, waarbij de voorwaarden met betrekking tot verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. 3. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het college op het verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die normaal gesproken niet te voorzien was, meteen toestaat. 4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van kennisgeving. 5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan als het formulier volledig en naar waarheid is ingevuld, en tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 6. Muziek mag alleen binnen het gebouw van de inrichting ten gehore worden gebracht.

Ramen en deuren moeten hierbij gesloten blijven, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

12

Artikel 3.3.1.2 Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft. Dit kan hij doen wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 3.3.1.3 Overige geluidhinder

1. Buiten een inrichting is het niet toegestaan handelingen te verrichten, of toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben zodat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening. 4. Het college kan terreinen of wateren en categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is, als wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Artikel 3.3.1.4 Geluidhinder door dieren

Degene die hobbymatig de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat het dier voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder veroorzaakt. Artikel 3.3.1.5 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden hobbymatig met een motorvoertuig of een bromfiets op een manier te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Paragraaf 3.3.2 Afvalstoffen Artikel 3.3.2.1 Regulering van andere inzamelaars

1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college; b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of c. verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 2.5.1.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.3.2.2 Algemene verboden

1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid; of c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.5.2.1. 2. Het is verboden om de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen die de gemeente ter 13

beschikking stelt te gebruiken voor het aanbieden van andere afvalstromen dan die waarvoor de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen bestemd zijn. Artikel 3.3.2.3 Afvalscheiding

1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2. In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: - groente-, fruit- en tuinafval (GFT); - papier en karton; - glas; - textiel; - plastic verpakkingen, metalen verpakkingen (blik) en drankenkartons (PMD); - elektrische apparaten (tot 10 kg); - frituurvet; - luiers en incontinentiemateriaal. 3. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten. Artikel 3.3.2.4 Gescheiden aanbieding

1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.3.2.3, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 2.5.2.1. 2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.3.2.5 Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 3.3.2.6 Wijze en plaats van aanbieding

1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij of nabij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel; c. aanbieden bij afvalbrengstation. 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 3.3.2.5, buiten een perceel te laten staan. 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. 14

Paragraaf 3.3.3 Bedrijfsafvalstoffen Binnenstad Artikel 3.3.3.1 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 2.5.3.1 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 2.5.2.1, achter te laten. Artikel 3.3.3.2 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 2.5.3.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Paragraaf 3.3.4 Zwerfafval en overige Artikel 3.3.4.1 Dumpingsverbod

1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 ; d. handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming , de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit . 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 3.3.4.2 Zwerfafval in de openbare ruimte

1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, worden terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel 3.3.4.3

reserveren 15

Artikel 3.3.4.4 Zwerfafval rondom inrichtingen

1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.3.4.5 Afval en verontreiniging op de weg

1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 3.3.4.6 Geen opslag van afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 3.3.4.7 Vrijstelling in verband met bouw woningen

Er kan vrijstelling worden verleend voor gebieden waar vanwege de bouw geen ruimte is voor het houden van minicontainers. Artikel 3.3.4.8 Reserveren

Paragraaf 3.3.5 Overige milieubelastende activiteiten Artikel 3.3.5.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

1. In het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid is het niet toegestaan op door het college aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare, of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. voertuigen als bedoeld in artikel 3.4.5.1. of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, ingekuild gras, loof of pulp, of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 16

2. Het is niet toegestaan op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale omgevingsverordening. Artikel 3.3.5.2 Natuurlijke behoefte doen

Het is niet toegestaan om binnen de bebouwde kom, buiten de daarvoor bestemde plaatsen, op een openbaar toegankelijke plaats een natuurlijke behoefte te doen. Artikel 3.3.5.3 Verbod op het gebruik van (wens)ballonnen

1. In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon. 2. Het is niet toegestaan een wensballon op te laten of in de lucht te brengen. Afdeling 3.4 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Paragraaf 3.4.1 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare ruimten Artikel 3.4.1.1 Voorwerpen op of aan de weg

1. Het is niet toegestaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan de publieke functie die het heeft, indien het voorwerp of beoogde gebruik: a. schade toebrengt door zijn omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging; b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid of voor het doelmatig en veilig gebruik; c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud; d. op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. 2. In het belang van de openbare orde of ter bescherming van de woon- en leefomgeving kan het college nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclame(verwijs)objecten. 3. Het college kan een ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 4. Het college kan een vergunning verlenen. De vergunning wordt als omgevingsvergunning verleend als het gebruik als bedoeld in het eerste lid een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.Het verbod is niet van toepassing op: a. Evenementen als bedoeld in artikel 2:8 van de APV; b. Standplaatsen als bedoeld in artikel 1.1; c. Terrassen als bedoeld in artikel 2:10 van de APV. 6.

Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet als dit wordt geregeld in de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of het Provinciaal wegenreglement. 17

Artikel 3.4.1.2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is niet toegestaan om zonder vergunning of in afwijking daarvan een weg aan te leggen, of de aanleg, de aard of de wegverharding op enige manier te veranderen. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; b. door het college in overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing als de werkzaamheden in opdracht en in uitvoering van een publieke taak van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening Meppel. Artikel 3.4.1.3 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is niet toegestaan om een uitweg te maken naar de weg, of een verandering aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: a. als dit voorafgaand niet is gemeld aan het college. Bij deze melding dient een situatieschets van de gewenste uitweg en foto’s van de bestaande situatie worden ingediend, of; b. als het college het verboden heeft om een uitweg te maken of te veranderen. 2. Het college maakt kenbaar dat er een melding is ingediend op de gebruikelijke wijze. 3. Het maken of veranderen van een uitweg wordt niet toegestaan door het college als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. een openbare parkeerplaats door de uitweg verdwijnt, zonder dat dat nodig is; c. door de uitweg het openbaar groen op een onaanvaardbare manier wordt aangetast; d. de uitweg is bedoeld om een perceel te ontsluiten dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van de tweede uitweg een openbare parkeerplaats of openbaar groen verdwijnen. 4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement. Artikel 3.4.1.4 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is niet toegestaan een voorwerp, anders dan een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, te hebben of aan te brengen als dit op enige manier gevaar of belemmering oplevert voor het doelmatig en veilig gebruiken, beheren of onderhouden van het openbaar water. 2. Degene die het voornemen heeft een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven het openbaar water te plaatsen, doet daarvan minimaal twee weken van tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval de naam, het adres en de contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en de omvang van het voorwerp. 18

4. Het college maakt kenbaar dat er een melding is ingediend op de gebruikelijke wijze. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepsvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of volgens de Telecommunicatiewet. Artikel 3.4.1.5 Gemotoriseerde vaartuigen

1. In het belang van de veiligheid op het water, ter bescherming van het milieu of ter voorkoming of opheffing van overlast is het niet toegestaan gebruik te maken van gemotoriseerde voertuigen. Dit verbod is van toepassing op de door het college aangewezen gebieden. 2. In de aangewezen gebieden is het niet toegestaan om: a. vaartuigen aan te leggen aan bomen of struiken; b. op de een of andere manier schade toe te brengen aan oevers en gewassen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het noodzakelijke onderhoud aan watergangen of oevers, welke wordt uitgevoerd door of namens de beheerders. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor elektromotoren met een vermogen tot maximaal 1000 Watt. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel 3.4.1.6 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is niet toegestaan om afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben in de openlucht, buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. 2. Als er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Naast de weigeringsgronden genoemd in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale milieuverordening. Paragraaf 3.4.2 Terrassen Reserveren

19

Paragraaf 3.4.3 Stadsschoon en handelsreclame Artikel 3.4.3.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1. Het is niet toegestaan om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken met een opschrift, aankondiging of afbeelding als daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving ontstaat. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.4.3.2 Reclamevoertuigen

1.Het is niet toegestaan een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het ogenschijnlijk doel daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf 3.4.4 Voertuigen Artikel 3.4.4.1 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt onder andere begrepen: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die niet langer dan een uur duren, voor zo lang als die werkzaamheden duren; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de persoon als bedoeld in het derde lid. 3. Het is niet toegestaan voor de persoon die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of gewoonte van heeft gemaakt om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen om: a. drie of meer voertuigen die aan hem toebehoren of zijn toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter van een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3.4.4.2 Defecte voertuigen

Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door gebreken die niet eenvoudig te verhelpen zijn, mag niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geparkeerd. Artikel 3.4.4.3 Staat voertuigen

1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat rijtechnisch onvoldoende is onderhouden en dat in een verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 3.4.4.4 Ontdoen van autowrakken

Het is niet toegestaan om een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken, achter te laten. 20

Artikel 3.4.4.5 Grote voertuigen

1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte. 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen, van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigen ten behoeve van recreatieve doeleinden, die niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Artikel 3.4.4.6 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

1. Het is niet toegestaan een voertuig dat inclusief de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter, of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een gebouw dat gebruikt wordt voor bewoning of ander dagelijks gebruik op een manier dat het uitzicht van de bewoners of gebruikers op een hinderlijke manier wordt verstoord of zij op een andere manier hinder of overlast ervaren. 2. Het verbod is niet van toepassing voor de tijd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel 3.4.4.7 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1. Het is niet toegestaan om in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam worden verricht; c. voertuigen waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 3.4.4.8 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan

1. Het is niet toegestaan een voertuig te parkeren op een weggedeelte, anders dan de rijbaan, dat door het college is aangewezen. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden die in opdracht van een bestuursorgaan of een openbaar lichaam worden verricht. Artikel 3.4.4.9 Overlast van fietsen of bromfietsen

1. Het is niet toegestaan fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen onbeheerd te laten staan op de door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de 21

gemeente aangewezen plaatsen, om overlast of schade aan de openbare gezondheid te voorkomen of op te heffen. 2. Het is niet toegestaan om fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken in door het college aangewezen gebieden te laten staan. Artikel 3.4.4.10 Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is niet toegestaan om op een openbare plaats een fiets of bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, een gevel van een gebouw of de ingang van een portiek als de gebruiker van het gebouw of de portiek heeft aangegeven dit niet te willen of als daardoor de ingang versperd wordt. Artikel 3.4.4.11 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is niet toegestaan zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Paragraaf 3.4.5 Kampeermiddelen Artikel 3.4.5.1 Kampeermiddelen en andere voertuigen

1. Het is niet toegestaan om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt of een ander voertuig dat niet voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te hebben of te plaatsen op een door het college aangewezen weg, waar dit volgens het college niet mogelijk is in verband met de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit volgens het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod genoemd in lid 1, aanhef en onder a. 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het provinciaal wegenreglement of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 3.4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1. Het is niet toegestaan om kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat daarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 3.4.5.3 Aanwijzing kampeerplaatsen

1. Artikel 3.4.8.2, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 22

2. Het college kan nadere regels stellen ter bescherming van de belangen als genoemd in artikel 3.4.8.2, vierde lid. Paragraaf 3.4.6 Stand- en marktplaatsen Artikel 3.4.6.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1. Het is niet toegestaan om een standplaats in te nemen zonder een vergunning van het college. 2. Een standplaatsvergunning wordt verleend voor een periode van vijf jaar. 3. Naast de weigeringsgronden in artikel 3.1.2.4 kan een vergunning worden geweigerd als: a. De standplaats op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. In strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement. 5. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel 3.4.6.2 marktplaatsvergunning

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=638b8e5f-befb-4868-ae4e-589504cccca9