1.23.1 VDG overdrachtsdocument portefeuilles
Tekst van het document
spelen en daarin een voorbeeldfunctie vervullen. Door het combineren van energie-inkoop en duurzame opwekking zal meer tijd in de aanbesteding gestoken moeten worden omdat deze complexer wordt. Aan de andere kant ligt het combineren voor de hand omdat beide onderwerpen nauw met elkaar verbonden zijn. Immers, de realisatie van regionaal opwekvermogen heeft gevolgen voor de omvang van de energie inkoop en vice versa. Voor zover er aansluiting met de inkoop van elektriciteit is kunnen duurzaamheidsdoelstellingen als volgt worden samengevat: Doelstellingen: 1. Inkoop van Duurzame Elektriciteit 2. Dat bijdraagt aan een CO2-neutrale organisatie 3. Waarbij zoveel mogelijk elektriciteit Regionaal wordt ingekocht 11. Regionaal Mobiliteitsplan Het Klimaatakkoord kent een opgave voor de sector mobiliteit om te zorgen voor verminderen van de CO2 uitstoot. De afspraak is om in de regio te werken aan een maatregelenpakket, vastgelegd in het Regionaal Mobiliteitsplan (RMP). De provincie Drenthe heeft de regierol van het Rijk gekregen om dit samen met gemeenten op te pakken. Het RMP 1.0 is het basisdocument en kader hoe we als regio samen aan de slag gaan met duurzame mobiliteit. Achtergrondinformatie: - RMP 1.0 12. Klimaatadaptie Doordat het klimaat verandert, zijn er meer weerextremen: hete zomers en hevige neerslag.
Aanpassingen aan het veranderende klimaat, klimaatadaptatie, is een nationale opgave met een primair gebiedsgerichte en lokale uitwerking. Gemeenten hebben zich gecommitteerd om Nederland zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust te hebben ingericht in 2050 via het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie. Drenthe kent drie werkregio’s: - Noordelijke Vechtstromen - Fluvius - Groningen-Noord-Drenthe Elke werkregio, bestaande uit gemeenten en waterschappen, werken aan de regionale klimaatadaptiestrategie of hebben deze inmiddels vastgesteld. 13. Circulaire Economie Het noorden zet expliciet in op een circulaire economie. Het Noordelijk Innovatielab Circulaire Economie (NICE) is in het leven geroepen om deze transitie te helpen te versnellen. NICE is een samenwerkingsverband tussen ondernemers, onderwijsinstellingen, de provincie en gemeenten. De provincie Drenthe heeft de ambities, kaders en werkwijze verwoord in de Roadmap Circulaire Economie 2050. Achtergrondinformatie: - Roadmap Circulaire Economie 2050
45
14. Markerein Markerein is een gemeentelijke samenwerking op het gebied van afval en grondstoffen. De Drentse gemeenten zetten daarbij gezamenlijk in op het verder terugdringen van het huishoudelijk restafval in Drenthe. Eerder is afgesproken om de ambtelijke werkgroep Marerein te verbinden aan het PHO EKM. Onafhankelijk voorzitter werkgroep Marekrein: Paul de Bruin. Markerein komt nog met een eigen overdrachtsdocument/rapport.
46
VDG Portefeuille Sport
47
Het doel van dit document is om nieuwe wethouders inzicht te geven in de relevante onderwerpen die de afgelopen periode aan de orde zijn geweest binnen de portefeuille Sport. Structuur: De bestuurders Sport zoeken afstemming en samenwerking in het portefeuillehoudersoverleg Sport. De afgelopen periode is gemeente De Wolden – Roger de Groot (burgemeester) bestuurlijk voorzitter geweest van de portefeuille Sport (tot zijn vertrek – mei 2021). Het voorzitterschap is daarna overgenomen door Noordenveld – Klaas Smid. Het ambtelijk overleg Sport dient ter voorbereiding van het PHO Sport en voor de ambtelijke afstemming. VNG-commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs (hieronder valt het thema sport): Drenthe is de afgelopen periode in deze commissie vertegenwoordigd geweest door Bert Wienen (raadslid gemeente Assen) en vanaf juli 2021 door Werner ten Kate, wethouder gemeente Hoogeveen. Wanneer wenselijk kunnen de genoemde achtergronddocumenten opgevraagd worden bij het VDGbureau – secretariaat@vdgdrenthe.nl. 1. Drenthe, Samen Gezond in Beweging Bestuursopdracht: In Drenthe wordt de afgelopen jaren al sterk regionaal samengewerkt op de thema’s sport, bewegen, gezondheid en preventie. Om dit verder te versterken en te komen tot een vitaal en gezond Drenthe, is een gezamenlijke visie, integrale aanpak en regie vanuit gemeenten nodig.
In 2020 werd middels de Bestuursopdracht Vitaal en Gezond Drenthe opdracht gegeven om twee ontwikkelingen bij elkaar te brengen (opdracht om te komen tot een meerjarenprogramma rondom preventie en rondom sport en bewegen, mede als vervolg op de uitgevoerde Regionale Sport Toekomst Verkenning, zie ook thema 2). De bestuursopdracht gaf de opdracht om te komen tot een integraal meerjarenprogramma rondom sport, bewegen, gezondheid en preventie. De bestuursopdracht werd besproken en vastgesteld in het PHO Sport van 26 februari 2020 en het PHO G&W van 12 maart 2020. Met deze integrale opdracht vanuit twee VDG portefeuilles, werd ook de net opgestarte themagroep Preventie (vanuit de portefeuille Gezondheid en Welzijn) uitgebreid met vertegenwoordiging vanuit VDG Sport en daarmee een integrale themagroep: de themagroep Sport en Preventie. Meerjaren- en uitvoeringsprogramma Drenthe, Samen Gezond in Beweging 2021-2024: De themagroep Sport en Preventie heeft de bestuursopdracht gekregen om te komen tot een meerjarenprogramma Sport en Preventie. Tijdens het PHO G&W op 1 oktober en het PHO Sport op 5 oktober 2020 werd ingestemd met het uitgewerkte meerjarenprogramma Drenthe, Samen Gezond in Beweging 2021-2024. Het meerjarenprogramma gaat in op de visie, uitgangspunten, ambities, thema’s en doelen voor de komende jaren.
Beide PHO’s gaven de themagroep de opdracht om het meerjarenprogramma te concretiseren middels een uitvoeringsprogramma. Samen met samenwerkingspartners is het uitvoeringsprogramma opgesteld. Het uitvoeringsprogramma beschrijft onder andere de verschillende projecten, programma’ en activiteiten de bijdragen aan de ambities en doelen uit
48
het meerjarenprogramma. Daarnaast wordt er ingegaan op de gekozen aanpak om richting te geven aan de uitvoering. De themagroep Sport en Preventie is verantwoordelijk voor de coördinatie va het uitvoeringsprogramma. Per jaar wordt extra gefocust op speerpunten. In 2021 en 2022 zijn de volgende thema’s als speerpunten benoemd: - Gezond Gewicht - Middelengebruik Governance: Voor de uitvoering van het Meerjaren- en uitvoeringsprogramma is er behoefte aan verbinding en samenhang tussen verschillende ontwikkelingen, een overzichtelijke en efficiënte structuur en een bestuurlijk afstemmingsgremium. Vanuit de themagroep is in 2021 een advies rondom de governance uitgewerkt. Kern van het advies is om de themagroep uit te breiden met samenwerkingspartners en om verschillende overleggremia samen te voegen om te zorgen voor meer verbinding en vermindering van de bestuurlijke drukte. Per januari 2022 is gestart met de nieuwe governance. Achtergronddocumenten: - Bestuursopdracht Vitaal en Gezond Drenthe - Meerjarenprogramma Drenthe, Samen Gezond in Beweging 2021-2024 - Uitvoeringsprogramma Drenthe, Samen Gezond in Beweging 2021-2024 - Advies governance Drenthe, Samen Gezond in Beweging - Pamflet Preventie (overdracht) 2. Regionale Sport Toekomst Verkenning In 2019 werd in Drenthe een Regionale Sporttoekomstverkenning uitgevoerd.
Deze verkenning heeft de situatie ten aanzien van sport en bewegen in beeld gebracht. Op basis van deze informatie zijn er zes ambities geformuleerd ten aanzien van het bevorderen van de deelname aan sport- en bewegen en het versterken van de sportinfrastructuur in Drenthe. De input is meegenomen bij de opstelling van het meerjarenprogramma Drenthe, Samen Gezond in Beweging. De RSTV leverde veel data op, te vinden op: https://www.sportenbewegenincijfers.nl/beleid/werken-met-data/pilot-Drenthe. Eveneens gepubliceerd bij het Trendbureau Drenthe: Sport en Bewegen 3. Drenthe Beweegt Onderdeel van Drenthe, Samen Gezond in Beweging is het programma Drenthe Beweegt. De filosofie van dit programma is om samen de kracht van sport en bewegen te benutten om Drenthe nog beter te maken. Drenthe Beweegt is vanaf 2009 een samenwerking tussen de Drentse gemeenten en de provincie en andere partners (SportDrenthe, CMO STAMM, Drenthe College, GGD Drenthe, IVN, Topsport Noord, VNO NSW Noord). De gemeenten en de provincie zijn samen opdrachtgever. Opdrachtnemer is SportDrenthe. Met de nieuwe governance Drenthe, Samen Gezond in Beweging heeft de eerdere council niet meer de formele rol als eindverantwoordelijke. Twee keer per jaar zal een partner-bijeenkomst met de samenwerkingspartners georganiseerd worden.
Drenthe Beweegt 2021-2024 zet in op de volgende thema’s: - Meedoen - Gezond bewegen - Natuur - Sport 49
- Infrastructuur - Leren en borgen Vanuit Drenthe Beweegt start in 2022 het programma #Eenlevenlangbewegen, dat zicht richt op de 35% van de Drenten die graag willen bewegen, maar bij wie het nog niet lukt. Programmamanager: Hans Derks Achtergronddocumenten: - Voorstel Drenthe Beweegt 2021-2024 - E-magazine #eenlevenlangbewegen 4. SportDrenthe SportDrenthe is al sinds 1968 een organisatie die zelfstandig de belangen van de sport in de ruimste zin van het woord in de provincie Drenthe behartigt. De missie van SportDrenthe is: ‘met sport en bewegen Drenthe nog beter maken’. Samen met gemeenten, provincie, verenigingen, sportbonden en diverse andere organisaties willen we iedereen mee laten doen in een vitale samenleving. Sport en bewegen is hierbij essentieel; het heeft de kracht om burgers uit alle lagen van de bevolking letterlijk en figuurlijk in beweging te krijgen en te houden. Wij adviseren en ondersteunen organisaties bij de inzet van sport en bewegen. SportDrenthe heeft haar organisatie zo ingericht dat het met de kracht van sport en bewegen een bijdrage kan leveren aan de maatschappelijke opgaves in Drenthe.
Zij werken met hun teams (zowel provinciaal als lokaal (team buurtsportcoaches in verschillende Drentse gemeenten) aan: - Een duurzame sport- en beweeginfrastructuur; - Sport en bewegen voor iedereen bereikbaar en mogelijk maken; - Vitale sportverenigingen en sportclubs; - Sportieve evenementen en sportief recreatief aanbod voor de Drent en de toerist. - Drenthe Beweegt (zie uitleg bij 3). Opdrachtgevers: provincie Drenthe en Drentse gemeenten Directeur-bestuurder: Mieke Zijl Meer informatie: www.sportdrenthe.nl. 5. Inzet provincie De provincie Drenthe speelt graag een rol in het stimuleren van sport en bewegen, zo ook opgenomen in het coalitieakkoord 2019-2023. Dit onder ander door: - Opdrachtgever programma Drenthe Beweegt, samen met gemeenten - Ondersteuning en stimulering gehandicaptensport - Ondersteuning bijzondere sportvoorzieningen van provinciale betekenis - Stimulering door inrichting buitengebied - Ondersteuning netwerk en paden in het buitengebied - Ondersteuning topsportevenementen en sportevenementen. Portefeuillehouder Sport: gedeputeerde Henk Brink. 6. JOGG Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG) streeft naar een leefstijltransitie van ongezond naar gezond leven. Samen met gemeenten, landelijke partijen en professionals wordt gestreefd naar een samenleving waarin de omgeving verleidt tot gezond gedrag.
De JOGG-aanpak richt zich op alle kinderen en jongeren in Nederland van 0 t/m 19 jaar. 50
Alle Drentse gemeenten zijn JOGG-gemeente. Elke gemeente heeft een JOGG-regisseur die uitvoering geeft aan de JOGG-doelstellingen. De regiocoördinatie is belegd bij Drenthe Gezond (onderdeel Drenthe, Samen Gezond in Beweging). Per 2021 is de jaarlijkse bijdrage van gemeenten aan het landelijke JOGG-bureau afgeschaft. Meer informatie: jogg.nl. 7. Sportmonitor Gemeenten en provincie vinden het belangrijk om inzichtelijk te maken wat sport en bewegen doet. Door Trendbureau Drenthe en SportDrenthe wordt de Sportmonitor Drenthe opgesteld. Deze is beschikbaar vanaf begin 2022. De sportmonitor brengt bestaande kennis samen met de meest actuele cijfers en ontwikkelingen. 8. Lokale sportakkoorden In juni 2018 ondertekende minister Bruins samen met een groot netwerk uit de sport, gemeenten en maatschappelijke partners het eerste Nationale Sportakkoord ‘Sport verenigt Nederland’. Met als doel om de sport in Nederland verder te versterken en de kracht van sport beter te benutten voor een vitale en sociale omgeving. In navolging op het sportakkoord volgt in november 2018 ook het Nationale Preventieakkoord ‘Naar een gezond Nederland’. Gemeenten werden opgeroepen tot het vormgeven van lokale sportakkoorden. Elke Drentse gemeente heeft een lokaal sportakkoord opgesteld. Sommige gemeenten in samenhang met een preventieakkoord.
Een overzicht van de Drentse sportakkoorden is op de website van SportDrenthe te vinden. 9. Sportgala Jaarlijks wordt het Drents Sportgala georganiseerd door SportDrenthe, in samenwerking met de provincie en gemeenten. Gemeenten leveren de kandidaten aan voor het sportgala. De locatie van het Drents Sportgala rouleert tussen de drie host cities (Emmen, Hoogeveen en Assen). Gemeenten en provincie doen een jaarlijkse bijdrage aan dit Sportgala In 2021/2022 is een voorstel uitgewerkt over de toekomst en organisatie van het Sportgala Drenthe (bespring PHO Sport 10 februari 2022). 10. Nationale Sportweek – afspraken NOC*NSF Elk jaar wordt de NOC*NSF Nationale Sportweek georganiseerd. Doel is om zo veel mogelijk mensen te inspireren om een leven lang te genieten van plezier van sport. Elk jaar zijn er landelijk een aantal host cities. De afgelopen jaren zijn hierover afspraken gemaakt tussen NOC*NSF en Drenthe. De afgelopen drie jaar is het host cityschap ingevuld door: - 2021: Coevorden - 2020: Emmen - 2019: Assen Drenthe Beweegt speelde hierin een coördinerende rol en zorgde voor de boven lokale verbinding. Op dit moment worden er gesprekken gevoerd over de komende jaren. 11. European Community of Sports 2019 In 2019 werd Drenthe uitgeroepen tot beste sportregio van het jaar. Meer informatie: https://drenthe-beweegt.nl/cos2019/
51
12. VSG De Vereniging Sport en Gemeenten is een landelijke organisatie en bestaat uit een landelijk bestuur, 27 regio’s en de daarbij behorende platforms VSG-Noord, VSG-Oost, VSG-Zuid en VSGWest. De VSG ondersteunt gemeenten bij de integrale vormgeving, ontwikkeling en uitvoering van sportbeleid en accommodatievraagstukken. De regioadviseur (Jaco Zandhuis) van de regio Noord schuift vast aan bij het ambtelijk overleg Sport. Meer informatie: www.sportengemeenten.nl 13. Organisatie en financiering van de sport Het ministerie van VWS, NOC*NSF en de Vereniging Spot en Gemeenten (de partners van het Sportakkoord) vroegen de Nederlandse Sportraad om een analyse van de organisatie en financiering van de sport en om advies richting de toekomst. Op 19 november 2020 heeft NLsportraad het adviesrapport ‘De opstelling op het speelveld’ aangeboden. Tijdens het PHO Sport van 30 september 2021 heeft secretaris van de NLsportraad, Mariëtte van der Voet, het advies gepresenteerd. Op 25 november 2021 stuurde staatssecretaris Blokhuis de brief ‘verdieppingsslag advies opstelling op het speelveld’ naar de Tweed Kamer. De verdiepingsslag ten behoeve van het toekomstig sportbeleid en een mogelijke sportwet bestaat uit een voorbereidingsfase, een serie thematische bijeenkomsten en een analysefase. De analyse vindt plaats in de periode mei-juni 2022.
Vereniging Sport en Gemeenten en VNG hebben het initiatief genomen tot het instellen van een ‘VNG Expertiseteam Toekomst Sportbeleid’. In het PHO is afgesproken dat na de verkiezingen een brede bijeenkomst over dit proces wordt georganiseerd in Drenthe. 14. Corona Tijdens de coronapandemie is veel afstemming binnen het PHO gezocht over de maatregelen rondom sport en bewegen. Onder andere werd een gezamenlijk Drents protocol uitgewerkt voor sportactiviteiten zodat een eenduidige lijn in Drenthe werd gehanteerd en gecommuniceerd (april 2020). Het protocol is meerdere keren bij versoepelingen en verscherpingen geactualiseerd en aangepast.
52
Bijlage 1: tijdlijn portefeuille Sport
53
VDG Portefeuille Financiën
54
Inhoud
1.
Financiële positie Drentse gemeenten 2022 ................................................................................. 56 1.1 Tekorten nemen af, uitdagingen worden groter......................................................................... 56 1.2 Regionale verschillen zijn groter dan ooit ................................................................................... 56 1.3 Begroten blijkt dus lastig ............................................................................................................. 56 1.4 Conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................... 57
2.
Gemeentefonds ............................................................................................................................. 58 2.1 Algemeen..................................................................................................................................... 58 2.2 Herijking gemeentefonds ............................................................................................................ 58 2.3 Omvang van het gemeentefonds ................................................................................................ 58 2.4 Brede koppeling rijksuitgaven met gemeentefonds ................................................................... 59 2.5 Zaken die spelen met betrekking tot het gemeentefonds .......................................................... 59 2.6 Jeugdzorg..................................................................................................................................... 59 2.7 Opschalingskorting ...................................................................................................................... 59 2.8 Nieuwe financieringsmethodiek voor medeoverheden ............................................................. 60 2.9 Omvang gemeentefonds inclusief Regeerakkoord Kabinet Rutte IV ..........................................
60 2.10 Specifieke middelen Startnota Rutte IV .................................................................................... 61
3.
Sociaal domein .............................................................................................................................. 62 3.1. BUIG............................................................................................................................................ 62 3.2. Abonnementstarief .................................................................................................................... 62 3.3. Jeugdzorg en hervormingsagenda.............................................................................................. 63 3.4. Arbeidsmarkt, schulden en armoede ......................................................................................... 64
4.
Fysiek domein ................................................................................................................................ 65 4.1 Omgevingswet ............................................................................................................................. 65 4.2 Wonen ......................................................................................................................................... 65 4.3 Verduurzamen vastgoed ............................................................................................................. 65 4.4 Klimaatakkoord ........................................................................................................................... 66
5.
Corona ........................................................................................................................................... 66 Toelichting bijlage ‘Uitkomsten financiële stresstest Drentse gemeenten’ ..................................... 67
55
1. Financiële positie Drentse gemeenten 2022
Op 18 januari jl. kopte RTV Drenthe ‘Drentse gemeenten scoren financieel een voldoende’. Volgens BDO Accountants & Adviseurs (BDO) scoren alle Drentse gemeenten een voldoende. De Wolden krijgt een 10, Midden-Drenthe, Coevorden en Tynaarlo krijgen allen een 9. De overige Drentse gemeenten scoren een 7 of een 8. De gemeenten Meppel en Emmen (was een 5) krijgen met een 6 het laagste rapportcijfer binnen Drenthe. Hoe hoger het rapportcijfer, hoe gezonder de financiële positie van een gemeente. In de bijlage ‘Uitkomsten financiële stresstest Drentse gemeenten van BDO’ kunt u de uitkomsten raadplegen.
1.1 Tekorten nemen af, uitdagingen worden groter Dit blijkt uit de zogenoemde Benchmark Nederlandse Gemeenten van BDO, dat nu voor de vierde keer op rij de jaarrekeningen en begrotingen van alle gemeenten heeft doorgespit om inzicht te bieden in hun financiële positie. De tekorten van gemeenten nemen gemiddeld weliswaar af, maar de taken worden talrijker en duurder. Bovendien is de financiële positie van gemeenten in 2020 cosmetisch opgekalefaterd door incidentele meevallers: een miljard coronasteun vanuit het rijk, een incidentele rijksbijdrage van een miljard voor de jeugdzorg, en dan was er nog een handvol gemeenten die profiteerden van de verkoop van hun aandelen in Eneco. • • • •
Incidentele voordelen maskeren structurele problematiek Grote maatschappelijke opgaven vragen om vertrouwen tussen rijk en gemeenten Verschraling voorzieningen door afname investeringen van gemeenten Gemeenten verwachten gezamenlijk tekort van € 1 miljard euro
1.2 Regionale verschillen zijn groter dan ooit 35 procent van de gemeenten heeft een tekort, ondanks de extra steun voor corona en jeugdzorg. In totaal zijn er 230 gemeenten die een gezamenlijk overschot hebben van € 5,1 miljard. 125 gemeenten schreven in 2020 rode cijfers, voor een totaal aan € 509 miljoen. Overschotten zijn er met name in de provincies Zuid-Holland (dankzij de Enecoaandelen), Flevoland en Zeeland. Tekorten doen zich vooral voor in Utrecht, Drenthe en Limburg. Veel structurele problemen, waaronder de tekorten in het sociaal domein, zijn nog altijd actueel. De gemiddelde solvabiliteit, het financiële kengetal voor de mate waarin gemeenten in staat zijn om aan hun financiële verplichtingen te voldoen, krabbelde na jaren van daling in 2020 weer iets op dankzij incidentele financiële meevallers. Toch heeft nog steeds één op de vijf gemeenten een solvabiliteit onder de kritische grens van 20%. Het weerstandsvermogen laat zien in hoeverre er voldoende buffers zijn om mogelijke tegenvallers en risico’s op te vangen. Zo’n 8% van de gemeenten geeft aan dat de buffers niet toereikend zijn voor het opvangen van mogelijke tegenvallers.
1.3 Begroten blijkt dus lastig Naast de gerapporteerde cijfers over 2020 analyseerde BDO voor dit rapport ook de begrotingen 2022 van alle gemeenten. Die vertonen een somber beeld. Maar liefst 208 gemeenten verwachten over 2022 een tekort, 132 gemeenten gaan uit van een overschot in 2022. Per saldo verwachten gemeenten voor 2022 een tekort van € 1,0 miljard.
56
De verwachte tekorten per inwoner per provincie flink van elkaar verschillen. Zo verwachten gemeenten in de provincie Zuid-Holland een tekort per inwoner van maar liefst € 140, terwijl gemeenten in Drenthe uitgaan van een overschot per inwoner van € 19. Dit leidt ertoe dat de solvabiliteit van gemeenten met gemiddeld 4% afneemt. De grootste daling is begroot bij gemeenten in de provincies Zuid-Holland, Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Gelderland en Drenthe (-5%). Ook verwachten gemeenten fors meer schulden te moeten maken, gemiddeld 18%. BDO constateert op basis van de cijfers en een recente publicatie van het VNG dat gemeentelijke investeringen in wegen, scholen en andere voorzieningen de afgelopen twee jaar afnamen. Dit houdt zonder twijfel verband met de financiële tekorten van de afgelopen jaren en de hierdoor noodzakelijke bezuinigingen die gemeenten hebben doorgevoerd. Dat wordt nog extra versterkt door de impact van corona. Dit alles heeft een verschralend effect op de voorzieningen en het lokaal bestuur van de gemeenten. Grote maatschappelijke opgaven ondergraven financieel herstel. Gemeenten hebben een overvolle ‘to-dolijst’: de verduurzaming van de leefomgeving, de digitalisering van de samenleving, het woningtekort, de jeugdzorg & WMO de Omgevingswet en de nasleep van de coronacrisis. Het prille financieel herstel staat hierdoor stevig onder druk.
De al moeizame relatie met het rijk dreigt zo verder te verslechteren. Het vertrouwen en het onderling onbegrip moet terug tussen rijk en gemeenten.
1.4 Conclusies en aanbevelingen BDO een aantal conclusies en aanbevelingen opgenomen. BDO geeft aan dat, men helaas moet constateren dat onder de streep - ondanks meevallende cijfers – de conclusies evenals vorig jaar reden tot zorg bieden. Daarbij zijn de uitdagingen groter dan ooit, zoals ook blijkt uit het regeerakkoord. Het is aan het rijk en de gemeenten hier oplossingen voor te zoeken. Belangrijkste conclusies o Incidentele voordelen maskeren onderliggende problemen o Begrotingen van gemeenten onvoldoende voorspelbaar o Investeringen van gemeenten blijven achter o Roep om investeringen in woningbouw neemt toe, maar is niet zichtbaar in jaarrekeningen o Sociaal domein drukt zwaarder dan ooit op de jaarrekening o Gemeentelijke belastingen zijn gestegen om tekorten terug te dringen Belangrijkste aanbevelingen o Overheden hebben een lange termijnvisie nodig en stabiliteit vanuit het rijk o Gemeenten moeten kritisch zijn over het accepteren van opgaven o Herijk de manier waarop gemeenten worden gefinancierd o Weerbaarheid en wendbaarheid vergroten o De energietransitie vraagt om een gezamenlijke aanpak o Toenemende digitalisering en uitbreidend takenpakket vragen om een bedrijfsmatig fundament
Bronvermelding: - BDO Benchmark Nederlandse gemeenten 2022 (publicatie 18 januari 2022) - RTV Drenthe (publicatie 18-1-2022)
57
2. Gemeentefonds 2.1 Algemeen De uitkering uit het gemeentefonds is voor gemeenten de belangrijkste inkomstenbron. De uitkering is in principe vrij besteedbaar waarbij ook sprake is van medebewind. Denk hier aan de inkomsten op het gebied van jeugdzorg en de Wmo. Als uitgangspunt geldt dat gemeenten die uitkering uit het gemeentefonds ontvangen die nodig is voor de uitvoering van haar taken. Deze vindt zijn grondslag in artikel 2 van de financiële verhoudingswet en artikel 108 lid 3 van de gemeentewet.
2.2 Herijking gemeentefonds De uitkering aan gemeenten uit het gemeentefonds vindt plaats op basis van een verdeelmodel. Het huidige verdeelmodel is verouderd en past niet meer bij de huidige ontwikkelingen in de maatschappij. Daarnaast zijn de huidige parameters niet altijd eenvoudig te volgen. Met deze wetenschap heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in 2018 opdracht gegeven om een nieuw model in te voeren. In eerste instantie was de invoering voorzien in 2021. Als gevolg van langdurig onderzoek en onevenwichtigheden is deze invoering uitgesteld naar 2023. Het laatste advies van de Raad Openbaar Bestuur heeft op het meest actuele model kritiek. Deze kritiek is de reden waarom de VNG in een resolutie heeft aangegeven dat eerst de punten die uit het advies van de ROB moeten worden opgelost alvorens wordt ingestemd met de invoering. Of de invoering van dit nieuwe model per begrotingsjaar 2023 zal ingaan is op moment nog niet bekend. De verwachting is dat de minister van BZK binnenkort een besluit zal nemen.
2.3 Omvang van het gemeentefonds Het gemeentefonds bestaat uit twee delen. Een algemeen deel en een specifiek deel. Het algemene deel wordt uitgekeerd via de Algemene Uitkering en het specifieke deel middels Decentralisatie -en Integratieuitkeringen. Elke gemeente ontvangt een algemene uitkering. Of een gemeente ook Decentralisatie- en/of Integratieuitkeringen ontvangt is afhankelijk van de specifieke omstandigheden in die gemeente. Op basis van de laatstverschenen circulaire over het gemeentefonds (december 2021) is in onderstaand overzicht de omvang voor de twee hierboven genoemde onderdelen weergegeven:
Tabel 1 Omvang gemeentefonds (decembercirculaire 2021) Bedragen x € 1 miljoen
2022
2023
2024
2025
2026
Algemene uitkering Decentralisatie en integratie uitkeringen
30.674 5.126
29.334 4.949
29.905 4.896
30.773 4.830
31.801 4.778
Totaal gemeentefonds
35.800
34.283
34.801
35.603
36.579
58
Opmerkingen: 1. In de bovenstaande bedragen is nog geen rekening gehouden met het regeerakkoord Kabinet Rutte IV 2. Het team Financiën van uw gemeente kan u informeren over het jaarlijkse bedrag aan algemene uitkering en de jaarlijkse specifieke uitkeringen.
2.4 Brede koppeling rijksuitgaven met gemeentefonds De brede koppeling rijksuitgaven met het gemeentefonds wordt ook wel de ‘samen de trap op- trap af methode’ genoemd. Dit houdt in dat als het rijk meer of minder geld uitgeeft dan heeft dit ook gevolgen voor de omvang van het gemeentefonds. Een algemene vuistregel is: als het rijk € 1,0 miljard meer uitgeeft dan groeit de omvang van het gemeentefonds met € 100 miljoen. Als het rijk minder uitgeeft dan leidt dit tot een lagere algemene uitkering. Gedurende deze kabinetsperiode zal deze systematiek in stand blijven (zie ook opmerking bij onderdeel regeerakkoord). Of deze ook daarna blijft is afhankelijk van de in het regeerakkoord opgenomen doelstelling om te komen tot een nieuwe financieringsmethodiek voor de medeoverheden. We komen op dit voornemen verderop in dit document nog op terug (zie paragraaf nieuwe financieringssystematiek).
2.5 Zaken die spelen met betrekking tot het gemeentefonds Het overgrote deel van de gemeenten hebben de afgelopen jaren problemen gehad met het sluitend krijgen van de begroting. Bij de overdracht van de rijkstaken naar de gemeenten is een korting toegepast van € 450 miljoen op de jeugdzorg en in 2020 is het Wmo abonnementstarief zonder compensatie ingevoerd. Daarnaast stegen de kosten in het sociaal domein sterker dan de ontvangsten via de algemene uitkering. Daarnaast had de Rijksoverheid het plan om in het kader van de versterking van de bestuurskracht gemeenten te vormen van meer dan 100.000 inwoners. Tegelijkertijd met dit plan is ook een efficiencykorting doorgevoerd. Deze korting wordt de opschalingskorting genoemd.
2.6 Jeugdzorg Sinds de overdracht van de taken jeugdzorg aan gemeenten speelt de ontwikkeling van de kosten gemeenten parten. De gemeenten hebben de afgelopen jaren in gesprekken met de minister van VWS aangegeven dat er een hoger budget nodig is om de uitvoering van de wet adequaat vorm te geven. In 2021 heeft de VNG daarom arbitrage ingeroepen. De uitkomst van deze arbitrage is dat gemeenten door de Commissie van Wijzen in het gelijk gesteld zijn. Deze uitspraak is gebaseerd op artikel 2 FVW en artikel 108 lid 3 van de gemeentewet. Het demissionaire Kabinet Rutter III heeft daarom voor 2022 éénmalig geld beschikbaar gesteld. In het regeerakkoord van het nieuwe Kabinet Rutte IV is invulling gegeven aan de uitspraak van de Commissie van Wijzen door nu structurele middelen op te nemen. In het onderdeel jeugdzorg gaan wij hier verder op in.
2.7 Opschalingskorting De invulling van het oorspronkelijk plan om te komen tot de vorming van 100.000+ gemeenten is al door het Kabinet Rutte III als niet haalbaar beschouwd. Echter de taakstelling van uiteindelijk € 975 miljoen bleef. De afgelopen jaren heeft de VNG steeds aangegeven dat met het vervallen van dit ook deze korting van tafel moest komen te
59
vervallen. In het kader van de coronacrisis heeft het kabinet besloten deze korting tot en met 2022 te bevriezen op het niveau van € 300 miljoen. In het al eerdergenoemde nieuwe regeerakkoord wordt de verdere oploop naar € 975 miljoen tot en met 2025 bevroren. Hierdoor krijgen gemeenten oplopend naar 2025 € 675 miljoen extra. Of en in hoeverre de opschalingskorting ook na 2025 zal worden afgeschaft zal mede afhangen van de in het volgende onderdeel genoemde financieringssystematiek.
2.8 Nieuwe financieringsmethodiek voor medeoverheden In het regeerakkoord Rutte IV is een passage opgenomen om te komen tot een stabielere financiering en autonomie voor de medeoverheden te vergroten. Daartoe wordt in de komende jaren een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025 uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB in de beschouwing betrokken. Of hierin ook de opschalingskorting wordt betrokken is op dit moment niet aan te geven. Daarnaast is niet duidelijk of en in welke mate dit gevolgen heeft voor de invoering van de al eerdergenoemde herijking van het gemeentefonds.
2.9 Omvang gemeentefonds inclusief Regeerakkoord Kabinet Rutte IV Op basis van de voorlopige startnota Kabinet Rutte IV is een inschatting opgesteld van de middelen die worden toegevoegd aan het gemeentefonds. De definitieve invulling zal plaatsvinden bij de Rijksvoorjaarsnota 2022 en voor gemeenten zijn beslag krijgen in de meicirculaire 2022. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het ministerie van BZK op dit moment overweegt om in een eerder stadium informatie te publiceren in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen zodat deze kan worden betrokken bij de collegeonderhandelingen. In onderstaand overzicht hebben wij de additionele middelen uit het regeerakkoord die betrekking hebben op het gemeentefonds in beeld gebracht.
Tabel 2 Ontwikkeling gemeentefonds inclusief startnota Kabinet Rutte IV Bedragen x € 1 miljoen
2022
2023
2024
2025
2026
Gemeentefonds decembercirculaire 2021
35.800
34.283
34.801
35.603
36.579
598
1.088 -/-100 -/-150 400 1.454
1.800 -/-100 -/-150 535 1.365
2.018 -/-100 -/-150 675 1.258
840
150 30
-/-10 110 10
-/- 100 -/-15 70 10
-/- 500 -/-110 80 10
-/-500 -/-111 0 0
778
2.802
3.415
3.181
1.095
36.578
37.085
38.216
38.784
37.675
Regeerakkoord Rutte IV Accres Korting wbi Korting volkshuisvesting Opschalingskorting Jeugdzorg cf. arbitrage en hervormingsagenda Jeugdzorg taakstelling Rutte IV WMO Invoering omgevingswet Invoering wkb
Totaal regeerakkoord Rutte IV Verwachte stand gemeentefonds
0
60
0 867
2.10 Specifieke middelen Startnota Rutte IV Naast de algemene middelen is in het regeerakkoord ook sprake van specifieke middelen. Op welke wijze deze beschikbaar komen is op dit moment nog niet bekend. De verwachting is dat de meicirculaire 2022 daar meer duidelijkheid over verschaft. In onderstaande tabel zijn de macrobedragen weergegeven en worden verderop nader toegelicht.
Tabel 3 Specifieke middelen startnota Kabinet Rutte IV Bedragen x € 1,0 miljoen Uitvoeringskosten Klimaat Nationaal isolatieprogramma* Verduurzamen maatschappelijk Vastgoed** Regiodeals Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden Dak en thuislozen Dienstverlening/WAU/ICT Ondermijning Infra onderhoud mobiliteitsfonds*** Ontsluiting nieuwe woningen MF****
2022 73
2023 300
2024 500 180 100
2025 800 360 330
2026 800 562 464
50 100
250 250
300 500
300 500
0 500
65 200
65 600 40 350 900
65 600 80 875 1.000
65 600 100 1.150 1.000
65 600 100 1.125 800
75 0
*Voor 2022 t/m 2024 is voor gemeenten boven op de bestaande ISDE en SEEH-subsidies een bedrag beschikbaar van € 145,5 miljoen. De uitkeringsvorm aan de gemeenten loopt via specifieke uitkeringen. De gemeentelijke aanpak kan worden vormgegeven als onderdeel van de wijkaanpak of via een contingenten- /woningtypeaanpak, die door lokale of regionale marktpartijen wordt aangeboden. Verder kunnen gemeentemiddelen gericht inzetten voor lage inkomens (kwetsbare buurten) – dit is een selectiecriterium – en slecht geïsoleerde woningen. Dit kan bijvoorbeeld via vouchers. Gemeenten kunnen ervoor kiezen de vouchers in te zetten in wijken waar (vooral) lage inkomens wonen. De in bovenstaande tabel genoemde bedragen zijn aanvullend en loopt op tot in totaal € 3,35 miljard in 2030. **De middelen komen beschikbaar via een subsidieregeling en beoogt de eigenaren van maatschappelijk vastgoed tegemoet te komen in de kosten waarbij het energetisch renoveren of verduurzamen op natuurlijke momenten centraal staat. Voor 2022 t/m 2024 is hier € 358,7 miljoen beschikbaar. Wanneer en op welke wijze een beroep kan worden gedaan is op dit moment nog niet bekend. Het Ministerie van BZK en de Ministeries van OCW en VWS bereiden een nieuwe generieke subsidieregeling voor. De in bovenstaande tabel genoemde bedragen zijn aanvullend en loopt op tot in totaal € 2,75 miljard in 2030.
*** Alleen voor Rijk infra; onduidelijk is of deze middelen ook voor infra bij medeoverheden bedoeld zijn **** In afstemming met de provincie
61
3. Sociaal domein 3.1. BUIG Gemeenten krijgen een budget van het rijk om de bijstandsuitkeringen te betalen. Het bijstandsbudget (officieel: de gebundelde uitkering, maar ook bekend als Macrobudget BUIG) is bedoeld voor de reguliere bijstandsuitkeringen, maar ook voor de uitkeringen in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) en het levensonderhoud voor startende ondernemers (Besluit bijstandverlening zelfstandigen, BBZ). Daarnaast is het budget bedoeld om de loonkostensubsidies in het kader van de Participatiewet te betalen. Het macrobudget wordt volgens een verdeelmodel over gemeenten verdeeld. Gemeenten met meer dan 40 duizend inwoners vallen volledig onder het objectieve verdeelmodel. Bij gemeenten die objectief verdeeld worden, wordt op basis van objectieve factoren geschat wat gemeenten zullen uitgeven aan uitkeringen. Zo’n objectieve factor is bijvoorbeeld het aantal lager opgeleiden woonachtig in de gemeente. Gemeenten met minder dan 15 duizend inwoners vallen onder het historische verdeelmodel. Een historisch verdeelmodel houdt in dat de gemeenten een aandeel krijgen van het macrobudget dat is gebaseerd op hun aandeel in de bijstandsuitgaven bijstandsvolume van twee jaar geleden.
Gemeenten met 15 tot 40 duizend inwoners krijgen hun budget verdeeld op basis van een gemixt verdeelmodel; zij krijgen een deel historisch vergoed en een deel objectief. Er wordt bij de verdeling gekeken naar de kans op bijstand en loonkostensubsidie in een gemeente en de geschatte prijs van een uitkering in een gemeente. Het budget voor dak- en thuislozen en instellingsbewoners wordt historisch verdeeld. Jaarlijks vindt er onderhoud plaats aan het verdeelmodel. Het model voor 2021 is herschat op basis van meer actuele gegevens. Vervolgens is voor alle gemeenten opnieuw bekeken welk aandeel zij krijgen vanuit het landelijke budget. Als de objectief verdeelde rijksmiddelen niet geheel worden besteed mag een gemeente dit voordeel behouden. Het werkt ook de andere kant. Tekort op het budget moet een gemeente zelf opvangen. Gemeenten met een tekort boven een bepaalde drempel (7,5%) kunnen een beroep doen op een vangnetregeling.
3.2. Abonnementstarief Het nieuwe abonnementstarief in de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) houdt in dat mensen met een Wmo-voorziening een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage van € 19 per maand betalen. Voorheen was er sprake van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage die in veel gevallen fors hoger uitpakt dan de € 19. Het nieuwe abonnementstarief zorgt in veel gemeenten voor grote kostenoverschrijdingen op de begroting. Omdat het voor veel mensen met een zorgindicatie ineens veel goedkoper is geworden om gebruik te maken van huishoudelijke hulp of een scootmobiel vanuit de Wmo, zien gemeenten een aanzuigend effect. Gemeenten hebben een lobby gevoerd richting het rijk om de extra kosten gecompenseerd te krijgen. Ook is het advies dat er een afgewogen eigenbijdrageregeling komen, waarin inwoners naar draagkracht betalen voor de ondersteuning die ze nodig hebben.
62
In het regeerakkoord is het volgende aangegeven. Om met de stijgende hulpvraag hulp en ondersteuning beschikbaar te houden, moet er een eerlijkere eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp komen. Hiervoor gaan landelijke normen gelden. Daarbij is oog voor de betaalbaarheid van lage- en middeninkomens. De invoering van deze eigen bijdrage leidt vanaf 2025 tot een korting in het gemeentefonds van €95 mln. per jaar. Het vermoeden is dat het rijk hierbij veronderstelt dat dit bedrag door gemeenten wordt terugverdiend door inkomsten uit eigen bijdragen en lagere kosten van huishoudelijke hulp. De maatregel lijkt een reactie op de door het vorige kabinet aangekondigde beheersmaatregelen om de aanhoudende instroom tegen te gaan. De aanhoudende lobby vanuit de VNG/G40 heeft hieraan bijgedragen.
3.3. Jeugdzorg en hervormingsagenda Zoals bekend is er op verzoek van de VNG-onderzoek gedaan naar de tekorten op jeugdhulp. Een Commissie van Wijzen heeft op basis van het onderzoek bepaald dat het tekort een bedrag van € 1,8 miljard structureel is. De commissie heeft bepaald dat gemeenten voor dit bedrag gecompenseerd moeten worden. Deze compensatie bestaat enerzijds uit extra middelen vanuit het rijk en anderzijds uit te realiseren besparingen door aanpassingen binnen het stelsel. De extra rijksmiddelen zijn een aflopende reeks en de te realiseren besparingen zijn een oplopende reeks. De VNG en het rijk zijn het eens over deze te realiseren besparingen. Deze besparingen moeten door middel van een zogenaamde Hervormingsagenda vorm worden gegeven.
Tabel 4 Extra middelen jeugdzorg x € 1 miljoen Rijksmiddelen Besparingen
2022 al ontv. 214 214
2023 1.454 374 1.828
2024 1.365 463 1.828
2025 1.258 570 1.828
2026 867 961 1.828
In het regeerakkoord komen nu in lijn met de uitspraak van de Commissie van Wijzen de extra rijksmiddelen vanaf 2023 beschikbaar. Over 2022 hebben we deze al ontvangen. Vanaf 2024 wil het kabinet echter vanuit de hervormingsagenda Jeugd extra beleidsmaatregelen nemen. Er wordt gedacht aan een mogelijke combinatie van het normeren van de behandelduur en een eigen bijdrage. Daarnaast spreekt men van inzet op het voorkomen van zwaardere (jeugd)zorg door realisatie van goede, tijdige en passende jeugdzorg, met een belangrijke rol voor de eigen omgeving. Hierbij moet worden afgebakend wat onder jeugdzorg verstaan wordt, en moeten gemeenten in staat worden gesteld dit te leveren. Gespecialiseerde jeugdzorg (waaronder jeugd-GGZ) wordt centraler ingekocht en de jeugdbeschermingsketen verbeterd. Onder aan de streep betekent dit een extra korting van €500 miljoen euro op het budget voor uitvoering van de Jeugdwet voor gemeenten. De totale beoogde besparing wordt daarmee ongeveer €1,5 miljard.
Tabel 5 Extra middelen jeugdzorg (zie ook tabel 2 gemeentefonds) x € 1 miljoen Rijksmiddelen Besparingen
2022 al ontv. 214 214
63
2023 1.454 374 1.828
2024 1.265 563 1.828
2025 758 1.070 1.828
2026 367 1.461 1.828
Deze extra korting wordt beschouwd als een schending van de uitspraak die de Commissie van Wijzen na arbitrage heeft gedaan. Daarin wordt gesteld dat gemeenten gecompenseerd moeten worden voor de kosten voor uitvoering van de Jeugdwet. De op voorhand ingeboekte korting door het rijk, loopt vooruit op de opbrengsten van het proces waarin rijk, gemeenten en partners de Hervormingsagenda Jeugd vormgeven. De korting is wat gemeenten betreft daarom in strijd met het besluit van de Commissie van Wijzen. Vanuit de VNG en G40 vindt een intensieve lobby plaats om het rijk het besluit van de commissie van Wijzen te laten naleven. Uitgangspunt daarbij, is dat het financieel beheersbaar maken van jeugdzorg moet plaatsvinden vanuit een weloverwogen fundamentele hervorming binnen de Hervormingsagenda Jeugd, in samenspraak met rijk, gemeenten en partners. De afgekondigde beleidsmaatregelen moeten in dat licht nader worden bezien. NB. Inmiddels heeft de Eerste Kamer een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen deze € 500 miljoen extra korting van tafel te halen. Hoe het kabinet hiermee om zal gaan is nog niet bekend. De regering heeft echter geen meerderheid in de Eerste Kamer dus de kans is groot dat de extra bezuiniging ook echt van tafel gaat.
3.4. Arbeidsmarkt, schulden en armoede In het regeerakkoord wordt €500 mln. per jaar beschikbaar gesteld voor het hervormen van de arbeidsmarkt, re-integratie en het aanpakken van armoede en schulden. Hoeveel hiervan voor gemeenten beschikbaar komt is nog niet bekend en ook niet op welke wijze dit beschikbaar komt.
64
4. Fysiek domein 4.1 Omgevingswet De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Ook biedt de Omgevingswet gemeenten de mogelijkheid om met overzichtelijkere regels de leefomgeving meer in samenhang in te richten. Het biedt daarnaast meer ruimte voor lokaal maatwerk en leidt tot een betere en snellere besluitvorming. Tegelijkertijd wordt ook de Wet Kwaliteitsborging bouw en woningtoezicht van kracht. In decembercirculaire 2021 is voor dit onderdeel éénmalig € 10 miljoen beschikbaar gesteld. De invoering van deze twee wetten is opnieuw uitgesteld naar 1 oktober 2022 of 1 januari 2023. In het regeerakkoord zijn voor de invoering middelen opgenomen (zie tabel 2 specifieke middelen startnota Kabinet Rutte IV).
Tabel 6 Invoeringskosten omgevingswet startnota Kabinet Rutte IV
4.2 Wonen Ten behoeve van een nieuwe woningbouwimpuls worden middelen gereserveerd. De impuls is gericht op het realiseren van extra woningen, deels in het betaalbare segment. Uitgaande van 50% cofinanciering door medeoverheden en 6.000 euro per woning, zoals in eerdere tranches levert deze maatregel sneller 170.000 extra woningen op. Hiervoor wordt incidenteel 1 miljard euro uit het gemeentefonds genomen over een periode van tien jaar. Dit bedrag wordt vervolgens in jaarlijkse tranches van 100 miljoen euro als specifieke uitkering verstrekt aan medeoverheden. Voor het volkshuisvestingfonds wordt extra middelen gereserveerd. Het fonds is gericht op herstructurering van de bestaande woningvoorraad in kwetsbare gebieden door middel van een impuls in leefbaarheid, (maatschappelijke) voorzieningen en buitenruimte. Ten laste van het gemeentefonds voor medeoverheden wordt over een periode van vier jaar incidenteel 600 miljoen euro uitgenomen en dit bedrag wordt ten behoeve van medeoverheden beschikbaar gesteld in vier jaarlijkse tranches van 150 miljoen euro. Nb. In het onderdeel gemeentefonds is in het overzicht van de additionele middelen (accres) al rekening gehouden met de hierboven genoemde uitnames.
4.3 Verduurzamen vastgoed Bij de behandeling van de miljoenennota 2022 zijn middelen beschikbaar gesteld voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het gaat hier om een bedrag van € 1,3 miljard voor de periode 2022- 2024. Een deel van deze middelen komen beschikbaar voor gemeenten. Het gaat hier om € 358,7 miljoen voor de versnelde aanpak van maatschappelijk vastgoed De middelen komen beschikbaar via een subsidieregeling en beoogt de eigenaren van maatschappelijk vastgoed tegemoet te komen in de kosten waarbij het energetisch renoveren of verduurzamen op natuurlijke momenten centraal staat. Wanneer en op welke wijze een beroep kan worden gedaan is op dit moment nog niet bekend. Het
65
Ministerie van BZK en de Ministeries van OCW en VWS bereiden een nieuwe generieke subsidieregeling voor. In het regeerakkoord zijn additionele middelen toegevoegd voor het verduurzamen vastgoed. Er komt additionele stimulering t/m 2030 beschikbaar. Hiervoor is cumulatief € 2,75 miljard gereserveerd. Zoals eerder genoemd is de wijze van uitkering nog niet bekend (zie ook tabel 2 Specifieke middelen startnota Rutte IV).
4.4 Klimaatakkoord Het bureau AEF heeft een landelijk onderzoek gedaan naar de uitvoeringskosten voor de lagere overheden bij de uitvoering van het klimaatakkoord. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft hier vervolgens richting het rijk een advies over gegeven in de vorm van een rapport. De conclusie is: Gemeenten, provincies en waterschappen hebben de komende drie jaar (2022-2024) 1,8 miljard euro nodig voor de uitvoering van het klimaatakkoord om de extra taken te kunnen uitvoeren die daaruit voortkomen. Van Parijs naar praktijk: 1,8 miljard euro nodig voor lokale uitvoering Klimaatakkoord | Nieuwsbericht | Raad voor het Openbaar Bestuur (raadopenbaarbestuur.nl) In het nieuwe regeerakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor de uitvoeringskosten echter wel in een ander tempo dan de ROB adviseert. Bovendien is ook nog eens de oorspronkelijke ambitie verhoogd. Dit lijkt te gaan wringen. De volgende reeks staat in het regeerakkoord.
Tabel 7 Uitvoeringskosten klimaatakkoord startnota Kabinet Rutte IV Macro-bedragen volgens regeerakkoord x € 1 miljoen Uitvoeringskosten klimaatakkoord (ca.85% voor gemeenten)
2022 0
2023 300
2024 500
2025 800
2026 800
Van de genoemde bedragen is ongeveer 85% voor gemeenten. Voor het jaar 2022 is in het gemeentefonds € 40 miljoen voor gemeenten beschikbaar. De verdeling is nog niet bekend gemaakt. De VNG is nog in overleg met het kabinet om dit bedrag te verhogen.
5. Corona Voor de effecten van Corona (hogere uitgaven of lagere inkomsten) worden gemeenten gecompenseerd door het rijk. In 2020 en 2021 zijn diverse middelen ontvangen. Ook voor het jaar 2022 is op enkele onderwerpen voorzien dat rijksmiddelen zullen komen. De ontvangen rijksmiddelen zijn enerzijds voor de gemeente zelf (bv inkomstenderving, meerkosten zorg) en anderzijds voor instellingen c.q. maatschappelijke organisaties of inwoners (bv cultuur, dorpshuizen, middelen voor de arbeidsmarktregio, SW-bedrijven). Ook zijn er enkele specifieke middelen op het sociaal domein (TOZO-specifieke uitkering, middelen TONK, middelen re-integratie/schulden/ armoede). Hierna een schematisch overzicht van de VNG-site en de link: Afspraken financiële compensatie gemeenten | VNG
66
Toelichting bijlage ‘Uitkomsten financiële stresstest Drentse gemeenten’ (Bron: interactieve analysetool op www.bdo.nl/analysetoolgemeenten)
Jaarlijks stelt BDO Accountants & Adviseurs de Benchmark Nederlandse gemeenten samen. Met behulp van voorgeschreven financiële kengetallen 1 kan een indicatie gegeven worden van de financiële positie van de Drentse gemeenten. De kengetallen geven inzicht in de ontwikkeling van de financiële (vermogens)positie van gemeenten. De uitkomsten van de kengetallen leiden tot een rapportcijfer. Het betreffen de volgende financiële kengetallen: o
o
o
Solvabiliteit: De solvabiliteit wordt berekend op basis van het eigen vermogen en de totale bezittingen van de gemeente. Hoe hoger de solvabiliteit, des te groter de buffer die gemeenten hebben om tegenvallers op te vangen. Solvabiliteit is een belangrijke graadmeter voor de financiële gezondheid van gemeenten. Een solvabiliteit < 20% wordt beoordeeld als meest risicovol; >50% als minst risicovol. Netto schuldquote na correctie verstrekte leningen: De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de gemeentelijke schuldenlast ten opzichte van de totale baten. Het geeft een indicatie van de mate waarin de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie drukken. Een laag percentage is veelal gunstig. Omdat bij leningen onzekerheid kan bestaan of ze allemaal worden terugbetaald, wordt dit kengetal zowel berekend inclusief (gecorrigeerd) als exclusief de doorgeleende gelden. Een schuldquote van >130% wordt beoordeeld als meest risicovol; < 90% als minst risicovol. Grondexploitatie: De grondexploitatieratio geeft aan hoe groot de waarde van de grond is ten opzichte van de baten. Hoe minder grond een gemeente verkoopt, hoe hoger de grondpositie en hoe hoger de boekwaarde. Een ratio van <20 wordt beoordeeld als minst risicovol; >35 als meest risicovol.
1 Verplicht voorgeschreven op grond van het BBV en opgenomen in de begroting en jaarstukken.
67
o
o
Structurele exploitatieruimte: Bij de structurele exploitatieruimte helpt mee om te beoordelen welke ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen. Een ratio van > 0 wordt beoordeeld als minst risicovol; <0 als meest risicovol Belastingcapaciteit: De belastingcapaciteit geeft inzicht in hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde. De belangrijkste belastingen die gemeenten heffen zijn de onroerendezaakbelastingen op huizen en bedrijfspanden en de riool- en afvalstoffenheffing. Als dit kengetal laag is, betekent het dat een gemeente meer inkomsten uit belastingen zou kunnen verwerven. Een ratio van <95 wordt beoordeeld als minst risicovol; >105 als meest risicovol.
68
69