CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Bolstweg 4'

Raadsvergadering 29 maart 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Bolstweg 4'14.167 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

4.4

Waterparagraaf Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werden in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek zoals verdrogingsverschijnselen en hogere afvoeren van rivieren. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

4.4.1

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) 2017-2022, het Provinciaal plan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

29

• •

vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2016-2021 De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Ter plaatse van het plangebied vindt een forse afname van verharding plaats doordat de varkensstal, een deel van het bijgebouw wordt gesloopt en een deel van de erfverharding wordt verwijderd. Ondanks het realiseren van een nieuwe ruimte voor ruimte woning zal het totaal oppervlakte aan verharding per saldo afnemen. De Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Tot slot is de Digitale Watertoets van het Waterschap Aa en Maas uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het planvoornemen diverse waterbelangen raakt. Het plan ligt in een grondwaterbeschermingsgebied van een drinkwaterwinningslocatie. Vanwege de drinkwaterwinning dienen vervuilingen van het grond- en oppervlaktewater te worden 30

voorkomen en gecontroleerd. De ontwikkeling dient te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). Dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld van de riolering, dienen maatregelen te worden genomen om afstromend hemelwater te verwerken. In onderhavig plan neemt het verharde oppervlak niet toe waardoor maatregelen niet nodig zijn. Daarnaast wordt er gestreefd om hemelwater of grondwater dat nu nog via de vuilwaterriolering naar de rioolwaterzuivering wordt afgevoerd, gescheiden af te voeren en te infiltreren/terug te brengen in het lokale watersysteem (afkoppelen grondwater en/of verhard oppervlak). Bij de Ruimte-voor-Ruimte woning dient geen grond- of hemelwater te worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering, oftewel niet-aankoppelen. Dit grond- of hemelwater wordt in het plangebied verwerkt. Bij afvoer of het maken van een overloop op oppervlaktewater zal dit afgestemd moeten worden met het waterschap. Bij de bestaande woning is een drukrioolaansluiting aanwezig. Voor de nieuwe RvRwoning dient de initiatiefnemer rekening te houden met aanvullende werkzaamheden om de afvoer van huishoudelijk afvalwater mogelijk te maken. Tot slot wordt verzocht om tijdens de bouw van de nieuwe woning af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen.

Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Voor de volledige conclusie van de Digitale Watertoets wordt verwezen naar bijlage IV.

4.5

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. De voorgestane ontwikkeling is gevoeliger dan de huidige functie ter plaatse. Met deze nieuwe ontwikkeling wordt de potentiële verblijfsduur langer dan 2 uur en daardoor is de kwaliteit van de bodem relevant voor de ontwikkeling. Bodemonderzoek dient uit te wijzen of de kwaliteit van de bodem acceptabel is voor de nieuwe functie. Het volledige onderzoeksrapport is als seperate bijlage V bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Op 14 juli 2020 is een veldinspectie uitgevoerd, hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Op het maaiveld en in de grove fractie is geen asbest verdacht plaatmateriaal aangetroffen. In het opgeboorde bodemmateriaal onder de asfaltverharding zijn bijmengingen met hoofdzakelijk baksteenresten aangetroffen.

In de overige boringen zijn zintuigelijk geen bijzonderheden waargenomen. In de fijne fractie van ABM1 is een lichte verhoging met asbest aangetoond (2,8 mg kg d.s.). De verhoogde asbestconcentratie in ABM1 ligt echter ruim beneden de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) waardoor er geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van nader onderzoek. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met koper en zink. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater uit peilbuis 1 is licht verhoogd met

31

cadmium, nikkel, zink en matig verhoogd met koper. Het freatisch grondwater uit peilbuis 2 is licht verhoogd met barium. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie (bestemmingswijziging en nieuwbouw van een woning). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Asbestverontreinigingen komen heterogeen verspreid voor in de bodem. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Geadviseerd wordt daarom, bijvoorbeeld bij grondwerkzaamheden, alert te blijven op de aanwezigheid van (plaatselijke) asbestverontreinigingen.

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid.

Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. De minimumafstand is gebaseerd op een ‘rustige woonwijk’. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de woning aan Bolstweg 4 en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Adres Bolstweg 6

Soort bedrijf Varkenshouderij

Milieucategorie 4.1

Minimumafstand 200 meter

32

Bolstweg 5a Bolstweg 1 Goordonksedijk 14 Goordonksedijk 10a Heiakkerstraat 2

Varkenshouderij Computerservicebedrijf Varkenshouderij Glastuinbouwbedrijf Glastuinbouwbedrijf

4.1 1 4.1 2 2

200 meter 10 meter 200 meter 30 meter 30 meter

In dit geval is de planlocatie gelegen in een gemengd lint van (agrarische) bedrijvigheid en woonbestemmingen en is er geen sprake van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. Hierdoor mag worden uitgegaan van onderstaande afstanden: Adres Bolstweg 6 Bolstweg 5a Bolstweg 1 Goordonksedijk 14 Goordonksedijk 10a Heiakkerstraat 2

Soort bedrijf Varkenshouderij Varkenshouderij Computerservice bedrijf Varkenshouderij Glastuinbouwbedrijf Glastuinbouwbedrijf

Minimumafstand 100 meter 100 meter 0 meter

Werkelijke afstand 35 meter 70 meter 200 meter

Voldaan Nee Nee Ja

100 meter 10 meter 10 meter

220 meter 380 meter 350 meter

Ja Ja Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er formeel niet kan worden voldaan aan de afstand tot de varkenshouderijen aan de Bolstweg 5a en 6. Deze minimale afstand van 100 meter heeft betrekking op het aspect geur. Ten aanzien van de aspecten stof en geluid dient een afstand van respectievelijk 10 en 30 meter te worden aangehouden waaraan wel kan worden voldaan. In de volgende paragraaf wordt het geuraspect nader onderzocht en is geconcludeerd dat dit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse is namelijk sprake van een ruim voldoende acceptabel woon- en leefklimaat. Voor de overige bedrijven in de omgeving kan worden voldaan aan de minimum richtafstanden. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

4.8

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

33

De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat zowel de burgerwoning als de Ruimte-voor-Ruimtewoning geurgevoelig is. Voorgrondbelasting De gemeente heeft het gebied aan de Bolstweg 4 te Mariaheide ligt, niet aangewezen als gebied waarvoor een andere maximale waarde voor geurbelasting op geurgevoelige objecten van een veehouderij geldt, zijnde 14,0 ouE/m3. Om te bepalen wat de voorgrondbelasting op de hoekpunten van de beoogde bebouwing aan de Bolstweg 4 te Mariaheide is, is met het verspreidingsmodel VStacks vergunning vanuit de vergunde emissiepunten van de veehouderij aan de Bolstweg 6 te Mariaheide berekend wat de voorgrondbelasting van het vergunde veebestand is.

Omdat er reeds een geurgevoelig object is gelegen tussen de veehouderij en de beoogde bebouwing is niet uitgegaan van de rand van het bouwvlak van de veehouderij aan de Bolstweg 6 omdat het reeds aanwezige geurgevoelig object eerder beperkend is voor de betreffende veehouderij. De resultaten hiervan zijn weergegeven in navolgende tabel 1. Voor de daadwerkelijke outputbestanden wordt verwezen naar bijlage VI.

Tabel 1. Voorgrondbelasting

De te toetsen objecten aan de Bolstweg 4 te Mariaheide voldoen, met een voorgrondbelasting die, op ten hoogste 9,204 ouE/m3 ligt, op alle toetspunten aan de gemeentelijke norm van 14,0 ouE/m3.

34

Achtergrondbelasting Naast de geurcontouren die de reikwijdte van de geurbelasting kunnen bepalen van één bedrijf is er ook een geurbelasting van alle bedrijven gezamenlijk, de zogenaamde achtergrondbelasting. Wanneer veel (intensieve) veebedrijven zich in de nabijheid van een projectlocatie bevinden kan de achtergrondbelasting zo hoog worden dat van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet meer gesproken kan worden. Met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied is berekend wat de huidige achtergrondbelasting op de hoekpunten van de te toetsen objecten aan de Bolstweg 4 te Mariaheide is van het actuele vergunde veebestand van de gemeente Meierijstad op 15 september 2020. Hiervoor zijn 50 veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer om de locatie Bolstweg 4 te Mariaheide ingevoerd met de (default-) waarden afkomstig uit Web-BVB Noord-Brabant. De resultaten hiervan zijn weergegeven in navolgende tabel 2. Voor de daadwerkelijke outputbestanden wordt verwezen naar bijlage VI. Daarnaast is de achtergrondbelasting in beeld gebracht in bijlage VI.

Tabel 2. Achtergrondbelasting.

Op basis van de berekende achtergrondbelasting vanuit 50 veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (maximaal 16,241 ouE/m3) op de hoekpunten van de te toetsen objecten aan de Bolstweg 4 te Mariaheide kan, aangezien de geurbelasting ruimschoots onder de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 ligt, een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd. Vaste afstanden In artikel 5 van de Wgv zijn minimale afstanden opgenomen vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Buiten de bebouwde kom dient deze afstand tenminste 25 meter te bedragen. De beoogde ontwikkeling aan de Bolstweg 4 te Mariaheide voldoet hier ruimschoots aan. Conclusie Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling aan de Bolstweg 4 te Mariaheide voldoet de voorgrond geurbelasting die onder de 14,0 ouE/m3 ligt, aan de norm. De maatgevende veehouderij aan de Bolstweg 6 te Mariaheide wordt door de beoogde ontwikkeling niet 35

in zijn belangen geschaad. Tevens wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd; Het leefklimaat als gevolg van de achtergrondbelasting voldoet aan de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 in het buitengebied, derhalve wordt ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd; Aan de vaste afstanden vanuit de beoogde ontwikkeling aan de Bolstweg 4 te Mariaheide tot aan de meest dichtbij gelegen veehouderij (bouwblok) en aan de gevelgevel afstand wordt voldaan. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Bolstweg 4 te Mariaheide niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt.

4.9

Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval wordt er binnen de invloedssfeer van de wegen Bolstweg en Hoge Heide één nieuw geluidsgevoelig object gerealiseerd, namelijk een burgerwoning (via de Ruimte-voor-Ruimteregeling). Een akoestisch onderzoek is dan ook noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Heiakkerstraat teven opgenomen in het akoestisch onderzoek. De etmaalintensiteit op de Hoge Heide is niet opgenomen in het verkeersmodel. Conform opgave van de gemeente Meierijstad kan de Hoge Heide als akoestisch irrelevant worden beschouwd. Derhalve is deze weg niet verder opgenomen in het akoestisch onderzoek. Hieronder zijn de conclusies uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor de wegen Bolstweg en Heiakkerstraat weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is als seperate bijlage VII bijgevoegd. Bolstweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Bolstweg is maximaal 49 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde wordt enkel op de voorgevel van de bestaande bedrijfswoning overschreden. Op de nieuw te bouwen woning wordt de voorkeursgrenswaarde uit de wet geluidhinder niet overschreden waardoor een hogere grenswaarde procedure dan ook niet doorlopen hoeft te worden.

Het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning wordt via het bestemmingsplan gerealiseerd. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Het omzetten van een agrarische bedrijfswoning valt hieronder. 36

Heiakkerstraat Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 28 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 23 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.10

Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (het 3% criterium: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg). Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de kwaliteit van de lucht.

Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 3: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.

2019 2025 Norm

Totale concentratie (µg/m³) NO2 19.70 13.39 40

Totale concentratie (µg/m³) PM10 19.10 17.44 40

Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 12,78 11.07 25

37

Uit tabel 3 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van één Ruimte-voor-Ruimtewoning valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is.

4.11

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. 38

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 11) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op 25 meter van het plangebied aan de Bolstweg 6 en betreft een bovengrondse propaantank. Deze bovengrondse tank heeft een risicocontour van 12 meter en ligt daarmee ver genoeg van het plangebied af. Op 1100 meter afstand bevindt zich eveneens een propaantank

1

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:

1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

39

met een risicocontour van 12 meter. Genoemde nabijgelegen risicovolle inrichtingen vormen dus geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Risicovol transport In de nabijheid van de planlocatie vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorlijnen of waterwegen plaats.

25 m.

1100 m.

840 m.

Figuur 11. Uitsnede risicokaart. Plangebied rood omcirkeld.

Buisleidingen Op een afstand van 840 meter ten zuidoosten van de planlocatie is parallel aan de Wilsvoortweg een buisleiding gelegen. Deze buisleiding betreft een aardgasleiding zonder risicocontour. Aangezien de planlocatie niet binnen de risicocontour van deze leiding is gelegen vormt deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour en invloedsgebied) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op circa 25 meter en betreft een bovengrondse tank. In de directe omgeving bevinden zich verder geen risicovolle inrichtingen. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.12

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er 40

knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing van het stappenplan kan geconcludeerd worden dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. Voor het doorlopen stappenplan wordt verwezen naar bijlage VIII. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Allereerst is geconstateerd dat er binnen een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen zich, vooralsnog, een extra risico voordoet. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Ook is vastgesteld dat aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied geïnformeerd worden over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen.

Dat betekent dus dat het college op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk ruimte biedt om ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. In onderhavige ontwikkeling worden geen kinderen, kwetsbare mensen en ouderen gehuisvest. De initiatiefnemer van het plan zal een verklaring ondertekenen en nieuwe potentiële bewoners zullen geïnformeerd worden over het risico.

4.13

Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 4,15 kilometer van het plangebied gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

4.14

Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende 41

gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woningen, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is tussen de percelen en de beoogde RvR-woning een weg en een bestaande burgerwoning gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tot slot is reeds sprake van een bestaande woning, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant de woningen niet zorgen voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.

4.15

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

4.15.1

Mobiliteit Het plan heeft betrekking op de beëindiging van een agrarisch bedrijf, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en de realisatie van één extra woning in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Conform de verkeersgeneratiecijfers van het CROW heeft de huidige situatie ( één vrijstaande woning in weinig stedelijk gebied) een verkeersgeneratie van gemiddeld 7,8 - 8,6 motorvoertuigen per etmaal. In de beoogde situatie zal de verkeersgeneratie naar de woningen worden verdubbeld. Aangezien de stal die nu door externe partijen als opslag gebruikt wordt in de beoogde situatie gesloopt zal worden zal dit minder verkeer aantrekken. Verwacht wordt dat de doodlopende weg welke enkel door bestemmingsverkeer wordt gebruikt de toegenomen verkeersgeneratie kan verwerken in de beoogde situatie.

4.15.2

Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ dienen er bij woningen in het buitengebied 2,4 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn. Parkeren dient hierbij te geschieden op eigen terrein. Aangezien er een nieuwe woning wordt toegevoegd dient er een extra 2,4 parkeerplaatsen toegevoegd te worden. Voor onderhavig plan betekent dit dat ter plaatse van het plangebied 5 parkeerplaatsen benodigd zijn. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.

42

HOOFDSTUK

5 Juridische planopzet

De beëindiging van het agrarisch bedrijf, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar en burgerwoning in combinatie met de realisatie van een nieuwe woning via de Ruimte-voorRuimteregeling. De gemeente is verantwoordelijk voor het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. Deze onderbouwing wordt als toelichting in het plan opgenomen. naast deze toelichting bestaat het plan uit een verbeelding en een set regels. Deze zijn aan elkaar gelinkt en samen vormen ze het juridisch bindend deel. Op de verbeelding worden voor beide woningen een woonbestemming opgenomen. aan deze woonbestemming zijn de regels gekoppeld die van toepassing zijn op woonbestemmingen. Over het algemeen kan worden aangesloten bij de bestaande systematiek zoals die is vastgelegd in het bestemmingsplan buitengebied. De enige afwijking is dat ter plaatse van deze woonbestemmingen en afwijking geldt voor de oppervlakte aan bijgebouwen (max. 300 m2 per woning). voor de nieuwe woning (via de Ruimte-voor-Ruimteregeling) geldt dat deze ingezet kan worden voor beroep- of bedrijf aan huis.

43

HOOFDSTUK

6 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval wordt met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst aangegaan, waardoor o.a. de plankosten zijn verzekerd. Daardoor is het plan financieel uitvoerbaar en loopt de gemeente geen (financieel) risico.

44

HOOFDSTUK

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan ‘Bolstweg 4 Mariaheide‘ is onderdeel van een veegplan welke ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Er heeft in het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de omwonenden aan de Bolstweg 2, 3, 5, 5a en 6 op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.

45

HOOFDSTUK

8 Conclusie

De gewenste ontwikkeling van het herbouwen van de woning ter plaatse van de Bolstweg 4 te Mariaheide is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’, is het realiseren van een burgerwoning en Ruimte-voor-Ruimte woning niet direct toegestaan. In het bestemmingsplan is in artikel 3.7.8 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door aan een aantal voorwaarden te voldoen kan het college van B & W de gronden wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ zodat de burgerwoning en Ruimte-voor-Ruimte woning gerealiseerd kan worden. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Ter plaatse van het plangebied is de bedrijfswoning reeds aanwezig en de toevoeging van de Ruimte-voor-Ruimte woning past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige bebouwing in de omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren.

Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=ee2841d1-7684-405f-b9d8-f15f09d26cb7