Verordening rioolheffing Meierijstad 2024
Tekst van het document
Verordening rioolheffing Meierijstad 2024
De raad van de gemeente Meierijstad,
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 november 2023; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit:
vast te stellen de volgende:
Verordening rioolheffing Meierijstad 2024
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a.
b.
c.
d.
perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling,
verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de
b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater,
zuivering van huishoudelijk afvalwater en
alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de
grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
De belasting wordt geheven: a.
b.
2.
van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom,
bezit of beperkt recht van een gebouwd perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en
van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke
riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als
genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin
van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op 3.
dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:
a.
degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens
b.
ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor
c.
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdelijk gebruik aangemerkt als
eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;
gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan; gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1. 2.
Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt: a.
De onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
De roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats is gebonden;
d.
Een samenstel van twee of meer in onderdeel bedoelde roerende zaken of in onderdeel c.
c.
e.
Een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen;
Het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde onroerende zaak, van een in onderdeel bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5.
Maatstaf van heffing
1.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, wordt geheven naar de waarde in het
2.
Ingeval het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet
3.
economische verkeer van het perceel.
van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt.
Ingeval voor het perceel geen waarde op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald met
overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede 4.
lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt, voor een perceel dat uit in hoofdzaak tot woning dient (70/30 regeling), geheven naar het aantal bewoners, volgens de Basisregistratie Personen bij aanvang van het belastingjaar, of indien dit later is, het aantal
5.
6.
bewoners bij aanvang van de belastingplicht.
De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt, voor percelen die niet behoren
tot de in het vierde lid bedoelde percelen, geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters water genoemd in het vorige lid wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het
belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval
de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een 7.
kalendermaand voor een volle maand gerekend.
Indien van een perceel geen waterverbruik kan worden vastgesteld, als bedoeld in het voorgaande lid, wordt dit perceel ingedeeld in klasse met een waterverbruik tot 500 m3.
8.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:
a.
b.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 9.
De op de voet van het zesde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt
verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet is afgevoerd, mits die minimaal 100 m3 bedraagt.
Artikel 6. Belastingtarieven 1.
2.
Het tarief voor het eigenarendeel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt een
percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt 0,02594% met dien verstande dat per perceel niet meer dan € 5.000,00 wordt geheven.
Het tarief voor het gebruikersdeel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt: a.
b.
voor percelen uit in hoofdzaak tot woning dient (70/30 regeling): i.
ii.
bewoond door één persoon: € 51,24
bewoond door meerdere personen: € 63,00
voor de overige percelen, bij een afgevoerde hoeveelheid water van:
1 t/m 500 m3
€ 63,00
501 t/m 1.000 m3
€ 128,28
1.001 t/m 2.000 m3
€ 257,04
2.001 t/m 5.000 m3
€ 501,84
5.001 t/m 10.000 m3
€ 925,68
10.001 t/m 20.000 m3
€ 1.485,96
20.001 m3 t/m 50.000 m3
€ 2.082,84
50.001 m3 t/m 100.000 m3
€ 2.484,84
meer dan 100.000 m3
€ 2.728,44
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit
2.
Indien de belastingplicht met betrekking voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar
later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar
verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle 3.
kalendermaanden overblijven.
Indien de belastingplicht met betrekking voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle
4. 5. 6.
kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien een belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
Belastingbedragen van minder dan € 15,00 worden niet geheven.
Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen gemeentebelastingen aangemerkt als één belastingaanslag
Artikel 10. 1.
Termijnen van betaling
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand
volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee 2.
maanden later.
In afwijking van het gestelde onder het eerste lid, moet(en), indien een machtiging voor
automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslag(en) worden betaald in tien gelijke maandelijkse
termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de 3.
4.
dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand later.
In afwijking van het tweede lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen meer bedraagt dan € 100,00, doch minder is dan € 3.500,00.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11.
Vrijstellingen
De belasting wordt niet geheven terzake van gemeente-eigendommen voor zover die bestemd zijn te
worden gebruikt voor de publieke dienst, met uitzondering van percelen of delen daarvan die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs.
Artikel 12 Kwijtschelding Van de belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a (eigenarendeel) en als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel b (gebruikersdeel), voor zover deze geheven wordt van percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen (rioolheffing niet woningen), wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13.
Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.
Artikel 14. 1.
2.
3. 4.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
De Verordening Rioolheffing 2023 van de gemeente Meierijstad, vastgesteld bij raadsbesluit van
15 december 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing.
Onverminderd het bepaalde in het vorige lid blijft de Verordening rioolheffing 2023 van de
gemeente Meierijstad van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
Artikel 15.
Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rioolheffing Meierijstad 2024. Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 14 december 2023,
De raad voornoemd, De griffier,
De voorzitter,
A.F.J. Franken MSc
ir. C.H.C. van Rooij