Toelichting
Tekst van het document
4.9
Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −
Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Aangezien er een wooneenheid binnen een bestaande woning wordt toegevoegd is ter plaatse van het plangebied dus reeds een gevoelig object aanwezig. Voor deze woning is bepaald dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai. Daarnaast is de woning aan een doodlopende weg gelegen welke enkel door bestemmingsverkeer gebruikt wordt. De geluidsbelasting van het wegverkeer zal dus slechts beperkt zijn. De toevoeging van een wooneenheid zal invloed hebben op de verkeersgeneratie en leiden tot een kleine toename van de geluidsbelasting op omliggende woningen. Uit paragraaf 4.12.1 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen met ten hoogste 8,6 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Door deze geringe toename en het feit dat het plangebied aan een doodlopende is gelegen welke enkel door bestemmingsverkeer gebruikt wordt, wordt een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
4.10
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 27
d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er ter plaatse van de toe te voegen woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.
2019 2025 Norm
Totale concentratie (µg/m³) NO2 19.70 13.39 40
Totale concentratie (µg/m³) PM10 19.10 17.44 40
Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 12,78 11.07 25
Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. Daarnaast kan een ontwikkeling invloed hebben op de luchtkwaliteit. Bij het toevoegen van woningen kan sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit door de toename van het aantal verkeersbewegingen. Echter is het toevoegen van slechts één woning een dusdanig kleinschalige ontwikkeling dat de toename van het aantal verkeersbewegingen tevens minimaal is. Uit paragraaf 4.12.1 blijkt dat er wordt uitgegaan van een toename van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Uit de hieronder weergegeven NIBM-tool (figuur 10) blijkt dat deze toename ‘niet in betekenende mate is’ en een nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Figuur 10 NIBM-tool bijdrage extra verkeer
Conclusie De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. De toename van het aantal verkeersbewegingen door het toevoegen van de woning is niet in betekenende mate en zorgt er niet voor dat de luchtkwaliteit in het geding komt. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is hiermee niet aan de orde. 28
4.11
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
29
Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort.
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:
1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
30
Toetsing
660 m. 280 m.
Figuur 11. Uitsnede risicokaart. Plangebied rood omcirkeld.
Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 11) blijkt dat in de omgeving van het plangebied één risicovolle inrichting is gelegen. Deze inrichting betreft geen Bevi-inrichting, waardoor enkel aan het plaatsgebonden risico dient te worden getoetst. De risicovolle inrichting ligt op 660 meter van het plangebied aan de Bolstweg 6 en betreft een bovengrondse propaantank van 8 m3. Voor deze bovengrondse tank geldt een aan te houden afstand van 25 meter en ligt daarmee ver genoeg van het plangebied af. Onderhavig plan ondervindt dus geen belemmering door risicovolle inrichtingen of activiteiten. Buisleidingen Op 280 meter ten zuidoosten van het plangebied is een buisleiding gelegen. In deze buisleiding wordt aardgas vervoerd. Voor deze buisleiding is geen plaatsgebonden risicocontour opgenomen. Ten aanzien van deze buisleiding is in het bestemmingsplan aan weerszijden van de leiding wel een beschermings-/onderhoudszone van 4 meter aangehouden. Gezien de grote afstand tot de buisleiding vormt dit geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Risicovol transport In de nabije omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats, waardoor dit aspect geen invloed heeft op voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het plangebied is niet binnen de risicocontouren van risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen gelegen.
In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.
31
4.12
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing van het stappenplan kan geconcludeerd worden dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. Voor het doorlopen stappenplan wordt verwezen naar bijlage IV. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Allereerst is geconstateerd dat er binnen een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen zich, vooralsnog, een extra risico voordoet. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk.
Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Ook is vastgesteld dat aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied geïnformeerd worden over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Dat betekent dus dat het college op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk ruimte biedt om ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. In onderhavige ontwikkeling worden geen kinderen, kwetsbare mensen of ouderen gehuisvest. De initiatiefnemer van het plan zal een verklaring ondertekenen en nieuwe potentiële bewoners zullen geïnformeerd worden over het risico.
4.13
Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 3,25 kilometer van het plangebied gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.14
Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden.
32
Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woning, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is er reeds sprake van een bestaande woning, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant de woning niet zorgt voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming.
Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.
4.15
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
4.15.1
Mobiliteit Ter plaatse van de Goordonk 3 wordt een extra woning toegevoegd. Conform de verkeersgeneratiecijfers van het CROW (publicatie 381) wordt er voor de huidige situatie (vrijstaande woning in weinig stedelijk gebied) uitgegaan van een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 motorvoertuigen per etmaal. In de beoogde situatie (twee twee-onder-een-kapwoningen in weinig stedelijk gebied) dient er te worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van maximaal 16,4 motorvoertuigen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten door de wegen Goordonk en Goordonksedijk. De Goordonk betreft een doodlopende weg welke enkel door bestemmingsverkeer wordt gebruikt. De Goordonksedijk is een brede weg met aan beide kanten fietssuggestiestroken waardoor verwacht wordt dat de huidige infrastructuur de toegenomen verkeersgeneratie in de beoogde situatie kan verwerken.
4.15.2
Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ dienen er per woning in het buitengebied 2,4 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Parkeren dient hierbij te geschieden op eigen terrein. Aangezien er één nieuwe woning wordt toegevoegd dienen 2,4 extra parkeerplaatsen te worden toegevoegd. Voor onderhavig plan betekent dit dat ter plaatse van het plangebied 4,8 parkeerplaatsen benodigd zijn, gezien er in de nieuwe situatie twee woningen aanwezig zijn. Er zullen dus 5 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende
33
groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.
34
HOOFDSTUK
5 Juridische planopzet
De gewenste ontwikkeling betreft de splitsing van de bestaande woonboerderij aan Goordonk 3 te Mariaheide in twee wooneenheden. Deze ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 22 oktober 2015). Ten aanzien van deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen om het bestemmingsplan te herzien. Binnen de bestemming ‘Wonen’, is het splitsen van een woning niet direct toegestaan. Bij de herziening van het bestemmingsplan kan het college van B&W de splitsing mogelijk maken.
35
HOOFDSTUK
6 Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
36
HOOFDSTUK
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, herziening Goordonk 3‘ zal ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie wordt gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Ook heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de omwonenden aan de Goordonk 2, 4, 5 en 6 op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.
37
HOOFDSTUK
8 Conclusie
De gewenste ontwikkeling van het splitsen van de woning ter plaatse van de Goordonk 3 te Mariaheide is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Binnen de bestemming ‘Wonen’, is de beoogde woningsplitsing niet direct toegestaan. Op basis van de maatwerkbepaling kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De woning die gesplitst zal worden past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige bebouwing in de omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
38