Toelichting Bp Buitengebied Laar 1 te Sint-Oedenrode
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan
Buitengebied Laar 1, te Sint-Oedenrode
Colofon
Gemeente:
Meierijstad
Projectlocatie:
Laar 1 te Sint-Oedenrode
Datum:
24-06-2021
Gewijzigd 13-12-2023
Status:
Ontwerp
IMRO-Code:
NL.IMRO.1948.BGO000BP0102023P.ON01
Opgesteld door:
Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Projectnummer:
02061.030 / CV
2 van 45
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 7
2. Planbeschrijving............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 8
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 9
3. Beleidskader................................................................................................... 10 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 10
3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 10 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 10 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 11
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 16
3.2.1. 3.2.2.
Structuurvisie ........................................................................................... 16 Bestemmingsplan ..................................................................................... 17
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 18 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 18
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 18
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 22
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Waterrelevant beleid................................................................................. 18 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 21 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 21 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 22 Wet natuurbescherming ............................................................................ 23
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 27
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 27 Archeologie .............................................................................................. 28
4.5.
Landschappelijke inpassing .............................................................................. 28
4.6.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 29
4.7.
Spuitzones ..................................................................................................... 29
4.8.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 29
4.9.
Geur .............................................................................................................. 30
4.9.1. 4.9.2. 4.10. 4.10.1.
Omgekeerde werking ................................................................................ 30 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 31 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 32 Niet in betekenende mate ......................................................................... 32
3 van 45
4.10.2.
Woon- en leefklimaat ................................................................................ 33
4.11.
Geluid ......................................................................................................... 35
4.12.
Verkeer en parkeren .................................................................................... 36
4.13.
Externe veiligheid ........................................................................................ 36
4.13.1. 4.13.2.
Regelgeving ............................................................................................. 36 Toetsing aan beleid .................................................................................. 37
4.14.
Technische infrastructuur ............................................................................. 39
4.15.
Volksgezondheid .......................................................................................... 39
4.15.1.
Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid ........................... 40
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 41 5.1.
Juridische achtergrond .................................................................................... 41
5.2.
Toelichting verbeelding.................................................................................... 41
5.3.
Toelichting regels............................................................................................ 42
6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 43 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 43
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 43
6.2.1.
Zienswijzen en beroep .............................................................................. 43
7. Bijlagen .......................................................................................................... 44
4 van 45
1. Inleiding
In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel De heer van Acht is woonachtig aan de Nijnselseweg 21 te Sint-Oedenrode en is de initiatiefnemer van dit project. De initiatiefnemer exploiteert de pluimveehouderij aan bovengenoemd adres. Zoals te zien op afbeelding 1. De initiatiefnemer is voornemens om de verouderde burgerwoning op de Laar 1 inclusief 2 bijgebouwen te slopen en hier een nieuwe woning te plaatsen. Echter is hiervoor een vergroting van de enkelbestemming ‘wonen’ nodig zoals te zien is in afbeelding 2. Ter plaatse van de nieuwe woonbestemming wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar ‘Wonen’. De grond is al geheel in het bezit van de initiatiefnemer.
Afbeelding 1: Bestaande en beoogde situatie bestemming ‘wonen’ 1.2. Geldend planologisch regime De regels van het vigerend planologische regime zijn vervat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ zoals vastgesteld op 29 maart 2018. De verbeelding van de agrarische bestemming is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ de verbeelding van de bestemming wonen is opgenomen is ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ deze zijn te zien in afbeelding 3 en 4. In de legenda’s van deze afbeeldingen zijn de bestemmingen en aanduidingen te vinden die conform het vigerend bestemmingsplan van toepassing zijn op het plangebied aan de Nijnselseweg 21 en de Laar 1 te Sint-Oedenrode.
5 van 45
Afbeelding 2: Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’
Afbeelding 3: Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ 1.3. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het plan doorloopt als volgt de procedure. Allereerst wordt er een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld waarin onderbouwd wordt dat het initiatief voldoet aan het gemeentelijk en provinciaal beleid en aan alle relevante milieu- en ruimtelijke ordeningsaspecten. In deze fase wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners zoals gemeente, provincie en waterschap. Eventuele opmerkingen worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.
6 van 45
Volgens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van 6 weken kan een ieder zienswijzen kenbaar maken. Binnen 12 weken nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, wordt het opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken kunnen belanghebbenden die tijdig zienswijzen kenbaar hebben gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij niet in de gelegenheid zijn geweest om tijdig zienswijzen kenbaar te maken, beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het bestemmingsplan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het bestemmingsplan in werking is getreden kunnen de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden aangevraagd. 1.4. Leeswijzer In deze toelichting zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven.
In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
7 van 45
2. Planbeschrijving
In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie De locatie ligt zuidoostelijk van Sint-Oedenrode net buiten de bebouwde kom. De locatie ligt te midden van verschillende agrarische en natuurgronden zoals te zien is op afbeelding 4. Op het terrein is een pluimveehouderij aanwezig met 1 stal, hierin zitten leghennen. Verder staat er een loods die gebruikt wordt voor statische opslag met hieraan vast een tweede loods. In deze loods zit een caravanstalling en werkplekken voor zzp’ers. Dit zijn vooral plekken voor jonge starters deze bedrijfsactiviteiten vallen onder een lichte milieucategorie. Er staat een bedrijfswoning en een burgerwoning met twee bijgebouwen.
Afbeelding 4: Luchtfoto Nijnselseweg 21 + Laar 1 te Sint-Oedenrode De volgende bebouwing is in de huidige situatie aanwezig op de locatie, zie afbeelding 5: - 1: kippenstal - 2: loodsen voor statische opslag en zzp’ers - 3: bedrijfswoning - 4: burgerwoning - 5: bijgebouw bij de burgerwoning - 6: bijgebouw bij de burgerwoning
8 van 45
Afbeelding 5: aanwezige bebouwing plangebied. 2.2. Beoogde situatie In de beoogde situatie blijft het bedrijf, de bedrijfswoning en de bijgebouwen hetzelfde. De woning en de daarachter gelegen bijgebouwen aangegeven onder 4, 5 en 6 op afbeelding 5 worden gesloopt en hier wordt een nieuwe woning terug gebouwd. de woning wordt gesloopt omdat deze te dicht op de weg gesitueerd is, hierdoor voldoet de woning niet aan de akoestische aspecten. De oude woning en de bijgebouwen zijn al gedeeltelijk buiten de bestemming wonen en in de bestemming agrarisch gesitueerd. Het nieuwe gebouw wordt gebouwd op het middelpunt van de 3 gebouwen die gesloopt worden. Het beoogde huis wordt dus verder van de omliggende wegen af gesitueerd. In afbeelding 6 bij de landschappelijke inpassing is te zien waar de nieuwe woning komt en welke grootte en vorm de nieuwe bestemming wonen zal krijgen. Het bestemmingsvlak wonen zal vergroot worden met 140m2, het oppervlakte gaat van 577m2 naar 717,6m2. Er wordt 89m2 in gebruik genomen voor landschappelijke inpassing. Dit betekend dat de agrarische bestemming verkleind wordt van 27742m2 naar 27512,4m2. Het verkleinen van de agrarische bestemming levert geen belemmeringen op voor het bedrijf dat hier gesitueerd is. Rondom de beoogde woning zal een landschappelijke inpassing plaatsvinden zodat de woning lichtjes afgescheiden wordt van het bedrijf.
Er zal een knip en scheerheg rondom het erf komen samen met een aantal fruitbomen in de tuin.
9 van 45
3. Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
10 van 45
Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 5, ligt de planlocatie in de groenblauwe mantel en in zoekgebied verstedelijking. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in NoordBrabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap. De ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd.
Daarom sluit het initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.
Afbeelding 5: Uitsnede structurenkaart structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 3.1.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen.
11 van 45
Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’, ‘Verstedelijking afweegbaar’, ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Groenblauwe mantel’, ‘Landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’ zie afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede werkingsgebieden IOV. De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen - 3.26 attentiezone waterhuishouding - 3.29 cultuurhistorische waarden - 3.32 landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel - 3.44 samenloop verstedelijking afweegbaar met andere werkingsgebieden - 3.51 afwijkende regels beperkingen veehouderij - 3.52 aanvullende regels stalderen - 3.68 wonen in landelijk gebied Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Iov getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.
12 van 45
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Er is sprake van zuinig ruimtegebruik doordat er op de plaats van de oude woning een nieuwe woning gebouwd wordt. De bestemming wonen wordt vergroot waarbij er een nieuw bouwvlak gemaakt wordt voor de beoogde woning. De huidige woning staat al gedeeltelijk buiten het bouwvlak. Doordat de enkelbestemming en het bouwvlak aangepast wordt valt de beoogde ontwikkeling binnen het bouwperceel. Tevens dient aan de sub b en c van artikel 3.6, lid 1 van de Iov voldaan te worden:
b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); Daar het de realisatie van één woning betreft is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De woning en de woonbestemming.
bijbehorende
bouwwerken
zullen
worden
geconcentreerd
binnen
de
Uit bovenstaande toetsing blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Uit deze toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op de waarden in de omgeving. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de toepassing van landschappelijke inpassing. Er wordt een nieuwe woning met nieuwe beplanting gerealiseerd. Dit vertaald zich in een mooier en aantrekkelijker straatbeeld.
13 van 45
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Meierijstad is het afsprakenkader van ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 3 ontwikkeling. Door de veranderingen van agrarisch naar wonen en landschappelijke inpassing zal er een waardevermeerdering ontstaan voor de grond van de initiatiefnemer, het zal hier gaan om €29.499,hiervan wordt 25% gebruikt voor de landschappelijke inpassing, het gaat hier om €7.374,75.
Er zal 89m2 vastgelegd worden voor het aanleggen van de landschappelijke inpassing deze grond heeft een waarde van 1 euro per vierkante meter, het is niet mogelijk om deze grond te gebruiken voor andere doeleinden. Door het verwijderen van verharding en het aanleggen van beplanting en het beheer van de nieuwe beplanting en al aanwezige beplanting zal er €8.288,10 uitgegeven worden voor de fysieke verbetering van het landschap. Dit resulteert in €913,35 extra kwaliteitsverbetering van het landschap. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) Doel van de attentiezone is om de waterhuishouding te beschermen bij nieuwe plannen en functies en activiteiten uit te sluiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. In lid 2 zijn voorwaarden gesteld om dat doel te kunnen bereiken, zie onderstaande toetsing aan deze voorwaarden:
Lid 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;
Indien in de beoogde situatie meer dan 100 m³ grond zal worden verzet om de beoogde bebouwing te kunnen realiseren zal een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden aangevraagd worden.
b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande
drainage;
Er wordt geen drainage aangelegd.
c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; Met de beoogde ontwikkeling wordt de grondwaterstand niet verlaagd.
d. het beperken van het buiten een agrarisch oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.
bouwperceel
aanbrengen
van
De aanleg van de verharde oppervlakte ten behoeve van de woning wordt zo beperkt mogelijk aangebracht. In paragraaf 4.2 Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.van deze toelichting is uitgebreid uiteengezet dat er geen negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie zullen plaatsvinden in de beoogde situatie ten opzichte van de bestaande situatie.
14 van 45
Cultuurhistorische waarden (artikel 3.29) Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden Het gaat om de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0). Op deze kaart is onderhavig locatie gelegen in het cultuurhistorisch vlak ‘Dommeldal bij Breugel’ Het gebied bestaat uit het beekdal van de Dommel bij Sint-Oedenrode, Nijnsel en Breugel. De Dommel ligt in een smal beekdal dat wordt omgeven door zandgronden die 2 à 3 meter hoger liggen. De dalbodem is vanouds als grasland in gebruik, verdeeld in onregelmatig gevormde percelen, sommige met perceelrand-begroeiing van elzensingels en populieren. De strategie van het cultuurhistorisch vlak ‘Dommeldal bij Breugel’ is de planologische bescherming van de waarden en kenmerken van het gebied. Ter plaatse van de aanduiding ‘Cultuurhistorisch vlak’ is het bestemmingsplan gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Onderhavig initiatief is mede gericht op behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, door middel van een landschappelijke inpassing die passend is binnen het cultuurhistorische landschap, zie bijlage 1. Daarnaast wordt overtollige bebouwing gesloopt en zijn er regels in het bestemmingsplan opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel (artikel 3.32) Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. sterkt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Doordat er in de beoogde situatie een nieuwe woning gebouwd op de plek van de huidige woning wordt de omgeving niet aangetast. Hierdoor worden de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden niet aangetast.
Door middel van de landschappelijke inpassing en het onderhoud van de al bestaande natuur op het terrein worden de waarden en kenmerken juist versterkt. Duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 3.42) In deze situatie is er een samenloop tussen verstedelijking afweegbaar met de groenblauwe mantel en attentiezone waterhuishouding. Door deze combinatie wordt er aan lid 2 getoetst: Als Verstedelijking afweegbaar samenvalt met de Groenblauwe Mantel of Attentiezone Waterhuishouding, geeft het bestemmingsplan in aanvulling op artikel 3.43 (afwijking van artikel 3.42) overeenkomstige toepassing aan artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel of artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding en geldt dat de duurzame stedelijke ontwikkeling:
15 van 45
a. plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving; b. geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden zwaar bedrijventerrein. In deze situatie wordt er een nieuwe woning gebouwd en een bestaande woning gesloopt, er is dus geen sprake van het ontwikkelen of uitbreiden van een zwaar bedrijventerrein. Verder zorgt de landschappelijke inpassing voor een goede samenhang tussen de ontwikkeling en de Groenblauwe Mantel. Afwijkende regels beperkingen veehouderij (artikel 3.51) De afwijkende regels voor gebieden die zijn aangewezen als ‘Beperkingen veehouderij’ stellen dat uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij is uitgesloten. Daar dat het vlak wonen vergroot wordt voor vervanging van een burgerwoning vindt er geen uitbreiding of omschakeling naar een veehouderij plaats. Hierdoor zijn de voorwaarden voor dit werkingsgebied niet van toepassing op het initiatief. Aanvullende regels salderen (artikel 3.52) In de Iov zijn in dit artikel regels opgenomen voor stalderen. Stalderen betekent dat er pas mag worden uitgebreid in m2 dierenverblijf (bij bouw of gebruikswijziging) als elders 120% of 200% van de oppervlakte aan dierenverblijf wordt gesaneerd. Binnen het plangebied is geen sprake van een toename in oppervlakte van dierenverblijven voor hokdieren.
Het initiatief betreft het vervangen van een burgerwoning binnen de inrichting. Deze aanvullende regels zijn derhalve niet van toepassing op het initiatief. Wonen in landelijk gebied (artikel 3.68 & 3.69) In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat:
1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;
Met het initiatief wordt de bestaande woning gesloopt en dus opgeheven zodat er een vervangende nieuwe woning gebouwd kan worden.
2. Overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Er is ter plaatse geen sprake van overtollige bebouwing
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden voor wonen in het landelijk gebied. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie en het bestemmingsplan.
3.2.1. Structuurvisie
Sint-Oedenrode beschikt sinds 2005 over de strategische visie ‘de Rooi(s)e draad’. In 2012 is deze visie herijkt. Deze is opgesteld om de visie actueel te houden door de geobserveerde trends en ontwikkelingen op te nemen in de strategische visie. Zodoende ligt de focus op de beleidsterreinen waar sprake is van een andere koers ten opzichte van de oorspronkelijke ‘De Rooi(s)e draad’. Het accent ligt bij de herijking op een drietal belangrijke thema’s: - Woningbouw en Leefbaarheid; - Vitaal Platteland; - Economie en Ruimtelijke ontwikkeling.
16 van 45
De bijstellingen hielden onder meer in dat na afronding van lopende projecten in de kleine kernen, nieuwe woningbouw werd geconcentreerd in de hoofdkern Sint-Oedenrode. En dat de ambitie werd geformuleerd om jongeren aan te trekken of vast te houden als inwoners van de gemeente.
3.2.2. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor de planlocatie het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Odenrode herziening 4’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: Enkelbestemming: ‘agrarisch met waarden – landschapswaarden’ Enkelbestemming: ‘wonen’ Dubbelbestemming: ‘waarde – archeologie 2’ Dubbelbestemming: ‘waterstaat – attentiegebied EHS’ Functieaanduiding: ‘intensieve veehouderij’ Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – aardkundig waardevol’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol gebied’ Gebiedsaanduiding: ‘overige zone – groen blauwe mantel’ Gebiedsaanduiding: ‘veiligheidszone – leiding’ Deze zijn te zien in afbeelding 3 en 4. In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Om deze reden wordt een herziening van het bestemmingsplan voorbereid. De regels van deze herziening zullen zoveel als mogelijk aansluiten bij het vigerende bestemmingsplan en zullen in lijn zijn met de systematiek zoals die gehanteerd wordt bij andere woonontwikkelingen in de gemeente.
17 van 45
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve effecten zullen plaatsvinden op de Natura-2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Ten aanzien van het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ t.b.v. het vergoten van het vlak wonen voor het slopen van één woning en het herbouwen van één nieuwe burgerwoning die verder van de weg af gesitueerd zal worden zijn geen grenswaarden opgenomen in het besluit. Er kan dus geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het tweede criteria geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.
De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
18 van 45
Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de planlocatie buiten de werkingsgebieden zoals te zin is op afbeelding 7.
Afbeelding 7: uitsnede instructieregels aan gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en berging van IOV. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;
19 van 45
-
Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 8 heeft de planlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor deze deelfunctie geldt beperkt beschermingsbeleid. Dit houdt in, dat binnen deze gebieden in beginsel waterhuishoudkundige ingrepen mogen plaatsvinden, mits deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities. Het ruimtelijk beleid in de groenblauwe mantel is vooral gericht op ontwikkeling van groenblauwe waarden. Het initiatief betreft het vervangen van een burgerwoning inclusief bijgebouwen. Er is hierdoor geen sprake van waterhuishoudkundige ingrepen, die een negatief effect kunnen hebben op de ontwikkeling van de groenblauwe mantel.
Afbeelding 8: Uitsnede PMWP gezondheid kaart 1 Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de planlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de planlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP.
20 van 45
Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren.
Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht.
De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie wordt de woning vervangen door een nieuwe woning. In de woning zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor zijn de nodige voorzieningen al aanwezig, de nieuwe woning wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het hemelwater zal infiltreren in de bodem.
21 van 45
Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In de beoogde situatie is er een minimale toename van verhard oppervlak. Omdat er een toename verharding is van minder dan 500 m² dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3.
Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren.
22 van 45
De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 9. Echter ligt de NNB wel dicht in de buurt van de planlocatie, door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing zullen de ecologische waarden versterkt worden. Hierdoor hebben de beoogde ontwikkelingen geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Afbeelding 9: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Strabrechtse Heide & Beuven. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.
23 van 45
Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 12 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Recentelijk is door de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Stikstofreductie en natuurbescherming. Wanneer deze wet in werking is getreden is de bouwactiviteit waarschijnlijk vrijgesteld van een vergunningsplicht. Dit betekent dat er geen berekeningen meer nodig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Hier is pas uitsluitsel over wanneer deze wet in werking is getreden. Deze wet zal, naar verwachting, op 1 juli 2021, in werking treden. In het kader van deze doelstelling is geen AERIUSberekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Doordat er in plaats van de oude woning een nieuwe woning gebouwd wordt veranderd er niets op gebied van verkeersbewegingen.
De situatie blijft in theorie hetzelfde waardoor er geen verandering zal plaatsvinden in de stikstofdepositie. De depositie is in de bestaande situatie niet groter dan 0,00 mol/ha/jaar, dit houdt in dat in de beoogde situatie de depositie niet verhoogd wordt en dus < 0,00 mol/ha/jaar blijft.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren,
24 van 45
amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Laar 1, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woning en de te slopen bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden.
Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’, ‘slopen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeelding.