1. Rapport Joods vastgoed in de gemeente Meppel
Tekst van het document
Wel zijn er inventarisatielijsten bewaard gebleven van huizen die werden gevorderd door de Duitse Weermacht, waaronder in totaal 35 Joodse woningen.67 Omdat deze lijsten zich in het gemeentearchief bevinden, is het aannemelijk dat het inventariseren werd gedaan door ambtenaren van de gemeente Meppel, waarschijnlijk politieagenten.38 De inventarislijsten van de Duitse Weermacht zijn immers mede ondertekend door een agent van de Meppeler politie.69 Ondanks dat de lijsten van overige
de woningen ontbreken staat vast dat Joodse woningen in Meppel wel degelijk werden leeggehaald door de ERR, met behulp van lokale arbeiders. Dit proces werd in de volksmond ‘pulsen’ genoemd, afgeleid van de firma Puls uit Amsterdam, een bedrijf dat zich veelvuldig bezighield met transport en opslag van Joodse inboedels.71 Veel Joden vertrouwden het niet om hun inboedel onbeheerd achter te laten. Daarom gaven zij spullen in bewaring bij niet-Joodse buren of vrienden of andere personen die zij vertrouwden, de zogenaamde bewariërs (ariërs die iets bewaarden).72 Het ging niet alleen om geld, waardevolle spullen en meubelen, maar ook om kleding en etenswaren die op deze wijze aan de inboedelroof ontkwamen. Helaas bleken deze bewariërs lang niet altijd zo betrouwbaar te zijn. Na de bevrijding waren er veel bewariërs die weigerden spullen terug te geven of beweerden dat ze het niet meer hadden of nooit gekregen hadden, terwijl de Joodse eigenaar het soms door het raam in het huis van de bewariër kon zien staan. 65. AGP, 2.07.77, inv. nr. 49, rapportage 15 oktober 1942. 66. AGM, 1.755, Politiemaatregelen t.o.v. Nederlanders en ingezetenen, inv. nr. 182, internering en in bewaringstelling 1941, declaratie 8 november 1943. 67. Rinsema, Joden in Meppel, 518-559. 68. Rinsema, Joden in Meppel, 312. 69. Zie AGM, 1.865.28, Vorderingen gebouwen, terreinen e.d.
tbv Duitse Weermacht, 1943 en bijvoorbeeld AGP, 2.07.77, inv. nr. 44, rapportage 25 juli 1941. De handtekeningen zijn van dezelfde persoon, vermoedelijk Hendrik Jan Hermannus Slots, agent van de gemeentepolitie Meppel. 70. Bakker, Bezettingsmisère en bevrijdingsvreugde, 96. 71. Aalders, Roof, 229. 72. Aalders, Berooid, 337.
25
26
Afbeelding 7: zicht op het centrum van Meppel vanaf het water tussen het Oosteinde en de Gasgracht, ca. 1920-1940.
TERUGKEER IN DE SAMENLEVING EN DE HOUDING VAN DE OVERHEID Meppel werd bevrijd op 13 april 1945. De weinige Joodse Meppelers die de oorlog hadden overleefd en terugkeerden naar hun oude woonplaats werden geconfronteerd met de enorme schade die de Joodse gemeenschap tijdens de bezetting had opgelopen. Zij zagen dat er vrijwel niets meer over was van hun leven van voor de oorlog. Verdriet om omgekomen familieleden en kennissen en bezorgdheid over degenen die soms nog jarenlang als vermisten te boek stonden overheersten. Daarnaast waren hun huizen overhoop gehaald, de inboedels verdwenen en vaak woonden er andere mensen in. De synagoge was zwaar beschadigd en werd gebruikt als opslag voor meubels. Religieuze voorwerpen, boeken, kerkbanken en dergelijke waren in grote getale verdwenen. De Joodse school was in gebruik als werkplaats voor het maken van ijzeren speelgoed en bij de Joodse begraafplaats was een loopgraaf aangelegd.73 Net als in heel Nederland wachtte de Joden in Meppel geen warm welkom. De omgeving waarin zij terugkeerden was vooral heel druk bezig met zichzelf en haar eigen problemen. Over het algemeen had men niet verwacht dat de Joden terug zouden keren. Niet-Joodse landgenoten hadden vaak (nog) geen besef van wat de Joden hadden moeten doorstaan.
Daarbij kwam dat het altijd al bestaande milde antisemitisme tijdens de oorlog een opleving had gekregen.74 Het kwam regelmatig voor dat Joden na hun terugkeer op straat te horen kregen dat het jammer was dat ze niet waren vergast.75 Hoewel het na verloop van tijd weer afnam, waren dit soort antisemitische uitingen erg schrijnend. De negatieve houding ten opzichte van de teruggekeerde Joden had echter niet enkel met antisemitisme te maken, maar ook met egoïsme en materialisme.76 Dat gold zeker voor degenen die economisch profijt hadden getrokken uit het vertrek van de Joden, bijvoorbeeld door een Joodse zaak over te nemen, een Joods huis te kopen of door geld en goederen in bewaring te nemen. Het vooruitzicht dit weer in te moeten leveren maakte dat zij vaak allerminst verheugd waren met de terugkeer van de oorspronkelijke eigenaren.77
SALOMON DE LEEUW
Conflicten over Joods eigendom deden zich ook in Meppel voor, zoals bijvoorbeeld bij Salomon de Leeuw (1895-1943). Deze Joodse musicus was met zijn hele gezin in Auschwitz vermoord. Vóór zijn deportatie had De Leeuw een geldbedrag in bewaring gegeven bij boekhouder Piet Zandbergen. Volgens Zandbergen had hij afgesproken met De Leeuw dat hij het geld voor hem en zijn kinderen zou bewaren, maar in het geval ze niet zouden terugkeren Zandbergen zelf mocht bepalen wat hij met het geld deed. Daarom was Zandbergen na de bevrijding niet genegen het geld af te staan aan Salomon
Kats, de bewindvoerder over het vermogen van De Leeuw. Omdat het wettelijk verplicht was het vermogen van gedeporteerde Joden af te staan aan de bewindvoerder drong het Nederlands Beheersinstituut er bij Zandbergen op aan het geld over te dragen aan Kats. Dat gebeurde uiteindelijk, maar niet zonder protest. Zandbergen deed zijn beklag bij het NBI over de gang van zaken en was erg negatief over de opstelling van bewindvoerder Kats, die onder meer met juridische stappen gedreigd zou hebben. Zandbergen schreef in een brief aan het NBI onder andere dat ‘‘er schijnbaar door U (het NBI) geen rekening mee gehouden word dat Kats een ‘‘Jood’’ is.’’ 78
Al met al was het voor de Joodse overlevenden absoluut geen eenvoudige opgave om hun leven weer op te pakken. De bezetter had veel verwoest en nu was er vanuit de samenleving nauwelijks aandacht en erkenning. In de kranten en de kerken werd bijvoorbeeld hoofdzakelijk geschreven en gesproken over verzetsstrijders, goed en fout en Nederlandse slachtoffers. De Joodse problematiek kwam niet aan de orde.79 Illustratief is een stuk van dominee B. Peijsel van de Protestantse Kerk IJhorst-De Wijk op de voorpagina van de Meppeler Courant van 27 juli 1945, waarin hij schrijft: ‘‘Er zijn tusschen de geschiedenis van ‘t Joodsche volk, tijdens zijn verdrukking in en verlossing uit Egypte, eenige overeenkomsten aan te wijzen met die van ons eigen Nederlandsche volk, tijden de knechting door de Duitschers en de verlossing daarvan […].’’ In het stuk schrijft Peijsel echter alleen over Nederlanders en rept met geen woord over Joodse oorlogsslachtoffers.
27
HOUDING VAN DE OVERHEID
28
In het door oorlog verwoeste Nederland overheerste in de eerste periode na de bevrijding een toestand van chaos en schaarste. Om de meest nijpende problemen het hoofd te kunnen bieden kwam het dagelijks bestuur aanvankelijk in handen van het Militair Gezag (MG).80 Het MG was verantwoordelijk voor alle taken die normaal gesproken door de civiele overheid werden uitgevoerd, waaronder de opvang van Joden die uit het buitenland terugkeerden naar Nederland. Die opvang is door veel Nederlandse Joden negatief ervaren en onder meer omschreven als bureaucratisch, kil en afwerend.81 De houding van de overheid en het MG was zonder meer zakelijk. Gebrek aan geschoold personeel (op trauma-gebied), het grote aantal slachtoffers en de enorme omvang en complexiteit van de problemen die met schaarse middelen moesten worden opgelost maakten het moeilijk om aan slachtoffers persoonlijke aandacht te schenken.82 De overheersende mentaliteit bij de overheid anno 1945 vormde ook een belangrijke factor. In die tijd was een pragmatische houding, gericht op bestuurlijke continuïteit, kenmerkend voor overheidsorganen.83 Tijdens de bezetting had de overheid immers meegewerkt met het uitvoeren van de verordeningen van de bezetter en na de bevrijding wilde men de draad van voor de oorlog zo snel mogelijk weer oppakken. De nadruk lag vooral op de wederopbouw en het herstel van de economie.
De belangen van oorlogsslachtoffers en zeker die van Joodse oorlogsslachtoffers, waren daaraan ondergeschikt.84 Dit had niet zozeer te maken met antisemitisme, maar meer met desinteresse. De Joden waren door de oorlog gereduceerd tot een minieme bevolkingsgroep en daarom was er, ook vanuit politiek en electoraal oogpunt, weinig belangstelling voor hen.85 Daarbij kwam dat de overheid een gelijkheidsbeginsel hanteerde ten aanzien van oorlogsslachtoffers, waarbij geen onderscheid werd gemaakt tussen Joden en niet-Joden. Men ging ervan uit dat onderscheid maken de kloof tussen Joden en niet-Joden zou vergroten en antisemitisme in de hand zou werken.86 Ook was onderscheid maken een fundamenteel aspect geweest van het beleid van de bezetter en na de bevrijding wilde men dit beleid, in wat voor vorm dan ook, niet voortzetten. Er heerste een soort nationalisme, waarin iemand in de eerste plaats Nederlander óf buitenlander was. Joden vielen als het ware tussen wal en schip, want er werd alleen naar hun nationaliteit gekeken. Zij werden na
de oorlog behandeld als Nederlanders, terwijl zij tijdens de oorlog als Jood vervolgd waren, met als gevolg dat zij na de bevrijding maatschappelijk in een zeer zwakke positie terecht kwamen. Duitse Joden die in Nederland verbleven werden zelfs als vijanden beschouwd en zij moesten zelf maar zien te bewijzen dat ze die status niet verdienden.87 Destijds werd deze gedachtegang breed geaccepteerd en was er in elk geval geen systematisch protest tegen het gelijkheidsbeginsel.88 Dat hiermee voorbij werd gegaan aan het gegeven dat Joden de oorlog totaal anders hadden ervaren dan niet-Joden werd pas in de jaren negentig breed erkend.89
73. Rinsema, Joden in Meppel, 400-401. 74. Evelien Gans, ‘’Vandaag hebben ze niets – maar morgen bezitten ze weer tien gulden. Antisemitische stereotyperingen in bevrijd Nederland,’’ in Polderschouw. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Regionale Verschillen, Conny Kristel ed. (Amsterdam: Bert Bakker, 2002), 313-353; Hondius, ‘’Antisemitisme in Nederland’’; Aalders, Berooid, 357. 75. Evelien Gans, ‘’’’They have forgotten to gas you’’: post-1945 antisemitism in the Netherlands,’’ in Dutch Racism, ed. Philomena Essed en Isabel Hoving (Leiden: Brill, 2014), 71-72. 76. Aalders, Berooid, 356. 77. Lipschits, De kleine Sjoa, 190. 78. Nationaal Archief Den Haag (NL-HaNA), toegang 2.09.16, dossierarchief van het Nederlandse Beheersinstituut (NBI), en van de in beslag genomen administraties, 1945-1967, inv. nr. 114269, NBI-dossier S. de Leeuw. 79. Rinsema, Joden in Meppel, 382-384. 80. D.C.L. Schoonoord, ‘’Het ‘Circus Kruls’ Militair Gezag in Nederland, 1944-1946,’’ Militaire Spectator 179, no. 5 (2010), 265-276. 81. Lipschits, De kleine sjoa, 191. 82. Schoonoord, ‘’Militair Gezag in Nederland,’’ 271. 83. Raymund Schütz, ‘’Het moeizame rechtsherstel inzake ‘Joods’ onroerend goed,’’ Onderzoek uitgelicht 6, no. 1 (juli 2017), 30-34. 84.
Wouter Veraart, ‘’Two rounds of postwar restitution and dignity restoration in the Netherlands and France,’’ Law & Social Inquiry 41 no. 4 (2016), 961; Lipschits, De kleine sjoa, 72-73, 191; Aalders, Berooid, 365. 85. Aalders, Berooid, 356. 86. Gans, ‘’Vandaag hebben ze niets – maar morgen hebben ze weer tien gulden.’’ 87. Marieke Oprel, ‘’Categorisation. Classification. Confiscation. Dealing with enemy citizens in the Netherlands in the aftermath of World War II (1944-1967),’’ European Review of History: Revue européenne d’histoire 28, no. 2 (april 2021), 269-271. 88. Aalders, Berooid, 148. 89. Veraart, ‘’Two rounds of postwar restitution,’’ 960.
29
30
Afbeelding 8: het Zuideinde 59, waar ten tijde van de bezetting het Joodse echtpaar Alexander Jozef Stibbe (1872-1943) en Martha Löwenstein (1879-1943) woonde. Wegens de zwakke gezondheid van Stibbe werd het echtpaar aanvankelijk niet naar Westerbork overgebracht. Toen in september 1943 echter duidelijk werd dat zij alsnog afgevoerd zouden worden, pleegden Alexander en Martha thuis zelfmoord.
DE GEMEENTE MEPPEL NA DE OORLOG In de eerste maanden na de bevrijding viel Meppel onder het Militair Gezag, met majoor Barthold Willem Floris Bierens de Haan als districtshoofd. Een van de meest nijpende problemen in die tijd was het woningtekort, een probleem dat al tijdens de oorlogsjaren ontstond door de grote toestroom van vluchtelingen. Het is niet duidelijk of zij ook in Joodse woningen werden gehuisvest, maar dit is wel aannemelijk. Voor de huisvesting van militairen en ander personeel werden in elk geval wel leegstaande woningen van Joodse eigenaren gebruikt. In de woning Stationsweg 6 van veekoopman Joël van de Rhoer (1875-1943) namen de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), bestaande uit verzetsmensen, hun intrek. De plaatselijke commandant van de BS vestigde zijn kantoor in de winkel van Jozef Levie (1897-1943) aan de Eerste Hoofdstraat 29.90 Verder werd de woning Zuideinde 59 van Alexander Jozef Stibbe (1872-1943) ter beschikking gesteld aan verzetsleider Jan Gunnink. Een paar dagen na de bevrijding keerde de vooroorlogse burgemeester Daniël baron Mackay terug en werd in ere in zijn ambt hersteld. Tegelijkertijd werden de gezagsdragers uit de periode van de bezetting aan een zuiveringsproces onderworpen. Geert Wisman werd door het MG op grond van zijn houding tijdens de vijandelijke bezetting op 16 juli 1945 geschorst als burgemeester en onder huisarrest gesteld.
Er werden diverse redenen aangevoerd op grond waarvan zijn houding tijdens de bezetting als ‘fout’ kon worden beschouwd. Een reden luidde: ‘‘[…] dat de heer Wisman zich tegen het arresteren van de Joodse ingezetenen zijner gemeente niet heeft verzet en dat hij, hoewel hij enige uren tevoren daarvan op de hoogte was, geen enkele Joodse ingezetene een waarschuwing heeft doen toekomen.’’ 91 Wisman schreef een uitvoerig verweerschrift en dankzij tientallen gunstige verklaringen van getuigen, onder andere van de Commissaris van de Koningin in Drenthe, kwamen de meeste aanklachten tegen hem te vervallen. Op basis van zijn uitleg van de gebeurtenissen begin oktober 1942 en de getuigenis van hoofdinspecteur Hendrik Breedveld, achtte de zuiveringscommissie de aanklacht dat Wisman zou hebben meegewerkt aan de deportatie van de Joden ontzenuwd. Wel was men het erover eens dat zijn positie in Meppel onhoudbaar was. De Commissie van Advies Zuiveringsbesluit adviseerde daarom om aan Wisman eervol ontslag te verlenen als burgemeester van Meppel onder toekenning van wachtgeld. Het advies werd overgenomen en het besluit trad in werking op 16 april 1946. Gemeentesecretaris Hendrik Hilbrand De Carpentier kreeg dezelfde behandeling. De gemeente Meppel was het niet eens met het oordeel en weigerde aanvankelijk het wachtgeld aan Wisman en De Carpentier uit te betalen.
Na aandringen van de minister van Binnenlandse Zaken ging de gemeente alsnog overstag, maar merkte wel op dat ‘‘de ten aanzien van bovengenoemde
personen genomen maatregelen als veel te zacht moeten worden aangemerkt en dat deze maatregelen allerminst in overeenstemming zijn met wat als recht leeft in het rechtsbewustzijn van de gemeentenaren van Meppel.’’ 92 Bij de politie werd korpschef Stienus van Wijnen opgepakt en tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld.93 Hendrik Breedveld keerde aanvankelijk terug als hoofdinspecteur, maar hij werd in 1946 door de minister van Justitie toch uit zijn functie ontheven. Een onderzoekscommissie had namelijk geconcludeerd dat hij teveel met de bezetter had meegewerkt. Zijn bijdrage aan het oppakken en afvoeren van de Joden gold hierbij als een van de belangrijkste redenen. In Meppel konden velen zich niet vinden in de beslissing van de minister en er werd nog een lokaal comité voor eerherstel van Breedveld opgericht, maar dit was tevergeefs. Over deze kwestie heeft Symen Kingma een uitgebreid artikel geschreven.94 De gemeenteraad van Meppel kwam pas op 14 februari 1946 voor de eerste keer sinds de bevrijding weer bijeen. Tijdens deze bijeenkomst hield burgemeester Mackay een uitgebreide toespraak. In deze toespraak reflecteert hij op de oorlogsjaren en de bevrijding en blikt vooruit op de toekomst. Mackay uit felle kritiek op het optreden van de Duitsers en de NSB’ers en spreekt met veel lof over het verzet.
Over de Jodenvervolging zegt hij: ‘‘De gedeeltelijke uitmoording der Joden was in ons aller oogen een gruwel van de eerste soort.’’
31
32
Ook reflecteert hij met oog voor de realiteit op de periode na de bevrijding. Hierover zegt hij namelijk: ‘‘De bevrijding van Nederland in mei 1945 bracht wel vrijheid, maar geen onafhankelijkheid en ook geen vreugde. Er was teveel gebeurd. Heel Nederland lag kapot en uit elkaar geslagen terneer. Alle normen waren zoek geraakt. En in die chaos moest de weg worden gevonden naar betere tijden. Het was moeilijk, omdat egoïstisch streven in sterke mate werd waargenomen, juist toen sociaal voelen en sociaal doen een eerste vereischte was.’’ Verder sprak de burgemeester nog over de verschillende gezagsorganen die niet altijd even goed met elkaar samen werkten en de grote materiële tekorten, die een snelle wederopbouw van Nederland verhinderden. Het grootste gedeelte van de toespraak wijdde Mackay echter aan Nederlands-Indië en de noodzaak dit koloniale gebied weer onder controle te krijgen.95
In de loop van de jaren vijftig, zestig en zeventig kromp de Joodse gemeenschap van Meppel nog verder. Degenen die de oorlog hadden meegemaakt vertrokken vaak naar elders, omdat zij in Meppel geen toekomst meer zagen en geconfronteerd werden met pijnlijke herinneringen. Voor hun kinderen bood Meppel tevens weinig perspectieven, zodat ook zij zich in veel gevallen ergens anders vestigden. Van de tientallen Joodse ondernemingen waren er na de bevrijding slechts zes over die weer konden worden opgestart. De zaken gingen echter nooit meer zo goed als in de vooroorlogse periode en al deze ondernemingen werden later ontbonden of verkocht.99 Op een gegeven moment woonde er nog slechts een enkel Joods gezin in Meppel. Pas in de jaren negentig vestigden zich weer nieuwe Joodse gezinnen in de stad.100
Mackay bleef tot juli 1946 burgemeester van Meppel. Hij werd opgevolgd door Antonie Kleijn (1907-1997). Net als in heel Nederland stond in Meppel de wederopbouw centraal. De prioriteiten van het gemeentebestuur lagen bij het verhelpen van het schrijnende woningtekort, het verbeteren van de infrastructuur en het creëren van ruimte voor de vestiging van industrie en bedrijven. De gemeente besloot over te gaan tot een sanering van de binnenstad, waarbij grachten werden gedempt, oude panden gesloopt en nieuwe wegen aangelegd.96
DE JOODSE GEMEENSCHAP NA DE OORLOG
Na de bevrijding waren in Meppel nog ongeveer tien gezinnen aangesloten bij de Nederlands-Israëlitische Gemeente Meppel. Dit betekende dat het ontbrak aan mankracht, geld en middelen om de bezittingen van de Joodse gemeente te onderhouden en de religieuze taken uit te voeren, waaronder het houden van diensten in de synagoge. Het bestuur van de Joodse gemeenschap (bestaande uit David Wolff, Salomon Kats en Eduard van de Rhoer)97 besloot daarom in 1951 de synagoge en andere panden in de Touwstraat en Noteboomstraat te verkopen aan de Gereformeerde Kerk. Het kerkbestuur was voornemens op de plaats van de synagoge een nieuw kerkgebouw neer te zetten. Toen die plannen niet doorgingen, verkocht het kerkbestuur het voormalige Joodse vastgoed aan de gemeente Meppel, die op haar beurt in het kader van stadsvernieuwing vanaf 1960 alle bebouwing aldaar, waaronder de synagoge, liet slopen.98
Afbeelding 11: een vermogensoverzicht uit 1945 van Joël van de Rhoer in zijn NBI-dossier.
33
Afbeelding 9: het pakhuis Groningen van de succesvolle Joodse ondernemer Jacob van Esso op de hoek van de Kruisstraat en de Putstoel, ca. 1965-1970.
JACOB VAN ESSO
Jacob van Esso (1873-1951) overleefde de oorlog door onder te duiken in Meppel. Hij was eigenaar van Van Esso’s Zakkenhandel, een handel in zakken en lompen. Dit goed draaiende bedrijf, dat voorafgaand aan de oorlog tientallen werknemers in dienst had, werd tijdens de bezetting onder beheer gesteld en geliquideerd. Een pakhuis aan de Eendrachtstraat 4 werd verkocht aan de N.V. Agrarische Pers, die onder meer pro-Duitse tijdschriften drukte. Na de bevrijding wilde Van Esso zijn bedrijf weer opstarten. Hij kreeg zijn panden weer terug via rechtsherstel en was er ook in geslaagd de benodigde machines en geschoold personeel te verkrijgen. In juli 1945 stuurde hij zijn vroegere klanten bericht dat ze weer zaken met hem konden doen.101 Van Esso kon echter nog niet beginnen, omdat zijn pakhuis aan de Eendrachtstraat 4 gebruikt werd voor de opslag van in beslag genomen meubels en andere goederen van NSB’ers. Volgens van Esso was afgesproken met het Militair Gezag dat het pakhuis op 15 juli 1945 leeg zou zijn en weer beschikbaar voor zijn bedrijf. Deze datum werd niet gehaald. Van Esso stuurde brieven naar de gemeente Meppel om aan te dringen op een zo spoedig mogelijke ontruiming van zijn pakhuis. Het Militair Gezag, de Provinciale Voedselcommissaris en het ministerie van Handel, Nijverheid en Scheepvaart raakten allen bij de kwestie betrokken.
Omdat het maken van zakken van vitaal belang was voor de voedselindustrie achtten de autoriteiten het noodzakelijk dat Van Esso op korte termijn ging produceren.102 Het duurde uiteindelijk tot november 1945 eer Van Esso de ruimte weer tot zijn beschikking kreeg.103
34
DE FAMILIE VAN DE RHOER
aan de Stationsweg 6 kwamen ze tot de ontdekking dat vrijwel de gehele inboedel verdwenen was. Op het fornuis stond een ketel water, die nog een beetje warm aanvoelde. Mogelijk was deze door de Duitse Weermacht achtergelaten. Enige weken na de bevrijding hadden de broers Van de Rhoer iets te bespreken op het politiebureau van Meppel. Na aankomst werden ze verzocht even in de wachtkamer plaats te nemen. Daar zittende ontdekten ze onmiddellijk dat ze in de gemakkelijke stoelen zaten van hun ouders. Ze vertelden dit aan de commissaris van politie. De volgende morgen werden de stoelen bij hen thuis afgeleverd.
Tijdens de bezetting mocht Jacques vanaf 1941 niet langer zijn juridische diensten verlenen aan niet-Joodse cliënten. In 1942 werd de textielhandel van Eduard geliquideerd. In oktober 1942 kwam het hele gezin Van de Rhoer in kamp Westerbork terecht. Joël van de Rhoer en Bertha van Geens werden gedeporteerd naar vernietigingskamp Sobibor en daar vermoord. Jacques en Eduard ontsnapten in mei 1943 uit kamp Westerbork en overleefden de oorlog door onder te duiken op verschillende adressen. De woning aan de Stationsweg 6 werd in 1943 gekocht door de beruchte NSB’er Egbert Spiker. Zelf kon hij er niet in wonen, want het pand werd vanaf oktober 1942 tot tegen de bevrijding gevorderd door de Duitse Weermacht. Huiseigenaren wiens woning door de Weermacht was gevorderd konden een schadevergoeding aanvragen en uit archiefstukken blijkt dat de gemeente Meppel hierop
Eduard van de Rhoer had vóór zijn deportatie uit Meppel geld en waardevolle voorwerpen bij derden ondergebracht of verstopt. Een koffer met zilverwerk, die hij bij een hotel in het dorp Westerbork had begraven, lag er na de bevrijding nog, ondanks dat enkele mensen gezien hadden dat hij het daar begraven had. Een minder prettige ervaring had hij toen hij een geldbedrag kwam ophalen dat hij bij een plaatsgenoot in bewaring had gegeven. Deze bewariër was teleurgesteld dat Van de Rhoer de oorlog had overleefd en zei tegen hem dat ‘‘het jammer was dat ze jullie niet allemaal in het gashok hadden weten te douwen.’’ 106
Aan de Stationsweg 6 woonde het Joodse echtpaar Joël van de Rhoer (1875-1943) en Bertha van Geens (1880-1943) met hun twee zoons, Jacob Eduard (Jacques) en Eduard. De familie Van de Rhoer was van oudsher altijd werkzaam geweest in de veehandel en het slagersvak. Zo ook Joël van de Rhoer, die een van de meest succesvolle veehandelaren was in het noorden van Nederland. Zijn zoons kozen echter voor een andere loopbaan. Jacques werd advocaat en Eduard ging de textielhandel in. Voor Jacques werd een uitbouw aan het ouderlijk huis aan de Stationsweg gemaakt voor zijn advocatenkantoor.
toezag en hierover communiceerde met de Weermacht. Voor ‘‘Judenwohnungen’’ kon in principe geen schadevergoeding worden aangevraagd.104 Nadat Spiker eigenaar van de woning was geworden verviel deze status echter en uit de rechtsherstelakte blijkt dat hij ruim achthonderd gulden aan schadevergoeding heeft ontvangen. Dit bedrag, minus de vaste lasten die hij betaald had, moest hij bij het rechtsherstel terugbetalen aan de gebroeders Van de Rhoer.105 Na de bevrijding keerden de broers Jacques en Eduard terug naar Meppel. Toen ze door de stad liepen werden ze door veel mensen aangestaard, maar door weinigen begroet. Bij terugkomst in hun ouderlijk huis
Uiteindelijk was een zeer groot deel van het vermogen van de familie Van de Rhoer verdwenen. Een kluis bij een vestiging van de Amsterdamse Bank in Meppel, waarin Joël van de Rhoer aandelen bewaarde ter waarde van honderdduizend gulden (omgerekend naar nu anderhalf miljoen euro), was tijdens de bezetting op last van de Duitsers opengebroken en leeggeroofd. De kosten voor het openbreken en daarna weer repareren van de kluis werden ook nog bij Van de Rhoer in rekening gebracht. Eind jaren negentig kreeg Jacob van de Rhoer, een kleinzoon van Joël, hierover nog een brief van ABN AMRO. Omdat de bank verantwoordelijk was geweest voor het aanwijzen en openbreken van de kluizen voor de Duitsers, bood ABN AMRO excuses aan. Ook was de bank bereid de kosten voor het openbreken en repareren van de kluis, ongeveer 45 gulden, aan Jacob te vergoeden. Jacob heeft de excuses en het geldbedrag niet aanvaard. De inhoud van de kluis is bij zijn weten nooit vergoed.107
35
Afbeelding 10 : de woning van de Joodse familie Van de Rhoer aan de Stationsweg 6.
90. T ine Oom en Thijs Rinsema, ‘’Herstel van het militair en burgerlijk gezag,’’ Kwartaalblad Oud Meppel 21, no. 4 (2000), 55. 91. N L-HaNA, 2.04.87, Ministerie van Binnenlandse Zaken: Directie Binnenlands bestuur: Bestuurszaken en Kabinetszaken, inv. nr. 5337, Wisman G. 1923-1951 (onderzoek naar functioneren tijdens oorlogsjaren). 92. A GM, 2.07.53, Functionarissen, inv. nr. 5421, toekenning wachtgeld aan i.v.m. zuivering ontslagen burg. Wisman en secr. De Carpentier, notulen raadsvergadering 9 oktober 1946. 93. J os Smeets, ‘’Stienus van Wijnen 19 juli 1906 – 1979’’ op www.politieacademie.nl (geraadpleegd 10-1-2022). 94. K ingma, ‘’Hendrik Breedveld: slachtoffer van een juridische dwaling?’’ 10-21. 95. A GM, Notulen gemeenteraad 1946, notulen raadsvergadering 14 februari 1946. 96. J .W. Th. M. Beekhuis-Snieders, ‘’Bestuurlijke ontwikkeling van Meppel sinds 1600,’’ in Gerding, Geschiedenis van Meppel, 195. 97. N L-AsnDA, 0147, inv. nr. 23, Lijsten van correspondentie inzake beheerders en bewindvoerders, lijst van beheerders met de daarop betrekking hebbende bedrijven, 2.
98. Rinsema, Joden in Meppel, 470-475; Roelof ter Heide, ‘’Sanering binnenstad Meppel deel 5,’’ Kwartaalblad Oud Meppel 10, no 4 (1988), 15-16. 99. Rinsema, Joden in Meppel, 465-470. 100. Idem, 471. 101. AGM, 1.755, inv. nr. 189, brief Van Esso’s Zakkenhandel Meppel, juli 1945. 102. Rinsema, Joden in Meppel, 467. 103. NL-HaNA, 2.09.48, Raad voor het Rechtsherstel, Dagelijks bestuur en secretariaat, Afdeling Beheer, Voorzieningen voor afwezigen en Voorzieningen voor rechtspersonen en Afdeling Onroerende Goederen, 1945-1967, inv. nr. 809, Geschillendossier E3433, geschil N.V. Agrarische Pers – Van Esso. 104. AGM, 1.865.28, Vorderingen, inv. nr. 3761, document m.b.t. gevorderde percelen, 23 juli 1943. 105. Kadaster: transportakten register hypotheken 4, reeks Assen, deel 1750 nr. 59. 106. Interview per mail met Jacob van de Rhoer, 16 december 2021. 107. Interview per mail met Jacob van de Rhoer, 16 december 2021.
36
Afbeelding 12: het centrum van Meppel met op de voorgrond de Zuiderbrug en rechts daarachter de drogisterij van Hartog Simon Goldsteen (1879-1942), ca. 1920-1940.
RECHTSHERSTEL De Nederlandse regering in ballingschap begon in 1942 met het voorbereiden van rechtsherstel. In 1944 werd de herstelwetgeving in koninklijke besluiten vastgelegd. Na de bevrijding was aanvankelijk het Militair Gezag verantwoordelijk voor rechtsherstel. Op 9 augustus 1945 werd deze taak overgedragen aan de Raad voor het Rechtsherstel, een organisatie met buitengewone bevoegdheden om de rechtsverhoudingen te herstellen en de roof en gedwongen verkoop van eigendommen ongedaan te maken. Binnen de Raad voor het Rechtsherstel was het Nederlands Beheersinstituut (NBI) verantwoordelijk voor het opsporen, beheren en eventueel liquideren van vijandelijke vermogens en vermogens van landverraders en tijdens de oorlog verdwenen personen, voornamelijk gedeporteerde en ondergedoken Joden. Indien de oorspronkelijke eigenaar de oorlog overleefd had, was het terugkrijgen van eigendom meestal niet zo ingewikkeld. De meeste Nederlandse Joden hadden de oorlog echter niet overleefd. Gedeporteerde Joden die niet waren teruggekeerd werden aanvankelijk bestempeld als afwezige personen. Erfgenamen konden daardoor vaak pas vele jaren later, nadat zij verklaringen van het Rode Kruis hadden ontvangen, hun rechten opeisen.108 Voordat dat zover was moesten er voor de afwezige personen bewindvoerders worden aangesteld.
Bewindvoerders dienden zorg te dragen voor de instandhouding en het beheer van de vermogens van de afwezigen. Hieronder vielen gedeporteerde Joden, maar ook NSB’ers, die na de bevrijding waren geïnterneerd. Plaatselijke adviescommissies Rechtsherstel en Beheer adviseerden eerst het MG en later het NBI wie er het beste als bewindvoerders konden worden aangesteld. Voor afwezige Joden werd meestal een familielid tot bewindvoerder
NOTARIS JAN SNIPPE
benoemt, maar dit konden ook andere personen zijn. Ook notarissen traden soms op als bewindvoerder. Met betrekking tot rechtsherstel bevonden de bewindvoerders zich in een centrale positie. Zij hadden in principe alle bevoegdheden die de oorspronkelijke eigenaar ook zou hebben gehad en konden besluiten al of niet over te gaan tot verkoop. Wel waren zij altijd verantwoording verschuldigd aan het NBI en hadden ze toestemming van het NBI nodig voordat ze tot verkoop over konden gaan. De NBI-dossiers bevatten dan ook voornamelijk correspondentie tussen bewindvoerders en het NBI. Daarnaast bestaan de dossiers uit correspondentie met andere betrokkenen, zoals erfgenamen, notarissen en personen en instanties die vermogen van de onder bewind staande in bezit hebben. De samenwerking tussen al deze partijen verliep lang niet altijd even gemakkelijk.
De in Hoogeveen geboren Jan Snippe (1906-1963) werd in 1938 benoemd tot notaris in Meppel.118 Tijdens de bezetting was hij betrokken bij de verkoop van enkele percelen van Joodse eigenaren. Desondanks werd Snippe na de oorlog door het Militair Gezag en met goedkeuring van een vertrouwensraad van voormalige verzetsleden benoemd tot voorzitter van de lokale beheerscommissie te Meppel.119 Deze commissie hield zich onder meer bezig met het aanstellen van beheerders en bewindvoerders over de vermogens van landverraders en afwezigen. Snippe trad daarnaast zelf op als bewindvoerder, onder andere voor een aantal Joodse personen. Verder handelde hij aanvragen voor rechtsherstel af en stelde hij akten van rechtsherstel op. Niet iedereen was tevreden over zijn werk. Zo beschuldigde een neef van Mozes Levie (1899-1943), voor wie Snippe bewindvoerder was, de notaris van verduistering. Omdat er meer klachten over Snippe waren en hij niet altijd rekening en verantwoording aflegde, besloot het NBI eind jaren veertig hem als bewindvoerder te ontslaan. Snippe bleef tot in 1955 in Meppel het ambt van notaris uitoefenen, maar op 1 augustus van dat jaar werd hij afgezet. Het Algemeen Dagblad berichtte hierover het volgende: ‘‘‘De afzetting staat in verband met verwaarlozing van notariszaken, die blijkbaar herhaaldelijk aanleiding hebben gegeven tot klachten.
Reeds eerder schijnt de heer Snippe geschorst te zijn. Bijzonderheden hierover worden geheim gehouden.’’ 120
37
38
Bewindvoerders hadden de plicht vermogensoverzichten op te stellen voor het NBI. Deze – vaak uitgebreide – vermogensoverzichten met daarop de eigendommen en schulden werden gebruikt bij het rechtsherstel. Rechtsherstel was namelijk een verrekening, geen vergoeding. Het was de bedoeling om zoveel mogelijk de vooroorlogse situatie te herstellen. De oorlogskoper moest het vermogen dat hij ten onrechte had verworven retourneren, maar niet meer dan dat. Degene die recht had op rechtsherstel mocht in geen geval verrijkt worden.109 Deze verrekeningen waren complexe en tijdrovende processen. De rechtmatige eigenaar (of diens bewindvoerder) moest daarbij het initiatief nemen om rechtsherstel aan te vragen en was verantwoordelijk voor het aanleveren van de bewijslast. Aangezien veel administratie tijdens de oorlog verloren was gegaan, zeker in het geval van gedeporteerde Joden, was het allerminst eenvoudig om al het benodigde papierwerk op korte termijn in orde te krijgen. Daarbij kwam dat zolang er geen rechtsherstel had plaatsgevonden, de oorlogskoper formeel eigenaar bleef van hetgeen hij in de oorlog had gekocht. Dit werd besproken in een brief van 17 juli 1945 van de Joodse Coördinatie Commissie (JCC), een Joodse organisatie die zich inzette voor de opvang van Joodse oorlogsslachtoffers, die verstuurd werd aan Joodse commissies en besturen in Noord- en OostNederland.
In deze brief werd uitleg gegeven over hoe het rechtsherstel in zijn werk zou gaan. Over vastgoed werd het volgende gezegd: ‘‘Indien huizen door de ANBO zijn verkocht, [kan] de vroegere Joodsche eigenaar thans nog geen aanspraak maken op een uitkeering voor levensonderhoud uit de huren. Deze perceelen worden namelijk nog als eigendom van de koopers beschouwd [totdat] door een vonnis de Joodsche eigenaar in zijn rechten zal zijn hersteld. En dit kan nog wel geruimen tijd duren.’’ 110 Een andere factor die het rechtsherstel bemoeilijkte en vertraagde was de procedure rondom het vaststellen van de erfgenamen. Dit viel onder de verantwoordelijkheid van de notarissen. Het beleid was erop gericht om te komen tot een zo exact mogelijke datum van overlijden voor ieder individu. Voor Joden die waren gestorven in concentratiekampen was dat niet eenvoudig, want administratie hiervan ontbrak of was vernietigd. De overlijdensdata bij benadering konden echter grote gevolgen hebben voor de erfgenamen. Als bij een echtpaar dat in gemeenschap van goederen was getrouwd werd aangenomen dat de vrouw eerder was overleden dan de man, hadden de erfgenamen van de vrouw geen recht op
(een deel van) de erfenis van de man, terwijl de erfgenamen van de man wel recht hadden op (een deel van) de nalatenschap van de vrouw.111 Erfgenamen moesten successierechten aan de Nederlandse overheid betalen. Verdere verwanten betaalden meer dan degenen die nauwer verwant waren aan de overledene. Naar schatting heeft de overheid omgerekend 135 tot 180 miljoen euro aan successierechten van erfgenamen van Joodse oorlogsslachtoffers ontvangen. Iemand was erfgenaam tot en met de zesde graad. Indien er geen erfgenamen te vinden waren verviel het vermogen aan de overheid.112 Als een bewindvoerder was benoemd, een vermogensoverzicht gemaakt en de rechthebbende erfgenamen waren vastgesteld kon rechtsherstel in gang worden gezet. Het is nogmaals van belang op te merken dat het initiatief moest worden genomen door de rechthebbende. Net als bij de bewariërs konden oorlogskopers het tijdens de oorlog verkregen eigendom behouden als niemand het kwam opeisen.113 Ook was rechtsherstel gericht op het komen tot een zogenaamde minnelijke schikking. Het slachtoffer mocht niet verrijkt worden, maar evenmin mocht de oorlogskoper benadeeld worden. Dit principe speelde zeker bij vastgoed een grote rol. Volgens de rechtsherstelwetgeving moesten alle oorlogskopen nietig worden verklaard. De oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen werden hersteld in het eigendom van het perceel.
De oorlogskoper betaalde aan hen eventuele gederfde huren en andere exploitatiesaldi terug. Had de oorlogskoper verbouwingen laten uitvoeren, dan moest de oorspronkelijke eigenaar die kosten aan hem terugbetalen. Ook als een huis belast was met een hypotheek en de oorlogskoper die had afgelost, moest de oorspronkelijke eigenaar die hypotheeklast terugbetalen aan de oorlogskoper. Over al deze zaken moesten beide partijen met elkaar tot een overeenkomst zien te komen, de minnelijke schikking, met goedkeuring van de Raad voor het Rechtsherstel.114 Als de partijen er niet in slaagden tot overeenstemming te komen was er sprake van een geschil. Dit werd behandeld door de afdeling rechtspraak binnen de Raad voor het Rechtsherstel, die een bindend oordeel velde. Van de 73 tijdens de oorlog verkochte percelen van Joodse eigenaren in Meppel zijn uiteindelijk 69 via rechtsherstel aan de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgena(a)m(en) teruggegeven. Voor de overige 4 percelen is geen rechtsherstel aangevraagd en kwamen de partijen een alternatieve regeling overeen.
Afbeelding 13: vlak na de bevrijding van Meppel bewaken leden van de Binnenlandse Strijdkrachten een pand van de pro-Duitse N.V. Agrarische Pers aan de Eendarachtstraat 2. Tijdens de bezetting had de drukkerij het naastgelegen pakhuis (Eendrachtstraat 4) van de Joodse ondernemer Jacob van Esso in gebruik genomen.
GESCHIL VAN ESSO – N.V. NOORD NEDERLANDSE DRUKKERIJ
Jacob van Esso en zijn bedrijf, Van Esso’s Zakkenhandel, werden eerder in dit rapport reeds besproken. Hoewel er rechtsherstel had plaatsgevonden, was er nog een geschil tussen Van Esso en de oorlogskoper, de N.V. Agrarische Pers, over de huurvergoeding over de periode dat de drukkerij genot had gehad van Van Esso’s bedrijfspanden aan de Eendrachtstraat 4. Partij Van Esso (dat wil zeggen de erfgenamen van Jacob van Esso, want Jacob zelf overleed vóór de afhandeling van het geschil) was van mening dat de drukkerij ten onrechte geen huurvergoeding had betaald over de periode april 1945 tot november 1945. Hoewel het perceel formeel in april 1945 via rechtsherstel aan Jacob van Esso was overgedragen, had hij pas in november 1945 weer de beschikking over de gebouwen. Tot die periode was het perceel nog in gebruik bij de drukkerij.
BELASTINGEN
Vaste lasten, zoals grond-, riool- en straatbelasting, maakten tevens deel uit van de verrekening bij het rechtsherstelproces. Indien de oorlogskoper deze kosten betaald had, moest dit in principe vergoed worden door de rechtmatige eigenaar. Soms troffen de partijen onderling een andere regeling. In Meppel kwam bij het rechtsherstel van het Zuideinde 57 Paul Dagobert Stibbe met de oorlogskoper overeen dat de laatstgenoemde geen huuropbrengsten hoefde terug te betalen en Stibbe op zijn beurt de vaste lasten niet aan de oorlogskoper hoefde te vergoeden.116 De bepaling omtrent belastingen maakte deel uit van de landelijke herstelwetgeving. Lokale gemeenten hadden hier geen invloed op. Voor Meppel zijn er verder geen aanwijzingen te vinden dat de gemeente boetes of naheffingen, die buiten de herstelwetgeving vielen, heeft opgelegd aan Joodse huiseigenaren, hun erfgenamen of bewindvoerders. Hierbij is zowel gekeken naar verkochte als niet-verkochte percelen.
De N.V. Agrarische Pers, die inmiddels haar naam had gewijzigd in N.V. Noord Nederlandse Drukkerij, bracht hiertegen in verweer dat zij in de vermelde periode geen gebruik hadden kunnen maken van het perceel, omdat er op last van het NBI goederen van landverraders waren opgeslagen. De drukkerij had nog contact gezocht met het NBI om hiervoor een vergoeding te krijgen, maar daar was geen reactie op gekomen. De rechtszaak vond plaats op 12 oktober 1955. De rechter stelde partij Van Esso in het gelijk. Het was immers duidelijk bewezen dat de drukkerij in de periode april tot november 1945 nog eigenaar was van het perceel en bovendien geprobeerd had haar eigendomsrecht te doen gelden tegenover het NBI. Hoewel dat niets had opgeleverd, had de drukkerij in theorie nog genot gehad van het perceel en dus was het verplicht om ook over die periode de huur aan Van Esso te vergoeden.115
HYPOTHEEK EN ONDERHOUD
Met name de hypotheeklasten maakten het voor de rechtmatige eigenaren vaak onaantrekkelijk om het hun toebehorende vastgoed ook daadwerkelijk te behouden. Het kwam regelmatig voor dat een bewindvoerder ervoor koos het perceel onmiddellijk weer te verkopen, omdat er geen geld was om de hypotheek te kunnen betalen. Ook maakten hoge reparatie- en onderhoudskosten het soms financieel onmogelijk voor de rechtmatige eigenaar om een pand te behouden. Voor woningen die in slechte toestand verkeerden was het moeilijk om huurders te vinden. Bovendien hadden huiseigenaren op grond van de wederopbouwwet en de woningwet de verplichting ervoor te zorgen dat hun woning aan de juiste kwaliteitseisen voldeed. Gemeenten konden dit juridisch afdwingen en de kosten voor reparatie en onderhoud bij de eigenaar in rekening brengen.
39
40
SIMON COHEN
Simon Cohen (1889-1942) was koopman en bezat twee panden aan de Voorstraat (18 en 20) in Meppel. Beide werden tijdens de bezetting gekocht door een oorlogskoper. Na de bevrijding werd de Meppeler advocaat mr. Jan Willem Bast benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van Cohen. De panden aan de Voorstraat werden via rechtsherstel weer onder het vermogen van Cohen geschaard. De panden waren bezwaard geweest met een hypotheek, die door de oorlogskoper was afgelost. Deze kosten, inclusief rente, moesten uit het vermogen van Cohen vergoed worden aan de oorlogskoper. Omdat het vermogen ontoereikend was, zag bewindvoerder Bast zich genoodzaakt een nieuwe hypotheek af te sluiten om de vergoeding aan de oorlogskoper te kunnen dekken. Bast droeg vervolgens het beheer over aan de Stichting Bewindvoering Afwezigen Groningen, een organisatie die het beheer voerde over een groot aantal vermogens van afwezigen en landverraders. De panden Voorstraat 18 en 20 werden verhuurd via woningbureau Troost, maar de huizen verkeerden in slechte staat. De gemeente Meppel liet in februari 1951 in een brief aan Troost weten dat er binnen vijf weken reparaties moesten worden uitgevoerd. Werd hier niet aan voldaan, dan zou de gemeente de reparaties laten uitvoeren en de kosten bij Troost in rekening brengen.
Van de Stichting Bewindvoering Afwezigen Groningen kon Troost slechts vijfhonderd gulden uit het vermogen van Cohen krijgen. Dat was bij lange na niet voldoende om alle benodigde werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Daarom werd besloten alleen de meest noodzakelijke reparaties uit te voeren, waarbij Troost een deel van de kosten voorschoot. 117
INBOEDELS
Voor inboedels gold, in tegenstelling tot vastgoed, dat het onbegonnen werk was om alles dat door de bezetter geroofd was weer te retourneren aan de rechtmatige eigenaars. Veel huisraad was spoorloos verdwenen naar Duitsland of verder oostwaarts en meubels en dergelijke waren niet te identificeren op basis van beschrijvingen. Daarom besloot de Nederlandse regering geroofde inboedels te scharen onder een regeling voor vergoeding van oorlogsschade. De afhandeling van de vergoeding viel onder de verantwoordelijkheid van de Schade Enquête Commissie (SEC). Net als bij rechtsherstel moesten gedupeerden zelf het initiatief nemen een aangifte in te dienen en bewijslast aan te leveren. Hiervoor werden vaak documenten gebruikt uit het archief van de ERR, de Duitse instantie die verantwoordelijk was voor de inboedelroof. In dit archief bevinden zich per gemeente gedetailleerde lijsten van de inventarissen van woningen die werden leeggehaald. Hoewel dit in Meppel net zo goed gebeurde, zijn er van deze gemeente geen lijsten bewaard gebleven in het ERR-archief.
Ook het aantal aanvragen voor schadevergoedingen die bij de SEC zijn ingediend voor geroofde inboedels is onbekend, omdat het betreffende archief in 1956 met toestemming van de algemeen rijksarchivaris is vernietigd.121 Rinsema acht het aannemelijk dat veel bewindvoerders wel een aanvraag hebben ingediend uit naam van de ‘afwezigen’ die onder hun bewind stonden. In de meeste gevallen werd er echter geen vergoeding uitgekeerd, omdat een vereiste was dat er directe erfgenamen (eerste graad) in leven waren. Voor veel Meppeler Joden was dit niet het geval.122
41
Afbeelding 15: het Prinsenplein met geheel rechts op nummer 19 de winkel van Benjamin Zaligman.
EEN VOORBEELD VAN ADMINISTRATIEF RECHTSHERSTEL: PRINSENPLEIN 19
Aan het Prinsenplein 19 woonden Benjamin Zaligman (1873-1942), zijn vrouw Mosina Cohen (1886-1942) en zijn zoon Jacob Zaligman (1917-1943). Jacob was een zoon van Benjamins eerste vrouw, Mietje Levie, die in 1921 was overleden. Vader en zoon Zaligman bedreven er een handel in manufacturen en hadden een goede naam in Meppel en omgeving. Net als bij de meeste Joodse ondernemingen werd de zaak van Zaligman tijdens de bezetting geliquideerd. Benjamin en Mosina werden afgevoerd naar Auschwitz en daar vlak na aankomst vermoord. Jacob onderging een jaar later hetzelfde lot in Sosnowitz, een buitenkamp van Auschwitz. Het pand Prinsenplein 19 was op grond van VO 154/1941 onder beheer gekomen van de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Daarbij inbegrepen was een hypothecaire schuld van bijna vijfduizend gulden. Dit bedrag was Benjamin Zaligman schuldig aan zijn zoon Jacob vanwege overbedeling. Na het overlijden van zijn moeder, Mietje Levie, had Jacob namelijk deze hypothecaire vordering op zijn vader gekregen in plaats van een gedeeltelijk eigendomsrecht op de woning. In 1943 kocht koopman Daniël Lunenburg het Prinsenplein 19 voor een bedrag van 2.000 gulden. Daarvan ontving de NGV 1.800 gulden voor gedeeltelijke aflossing van de hypotheek en 183,20 gulden voor de rest van de koopsom.123 De verkoopakte
werd opgemaakt door de Meppeler notaris Jan Snippe. Lunenburg ging zelf in het pand wonen en liet er allerlei verbouwingen uitvoeren. Daardoor steeg de woning in waarde. Ook betaalde hij gedurende de periode dat hij er woonde alle vaste lasten, zoals grond-, riool- en straatbelasting en verzekeringspremies voor brand- en molestschade. Na de bevrijding werd de Meppeler deurwaarder Willem Otter door de lokale adviescommissie van het Nederlands Beheersinsituut tot bewindvoerder van Benjamin en Jacob Zaligman benoemd. Voor de aanvraag van rechtsherstel voor het Prinsenplein 19 verzocht Otter de advocaat Jacques van de Rhoer om juridische bijstand. De afwikkeling van het rechtsherstel werd overgelaten aan notaris Jan Snippe, dezelfde persoon die in 1943 de verkoop aan Lunenburg had afgehandeld. Wat betreft het rechtsherstel ging Snippe niet bepaald voortvarend te werk en in 1949 was er door hem nog steeds geen aanvraag ingediend. Bewindvoerder Otter was hier ontevreden over en drong er in een brief aan het Nederlands Beheersinstituut op aan bij de notaris ‘te bevorderen, dat tot het vragen van rechtsherstel wordt overgegaan.’ 124
42
Uiteindelijk werd de definitieve rechtsherstelakte ondertekend op 10 maart 1950.125 De akte werd opgesteld door kandidaat-notaris Roelf Arend Nijenhuis uit Stadskanaal, die optrad als plaatsvervanger voor notaris Snippe. Aanwezig bij de ondertekening waren Willem Otter, oorlogskoper Daniël Lunenburg (die tot die tijd nog altijd aan het Prinsenplein 19 woonde), een vertegenwoordiger van het Nederlands Beheersinstituut en enkele getuigen. Op dit moment stonden Benjamin en Jacob Zaligman nog steeds geregistreerd als vermisten en dus was Willem Otter nog steeds als bewindvoerder verantwoordelijk voor hun vermogen. Ook konden erfgenamen hun rechten niet opeisen totdat het overlijden van Zaligman was bevestigd in de burgerlijke stand. In de rechtsherstelakte werd de koopovereenkomst van 1943 werd nietig verklaard, evenals de gedeeltelijke hypotheekaflossing. Daarna werden de kosten en baten verrekend. De betrokken partijen waren hierover middels een minnelijke schikking tot een overeenkomst gekomen. De afspraken die werden gemaakt waren geheel in lijn met de destijds geldende mentaliteit om de vooroorlogse situatie zoveel mogelijk te herstellen. De waardevermeerdering van het perceel als gevolg van de door Lunenburg uitgevoerde verbouwingen en de vaste lasten die hij gedurende 1943 tot en met 1949 betaald had vormden samen een bedrag van
108. Lipschits, De kleine sjoa, 134-138. 109. Vos en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 28. 110. N L-AsnDA, 0436, Nederlands Israëlitische Gemeente te Assen 1870-1980, inv. nr. 2, brief JCC, 17 juli 1945. 111. L ipschits, De kleine sjoa, 142. 112. E sther Balkestein, ‘’Onbeheerde nalatenschappen en het verervingsvraagstuk,’’ www. oorlogsgetroffenen.nl (geraadpleegd 8-22022); Gerard Aalders, ‘’Overheid verdiende aan ellende Holocaust,’’ NRC Handelsblad 25 januari 2000. 113. V os en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 29-30. 114. I dem, 28-30. 115. N L-HaNA, 2.09.48, inv nr. 809, geschillendossier E3433, verslag rechtszaak Van Esso – N.V. Noord Nederlandse Drukkerij, 12 oktober 1955. 116. N L-HaNA, 2.09.48, inv. nr. 788, geschillendossier E295, A.J. Stibbe, Zuideinde 57. 117. N L-HaNA, 2.09.16, dossierarchief van het Nederlandse Beheersinstituut (NBI), en van de in beslag genomen administraties, 1945-1967, inv. nr. 54122, NBI-dossier S. Cohen.
2.315,53 gulden. Omdat de koop nietig was verklaard en bepaald werd dat het Prinsenplein 19 eigendom van Zaligman was gebleven, had Lunenburg dit bedrag in feite betaald voor een woning die niet van hem maar van Zaligman was. Daarom moesten volgens de rechtsherstelwetgeving deze kosten uit het vermogen van Zaligman vergoed worden aan Lunenburg. Daar tegenover stond de fictieve huurvergoeding die Lunenburg voor de periode dat hij in het pand had gewoond aan Benjamin Zaligman betaald zou moeten hebben. Dit kwam neer op een bedrag van 1.462,50 gulden, dat Lunenburg aan Zaligman moest vergoeden. Omdat de kosten die Lunenburg had gemaakt hoger waren dan de huurvergoeding, moest bewindvoerder Willem Otter 853,03 gulden, het verschil tussen de twee bedragen, uit het vermogen van Zaligman aan Lunenburg betalen. Dat het slachtoffer moest bijbetalen aan de oorlogskoper is een extreem voorbeeld van administratief rechtsherstel, waarbij het puur ging om een zo correct mogelijke verrekening. Hier bleef het niet bij, want Lunenburg kreeg ook nog een vordering op de NGV voor 1.983,20 gulden, het bedrag dat de NGV in 1943 van hem had ontvangen voor de koop en gedeeltelijke hypotheekaflossing. Zo kreeg hij dus bijna de gehele aankoopsom vergoed. Lunenburg moest nog wel de proceskosten van 194 gulden betalen.
118. Provinciale Drentsche en Asser Courant 2-6-1938. 119. NL-AsnDA, 0147, Districts Militaire Commissaris van Meppel 1945, inv. nr. 23, lijsten van correspondentie inzake beheerders of bewindvoerders, brief beheerscommissie 29 mei 1945. 120. Algemeen Dagblad 17-2-1956. 121. te Slaa, Daar dit een immorele aanslag is, 42. 122. Rinsema, Joden in Meppel, 399. 123. Kadaster: transportakten register hypotheken 4, reeks Assen, deel 1805 nr. 103. De overige 16,80 gulden waren waarschijnlijk administratieve kosten die niet in de kas van de NGV terecht kwamen. 124. NL-HaNA, 2.09.16, inv. nr. 197098, NBI-dossier B.J. Zaligman, brief W. Otter 27 oktober 1949. 125. Zie bijlage 2 voor een transcriptie van deze akte.
43
44
Afbeelding 16: Winkel van Jozef Levie Eerste Hoofdstraat (1920-1940).
CONCLUSIE Het doel van dit rapport was te onderzoeken wat er tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gebeurd is met eigendom van Joodse inwoners van de gemeente Meppel en welke rol de gemeente hierbij speelde. Er kan geconcludeerd worden dat de gemeente Meppel tijdens de bezetting de gedwongen verkoop van vastgoed en de roof van inboedels door de Duitse bezetter heeft gefaciliteerd, bijvoorbeeld door lijsten aan te leveren en toe te zien op de uitvoering van verordeningen. Er zijn geen aanwijzingen te vinden dat de gemeente heeft getracht dit en andere anti-Joodse maatregelen te verhinderen. Bij de gedwongen verkoop van Joods vastgoed is de gemeente Meppel niet betrokken geweest als koper. Hoewel de gemeente tijdens de bezetting enkele percelen van Joodse eigenaren kocht, gebeurde dit nog in overeenstemming met de oorspronkelijke eigenaren. Voor de periode na de oorlog moet strikt genomen geconcludeerd worden dat de gemeente geen rol heeft gespeeld bij het rechtsherstel van Joods eigendom op zich. Rechtsherstel van vastgoed en schadevergoedingen voor inboedels waren kwesties die moesten worden afgehandeld door de oorspronkelijke eigenaars of hun erfgenamen, de bewindvoerders, de oorlogskopers, de Schade Enquête Commissie en het Nederlands Beheersinstituut binnen de Raad voor het Rechtsherstel.
De beleidsmatige keuzes van deze landelijke overheidsorganen en de manier waarop de procedures rondom rechtsherstel en schadevergoedingen waren ingericht kunnen lokale gemeenten niet aangerekend worden. Dat de procedures, die gegrond waren op het gelijkheidsbeginsel van de herstelwetgeving, op geen enkele manier rekening hielden met de bijzondere positie van Joodse oorlogsslachtoffers, staat buiten kijf. Ook het trage verloop van het rechtsherstelproces, de puur formalistische opstelling van het NBI en de SEC en de verplichting voor het slachtoffer om het initiatief te nemen getuigen van weinig begrip voor de situatie waarin Joden zich na de oorlog bevonden. Hoewel het administratief rechtsherstel uiteindelijk wel heeft plaatsgevonden, schortte het aan moreel rechtsherstel. In Meppel heeft voor alle percelen van Joodse eigenaren die tijdens de oorlog verkocht werden rechtsherstel – en in een paar gevallen een andere regeling – plaatsgevonden, maar uit de persoonlijke dossiers uit het NBI-archief is gebleken dat de procedure voor de betrokkenen niet altijd even soepel verliep, wat overeenkomst met het landelijke beeld.
Voor inboedels is weinig informatie te vinden, omdat de relevante archieven ontbreken, maar het staat vast dat schadeclaims van Joodse Meppelers weinig opleverden vanwege de regel dat er directe erfgenamen in leven moesten zijn. Een ander aspect dat onderzocht is betrof de vraag of de gemeente Meppel naheffingen heeft opgelegd aan Joodse huiseigenaren. Op deze vraag kan ontkennend worden geantwoord, omdat relevante informatie over belastingheffing ontbreekt. Belastingen werden wel verrekend met rechtsherstel, maar hier hadden lokale gemeenten geen invloed op. Gekeken naar de bredere context van de gemeente Meppel en de Joodse gemeenschap tijdens en in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog kan er meer gezegd worden over de rol van de gemeente. De Joodse gemeenschap van Meppel werd gedurende de bezetting op een haar na uitgeroeid. Slechts enkele tientallen overleefden de oorlog. Na de bevrijding bevonden Joden in Nederland zich in een maatschappelijk kwetsbare positie. Zij kregen weinig begrip vanuit de samenleving en weinig aandacht vanuit de overheid. In Meppel was dit niet anders. De gemeente overtrad geen regels en zette zich in voor de wederopbouw van Meppel, maar tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen te vinden van steun voor de Joodse inwoners in het bijzonder.
45
LIJST VAN GERAADPLEEGD MATERIAAL + VERANTWOORDING ILLUSTRATIES ARCHIEFBRONNEN 46
Archief Gemeente Meppel 1928-1990 (AGM) De vermelde nummers zijn de toegangsnummers. – Notulen gemeenteraad 1940-1950 – 1.75, Openbare orde – 1.714.31, Personele belasting –1.755, (Politie)maatregelen t.o.v. Nederlanders en ingezetenen / NSB’ers en andere landverraders – 1.755.22, Ambtenaren van de burgerlijke stand – 1.755.27, Burgerlijke stand – 1.776.11, Begraafplaatsen; kerkhoven – 1.778.545, Verdeling van woonruimte – 1.836.1, Aanvullende werkgelegenheid – 1.842.913, Getroffenen door oorlog – 1.851 02, Organisatie onderwijs en school – 1.851 05, Ordemaatregelen, beloningen en straffen – 1.865.28, Vorderingen – 2.07, Openbaar bestuur: administratie – 2.07.25, Vervanging van het ene gezag door het andere – 2.07.53, Functionarissen – 2.07.351.11, Aankoop – 2.07.85, Financiële, materiële en morele steun – 2.08, Personeelsdossiers burgemeesters, secretarissen etc.
– 2.08.2, Begin, vervulling en beëindiging dienstbetrekking – 2.08.28, Einde dienstbetrekking Archief Gemeentepolitie Meppel 1901-1990 (AGP) – 2.07.77, Dag- en nachtrapporten Drents Archief, Assen (NL-AsnDA) – 0048 Kabinet van de Gouverneur in Drenthe – 0144 Militaire Commissaris van Drenthe – 0147 Districts Militaire Commissaris van Meppel Nationaal Archief, Den Haag (NL-HaNA) – 2.04.87 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Directie Binnenlands bestuur: Bestuurszaken en Kabinetszaken − 2.09.16 Nederlands Beheersinstituut (NBI): Beheersdossiers – 2.09.48 Raad voor het Rechtsherstel, Dagelijks bestuur en secretariaat, Afdeling Beheer,
Voorzieningen voor afwezigen en Voorzieningen voor rechtspersonen en Afdeling Onroerende Goederen, 1945-1967: Geschillendossiers
KADASTER – Transportakten register hypotheken 4, reeks Assen
LITERATUUR Aalders, Gerard. Berooid: de beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945. Amsterdam: Boom, 2001. Aalders, Gerard. Roof: de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Den Haag: Sdu Uitgevers, 1999. Bakker, Wim. Bezettingsmisère en bevrijdingsvreugde: Meppel en omgeving tijdens de bezettingsjaren en het bevrijdingstijdperk. Meppel: Boom Pers, 1995. Bakker, Wim. ‘’Het nieuwe joodse monument.’’ Kwartaalblad Oud Meppel 19, no. 1 (1997), 63-70. Beukel, H.W. van den, J. Ridderbos en K.W. van Hasselt. De Drentse Sjoa: Joodse oorlogsslachtoffers in de provincie Drenthe. Assen: Van der Velde, 2016. Derksen, S.C. Opkomst en ondergang van een toonaangevende joodse gemeente. 250 jaar joods leven in Meppel. Meppel: Ten Brink, 1988. Gans, Evelien. ‘’Vandaag hebben ze niets – maar morgen bezitten ze weer tien gulden. Antisemitische stereotyperingen in bevrijd Nederland.’’ In Polderschouw. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Regionale Verschillen. Conny Kristel ed. Amsterdam: Bert Bakker, 2002, 313-353. Gans, Evelien. ‘’They have forgotten to gas you’’: post-1945 antisemitism in the Netherlands.’’ In Dutch Racism, ed. Philomena Essed en Isabel Hoving (Leiden: Brill, 2014), 71-100. Gerding, M.A.W. ed. Geschiedenis van Meppel. Meppel: Boom, 1991.
Heide, Roelof ter. ‘’Sanering binnenstad Meppel deel 5.’’ Kwartaalblad Oud Meppel 10, no 4 (1988), 7-49.
Rinsema, Thijs. Joden in Meppel, 1940-1945. Zutphen: Walburg Pers, 2004.
Hondius, Dienke. ‘’Antisemitisme in Nederland, vlak na de bevrijding: een onderzoek naar negatieve reacties van nietJoden op terugkerende Joden in de zomer van 1945.’’ ICODO-info 6, no. 3 (oktober 1989), 30-38.
Rinsema, Thijs. ‘’Friedrich Wilhelm Schulte: spion of handlanger?’’ Kwartaalblad Oud Meppel 27, no. 1 (2005), 16-29.
Kingma, Symen. ‘’Hendrik Breedveld: slachtoffer van een juridische dwaling?’’ Kwartaalblad Oud Meppel 32, no. 1 (2010), 10-21. Lingen, W. van. ‘’Onze Joden in het eerst kwart van deze eeuw.’’ Kwartaalblad Oud Meppel 5, no. 1 (1983), 38-44. Lipschits, Isaac. De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland. Amsterdam: Mets & Schilt, 2001. Meij, Adriaan. ‘’Meppelers en hun joodse stadsgenoten.’’ Kwartaalblad Oud Meppel 19, no. 2 (1997), 13-15. Meijer, Kornelius. E 100 en de naoorlogse rechtspraak met betrekking tot onroerend goed. Nijmegen: Wolf Legal Publishers, 2008. Oprel, Marieke. ‘’Categorisation. Classification. Confiscation. Dealing with enemy citizens in the Netherlands in the aftermath of World War II (1944-1967).’’ European Review of History: Revue européenne d’histoire 28, no. 2 (april 2021), 260-277.
Romijn, Peter. Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen tijdens de Duitse bezetting. Amsterdam: Balans, 2006. Schoonoord, D.C.L. ‘’Het ‘Circus Kruls’ Militair Gezag in Nederland, 1944-1946.’’ Militaire Spectator 179, no. 5 (2010), 265-276. Schütz, Raymund. ‘’Het moeizame rechtsherstel inzake ‘Joods’ onroerend goed.’’ Onderzoek uitgelicht 6, no. 1 (juli 2017), 30-34. Slaa, Robin te. Daar dit een immorele aanslag is. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed, 1940-1955. Rijswijk: De Nieuwe Haagsche, 2017. Veraart, Wouter. Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw. Deventer: Kluwer, 2005. Veraart, Wouter. ‘’Two rounds of postwar restitution and dignity restoration in the Netherlands and France,’’ Law & Social Inquiry 41 no. 4 (2016), 956-972.