1. Rapport Joods vastgoed in de gemeente Meppel
Tekst van het document
JOODS VASTGOED IN DE GEMEENTE MEPPEL Gedwongen verkoop en rechtsherstel tijdens en na de Tweede Wereldoorlog
Colofon: Dit rapport is in 2022 gemaakt in opdracht van:
door het
Samenstellers: Martijn Dijkstra Herman de Koning Ferry Sieders Opmaak: Buro1988
Foto voorzijde: Afbeelding 1: bladzijde uit de Verkaufsbücher met onder laufnummer 4829 a1 en a2 de adressen Eerste Hoofdstraat 13 en Zuideinde 67 te Meppel, die tijdens de bezetting gedwongen werden verkocht. Deze panden waren eigendom van Sariena van Esso-Kan (1862-Sobibor 1943).
INHOUDSOPGAVE
3
Managementsamenvatting
4
Inleiding
6
De Joodse gemeenschap in Meppel
10
De bezetting en anti-Joodse maatregelen
14
De roof van Joods bezit
20
De roof van inboedels
24
Terugkeer in de samenleving en de houding van de overheid
26
De gemeente Meppel na de oorlog
31
Rechtsherstel
37
Een voorbeeld van administratief rechtsherstel: Prinsenplein 19
41
Conclusie
44
Lijst van geraadpleegd materiaal + verantwoording illustraties
46
Bijlage 1: Lijst met verkochte percelen van Joodse
52
vastgoedeigenaren in Meppel Bijlage 2: Transcriptie van de rechtsherstelakte van Prinsenplein 19
54
MANAGEMENTSAMENVATTING 4
Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) zijn de Nederlandse Joden hun rechten ontnomen. Een gevolg van deze ontrechting was de systematische roof en gedwongen verkoop van Joods eigendom. Na de bevrijding in 1945 heeft de Nederlandse overheid geprobeerd door middel van rechtsherstel de rechtmatige eigenaren zoveel mogelijk hun eigendom terug te geven. Dit rechtsherstel kampte echter met gebreken, waardoor Joodse oorlogsslachtoffers tekort zijn gedaan. Naar aanleiding van diverse onderzoeken naar dit onderwerp in den lande, de 75-jarige herdenking van de bevrijding en gesprekken met de raad is in 2020 de behoefte ontstaan voor een onderzoek naar hoe de gemeente Meppel is omgegaan met Joodse eigendommen ten tijde en na de Tweede Wereldoorlog. Met de uitkomsten van het onderzoek verwacht de gemeente Meppel inzicht te krijgen in de wijze waarop in de eigen gemeente is gehandeld ten aanzien van Joodse eigendommen tijdens en na de bezetting. Het is van belang de uitkomsten van het onderzoek in historische context te plaatsen om het de juiste duiding te geven. Begin 2021 is besloten het onderzoek te laten uitvoeren door het RHC Drents Archief te Assen.
HOOFDLIJN ONDERZOEKSOPDRACHT/ OPDRACHTFORMULERING
De hoofdlijn van het onderzoek richt zich op de rol van de gemeente Meppel tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ten aanzien van Joodse bezittingen. In samenspraak met de onderzoekers van het Drents Archief zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 1. W elke betrokkenheid heeft de gemeente Meppel gehad bij de gedwongen verkoop van vastgoed en roof van inboedels van Joodse inwoners door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog? 2. H eeft er na de bevrijding in Meppel rechtsherstel plaatsgevonden voor vastgoed en inboedels van Joodse inwoners, welke betrokkenheid had de gemeente Meppel hierbij en hoe is er met deze eigendommen omgegaan? (zijn er bijvoorbeeld boetes of naheffingen opgelegd aan Joodse inwoners wegens niet betaalde belastingen?)
RESULTATEN EN CONCLUSIES
Onderzoeksvraag 1: betrokkenheid van de gemeente Meppel tijdens de Tweede Wereldoorlog Tijdens de bezetting zijn in Meppel de eigendommen van Joden door de bezetter geroofd en gedwongen verkocht. Kadastraal onderzoek heeft uitgewezen dat er in de gemeente Meppel in totaal 154 percelen in het bezit van Joodse eigenaars waren, inclusief landbouwgronden. Hiervan zijn 73 percelen tijdens de bezetting verkocht. De overige 81 Joodse percelen werden niet verkocht. De gemeente Meppel kocht in deze periode twee percelen van Joodse eigenaren. Deze kunnen echter niet onder gedwongen verkoop worden geschaard, omdat de gemeente nog zonder bemoeienis van de bezetter met de oorspronkelijke eigenaren tot overeenstemming kwam. De gemeente is niet als koper betrokken geweest bij de gedwongen verkoop van Joods vastgoed. De inboedels van Joodse huizenbezitters werden in Nederland normaal gesproken geregistreerd door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR), de Duitse instantie belast met de roof van huisraad. Van de gemeente Meppel zijn echter geen lijsten bewaard gebleven, behalve van woningen die door de Duitse Weermacht werden gevorderd. Het staat wel vast dat de inboedels geroofd zijn en dat de gemeentepolitie van Meppel hielp met het inventariseren en de (tijdelijke) opslag van huisraad.
Conclusie 1 Geconcludeerd kan worden dat de gemeente Meppel de roof en gedwongen verkoop van Joods eigendom heeft gefaciliteerd. In de eerste plaats door informatie aan te leveren wanneer de bezetter daar om verzocht en in de tweede plaats door toe te zien op de uitvoering van verordeningen van de bezetter. Er zijn geen aanwijzingen te vinden dat de gemeente heeft getracht de doorgang van antiJoodse bezitsverordeningen en anti-Joodse maatregelen in het algemeen te verhinderen.
Onderzoeksvraag 2: rechtsherstel en betrokkenheid van de gemeente Meppel na de bevrijding Op 9 augustus 1945 werd in Nederland de Raad voor het Rechtsherstel opgericht, een organisatie met buitengewone bevoegdheden om de rechtsverhoudingen te herstellen en de roof en gedwongen verkoop van eigendommen ongedaan te maken. Binnen de Raad voor het Rechtsherstel was het Nederlands Beheersinstituut (NBI) verantwoordelijk voor het opsporen, beheren en eventueel liquideren van vijandelijke vermogens en vermogens van landverraders en tijdens de oorlog verdwenen personen, voornamelijk gedeporteerde en ondergedoken Joden. Daarnaast werd de Schade Enquête Commissie (SEC) belast met het afhandelen van schadevergoedingen voor geroofde inboedels. Deze nationale instanties voerden hun taken uit op basis van de herstelwetgeving. Lokale gemeenten hadden hier geen invloed op. Rechtsherstel en schadevergoedingen werden per individuele casus afgehandeld. Het waren complexe, tijdrovende processen waarbij het de bedoeling was dat de vooroorlogse situatie zo precies mogelijk werd hersteld. Het was vooral een verrekening. Enige vorm van extra compensatie of verrijking was uitgesloten. Slachtoffers of hun bewindvoerders moesten zelf het initiatief nemen en een aanvraag indienen. Vervolgens moesten de betrokken partijen onderling tot een overeenkomst zien te komen.
Rechtsherstel was een bureaucratische, formalistische aangelegenheid. Er werd op geen enkele wijze rekening gehouden met de bijzondere positie van Joden en hun oorlogservaringen, die uiteraard sterk afweken van de ervaringen van niet-Joden. Van de 73 tijdens de oorlog verkochte percelen van Joodse eigenaren in Meppel zijn er uiteindelijk 69 via rechtsherstel aan de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgena(a) m(en) teruggegeven. Voor de overige 4 percelen is geen rechtsherstel aangevraagd en kwamen de partijen een alternatieve regeling overeen. Voor geroofde inboedels van Joodse inwoners van Meppel zijn wel schadevergoedingen aangevraagd, maar deze werden meestal niet uitgekeerd, omdat er geen directe erfgenamen meer in leven waren. Vaste lasten, zoals grond-, riool- en straatbelasting, maakten tevens deel uit van de verrekening bij het rechtsherstelproces. Indien de oorlogskoper deze kosten betaald had, moest dit in principe vergoed worden door de rechtmatige eigenaar. Deze bepaling maakte deel uit van
de landelijke herstelwetgeving. Voor Meppel zijn er verder geen aanwijzingen te vinden dat de gemeente boetes of naheffingen, die buiten de herstelwetgeving vielen, heeft opgelegd aan Joodse huiseigenaren, hun erfgenamen of bewindvoerders. Hierbij is zowel gekeken naar verkochte als niet-verkochte percelen.
Conclusie 2 Strikt genomen kan geconcludeerd worden dat de gemeente Meppel geen rol heeft gespeeld bij het rechtsherstel van eigendommen van Joodse inwoners. De context is daarbij wel van belang. De Joodse gemeenschap van Meppel werd gedurende de bezetting op een haar na uitgeroeid. Slechts enkele tientallen overleefden de oorlog. Na de bevrijding bevonden Joden in Nederland zich in een maatschappelijk kwetsbare positie. Zij kregen weinig begrip vanuit de samenleving en weinig aandacht vanuit de overheid. In Meppel was dit niet anders. De gemeente overtrad geen regels en zette zich in voor de wederopbouw van Meppel, maar tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen te vinden van steun voor de Joodse inwoners in het bijzonder.
5
INLEIDING 6
Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) zijn de Nederlandse Joden hun rechten ontnomen. Een gevolg van deze ontrechting was de systematische roof en gedwongen verkoop van Joods eigendom. Na de bevrijding in 1945 heeft de Nederlandse overheid geprobeerd door middel van rechtsherstel de rechtmatige eigenaren zoveel mogelijk hun eigendom terug te geven. Dit rechtsherstel kampte echter met gebreken, waardoor Joodse oorlogsslachtoffers tekort zijn gedaan. Tussen 1997 en 2000 richtte de Nederlandse regering daarom drie onderzoekscommissies op (Van Kemenade, Scholten en Kordes) die opdracht kregen onderzoek te doen naar het verloop van en de vermeende misstanden bij het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken besloten de regering en de private sector (onder andere banken, verzekeringsmaatschappijen en de Amsterdamse effectenbeurs) een financiële compensatie aan de Joodse gemeenschap in Nederland te schenken, de zogenoemde MAROR-gelden.
MAROR staat voor Morele Aansprakelijkheid Roof en Rechtsherstel.1 In 2013 kreeg het onderzoek naar rechtsherstel een nieuwe impuls toen bleek dat in de gemeente Amsterdam na de bevrijding naheffingen en boetes waren opgelegd aan Joodse huizenbezitters, die tijdens de bezetting niet in staat waren geweest belastingen en erfpachtcanon te betalen.2 Naar aanleiding van dit onderzoek besloot de gemeente Amsterdam een financiële tegemoetkoming te schenken aan de Joodse gemeenschap. In navolging van Amsterdam heeft een aantal andere gemeenten in Nederland ook onderzoek laten doen naar hun eigen optreden ten aanzien van Joodse huizenbezitters na de Tweede Wereldoorlog. Gelijk opgaand met deze ontwikkeling ontstond in de afgelopen jaren hernieuwde aandacht voor rechtsherstel van vastgoed (ofwel onroerend goed), een aspect dat bij eerdere onderzoeken vrij onderbelicht was gebleven.3 Tijdens de bezetting werd een groot deel van het geroofde Joods vastgoed doorverkocht. Dit was niet alleen voor de bezetter een lucratieve handel, maar ook voor makelaars en notarissen, die verdienden aan elke verkoop. Onderzoek heeft uitgewezen dat het rechtsherstel van vastgoed voor de gedupeerden lang niet altijd bevredigend was.
Het onderzoeksplatform Pointer wijdde in mei 2020 een uitzending aan dit onderwerp op basis van uitgebreid onderzoek in de Verkaufsbücher.4 In deze Verkaufsbücher werd door de bezetter de administratie van alle verkochte Joodse percelen in Nederland bijgehouden. In totaal staan er ruim zevenduizend transacties in vermeld. Het Nationaal Archief heeft deze bron gedigitaliseerd en in samenwerking met het kadaster de gegevens gekoppeld aan de data uit de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG). Hierdoor is per
gemeente in kaart gebracht waar deze panden stonden.5 De meeste gemeenten in Nederland bleken zelf niet op de hoogte te zijn van hun eigen rol in de geschiedenis met betrekking tot Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Daarom hebben inmiddels al veel gemeenten besloten een onderzoek te laten uitvoeren of dit reeds afgerond. Naar aanleiding van gesprekken in de gemeente tijdens de 75-jarige herdenking van de Tweede Wereldoorlog, gesprekken in de raad en deze onderzoeken heeft de gemeente Meppel tevens besloten een onderzoek in te stellen. De gemeente heeft het Drents Archief hiertoe opdracht gegeven. Het is noodzakelijk op te merken dat rechtsherstel onder de verantwoordelijkheid viel van de Rijksoverheid in de vorm van de Raad voor het Rechtsherstel. Binnen deze raad was het Nederlands Beheersinstituut (NBI) verantwoordelijk voor de afwikkeling van rechtsherstel van vastgoed. Lokale gemeenten waren hier op beleidsmatig vlak niet bij betrokken. Desondanks zijn er genoeg andere aspecten die het verdienen onderzocht te worden. Gegevens uit de Verkaufsbücher en het kadaster tonen aan dat in de gemeente Meppel 73 Joodse percelen tijdens de bezetting zijn verkocht.
Dit roept vragen op: wat was de betrokkenheid van de gemeente Meppel hierbij? Heeft er na de oorlog daadwerkelijk rechtsherstel plaatsgevonden? Zijn er na de oorlog wel belastingen geheven, terwijl Joodse huiseigenaren geen toegang hadden tot hun woningen? Wat is er gebeurd met de inboedels van hun woningen?
DOEL EN INHOUD VAN HET RAPPORT
Het hoofddoel van dit rapport is een antwoord formuleren op de bovengenoemde vragen. Deze vragen zullen behandeld worden binnen een bredere context van de geschiedenis van de gemeente Meppel en de Joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de eerste jaren na de bevrijding. Dit is belangrijk omdat het noodzakelijk is een beter inzicht te verwerven in de complexe geschiedenis van deze periode en om een beeld te vormen van de verstrekkende gevolgen van de oorlog voor de Joodse gemeenschap van Meppel. Daarom zullen eerst kort de totstandkoming en de vooroorlogse geschiedenis van de Joodse gemeenschap worden behandeld. Daarna wordt ingegaan op de periode van de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) en wat dit betekende voor de Joodse gemeenschap. De ontrechting en roof van Joods eigendom wordt daarna in een apart gedeelte besproken. Tot slot wordt aandacht besteed aan de naoorlogse periode, waarbij gekeken wordt naar hoe de weinige Meppeler Joden die de oorlog overleefden de terugkeer in Meppel hebben ervaren en hoe het rechtsherstel van hun eigendommen verliep. In het algemeen was de naoorlogse opvang van Joden in Nederland en het rechtsherstel met betrekking tot hun eigendommen gebrekkig.
Bekend is dat veel Joden de terugkeer in Nederland en hun vooroorlogse woonplaatsen negatief hebben ervaren.6 Wat rechtsherstel betreft staat vast dat het vooral zeer langzaam ging en dat veel afhing van menselijke factoren.7 Hoewel uiteindelijk het grootste deel – circa 90 procent8 – van het geroofde Joodse eigendom terugkwam bij de rechtmatige eigenaren, heeft de traagheid waarmee dit proces verliep en de moeite die de betrokkenen moesten doen geleid tot grote onvrede en teleurstelling bij de slachtoffers.9 Met andere woorden: er was wel sprake van administratief rechtsherstel, maar niet van moreel rechtsherstel, wat draait om persoonlijke aandacht voor het slachtoffer en erkenning van diens unieke leed.10 In dit onderzoek is gekeken hoe de casus Meppel zich tot deze context verhield. Om de praktijk van de roof van Joods eigendom en het rechtsherstel in Meppel te verduidelijken wordt gebruik gemaakt van voorbeelden. Deze voorbeelden, uitgewerkt in aparte kaders, bestaan uit gedeeltes van persoonlijke verhalen van Joodse Meppelers en beschrijvingen van concrete situaties waarmee zij tijdens en na de oorlog mee te maken hadden. Dit dient niet enkel ter illustratie van de onderzoeksbevindingen, maar ook om te benadrukken dat
de belangstelling voor en de erkenning van de geschiedenis van de Joodse gemeenschap van Meppel aan de basis staat van dit onderzoek. De Joodse gemeenschap is veel leed aangedaan en dit onderzoek richt zich in hoofdzaak op het naoorlogse aspect van dat leed, dat in verhouding tot de gebeurtenissen tijdens de oorlog veel minder is belicht. Voor dit onderzoek ging het echter te ver om het verloop van iedere individuele casus met betrekking tot rechtsherstel in detail uit te zoeken. Bovendien is een dergelijk onderzoek reeds gedaan door Thijs Rinsema en beschreven in zijn boek Joden in Meppel, 1940-1945. Voor dit rapport is daarom een selectie gemaakt van voorbeelden die aansluiten bij de onderwerpen die aan bod komen. Deze voorbeelden zijn grotendeels representatief voor het totaalbeeld voor Meppel, zoals dat in het werk van Rinsema is geschetst, en voor Nederland in het algemeen, zoals in de landelijke literatuur valt na te gaan.
BRONNEN
Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van literatuur en archiefbronnen. Een gedetailleerde bronnen- en literatuurlijst is aan het einde van dit rapport opgenomen. De belangrijkste bronnen worden hier kort vermeld. Het beginpunt van dit onderzoek lag bij het boek Joden in Meppel, 1940-1945 van Thijs Rinsema, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de Joodse gemeenschap van Meppel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verder is voornamelijk onderzoek verricht in het Drents Archief en het archief van de gemeente Meppel, waarin ook het archief van de gemeentepolitie is ondergebracht. Een andere belangrijke archiefbron is het archief van het Nederlands Beheersinstituut (NBI) in het Nationaal Archief in Den Haag, waarin zich de persoonlijke dossiers van Joodse eigenaren bevinden met daarin de afwikkeling van rechtsherstelzaken. Voor het verkrijgen van een totaaloverzicht van de geschiedenis van alle percelen van Joodse eigenaren zijn koop- en verkoopakten en gegevens uit het kadaster opgevraagd en geraadpleegd.
7
TERMINOLOGIE EN DEFINITIES 8
Hoe kan het verschijnsel waarbij Joods eigendom werd afgenomen door de bezetter het beste omschreven worden? ‘Onteigening’ ligt voor de hand en dit is reeds een gangbare term in het onderzoek naar de rol van gemeenten in deze kwestie. Hoogleraar rechtsfilosofie Wouter Veraart spreekt zich echter uit tegen het gebruik van onteigening. Bij onteigening gaat het namelijk meestal om het verschijnsel dat huizen moeten wijken voor de aanleg van wegen, waarbij de huiseigenaren een vergoeding krijgen. Veraart betoogt dat ‘gedwongen verkoop’ de realiteit tijdens de Tweede Wereldoorlog beter omschrijft. ‘Roof’ is eveneens een juiste term, mits gebruikt in de juiste context. Het begrip roof op zich veronderstelt namelijk dat hebzucht ten grondslag lag aan het optreden van de bezetter. Hoewel hebzucht ongetwijfeld een rol heeft gespeeld, was de belangrijkste drijfveer voor de bezetter de samenleving naar zijn denkbeelden om te vormen. Het uitroeien van de Joden was daar een onderdeel van en om dat te bereiken werden Joden systematisch hun rechten afgenomen, waaronder hun recht op bezit. Hieruit vloeide de grootschalige roof van Joods eigendom voort. Veraart stelt daarom de term ‘ontrechting’ voor als overkoepelend begrip.
Ontrechting definieert hij als het stelselmatig ontnemen van rechten aan specifieke categorieën mensen.11 Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Joden stelselmatig hun rechten ontnomen en werd het hen onmogelijk gemaakt aan het rechtsverkeer deel te nemen. Na de bevrijding vond er rechtsherstel plaats. Veraart omschrijft rechtsherstel als het restitutieproces dat een antwoord vormt op ontrechting, door degenen die hun rechten kwijtraakten in ieder geval in staat te stellen om in rechte op te komen voor de teruggave van die rechten.12 In dit rapport worden deze definities aangehouden.
NIJEVEEN
Oorspronkelijk zou in dit onderzoek ook de voormalige gemeente Nijeveen, die tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Meppel, worden meegenomen. Het is gebleken dat in Nijeveen ten tijde van de bezetting twee personen woonachtig waren die zich als Jood moesten laten registreren omdat zij Joodse voorouders hadden.13 Afgezien van registratie zijn zij echter niet vervolgd, vermoedelijk omdat zij gemengd gehuwd waren. Verder was een Joodse inwoner
van Meppel eigenaar van een weiland in Nijeveen. Dit werd tijdens de oorlog gedwongen verkocht aan de pachter van de grond, die het na de oorlog met overeenstemming van de betrokken partijen in bezit hield. Omdat hiermee alles wat betreft Nijeveen besproken is, wordt deze voormalige gemeente verder buiten beschouwing gelaten.
1. M aarten-Jan Vos en Serge ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd Joods onroerend goed (Amsterdam: Boom, 2013), 9-11. 2. H inke Piersma en Jeroen Kemperman, Openstaande rekeningen: De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam: Boom, 2015). 3. V os en ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 10-11. 4. D e ‘verdwenen’ Joodse huizen, 27-05-2020, zie: https://pointer.kro-ncrv.nl/terugkijken-de-verdwenenjoodse-huizen (geraadpleegd 21-04-2021). 5. J oris Heijkant, ‘‘‘Hier staan van Joden onteigende panden bij jou in de buurt,’’ 22 mei 2020, https://pointer.kro-ncrv. nl/hier-staan-van-joden-onteigende-panden-bij-jou-inde-buurt (geraadpleegd 08-06-2021). 6. I saac Lipschits, De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland (Amsterdam: Mets & Schilt, 2001), 10. 7. V os en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 98. 8. G erard Aalders, Berooid: de beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945 (Amsterdam: Boom, 2001), 368-369 en zie vanaf blz. 371 een cijfermatige onderbouwing. 9. J oop Voet, ‘‘Teruggave van Joodse bezittingen na oorlog traag en ontoereikend,’’ Nieuw Israëlitisch Weekblad 15 november 1985, 58-59. 10. Vos en Ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 30-31 11. Wouter Veraart, ‘’Ontrechting,’’ Krisis 6, no.
4 (december 2005), 61. 12. Idem, 63. 13. Thijs Rinsema, Joden in Meppel, 1940-1945 (Zutphen: Walburg Pers, 2004), 48.
Afbeelding 2: de Eerste Hoofdstraat ca. 1920-1940, met de winkel van Jozef Levie (1897-1943) en rechts daarnaast het toenmalige gemeentehuis van Meppel.
9
10
Afbeelding 3: de synagoge van Meppel in 1959, vlak voordat deze gesloopt werd.
DE JOODSE GEMEENSCHAP IN MEPPEL De Joodse gemeenschap van Meppel kwam op in de achttiende eeuw. Toen de eerste Joodse gezinnen zich er rond 1700 vestigden, was Meppel reeds een plaats van aanzien met ongeveer 2.600 inwoners.14 Meppel was als economisch centrum van Zuidwest Drenthe aantrekkelijk voor Joden, omdat zij veelal in de handel en nijverheid werkzaam waren. In 1750 waren er genoeg Joden om formeel een Joodse gemeenschap (Kille) op te richten. Het aantal Joodse inwoners bedroeg toen naar schatting ongeveer zestig. In de negentiende eeuw groeide de Joodse gemeenschap van Meppel uit tot een van de tien grootste Joodse gemeenten in Nederland.15 Het hoogtepunt werd bereikt in 1879, toen het aantal Joodse inwoners 625 bedroeg, bijna acht procent van de bevolking van Meppel.16 Essentieel voor de totstandkoming van een Joodse gemeenschap was de komst van Joodse religieuze voorzieningen. Sinds 1767 was er een Joodse begraafplaats aan de Zomerdijk, tegenwoordig de Steenwijkerstraatweg. Toen zich meer Joden gingen vestigen in Meppel, ontstond de behoefte een gebedshuis te stichten: een synagoge, ook wel een sjoel genoemd. Aanvankelijk hielden de Joden in Meppel hun religieuze bijeenkomsten in woonhuizen, maar dat bleek al snel niet voldoende voor de groeiende gemeente.
Hoewel er al geruime tijd plannen lagen, werd pas in 1799 een synagoge gebouwd aan wat later de Touwstraat zou worden. In 1843 werd tegenover de synagoge een gebouw in gebruik genomen als Joodse school. In 1863 kregen op deze school bijna honderd leerlingen les van vier onderwijzers.17 Toen de oude synagoge in de loop van de negentiende eeuw te klein werd, werd er in 1865 op dezelfde plek, aan de Touwstraat 14, een nieuwe, grotere sjoel gebouwd. Dit gebouw is in 1960 afgebroken. Meppel had geen Joodse buurt, maar er waren wel enkele straten waar relatief veel Joden woonden. Dit waren de Woldstraat, de Eerste en Tweede Hoofdstraat, de Parklaan, de Stationsweg en het Zuideinde. Deze laatste drie straten waren elitaire buurten en het gegeven dat hier relatief veel Joden woonden komt overeen met hun betrekkelijk hoge welstand.18 Dat wil niet zeggen dat iedere Joodse inwoner van Meppel rijk was, maar velen van hen waren succesvolle ondernemers, die een belangrijk aandeel hadden in de economie van Meppel. Met name in de textielsector hadden zij een dominante positie.19 Ook op politiek en sociaal gebied participeerden Joden in hoge mate in de Meppeler samenleving. Zo waren er in de geschiedenis van de gemeente Meppel negen Joodse gemeenteraadsleden, drie Joodse wethouders en twee Joodse loco-burgemeesters.20 Joden waren bovendien vaak lid van niet-Joodse verenigingen en hadden er ook
bestuursfuncties. In de periode 1900 tot 1940 waren er in Meppel bijvoorbeeld vijfendertig non-religieuze verenigingen met Joodse bestuursleden.21 De assimilatie leidde echter wel tot een afname van religieuze betrokkenheid onder Joden en een vervaging van Joodse identiteit. Zo was er na 1900 steeds minder belangstelling voor het Joodse onderwijs. In 1920 waren er nog slechts twintig leerlingen die les kregen op de Joodse school.22 Ook de ideologische stroming van het Zionisme, die aan het begin van de twintigste eeuw opkwam binnen het Jodendom in Europa, vond in Meppel weinig aanhang.23 In de lokale literatuur wordt gesteld dat Joden goed geïntegreerd waren in de Meppeler samenleving en dat er van antisemitisme niet of nauwelijks sprake was.24 Antisemitisme speelde voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog wel degelijk een rol in de Nederlandse samenleving. Het betrof geen beleidsmatig antisemitisme, maar sociaal antisemitisme dat voornamelijk, meestal in milde vorm, naar voren kwam in de contacten tussen Joden en niet-Joden.25 Uiteraard waren er verschillen van plaats tot plaats. Er zijn geen aanwijzingen dat dit milde antisemitisme in Meppel veelvuldig voorkwam. Belangrijk hierbij zijn de verklaringen van zes Joodse overlevenden, die na de oorlog geïnterviewd zijn door S.C. Derksen in het kader van zijn boek over de Joodse gemeenschap van Meppel.
Alle zes geven zij aan nooit iets gemerkt te hebben van antisemitisme of discriminatie in welke vorm dan ook in het vooroorlogse Meppel.26
11
12
Na 1879 begon de Joodse gemeente van Meppel geleidelijk aan te krimpen. Door (economische) migratie naar het westen van Nederland en een dalend geboortecijfer, nam het aantal Joden af van ruim zeshonderd in 1879 tot ongeveer tweehonderdzeventig in 1939.27 Dit komt overeen met de situatie in andere plaatsen in Drenthe, waarbij een vergelijkbare bevolkingsafname onder Joden valt te constateren in de periode 1900-1940. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog woonden er ongeveer tweehonderdvijftig Joden in Meppel. Van hen overleefde negentig procent de oorlog niet. Dit percentage komt overeen met Assen, maar is hoger dan zowel het landelijke (ca. 75%) als het Drentse (ca. 80%) gemiddelde.28
14. E .L. Boezen en L.L. Jagersma, ‘’De Meppeler bevolking van 1630 tot 1985,’’ in Geschiedenis van Meppel, ed. M.A.W. Gerding (Meppel: Boom, 1991), 109. 15. S .C. Derksen en F.J. Hulst, ‘’Zelfs de brug van Meppel spreekt Jiddisch. De joodse gemeente van Meppel, 1745-1942,’’ in Geschiedenis van Meppel, ed. M.A.W. Gerding (Meppel: Boom, 1991), 319. 16. S .C. Derksen, Opkomst en ondergang van een toonaangevende joodse gemeente. 250 jaar joods leven in Meppel (Meppel: Ten Brink, 1988), 174. 17. Derksen en Hulst, ‘’Zelfs de brug van Meppel spreekt Jiddisch,’’ 331. 18. Derksen, Opkomst en ondergang, 210. 19. Derksen en Hulst, ‘’Zelfs de brug van Meppel spreekt Jiddisch,’’ 327-330. 20. Derksen, Opkomst en ondergang, 232-233. 21. Derksen en Hulst, ‘’Zelfs de brug van Meppel spreekt Jiddisch,’’ 329-330. 22. Idem, 331. 23. D erksen, Opkomst en ondergang, 182-184. Het Zionisme rond 1900 was een overwegend seculiere ideologie waarbij het streven naar een onafhankelijke Joodse staat centraal stond. 24. I dem, 247-249; W. van Lingen, ‘’Onze Joden in het eerst kwart van deze eeuw,’’ Kwartaalblad Oud Meppel 5, no. 1 (1983), 40; Wim Bakker, ‘’Het nieuwe joodse monument,’’ Kwartaalblad Oud Meppel 19, no. 1 (1997), 66; Wim Bakker, Bezettingsmisère en bevrijdingsvreugde: Meppel en omgeving tijdens de bezettingsjaren en het bevrijdingstijdperk (Meppel: Boom Pers, 1995), 78. 25.
D ienke Hondius, ‘’Antisemitisme in Nederland, vlak na de bevrijding: een onderzoek naar negatieve reacties van niet-Joden op terugkerende Joden in de zomer van 1945,’’ ICODO-info 6, no. 3 (oktober 1989), 30-38. 26. Derksen, Opkomst en ondergang, 247-249. 27. Idem, 174. 28. Rinsema, Joden in Meppel, 14.
13
14
Afbeelding 4: het toenmalige gemeentehuis van Meppel in de Eerste Hoofdstraat, 1930.
DE BEZETTING EN ANTI-JOODSE MAATREGELEN Vanaf 1933 werd Duitsland bestuurd door de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) onder leiding van Adolf Hitler. De NSDAP stelde zich ten doel de gehele samenleving te hervormen op basis van haar nationaalsocialistische ideologie, die zich kenmerkte door extreme fascistische en racistische – in het bijzonder antisemitische – ideeën. Naast het volledig afschaffen van democratie, persvrijheid en onafhankelijke rechtspraak, ontnam de regering van Hitler in 1935 middels de Rassenwetten van Neurenberg de burgerrechten van Joden. Dit gebeurde met het doel de Joden totaal uit de samenleving te verwijderen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland vanaf mei 1940, werd dit antisemitische beleid ook in Nederland van kracht. Gaandeweg voerde de bezetter allerlei anti-Joodse maatregelen in. Middels deze zogenaamde Verordeningen (VO's) werd de Joodse bevolking stapsgewijs en systematisch steeds meer afgezonderd van het openbare leven. Wat begon met een verbod voor Joden om bij de luchtbeschermingsdienst te werken eindigde uiteindelijk in massale deportaties naar concentratiekampen en de genocide die tegenwoordig bekend staat als de Holocaust of de Sjoa. Een groot deel van het uitvoeren en handhaven van het beleid van de bezetter was een taak van de lokale gemeenten en politiekorpsen.
Daarbij lag de eindverantwoordelijkheid bij de burgemeester. Burgemeesters bevonden zich tijdens de bezettingsjaren in een lastige positie. Als zij in functie wilden blijven om hun burgers zoveel mogelijk te kunnen beschermen was het onvermijdelijk dat zij mee moesten werken aan het beleid van de bezetter. Als zij dit weigerden en aftraden, konden zij geen enkele invloed meer op het beleid uitoefenen. Een nota van de Rijksoverheid, die in 1938 werd verspreid onder ambtenaren, schreef voor om in geval van een vijandelijke bezetting in het belang van de bevolking zo goed mogelijk te blijven functioneren en naar eer en geweten een afweging te maken als dit belang in het geding kwam.29 Deze redenering werd tijdens de Tweede Wereldoorlog ook veelvuldig toegepast door ambtelijke en bestuurlijke organen in Nederland. Veel ambtenaren bleven in functie, zodat zij de bevolking zoveel mogelijk konden behoeden voor directe aanvaringen met de bezetter. De gedachte was dat op deze wijze de schade relatief beperkt bleef en groter kwaad werd voorkomen. Het betekende wel dat de Nederlandse ambtenarij op grote schaal meegaandheid vertoonde ten opzichte van het beleid van de bezetter. 30 Naarmate de oorlog vorderde en de bezetter steeds hardere eisen ging stellen nam de druk op gemeenten toe.
Sommige burgemeesters bleven in functie, maar velen werden vroeg of laat ontslagen en vervangen door een persoon die lid was van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), een pro-Duitse
collaboratiepartij. In elke gemeente was de situatie echter anders en daarom is het van belang kort in te gaan op de gemeente Meppel en het Meppeler politiekorps tijdens de bezettingsjaren.
DE GEMEENTE MEPPEL
Daniël baron Mackay (1878-1962) was vijf jaar burgemeester van Meppel toen de bezetting begon. Mackay toonde zich in een vroeg stadium niet bereid samen te werken met de bezetter. Zo weigerde hij bijvoorbeeld een Duitse officier de hand te schudden. Op 5 augustus 1940 liet hij een concert doorgaan ter ere van de verjaardag van prinses Irene.31 Een dergelijk eerbetoon aan het Nederlandse Koningshuis was streng verboden en het leidde ertoe dat Mackay op 9 augustus 1940 werd ontslagen door de rijkscommissaris van het bezette Nederland, Arthur Seyss-Inquart. Mackay werd vervangen door Geert Wisman (1888-1951), de voormalige burgemeester van Nieuweschans. Bij zijn aantreden deed hij op de gemeenteraad een beroep ''der burgerij, wier vertegenwoordigers gij zijt, ten voorbeeld te willen zijn in een correcte houding tegenover de bezettingsautoriteiten en tot de bereidheid voor een goede samenwerking.'' 32 Wisman was niet pro-Duits en afgaande op een verweerschrift dat hij na de bevrijding schreef, toen hij onder huisarrest werd gesteld, heeft hij, waar mogelijk, de bezetter tegengewerkt.33 Desondanks werkte hij voldoende met de bezetter mee om tot aan de bevrijding in functie te blijven. Wel moest Wisman wegens gezondheidsproblemen in het najaar van 1944 tijdelijk
15
16
stoppen met werken. Het burgemeesterschap werd toen een aantal weken waargenomen door Johan Sjouke Postma (1910-1995), een doopsgezinde predikant die na de oorlog drie jaar de gevangenis in moest wegens zijn houding tijdens de bezetting.34 Naast burgemeester Wisman waren gemeentesecretaris Hendrik Hilbrand de Carpentier (18831956), wethouder en plaatsvervangend burgemeester Lute Hagedoorn (1886-1948) en plaatsvervangend wethouder Johannes Schuurman de belangrijkste gezagsdragers die gedurende de oorlog hun post behielden. Wethouder Hendrik Sikkens (1893-1991) werd door de bezetter geïnterneerd als onderdeel van represaillemaatregelen wegens het oppakken van Duitsers in Nederlands-Indië. Al deze personen waren geen lid van de NSB en er zijn tijdens de bezetting bij de gemeente Meppel verder ook geen NSB'ers in dergelijke bestuursfuncties aangesteld.
DE JOODSE GEMEENSCHAP TIJDENS DE BEZETTING
HET MEPPELER POLITIEKORPS
In Meppel werden onder andere de gemeenteraadsleden Mozes Goldsteen (1877-1942) en Moritz Lobstein (18811976) door deze maatregel getroffen. Op 17 oktober 1940 waren zij voor de laatste keer aanwezig bij een raadsvergadering. Aan Lobstein werd die dag eervol ontslag verleend en zijn rol van plaatsvervangend wethouder werd overgedragen aan Johannes Schuurman.37 Goldsteen wordt in de notulen niet apart benoemd, maar beiden keerden nooit meer terug in de gemeenteraad. Lobstein werd wel voorzitter van de Drentse afdeling van de Joodse Raad, een op initiatief van de bezetter opgerichte Joodse organisatie die functioneerde als doorgeefluik voor de anti-Joodse maatregelen. De Joodse Raad wekte de schijn van veiligheid en legitimiteit, maar was in werkelijkheid een instrument van de bezetter en had in de praktijk geen enkele invloed op het beleid. In september 1943, toen de meeste Joden in Nederland reeds waren gedeporteerd, werd de Joodse Raad opgeheven en werden de leden afgevoerd. Ook Lobstein ontkwam hier niet aan. Hij overleefde de oorlog doordat hij deel uitmaakte van een groep gevangenen die werd uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen.38 Mozes Goldsteen werd op 8 oktober 1942 vermoord in Auschwitz.
Het politiekorps van Meppel stond voor het grootste gedeelte van de oorlogsjaren onder leiding van Hendrik Breedveld (1887-1949). Ook de politie bevond zich tijdens de bezetting in een moeilijke positie. De agenten waren verplicht de bevelen van de bezetter uit te voeren en diens wetgeving te handhaven, wat het onvermijdelijk maakte dat zij met de bezetter meewerkten. Daarnaast kreeg de politie te maken met de Weerbaarheidsafdeling (WA), een geüniformeerde ordedienst en daarnaast knokploeg van de NSB. De WA bestond uit doorgaans gewelddadige lieden die politieke tegenstanders en Joden treiterden en intimideerden en zich schuldig maakten aan vandalisme en allerlei verstoringen van de openbare orde. Doordat zij bescherming genoten van de bezetter kon de politie moeilijk tegen hen optreden, al slaagde de WA er desondanks dat niet in de straat te veroveren. Vanaf mei 1942 moest de politie bovendien formeel samenwerken met de uit de WA gerekruteerde vrijwillige hulppolitie (later de landwacht), die jacht maakte op onderduikers en verzetsmensen. In 1942, toen de meeste Joden uit Meppel werden weggevoerd, werkte het voltallige politiekorps onder leiding van Breedveld daaraan mee.
Breedveld werd eind 1943 door de bezetter ontslagen en verbannen uit Meppel, omdat hij ervan verdacht werd het verzet te steunen.35 In zijn plaats kwam Stienus Bertus van Wijnen (1906-1979), die eerder korpschef was in Harlingen en een moordaanslag door het verzet had overleefd. Van Wijnen was een fanatieke aanhanger van het nationaalsocialisme, lid van de Germaanse SS en verantwoordelijk voor de moord op meerdere verzetslieden.36
In de eerste periode van de bezetting vanaf mei 1940 tot begin 1941, was het beleid van de bezetter gericht op verzoening en verbroedering met het Nederlandse volk. Het maatschappelijk leven ging zoveel mogelijk op de oude voet verder. Ook Joden konden aanvankelijk nog hun gang gaan, al kwamen in de loop van 1940 de eerste beperkende maatregelen, zoals een verbod op slachten volgens de Joodse spijswetten en een verbod op publicatie van Joodse weekbladen. Ook mochten Joden vanaf september 1940 niet meer worden aangenomen in overheidsdienst en twee maanden later werd bekend gemaakt dat alle Joden in overheidsdienst ontslagen zouden worden, omdat zij niet konden voldoen aan de Ariërverklaring, die alle ambtenaren moesten ondertekenen.
Maatregelen waren niet het enige gevaar waar Joden tijdens de bezetting mee te maken kregen. NSB'ers en andere Duitsgezinden kregen min of meer de vrije hand uiting te geven aan hun gedachtegoed. Als gevolg konden Joden het slachtoffer worden van pesterijen, intimidatie, geweld en vandalisme. Afgaande op de politierapporten lijkt hier in Meppel niet bijzonder veel sprake van te zijn geweest.
Afgezien van enkele incidenten waren het voornamelijk de NSB'ers die getreiterd werden.39 Hun huizen werden beklad, ruiten ingegooid en er verschenen met regelmaat anti-Duitse en anti-NSB leuzen op straat. Dat was niet zonder risico, want de NSB genoot de bescherming van de bezetter. Na de oorlog zijn in Meppel 284 personen gearresteerd wegens lidmaatschap van de NSB of sympathie jegens de NSB of de bezetter.40 In het jaar 1941 kregen Joden te maken met meer maatregelen. Een van de belangrijkste was Verordening (VO) 6/1941 van 10 januari 1941, die bepaalde dat alle ''personen van geheel of gedeeltelijk Joodsche bloede'' in Nederland zich moesten laten registreren. Joden moesten een vragenlijst invullen en deze inleveren bij de gemeente. Tegen betaling van een gulden kregen ze vervolgens een aanmeldingsbewijs. Vrijwel alle Joden lieten zich registreren en in de gemeente Meppel was dat niet anders. In totaal werden er in maart 1941 292 aanmeldingsformulieren naar de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters opgestuurd.41 Een andere ingrijpende maatregel kwam in de vorm van VO 41/1941, waarmee alle Joodse niet-commerciële verenigingen en stichtingen werden opgeheven. Daaronder vielen ook de synagogen en Joodse begraafplaatsen. De roerende en onroerende bezittingen en financiële vermogens van deze verenigingen kwamen in bezit van de Duitse staat.
Ook werden meer gebiedsbeperkingen aan Joden opgelegd. Zo mochten zij vanaf 31 mei 1941 geen zwembaden en stranden meer bezoeken en was het vanaf 15 september voor hen verboden in parken, dierentuinen, cafés, restaurants, bibliotheken, hotels, schouwburgen, bioscopen en musea te komen. Ook was het Joden vanaf toen niet toegestaan om zonder vergunning te reizen of te verhuizen. In deze periode verschenen bordjes met de tekst 'voor Joden verboden' in het straatbeeld. Verder mochten Joden geen niet-Joods personeel meer in dienst hebben. Marcus Polak, eigenaar van een herenkledingzaak in de Hoofdstraat in Meppel, probeerde voor dit personeelsverbod nog een ontheffing te krijgen bij de gemeente, maar die werd hem niet toegekend.42 In 1942 werden de Joden nog verder afgezonderd van de rest van de samenleving. Zo kwam er een verbod op het bezitten en besturen van vervoersmiddelen, een avondklok, een verbod om bij niet-Joden in huis te komen, een verbod
om te telefoneren en de verplichting tot het dragen van de Jodenster. Dit alles maakte de weg vrij voor de bezetter om het voorgenomen plan de Joden massaal te deporteren soepel uit te kunnen voeren.
DEPORTATIE
In de loop van 1942 werden Joodse mannen tussen de 18 en 55 jaar opgeroepen om naar werkkampen te gaan. Voor Meppel betrof dit 75 personen.43 De werkkampen bleken een voorportaal te zijn voor de deportatie naar het Oosten. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden alle ingezetenen van de werkkampen overgebracht naar doorvoerkamp Westerbork. In dezelfde nacht werden in Meppel vrijwel alle nog achtergebleven Joden – de oudere mannen, vrouwen en jonge kinderen – door de politie uit hun huizen gehaald en eveneens naar Westerbork gebracht. Deze groep, inclusief enkele achterblijvers die een paar dagen later alsnog werden opgepakt, bestond uit 171 personen.44 Ondanks signalen van wat er stond te gebeuren en oproepen van enkele medeburgers en verzetsleden om onder te duiken, lieten vrijwel alle Joden in Meppel zich door de politie naar het station brengen om daarna door te reizen naar kamp Westerbork. De afvoer van de Joden uit Meppel begin oktober 1942 is door Rinsema uitvoerig beschreven en minutieus gereconstrueerd.45 Burgemeester Geert Wisman en hoofdinspecteur van de politie Hendrik Breedveld hebben, volgens hun eigen getuigenissen na de oorlog, bezwaar gemaakt tegen het bevel de Joden op te pakken en getwijfeld of zij het moesten uitvoeren.
Zij kwamen echter tot de conclusie dat ze er maar beter gehoor aan konden geven, omdat anders de Duitsers het zelf op een veel inhumanere manier zouden uitvoeren. Deze redenering werd vaak toegepast door ambtenaren tijdens de bezetting en is in lijn met de heersende mentaliteit en houding van de Nederlandse overheid, zoals beschreven door Peter Romijn.46
17
18
In het gemeentearchief van Meppel is het personeelsdossier van Geert Wisman bewaard gebleven. Hierin bevindt zich een document waarin Wisman uitgebreid reflecteert op zijn doen en laten tijdens de bezetting. Het is een verweerschrift dat gebruikt werd bij het zuiveringsproces dat tegen hem gevoerd werd na de oorlog. Wisman besteed ook enige aandacht aan de deportatie van de Joden uit Meppel. Over waarom hij niets heeft gedaan om de Joden te waarschuwen zegt hij het volgende:
''Ik heb toen zelf geen stappen ondernomen de Joden te waarschuwen, omdat ik […] wist, dat het lid van den Joodschen Raad Lobstein met de voorgenomen plannen bekend was. Ware dit niet het geval geweest, dan zou ik zeer zeker er wel aan gedacht hebben op eenigerlei wijze waarschuwingen te doen uitgaan.'' 47 Moritz Lobstein was als lid van de Joodse Raad inderdaad van tevoren geïnformeerd van de deportatieplannen van de bezetter. Na de oorlog moest hij voor de rechter verschijnen, omdat hem werd verweten dat hij opzettelijk had nagelaten de Joodse inwoners van Meppel te waarschuwen. Onder andere burgemeester Wisman en hoofinspecteur Breedveld getuigden in deze zaak tegen hem, maar de rechter sprak Lobstein vrij.48 Wat uit het voorgaande blijkt is dat de bezetter er in Meppel bijzonder goed in geslaagd is de Joden van de rest van de samenleving af te zonderen. Dit resulteerde dan ook in een bovengemiddeld hoog percentage Joodse oorlogsslachtoffers. Uiteindelijk kwamen ongeveer 230 Meppeler Joden om het leven als gevolg van de Duitse bezetting. Van alle Joden die tijdens de bezetting in Meppel woonachtig waren, overleefden 25 personen de oorlog, of door het overleven in een kamp, of door onder te duiken, of doordat zij gemengd gehuwd waren en daarmee vrijgesteld van deportatie.49
29. Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam: Balans, 2006), 50-57. 30. Robin te Slaa, Daar dit een immorele aanslag is. De houding van de gemeente Den Haag tegenover Joodse eigenaren van onroerend goed, 1940-1955 (Rijswijk: De Nieuwe Haagsche, 2017), 22-24. 31. Thijs Rinsema, ‘’Friedrich Wilhelm Schulte: spion of handlanger?’’ Kwartaalblad Oud Meppel 27, no. 1 (2005), 20. 32. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 16-10-1940. 33. Archief Gemeente Meppel 1928-1990 (AGM), toegang 2.08, Personeelsdossiers burgemeesters, secretarissen etc., inventarisnummer 5472, Wisman G. – burgemeester, verklaring juli 1945. 34. Twentsch Nieuwsblad 19-10-1944; Provinciale Drentsche en Asser Courant 24-5-1946; Provinciale Drentsche en Asser Courant 6-6-1946. 35. Symen Kingma, ‘’Hendrik Breedveld, slachtoffer van een juridische dwaling?’’ Kwartaalblad Oud Meppel 32, no. 1 (2010), 17. 36. Jos Smeets, ‘’Stienus van Wijnen 19 juli 1906 – 1979’’ op: www.politieacademie.nl (geraadpleegd 10-1-2022). 37. R egionaal Historisch Centrum Drents Archief Assen (NL-AsnDA), toegang 0147 Districts Militaire Commissaris van Meppel 1945, inventarisnummer 8, Correspondentie inzake zuivering burgemeesters en gemeentepersoneel; tevens diverse zuiveringsbesluiten, bijlage bij brief mr. J.W. Bast 18 juni 1945. 38.
Dit betrof een uitwisseling van 222 Joden tegen eenzelfde aantal Rijksduitsers die zich in Palestina bevonden. Omdat Palestina een Brits mandaatgbied was, waren deze Rijksduitsers gevangen genomen. Op initiatief van Duitsland werd er een gevangenenuitwisseling georganiseerd, waarbij 222 Joden in kamp Bergen-Belsen werden verzameld en van daaruit naar Palestina gestuurd. Het betrof voornamelijk Joden uit hogere sociale kringen die contacten hadden in Palestina, zie: ‘’Transport 222’’ op www.joodsamsterdam.nl (geraadpleegd 9-2-2022). 39. Archief Gemeentepolitie Meppel 1901-1990 (AGP), toegang 2.07.77, dag- en nachtrapporten, inventarisnummer 47, 16-03-1942/09-07-1942, in het rapport van 30 april 1942 wordt gemeld dat er op de ramen van een aantal panden een J is geverfd. Geen van deze panden was Joods eigendom. 40. Tine Oom en Thijs Rinsema, ‘’Voor wie de bevrijding geen feest was,’’ Kwartaalblad Oud Meppel 21, no. 4 (2000), 82. 41. Rinsema, Joden in Meppel, 47. 42. AGP, 2.07.77, inv.nr. 45, rapportage 5 november 1941. 43. Rinsema Joden in Meppel, 197. 44. Idem, 235. 45. Zie Rinsema, Joden in Meppel, 213-233 voor een uitgebreide beschouwing en reconstructie van de bewuste nacht van 2 op 3 oktober 1942. 46. Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd. 47. AGM, 2.08, inv.nr. 5472, verklaring juli 1945, blz. 8. 48.
P rovinciale Drentsche en Asser Courant 21-6-1946; Nieuwsblad van het Noorden 28-6-1946. 49. Rinsema, Joden in Meppel, 14.
19
20
Afbeelding 5: kaart van Meppel in 1942. Het vastgoed van Joodse eigenaren is rood gemarkeerd.
DE ROOF VAN JOODS BEZIT De roof en gedwongen verkoop van Joods bezit was een onderdeel van het antisemitische beleid van de bezetter met het doel de Joden hun sociaaleconomische positie volledig te ontnemen. Dit geschiedde zoals bij alle anti-Joodse maatregelen middels verordeningen, die systematisch en stapsgewijs de financiële vermogens van Joden en hun eigendomsrechten op roerende en onroerende goederen afnamen. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart richtte in mei 1941 de stichting Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt (VVRA) op. De VVRA stond aan het hoofd van het beheer en de administratie van al het geroofde Joodse eigendom en vormde tevens een persoonlijke spaarpot van de rijkscommissaris. Onder de VVRA opereerden diverse instanties en bureaus, die zich met het beheer van verschillende soorten eigendom bezig hielden. Een van de belangrijkste was de roofbank Lippmann, Rosenthal en Co. (afgekort als Liro) aan de Sarphatistraat50 in Amsterdam, die fungeerde als bewaarplaats en verkoopkantoor van geroofd Joods bezit. Deze bank werd opgericht naar aanleiding van de zogenaamde Eerste Liro-verordening van 8 augustus 1941. Deze VO bepaalde dat Joden hun vermogen boven de duizend gulden (later werd deze grens verlaagd) moesten overmaken naar een rekening bij de Liro.
Joodse rekeninghouders kregen ontvangstbewijzen en rekeningafschriften toegestuurd, maar in de praktijk waren zij hun vermogen kwijt. Bij de Tweede Liro-verordening van 21 mei 1942 werd de roof van Joods vermogen uitgebreid naar onder andere vorderingen op derden, zoals huren, pachten, hypotheekrente en daarnaast verzekeringen en rechten op zich in het buitenland bevindende vermogenswaarden en tot slot goud, zilver en waardevolle (kunst)voorwerpen.51 De roof van Joods bezit begon al vóór de Eerste Liroverordening, namelijk met de al eerder aangehaalde VO 41/1941 van 28 februari 1941 waarmee Joodse nietcommerciële verenigingen en stichtingen werden opgeheven en het bezit afgenomen. In Meppel werd daardoor het vermogen geroofd van de Nederlands Israëlitische Gemeente, waaronder zich ook vastgoed bevond, namelijk de synagoge, de Joodse school en enkele woonhuizen die voornamelijk aan de Touwstraat en de Noteboomstraat stonden. Ook het Israëlitisch armbestuur en de Joodse begrafenisvereniging Gemiloeth Chasadiem werden opgeheven en moesten hun kapitaal afstaan.52 Op 12 maart 1941 volgde VO 48/1941, waarmee het bedrijfsleven ‘gezuiverd’ werd. Alle Joodse ondernemingen waren sinds november 1940 geregistreerd bij de
Wirtschaftsprüfstelle (WPS), wat beschouwd kan worden als het Duitse ministerie van economische zaken in het bezette Nederland onder leiding van Hans Fischböck. Na de afkondiging van de verordening, die bekend kwam te staan als de verordening tot verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven (arisering), kreeg de WPS de bevoegdheid om in Joodse ondernemingen bewindvoerders, Verwalter of Treuhänder, aan te stellen. Deze bewindvoerders hadden volledige beheers- en eigendomsrechten over alles wat de onderneming toebehoorde en kregen de vrije hand om de onderneming zelf te exploiteren, te verkopen of te liquideren.53 Ook in Meppel kwamen de Joodse ondernemingen onder beheer te staan. Aangezien relatief veel Joden werkzaam waren in de handel en nijverheid was dit een ingrijpende verandering. Uiteindelijk werden in Meppel vroeg of laat alle Joodse ondernemingen geliquideerd.54 De gemeentepolitie moest erop toezien dat dit ook daadwerkelijk gebeurde en dat de bedrijven gesloten en leeggehaald werden. Sommige Joodse ondernemers trachtten te verhinderen hun hele bedrijf te verliezen door een deel van hun voorraden elders te verbergen. De textielhandelaar Mozes Levie uit de Tweede Hoofdstraat bracht bijvoorbeeld goederen onder in het pakhuis van zijn vader aan de Hagenstraat en verkocht vervolgens uit die voorraad.
Toen de politie dit ontdekte werd Levie gearresteerd wegens distributiefraude en moest een aantal dagen in hechtenis blijven voor wat neerkomt op diefstal van eigen bezit.55 Op 27 mei 1941 werd VO 102/1941 afgekondigd, die bepaalde dat alle Joodse eigenaren van landbouwgronden hun grond moesten verkopen aan niet-Joden. Hier waren geen Duitse instanties bij betrokken, want de verkoop ging via regionale pachtbureaus, die onder het ministerie van Landbouw en Visserij vielen. In Meppel had deze maatregel weinig gevolgen, want de weinige Joodse landbouwgronden die er waren, werden voor het merendeel niet verkocht.
21
22
Van de gronden die werden verkocht kwamen de meeste in handen van Thomas Rijkeboer, die de gronden reeds pachtte.56 Na de verenigingen, bedrijven en landbouwgronden was op 11 augustus 1941 het particuliere Joodse grondbezit aan de beurt. Op deze dag werd VO 154/1941 openbaar gemaakt, waarin stond dat alle stukken grond en de zich daarop bevindende bebouwingen van Joodse eigenaren onder beheer werden gesteld. Dit was inclusief allerlei andere onroerende rechten, zoals huur, recht van opstal, erfpacht en hypotheken.57 De registratie van particulier Joods vastgoed viel onder de verantwoordelijkheid van de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). De NGV droeg het beheer van de percelen over aan onder andere het Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO) van NSB-makelaar Dirk Hidde de Vries. De ANBO stelde vervolgens weer eigen beheerders aan. Deze beheerders hadden, net als de Verwalter en Treuhänder bij de Joodse ondernemingen, volledige eigendomsrechten. Ze inden huren, zorgden voor hypotheken en verzekeringen en konden de percelen verkopen. Deze verkopen werden geregistreerd in de Verkaufsbücher. De opbrengsten van huur en verkoop kwamen ten goede aan de VVRA, de spaarpot van de rijkscommissaris.
Het geld werd overgeboekt naar een rekening bij de Liro-roofbank.58 Nagenoeg alle particuliere bebouwde percelen van Joodse eigenaren in Meppel kwamen onder beheer te staan van het bijkantoor van de ANBO in Groningen. Eén perceel stond onder beheer van NSB-makelaar Koene Hamminga, maar veel verschil maakte dat niet, want deze Hamminga was directeur van het ANBO-kantoor in Groningen.59 Hij was een van vele makelaars die tijdens de bezetting verdienden aan de verkoop van geroofd Joods vastgoed. Meestal werden huizen onder de marktwaarde verkocht. Kopers van Joodse huizen waren vaak NSB’ers. De NGV gaf namelijk de voorkeur aan pro-Duitse kopers en NSB’ers hadden bovendien over het algemeen minder morele bezwaren tegen het aanschaffen van geroofd eigendom van Joden die op het moment van de transactie vaak al waren omgekomen in een concentratie- of vernietigingskamp. Kadastraal onderzoek heeft uitgewezen dat er in de gemeente Meppel in totaal 154 percelen in het bezit van Joodse eigenaars waren, inclusief landbouwgronden.
Hiervan zijn 73 percelen tijdens de bezetting verkocht.60 De overige 81 Joodse percelen werden niet verkocht. Dat minder dan de helft van de Joodse percelen is verkocht komt overeen met de gemiddelde situatie in Nederland. De meeste aankopen van Joods vastgoed in Meppel kwamen op rekening van drie personen: De NSB’er Cornelis van de Vegte kocht veertien panden van Joodse eigenaren, de meeste van Hartog Simon Goldsteen; de Duitse Hermann Diehl werd Verwalter van het bedrijf van de welgestelde ondernemer David Wolff en kreeg daardoor tien panden in bezit; en Thomas Rijkeboer verwierf acht percelen landbouwgrond, waarvan hij van de meeste voor de oorlog al pachter was. Overigens zijn niet alle in de Verkaufsbücher geregistreerde verkopen in Meppel doorgegaan, omdat in sommige gevallen geen definitieve akte is opgemaakt. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van alle Joodse percelen in Meppel die tijdens de bezetting werden verkocht.
CORNELIS VAN DE VEGTE
In Meppel was NSB’er Cornelis van de Vegte (geb. 1906) tijdens de oorlog actief bezig met het aankopen van Joodse panden. Deze groothandelaar en meubelmaker kwam in december 1941 vanuit Amsterdam naar Meppel en vestigde zich aan het Prinses Beatrixplantsoen.61 Hij verkocht meubels aan de Duitse Weermacht en bood zich aan als Verwalter en Treuhänder voor niet-arische bedrijven. Uit de Verkaufsbücher en gegevens van het kadaster blijkt dat Van de Vegte veertien woningen van Joodse eigenaren heeft gekocht, zeer waarschijnlijk met het doel deze te verhuren of weer door te verkopen. Na de oorlog werd Van de Vegte opgepakt en berecht. Bij zijn veroordeling in 1948 constateerde het Tribunaal Assen dat hij een klein miljoen gulden aan de Duitsers verdiend moet hebben. Vanwege zijn vele verdiensten voor de bezetter en zijn lidmaatschap van diverse pro-Duitse organisaties en verenigingen werd hij beschuldigd van zware collaboratie en veroordeeld tot twee jaar internering en ontzetting uit de kiesrechten.62 In 1947 kreeg Van de Vegte van de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven al het verbod een leidinggevende functie uit te oefenen in de meubel- en houthandel voor een periode van vijf jaar en in 1949 werd hij door de arrondissementsrechtbank Leeuwarden failliet verklaard.63
DE GEMEENTE MEPPEL EN JOODS GRONDBEZIT
De gemeente Meppel komt niet voor als koper van Joods vastgoed in de Verkaufsbücher. Toch heeft de gemeente tijdens de oorlog wel enige percelen van Joodse eigenaren gekocht. Het betrof een strook grond aan de Markstraat van Salomon van der Sluis en een weiland tussen de Leliestraat en de Ezingerweg van de firma Gebr. Van der Sluis, een exportslagerij. Voor deze percelen begonnen de onderhandelingen eind 1940, medio 1941 en de gemeente wist in beide gevallen tot een overeenkomst te komen met de Joodse eigenaren. Voordat de transacties definitief konden worden afgerond voerde de bezetter maatregelen in en konden transacties met Joodse grondeigenaren niet zonder Duitse toestemming plaatsvinden. Voor de koop van grond aan de Markstraat werd toestemming verleend en Salomon van der Sluis ontving van de gemeente het verkoopbedrag. Voor het weiland aan de Ezingerweg liet toestemming langer op zich wachten. De verordening tot verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven was inmiddels van kracht, wat betekende dat Joden bedrijfsgrond niet meer konden verkopen maar moesten afstaan. De toestemming voor overdracht aan de gemeente Meppel kwam medio 1942. De verkoopprijs van 5.620 gulden kwam zeer waarschijnlijk op de bankrekening van een Duitse instantie terecht.64
50. D e bank had dezelfde naam als een bestaande Joodse bank aan de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam, wat geheel paste in de Duitse tactiek van misleiding om Joden makkelijker over te halen hun vermogens over te schrijven. 51. G erard Aalders, Roof: de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag: Sdu Uitgevers, 1999), 201-202. 52. R insema, Joden in Meppel, 70. 53. Aalders, Roof, 136. 54. R insema, Joden in Meppel, 163. 55. I dem, 172. 56. I dem, 114. 57. A alders, Roof, 144. 58. Idem, 145. 59. N ieuwsblad van het Noorden 27-03-1947. 60. Z ie bijlage 1 voor een overzicht van de verkochte percelen. 61. P rovinciale Drentsche en Asser Courant 24-12-1941. 62. Provinciale Drentsche en Asser Courant 25-03-1948. 63. N ederlandsche Staatscourant 18-12-1947 en Leeuwarder Courant: Hoofdblad van Friesland 11-07-1949. 64. A GM, 2.07.351.11, aankoop, inv. nr. 3941, grond aan marktstraat van Salomon v.d. Sluis en inv. nr. 3946, weiland aan Ezingerweg van fa. Gebr. V.d. Sluis;
23
24
Afbeelding 6: declaratie uit 1943 van de gemeente Meppel voor de ‘zuivere transportkosten van afgevoerde Joden’ en de ‘kosten van bewaring, opslag en bewaking van door Joden achtergelaten inventarissen’ en de ‘kosten van ontruiming van door Joden bij hun afvoering achtergelaten woningen.’
DE ROOF VAN INBOEDELS Na de grootschalige deportaties van Joden in 1942 bleven hun huizen onbewoond achter met meubilair en al. In Meppel hield de gemeentepolitie zich bezig met het verzegelen van de huizen en de opslag van de inboedels. Soms bleven de inboedels in de huizen zelf bewaard, maar soms bracht de politie meerdere inboedels onder in een grotere opslagruimte. In Meppel werden meubels van Joodse huizen opgeslagen in de synagoge. Het was nodig om huizen te verzegelen en inboedels centraal op te bergen, want de leegstaande huizen, winkels en bedrijfspanden waren geliefde doelwitten voor inbrekers, zoals ook blijkt uit de politierapporten. In een rapportage wordt gesproken over ‘‘controle der Jodenhuizen’’ wat er mogelijk op duidt dat de politie regelmatig langs de huizen van Joodse eigenaren ging om te controleren of ze nog verzegeld waren.65 Voor de ontruiming van door Joden achtergelaten woningen, de opslag en bewaking van inboedels en ook de kosten voor het vervoer van Joden zelf diende de gemeente Meppel een declaratie van bijna drieduizend gulden in bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die dergelijke kosten aan gemeenten vergoedde.66 In de loop van 1942 besloot de bezetter dat de achtergelaten inboedels ten goede moesten komen aan het Duitse rijk.
Met name aan het oostfront en in Duitse steden die door geallieerde bombardementen waren getroffen was behoefte aan allerlei huisraad. De leiding over de inboedelroof werd toevertrouwd aan Alfred Rosenberg, Rijkscommissaris voor de bezette gebieden in het Oosten en invloedrijk Nazi-ideoloog. Rosenberg hield zich met zijn organisatie genaamd de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) reeds bezig met de roof van Joodse cultuurgoederen, zoals kunst, bibliotheken en archieven. De ERR kreeg aanvankelijk ook de leiding over de Möbelaktion, of M-Aktion, zoals de roof van Joodse inboedels in Nederland, België en Frankrijk genoemd werd, maar omdat dit nogal een omvangrijke klus bleek, werden er andere instanties bij betrokken. De inventarisatie van inboedels werd wel gedocumenteerd door de ERR. Deze documenten zijn via het archief van de Schade Enquête Commissie (SEC), waar Joden na de oorlog aanklopten om schade aan woningen en inboedels te verhalen, bewaard gebleven. Voor Meppel is er echter geen documentatie aanwezig in het ERR archief.