1.14.2 Bijlage College - 11.2 Bijlagen U&H-strategie Drenthe
Tekst van het document
Aanbeveling 13: Ontwikkel een risicomatrix voor de IPPC-locaties en voer deze in. Voor de milieulocaties met een IPPC-installatie gelden specifiek gestelde bezoekfrequenties vanuit de Mor, die betrekking hebben op het individuele bedrijf in plaats van een branche. Deze bezoekfrequentie moet gebaseerd zijn op de aangewezen indicatoren: - De mogelijke milieurisico’s; - Het naleefgedrag; - De aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsystem. Dat maakt het onmogelijk om deze groep binnen de matrix af te wegen en vraagt om maatwerk. Zorg voor de implementatie met aandacht voor registratie op de benoemde indicatoren, zodat deze inzetbaar is voor de programmering vanaf 2021. Aanbeveling 14 : Gebruik de mate van naleving op locatieniveau binnen de toezichtstrategie. Bij het interviewen van de bestuurders is in circa 50% van de gesprekken nadrukkelijk al de wens aangegeven om het RGT verder uit te werken op het niveau van de milieulocatie. De risicomatrix is momenteel georiënteerd op de benoemde subbranches. Als de mate van naleving in beeld is gebracht op locatieniveau is er vervolgens een verdieping van het effectgericht werken mogelijk:
23 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht -
De wijze van het bepalen van de steekproeven is nu gebaseerd op willekeur maar kan dan op basis van mate van naleving plaatsvinden. - Bij het inplannen van controlebezoeken van de milieulocaties van een hoog geprioriteerde branche kunnen de milieulocaties met een goede naleving uitgefilterd worden, waardoor weer tijd overblijft om milieulocaties van andere branches te bezoeken. - Binnen de subbranches behorend bij de procesindustrie komen slechts enkele grote bedrijven per subbranche voor. Bij deze veelal grote bedrijven wordt ook al gewerkt met locatie toegesneden toezichtsplannen. Een uitwerking op locatieniveau is daarom voor deze categorie nu al wenselijk. Een overweging zou kunnen zijn om deze bedrijven vervolgens volledig te monitoren op locatieniveau en niet meer op brancheniveau. Randvoorwaarde voor deze uitbouw is een succesvolle registratie op brancheniveau.
Aanbeveling 15 : Omschrijf de wijze van samenwerking met onze ketenpartners binnen de systematiek van RGT en betrek hierbij de wijze van gebruik van Inspectieview milieu. Deze uniforme beschrijving kan vervolgens weer worden gebruikt bij de uitwerking van brancheplannen. Binnen Inspectieview Milieu kan bij een locatie worden nagegaan in hoeverre onze ketenpartners bij de betreffende locatie toezicht hebben uitgevoerd en wat daar de resultaten van zijn. Zo kunnen onze aangesloten ketenpartners ook informatie ophalen over onze controleresultaten. Hoewel we als dienst zijn aangesloten op Inspectieview Milieu is het gebruik daarvan nog niet eenduidig geïmplementeerd in de uitvoering van het toezicht en de handhaving.
4.5 Ontwikkel de risicomatrix door Aanbeveling 16: Blijf kritisch op het functioneren van de risicomatrix bij de verdere doorontwikkeling van het RGT. Met de risicomatrix is een eerste stevige aanzet gegeven om risicogericht te kunnen gaan werken. Het is van belang dat deze matrix een goede opbouw kent om op basis van data de juiste conclusies te kunnen stellen. Juist bij de doorontwikkeling is een kritische blik hierop van belang om te komen tot een beproefd model waarop onze deelnemers en onze toezichthouders kunnen vertrouwen. Aanbeveling 17 : Test de werking van de draaiknop binnen de matrix uit. De matrix is uitgerust met een extra draaiknop die bedoeld is om tijdens het programmajaar bij te sturen, waardoor transparant wordt gemaakt hoe de bijsturing plaatsvindt en welk effect (vrijkomen van beschikbare uren) het vervolgens heeft. Het is aan te bevelen een dergelijke situatie te simuleren om zo na te gaan of de knop in de praktijk werkt. Aanbeveling 18 : Onderzoek een verdere uitbouw van de risicomatrix met onderdelen behorend bij de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het toetsingskader meer integraal en breder en kunnen mogelijk ook andere aspecten betrokken worden bij de effect-kans-risico-beoordeling binnen de matrix. Voorbeelden hiervan zijn natuur (Provincie Drenthe) en gezondheid (GGD).
Aanbeveling 19 : Maak de risicomatrix sluitend voor de aanwezige subbranches in Drenthe. Het onderzoek op naleving van Ynformed heeft aan het licht gebracht dat niet alle aanwezige subbranches in de risicomatrix zijn ondergebracht. Dit geldt voor 43 subbranches, die in totaal ca. 650 milieulocaties vertegenwoordigen. Deze 650 milieulocaties zullen dus ook ondergebracht en beoordeeld moeten gaan worden in de risicomatrix via een subbranche. Aanbeveling 20: Maak de branche-indeling van de risicomatrix eenduidig. Het onderzoek van Ynformed geeft weer dat milieulocaties met daaraan gekoppeld een bepaalde SBIactiviteit kunnen vallen onder meerdere subbranches binnen de risicomatrix. Gekozen is vervolgens om ze in beide groepen mee te nemen in de analyse. Het is wenselijk om de inrichting meer eenduidig te maken zodat een SBI-activiteit bij 1 subbranche wordt betrokken in de analyse en monitoring
24 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Aanbeveling 21: Bepaal of bij de evaluatie van het programmajaar de beoordeling van de matrix alleen het naleefgedrag moet worden bijgewerkt of dat ook de andere indicatoren opnieuw moeten worden beschouwd. Doel van het inzetten van de risicomatrix is om juist daar toezicht te houden waar de risico’s het grootst zijn. Wat betekent dat voor het actueel houden van de matrix? Beweegt de matrix in voldoende mate mee op basis van nieuwe resultaten? Kan worden volstaan met het bijwerken van het nalevingscijfer of dienen alle indicatoren opnieuw beschouwd te worden? Hebben de indicaoren de juiste weging binnen de risicomatrix? Zo is het wenselijk om de indicator Ondermijning kritisch te bekijken. Het Bor zegt hierover in art. 7.2 lid 5 : Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens de wet en de betrokken wetten bepaalde in de gevallen waarin de zorg voor de handhaving daarvan aan hen is opgedragen. Uit dit artikel is af te leiden dat ondermijning, voor zover het gaat om milieucriminaliteit een plek zou moeten hebben in de matrix, maar daarmee lijkt de grens voor het meenemen in de matrix vanuit het wettelijk kader bereikt. Het oppakken van ondermijning is een taak voor het bevoegde gezag, het OM en politie.
4.6 Professionaliseer de monitoring, registratie en evaluatie Aanbeveling 22: Maak gebruik van de handreiking: Effecten van toezicht en handhaving meten, 2011, van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid (CCV). In deze handreiking wordt de gehele toezicht cyclus behandeld en kan daarmee een bijdrage leveren bij het met voldoende kwaliteit vormgeven van het meten van effecten. Aanbeveling 23: Betrek de mate van naleving van de vergunningplichtige locaties in het nalevingscijfer. De huidige matrix bevat een nalevingscijfer die gebaseerd is op de naleving op basis van het LOS en de naleving op basis van DC. De checklisten van DC zijn gebaseerd op de voorschriften van het Activiteitenbesluit. In DC wordt ook gelijk de beoordeling in het kader van de LHS vastgelegd. Het toezien op de voorschriften van een vergunning werkt echter niet via DC (uitgezonderd de agrarische bedrijven). Daardoor zijn de vergunningplichtige milieulocaties in het nalevingscijfer niet goed vertegenwoordigd. Dat geldt dus ook voor cijfers die betrekking hebben op de registratie van de LHS. Een vergunningplicht betekent al snel dat er een groter risico voor de fysieke leefomgeving geldt dan bij een meldingsplichtige milieulocatie.
Er zal gezocht moeten worden naar een manier van registreren waarbij ook de vergunningplichtige milieulocaties evenredig vertegenwoordigd zijn in het nalevingscijfer en de LHSmonitoring. Aanbeveling 24: Standaardiseer de opbouw van de brancheplannen. De risicomatrix wordt als basis gebruikt bij de verdere uitwerking van het toezicht per subbranche. De kernvragen die de basis vormen voor ieder brancheplan in 2020 zijn: 1. Wat zijn de bepalende indicatoren voor het risico op milieueffect; 2. Hoe sterk speelt ondermijning mee en op welke wijze; 3. Hoe sterk speelt de bestuurlijk/maatschappelijk impact mee en op welke wijze; 4. Hoe moet bovenstaande doorwerken in de bijbehorende checklisten voor het RGT en de steekproef. Bij het volledig doorlopen van een programmajaar zullen de brancheplannen ook de evaluatieresultaten gaan betrekken. Na volledige doorontwikkeling vormt het brancheplan het transparante kader waarin de beoordeling van de risicomatrix wordt gekoppeld aan de uitvoeringsresultaten. Vervolgens geeft het inzicht in de analyse welke toezichtsvorm voor het betreffende onderdeel het meest effectief is om de naleving te bevorderen. Deze inzet kan ook betekenen dat een aanvullende inzet vanuit een specialisme gewenst is, of dat er eerst een stuk opleiding nodig is.
Aanbeveling 25: Overweeg een registratie van de activiteiten vanuit het toekomstige Bal bij de milieulocaties om aan te sluiten bij het centraal zetten van de activiteiten binnen de Omgevingswet. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) behorend bij de omgevingswet geeft per benoemde deelactiviteit voorschriften tot naleving. Het begrip inrichting verdwijnt en de activiteit wordt centraal gezet. Door deze activiteiten te gaan koppelen aan de milieulocaties ontstaat uiteindelijk de mogelijkheid om op een thematisch niveau (deelactiviteit) te analyseren en te programmeren.
25 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Interessant wordt het als de ingediende meldingen waarin de gemelde activiteiten worden opgesomd automatisch zouden kunnen worden ingelezen in het LOS. Kanttekening: DC is momenteel al op deelactiviteit ingericht en biedt derhalve al mogelijkheden op het gebied van analyse voor naleving. Programmering op basis van een bepaalde deelactiviteit is met gebruik van DC niet mogelijk Aanbeveling 26: Heroverweeg de wijze waarop het cijfer van de naleving is opgebouwd. Ynformed heeft in samenwerking met de RUD een systematiek gebruikt voor het bepalen van het naleefgedrag. Deze is gebaseerd op twee analyses, een vanuit DC en een vanuit ons zaaksysteem met daar aan vast een berekeningssystematiek. Op het moment dat de indicatoren voor de monitoring en de inrichting van de zaakafhandeling in LOS helder zijn, is het aan te bevelen om nogmaals stil te staan bij de wijze van berekenen. De bepaling van het naleefgedrag dient zo eenvoudig mogelijk te zijn, waardoor we in staat zijn om dergelijke analyses op eigen kracht te verrichten. Aanbeveling 27 : Betrek de brancheorganisaties in Drenthe bij de brancheplannen en bij de resultaten aan het eind van het jaar (evaluatie). Het actief betrekken van een vertegenwoordiging vanuit de branches past goed bij het verder professionaliseren van het RGT.
4.7 Risicogericht werken verder uitrollen binnen de uitvoering van onze kerntaken Aanbeveling 28: Werk het risicogericht toezicht voor asbest en bodemtoezicht verder uit. Uit een eerste verkenning is geconstateerd dat ook voor het toezicht op asbest en het bodemtoezicht een vorm van risicogericht toezicht kan worden ontwikkeld. Door dit verder uit te werken is het ook voor deze vormen van toezicht mogelijk om op basis van een transparante risico-inschatting en bijbehorende keuzes het toezicht meer te richten op de elementen/milieulocaties waar de risico’s het grootst zijn. Aanbeveling 29: Ontwikkel een risicomatrix om risicogericht werken onderdeel te laten zijn van de kerntaken van Omgevingsdienst Drenthe. Het is raadzaam om te onderzoeken of risicogericht werken een mogelijkheid is voor de overige kerntaken van de Omgevingsdienst Drenthe. Deze kerntaken zijn belegd bij de teams Advies, Bodem, Juridisch en Vergunningverlening. Aan de hand van een risicomatrix kunnen prioriteiten voor Vergunningverlening worden vastgesteld. Een voorbeeld hiervan zijn de vergunningaanvragen en meldingen, waarbij het niet naleven van de voorschriften leidt (of kan leiden) tot grote schade aan de leefomgeving, de volksgezondheid, de veiligheid en natuur. Deze worden intensiever behandeld dan vergunningaanvragen en meldingen waarbij dit minder is.
Met een vergunningenstrategie wordt gestreefd om te komen tot een integrale vergunningverlening die op een efficiënte en gestructureerde wijze vorm wordt gegeven. Ook de kwaliteit van onderzoeksrapporten die bij de teams Bodem en Advies binnen komen is verschillend en is afhankelijk van de kwaliteit van het onderzoeksbureau. Door de focus en inzet te leggen op de rapporten van de onderzoeksbureaus, waarvan bekend is dat de kwaliteit van de rapporten veelal onvoldoende is, wordt invulling gegeven aan risicogericht werken. Bovenliggend effect is dat de opstellers van slechte vergunningaanvragen en onderzoeksrapporten meer aandacht krijgen en dat de kwalitatief goede beloond worden met minder aandacht. Kortom “Doen wat nodig is!”. Aanbevolen wordt om in 2020 de mogelijkheden van risico gericht werken verder te onderzoeken en wanneer mogelijk te verankeren in beleid.
26 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht
5 Van output naar outcome 5.1 Het kwaliteitsmodel Al ruim voor de oprichting van de RUD Drenthe werd er op basis van de gesloten package deal (juni 2009) nagedacht over de ontwikkeling van outcomecriteria. In de package deal hebben het ministerie van VROM, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de VNG afspraken gemaakt over de verbetering Figuur 7 : lineair proces model (bron BMC, Eindrapport output en outcomegerichte kwaliteitscriteria)
van de kwaliteit van de uitvoering van VROM-taken. De kwaliteitsverbetering gebeurt enerzijds door het formuleren van kwaliteitscriteria en anderzijds door het oprichten van regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s). Op 1 november 2010 resulteerde dit in de publicatie Eindrapport Output en Outcome gerichte kwaliteitscriteria, van BMC in opdracht van de VNG/IPO/VROM. Dit rapport vormt samen met de Handleiding implementatie output- & outcomecriteria (2012, VNG) een mooi vertrekpunt om het meten van outcomeresultaten ter hand te nemen. De term outcome is gerelateerd aan het procesmodel, waarin de 5 verschillende invalshoeken wat betreft het leveren van de beoogde kwaliteit in afhankelijkheid met elkaar staan weergegeven. De figuur is inmiddels al wel wat verouderd wat betreft de grondslag van de criteria.. Zo zijn de procescriteria inmiddels opgenomen in wet (Wabo, Bor en Mor). Wat betreft de kritieke massa is inmiddels een Kwaliteitscriteria 2.2 geldig, die zich toespitst op de kritieke massa nodig binnen een organisatie. In het kort worden de verschillende termen hieronder toegelicht.
Input: Is de organisatie voldoende deskundig, is zij berekend op de taken die zij moeten uitvoeren, is de transparantie goed geborgd? Wat is kwaliteit van de organisatie als geheel? Wat moeten wij hiervoor doen en wat hebben we nodig? Wat is de inzet? Hoeveel uren wordt er besteed, worden de uren geleverd, blijven deze binnen het budget? Hoe wordt de inzet bepaald voor de VTH-taken? Throughput: Hoe is het verloop van de processen waarbinnen producten en diensten tot stand komen? Bijvoorbeeld: Op welke wijze worden de bedrijven geselecteerd voor de jaarprogrammering? Hoe wordt een milieucontrole uitgevoerd? Wat is de responstijd op klachten? Wat is de gemiddelde doorlooptijd van de afhandeling van een vergunningaanvraag en van een verzoek tot handhaving? Output: Wat is er te zeggen over de realisatie en kwaliteit van vooraf afgesproken producten en diensten? Deze worden in de regel uitgedrukt in kwantitatieve eenheden die aan bepaalde specificaties (zoals kwaliteitseisen) voldoen.
27 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht
Outcome: De omgevingskwaliteit. Wat is het maatschappelijk effect van onze wijze van uitvoering van onze VTH-taken op basis van het vastgestelde beleid? Wat krijgen we als reactie vanuit de leefomgeving? Is dit te relateren aan onze uitvoering? Uit werkconferenties en consultaties van bestuurders blijkt dat er vooral behoefte is aan output- en outcomecriteria op het gebied van: • Dienstverlening; • Uitvoeringskwaliteit; • Veiligheid; • Financiën; • Duurzaamheid. Met de komst van de Omgevingswet zou daar bijvoorbeeld nog gezondheid bij kunnen komen. In de onderstaande tabel zijn een aantal voorbeelden van outcomecriteria opgenomen. In de voorbeelden is terug te zien dat het vaak nodig is om over een langere periode (meer programmajaren) heen te kijken. Tabel 2 : voorbeelden indicatoren bij het meten van een maatschappelijk gewenst effect Maatschappelijke effect / criterium
indicator
Veiligheid bij risicovolle milieulocaties
Tendens van aantal overtredingen op veiligheidsvoorschriften bij milieulocaties binnen de subbranches die hoog scoren op risico’s veiligheid
Veiligheid bij risicovolle milieulocaties
Belevingsonderzoek omwonenden
Veiligheid bij de bedrijven
Tendens in het aantal calamiteiten en ongewone voorvallen
Goede naleving op stikstof emissie
Tendens van aantal overtredingen op emissiebepalende voorschriften bij de verschillende subbranches van intensieve veehouderij, of Tendens in de verhouding van het aantal veehouderijen waarbij de naleving op emissiebeperkende voorschriften bij de eerste controle in orde is of De tendens in het aandeel emissiebeperkende stallen binnen de intensieve veehouderij
Mate van tijdigheid besluitvorming
Het aantal aanspraken in het kader van de Wet Dwangsom
Mate van grip op hinder veroorzakende milieulocaties
Tendens in het aantal handhavingsverzoeken
Bijdrage aan de omgevingskwaliteit
Bijvoorbeeld de CO2 –reductie binnen een branche Tendens van aantal geluidsklachten bij terugkomende evenementen
Klanttevredenheid w.b. dienstverlening (burgers, bedrijven, belanghebbenden)
Klanttevredenheid is in feite een samengestelde outcome. Het is samengesteld uit alle aspecten die de klant meeweegt in de beoordeling. Tevredenheidsonderzoek. Als indicator.
5.2 Draagt het RGT bij aan een schone en veilige fysieke leefomgeving? Het antwoord op die vraag zal gezocht moeten worden binnen de fysieke leefomgeving zelf, wat laat deze zien? Het leggen van relaties tussen het uitvoerings- en handhavingsbeleid en de ontwikkelingen binnen de fysieke leefomgeving is echter allesbehalve gemakkelijk. Toch is het van belang dat er een antwoord wordt gegeven en kennis wordt opgedaan met betrekking tot de vraag of het gevoerde beleid bijdraagt en zo ja in welke mate het bijdraagt aan het maatschappelijke effect.
28 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Het maatschappelijke effect op het gevoerde beleid betreft de outcome van het gevoerde beleid en geeft inzicht in de doeltreffendheid van het gevoerde beleid (figuur 7).
Figuur 8 : De onderliggende relaties bij input, throughput, output en outcome
Het aantonen van een relatie met maatschappelijke effecten is feitelijk een wetenschappelijke exercitie, waarin meerdere variabelen een rol kunnen spelen (want er zijn meer redenen te bedenken dan het RGT bij het optreden van een bepaald maatschappelijk effect, zoals het schoner worden van de bodem). Al eerder is de handreiking: Effecten van toezicht en handhaving meten, 2011, van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid (CCV ) aanbevolen. Het benoemen van werkbare en meetbare indicatoren behorend bij de effecten vraagt de nodige aandacht en uitwerking, waarbij de kracht ligt in de eenvoud.
5.3 Stel het ontwikkelen van outcomegericht werken uit tot de realisatie van RGT 2.0 Uit de scriptieonderzoek over risicogericht toezicht bij de RUD Drenthe van R. Feiken (Van Hall Larenstein jan. 2019) in opdracht van de Omgevingsdienst Drenthe blijkt dat andere omgevingsdiensten ook nog niet/nauwelijks gebruik maken van outcome meting en –sturing. Of en hoe we hier in Drenthe mee verdergaan is in eerste instantie aan onze deelnemers. Aanbeveling 30: Ontwikkel en standaardiseer in 2023 (na doorontwikkeling van het RGT naar RGT 2.0) enkele gewenste outcomedoelstellingen met bijbehorende genormeerde indicatoren en gebruik hierbij de kennis en ervaring vanuit andere omgevingsdiensten. Om te komen tot de beoogde outputresultaten (de genormeerde doelstellingen) is het van belang dat het RGT op het gebied van input, throughput en output verder wordt ontwikkeld. In de voorgaande hoofdstukken is de hoeveelheid werk geschetst die nodig is om het RGT tot een professionele toezicht strategie te laten uitgroeien. Om vervolgens antwoord te krijgen op de vraag welk maatschappelijk effect wordt bereikt met het RGT is het van belang dat het RGT: 1. binnen de organisatie volledig is geïmplementeerd. In termen van het kwaliteitsmodel gaat het dan om de succesvolle samenhang tussen input en throughput en bijbehorende outputcriteria.
Bij de invoering van het RGT worden alle stappen binnen de big-8 geraakt en ligt het daardoor voor de hand om het RGT eerst te voorzien van een doorontwikkeld professioneel fundament, waarvoor een ontwikkeltraject van 3 jaar is geadviseerd. 2. minimaal 1 programmajaar het RGT op het beoogd doorontwikkelde niveau is gevolgd.
29 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Dit is nodig omdat het meten van het outcome-effect gerelateerd is aan de gevolgde werkwijze. Zolang het RGT verandert via doorontwikkeling levert dit extra ruis bij de interpretatie van outcomeresultaten. Uiteindelijk is het mogelijk om op basis van de gemeten outcome-effecten het gevoerde beleid bij te sturen, waarmee de mijlpaal sturing op outcome wordt gehaald.
30 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht
Bijlagen Bijlage I: De risicomatrix in detail 6.1 De bouwstenen van de matrix De risicomatrix ( zie figuur 1) is opgebouwd uit de volgende bouwstenen: branches en de indicatoren milieu-effect, maatschappelijke en bestuurlijke impact, ondermijning en naleving. In deze bijlage wordt de werking in detailniveau verder toegelicht. Figuur 1 : De beoordeling van 3 subbranches in de Drentse risicomatrix
6.1.1 De indeling in branches Binnen de branches is gekozen voor een hoofdindeling van 6 groepen. Deze hoofdindeling wordt tevens gehanteerd binnen de teams toezicht als het gaat om de verdeling in taken en rollen behorend bij de uitvoering van het toezicht binnen deze hoofdgroepen. De volgende hoofdgroepen zijn onderscheiden: 1. Agrarisch 2. Groothandel, bouw, metaal en mobiliteit 3. Afval, sloop, asbest 4. Gebouwen en het Midden en Kleinbedrijf (MKB) 5. Procestechniek industrie (excl. BRZO) 6. Restgroep De verscheidenheid van de bedrijven die voorkomen binnen deze hoofdgroepen is dermate groot dat de gemiddelde waarden geen betekenis kennen bij de risico-inschatting. Deze vindt plaats op de onderliggende branchegroepen. De keuze in onderverdeling is gebaseerd op een inschatting van overlappende activiteiten en risico’s binnen deze branches. Tabel 1 : de indeling van branches binnen de risicomatrix Hoofdbranches
Aantal subbranches
Agrarisch
12
Groothandel, bouw, metaal en mobiliteit
18
Afval, sloop, asbest
7
Gebouwen en het Midden en Kleinbedrijf (MKB)
19
Procestechniek industrie (excl. BRZO)
27
Totaal beoordeelde branches binnen matrix
83
31 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Voor de hoofdbranche Procestechniek industrie komt het voor dat er slechts één of enkele grote bedrijven vallen onder een benoemde subbranche. Dit is belangrijk in het kader van de interpretatie van bijvoorbeeld de mate van naleving. De mate van naleving heeft hier dan een betekenis op locatieniveau en geen betekenis op brancheniveau.
Ons zaaksysteem: SBI-branches In ons zaaksysteem zijn de branches gedefinieerd op basis van de standaardbedrijfsindeling (SBI) behorend bij de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering 2009. Het gebruik van deze bron is uitgangspunt geweest bij de toepassing van de Drentse Maat. Voor iedere milieulocatie binnen het zaaksysteem behoort de bijbehorende SBI-branche geregistreerd te zijn. Een subbranche kan een verzameling zijn van verschillende SBI-branches, maar soms zijn ze ook gelijk aan elkaar. In de matrix is de relatie tussen een branchegroep in de matrix en de bijbehorende SBI-codes van ons zaaksysteem aangegeven, waarmee de link naar de bijbehorende milieulocaties binnen het zaaksysteem is gelegd. Voorbeeld van een verzameling van verschillende SBI-branches : Branchegroep uit de matrix : Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d., Cateringbedrijven, kantines, hotels en pensions, Casino's, amusementshalen, Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) Bijbehorende SBI-branches : 9 branches Voorbeeld van een branchegroep uit de risicomatrix die gelijk is aan een SBI-branche : Tankstations zonder LPG
Toezicht op basis van checklisten per branche Bij het uitvoeren van het toezicht op bedrijfsactiviteiten die opgenomen zijn in het Activiteitenbesluit wordt gebruik gemaakt van Digitale checklisten.nl. De checklisten die worden gebruikt zijn eveneens gebaseerd op een branche indeling. Bij de indeling die hier gehanteerd is aangesloten bij de indeling van de risicomatrix. De bijbehorende milieulocaties zijn via de geregistreerde SBI-branche hier aan gekoppeld. Binnen deze checklisten wordt afhankelijk van de aanwezige activiteiten binnen een milieulocatie verder maatwerk toegepast.
6.1.2
Milieu-effect
De indicator milieu-effect is een gemiddeld cijfer. Per branche is voor 8 milieuthema’s beoordeeld hoe groot de milieu-effecten kunnen zijn bij niet naleving van de regels. Vertrekpunt bij de keuze van de thema’s was de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Bij het scoren zijn alle toezichthouders betrokken geweest. De werkwijze vond plaats door per subbranche een beoordeling te geven voor de verschillende milieuthema’s. Bij een duidelijk uiteenlopende score werden degenen die het hoogst en het laagst hadden gescoord gevraagd om hun beoordeling te motiveren. Vervolgens volgde er een tweede ronde van scoren. Van die score werd vervolgens het gemiddelde genomen. Deze achterliggende beoordeling is weer van belang op het moment dat binnen een brancheplan de uitwerking plaatsvindt op welke thema’s het toezicht zich moet richten en op welke wijze dit het meest effectief kan plaatsvinden.
32 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht
Figuur 2 : screenshot van de onderliggende beoordeling van de indicator Milieu-effect
Naast het milieueffect per branche is ook de kans op het ontstaan van een milieueffect op basis van dezelfde werkwijze ingeschat. 6.1.3 Ondermijning Naast milieu-effecten wordt in deze matrix ook aandacht gevraagd voor mogelijke relaties die bestaan tussen de brancheactiviteiten en criminele activiteiten. Dit wordt met de term ondermijning aangeduid. Het gaat hierbij om de potentie op het verweven van de onderwereld met de bovenwereld. Milieucriminaliteit staat op de derde plaats in de ondermijningsladder binnen een subbranche. Om dit verschijnsel goed te kunnen betrekken binnen de matrix is onder andere gebruik gemaakt van de kennis van het RIEC (regionaal informatie- en expertise centrum). Bij onze bestuurders bestaat er een concrete behoefte om de RUD Drenthe te betrekken bij het formuleren en uitvoeren van ondermijningsbeleid. Binnen ondermijning wordt onderscheid gemaakt tussen: - het effect van ondermijning; - de kans op het ontstaan van ondermijning. De beoordeling per branche is uitgevoerd door de functionarissen bij de gemeenten die belast zijn met de openbare orde en veiligheid, die hier voor hun werkgebied het beste zicht op hebben. In een aantal gevallen is door afwezigheid van de AOV-er de gemiddelde score genomen van de deelnemers binnen dezelfde regio.
De beoordeling heeft plaatsgevonden per deelnemer, waardoor rekening is gehouden met de bestaande verschillen per branche op dit aspect tussen onze deelnemers.
Figuur 3: screenshot van de onderliggende beoordeling van de indicator Ondermijning
6.1.4 Maatschappelijke en bestuurlijke impact De derde indicator heeft betrekking op de mate waarop de branche een maatschappelijke en/of bestuurlijke impact kent. De beoordeling op dit onderdeel is verricht door de accounthouder per deelnemer.
33 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Net als bij milieu-effecten en ondermijning is ook hier onderscheid gemaakt tussen: De mate van bestuurlijke en/of maatschappelijke impact; de kans op het ontstaan van een dergelijke impact.
Figuur 4: screenshot van de onderliggende beoordeling van Maatschappelijke en bestuurlijke impact
6.1.5 Bepalen van risico’s Op basis van de beoordelingen op kans en het effect is het risico bepaald per bovengenoemde indicator.
6.1.6
Naleving
In tegenstelling tot de voorgaande indicatoren is de mate van naleving niet gebaseerd op een ervaringsinschatting, maar op een data-analyse. Deze data-analyse is uitgevoerd door het bureau Ynformed. Het onderzoek kent twee analyse-sporen: - Naleefgedrag op basis van de registratie binnen Digitalechecklisten.nl; - Naleefgedrag op basis van ons zaaksysteem. Per analyse wordt per branche een waarderingscijfer toegekend. Het gemiddelde hiervan is het eindcijfer wat in de matrix wordt toegepast. De exacte wijze van totstandkoming van de cijfers wordt in bijlage 2 behandeld. Met deze data-analyse wordt beoogd op een objectieve wijze inzicht te krijgen in de naleving van de regels door de verschillende branches. Het onderzoek van Ynformed toont echter ook aan dat de cijfers nog met diverse kanttekeningen zijn omgeven. Veel data bleek onbruikbaar. Belangrijkste oorzaken hierbij zijn : - Niet iedere locatie is voorzien van de vereiste SBI-branche - De registratie voor zaakafhandeling en Digitalechecklisten door de medewerker komt niet overeen met de daarbij behorende werkafspraken - De wijze van de huidige inrichting van ons zaaksysteem geeft belemmeringen in de analysemogelijkheden In hoofdstuk 6 zijn deze belemmeringen vertaald als kritische succesfactoren voor doorontwikkeling Naleving : gemiddelde van de naleving uit het LOS en de milieuscore naleefgedrag uit DC
Figuur 5: screenshot onderliggende beoordeling van de indicator naleving
34 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht
6.1.7 Het gemiddelde risico Het gemiddeld risico bestaat uit het gemiddelde van de risico’s op milieu-effecten, ondermijning en maatschappelijke/bestuurlijke impact en de geanalyseerde mate van naleving. 6.1.8
De draaiknop
De draaiknop heeft als doel om bij gewijzigde inzichten (en niet ingecalculeerde gebeurtenissen) binnen het programmajaar op een transparante wijze bij te sturen, om vervolgens met de bijgestelde focus de uitvoering weer ter hand te nemen. Deze knop zal bij de verdere ontwikkeling van het RGT worden getoetst op de beoogde werking en op basis van deze resultaten worden bijgesteld.
6.1.9 De wijze van prioritering De toewijzing van de prioritering is gebaseerd op de volgende classificering van het gemiddelde risico (na eventueel gebruik van de draaiknop) : prioriteit
Gemiddelde risico (na gebruik draaiknop)
1
>=2,55
2
2,05 t/m 2,55
3
1,45 t/m 2,05
4
1,45 t/m 0,95
5
<= 0,95
Bij de totstandkoming van de prioritering is uiteindelijk afgeweken van de risicomatrix van het CCV. Dit had te maken met een sterk ongelijke verdeling van de subbranches over de prioriteitsklassen. De uitkomsten waren tevens niet in lijn met wat op basis van ervaring verwacht kon worden als eindresultaat. De systematiek is vervolgens aangepast totdat de bepaling een beeld gaf die overeenkwam met ons verwachtingspatroon.
35 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht
Bijlage II: Data-analyse naleefgedrag Omgevingsdienst Drenthe door Ynformed Ynformed 30 augustus, 2019
Inleiding Deze rapportage geeft inzicht in het naleefgedrag van bedrijven binnen Drenthe op het gebied van de geldende milieu wet- en regelgeving. Dit naleefgedrag is gebaseerd op de uitgevoerde inspecties door de Omgevingsdienst Drenthe sinds 2018. Het belangrijkste doel van de rapportage is om het naleefgedrag per branche inzichtelijk te maken. Samen met de vastgestelde prioritering per branche kan deze informatie bijdragen aan meer informatie- en risicogestuurde manier van toezicht houden. De rapportage is opgesplitst in twee onderdelen: ‘Naleving’ en ‘Datakwaliteit & totstandkoming’. Onder naleving worden de afzonderlijke resultaten op basis van het zaaksysteem en Digitale Checklisten teruggekoppeld. Onder het hoofdstuk ‘’Datakwaliteit & totstandkoming’ staat een nadere toelichting over de gebruikte databronnen en de stappen die genomen zijn. Hierbij wordt vooral uitgelicht wat de tekortkomingen zijn in de huidige beschikbare bronnen en wat er nodig is om in de toekomst meer inzicht over het naleefgedrag per branche te kunnen verkrijgen. Zaken per branche We hebben het naleefgedrag per branche samengevat door te kijken naar alle uitgevoerde zaken sinds 2018. In de grafiek hieronder is weergegeven welke zaaktypen hierbij onderscheiden worden en hoe vaak die voorkwamen sinds 2018:
Klachten: gegrond/ongegrond Van alle klachten die binnenkomen wordt vastgesteld of de klacht gegrond of ongegrond is. In totaal zijn er sinds 2018 783 meldingen van klachten aangemaakt in het zaaksysteem (zaken). In dezelfde periode zijn 484 digitale checklisten ingevuld m.b.t de behandeling van een klacht. Van die checklisten zijn er 371 te koppelen aan zaaknummer (77%). De tabel hieronder laat zien wat de verhouding is tussen gegronde en ongegronde klachten: Antwoord
Aantal
klacht gegrond 169 klacht ongegrond 154 n.v.t. 139 niet ingevuld
79
36 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Naleefgedrag Zaaksysteem Hieronder is per branche weergeven hoe vaak de verschillende zaaktypen zijn aangemaakt en in welke naleefscore dit resulteert. Allereerst is een overzicht weergegeven met een gemiddelde naleefscore per hoofdbranche, gevolgd door een overzicht van alle subbranches. Op de overige tabbladen zijn de hoofdbranches uitgesplitst met de bijbehorende subbranches. De zoekfunctie in de tabel kan gebruikt worden om gericht naar een bepaalde branche te zoeken. Door op een van de kolomnamen te staan kan de tabel gerangschikt worden op naleefscore.
Naleefscore De naleefscore is als volgt berekend (zie tabblad ‘Totstandkoming’ onderin dit document): • Aan een VLOD/LOD wordt 5 punten toegekend. • Aan een Hercontrole wordt 2 punten toegekend. • Aan een klacht wordt 0.5 punt toegekend. Per branche worden deze punten bij elkaar opgeteld en gedeeld door het totaal aantal zaken.
Tot standkoming : Naleefscores Zaaksysteem Gebruikte data Alle zaken die zijn aangemaakt vanaf 2018 dienen als uitgangspunt om het naleefgedrag per branche te bepalen. Op basis van de volgende stappen (in hoofdlijnen) is een dataset totstandgekomen waarover we een naleefscore per branche hebben berekend: 1. Filteren van alle zaken op de juiste zaaktypen vanaf 2018. 2. Koppelen van een SBI-betekenis (uit tabel met unieke inrichtingen/locaties) aan een zaak op basis van het zaaknummer. 3. Koppelen van een adres (uit tabel met adressen/locaties) aan inrichtingen-tabel op basis van het instelling-id.
37 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht 4. 5. 6. 7.
Koppelen van een SBI-betekenis (uit tabel met unieke inrichtingen/locaties) aan een zaak op basis van samengesteld adres. Hercategoriseren/samenvoegen van verschillende SBI-betekenissen om subbranches gelijk te maken aan de geformuleerde susbbranches in de Risicomatrix van het RUD. Extraheren/samenvatten van het aantal zaaktypen per branche. Berekenen naleefscores.
Berekening naleefscore De naleefscore is gebaseerd op het aantal keer dat bepaalde zaaktypes voorkomen per branche sinds 2018. Hierbij hebben we gekeken naar de volgende zaaktypen met tussen haakjes het aantal punten dat we toekennen per keer dat het zaaktype voorkomt in een branche: • VLOD/LOD (5 punten) • Hercontroles (2 punten) • Klachten (0.5 punt) De berekening (per branche) is als volgt: Naleefgedrag = (Aantal VLOD/LOD x 5) + (aantal hercontroles x 2) + (aantal klachten x 0.5) / Totaal aantal zaken Deze score hebben we vervolgens op basis van de hoogste en laagste waardes geschaald op een getal van 1 tot 5. Doordat we per instelling in veel gevallen niet kunnen terugredeneren welke zaaktypen elkaar opvolgen was het niet mogelijk om te bepalen of er sprake was van een directe of indirecte VLOD/LOD en of deze succesvol werden opgevolgd. Dit hebben we daarom buiten beschouwing gelaten. Daarnaast hebben we ervoor gekozen om alle klachtmeldingen per branche mee te wegen en hierbij niet slechts te kijken naar de gegronde klachten. De reden hiervoor is dat de we Digitale Checklisten nodig hebben om te zien of een klacht (on)gegrond is. Doordat die koppeling matig is, weten we van het merendeel van de klachten niet of deze gegrond of ongegrond zijn. Op basis van de data weten we wel dat ongeveer de helft van alle klachten in Digitale Checklisten als gegrond worden beoordeeld.
Daarom hebben we besloten om alle klachten voor een half punt mee te wegen (in plaats van 1 punt per gegronde klacht) in de totstandkoming van de naleefscore.
Milieuscores Digitale Checklisten Gebruikte data Alle digitale checklisten die zijn aangemaakt vanaf 2018 dienen als uitgangspunt om de milieuscore per branche te bepalen. Op basis van de volgende stappen (in hoofdlijnen) is een dataset totstandgekomen waarover we de milieuscore per branche hebben berekend: 1. Filteren van de checklisten sinds 2018 op relevante categorieën op basis van een Exceloverzicht van het RUD. 2. Koppelen van een hoofdbranche aan een checklist-categorie op basis van hetzelfde Exceloverzicht 3. Koppelen van de SBI-betekenis (uit bovenstaande omschreven dataset uit het zaaksysteem) aan de checklisten op basis van het zaaknummer. 4. Koppelen van een SBI-betekenis aan de overgebleven (niet te koppelen) checklisten op basis van het samengestelde adres. 5. Filteren van de relevante-checklist vragen op basis van de checklist id’s. 6. Extraheren van het aantal (overschreven) overtredingen uit de tabel met relevante checklistvragen. 7. Berekenen van de milieuscores per branche. Berekening milieuscore Een vraag in Digitale Checklisten kent een prioriteit van 1 t/m 4. Hierbij is een overtreding op een vraag met prioriteit 4 gecategoriseerd als zwaarste categorie overtreding. Op basis van de deze
38 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht prioritering per vraag is van alle overtredingen (nee + overschreven nee) de gemiddelde prioriteit genomen om de gemiddelde zwaarte van de overtredingen te bepalen. Een overtreding in eerste instantie met ‘nee’ is beantwoord. Dus ook de vragen die in een later stadium (bijvoorbeeld bij een hercontrole) zijn overschreven met een ‘ja’. Open vragen en vragen die zijn ingevuld met n.v.t. zijn buiten beschouwing gelaten. De milieuscore per branche is als volgt berekend: Gemiddelde zwaarte van overtreding = gemiddelde prioriteit van alle overtredingen: getal tussen 1 en 4 Percentage overtredingen = (aantal overtredingen / aantal vragen) x 100 Milieuscore = Gemiddelde zwaarte overtredingen x Percentage overtredingen Deze score hebben we vervolgens op basis van de hoogste en laagste waardes geschaald op een getal van 1 tot 5. Hierbij wordt dus rekening gehouden met het relatieve aantal overtredingen en de zwaarte van de overtredingen.
Datakwaliteit Op deze pagina wordt de datakwaliteit uitgelicht van de bronnen die gebruikt zijn bij het maken van de rapportage. We maken hierbij een onderscheid tussen het zaaksysteem en Digitale Checklisten. In het zaaksyteem staan alle aangemaakte zaken met bijbehorende zaaktypen. In de Digitale Checklisten staat de terugkoppeling op deze zaken. Zaaksysteem (LOS) In het zaaksysteem worden alle zaken met bijbehorende zaaktypen geregistreerd. Sinds 2018 zijn er 4334 unieke zaken geregistreerd (uitgaande van relevante zaaktypen voor rapportage). Helaas ontbreken de SBI-gegevens in zakentabel. Om het naleefgedrag per branche te kunnen bepalen is het noodzakelijk dat de SBI-gegevens hieraan gekoppeld worden. Deze SBI-gegevens kunnen opgehaald worden vanuit de tabel met ‘unieke locaties/inrichtingen’ op basis van een gemeenschappelijk locatie-id (inst-id in onderstaande tabel) of een samengesteld adres (straatnaam + postcode). Voor 80 procent van de zaken kan de SBIbetekenis eraan gekoppeld worden door een match op locatie-id. Van de overgebleven zaken kan er nog eens 24 procent gekoppeld worden op basis van het samengesteld adres.
Onderstaande tabel laat zien wat de uiteindelijke dekking is van verschillende relevant velden uit het zaaksysteem: Dekking waardevelden: VRAAG NIET_INGEVULD INGEVULD PERCENTAGE_INGEVULD ZAAKNUMMER 0 4720 100.0 ZAAKTYPE 0 4720 100.0 SAMENGESTELD_ADRES 296 4424 93.7 INST_ID 479 4241 89.9 NAAM_INRICHTING 607 4113 87.1 SBI_BETEKENIS 636 4084 86.5 LAT 845 3875 82.1 LON 845 3875 82.1 Issues en opmerkelijk • Het is onduidelijk welk adres (correspondentie, object of vestigings) er wordt ingevuld in de zakentabel. • 275 van de 4334 uitgevoerde zaken valt onder meerdere branches. In de rapportage worden deze zaken bij alle gekoppelde branches meegenomen Aan 73 zaken zijn meerdere adressen gekoppeld. 45 zaken kennen meer dan 1 instelling-id.
39 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht VLOD vaak niet te achterhalen Het is niet te achterhalen in hoeveel gevallen er sprake is van een VLOD (zowel direct als indirect). Dit is geen zaaktype in het LOS. We weten dat een VLOD opgevolgd wordt door een niet gepland toezicht. Aangezien een niet gepland toezicht wel een zaaktype is kan je tot op zekere hoogte terugredeneren in hoeveel gevallen sprake was van een VLOD. Bijvoorbeeld door te kijken hoeveel ongeplande inspecties er plaatsvonden na een gepland toezicht of een klachtmelding. Het probleem is echter dat het in veel gevallen niet te achterhalen is welke zaken met elkaar in verband staan (elkaar opvolgen). Onderstaand voorbeeld laat dit zien. Hierbij weten dat we er 4 keer een ongepland toezicht heeft plaatsgevonden op een locatie, maar kunnen we niet achterhalen hoe vaak het hier een VLOD betrof. De verschillende scenario’s laten zien dat er sprake kan zijn maximaal 2 VLOD’s, maar het ook kan dat er geen enkele VLOD aan te pas kwam. Daarnaast ontbreken er van sommige zaken locatie-id’s of adressen, waardoor er zaken kunnen missen als je groepeert per unieke locatie. Oftewel het is geen waterdichte oplossing om op locatieid logische terug te redeneren hoe vaak er een VLOD heeft plaatsgevonden.
Het ontbreken van een overkoepelend ID waaronder opeenvolgende zaken vallen, mist hiervoor en zou de beste oplossing zijn om dit te achterhalen. Dan zouden we bijvoorbeeld weten welke ongeplande inspecties volgen op een klacht of op een reguliere inspectie.
Digitale Checklisten • Checklisten worden overschreven na een opvolgende zaak. • Bij slechts 47 % van alle checklisten sinds 2018 is een zaaknummer vermeld. • Als gevolg daarvan is slechts 35% van de zaken te koppelen aan checklist op basis van een zaaknummer. • Koppeling op samengesteld adres is lastig omdat je niet weet welke checklist bij welke zaak hoort (in geval van eerdere zaken per inrichting) Koppelen van branche aan Digitale Checklisten • In totaal vielen 2944 van de 6328 checklisten onder een van de vijf hoofdbranches. In totaal bevatten deze 2944 checklisten 93821 vragen. Hiervan waren er 59565 (63%) te koppelen aan (minstens) één SBI-betekenis op basis van zaaknummer of samengesteld adres. Als gevolg hiervan is bij een groot deel van de digitale checklisten de subbranche onbekend (SBI-betekenis). We hebben de checklisten wel kunnen onderverdelen in 5 hoofdbranches op basis van de checklist categorie en een Excel schema met de bijbehorende hoofdbranches. • Bij de terugkoppeling van het naleefgedrag bij Digitale checklisten nemen we het eerst ingevulde antwoord mee. In de praktijk komt het echter ook voor dat men een nieuwe
40 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht checklist aanmaakt bij een nieuwe zaak(bijvoorbeeld hercontrole). In dit geval worden zowel de resultaten van de eerste als de tweede controle meegenomen. Het is in de toekomst aan te raden om hier op een eenduidige manier mee om te gaan: ofwel het overschrijven van een bestaande checklist, ofwel een nieuwe checklist aanmaken.
Bijlage III: het wettelijke kader vanuit het Besluit omgevingsrecht (BOR) § 7.2. Procescriteria Artikel 7.2. Uitvoerings- en handhavingsbeleid 1. De bestuursorganen die bevoegd gezag zijn en belast zijn met de bestuursrechtelijke uitvoering en handhaving van het bepaalde bij de wet en bij of krachtens de betrokken wetten en met het toezicht op de naleving door de onder hun gezag werkzame toezichthouders, stellen ieder voor zich voor de taken, niet zijnde de taken, bedoeld in het tweede lid, het uitvoerings- en handhavingsbeleid vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen zij zichzelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten zij daartoe zullen uitvoeren. Voordat een document wordt vastgesteld wordt, indien nodig, onderling afgestemd. Het handhavingsbeleid wordt ook afgestemd met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving. 2.
De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, die deelnemen in een omgevingsdienst dragen er gezamenlijk zorg voor dat een uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid voor de taken, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, wordt vastgesteld in een of meer documenten waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen de omgevingsdienst moet behalen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten daartoe door de omgevingsdienst worden uitgevoerd en stemmen dit, indien nodig, gezamenlijk af met andere bestuursorganen en met de organen die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving. Het handhavingsbeleid wordt vastgesteld in overeenstemming met het Openbaar Ministerie. 3. Het uitvoerings- en handhavingsbeleid, bedoeld in het eerste en tweede lid, dient mede ter uitvoering van het bovenregionale handhavingsbeleid. 4. Het uitvoeringsbeleid is gebaseerd op toepasselijke algemeen verbindende voorschriften, beleidskaders en een analyse van inzichten, technieken en werkwijzen die gebruikt kunnen worden voor de uitvoering. 5. Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens de wet en de betrokken wetten bepaalde in de gevallen waarin de zorg voor de handhaving daarvan aan hen is opgedragen. 6. Het uitvoerings- en handhavingsbeleid geeft ten minste inzicht in: a.
de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de krachtens het eerste en tweede lid voorgenomen activiteiten; b. de methodiek die de bestuursorganen gebruiken om te bepalen of de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen worden bereikt; c. de daarin opgenomen objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, en d. de werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. 7. Het handhavingsbeleid geeft voorts inzicht in: a. de afspraken die door de bestuursorganen onderling en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt, over de samenwerking bij en de afstemming van de werkzaamheden; b. de wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen te bereiken;
41 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht c. de rapportage van de bevindingen van degenen die toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan die bevindingen wordt gegeven, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; d. de wijze waarop bestuurlijke sancties alsmede de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; e. de wijze waarop de bestuursorganen handelen na overtredingen die zijn begaan door of in naam van die bestuursorganen of van andere organen behorende tot de overheid. 8. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bezien regelmatig maar in ieder geval naar aanleiding van de evaluatie, bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde beleid en passen dit in ieder geval bij gebleken noodzaak zo spoedig mogelijk aan. 9. Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een waterschap geven kennis van het uitvoerings- en handhavingsbeleid aan de gemeenteraad en provinciale staten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap.
Artikel 7.3. Uitvoeringsprogramma 1 De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede lid, werken jaarlijks het uitvoerings- en handhavingsbeleid uit in een uitvoeringsprogramma voor de desbetreffende rechtspersoon waarin wordt aangegeven welke van de vastgestelde activiteiten zij het komende jaar zullen uitvoeren. Daarbij houden ze rekening met de krachtens die leden gestelde doelen en de krachtens artikel 7.2, zesde lid, onder a, gestelde prioriteiten. 2 De bestuursorganen stemmen het uitvoeringsprogramma af met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving. 3 De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, dragen zorg voor een uniform uitvoeringsprogramma voor de taken, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, op het niveau van de met die taken belaste omgevingsdienst. 4 Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een waterschap maken het uitvoeringsprogramma bekend aan de gemeenteraad, provinciale staten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap.
Artikel 7.4. Uitvoeringsorganisatie 1 De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede lid, richten hun organisaties zodanig in dat een goede uitvoering van het uitvoerings- en handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 7.2, en de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 7.3, gewaarborgd is. 2 De bestuursorganen dragen er in ieder geval zorg voor dat: a. de personeelsformatie ten behoeve van de uitvoering en de handhaving en de bij de onderscheiden functies behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden vastgelegd; b. de personen die zijn belast met de voorbereiding van besluiten ten aanzien van aanvragen om een omgevingsvergunning voor zover deze betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, van de wet of met de voorbereiding van beschikkingen als bedoeld in artikel 8.40a, eerste lid, van de Wet milieubeheer of het stellen van voorschriften als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet worden belast met: 1°. het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet of de betrokken wetten bepaalde met betrekking tot een inrichting, en 2°. het voorbereiden of uitvoeren van bestuurlijke sancties met betrekking tot een inrichting;
42 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht c. een krachtens de artikelen 5.10 of 5.11 van de wet aangewezen ambtenaar niet voortdurend feitelijk wordt belast met het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet of de betrokken wetten bepaalde met betrekking tot dezelfde inrichting; d. e organisatie van de bestuursorganen en van de omgevingsdienst ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar en beschikbaar is. 3 De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede lid, dragen er tevens zorg voor dat: a. een beschrijving van de werkprocessen, de procedures en de bijbehorende informatievoorziening inzake de uitvoerings- en handhavingstaken van het bij of krachtens de wet of de betrokken wetten bepaalde en het voorbereiden, geven en uitvoeren van bestuurlijke sancties wordt vastgesteld; b. de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden overeenkomstig deze beschrijving.
Artikel 7.5. Borging van middelen De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede lid, dragen er zorg voor dat: a. de voor het bereiken van de krachtens die leden gestelde doelen en de voor het uitvoeren van de daarin bedoelde activiteiten benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk worden gemaakt en in de begroting van de desbetreffende rechtspersonen en van de omgevingsdienst worden gewaarborgd; b. de wijze van berekening van de benodigde financiële en personele middelen, bedoeld onder a, inzichtelijk wordt gemaakt; c. voor de uitvoering van de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 7.3, eerste en derde lid, voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn en dat deze middelen zo nodig worden aangevuld of de uitvoeringsprogramma’s zo nodig worden aangepast.
Artikel 7.6. Monitoring 1 De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede lid, bewaken de resultaten en de voortgang van: a. het bereiken van de krachtens die leden gestelde doelen; b. de uitvoering van de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 7.3, eerste en derde lid. 2 De bestuursorganen dragen zorg voor de registratie van gegevens die zijn verkregen in het kader van de uitvoering en handhaving.
Artikel 7.7. Rapportage 1 De bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.2, eerste en tweede lid, rapporteren periodiek over: a. het bereiken van de krachtens die leden gestelde doelen; b. de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, bedoeld in die leden, in verhouding tot de prioriteitenstelling, bedoeld in artikel 7.2, zesde lid, onder a; c. de uitvoering van de afspraken, bedoeld in artikel 7.2, zevende lid, onder a. 2 De bestuursorganen evalueren jaarlijks of de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 7.3, eerste en derde lid, zijn uitgevoerd en in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van de krachtens artikel 7.2, eerste en tweede lid, gestelde doelen. 3 Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van een waterschap delen de rapportage, bedoeld in het eerste lid, en het verslag van de evaluatie, bedoeld in het tweede lid, mee aan de gemeenteraad, provinciale staten, onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap.
§ 7.3. Inspectieview Milieu
43 van 44
Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Artikel 7.8. Verplichte aansluiting Aan de verplichting, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, van de wet is in ieder geval voldaan, indien Onze Minister, Onze Minister van Veiligheid en Justitie en het algemeen bestuur van de omgevingsdiensten de gegevens die zij beheren in verband met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, via het beveiligd digitaal systeem voor informatie-uitwisseling, voor de toepassing van dit besluit Inspectieview Milieu geheten, raadpleegbaar maken.
44 van 44
Bijlage 2 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Preventiestrategie
Preventiestrategie De bijlage Preventiestrategie maakt een integraal onderdeel uit van de U&H-strategie Drenthe 20222026. Het doel van preventie is de naleving van regels vergroten. Het naleven van regels is niet altijd vanzelfsprekend. Door de inzet van communicatiemiddelen (voorlichting) en ondersteunend optreden (vooroverleg) beïnvloeden we het gedrag op een positieve manier. We vinden het belangrijk om duidelijk te maken welke regels er zijn, waarom ze er zijn en hoe we erop toezien. Met een goede inzet van communicatiemiddelen kunnen we het naleefgedrag aanzienlijk verbeteren. Pas als regels bekend zijn kunnen inwoners, bedrijven en instellingen deze bewust naleven. Natuurlijk blijft het wel primair de verantwoordelijkheid van de inwoner, ondernemer of instelling zelf om op de hoogte te zijn en blijven van regels. Vergunningverleners en toezichthouders zijn een belangrijke schakel tussen overheid, inwoners en bedrijven en spelen een grote rol in de verbetering van het naleefgedrag. Zij hebben rechtstreeks contact met de inwoners en bedrijven en kunnen regels uitleggen en toelichten. Ook de overige medewerkers hebben een belangrijke rol in contacten met inwoners en bedrijven. Preventie, toezicht en sanctie kunnen zowel na elkaar als naast elkaar worden ingezet om naleefgedrag te bevorderen.
Preventieve instrumenten, worden eerder ingezet bij welwillend gedrag, maar kunnen ook bij calculerend gedrag bijdragen aan betere naleving. De RUD Drenthe zet voor haar VTH-taken de volgende preventieve instrumenten in: ➢
Eenvoudige en duidelijke regels
Voorschriften in een vergunning die de RUD Drenthe verleent zijn zo eenvoudig en begrijpelijk mogelijk opgesteld. Waardoor zo min mogelijk discussie over de interpretatie kan ontstaan. De RUD Drenthe probeert de voorschriften zo te formuleren dat iedereen ze snapt/begrijpt. ➢
Stimuleren vooroverleg
De RUD Drenthe stimuleert het indienen van een vooroverleg bij initiatieven of plannen voor het ontwikkelen van nieuwe activiteiten. Vooroverleg is een overleg tussen een initiatiefnemer en het bevoegd gezag (RUD Drenthe namens bevoegd gezag) die over toestemming voor de plannen gaat. Vooroverleg zorgt ervoor dat vooraf kan worden beoordeeld of een plan naar verwachting past binnen kaders en regels en welke voorschriften gaan gelden. De initiatiefnemer kan daar in een vroeg stadium rekening mee houden in zijn planvorming. Vooroverleg versnelt en stroomlijnt het vergunningenproces. Daarnaast beperkt het ook het aantal vergunningaanvragen dat buiten behandeling moet worden gesteld of geweigerd. Door het stimuleren van vooroverleg wordt door de RUD Drenthe invulling gegeven aan participatie. ➢
(integraal) Samenwerken
Er wordt zo veel mogelijk gezamenlijk en eenduidig opgetreden. Landelijke regels worden uniform toegepast. Lokale regels en voorschriften zijn zoveel mogelijk gelijk en afgestemd. Dit geeft duidelijkheid en zorgt voor meer begrip. ➢
Zorgen voor begrip 1 van 2
Bijlage 2 U&H Strategie Drenthe2022-2026: Preventiestrategie De RUD Drenthe laat in gesprekken de reden en achterliggende gedachte van regels weten. Iemand die weet en begrijpt waarom regels er zijn is eerder geneigd deze te accepteren en te volgen. Vergunningverleners en toezichthouders kennen de regels en de achterliggende gedachte en dragen deze gevraagd en ongevraagd uit. ➢
Handhaafbare regels
Regels zijn zo geformuleerd dat ze uitvoerbaar zijn. Ze zijn zo eenvoudig mogelijk te controleren. Bij het opstellen van regels of voorschriften wordt een handhaafbaarheidstoets uitgevoerd door vergunningverlening, toezicht en handhaving. ➢
Zichtbaarheid toezicht en handhavingsactiviteiten
De RUD Drenthe laat zien dat er toezicht wordt gehouden en handhaaft als dat nodig is. Er wordt gecommuniceerd over toezicht- en handhavingsprioriteiten en grotere handhavingsprojecten. Het openbaar maken van toezichtresultaten op bedrijfsniveau is ook een preventiemiddel. Dit wordt terughoudend toegepast en eigenlijk alleen als dit wettelijk verplicht is (bijvoorbeeld cross compliance). Toezichthouders van de RUD Drenthe zijn regelmatig zichtbaar aanwezig in het veld. In jaarprogramma’s en projectplannen worden preventie en communicatie standaard als instrument opgenomen. ➢
Informatie delen
Overheden en de RUD Drenthe delen onderling zo veel mogelijk informatie. Zo kunnen handhavingspartners risicogericht en informatiegestuurd toezicht houden en handhaven. Maar ook de handhaving efficiënter en effectiever inrichten. Informatie over een bedrijf, inwoner of instelling wordt zoveel mogelijk centraal opgeslagen en is raadpleegbaar voor overheden onderling, mits dit wettelijk is toegestaan. ➢
Maatschappelijke controle stimuleren
Buurtpreventie is een mooie vorm van sociale controle die kan bijdragen aan het oppakken van de eigen verantwoordelijkheid. De RUD Drenthe wil dat de omgeving de regels kent, overtredingen kan signaleren en met elkaar in gesprek gaat hierover. Daarom zijn vergunningen en besluiten zoveel mogelijk digitaal in te zien. Daarnaast vraagt de RUD Drenthe klagers vooral (ook) om zelf in gesprek te gaan met de overlastgever om aan te geven dat ze overlast hebben. Dit draagt bij aan het onderling bespreekbaar maken van problemen. Wijkcoördinatoren, wijkmanagers, wijkagenten en Boa’s spelen een belangrijke rol in het stimuleren van maatschappelijke controle. ➢