toelichting en regels BP Fioretti locatie Kasteellaan Sint-Oedenrode
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Fioretti locatie Kasteellaan te Sint-Oedenrode
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Fioretti locatie Kasteellaan te Sint-Oedenrode
Planstatus
vastgesteld
Projectnummer
NL.IMRO.1948.OED001BP0042021P-VG01
Datum
23 juni 2022
Bestemmingsplan Fioretti locatie Kasteellaan te Sint-Oedenrode Gemeente Meierijstad Vastgesteld
Rapportnummer:
P04489_4
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1948.OED001BP0042021P-VG01
Datum:
13 mei 2022
Opdrachtgever:
Woonmeij
Projectteam BRO:
ADi, JEr, JvdA
Concept:
29 juli 2021
Ontwerp:
februari 2022
Vaststelling:
23 juni 2022
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor de ontwikkeling van 26 appartementen op de Fioretti locatie aan de Kasteellaan te SintOedenrode
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Hoofdstuk 6
55
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3Vigerend bestemmingsplan 1.4Leeswijzer
4 4 4 6 6
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
7 7 8
3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid
12 12
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid
12 13 15
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3Gemeentelijk beleid
15 16 17
3.3.1 Visie Meierijstad 3.3.2 Woonvisie Meierijstad 2018 (incl. addendum 2021)
17 18
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
20 20
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2Geluid
20 20 21 21
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
21 22 22 22
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
22 22 23 23
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek
Inhoudsopgave
23 24
1
4.4.3 Conclusie 4.5Geur agrarisch
27 28
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid
28 28 29 29 30
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Advies Veiligheidsregio en beperkte verantwoording groepsrisico 4.7.4 Conclusie 4.8 Ecologie
30 31 33 34 34
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem
34 36 38 38
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water
38 39 39 39
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie
39 41 42 42
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12Cultuurhistorie
42 43 43 43
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 M.e.r.-plicht
43 44 45 46
4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. 4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen
46 46 46
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1Inleiding 5.2Plansystematiek 5.3Bestemmingen
Inhoudsopgave
47 47 47 49
2
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
51 51
6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
51 51
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Omgevingsdialoog 6.2.3 Vaststellingsprocedure
52 52 53
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: AERIUS berekening Bijlage 5: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Bijlage 8: Selectieadvies archeologische monumentenzorg Bijlage 9: Aanmeldnotitie m.e.r. Bijlage 10: M.e.r.-beoordelingsbesluit Bijlage 11: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 12: Uitgangspunten beeldkwaliteit Bijlage 13: Notitie beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Woningbouwvereniging Woonmeij heeft de intentie om ter plaatse van de locatie Kasteellaan 6 te Sint-Oedenrode een appartementengebouw met 26 appartementen te realiseren. Op deze locatie was voorheen het Fioretti College gevestigd. Juli 2011 werd de vestiging van het Fioretti College aan de Kasteellaan 6 in Sint-Oedenrode definitief gesloten. De jaren hierna was het gebouw in gebruik als bedrijfs-verzamelpand. Eind 2019 is het voormalige schoolgebouw gesloopt, waardoor er in letterlijke zin ruimte is ontstaan voor de realisatie van het beoogde appartementengebouw. De bestemmingsplanregels van het geldende bestemmingsplan laten de voorgenomen ontwikkeling niet toe, omdat er geen sprake is van een woonbestemming. De gronden waarop Woonmeij het beoogde appartementengebouw wil realiseren hebben op dit moment een maatschappelijke bestemming. Hierbinnen is wonen niet mogelijk. Om de voorgenomen ontwikkelingen toch mogelijk te maken, is gekozen om over te gaan tot een partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan. Daarbij krijgen de gronden binnen het plangebied voornamelijk de bestemming ‘Wonen’.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom Sint-Oedenrode, de gemeente Meierijstad. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1.1 op de volgende pagina. In de daaropvolgende figuur 1.2 is een luchtfoto opgenomen waarin een meer gedetailleerde indicatie van het plangebied gegeven wordt. Voor de exacte begrenzing van het plangebied is de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan leidend. Het perceel waarop de 26 appartementen gerealiseerd zullen worden staat kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie H, perceelnummer 2985. Het plangebied komt exact overeen met de begrenzing van dit kadastrale perceel. De oppervlakte van het perceel bedraagt circa 4.960 m 2.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (plangebied indicatief aangegeven middels rode ovaal; bron: PDOK/OpenTopo)
Figuur 1.2: Luchtfoto met indicatieve aanduiding plangebied (rood omlijn; bron: PDOK).
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeren een aantal verschillende bestemmingsplannen, te weten: Bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Zuid’, vastgesteld op 25 juni 2015 door de gemeenteraad van de (voormalige) gemeente Sint-Oedenrode; ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad op 31 januari 2019, deels onherroepelijk in werking; Bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad op 27 januari 2021. Het plangebied heeft op basis van bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Zuid’ de bestemming ‘Maatschappelijk. Gronden met deze bestemming zijn ingevolge van artikel 7.1 van dit bestemmingsplan bestemd voor: a. het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, culturele, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening; b. ter plaatse van de aanduiding 'recreatie', tevens voor dagrecreatieve voorzieningen, sportvoorzieningen en hieraan ondergeschikte horecavoorzieningen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. ondersteunende horecavoorziening ten dienste van bovengenoemde maatschappelijke functies; met de daarbij behorende: e. voorzieningen van algemeen nut; f. wegen en paden; g. groenvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen.
Uit bovenstaande bestemmingsomschrijving voor de bestemming ‘Maatschappelijk’ kan worden afgeleid dat de voorgenomen ontwikkelingen strijdig zijn met de regels van het vigerende bestemmingsplan; de maatschappelijke bestemming laat wonen niet toe. Om die reden wordt de bestemming voor de gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’. Voor het gehele plangebied geldt verder nog de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarden van de gronden. Tevens is het gehele plangebied gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – straalpad’. Aan de zuidzijde van het perceel ligt de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. De onderzoeksrapporten van de uitgevoerde onderzoeken zijn als separate bijlagen toegevoegd.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Kasteellaan 6 te Sint-Oedenrode. Deze locatie ligt binnen de bebouwde kom van Sint-Oedenrode. Op dit moment bestaat het plangebied uit braakliggend terrein. Tot juli 2011 bevond zich hier een vestiging van het Fioretti College, een school voor middelbaar onderwijs. Na sluiting van deze onderwijsvestiging is het oude schoolgebouw nog in gebruik geweest als bedrijfsverzamelgebouw. In de maanden november en december van het jaar 2019 is het gebouw definitief gesloopt. Sinds die tijd zijn de gronden binnen het plangebied braakliggend. De woningen in de omgeving van het plangebied zijn hoofdzakelijk gebouwd in de jaren ‘40, ‘50, ‘60 en ‘90 van de vorige eeuw. Meer richting het noorden zijn oudere woningen te vinden, waarbij de oudste woningen gebouwd zijn in het midden van de negentiende eeuw. Hoogbouw ontbreekt zo goed als volledig. Enkele impressies van de omgeving van het plangebied zijn weergegeven in onderstaande figuren.
Figuur 2.1: Kasteellaan, bezien vanuit het noorden. Het plangebied in de verte aan de rechterzijde (bron: Google Street View) .
Figuur 2.2: Kasteellaan, bezien vanuit het zuiden. Het plangebied bevindt zich aan de linkerzijde achter de bomen en struiken (bron: Google Street View).
Hoofdstuk 2
7
Figuur 2.3: Zicht op plangebied vanuit de Laan van Henkenshage. Op deze foto is het oude schoolgebouw van het Fioretti College nog aanwezig (bron: Google Street View).
2.2 Toekomstige situatie Woonmeij heeft de wens om een appartementencomplex met daarin 26 appartementen op te richten op braakliggende gronden. Er zullen drie verschillende typen appartementen worden gerealiseerd, waarbij elk type een andere oppervlakte krijgt, variërend van circa 83 m2 tot en met circa 91 m2 BVO. De te realiseren appartementen zullen levensloopbestendig worden opgeleverd. Het segment waartoe de appartementen zullen gaan behoren is ‘sociale huur’. Het appartementencomplex bestaat uit drie woonlagen. In het ontwerp is gekozen voor een verticale geleding van de gevels, waarmee een link kan worden gelegd naar de rijzigheid van het kasteel aan de overzijde van de kasteellaan. Zo ontstaat er een verticale monumentaliteit. Op die manier wordt de monumentaliteit van de omgeving van het plangebied versterkt. In het ontwerp is uitgegaan van een appartementencomplex bestaande uit twee verschillende bouwdelen. Eén van de gebouwdelen ligt aan de Kasteellaan. Bij dit deel is sprake van een corridorgebouw, wat betekent dat alle woningen met één centrale gang worden ontsloten. Alle woningen binnen dit deel zijn georiënteerd op de buitengevels. Daardoor is er geen sprake van een achterkant situatie. Ten aanzien van de woningen die zich binnen dit gebouwdeel op de begane grond bevinden wordt afgeweken van het principe van ontsluiting door één centrale gang.
Deze woningen zijn namelijk bereikbaar aan de openbare zijde van de Kasteellaan maar en via een achteringang ter plaatse van de voorziene parkeerplaatsen. Het tweede gebouwdeel is gelegen aan de parkzijde (zuidzijde). In het ontwerp is dit gebouwdeel circa 2 meter voor de gevelrooilijn van het gebouwdeel aan de Kasteellaan geplaatst, om zo de zelfstandigheid van de twee gebouwdelen te benadrukken. Bovendien kan zo een centrale entree gemarkeerd worden. Ten aanzien van de appartementen in dit gebouwdeel is sprake van een alzijdige oriëntatie, waarbij het accent op de oriëntatie op de parkzijde ligt.
Hoofdstuk 2
8
In onderstaande figuren zijn enkele impressies gegeven van het ontwerp van het appartementencomplex.
Figuur 2.4: Appartementencomplex, bezien vanuit de zijde van de Kasteellaan (bron: Van Asten Doomen Architecten BNA).
Figuur 2.5: Appartementencomplex, bezien vanuit de parkzijde. De Kasteellaan is te zien aan de rechterzijde van de figuur (bron: Van Asten Doomen Architecten BNA).
Hoofdstuk 2
9
In de navolgende drie figuren zijn tevens een situatieoverzicht van de beoogde situatie en het voorlopig ontwerp gegeven.
Figuur 2.6: Situatieoverzicht toekomstige situatie (bron: Van Asten Doomen Architecten BNA).
Figuur 2.7: Voorlopig ontwerp – begane grond (bron: Van Asten Doomen Architecten BNA).
Hoofdstuk 2
10
Figuur 2.8: Voorlopig ontwerp – verdiepingen 1 en 2 (bron: Van Asten Doomen Architecten BNA).
Beeldkwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling zijn de uitgangspunten beeldkwaliteit opgesteld. Deze zijn opgenomen als bijlage. De belangrijkste punten zijn: Verticale monumentaliteit: Een krachtige baksteenarchitectuur met de voeten stevig op de grond. Defensief als het kasteel. Tijdloos. Ingetogen en zorgvuldig gedetailleerd. Materiaal- en kleurgebruik: De monumentale, parkachtige omgeving vraagt om natuurlijke ingetogen materiaal- en kleurtoepassingen. Bij voorkeur in steenachtige materialen (baksteen) om tijdloosheid te benadrukken. Terreininrichting en openbaar gebied: In de openbare richting ligt de mogelijkheid om deze locatie opnieuw aan te haken aan de omgeving van de Kastellaan en het park. Bestratingen, verhardingen en nieuwe beplanting zijn beeldbepalend en vormen de setting voor het nieuwe gebouw.
Hoofdstuk 2
11
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in artikel 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur.
Hoofdstuk 3
12
Doorwerking plangebied Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI. Het realiseren van nieuwe woningen past tevens binnen het nationale belang van het zorg dragen voor voldoende woningen. De taak voor het vormen van beleid inzake de planologische ruimte voor het realiseren van nieuwe woningen wordt neergelegd bij de decentrale overheden. Gemeenten vormen ook beleid over aansluiting op woonbehoeften. Om die reden dient de realisatie van 26 appartementen voornamelijk te worden getoetst aan gemeentelijk beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is bepaald in artikel 1.1.1 Bro “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.
Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling van 26 appartementen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is door BRO een Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Passend binnen beleidskaders Het planinitiatief past binnen de gestelde beleidskaders en draagt bij aan de beleidsdoelstellingen van Rijk, provincie, regio en gemeente: Op ieder bestuurlijk niveau wordt ingezet op de ontwikkeling van woningbouw binnen het bestaand stedelijk gebied. Ook is er specifiek aandacht voor transformatielocaties. Met het initiatief wordt een voormalige onderwijslocatie, gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, herbestemd tot een woonlocatie. In de gemeentelijke woningbouwprogrammering wordt gestreefd naar realisatie van 5.750 woningen tot 2040, waarvan 25% sociale huur. Tot 2028 worden er vanuit de prestatieafspraken daarnaast ingezet op 1.000 sociale huurwoningen, waarvan nog 339 woningen in plannen dienen te worden opgenomen. Het initiatief, dat sociale huurwoningen realiseert, draagt concreet bij aan
1
O.a. ABRvS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRvS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRvS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
13
deze opgaven en aan de prestatieafspraken zoals die gemaakt zijn door de gemeente, huurdersorganisaties en corporaties. Daarnaast is op lokaal niveau aandacht voor het realiseren van woningen voor ouderen die willen doorstromen. Ook wil de gemeente Meierijstad de aantrekkelijk van de gemeente vergroten voor onder andere jongeren. Het initiatief draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt door appartementen te realiseren die ook geschikt zijn voor ouderen. Daarnaast zijn de woningen geschikt voor jongeren doordat ze in een betaalbaar segment worden gerealiseerd. Tot slot is er sprake van een kleinschalig woningbouwplan ter versterking van de differentiatie en spreiding in de gemeente.
Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek gaat het primair om de gemeente Meierijstad en secundair om de regio Noordoost-Brabant. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting. De volledige onderbouwing van de woningbehoefte is opgenomen in de bijlage. Kwantitatieve behoefte Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voorziet in een kwantitatieve behoefte: Door de demografische ontwikkelingen neemt de woningbehoefte in de toekomst toe. Om de groeiende vraag op te vangen is er in de periode 2020-2030 behoefte aan 4.055 nieuwe woningen in de gemeente Meierijstad (incl. verwachte sloop). Ook in de regio Noordoost-Brabant neemt de woningbehoefte de komende jaren toe. In totaal is er in de regio behoefte aan 33.080 woningen tot 2030 (incl. verwachte sloop). De aanwezige planvoorraad in de gemeente bestaat in zijn totaliteit uit 3.583 woningbouwplannen. Onbekend is welk deel van de plannen de status ‘hard’ heeft.
Gezien het percentage harde plannen op basis van de provinciale cijfers (53%), mag echter naar redelijkheid worden aangenomen dat een aanzienlijk deel van de plannen nog de status ‘zacht’ heeft. Daardoor kan er gesteld worden dat er voldoende kwantitatieve ruimte aanwezig is in de gemeente Meierijstad om het initiatief te faciliteren. Ook wanneer rekening wordt gehouden met het aantal woningen dat sinds 2020 is gerealiseerd. Regionaal is er daarnaast sprake van een restbehoefte aan 21.240 woningen tot 2030. Kwalitatieve behoefte Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voorziet in een kwalitatieve behoefte: Door toedoen van trends als vergrijzing worden huishoudens landelijk gezien steeds kleiner. In algemene zin neemt daardoor de behoefte aan woningen die geschikt zijn voor één- of tweepersoonshuishoudens steeds meer toe, zoals bijvoorbeeld appartementen. Deze ontwikkeling is ook terug te zien in de gemeente Meierijstad, waar vooral een tekort bestaat aan gestapelde huurwoningen. Uit de woonwensen blijkt tevens de behoefte aan kleinere woningen met maximaal 3 kamers. Daarnaast staat de betaalbaarheid van wonen door de grote woningbehoefte onder druk. Zowel voor de regio Noordoost-Brabant als de gemeente Meierijstad geldt daardoor een grote behoefte aan betaalbare (huur)woningen tot aan de liberalisatiegrens.
Ook vanuit de gemeentelijke woonvisie is de inschatting dat er tot 2028 nog behoefte is aan extra sociale huurwoningen.
Hoofdstuk 3
14
Doordat ook in de sociale doelgroep het aandeel eenpersoonshuishoudens steeds groter wordt, en de huidige sociale voorraad voornamelijk bestaat uit grondgebonden gezinswoningen, is er in de gemeente Meierijstad tot slot specifiek behoefte aan kleinere sociale gestapelde huurwoningen.
Geen onaanvaardbare effecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van woningen in de gemeente Meierijstad onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Daarnaast draagt het realiseren van woningen bij aan het creëren van een levendig woon- en leefklimaat in de gemeente Meierijstad. Gesitueerd binnen/buiten bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Maatschappelijk’. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft. Bovendien is er sprake van “een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing”, kijkend naar de bestemming in relatie tot de directe omgeving. De planlocatie wordt omringd door stedelijke functies met bestemmingen als wonen, maatschappelijk en stedelijk groen. Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant: Visie op de Brabantse Leefomgeving vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden: Gaan voor meerwaarde-creatie; gaan voor technische én sociale innovatie; gaan voor kwaliteit boven kwantiteit; gaan voor steeds beter; gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd:
Hoofdstuk 3
15
Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”. Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”.
De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan de slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld, deze is op 8 december 2020 geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening.
Er wordt expliciet gesproken van een interim omgevingsverordening, om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving, moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen en dient ter vervanging van zes provinciale verordeningen, waaronder de Ver-ordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening aangeduid als Stedelijk Gebied en Landelijke kern. Artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is om die reden van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Dat artikel luidt als volgt: Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen het stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
Hoofdstuk 3
16
b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De kwantitatieve woonbehoefte in de regio is aangetoond in de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een ruimtelijke kwaliteitsimpuls binnen het plangebied. Er is sprake van een inbreidingsplan en transformatieopgave in stedelijk gebied. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten.
De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Visie Meierijstad In de ‘Visie Meierijstad’ wordt de toekomst van de gemeente Meierijstad beschreven. Hierin is de volgende algemene visie opgenomen: Het is 2025: een gemeente met een missie en ambities In het belang van haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen is een ambitieuze en bestuurskrachtige gemeente noodzakelijk. Elke inwoner telt mee en kan mee doen binnen sterke sociale netwerken en een rijk vrijwilligers- en verenigingsleven. Meierijstad maakt zich samen met het bedrijfsleven sterk voor een gezonde lokale en regionale economie met voldoende werkgelegenheid. Food is de verbindende factor: de productie in het buitengebied, de voedingsindustrie en nieuwe productontwikkeling. In Meierijstad is het genieten in de vele restaurants en op de terrassen. De beroepsbevolking is aan het werk. Wonen en werken in Foodcapital trekt jeugd aan. Er is een goede ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven. Meierijstad koestert de unieke waarden van natuur, landschap, cultuur en onderwijs. Daarnaast is voor het ruimtelijke aspect onderscheid gemaakt tussen verschillende onderdelen, waaronder bijvoorbeeld: landschap, wonen en bedrijvigheid. Voor het aspect wonen is het volgende beschreven: Onze inwoners verblijven in een veilige woon- en werkomgeving. Zij zijn betrokken en hebben direct invloed op de woonomgeving en de eigen woning.
Maatwerk is de norm, met flexibiliteit en ruimte voor
Hoofdstuk 3
17
nieuwe ideeën. Er is een duurzame leefomgeving en een divers woningaanbod: koop, huur, meer-generatie-wonen (levensloopbestendig) en zorgconcepten. Het (hoogwaardig) openbaar vervoer is verbeterd en daardoor is de bereikbaarheid tussen de kernen goed. Doorwerking plangebied Onderhavig plan draagt bij aan het aanbrengen van een diversificatie van het woningaanbod door de toevoeging van goedkope (sociale) huurappartementen. Bovendien zorgt het voor een versterking van de kwaliteit van de leefomgeving in en in de directe omgeving van het plangebied; braakliggende gronden worden bebouwd met een appartementencomplex dat bijdraagt aan de monumentaliteit van de omgeving van het plangebied. Het appartementencomplex wordt zodanig vormgegeven dat wordt aangesloten bij de kernmerken van de omgeving en dat de monumentale kenmerken tegelijkertijd worden versterkt. Daar waar het voormalige schoolgebouw een barrière tussen het aangrenzende park en de ten westen van het plangebied gelegen woonwijk vormde, zal realisatie van een appartementencomplex deze relatie zowel functioneel als stedenbouwkundig gezien herstellen. Bovendien worden de appartementen levensloopbestendig opgeleverd. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten uit de Visie Meierijstad. 3.3.2 Woonvisie Meierijstad 2018 (incl.
addendum 2021) Met de woonvisie geeft de gemeente richting aan gewenste ontwikkelingen op het gebied van wonen, waarbij voldoende flexibiliteit wordt gehouden om goed in te kunnen spelen op de veranderende vraag, ook op de lange termijn. De visie is onderverdeeld in vier thema’s: dynamiek van de woningmarkt, wonen, welzijn en zorg, duurzaamheid en leefbare en vitale kernen en wijken. Per thema zijn onder meer de volgende uitspraken geformuleerd: De dynamiek van de woningmarkt: De aantrekkelijkheid van Meierijstad als woongemeente vergroten, voor onder meer jongeren. In de periode 2020-2040 worden 5.750 woningen aan de woningvoorraad toegevoegd. De komende 5 jaar worden er per jaar minimaal 600 nieuwe woningen gerealiseerd. De gemeente richt zich op minimaal 125% bouwplannen (ca. 7.200 woningen). In de woningbouwprogrammering wordt gestreefd naar een verdeling die bestaat uit 25% sociale huur, 15% middeldure huur, 10% goedkope koop, 20% middeldure koop, 20% dure koop en 10% variabel in te zetten. Voor de sociale huursector zijn er tot 2028 bijna 1.000 sociale huurwoningen nodig. Voor de verdeling naar type woning wordt meer op gemeentelijk niveau gestuurd en gelet op lokale mogelijkheden en kansen. Er wordt prioriteit gegeven aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen.
Wonen, welzijn en zorg: Meer ruimte bieden aan nieuwe woonvormen voor ouderen die willen doorstromen. De doorstroming van ouderen naar meer geschikte woningen stimuleren. Duurzaamheid: Zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed. In het thema ‘leefbare en vitale kernen en wijken’ wordt verder uiteengezet wat de kansen zijn voor leegstaand vastgoed.
Hoofdstuk 3
18
Leefbaarheid: een juiste balans tussen specifieke woonkwaliteit en een divers woningaanbod: Er worden zoveel mogelijk kleinschalige woningbouwplannen toegevoegd ter versterking van de differentiatie en spreiding. Er wordt ingezet op inbreiding in bestaande kernen met aandacht voor kwaliteitsverbetering en zorgvuldig ruimtegebruik en behoudt van de kracht van de kern. Unieke woonconcepten zijn wenselijk voor vastgoed dat niet meer voor het oorspronkelijke doel wordt gebruikt, leegstaat of al gesloopt is. De nodige flexibiliteit, fasering en kleinschaligheid om wordt gehanteerd om maximaal in te kunnen spelen op de actuele wensen en behoeften. Prestatieafspraken Meierijstad 2020-2024 De gemeente, huurdersorganisaties en corporaties maken jaarlijks prestatieafspraken waarin wordt vastgelegd welke acties de partijen doen voor huurders en woningzoekenden in de gemeente Meierijstad. In de prestatieafspraken worden dezelfde thema’s aangehouden als in de woonvisie. In het kader van het planinitiatief zijn vooral de acties in het kader van de dynamiek van de woningmarkt relevant: De komende jaren wordt het woningtekort ingehaald. In de periode 2018-2028 worden bijna 1.000 sociale huurwoningen toegevoegd, waarvan 600 in de periode 2018-2022 worden gerealiseerd. Op basis van de meest recente corporatie monitor (nov.
2020) zijn er 661 sociale huurwoningen in plannen of gerealiseerd in de periode 2018-2028. Daarmee ligt er nog een opgave voor het realiseren van 339 sociale huurwoningen. De doorstroming wordt bevorderd om zoveel mogelijk inwoners passend te huisvesten. Actieplan Woningbouw (2021) In het gemeentelijk actieplan zijn de volgende doelstellingen en uitgangspunten geformuleerd: Bijdragen aan kwalitatieve en duurzame woonmilieus, met kwalitatieve focus op typen woningen die er nu nog onvoldoende zijn en type woningen om gedifferentieerde wijken en doorstroming te faciliteren. Verbeteren van de kwaliteit met nieuwbouw bij inbreiding. Verbeteren betaalbaarheid van wonen. Minimaal 25% sociale huur bij ieder bouwplan. Evenwichtige verdeling van woningen per bouwplan in de verschillende prijssegmenten voor koop en huur. Doorwerking plangebied Er wordt ingezet op de ontwikkeling van woningbouw binnen het bestaand stedelijk gebied. Met het initiatief wordt een voormalige onderwijslocatie, gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, herbestemd tot een woonlocatie. In de gemeentelijke woningbouwprogrammering wordt gestreefd naar realisatie van 5.750 woningen tot 2040, waarvan 25% sociale huur. Tot 2028 worden er vanuit de prestatieafspraken daarnaast ingezet op 1.000 sociale huurwoningen, waarvan nog 339 woningen in plannen dienen te worden opgenomen.
Het initiatief, dat sociale huurwoningen realiseert, draagt concreet bij aan deze opgaven en aan de prestatieafspraken zoals die gemaakt zijn door de gemeente, huurdersorganisaties en corporaties. Daarnaast is op lokaal niveau aandacht voor het realiseren van woningen voor ouderen die willen doorstromen. Ook wil de gemeente Meierijstad de aantrekkelijk van de gemeente vergroten voor onder andere jongeren. Het initiatief draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt door appartementen te realiseren die ook geschikt zijn voor ouderen. Daarnaast zijn de woningen geschikt voor jongeren doordat ze in een betaalbaar segment worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 3
19
Tot slot is er sprake van een kleinschalig woningbouwplan ter versterking van de differentiatie en spreiding in de gemeente. De voorgestane ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het gemeentelijk woonbeleid.
Hoofdstuk 3
20
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening 2 dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. Op 31 januari 2019 heeft de raad van de gemeente Meierijstad het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ vastgesteld voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Artikel 2 van dit plan heeft betrekking op de normstelling voor parkeren. In onderdeel a van artikel 2 is opgenomen dat dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen of openbaar terrein. In onderdeel b ten aanzien van het voorzien in voldoende parkeergelegenheid de parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ dienen te worden aangehouden. 4.1.2 Onderzoek Verkeer De verkeersgeneratie van de 26 te realiseren appartementen in het plangebied is berekend aan de hand van de CROW-kencijfers.
Bij het hanteren van deze kencijfers is het van belang om de mate van stedelijkheid te bepalen aan de hand van de omgevingsadressendichtheid. Het CBS biedt een overzicht van de omgevingsadressendichtheid voor alle gemeenten in Nederland. Voor de gemeente Meierijstad gold op 1 januari 2021 een omgevingsadressendichtheid van 997. Daarmee behoort de gemeente tot de categorie ‘weinig stedelijk’. Voor de categorie woningen die worden gerealiseerd is uitgegaan van de klasse ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’ en de locatiecategorie ‘rest bebouwde kom’. Voor goedkope tot middeldure huurappartementen (inclusief sociale huur) in de ‘rest bebouwde kom’ van een weinig stedelijke gemeente wordt in de CROW-publicatie een aantal verkeersbewegingen aangehouden van maximaal 4,5 mvt/woning/etmaal. Uitgaande van 26 appartementen komt de totale verkeersgeneratie daarmee uit op maximaal 117,0 mvt/etmaal. Gelet op het beperkte aantal te verwachten extra verkeersbewegingen is het aannemelijk dat de omgeving van het plangebied dit verkeer moeiteloos kan verwerken.
2
Bestemmingsplannen dienen te worden vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (zie artikel 3.1, eerste lid, Wro).
Hoofdstuk 4
20
Parkeren De gemeentelijke parkeernormen van de gemeente Meierijstad zijn gegeven in de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. Voor woningen gelegen in de ‘Overige kernen’ en op een locatie die aangemerkt dient te worden als ‘Rest bebouwde kom en Buitengebied’ geldt een parkeernorm van 1,8 pp/woning. Voor de 26 appartementen is daarmee sprake van een totale parkeerbehoefte van 47 parkeerplaatsen. In het voorlopig ontwerp zijn 47 parkeerplaatsen ingetekend. Hiermee wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat de omgevingsvergunning pas verleend kan worden als er sprake is van voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de geldende parkeernormen. Vanuit het aspect parkeren worden daarom geen belemmeringen verwacht. 4.1.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren zorgt niet voor belemmeringen.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4
21
4.2.2 Onderzoek Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, zoals wonen, binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Omdat het plan niet gelegen is binnen de geluidzone van een zoneplichtige weg, is akoestisch onderzoek niet verplicht. Bovendien ligt het plangebied in een rustig gebied en is de Kasteellaan een doodlopende straat waarover enkel bestemmingsverkeer plaatsvindt. Vanuit het perspectief van een goede ruimtelijke ordening kan daarom in het kader van wegverkeerslawaai een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden. De Omgevingsdienst Brabant-Noord heeft in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het beoordelen van het concept bestemmingsplan een indicatieve berekening voor de geluidsbelasting op de gevel in verband met wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde appartementen. De bevindingen die beschreven zijn in de voorgaande alinea worden hiermee bevestigd. 4.2.3 Conclusie Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek NIBM Het voorziene project is een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal te realiseren woningen, namelijk 26, ligt namelijk
Hoofdstuk 4
22
ver beneden de grenzen voor aantallen voor woningbouwlocaties die genoemd worden in Bijlage 3A. Dat houdt in dat het project in kwestie niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Om die reden is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 3%. De NIBM-tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om ook te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierover kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO 2, PM10 en PM2.5. Die kunnen bepaald worden middels de NSL-monitoringstool. Hierbij zij de waarden van de dichtstbijzijnde rekenpunten als uitgangspunt genomen. Betreffende waarden (voor het jaar 2020) zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 4.2 Rekenpunten NSL-monitoringstool Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
222043
19.1
19.1
6.9
11.7
222044
19.1
19.1
6.9
11.7
222057
19.4
19.2
7.0
11.8
222058
19.2
19.1
6.9
11.8
Norm
40
40
35
25
4.3.3 Conclusie Uit bovenstaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat in het plangebied. De toename is verkeersbewegingen zal, mede gelet op de beperkte omvang van het voorziene project, dusdanig beperkt zijn dat de geldende normen niet overschreden zullen worden wanneer het project gerealiseerd is.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten
3
Bedrijven en Milieuzonering, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
23
geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State komt naar voren hoe de aan te houden richtafstand gemeten dient te worden. Hierover zegt de Afdeling het volgende: “De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is4”. Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Effecten plangebied op omgeving Met dit initiatief worden in totaal maximaal 26 woningen mogelijk gemaakt. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Een woning kent dan ook geen milieucategorie of een aan te houden richtafstand. Negatieve invloed op het woon- en leefklimaat bij omliggende milieugevoelige functies is dan ook uit te sluiten. Effecten omgeving op plangebied In de omgeving van het plangebied liggen een aantal milieubelastende bestemming die in meer of mindere mate milieubelastend zijn. Het gaat hierbij om de volgende functies, waarbij de vermelde afstand hemelsbreeds en van de grens van het plangebied tot de bestemming die de milieubelastende functie toelaat gemeten is: een basisschool met bijbehorend sportveld (op ca.
13 meter); een categorie 3-horecalocatie (op ca. 75 meter); een sporthal (op ca. 160 meter); een cultureel-educatief centrum (op ca. 165 meter); een jeu-de-boulesvereniging met buitenbanen (op ca. 70 meter); een cafetaria (op ca. 61 meter); een meubelfabriek met bijbehorende kantoorfunctie (op ca 110 meter); een gasontvangstation en gasdrukmeet- en regelstation (op ca. 130 meter).
4
Zie ABRvS 22 augustus 2012, 201113021/1/R1.
Hoofdstuk 4
24
In aanvulling op voorgaande is het plangebied gelegen in de directe nabijheid van het lint het ‘Kofferen’ dat op grond van bestemmingsplan ‘Centrum, herziening 2013’ de bestemming ‘Centrum – 3’ heeft (zie onderstaande figuur). Gronden met deze bestemming zijn aangewezen voor wonen, kantoren en dienstverlening en bepaalde soorten bedrijven en bedrijfsactiviteiten. Het hierboven genoemde cafetaria maakt onderdeel uit van dit lint. Ook de hiervoor genoemde meubelfabriek met bijbehorende kantoorfunctie is gelegen aan het Kofferen.
Figuur 4.1: Lint met bestemming ‘Centrum – 3’, gelegen ten noorden van het plangebied (ligging plangebied aangeduid met rode marker; bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Binnen het lint aan het Kofferen met de bestemming ‘Centrum – 3’ bevinden zich in de buurt van het plangebied niet in alle gebouwen bedrijfsfuncties. Juridisch-planologisch gezien zijn dergelijke bedrijfsfuncties wel toegestaan, mits deze passen binnen de kaders van het voor dit gebied vigerende bestemmingsplan ‘Centrum, herziening 2013’. Dat betekent dat bedrijfsfuncties die passen binnen de bestemming ‘Centrum – 3’ zich in beginsel zonder het voeren van een ruimtelijke procedure binnen de aanwezige bebouwing kunnen vestigen. Dit gegeven, gecombineerd met het feit dat in de omgeving van het plangebied al een aanzienlijk aantal milieubelastende (bedrijfs)functies (voornamelijk maatschappelijke functies) aanwezig is, maakt dat aannemelijkerwijs kan worden gesteld dat het plangebied gelegen is in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Aangezien aangenomen wordt dat een gemengd gebied al een hogere milieubelasting kent dan een rustig woongebied worden de richtafstanden van de VNG met één afstandsstap verlaagd. Uit onderstaande tabel volgt wat het gevolg hiervan is voor de aan te houden richtafstanden.
Hoofdstuk 4
25
Tabel 4.3: Richtafstanden Milieucategorie
Richtafstand rustig woongebied (m)
Richtafstand gemengd gebied (m)
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1.000
700
6
1.500
1.000
Een basisschool is een functie van milieucategorie 2. Hiervoor geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 10 meter voor het onderdeel geluid. Voor de onderdelen geur en stof geldt geen aan te houden richtafstand. De feitelijke afstand tussen het plangebied en de grens van de bestemming die de basisschool toelaat is 13 meter. Dit is meer dan de in beginsel aan te houden 10 meter. Hiermee wordt ten aanzien van de basisschool voldaan aan de richtafstand. Aangezien het bouwvlak niet direct aan de rand van het plangebied gesitueerd is, zal de feitelijke afstand tussen de uiterste situering van de gevel van het appartementencomplex en de maatschappelijke bestemming die geldt voor de basisschool meer zijn dan 13 meter. Aangezien richtafstanden indicatief zijn en omdat de speelplaats van de basisschool aan de zijde ligt waar het appartementengebouw zal komen, is de speelplaats nader beschouwd door de Omgevingsdienst Brabant-Noord. De omgevingsdienst heeft middels een indicatieve berekening vastgesteld dat het woon- en leefklimaat bij het buitenspelen van een klas (30 kinderen waarvan 10 schreeuwende) niet onevenredig wordt beïnvloed door de school. Anderzijds zal de school hierdoor niet worden beperkt in diens bedrijfsvoering.
De categorie 3-horecalocatie (Kasteel Henkenshage) past, gelet op de beschrijving van definitie van ‘horeca, categorie 3’5 en hetgeen beschreven staat in de VNG-publicatie binnen milieucategorie 1 of 2. Aangezien sprake is van gemengd gebied, dient een richtafstand van (maximaal) 10 meter tot milieugevoelige functies te worden aangehouden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 75 meter van betreffende functie. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Van belang in dit kader is tevens dat het appartementencomplex zal worden gerealiseerd aan de noordwestzijde van Kasteel Henkenshage. Aan deze kant van het kasteel bevindt zich een kasteelmuur die zorgt voor afscherming in de richting van de beoogde appartementen. Deze muur heeft een geluidsafschermende werking. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van (onaanvaardbare) milieuhinder vanuit het kasteel en bijbehorend terras op de appartementen en dat de woningbouwontwikkeling anderzijds niet zorgt voor een beperking van de mogelijkheden tot het voeren van de bedrijfsvoering van het kasteel. Een sporthal is een functie van milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Aangezien de feitelijke afstand tussen de sporthal (Sporthal de Streepen) en het plangebied ongeveer 160 meter bedraagt, wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstand.
5
Zie artikel 1.45 van bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Zuid’.
Hoofdstuk 4
26
Het cultureel-educatieve centrum dat gelegen is op een afstand van circa 165 van het plangebied (Mariendaal Cultureel Educatief Centrum) wordt gebruikt voor verschillende doeleinden. Het gebouw wordt onder andere gebruikt als filmtheater, als locatie voor dans- en muzieklessen en –uitvoeringen en voor de expositie van kunst. Hiermee is sprake van een functie van milieucategorie 2, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt voor het onderdeel geluid. Ten aanzien van de onderdelen geur en stof gelden geen richtafstanden. Gelet op deze aan te houden richtafstand ligt het plangebied op ruim voldoende afstand. De jeu-de-boulesvereniging met buitenbanen die gelegen is op een afstand van ongeveer 70 meter van het plangebied (Jeu de Boules Vereniging Cloeck & Moedigh) komt als functie niet expliciet voor in de VNG-publicatie. Passend is echter om ten aanzien hiervan uit te gaan van een functie uit milieucategorie 2. Dit is ook als zodanig opgenomen in de toelichting van bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Zuid’. Hiervoor geldt in gemengd gebied een maximale richtafstand van 10 meter. Gelet op de feitelijke afstand tot het plangebied wordt zonder twijfel voldaan aan de in acht te nemen richtafstand. Op een afstand van ongeveer 61 meter van het plangebied is een cafetaria gevestigd (Cafetaria De Koffer).
Dit cafetaria bevindt zich op gronden die op basis van bestemmingsplan ‘Centrum, herziening 2013’ van de (voormalige) gemeente Sint-Oedenrode de bestemming ‘Centrum – 3’ hebben. Binnen deze bestemming zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten toegestaan voor zover deze voorkomen in categorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij betreffend bestemmingplan. Uitgaande van een maximale planologische invulling op deze locatie (bedrijf van categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten) moet rekening gehouden worden met een maximale richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt buiten deze richtafstand. In de omgeving van het plangebied is een meubelfabriek met bijbehorende kantoorfunctie (Ahrend) gevestigd. Deze functie ligt op een afstand van circa 108 meter van het plangebied. Een meubelfabriek is een bedrijf van milieucategorie 3.2. In gemengd gebied geldt hiervoor een maximale richtafstand van 50 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van ongeveer 130 meter, bevindt zich een gasontvangstation en gasdrukmeet- en regelstation (Kasteellaan ong.). Het betreft hier een functie van milieucategorie 3.1. In gemengd gebied geldt hiervoor een maximale richtafstand van 30 meter.
Gelet op de feitelijke afstand tussen de functie en het plangebied wordt ruimschoots aan de voldaan aan deze aan te houden richtafstand voldaan. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen. Met betrekking alle milieubelastende functies in de omgeving geldt dat de afstand tussen het plangebied en de grenzen van de bestemmingen die deze milieubelastende functies toelaten per definitie groot genoeg is om aan de richtafstanden te voldoen.
Hoofdstuk 4
27
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). Normaal gesproken hebben de geurnormen die opgenomen zijn betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 Wgv. De normen uit de Wgv kunnen echter worden gebruikt in het kader van toevoeging van geurgevoelige objecten in de buurt van reeds aanwezige veehouderijen. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Bij de toepassing van de omgekeerde werking moeten twee zaken worden aangetoond: Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad. Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen.